1a. Regionale bodembeheer nota.pdf
Tekst van het document
Daarnaast ligt het maximaal vastgestelde gehalte van drins (2,0703 mg/kg ds; gestandaardiseerd) ver onder de humaan toxicologische maximale waarde -meest gevoelig scenario ‘wonen met tuin’voor dieldrin (5,5 mg kg ds[20]; factor 2,5) en die van endrin (13 mg/kg ds[20]; factor 6). α-HCH De humaan toxicologische maximale waarde voor α-HCH bedraag 20 mg/kg ds[20]. Het maximaal vastgestelde gehalte van α-HCH in de gemeenten bedraagt 0,0065 mg/kg ds (gestandaardiseerd). Dit betekent dat er geen gezondheidsrisico valt te verwachten door blootstelling aan α-HCH. Het maximaal vastgestelde gehalte van α-HCH ligt ver onder de humaan toxicologische maximale waarde (factor 3.075), de interventiewaarde (17 mg/kg ds; factor 2.154) en de maximale waarde voor de functie Industrie (0,5 mg/kg ds; factor 77). β-HCH De belangrijkste blootstellingsroutes zijn gewasopname (63%) en inhalatie binnenlucht (21%). De humaan toxicologische maximale waarde voor β-HCH bedraag 0,77 mg/kg ds[20]. Het maximaal vastgestelde gehalte van β-HCH in de gemeenten bedraagt 0,011 mg/kg ds (gestandaardiseerd). Dit betekent dat er geen gezondheidsrisico valt te verwachten door blootstelling aan β-HCH. Het maximaal vastgestelde
11
12
Voor α-endosulfaan is geen humaan toxicologische maximale waarden gegeven in het rapport 711701053 van het RIVM [20]. Voor deze stof is de humaan toxicologische maximale waarden in CSOIL (versie 1, november 2008) berekend door het invoeren van een waarde die de helft bedraagt van het Maximaal Toelaatbaar Risico. Hiermee bedraagt de achtergrondblootstelling maximaal 50% van het Maximaal Toelaatbaar Risico. Voor chloordaan is geen humaan toxicologische maximale waarden gegeven in het rapport 711701053 van het RIVM [20]. Voor deze stof is de humaan toxicologische maximale waarden in CSOIL (versie 1, november 2008) berekend door het invoeren van een waarde die de helft bedraagt van het Maximaal Toelaatbaar Risico. Hiermee bedraagt de achtergrondblootstelling maximaal 50% van het Maximaal Toelaatbaar Risico.
SOB015939 Nota bodembeheer 2023-2033 SOB015939.RAP003 Opdrachtgever: Omgevingsdienst West-Holland namens 11 gemeenten in de regio West-Holland
WSP 5 mei 2023 pagina 45/98
gehalte van β-HCH ligt ver onder de humaan toxicologische maximale waarde (factor 70), de interventiewaarde (1,6 mg/kg ds; factor 145) en de maximale waarde voor de functie Industrie (0,5 mg/kg ds; factor 45). Heptachloor De belangrijkste blootstellingsroutes zijn gewasopname (60%) en inhalatie binnenlucht (34%). De humaan toxicologische maximale waarde voor heptachloor bedraagt 7 mg/kg ds13. Het maximaal vastgestelde gehalte van heptachloor in de gemeenten bedraagt 0,0047 mg/kg ds (gestandaardiseerd). Dit betekent dat er geen gezondheidsrisico valt te verwachten door blootstelling aan heptachloor. Het maximaal vastgestelde gehalte van heptachloor ligt ver onder de humaan toxicologische maximale waarde (factor 1.489), de interventiewaarde (4 mg/kg ds; factor 851) en ruim onder de maximale waarde voor de functie Industrie (0,1 mg/kg ds; factor 21). Heptachloorepoxide De belangrijkste blootstellingsroutes zijn gewasopname (79%) en inhalatie binnenlucht (18%). De humaan toxicologische maximale waarde voor heptachloorepoxide bedraagt 2 mg/kg ds 15. Het maximaal vastgestelde gehalte van heptachloorepoxide in de gemeenten bedraagt 0,0721 mg/kg ds (gestandaardiseerd). Dit betekent dat er geen gezondheidsrisico valt te verwachten door blootstelling aan heptachloorepoxide.
Het maximaal vastgestelde gehalte van heptachloorepoxide ligt ver onder de humaan toxicologische maximale waarde (factor 28), de interventiewaarde (4 mg/kg ds; factor 55) en ruim onder de maximale waarde voor de functie Industrie (0,1 mg/kg ds; factor 1,5). Tabel 4.4: Lokale Maximale Waarden (vml) tuinbouw- en akkerbouwpercelen (percelen die onderdeel uitmaken van de bodemkwaliteitszones “B10/T10/O10. (Voormalige) tuinbouw- en akkerbouwpercelen gemeenten Hillegom, Lisse, Noordwijk, Oegstgeest en Teylingen” en “B11/T11/O11. (Voormalige) tuinbouw- en akkerbouwpercelen gemeenten Kaag en Braassem, Leiden, Leiderdorp, Nieuwkoop en Zoeterwoude”
STOF
MAXIMALE MAXIMAAL WAARDE VASTGESTELD VOOR INTERVENTIEGEHALTE INDUSTRIE WAARDE
LOKALE HUMAAN TOXICOLOGISCHE MAXIMALE MAXIMALE WAARDE WAARDE REFERENTIE
(in mg/kg ds voor standaardbodem: 25% lutum en 10% organisch stof) α-endosulfaan
1,8438
0,1
4
1.700#
4
Interventiewaarde
Chloordaan
0,634
0,1
4
9
4
Interventiewaarde
Drins
2,0703
0,14
4
0,2*/21**
4** (0,2*)
Aldrin
0,007
-
0,32
0,2*/21**
0,2
Dieldrin Endrin
0,28 0,006
-
-
5,5*/39** 13*/100**
4 4
Interventiewaarde drins Interventiewaarde drins
α-HCH
0,011
0,5
17
20*
0,5
Maximale Waarde functie Industrie
β-HCH
0,0097
0,5
1,9
0,77
0,5
Maximale Waarde functie Industrie
13
Interventiewaarde drins mits Aldrin <0,2 mg/kg ds@ Humaan toxicologische maximale waarde@
Voor heptachloor en heptachloorepoxide zijn geen humaan toxicologische maximale waarden gegeven in het rapport 711701053 van het RIVM[20]. Voor deze stoffen zijn de humaan toxicologische maximale waarden in CSOIL (versie 1, november 2008) berekend door het invoeren van een waarde die de helft bedraagt van het Maximaal Toelaatbaar Risico. Hiermee bedraagt de achtergrondblootstelling maximaal 50% van het Maximaal Toelaatbaar Risico.
SOB015939 Nota bodembeheer 2023-2033 SOB015939.RAP003 Opdrachtgever: Omgevingsdienst West-Holland namens 11 gemeenten in de regio West-Holland
WSP 5 mei 2023 pagina 46/98
STOF
MAXIMALE MAXIMAAL WAARDE VASTGESTELD VOOR INTERVENTIEGEHALTE INDUSTRIE WAARDE
LOKALE HUMAAN TOXICOLOGISCHE MAXIMALE MAXIMALE WAARDE WAARDE REFERENTIE
(in mg/kg ds voor standaardbodem: 25% lutum en 10% organisch stof) heptachloor
0,0047
0,1
4
7
0,1
Maximale Waarde functie Industrie
HeptachloorMaximale Waarde 0,0721 0,1 4 2 0,1 epoxide functie Industrie * Scenario ‘Wonen met tuin’ (10% gewasconsumptie). ** Scenario ‘Speelplaats met kinderen’ en scenario ‘Wonen met tuin’ (geen gewasconsumptie). # Waarde Humaan Toxicologische Maximale Waarde @ Het maximaal vastgestelde gehalte aan Aldrin in de gemeenten is 0,007 mg/kg ds (gestandaardiseerd). De in de gemeenten voldoet daarom aan de Lokale Maximale Waarde voor Aldrin.
De kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen moet voldoen aan de gedefinieerde toepassingseisen (zie § 4.6, tabel 4.8, blz. 57/98). Ook gelden nog eisen ten aanzien van bijmenging van bodemvreemd materiaal en asbest (zie § 4.4 en § 4.5). 4.3.7.6 ONDERBOUWING EN DEFINIËREN LOKALE MAXIMALE WAARDEN GEMEENTE TEYLINGEN: PLANGEBIED NIEUW BOEKHORST IN VOORHOUT (BODEMLAAG 0-2 M-MV; LMW9) Voor het plangebied Nieuw Boekhorst in Voorhout (gemeente Teylingen) is op basis van recente bodemonderzoeken de bodemkwaliteit geanalyseerd. Uit het historische onderzoek blijkt, dat het gebied deels verdacht is op gehoogde gehalten aan organochloorbestrijdingsmiddelen (kassengebied). Het andere deel van het plangebied is niet verdacht op deze stofgroep (alleen in gebruikt geweest als weiland). Uit de analyseresultaten van de bodemonderzoeken blijkt, dat de bodemkwaliteit in het gehele plangebied (in de boven- én ondergrond) in de klasse ‘Industrie’ valt als gevolg van de gemeten gehalten aan één of meer individuele organochloorbestrijdingsmiddelen. Op basis van zware metalen, PAK, PCB en minerale olie valt de grond in de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ of ‘Landbouw/natuur’. Het gehele plangebied blijkt, ondanks de gebiedshistorie, belast te zijn met organochloorbestrijdingsmiddelen.
Op basis van dat gegeven kan het gehele plangebied als onderdeel van de bodemkwaliteitszone (voormalige) tuinbouw- en akkerbouwpercelen worden beschouwd: B10/T10/O10. (Voormalige) tuinbouw- en akkerbouwpercelen gemeenten Hillegom, Lisse, Noordwijk, Oegstgeest en Teylingen. Bij hergebruik van grond ter plaatse van het plangebied Nieuw Boekhorst mag daarom gebruik gemaakt worden van de Lokale Maximale Waarden voor organochloorbestrijdingsmiddelen die zijn gedefinieerd voor (voormalige) tuinbouw- en akkerbouwpercelen (bodemlaag 0-2 m-mv; LMW9), zie § 4.3.7.5). Dat betekent dat de grond in het hele plangebied hergebruikt mag worden. Ook grond van andere (voormalige) tuinbouw- en akkerbouwpercelen uit de gemeenten binnen het beheergebied mag in het plangebied Nieuw Boekhorst worden toegepast, omdat dit ook grond is die in de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ valt, alleen door de licht verhoogde aan organochloorbestrijdingsmiddelen. Grond die komt van andere percelen/ gebieden binnen het beheergebied moet voldoen aan de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ of ‘Landbouw/natuur’.
SOB015939 Nota bodembeheer 2023-2033 SOB015939.RAP003 Opdrachtgever: Omgevingsdienst West-Holland namens 11 gemeenten in de regio West-Holland
WSP 5 mei 2023 pagina 47/98
4.3.7.7 UITWERKING GEBIEDSSPECIFIEK BELEID: TOEPASSEN GROND VAN ÉN OP (VOORMALIGE) TUINBOUW- EN AKKERBOUWPERCELEN Met de gedefinieerde Lokale Maximale Waarden (LMW6 t/m LMW8) is het grondverzet binnen de plangebieden in de gemeente Noordwijk zonder voorafgaand bodemonderzoek of partijkeuring mogelijk. Wordt grond van deze plangebieden niet in hetzelfde plangebied hergebruikt of wordt grond van andere (voormalige) tuinbouw- en akkerbouwpercelen hergebruikt geldt het onderstaande beleid: De uitwerking van het gebiedsspecifiek beleid op de (voormalige) tuinbouw- en akkerbouwpercelen is als volgt: — Als grond van de bodemlaag 0-2 m-mv van een (voormalig) tuinbouw- of akkerbouwperceel weer op een (voormalig) tuinbouw- of akkerbouwperceel wordt toegepast, moet de grond voorafgaand aan het ontgraven altijd indicatief onderzocht worden op organochloorbestrijdingsmiddelen (zie § 6.2.1). Afhankelijk van de onderzoeksresultaten kan de grond als volgt worden toegepast: • De organochloorbestrijdingsmiddelen moeten voldoen aan de Lokale Maximale Waarden zoals die in § 4.3.7.5 (tabel 4.4) zijn weergegeven. • Kwaliteitsklasse ‘Niet toepasbaar’: de grond moet worden afgevoerd naar een erkend verwerker.
— Als grond van de bodemlaag 0-2 m-mv van een (voormalige) tuinbouw- of akkerbouwperceel niet op een (voormalig) tuinbouw- of akkerbouwperceel wordt toegepast, moet de grond voorafgaand aan de toepassing altijd gekeurd worden op organochloorbestrijdingsmiddelen (zie § 6.2.1). Afhankelijk van de keuringsresultaten kan de grond worden toegepast. Als grond van de bodemlaag 0-2 m-mv van een (voormalig) tuinbouw- of akkerbouwperceel weer op een (voormalig) tuinbouw- of akkerbouwperceel wordt toegepast, moet de grond voorafgaand aan het ontgraven altijd indicatief onderzocht worden (zie § 6.2.1). Afhankelijk van de onderzoeksresultaten kan de grond worden toegepast. Als grond van de bodemlaag 0-2 m-mv van een (voormalige) tuinbouw- of akkerbouwperceel niet op een (voormalig) tuinbouw- of akkerbouwperceel wordt toegepast, moet de grond voorafgaand aan het ontgraven altijd gekeurd worden (zie § 6.2.1). Afhankelijk van de keuringsresultaten kan de grond worden toegepast.
4.3.8 LOKALE MAXIMALE WAARDEN HERGEBRUIK VAN GROND IN DE GEBIEDEN MET TOEMAAKDEK (GEMEENTEN KAAG EN BRAASSEM, LEIDEN, LEIDERDORP, LISSE, NIEUWKOOP, TEYLINGEN, VOORSCHOTEN EN ZOETERWOUDE; BODEMLAAG 0-2 M-MV; LMW10) De gemeenten Kaag en Braassem, Leiden, Leiderdorp, Lisse, Nieuwkoop, Teylingen en Zoeterwoude hebben in 20142015 Lokale Maximale Waarden vastgesteld voor het toemaakdek 14 in het landelijk gebied [2]. In bijlage 1 is voor het begrip toemaakdek een nadere toelichting gegeven. Dit beleid wordt voortgezet. De gemeente Voorschoten sluit aan bij dit beleid. In de bodemkwaliteitszone ‘B8/T8/O8. Buitengebied met toemaakdek’ overschrijden de gemiddelde waarden van een aantal stoffen de landelijke achtergrondwaarde (AW2000). Daardoor wordt de grond geclassificeerd in de ontgravingsklasse ‘Wonen’. Het landelijk gebied valt in de bodemfunctieklasse ‘Landbouw/natuur’. Hierdoor kan met de generieke regels van het Besluit alleen grond worden toegepast met de kwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur’. De toepassingseis in de bodemkwaliteitszone ‘B8. Buitengebied met toemaakdek’ is dus strenger dan de 14
Toemaakdek is een opgebrachte laag stadsvuil ter plaatse van met name veengebieden om laaggelegen, drassig gebied op te hogen en het land te bemesten. Ten gevolge van de samenstelling van de toemaakdekgrond kennen deze gebieden vaak sterk verhoogde gehalten aan zware metalen en PAK.
SOB015939 Nota bodembeheer 2023-2033 SOB015939.RAP003 Opdrachtgever: Omgevingsdienst West-Holland namens 11 gemeenten in de regio West-Holland
WSP 5 mei 2023 pagina 48/98
ontgravingskwaliteit. Gevolg is dat gebiedseigen grond niet kan worden hergebruikt. Om gebiedseigen grond te kunnen hergebruiken hebben de gemeenten Lokale Maximale Waarden gedefinieerd (zie tabel 4.5). De Lokale Maximale Waarden zijn gebaseerd op de 95-percentielewaarde van de bodemkwaliteitszone voor het toemaakdekgebied uit 2014 [2]. Uit de bodembeheernota’s [2] van de gemeenten blijkt het volgende: “De 95-percentiel overschrijdt bij onze gegevens voor geen van de parameters de Interventiewaarde uit de Wet bodembescherming. De kans op het aantreffen van ernstige gevallen van bodemverontreiniging in het buitengebied, veroorzaakt door toemaak, is dus erg klein. […] Een groot deel van deze gebieden is van oudsher in gebruik als agrarisch gebied, de bekende veenweiden. Van historische verontreiniging is bekend dat deze een ander risicoprofiel kan hebben dan recenter ontstane bodemverontreiniging. Zo is van bijvoorbeeld lood, door een mate van binding aan het bodemmateriaal, de biobeschikbaarheid in werkelijkheid vaak lager dan standaard wordt aangenomen. De modellen voor risicoberekening (‘worst case’) kunnen daardoor soms een negatiever resultaat opleveren dan in werkelijkheid aanwezig is. Dit sluit aan bij het beeld dat het gebruik van deze gebieden voor agrarische doeleinden, zoals beweiding, in de praktijk niet tot problemen heeft geleid.
[…] Omdat de verwachting bestaat dat de historische verontreiniging eigenlijk geen bezwaar is om die grond binnen het gebied her te gebruiken, is gebiedsspecifiek beleid opgesteld voor uitwisseling van grond binnen het toemaakgebied. […] Ten aanzien van grondverzet in het toemaakgebied gelden de volgende gebiedsspecifieke regels.: — Van percelen met toemaak naar percelen met toemaak is (zonder bodemonderzoek) vrij grondverzet op basis van de bodemkwaliteit toegestaan. — Van het ontvangende perceel moet worden vastgesteld dat het inderdaad om toemaak gaat. In beginsel volstaat daarvoor zintuiglijk onderzoek. — Van percelen met toemaak naar percelen zonder toemaak is grondverzet niet vrij. Hier gelden de toepassingsregels uit het generieke beleid. Dat betekent dat aan de bodemfunctie getoetst moet worden. Zie daarvoor de bodemfunctieklassenkaart. In het algemeen zal dat voor agrarisch gebied Aw zijn. — Ingeval een perceel of een partij grond van binnen het toemaakgebied onderzocht is, dient getoetst te worden aan de LMW (zie tabel 4.5). — Het toemaakbeleid geldt alleen voor agrarisch en extensief recreatief gebruikt landelijk gebied. Het is geen vrijstelling voor bodemonderzoek dat om specifieke redenen zoals aanvraag bouwvergunning voorgeschreven wordt. Daarvoor gelden de gangbare onderzoekseisen en beoordelingsregels.
— Grond die, zintuiglijk dan wel historisch, verdacht is om andere redenen dan toemaak valt buiten dit beleid. Daarvoor gelden de gangbare regels. In geval van saneringsnoodzaak geldt dan het gebruikelijke curatieve spoor uit de Wbb. — Grond van buiten het toemaakgebied naar toemaakgebied dient te voldoen aan de Aw. (De onderbouwing van de LMW had immers specifiek betrekking op toemaakdek en niet op verhoogde gehalten in het algemeen). […] Uit een risico-analyse blijkt dat er aan het toestaan van deze verhoogde gehalten geen risico’s ten aanzien van het geplande gebruik (agrarisch en extensieve recreatie) verbonden zijn.” De voornoemde risico-analyse is opgenomen in bijlage 4A. Het gebiedsspecifiek beleid heeft betrekking op de bodemlaag 0-2 m-mv. Daarin bevindt zich het toemaakdek. Voorwaarde om gebruik te mogen maken van het gebiedsspecifieke beleid is dat aangetoond wordt dat in de bodemlaag waar de grond wordt toegepast, zintuiglijk sprake is van een toemaakdek. Het toemaakdek bestaat uit historisch opgebracht stadsvuil van uiteenlopende soort dat is vermengd met zand. Toemaakdek is in het algemeen te herkennen aan diverse bijmengingen (puin, scherven, stukjes ijzer, pijpenkoppen) en verkleuringen in de bovenste laag van het zandpakket. De kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen moet voldoen aan de gedefinieerde toepassingseisen (zie § 4.6, tabel 4.8, blz. 57/98).
Ook gelden nog eisen ten aanzien van bijmenging van bodemvreemd materiaal en asbest (zie § 4.4 en § 4.5).
SOB015939 Nota bodembeheer 2023-2033 SOB015939.RAP003 Opdrachtgever: Omgevingsdienst West-Holland namens 11 gemeenten in de regio West-Holland
WSP 5 mei 2023 pagina 49/98
Tabel 4.5: Lokale Maximale Waarden toemaakdek landelijk gebied PARAMETER
LMW (IN MG/KG DS)
Barium
283
Cadmium
0,76
Koper
76,5
Kwik
1,3
Molybdeen
5
Lood
373
Zink
236
PAK
2,26
Andere parameters
Landelijke achtergrondwaarde (AW2000)
4.3.9 LOKALE MAXIMALE WAARDEN BRAASSEMERLAND (GEMEENTE KAAG EN BRAASSEM; BODEMLAAG 0-2 M-MV; LMW11) De gemeente Kaag en Braassem heeft in 2014 Lokale Maximale Waarden vastgesteld voor het gebied Braassemerland[2]. Dit beleid wordt voortgezet met uitzondering voor PCB. Het beleid voor PCB vervalt vanwege een tussentijdse bijstelling van toetsingsnormen in de Regeling. Uit de bodembeheernota[2] van de gemeente blijkt het volgende: “Braassemerland is door het college van B&W ingedeeld in de bodemfunctie ‘Wonen’. […] Uit de berekeningen van de destijds opgestelde bodemkwaliteitskaart blijkt dat de bodem in het gebied gemiddeld voldoet aan de kwaliteitsklasse Wonen. Een deel echter niet. Dat betreft zowel percelen die schoner zijn, als percelen waarvan de grond voor met name de parameters koper, lood, zink en PCB hogere gehalten hebben. In beide gevallen vormt het generieke beleid uit het Bbk voor grondverzet een obstakel. Enerzijds omdat dan grond van de klasse Wonen niet op een schoner perceel mag worden toegepast, anderzijds omdat binnen Braassemerland vrijkomende grond met parameters boven de klassegrens Wonen niet in de eigen zone mag worden toegepast. […] Ten aanzien van grondverzet gelden binnen de het gebied Braassemerland de volgende gebiedsspecifieke regels. — Alle percelen in het gebied Braassemerland worden voorafgaand aan werkzaamheden (minimaal) verkennend onderzocht.
Van elk perceel is derhalve bekend of het binnen de regels van de bodemkwaliteitskaart valt of daar een uitzondering op is. — Grond die voldoet aan de LMW (zie tabel 4.6) mag binnen het gebied Braassemerland vrij toegepast worden. — Grond die aan de LMW voldoet mag ook worden toegepast op van de uitgesloten percelen binnen het gebied Braassemerland. Omgekeerd niet. — Grond van buiten het gebied Braassemerland, maar van binnen het beheergebied (zie § 4.2) moet voldoen aan de bodemkwaliteitsklasse Wonen. — Extern aangevoerde grond van buiten het beheergebied (zie § 4.2) moet voldoen aan het generieke beleid uit het Bbk (zie tabel 2.1 bodemkwaliteitszones ‘[…]’). […] De LMW voor het gebied Braassemerland zijn gelijkgesteld aan de bodemkwaliteitsklasse Wonen uit de Regeling, behalve voor de parameters koper, lood, zink en PCB, waarvoor de 95-percentielwaarden gelden uit de destijds opgestelde bodemkwaliteitskaart[2]. Uit een risico-analyse blijkt dat er aan het toestaan van deze verhoogde gehalten geen risico’s ten aanzien van het geplande gebruik (wonen met tuin, plaatsen waar kinderen spelen) verbonden zijn.” De voornoemde risico-analyse is opgenomen in bijlage 4B. Daarbij kan worden gesteld dat voor de andere parameters dan koper, lood en zink de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ gelijk is aan de generieke Maximale Waarde van het bodemgebruik in dit gebied (Wonen).
Hierdoor treden er bij het huidige en toekomstige bodemgebruik geen risico's op.
SOB015939 Nota bodembeheer 2023-2033 SOB015939.RAP003 Opdrachtgever: Omgevingsdienst West-Holland namens 11 gemeenten in de regio West-Holland
WSP 5 mei 2023 pagina 50/98
De kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen moet voldoen aan de gedefinieerde toepassingseisen (zie § 4.6, tabel 4.8, blz. 57/98). Ook gelden nog eisen ten aanzien van bijmenging van bodemvreemd materiaal en asbest (zie § 4.4 en § 4.5). Tabel 4.6: Lokale Maximale Waarden Braassemerland PARAMETER
LMW (IN MG/KG DS)
Koper
67
Lood
268
Zink
332
Andere parameters
Maximale waarde functie Wonen
4.3.10 LOKALE MAXIMALE WAARDEN NIEUW-RHIJNGEEST (GEMEENTE OEGSTGEEST; BODEMLAAG 0-2 M-MV; LMW12) De gemeente Oegstgeest heeft in 2014 Lokale Maximale Waarden vastgesteld voor het gebied Nieuw Rhijngeest[2]. Dit beleid wordt voortgezet. Uit de bodembeheernota[2] van de gemeente blijkt het volgende: “Nieuw-Rhijngeest is door het college van B&W ingedeeld in de bodemfunctie ‘Wonen’. […] Uit de destijds opgestelde bodemkwaliteitskaart blijkt dat de bovengrond (0,0-0,0 m –mv) in het gebied Nieuw-Rhijngeest op basis van gemiddelde gehalten ingedeeld kan worden als bodemkwaliteitsklasse Industrie. De ondergrond (0,5-2,0 m –mv) wordt op basis van het gemiddelde gehalte getypeerd als Wonen. De bestrijdingsmiddelen groep ‘drins’ en met name dieldrin is daarvoor bepalend. De 95-percentielwaarden overschrijden voor geen van de parameters de interventiewaarden uit de Wet bodembescherming. […] Ten aanzien van grondverzet gelden binnen het gebied Nieuw-Rhijngeest de volgende gebiedsspecifieke regels. — Alle percelen worden voorafgaand aan werkzaamheden (minimaal) verkennend onderzocht. Van elk perceel is derhalve bekend of het binnen de regels van de bodemkwaliteitskaart valt of daar een uitzondering op is. — Grond die voldoet aan de LMW (zie tabel 4.7) mag binnen het gebied Nieuw-Rhijngeest vrij toegepast worden.
— Grond die aan de LMW voldoet mag ook worden toegepast op van de uitgesloten percelen binnen het gebied Nieuw-Rhijngeest. Omgekeerd niet. — Grond van buiten het gebied Nieuw-Rhijngeest, maar van binnen het beheergebied (zie § 4.2) moet voldoen aan de bodemkwaliteitsklasse Wonen. — Extern aangevoerde grond van buiten het beheergebied (zie § 4.2) moet voldoen aan het generieke beleid uit het Bbk (zie tabel 2.1 bodemkwaliteitszones ‘[…]’). […] De LMW voor het gebied Nieuw-Rhijngeest zijn gelijkgesteld aan de bodemkwaliteitsklasse Wonen uit de Regeling, behalve voor de parameter drins, waarvoor de P95 uit bodemkwaliteitskaart[2] geldt. Uit een risico-analyse blijkt dat er aan het toestaan van deze verhoogde gehalten geen risico’s ten aanzien van het geplande gebruik (wonen met tuin, plaatsen waar kinderen spelen) verbonden zijn.” De voornoemde risico-analyse is opgenomen in bijlage 4C. Daarbij kan worden gesteld dat voor de andere parameters dan drins de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ gelijk is aan de generieke Maximale Waarde van het bodemgebruik in dit gebied (Wonen). Hierdoor treden er bij het huidige en toekomstige bodemgebruik geen risico's op. De kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen moet voldoen aan de gedefinieerde toepassingseisen (zie § 4.6, tabel 4.8, blz. 57/98). Ook gelden nog eisen ten aanzien van bijmenging van bodemvreemd materiaal en asbest (zie § 4.4 en § 4.5).
SOB015939 Nota bodembeheer 2023-2033 SOB015939.RAP003 Opdrachtgever: Omgevingsdienst West-Holland namens 11 gemeenten in de regio West-Holland
WSP 5 mei 2023 pagina 51/98
Tabel 4.7: Lokale Maximale Waarden Nieuw-Rhijngeest PARAMETER
LMW (IN MG/KG DS)
Drins
0,29
Andere parameters
Maximale waarde functie Wonen
4.3.11 LOKALE MAXIMALE WAARDEN TIJDELIJKE OPSLAG (LMW13) In het generieke kader van het Besluit moet bij de tijdelijke opslag van grond (langer dan 6 maanden en maximaal 3 jaar) de ontgravingskwaliteit van de grond gelijk zijn aan of beter zijn dan de bodemkwaliteitsklasse van de (tijdelijk) ontvangende bodem (zie de onderbouwing van de bodemkwaliteitskaart in bijlage C1). Deze voorwaarde past goed binnen de uitgangspunten van het landelijk geldende generieke toepassingskader, en dus wanneer — de betreffende partij grond van een locatie afkomstig is van een locatie waar geen ruimte aanwezig is om de grond tijdelijk op te slaan; — de betreffende partij grond niet afkomstig is van de grondgebieden van de 11 gemeenten; — het baggerspecie betreft. In sommige bodemkwaliteitszones van bodemlaag vanaf het maaiveld tot en met 0,5 meter diepte leidt dit met gebiedseigen grond tot knelpunten. In sommige gebieden kan zich bijvoorbeeld de situatie voordoen dat op een bepaalde locatie, waar de ontvangende bodem de kwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde – AW2000)’ heeft, wel partijen grond van de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ of ‘Wonen’ mag worden toegepast, maar dat dezelfde partij grond daar niet tijdelijk mag worden opgeslagen.
Dat staat haaks op de definitie van tijdelijke opslag die in het Besluit is opgenomen: "De tijdelijke toepassing van grond/baggerspecie voorafgaand aan de definitieve nuttige toepassing." Daarom passen de gemeenten de regels aan voor de tijdelijke opslag van grond voorafgaand aan de definitieve toepassing. Een partij grond uit de gemeenten mag, voorafgaand aan de definitieve toepassing, tijdelijk worden opgeslagen als de kwaliteit van de grond voldoet aan de vastgestelde bodemkwaliteitsklasse (zie de onderbouwing van de bodemkwaliteitskaart in bijlage C1) óf de vastgestelde Lokale Maximale Waarden, gebiedsspecifieke toepassingseisen (zie § 4.3). De kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen moet voldoen aan de gedefinieerde toepassingseisen (zie § 4.6, tabel 4.8, blz. 57/98). Ook gelden nog eisen ten aanzien van bijmenging van bodemvreemd materiaal en asbest (zie § 4.4 en § 4.5). De Lokale Maximale Waarde voor tijdelijke opslag van grond uit de gemeente, voorafgaand aan de definitieve toepassing, is gelijk aan de in § 4.3 vastgestelde Lokale Maximale Waarden. De kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen moet voldoen aan de gedefinieerde toepassingseisen (zie § 4.6, tabel 4.8, blz. 58/99). Ook gelden nog eisen ten aanzien van bijmenging van bodemvreemd materiaal en asbest (zie § 4.4 en § 4.5).
SOB015939 Nota bodembeheer 2023-2033 SOB015939.RAP003 Opdrachtgever: Omgevingsdienst West-Holland namens 11 gemeenten in de regio West-Holland
WSP 5 mei 2023 pagina 52/98
4.3.12 GRONDVERZET IN EN UIT HET DUINGEBIED (UITGESLOTEN BODEMKWALITEITSKAART VOOR PFAS; GEMEENTE NOORDWIJK, BODEMLAAG 0-1 M-MV) De bodemlaag 0-1 m-mv van een deel van het duingebied is uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart omdat deze verdacht is voor PFAS-verbindingen als gevolg van een effect dat wordt omschreven als ‘Global Sea Spray’. Om meer grondverzet mogelijk te maken zonder dat dit tot risico’s leidt bij (toekomstig) bodemgebruik wordt het volgende beleid geformuleerd: Zand dat vrijkomt binnen de kernzone van de primaire kering i.c. de zeereep of zeewering mag na overleg met en goedkeuring van het Hoogheemraadschap van Rijnland weer binnen dit gebied worden toegepast, met uitzondering van locaties met de functie wonen met tuin. Op deze manier blijft het zand onderdeel uitmaken van de waterkering. Als het voornemen bestaat vrijgekomen zand binnen de kernzone van de primaire kering i.c. de zeereep of zeewering op een locatie met de functie wonen met tuin óf buiten de primaire kering i.c. de zeereep of zeewering te hergebruiken, moet de kwaliteit in het duinzand worden aangetoond met een partijkeuring voor PFAS-verbindingen. De verplichting dat voorafgaand aan het werk een historisch onderzoek moet worden uitgevoerd (zie § 6.1) blijft gelden. Zand dat vrijkomt binnen de kernzone van de primaire kering i.c.
de zeereep of zeewering mag na overleg met en goedkeuring van het Hoogheemraadschap van Rijnland weer binnen dit gebied worden toegepast, met uitzondering van locaties met de functie wonen met tuin. Als het voornemen bestaat vrijgekomen zand binnen de kernzone van de primaire kering i.c. de zeereep of zeewering op een locatie met de functie wonen met tuin óf buiten de primaire kering i.c. de zeereep of zeewering te hergebruiken, moet de kwaliteit in het duinzand worden aangetoond met een partijkeuring voor PFASverbindingen.
4.4 TOEPASSEN VAN GROND OF BAGGERSPECIE MET BODEMVREEMD MATERIAAL (STEENACHTIGE MATERIALEN, HOUT, PLASTC, IJZER ETC.) Het Besluit stelt dat een partij grond of baggerspecie maximaal 20 gewichtsprocent bodemvreemd materiaal mag bevatten. In de bodem van de gemeenten wordt lang niet altijd 20 gewichtsprocent bodemvreemde materiaal aangetroffen. Ook gaat de omschrijving ‘gewichtspercentage’ niet op voor lichte bodemvreemde materialen zoals plastic of piepschuim. Daarom hanteren de gemeenten het onderstaande beleid voor bijmenging van bodemvreemd materiaal: — Bij het aanleveren van historische gegevens (zie § 6.1) voorafgaand aan het tijdelijk opslaan en het toepassen van grond of baggerspecie moet aandacht besteed worden aan het voor komen van bodemvreemd materiaal in de grond. Tijdens de grondwerkzaamheden moet een visuele controle plaatsvinden of de grond mogelijk verontreinigd is met bodemvreemde bijmengingen. De gemeenten stellen de onderstaande maximale bijmenging van bodemvreemd materiaal vast voor materiaal dat in principe chemisch inert is in bodem, zoals puinbrokjes, stukjes hout, stukjes ijzer, e.d.: • Maximaal 5 gewichtsprocent op percelen met de bodemfunctie ‘Landbouw/natuur’. • Maximaal 5 gewichtsprocent op percelen met de bodemfunctie ‘Wonen’, uitgezonderd oud stedelijk gebied.
• Maximaal 10 gewichtsprocent op percelen met de bodemfuncties ‘Wonen’, oud stedelijk gebied en ‘Industrie’.
SOB015939 Nota bodembeheer 2023-2033 SOB015939.RAP003 Opdrachtgever: Omgevingsdienst West-Holland namens 11 gemeenten in de regio West-Holland
WSP 5 mei 2023 pagina 53/98
— Óók stellen de gemeenten dat grond of baggerspecie met bijmenging van ander bodemvreemd materiaal (bijvoorbeeld vuilnis, industrieafval, plastic, piepschuim, asfalt, slakken, sintels, grote stukken puin etc.) slechts een ‘sporadische’ bijmenging (maximaal 0,1 volume- of gewichtsprocent) mag bevatten. Soms wordt gesproken over spoortjes aan bijmenging van bodemvreemd materiaal of over sporadische bijmenging van bodemvreemd materiaal. Het verschil tussen de termen sporadisch en spoortjes is weergegeven in figuur 4.1. Hierbij wordt aangesloten op de Regeling. Als sprake is van een sporadische bijmenging van ander bodemvreemd materiaal moet deze met ‘handpicking’ worden verwijderd voorafgaand, tijdens of na de toepassing. De uitvoerende partij is hiervoor verantwoordelijk. Bij twijfel of grenssituaties beslist de ODWH (Toezicht en handhaving voor de gemeenten). Als er geen sprake is van sterk verontreinigde grond/baggerspecie, is het toegestaan om door civiel technisch zeven het percentage bodemvreemd materiaal terug te brengen naar de toegestane percentages. Het civiel technisch zeven wordt niet als een tussentijdse bewerking beschouwd (zie de Nota van Toelichting Besluit bodemkwaliteit artikel 36, derde lid). Het uitgezeefde bodemvreemd materiaal moet worden getransporteerd naar een erkend verwerker.
Is het bodemvreemd materiaal niet uit te zeven, bijvoorbeeld bij kolengruis, dan moet een alternatieve toepassingslocatie voor de grond worden gezocht. — Als tijdens de werkzaamheden asbestverdacht materiaal (asbest(golf)plaat, bouw- en sloopafval, gemengd puin, betonpuin en metselpuin) wordt waargenomen, moeten de werkzaamheden direct gestaakt worden (Arbeidsomstandighedenwet en -besluit[21]), moet het spoor van de Wet bodembescherming worden gevolgd en een verkennend asbestonderzoek worden uitgevoerd. Ook moet contact worden opgenomen met de ODWH. Dit geldt ook voor overige bijmengingen en afwijkingen zoals kleur en geur die redelijkerwijs op een bodemverontreiniging kunnen wijzen met bijvoorbeeld minerale olie of met vluchtige stoffen. Het actief bijmengen van bodemvreemd materiaal aan grond/baggerspecie is niet toegestaan. Als in de toe te passen grond meer dan het toegestane percentage bodemvreemd materiaal aan bijmenging wordt vastgesteld, of er wordt asbest of een andere niet verwachte mogelijke bodemverontreiniging aangetroffen, dan moet dit direct worden gemeld aan de ODWH en moet het werk (tijdelijk) worden gestaakt.
In de toe te passen grond mag, afhankelijk van de bodemfunctie van de ontvangende bodem een maximale bijmening aan bodemvreemd materiaal (chemisch inert zoals puinbrokjes, stukjes hout, stukjes ijzer, e.d.:) bevatten: • Maximaal 5 gewichtsprocent op percelen met de bodemfunctie ‘Landbouw/natuur’. • Maximaal 5 gewichtsprocent op percelen met de bodemfunctie ‘Wonen’, uitgezonderd oud stedelijk gebied. • Maximaal 10 gewichtsprocent op percelen met de bodemfuncties ‘Wonen’, oud stedelijk gebied en ‘Industrie’. Óók mag de toe te passen grond slechts een ‘sporadische’ (maximaal 0,1 volume- of gewichtsprocent) bijmenging aan andere bodemvreemde materialen bevatten zoals vuilnis, industrieafval, plastic, piepschuim, asfalt, slakken, sintels, grote stukken puin etc.. Als sprake is van een sporadische bijmenging van ander bodemvreemd materiaal moet deze met ‘handpicking’ worden verwijderd voorafgaand, tijdens of na de toepassing. De uitvoerende partij is hiervoor verantwoordelijk.
SOB015939 Nota bodembeheer 2023-2033 SOB015939.RAP003 Opdrachtgever: Omgevingsdienst West-Holland namens 11 gemeenten in de regio West-Holland
WSP 5 mei 2023 pagina 54/98
Spoortjes
Sporadisch
Figuur 4.1. Verschil tussen de termen ‘spoortjes’ en ‘sporadisch’
4.5 TOEPASSEN VAN GROND OP BEPAALD BODEMBEGRUIK MET ASBESTVERDACHT/-HOUDEND MATERIAAL Voor grond geldt als generieke toepassingseis dat deze maximaal 100 mg/kg droge stof (ds) aan -gewogen- asbest mag bevatten en de concentratie aan respirabele vezels mag niet groter zijn dan 10 mg/kg ds (gewogen). Dit betreft een gewogen gehalte, zijnde het gehalte serpentijnasbest plus tienmaal het gehalte amfiboolasbest. Bij gehalten hoger dan voornoemd is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging, ongeacht het bodemvolume. De gemeenten hanteren voor haar eigen projecten, waarbij grond wordt toegepast het volgende beleid: Voor toepassingen van grond die in opdracht van een gemeente worden uitgevoerd, is het niet toegestaan zintuiglijk met asbest verontreinigde grond toe te passen. Als in opdracht van een gemeente grond wordt toegepast ter plaatse van gevoelig bodemgebruik is het niet toegestaan met asbest verontreinigde grond toe te passen. De volgende gevoelige bodemgebruiken worden onderscheiden: — wonen met tuin; — onverharde recreatiegebieden en kinderspeelplaatsen 15; — intensief gebruikt openbaar groen (zoals bijvoorbeeld parken en plantsoenen); — moes-/volkstuin(complex)en; — de duinen. Burgers en bedrijven worden geadviseerd het beleid van de gemeenten te volgen.
Als burgers/bedrijven dit niet willen geldt het volgende: Als asbest(golf)plaat en/of ander asbestverdacht materiaal (zoals bouw- en sloopafval, gemengd puin, betonpuin en metselpuin) wordt aangetroffen in de toe te passen grond, moet altijd een asbestonderzoek conform de laatste versie van de NEN 5707[22] of NEN 5897[23] plaatsvinden (de nieuwste stand der techniek) waarmee het gehalte van asbest wordt vastgesteld. In bijlage 1 is nader ingegaan op puin, asbestverdachtheid en asbestonderzoek. Als de maximale waarde voor asbest wordt overschreden (100 mg/kg ds gewogen), is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging en moet dit worden gemeld bij het bevoegd gezag Wet bodembescherming: totdat de Omgevingswet inwerking treedt is dat de gemeente Leiden voor haar eigen grondgebied en voor de gemeenten Hillegom, Kaag en Braassem, Leiderdorp, Lisse, Nieuwkoop, Noordwijk, Oegstgeest, Teylingen, Voorschoten en Zoeterwoude de provincie Zuid-Holland. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn de gemeenten voor hun 15
Hieronder wordt verstaan: openbare kinderspeelplaatsen, speelplaatsen bij school, speelplaatsen bij (particuliere) kinderopvanginstellingen.
SOB015939 Nota bodembeheer 2023-2033 SOB015939.RAP003 Opdrachtgever: Omgevingsdienst West-Holland namens 11 gemeenten in de regio West-Holland
WSP 5 mei 2023 pagina 55/98
eigen grondgebied bevoegd gezag voor sanerende maatregelen. Uitzondering hierop vormen de locaties die vallen onder het overgangsrecht van de Omgevingswet waaronder (beschikte spoedlocaties, locaties met ingediende (deel)saneringsplannen, locaties met een maximaal 12 maanden oude ingediende BUS-melding, locaties waar sprake is van een nieuw geval van bodemverontreiniging (ontstaan in de periode 1 januari 1987 en 31 december 2023, dus vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet) en locaties met nazorgsmaatregelen zoals bijvoorbeeld geregistreerde restverontreinigingen, leeflaagsaneringen, monitoringsverplichtingen). Voor deze locaties in de gemeenten Hillegom, Kaag en Braassem, Leiderdorp, Lisse, Nieuwkoop, Noordwijk, Oegstgeest, Teylingen, Voorschoten en Zoeterwoude blijft de provincie Zuid-Holland, de ODWH (gemandateerd), bevoegd gezag. Als de zorgplicht van toepassing is (asbestverontreiniging ontstaan vanaf 1993) moet direct gesaneerd worden. De zorgplicht wordt in de Omgevingswet en in het Besluit activiteiten leefomgeving overgenomen. Is de zorgplicht niet van toepassing, dan moet met een risicobeoordeling worden vastgesteld of er sprake is van onaanvaardbare risico’s (zie bijlage 3 van de Circulaire bodemsanering[24]).
Als in grond die is verontreinigd met asbest (≤100 mg/kg ds -gewogen- én ≤10 mg/kg ds -gewogen- aan respirabele vezels) en méér dan de voornoemde percentages bodemvreemd materiaal is vastgesteld (zie § 4.4), én het asbest is alleen gerelateerd aan het bodemvreemde materiaal, dan mag het met asbest verontreinigde bodemvreemde materiaal op een daartoe passende wijze uit de grond gezeefd worden. Dit tussentijdse (civiel-technische) zeven wordt niet als een bewerking gezien (zie de Nota van Toelichting Besluit bodemkwaliteit artikel 36, derde lid). Bij een eerstvolgende wijziging van de Wet milieubeheer wordt het eenvoudiger om met asbest verontreinigde grond bij een asbestdak zonder goed functionerende dakgoot/regenwaterafvoer te verwijderen. Het gecertificeerde asbestverwijderingsbedrijf mag dan onder vermelding in het Landelijke AsbestVolgSysteem (LAVS) bij de verwijdering van het asbestdak óók de met asbest verontreinigde toplaag verwijderen. Toe te passen grond, in opdracht van een gemeente op locaties met een gevoelig bodemgebruik mag geen asbest bevatten. Burgers en bedrijven worden geadviseerd het beleid van de gemeenten te volgen. Als burgers/bedrijven dit niet willen geldt het onderstaande Toe te passen grond mag maximaal 100 mg/kg droge stof (ds) aan -gewogen- asbest en maximaal 10 mg/kg ds (gewogen) aan respirabele vezels bevatten.
4.6 TOEPASSEN PFAS-HOUDENDE GROND EN BAGGERSPECIE 4.6.1 TOEPASSEN GROND UIT DE GEMEENTE VOORSCHOTEN De bodemkwaliteitskaart van de gemeente Voorschoten is niet opgesteld voor PFAS-verbindingen. Daarmee heeft de gemeente geen achtergrondwaarden vastgesteld voor PFAS-verbindingen. Voordat grond van de bodemlaag 0-1 meter diepte uit de gemeente Voorschoten wordt toegepast, moet deze worden gekeurd op PFAS-verbindingen (zie § 6.2.1). Afhankelijk van het resultaat kan de grond worden toegepast (zie § 4.6.2).
SOB015939 Nota bodembeheer 2023-2033 SOB015939.RAP003 Opdrachtgever: Omgevingsdienst West-Holland namens 11 gemeenten in de regio West-Holland
WSP 5 mei 2023 pagina 56/98
4.6.2 TOEPASSINGSEISEN 11 GEMEENTEN REGIO WEST-HOLLAND Vanwege het Handelingskader hergebruik van PFAS16-houdende grond en baggerspecie[25] moeten de initiatiefnemers van grondverzet de kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen inzichtelijk maken in te verzetten grond en baggerspecie, die op of in de landbodem of in het oppervlaktewater wordt toegepast. Gezien de vastgestelde licht verhoogde gehalten binnen de gemeente, die gemiddeld gezien lager dan de (voorlopige) landelijke achtergrondwaarden zijn vastgesteld, volgen de gemeenten de landelijke normen. Voor toepassing in waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden volgen de gemeenten het Handelingskader hergebruik PFAShoudende grond en baggerspecie en definiëren strengere toepassingseisen (zie tabel 4.8). Tabel 4.8 Toepassingseisen PFAS-verbindingen in de grond
Toepassingseis Stof PFAS-verbindingen (in µg/kg ds) Toepassing grond/baggerspecie op percelen met de toepassingseis “Industrie” of “Wonen” PFOA (som lineair + vertakt) 7,00 # PFOS (som lineair + vertakt) 3,00 # Elke andere PFAS-verbinding 3,00 # Toepassing grond/baggerspecie op percelen met de toepassingseis “Landbouw/natuur” PFOA (som lineair + vertakt) 1,90 @ PFOS (som lineair + vertakt) 1,40 @ Elke andere PFAS-verbinding 1,40 @ Toepassing grond/baggerspecie in waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden PFOA (som lineair + vertakt) <0,10$ PFOS (som lineair + vertakt) <0,10$ Elke andere PFAS-verbinding <0,10$ # Deze waarde is gebaseerd op het Handelingskader hergebruik PFAS-houdende grond en baggerspecie[25]. Op basis van de huidige inzichten is er bij de aangegeven waarden geen sprake van risico’s voor de gezondheid en overschrijding van effectniveaus voor het ecosysteem. @ Deze waarde is gebaseerd op de (voorlopige) landelijke achtergrondwaarden voor PFAS-verbindingen[25]. $ Grond mag binnen hetzelfde grondwaterbeschermingsgebied worden verplaatst. Grond van buiten het grondwaterbeschermingsgebied dat binnen het grondwaterbeschermingsgebied wordt toegepast, mag geen PFASverbindingen bevatten (PFAS-resultaat < detectiegrens)
Er wordt nog veel onderzoek gedaan naar PFAS-verbindingen (bijvoorbeeld naar mobiliteit, uitloging, bioaccumulatie en gedrag in grondwater). Op basis van deze onderzoeken worden interventiewaarden gedefinieerd en worden mogelijk de voorlopige landelijke achtergrondwaarden en (toepassings-/verspreidings)waarden voor PFASverbindingen aangepast. Als interventiewaarden worden gedefinieerd, volgen de gemeenten de landelijke normen. Als de voorlopige landelijke achtergrondwaarden en (toepassings-/verspreidings) waarden voor PFAS-houdende grond en baggerspecie worden gewijzigd, volgen de gemeenten de landelijke normen.
16
Poly- en perfluoralkylverbindingen, PFAS, zijn stoffen die al decennia worden gebruikt in industriële en andere processen en in vele producten. Ze worden toegepast in allerlei alledaagse toepassingen zoals verf, blusschuim, pannen, kleding en cosmetica. Kenmerkend voor deze stoffen is dat ze persistent, mobiel en nauwelijks biologisch afbreekbaar zijn. Bovendien is van verschillende PFAS-verbindingen aangetoond dat ze toxisch zijn.
SOB015939 Nota bodembeheer 2023-2033 SOB015939.RAP003 Opdrachtgever: Omgevingsdienst West-Holland namens 11 gemeenten in de regio West-Holland
WSP 5 mei 2023 pagina 57/98
4.7 TOEPASSEN VAN GROND UIT DE BODEMKWALITEITSZONES “B1/T1/O1 HISTORISCHE BEBOUWING LEIDEN”, “VS1 BOVENGROND IN VOORSCHOTEN” EN “VS7 BOVENGROND IN VOORSCHOTEN” De grond uit de bodemkwaliteitszones ‘B1/T1/O1 Historische bebouwing Leiden’, ‘VS1 bovengrond in Voorschoten’ en ‘VS7 bovengrond in Voorschoten’ (zie de kaartbijlagen N3) hebben een relatief slechtere bodemkwaliteit dan de andere bodemkwaliteitszones in de gemeenten. In de grond komen relatief vaak sterk verhoogde gehalten met één of meer zware metalen, minerale olie en/of PAK voor die onderdeel vormen van de diffuse bodemkwaliteit. Omdat relatief vaak sterk verhoogde gehalten worden aangetoond, stelt de gemeente strenger beleid vast voor grond die uit deze bodemkwaliteitszones elders in het bodembeheergebied wordt toegepast. Grond uit deze bodemkwaliteitszones moet voorafgaand aan de beoogde toepassing worden gekeurd (zie § 6.2.1). Afhankelijk van de keuringsresultaten mag de grond worden toegepast of moet worden getransporteerd naar een erkend verwerker. Voorafgaand aan het toepassen van grond uit de bodemkwaliteitszones‘B1/T1/O1 Historische bebouwing Leiden’, ‘VS1 bovengrond in Voorschoten’ en ‘VS7 bovengrond in Voorschoten’ (zie de kaartbijlagen N3) moet een partijkeuring worden uitgevoerd.
4.8 TIJDELIJKE UITNAME VAN GROND BIJ GRAAFWERKZAAMHEDEN BIJ ONDERGRONDSE INFRASTRUCTUUR EN GROENVOORZIENINGEN Bij aanleg, vervang-, reparatiewerkzaamheden van ondergrondse infrastructuur zoals kabels, leidingen, rioleringen en graafwerkzaamheden bij groenvoorzieningen, wordt grond ontgraven en weer toegepast (tijdelijke uitname van grond). In het Besluit is onder voorwaarden tijdelijke uitname van grond op een voor bodemverontreiniging nietverdachte locatie (volgend uit de aangeleverde historische gegevens) toegestaan zonder dat een kwaliteitsbepaling is uitgevoerd, een functietoets is gedaan en een melding is verricht. De voorwaarden hierbij zijn dat: 1. er geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging (voor PFAS-verbindingen wordt dit gebaseerd op de Indicatieve Niveau’s voor Ernstige Verontreinigingen, INEV); 2. er geen tussentijdse bewerking17 plaatsvindt; 3. de grond onder dezelfde condities op of nabij de herkomstlocatie weer worden toegepast; bovengrond (bodemlaag vanaf het maaiveld tot en met 0,5 meter diepte) wordt weer bovengrond en ondergrond (bodemlaag dieper dan 0,5 meter beneden het maaiveld) wordt weer ondergrond.
17
Het tussentijds civieltechnisch zeven (cosmetisch zeven) wordt niet als tussentijdse bewerking beschouwd (zie de Nota van Toelichting Besluit bodemkwaliteit artikel 36, derde lid).
SOB015939 Nota bodembeheer 2023-2033 SOB015939.RAP003 Opdrachtgever: Omgevingsdienst West-Holland namens 11 gemeenten in de regio West-Holland
WSP 5 mei 2023 pagina 58/98
Met deze laatste voorwaarde is het zogenaamde ‘over-de-kop-werken’ (de bovengrond en de ondergrond worden niet gescheiden ontgraven) bij graafwerkzaamheden niet mogelijk. Dit is niet wenselijk omdat bij veel graafwerkzaamheden er geen tot (zeer) weinig ruimte op en in de nabije omgeving van de graaflocatie aanwezig is om de boven- en ondergrond gescheiden tijdelijk op te slaan. Ook is de grond in de meeste situaties, bijvoorbeeld bij de aanleg en reparatie van de ondergrondse infrastructuur, al eerder 'over-de-kop' gegaan. Vanwege de voornoemde knelpunten bij de tijdelijke uitname van grond, verruimen de gemeenten op voor bodemverontreiniging niet-verdachte locaties de regels voor graafwerkzaamheden bij de tijdelijke uitname van grond bij kabels, leidingen, rioleringen en graafwerkzaamheden bij groenvoorzieningen voor de volgende gebieden (zie de kaartbijlagen N3): — B1/T1/O1. Historische bebouwing Leiden. — B2/T2/O2. Oude uitbreidingen Leiden. — B3/T3/O3. Historische woonbebouwing Kaag en Braassem, Nieuwkoop en Zoeterwoude. — Gemeente Voorschoten: VS3 Naoorlogse wijken Voorschoten 1B, bovengrond en ondergrond. — Gemeente Voorschoten: VS4 Naoorlogse wijken Voorschoten 2, bovengrond en ondergrond. — Gemeente Voorschoten: VS6 Buitengebied en bedrijvigheid zuidkant en oostkant Voorschoten, bovengrond en ondergrond.
Bij graafwerkzaamheden bij ondergrondse infrastructuur en bij groenvoorzieningen op niet- verdachte locaties, hoeven de bovengrond (bodemlaag vanaf het maaiveld tot 0,5 meter diepte) en de ondergrond (bodemlaag dieper dan 0,5 meter) tot een maximale diepte van 0,5 meter onder de onderzijde van de kabel / het riool, niet gescheiden te worden ontgraven. De grond mag worden geroerd en hoeft niet in dezelfde bodemlagen te worden teruggeplaatst. De eerste 2 voornoemde voorwaarden blijven overigens gelden. Dit beleid geldt niet als er sprake is van: — Verschillende grondsoorten (zand, klei, veen, grind, leem); ter voorkoming van ongewenste vermenging en toepassing van grond met verschillende fysische eigenschappen. — Een strooisellaag; deze moet apart worden ontgraven en weer op het maaiveld worden teruggebracht. — Ecologische waardvolle eigenschappen van de bodem. — Tijdelijke uitname van grond in de bodemkwaliteitszones ‘B1/T1/O1 Historische bebouwing Leiden’ , ‘VS1 bovengrond in Voorschoten’ en ‘VS7 bovengrond in Voorschoten’ (zie de kaartbijlagen N3). In deze bodemkwaliteitszones zijn relatief hoge gehalten aan meerdere stoffen vastgesteld.
Als uit het historisch onderzoek (§ 6.1) blijkt dat er geen sprake is van een mogelijke nog niet onderzochte bodemverontreiniging als gevolg van een lokale bron én er gewerkt wordt met een gesloten grondbalans, dan kan gebruik worden gemaakt van een BUS-melding tijdelijke uitname. Als uit het historisch onderzoek (§ 6.1) blijkt dat er sprake is van een mogelijke nog niet onderzochte bodemverontreiniging als gevolg van een lokale bron en/of er wordt niet gewerkt met een gesloten grondbalans, moet een indicatief onderzoek worden uitgevoerd (zie § 6.2.1). Als de interventiewaarde wordt overschreden moet de standaardprocedure van de Wet bodembescherming worden gevolgd. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van de BUS-melding Tijdelijk uitplaatsen. Als uit het onderzoek blijkt dat de interventiewaarde niet wordt overschreden, mag alsnog de grond die op het werk blijft worden geroerd en hoeft niet in dezelfde bodemlagen te worden teruggeplaatst. De grond die niet op het werk blijft moet, voorafgaand aan een nuttige toepassing elders, worden gekeurd (zie § 4.6) of worden getransporteerd naar een erkend verwerker. Als al eerder een onderzoek is uitgevoerd, kan na beoordeling (zie § 4.21), mogelijk gebruik worden gemaakt van de beschikbare analyseresultaten en/of ontgravingskaarten (zie § 4.18 en/of § 4.23).
Als er op de plaats van het werk geen opslagruimte is voor de tijdelijk ontgraven grond, dan mag de tijdelijke grondopslag ook op een nabij gelegen, geschikte locatie plaatsvinden. Die locatie wordt dan tijdelijk gezien als ‘horend bij de bouwplaats’. Als hiervan gebruik wordt gemaakt, moet dit altijd in overleg met de ODWH en indien van toepassing andere belanghebbenden. Aan een dergelijke tijdelijke opslag kunnen aanvullende eisen worden gesteld, zoals bijvoorbeeld: om de tijdelijke grondopslag moet een (afsluitbaar) hek worden geplaatst; de tijdelijke grondopslag moet worden afgedekt waardoor verstuiving of andere overlast wordt voorkomen; eventueel aanvullend onderzoek als de grond van verdachte kwaliteit blijkt; eventuele aanvullende maatregelen om de ontvangende bodem te beschermen; het beschikbaar stellen van aanvullende gegevens; afvoer van grond naar een erkend verwerker als blijkt dat deze van niet herbruikbare kwaliteit is; zorgplicht.
SOB015939 Nota bodembeheer 2023-2033 SOB015939.RAP003 Opdrachtgever: Omgevingsdienst West-Holland namens 11 gemeenten in de regio West-Holland
WSP 5 mei 2023 pagina 59/98
Als grond na ontgraving niet meer kan worden teruggeplaatst, kan deze elders nuttig worden hergebruikt met de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel van de chemische kwaliteit. Als de grond niet gescheiden is ontgraven, geldt de ‘minste’ kwaliteit van beide bodemlagen. Voor tijdelijke uitname van grond bestaat regelgeving omtrent het doen van onderzoek en melding. Hiervoor wordt verwezen naar § 6.1, § 6.2, § 7.1, § 7.2.1 en § 7.2.3. Bij graafwerkzaamheden voor ondergrondse infrastructuur of voor groenvoorzieningen op voor bodemverontreiniging niet-verdachte verdachte locaties, hoeft de bovengrond (bodemlaag vanaf het maaiveld tot 0,5 meter diepte) en de ondergrond (bodemlaag dieper dan 0,5 meter) tot een maximale diepte van 0,5 meter onder de onderzijde van de kabel / het riool, niet gescheiden te worden ontgraven. De grond mag worden geroerd en hoeft niet in dezelfde bodemlagen te worden teruggeplaatst. Uitgezonderd van dit beleid is de tijdelijke uitname van grond in de bodemkwaliteitszones ‘B1/T1/O1 Historische bebouwing Leiden’, ‘VS1 bovengrond in Voorschoten’ en ‘VS7 bovengrond in Voorschoten’. Als uit het historisch onderzoek (§ 6.1) blijkt dat er sprake is van een mogelijke bodemverontreiniging als gevolg van een lokale bron en/of er wordt niet gewerkt met een gesloten grondbalans, moet voorafgaand aan de werkzaamheden een indicatief onderzoek plaatsvinden (zie § 6.2.1).
4.9 TOEPASSEN VAN GROND UIT DE BODEMLAAG DIEPER DAN 2 METER BENEDEN HET MAAIVELD Zoals in de bodemkwaliteitskaarten van de gemeenten is aangegeven, maakt de bodemlaag dieper dan 2 meter beneden het maaiveld geen onderdeel uit van de bodemkwaliteitskaart. Grond uit deze bodemlaag die elders nuttig wordt toegepast, moet voorafgaand aan de toepassing worden gekeurd. Afhankelijk van de keuringsresultaten mag de grond worden toegepast. Dit leidt tot extra kosten en uitvoeringstijd als grond vrijkomt bij bijvoorbeeld rioleringswerkzaamheden, ondertunneling, kelders en ondergrondse parkeergarages. Omdat de verwachting is dat de kwaliteit van de bodemlaag dieper dan 2 meter niet afwijkt van de kwaliteit van de bodemlaag die hierboven ligt (vanaf 1 meter tot en met 2 meter diepte), wordt dit niet doelmatig geacht. De gemeenten verruimen op voor bodemverontreiniging niet-verdachte locaties de regels voor het toepassen van grond uit de bodemlaag dieper dan 2 meter beneden het maaiveld. Dit betekent dat de vrijkomende en zintuiglijk niet verontreinigde grond uit de bodemlaag dieper dan 2 meter beneden het maaiveld, op dezelfde wijze beoordeeld mag worden als de bovenliggende bodemlaag van 1 meter diepte tot en met 2 meter diepte (zie tabel 2.1).
De vrijkomende en zintuiglijk niet verontreinigde grond niet-verdachte locaties uit de bodemlaag dieper dan 2 meter beneden het maaiveld mag op dezelfde wijze beoordeeld worden als de bovenliggende bodemlaag van 1 meter diepte tot en met 2 meter diepte.
SOB015939 Nota bodembeheer 2023-2033 SOB015939.RAP003 Opdrachtgever: Omgevingsdienst West-Holland namens 11 gemeenten in de regio West-Holland
WSP 5 mei 2023 pagina 60/98
4.10 TOEPASSEN VAN GROND AFKOMSTIG VAN GEBIEDEN WAAR DE GEMEENTEN DE BODEMKWALITEITSKAART NIET HEBBEN GEACCEPTEERD ALS BEWIJSMIDDEL Grond afkomstig van gebieden waar de gemeenten de bodemkwaliteitskaart niet hebben geaccepteerd als bewijsmiddel voor de chemische kwaliteit van de toe te passen grond (zie § 4.2) moet altijd zijn gekeurd (zie § 6.2.1) en voldoen aan de toepassingseisen conform het generieke kader van het Besluit (zie tabel 2.1 en de kaartbijlagen N5). De in § 4.3 gedefinieerde Lokale Maximale Waarden gelden niet voor de grond van gebieden waarvan de bodemkwaliteitskaart niet is geaccepteerd als bewijsmiddel voor de chemische kwaliteit van de toe te passen grond (zie § 4.2). Uitzondering op dit beleid zijn de Lokale Maximale Waarden die strenger zijn vastgesteld dan het generieke beleid van het Besluit (zie § 4.3.2 Toepassen grond op onverharde kinderspeelplaatsen en moes/volkstuin(complex)en) en het Handelingskader hergebruik PFAS-houdende grond en baggerspecie (zie § 4.6 Toepassen PFAS-houdende grond en baggerspecie).
4.11 TOEPASSEN GROND: EISEN FYSISCHE KWALITEIT AANGEWEZEN WAARDEVOLLE NATUURGEBIEDEN Voor het behoud van de natuurwaarden in de door de provincie en gemeenten aangewezen waardevolle natuurgebieden gelden naast de chemische kwaliteitseisen óók fysische kwaliteitseisen: — In het duingebied van de gemeente Noordwijk mag alleen duinzand worden toegepast. Civiele en infrastructurele werken zijn hiervan uitgezonderd. — Op zandgrond mag alleen maar zandgrond worden toegepast. — Op kleigrond mag alleen maar kleigrond worden toegepast. — Voor veengrond geldt: het behoud en de versterking van de aanwezige natuur- en landschapswaarden, waarbij het open veenweidegebied met het karakteristieke slotenpatroon en waardevolle doorzichten behouden dient te worden (bron: website Ruimtelijke plannen). Hiervoor zijn soms verschillende soorten grond nodig. Daarnaast moet het watervasthoudend vermogen van veengrond worden beschermd, als ook het voorkomen van risico’s van inklinking en verzakking als deze gronden niet conform hun huidige functionele fysische kwaliteiten behouden blijven. Bij twijfel moet contact worden opgenomen met de ODWH. Afwijkingen van de fysische kwaliteitseisen mag alleen na onderbouwing dat er een noodzakelijke meerwaarde daarvoor bestaat én na goedkeuring van de ODWH. Verder maakt een gedeelte van de duinenrij onderdeel uit van een primaire waterkering.
Hierdoor moet bij het ontgraven en toepassen van grond in dit gedeelte van de duinenrij een watervergunning bij het Hoogheemraadschap van Rijnland worden aangevraagd.
SOB015939 Nota bodembeheer 2023-2033 SOB015939.RAP003 Opdrachtgever: Omgevingsdienst West-Holland namens 11 gemeenten in de regio West-Holland
WSP 5 mei 2023 pagina 61/98
Voor het behoud van de natuurwaarden in de door de provincie en gemeenten aangewezen waardevolle natuurgebieden gelden naast de chemische kwaliteitseisen óók fysische kwaliteitseisen: — In het duingebied van de gemeente Noordwijk mag alleen duinzand worden toegepast. Civiele en infrastructurele werken zijn hiervan uitgezonderd. — Op zandgrond mag alleen maar zangrond worden toegepast. — Op kleigrond mag alleen maar kleigrond worden toegepast. — Voor veengrond geldt: het behoud en de versterking van de aanwezige natuur- en landschapswaarden, waarbij het open veenweidegebied met het karakteristieke slotenpatroon en waardevolle doorzichten behouden dient te worden. Daarnaast moet het watervasthoudend vermogen van veengrond worden beschermd, als ook het voorkomen van risico’s van inklinking en verzakking.
4.12 TOEPASSEN GERIJPTE BAGGERSPECIE Baggerspecie mag worden toegepast op de landbodem als de kwaliteit gelijk is aan of beter is dan de ontvangende bodem én voldoet aan de bodemfunctieklassenkaart (zie de kaartbijlagen N5). De kwaliteit moet zijn aangetoond met een waterbodemonderzoek (NEN 5720[26]) of een partijkeuring. Voor het verspreiden van baggerspecie zie § 4.17. Na rijping (ontwateren) van de baggerspecie is het niet nodig om een tweede onderzoek uit te voeren. De kwaliteit van de gerijpte baggerspecie voor PFAS-verbindingen moet voldoen aan de gedefinieerde toepassingseisen (zie § 4.6, tabel 4.8, blz. 57/98). Ook gelden nog eisen ten aanzien van bijmenging van bodemvreemd materiaal en asbest (zie § 4.4 en § 4.5).
4.13 TOEPASSEN GRANULIET Voor het toepassen van granuliet stellen de gemeenten als voorwaarde dat aangetoond moet worden dat de toepassing: — De bodemstructuur verbeterd (geldt niet voor civieltechnische werken). — De kwaliteit van de grond niet verslechterd.
4.14 GRONDVERZET KLEINE PARTIJEN (MAXIMAAL 25 M3) Het komt vaak voor dat er bij bijvoorbeeld loonwerkers of de gemeentelijke afdeling voor groenonderhoud kleine partijen grond vrijkomen. Bijvoorbeeld bij (groen-) onderhoudswerkzaamheden of het plaatsen van bomen. In principe moeten alle toepassingen van kleine partijen grond worden gemeld, behalve partijen schone grond en schone gerijpte baggerspecie met een maximale omvang van 50 m3. Ook particulieren zijn vrijgesteld van de meldplicht (zie ook § 7.2.2). Kleine partijen vrijkomende grond kunnen worden verzameld tot maximaal 25 m 3, bijvoorbeeld in een hiervoor bestemde container. De samengevoegde partijtjes grond moeten vervolgens worden aangeboden aan een erkend bodemintermediair die is gecertificeerd en een ministeriële erkenning heeft voor de BRL SIKB 9335[27]. Volgens paragraaf 6.1 van SIKB-protocol-9335-1 [28] kunnen partijen grond tot 100 ton worden ingenomen op basis van beperkte voorinformatie, dus ook grond die niet geanalyseerd is op PFAS-verbindingen. Individuele kleine partijen PFAShoudende grond kunnen, afhankelijk van de acceptatiecriteria, ook bij erkende grondverwerkers (reiniger,
SOB015939 Nota bodembeheer 2023-2033 SOB015939.RAP003 Opdrachtgever: Omgevingsdienst West-Holland namens 11 gemeenten in de regio West-Holland
WSP 5 mei 2023 pagina 62/98
grondbank) worden aangeboden. De bodemkwaliteitskaart (voor PFAS-verbindingen) kan worden gebruikt ter onderbouwing van de kwaliteit van de aangeboden grond. Ook voor kleine partijen grond geldt dat altijd historisch onderzoek uitgevoerd moet worden om aan te tonen dat de grond afkomstig is van een voor bodemverontreiniging niet-verdachte locatie (zie § 6.1). Net als met elke andere toepassing van grond moet altijd toestemming verkregen worden van de eigenaar van de ontvangende locatie. Hiermee wordt voorkomen dat er ongecontroleerde stort plaatsvindt.
4.15 TERUGSANEERWAARDEN EN TOEPASSEN GROND OP SANERINGSLOCATIES Op een saneringslocatie is de Wet bodembescherming bepalend. In sommige situaties zijn er raakvlakken tussen saneren en het toepassen of hergebruiken van grond. Dit geldt onder andere voor: — De terugsaneerwaarde in relatie tot de bodemfunctieklasse (bij BUS-meldingen, BUS staat voor Besluit uniforme saneringen). — Het aanvullen van de ontgravingsput, het aanbrengen van een ophooglaag/leeflaag na sanering of het tijdelijk opslaan van grond.