1a. Regionale bodembeheer nota.pdf
Tekst van het document
Landbouw/natuur
TOEPASSINGSEIS GEMEENTELIJK BELEID @ Landbouw/natuur
Bodemlaag vanaf 0,5 meter tot en met 2 meter diepte # $$ Gemeente Voorschoten: VS8 Buitengebied tussen de strandwallen, ondergrond
Industrie Wonen
Landbouw/natuur $
Landbouw/natuur
LMW2: Wonen zie § 4.3.4) Landbouw/natuur
Aangewezen industrieterreinen, Industrie ondergrond
Varieert
LMW3: Industrie (zie § 4.3.3)
Plangebied Offem-Zuid fase 1 en Wonen 3, ondergrond
Industrie
LMW6: LMW OCB divers (zie § 4.3.7)
Plangebied Offem-Zuid fase 2, ondergrond
Wonen
Industrie
LMW7: LMW OCB divers (zie § 4.3.7)
Plangebied Bronsgeest, ondergrond
Wonen
Industrie
LMW8: LMW OCB Industrie (zie § 4.3.7)
Braassemerland (gemeente Kaag Wonen en Braassem), ondergrond
Wonen
LMW11 (zie § 4.3.9)
Nieuw-Rhijngeest (gemeente Oegstgeest, ondergrond
Industrie
LMW12 (zie § 4.3.10)
Landbouw/natuur
LMW PFAS (zie § 4.6)
Wonen
Waterwin- en grondwaterbeschermingsgebied, Landbouw/natuur ondergrond #
In de bodemlagen vanaf het maaiveld t/m 1,0 meter diepte zijn de gemiddelde waarden van de PFAS-verbindingen lager dan de voorlopige landelijke achtergrondwaarden vastgesteld, maar voor een aantal PFAS-verbindingen boven de bepalingsgrens. $ De bodemkwaliteitszone is voor de bodemlaag 0-1 m-mv niet vastgesteld voor PFAS-verbindingen. $$ De bodemlaag 1-2 m-mv is niet verdacht op het voorkomen van verhoogde gehalten aan PFAS-verbindingen. * De 95-percentielwaarde van PAK, nikkel, zink en/of lood is hoger dan de interventiewaarde vastgesteld. Vrij grondverzet is niet mogelijk. NB. De bodemkwaliteitskaart kan wél gebruikt worden om de (indicatieve) veiligheidsklasse bij graafwerkzaamheden vast te stellen. @ De toepassingseisen voor PFAS-houdende grond zijn: Toepassingseis Landbouw/natuur: Landelijke achtergrondwaarden. Toepassingseis Industrie en Wonen: PFOA: 7,0 µg/kg ds, en andere PFAS-verbindingen: 3,0 µg/kg ds.
SOB015939 Nota bodembeheer 2023-2033 SOB015939.RAP003 Opdrachtgever: Omgevingsdienst West-Holland namens 11 gemeenten in de regio West-Holland
WSP 5 mei 2023 pagina 81/98
5 HET TOEPASSEN VAN GROND MET DE BODEMKWALITEITSKAART ALS BEWIJSMIDDEL Een bodemkwaliteitskaart mag alleen worden gebruikt bij grondstromen tussen locaties die onderdeel uitmaken van de bodemkwaliteitskaart. Dit moet worden aangetoond met een historisch onderzoek en geldt zowel voor de ontgravings- als de toepassingslocatie (zie § 6.1). Hiermee wordt voorkomen dat sterk verontreinigde grond wordt afgegraven en elders (ongewenst) wordt toegepast en/of dat een eventuele sterke grondverontreiniging illegaal wordt afgedekt. Een tweede basisprincipe is dat grond nuttig toegepast moet worden (zie ook § 2.1.1 van bijlage 2). Wordt de grond niet nuttig toegepast, dan wordt de grond als een afvalstof gezien. Dat geldt óók voor schone grond. In dat geval is toepassen niet toegestaan en moet alsnog een nuttige toepassing worden gevonden of moet de grond naar een erkend verwerker (bijvoorbeeld een grondbank) worden gebracht. Als aan voornoemde basisprincipes is voldaan, werkt de bodemkwaliteitskaart als volgt: — De ontgraven grond uit gebieden met een kwaliteit vallend in de te verwachten ontgravingsklasse ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde – AW2000)’; groen op de ontgravingskaarten van de kaartbijlagen N4) mag overal worden toegepast.
Bij toepassing op onverharde kinderspeelplaatsen en moes-/volkstuin(complex)en kan de bodemkwaliteitskaart niet worden gebruikt omdat de kwaliteit van de daar toe te passen grond moet zijn aangetoond met een partijkeuring. — De ontgraven grond uit gebieden met een (verwachte) kwaliteit ‘Wonen’ mag worden toegepast in gebieden waarvan de toepassingseis de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ of ‘Industrie’ is (zie de toepassingskaarten van de kaartbijlagen N6). — De ontgraven grond uit gebieden met een (verwachte) kwaliteit ‘Industrie’ mag zonder partijkeuring worden toegepast in gebieden waarvan de toepassingseis de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ is (zie de toepassingskaarten van de kaartbijlagen N6). — De ontgraven grond uit de onderstaande gebieden mag niet zonder onderzoek elders worden toegepast: • Gebieden die in gebruik zijn (geweest) als tuinbouw- en akkerbouwpercelen. Het betreft de bodemkwaliteitszones ‘B10/T10/O10. (Voormalige) tuinbouw- en akkerbouwpercelen (gemeenten Hillegom, Lisse, Noordwijk, Oegstgeest en Teylingen)’ en ‘B11/T11/O11. (Voormalige) tuinbouw- en akkerbouwpercelen (gemeenten Kaag en Braassem, Leiden, Leiderdorp, Nieuwkoop en Zoeterwoude)’ (zie § 4.3.7.7 en de bodemkwaliteitszonekaarten van de kaartbijlagen 3 en de ontgravingskaarten van de kaartbijlagen N4). • Een deel van het duingebied.
Een deel van het duingebied is voor PFAS-verbindingen uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart. Te hergebruiken duinzand uit dit gebied moet voorafgaand aan de werkzaamheden worden gekeurd op PFAS (zie § 4.3.12 en de bodemkwaliteitszonekaarten van de kaartbijlagen 3 en de ontgravingskaarten van de kaartbijlagen N4). • De gemeente Voorschoten. De toe te passen grond moet worden gekeurd op PFAS-verbindingen (zie § 4.6.1 en de ontgravingskaarten van de kaartbijlagen N4). • Gebieden met een (verwachte) kwaliteit ‘Industrie’ én waar de 95-percentielwaarde voor één of meerdere stoffen de interventiewaarde overschrijdt. Het betreft de bodemkwaliteitszones ‘B1/T1/O1 Historische bebouwing Leiden’, ‘VS1 bovengrond in Voorschoten’ en ‘VS7 bovengrond in Voorschoten’ (zie § 4.7 en de bodemkwaliteitszonekaarten van de kaartbijlagen 3 en de ontgravingskaarten van de kaartbijlagen N4). Als de toe te passen grond is gekeurd volgens de gestelde eisen van het Besluit, is de in de partijkeuring vastgestelde kwaliteit leidend (zie § 4.21 en § 4.22). Als uit een bodemonderzoek blijkt dat alle analyseresultaten voldoen aan de ontgravingskwaliteit van de betreffende bodemkwaliteitszone (zie tabel 2.1 of bijlage 3), mag de bodemkwaliteitskaart met het bodemonderzoek als aanvullend bewijsmiddel worden gebruikt voor de grond die elders nuttig wordt toegepast (zie § 4.21 en § 4.23).
Als uit een bodemonderzoek blijkt dat de kwaliteit van de ontvangende bodem beter of slechter is dan de bodemkwaliteitsklasse zoals die voor de bodemkwaliteitszone is vastgesteld, waarin de locatie is gelegen, geldt
SOB015939 Nota bodembeheer 2023-2033 SOB015939.RAP003 Opdrachtgever: Omgevingsdienst West-Holland namens 11 gemeenten in de regio West-Holland
WSP 5 mei 2023 pagina 82/98
(ongeacht de vastgestelde bodemkwaliteitsklasse en mogelijk gevolgen voor de toepassingseis) de toepassingseis zoals deze is weergegeven op de toepassingskaarten (zie § 4.21 en § 4.24). Grond van gebieden waarvan de gemeenten de bodemkwaliteitskaart niet heeft geaccepteerd als bewijsmiddel voor de chemische kwaliteit van de toe te passen grond (zie § 4.2), moet voldoen aan de generieke toepassingseisen (zie de kaartbijlagen N5). Uitzondering op dit beleid zijn de Lokale Maximale Waarden die strenger zijn vastgesteld dan het generieke beleid van het Besluit (zie § 4.3.2 Toepassen grond op onverharde kinderspeelplaatsen en moes/volkstuin(complex)en) en het Handelingskader hergebruik PFAS-houdende grond en baggerspecie (zie § 4.6 Toepassen PFAS-houdende grond en baggerspecie). Gebiedseigen grond moet voldoen aan de gemeentelijke toepassingseisen (zie de kaartbijlagen N6).
SOB015939 Nota bodembeheer 2023-2033 SOB015939.RAP003 Opdrachtgever: Omgevingsdienst West-Holland namens 11 gemeenten in de regio West-Holland
WSP 5 mei 2023 pagina 83/98
6 ONDERZOEKSINSPANNING VOORAFGAAND AAN HET GRONDVERZET 6.1
HISTORISCH ONDERZOEK
Voorafgaand aan graafwerkzaamheden of het ontgraven en toepassen van grond moet altijd een historisch onderzoek worden uitgevoerd om vast te stellen of de werkzaamheden gaan plaatsvinden op voor bodemverontreiniging nietverdachte locaties en/of locaties onderdeel uitmaken van een geldige bodemkwaliteitskaart. Bij graafwerkzaamheden en het tijdelijk opslaan van grond (langer dan 6 maanden en maximaal 3 jaar) moet dit vanwege de Wet bodembescherming, het Besluit bodemkwaliteit en de Arbowetgeving en het werken in en met verontreinigde grond. Voor de ontgravingslocatie moet worden achterhaald of — er geen handelingen worden verricht waardoor een eventuele verontreiniging wordt verminderd of verplaatst (Wet bodembescherming); — de bodemkwaliteitskaart gebruikt mag worden als bewijsmiddel voor de kwaliteit van de toe te passen grond (Besluit bodemkwaliteit); — de werkzaamheden veilig kunnen worden uitgevoerd, dan wel welke veiligheidsmaatregelen genomen moeten worden om veilig te kunnen werken (Arbeidsomstandighedenbesluit). Voor de toepassingslocatie moet worden achterhaald of — sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Als hiervan sprake is en grond wordt toegepast, is immers sprake van het aanbrengen van een leeflaag in het kader van de Wet bodembescherming.
In dat geval moet minimaal een BUS-melding en -evaluatie worden ingediend; — de bodemkwaliteitskaart gebruikt mag worden als bewijsmiddel voor de kwaliteit van de ontvangende bodem (Besluit bodemkwaliteit); — de werkzaamheden veilig kunnen worden uitgevoerd, dan wel welke veiligheidsmaatregelen genomen moeten worden om veilig te kunnen werken (Arbeidsomstandighedenbesluit). Het historisch onderzoek moet worden uitgevoerd volgens de NEN 5725 [39] (Aanleiding F: Toetsing gebruik bodemkwaliteitskaarten bij te ontgraven grond en het toepassen van grond). Geadviseerd wordt het historisch onderzoek te laten uitvoeren door een deskundig persoon of bedrijf. Bijvoorbeeld een bedrijf dat is gecertificeerd voor het SIKB-protocol-2001 [37] met een ministeriële erkenning. De onderzoekslocatie wordt gedefinieerd als zijnde de ontgravings- en toepassingslocatie waar de werkzaamheden gaan plaatsvinden inclusief het omliggende terrein tot een maximum van 25 meter. Onderdeel van het historisch onderzoek is het opvragen van de bij de ODWH bekende bodeminformatie die de bodemgegevens voor de gemeenten beheert en registreert. Hiervoor moet de website van de ODWH worden geraadpleegd: https://www.odwh.nl/themas/bodem/bodem-informatie-punt/. Daarnaast kan informatie worden achterhaalt via het landelijk bodemloket: https://bodemloket.nl/.
Ook moet aandacht worden besteed aan: — informatie van (voormalige) terreineigenaren over (voormalige) bodembedreigende activiteiten zoals bijvoorbeeld bedrijfsactiviteiten en (ondergrondse) tanks; — de kans op het voor komen van PFAS-verbindingen20; voor grond van buiten de gemeenten Hillegom, Kaag en Braassem, Leiden, Leiderdorp, Lisse, Nieuwkoop, Noordwijk, Oegstgeest, Teylingen en Zoeterwoude kan voor nietPFAS-verdachte locaties gebruik worden gemaakt van de bodemkwaliteitskaart waar de locaties zijn gelegen óf de 20
Poly- en perfluoralkylverbindingen, PFAS, zijn stoffen die sinds de jaren ’70 grootschalig zijn toegepast in verschillende bedrijfstakken die vocht afwerende producten maken of in blusschuim.
SOB015939 Nota bodembeheer 2023-2033 SOB015939.RAP003 Opdrachtgever: Omgevingsdienst West-Holland namens 11 gemeenten in de regio West-Holland
WSP 5 mei 2023 pagina 84/98
— — — — — — — —
verwachtingswaardekaart voor PFOA en PFOS van de provincie Zuid-Holland, in samenwerking met de Omgevingsdiensten Haaglanden, Midden-Holland, West-Holland, Zuid-Holland Zuid en de DCMR Milieudienst Rijnmond (zie bijlage 6). of het perceel in gebruik is (geweest) als tuinbouw- en akkerbouwpercel (zie de website van het Kadaster worden geraadpleegd: www.topotijdreis.nl.) de huidige terreinsituatie; het voor komen van (type) bodemvreemd materiaal in de bodem; de aanwezigheid van dempingen en ophogingen; eventuele toepassingen van grond, inclusief de chemische kwaliteit; de kans op het voor komen van asbest in, op of aan (voormalige) opstallen; of de toepassing van de grond nuttig is (artikel 35 van het Besluit; zie ook § 2.1.1 van bijlage 2, onderdeel 'Nuttige toepassingen van grond'); het grondverzet dat plaatsvindt in gebieden met bijzondere omstandigheden (zie § 4.16) en of andere Wet- en regelgeving van belang is (zie § 2.1.6 van bijlage 2).
Alleen als uit het historisch onderzoek blijkt dat op de terreinen waar de werkzaamheden plaatsvinden geen activiteiten aanwezig zijn (geweest) die de bodem hebben kunnen verontreinigen én de locatie onderdeel uitmaakt van een geldige bodemkwaliteitskaart, mag een bodemkwaliteitskaart worden gebruikt als bewijsmiddel voor de kwaliteit van de grond (zie hoofdstuk 5). Als historische gegevens al in een eerder onderzoek zijn achterhaald en voldoen aan de bovenstaande voorwaarden, dan mag dat onderzoek worden gebruikt. Als de gegevens al eerder zijn achterhaald, dan moeten de gegevens aantoonbaar worden geverifieerd (zie § 4.21). Een voor bodemverontreiniging niet-verdachte locatie is in deze nota bodembeheer gedefinieerd als een locatie waar geen puntbron aanwezig is (geweest), bijvoorbeeld een ondergrondse huisbrandolietank, een halfverharding, een gedempte watergang, een chemische wasserij, gebruik bestrijdingsmiddelen, dammen en kavelpaden, elektriciteitsmasten, huiskavels van boerderijen (boerenerf), bodembedreigende activiteiten, of een (bekend) geval van ernstige bodemverontreiniging. Als de ontgravings- en/of toepassingslocatie nabij het spoor is gelegen, wordt aanbevolen om contact op te nemen met ProRail (www.prorail.nl) om te achterhalen of deze locatie in eigendom is van ProRail of NS-Vastgoed.
Toetsen en controle historische gegevens bij graafwerkzaamheden Als alleen graafwerkzaamheden uitgevoerd worden, wordt geadviseerd het uitgevoerde historische onderzoek te laten toetsen bij de ODWH. Tijdens veldcontroles moet direct ter plaatse de rapportage van het historisch onderzoek getoond kunnen worden.
6.2 ONDERZOEK TOE TE PASSEN GROND EN ONTVANGENDE BODEM 6.2.1 ONDERZOEK TOE TE PASSEN GROND De toe te passen grond moet worden gekeurd als deze grond: — ontgraven gaat worden uit een zone waarvan de te verwachten ontgravingskwaliteit een mindere kwaliteit heeft dan de toepassingseis van de ontvangende bodem; — afkomstig is van een uitgesloten locatie/gebied van de eigen of geaccepteerde en geldige bodemkwaliteitskaart (zie § 4.2 en gespecificeerd in hoofdstuk 2 van deze nota bodembeheer en de rapportages van de geaccepteerde bodemkwaliteitskaarten); afkomstig is van gebieden waarvan de gemeenten de bodemkwaliteitskaarten niet hebben geaccepteerd (zie § 4.2 en § 4.10); — wordt toegepast op onverharde kinderspeelplaatsen en moes-/volkstuin(complex)en (zie § 4.3.2);
SOB015939 Nota bodembeheer 2023-2033 SOB015939.RAP003 Opdrachtgever: Omgevingsdienst West-Holland namens 11 gemeenten in de regio West-Holland
WSP 5 mei 2023 pagina 85/98
— afkomstig is uit schone gebieden met de bodemfuncties ‘Industrie’ en ‘Wonen’, waar de Lokale Maximale Waarde ‘Wonen’ is vastgesteld (zie § 4.3.3) en het voornemen bestaat de grond in gebieden her te gebruiken met de toepassingseis ‘Landbouw/natuur’ tenzij in het vooronderzoek aangetoond kan worden dat er geen grond is toegepast waarbij gebruik is gemaakt van de Lokale Maximale Waarden. — afkomstig is van schone gebieden met de bodemfuncties ‘Industrie’ waar de Lokale Maximale Waarde voor de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ is vastgesteld (zie § 4.3.4), en het voornemen bestaat deze in gebieden her te gebruiken met de toepassingseis ‘Landbouw/natuur’; tenzij in het vooronderzoek aangetoond kan worden dat er geen grond is toegepast waarbij gebruik is gemaakt van de Lokale Maximale Waarden. — de ontgravingslocatie is gelegen in de aangewezen onverharde wegbermen met de bodemfunctie ‘Industrie’ in de gemeenten en niet als bermgrond van een weg met de bodemfunctie ‘Industrie’ wordt toegepast naar elders (zie § 4.3.5); — afkomstig is van een voormalige tuinbouw- en akkerbouwperceel en niet op een voormalige tuinbouw- en akkerbouwperceel wordt hergebruikt (zie § 4.3.7.7). De grond moet worden gekeurd op organochloorbestrijdingsmiddelen (OCB). — Zand dat vrijkomt binnen de kernzone van de primaire kering i.c.
de zeereep of zeewering mag onder voorwaarden weer binnen dit gebied worden toegepast, met uitzondering van locaties met de functie wonen met tuin. Als het voornemen bestaat vrijgekomen zand binnen de kernzone van de primaire kering i.c. de zeereep of zeewering op een locatie met de functie wonen met tuin óf buiten de primaire kering i.c. de zeereep of zeewering te hergebruiken, moet de kwaliteit in het duinzand worden aangetoond met een partijkeuring op PFAS (zie § 4.3.12). — onvoorziene visuele afwijkingen vertoont (asbest, bodemvreemde materialen, kleur, geur; zie § 4.4); — afkomstig is uit de gemeente Voorschoten. De grond moet worden gekeurd op PFAS-verbindingen (zie § 4.6.1). — afkomstig is uit de bodemkwaliteitszones ‘B1/T1/O1 Historische bebouwing Leiden’, ‘VS1 bovengrond in Voorschoten’ en ‘VS7 bovengrond in Voorschoten’ (zie § 4.7); — afkomstig is uit de bodemlaag dieper dan 2 meter beneden het maaiveld en zintuiglijk is verontreinigd (zie § 4.9) — al een keer eerder is onderzocht, maar niet is onderzocht op PFAS-verbindingen. In die situatie moet een partijkeuring plaatsvinden op PFAS-verbindingen.
— afkomstig is van een tijdelijke opslag en niet aan voorwaarden voldaan kan worden zoals deze in § 4.25 zijn beschreven.” De partijkeuring moet plaatsvinden conform de SIKB-protocol-1001 of de NEN574021 en door een daarvoor gecertificeerd bedrijf met een ministeriële erkenning. Bij onderzoek op asbest is het uitvoerend bedrijf/persoon gecertificeerd en erkend voor het SIKB-protocol-2018 [38]. Naast het standaard NEN5740 stoffenpakket22 moet de grond zijn gekeurd op PFAS-verbindingen23 en eventueel aanvullend op stoffen die als gevolg van het historisch onderzoek in de grond kunnen voorkomen. Indicatief bodemonderzoek grond afkomstig van én hergebruikt in (voormalige) tuinbouw- en akkerbouwpercelen24 Om vast te stellen of sprake is van voormalige tuinbouw- en akkerbouwpercelen moet de website van het Kadaster worden geraadpleegd: www.topotijdreis.nl. Óók moet informatie ingewonnen worden bij de (voormalige) terreingebruikers. Als de ontgravingslocatie in de periode 1945-1975 in gebruik is (geweest) als tuinbouw- en/of akkerbouwperceel, dan is de locatie verdacht op het voorkomen van organochloorbestrijdingsmiddelen.
Als grond afkomstig is vanaf een (voormalig) tuinbouw- of akkerbouwperceel weer op een (voormalig) tuinbouw- en/of akkerbouwperceel wordt toegepast, moet voorafgaand aan de toepassing een indicatief bodemonderzoek conform de NEN 5740, strategie VED-HO-NL, plaatsvinden. De grond moet worden onderzocht op organochloorbestrijdingsmiddelen (OCB). Het onderzoek moet zijn uitgevoerd door voor de BRL protocol 2001 gecertificeerd bedrijf/persoon dat een ministeriële erkenning heeft. Bij het indicatieve bodemonderzoek wordt alleen 21 22
23
24
Alleen van de volgende onderzoeksstrategieën kan gebruik worden gemaakt: TOETS-S, TOETS-S-GR en KEU-I-HE. Barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, molybdeen, lood, nikkel, zink, minerale olie en de stofgroepen polychloorbifenylen (PCB) en polycyclische aromatische koolwaterstoffen. Het betreft minimaal de 30 PFAS-verbindingen die zijn opgenomen in de advieslijst van Bodem+ d.d. 12 juli 2019: https://www.bodemplus.nl/publish/pages/164708/1907012-pfas_-_advieslijst_tbv_tijdelijk_handelingskader_v4.pdf. Bijvoorbeeld bloem(bollen)percelen, fruitteeltpercelen, glastuinbouw etc.
SOB015939 Nota bodembeheer 2023-2033 SOB015939.RAP003 Opdrachtgever: Omgevingsdienst West-Holland namens 11 gemeenten in de regio West-Holland
WSP 5 mei 2023 pagina 86/98
de te ontgraven bodemlaag onderzocht; onderzoek van de bodemlaag dieper dan de ontgravingsdiepte en het grondwater is niet nodig. Tenzij de gemiddelde grondwaterdiepte zicht binnen 0,25 m-mv bevindt, dan moet ook het grondwater worden onderzocht. Bij de grond vanaf de (voormalige) tuinbouw- of akkerbouwperceel wordt vanwege mogelijke verschillen in kwaliteit geadviseerd om bij dit onderzoek onderscheid te maken in een bodemlaag vanaf het maaiveld tot 0,5 meter diepte en een de diepere bodemlaag tot en met ontgravingsdiepte. Indicatief bodemonderzoek grond bij graafwerkzaamheden bij ondergrondse infrastructuur en groenvoorzieningen in de bodemkwaliteitszones ‘B1/T1/O1 Historische bebouwing Leiden’,‘VS1 bovengrond in Voorschoten’, ‘VS5 bovengrond in Voorschoten’ en ‘VS7 bovengrond in Voorschoten’ Bij aanleg, vervang-, reparatiewerkzaamheden van ondergrondse infrastructuur zoals kabels, leidingen, rioleringen en graafwerkzaamheden bij groenvoorzieningen, wordt grond ontgraven en weer toegepast (tijdelijke uitname van grond).
Als uit het historisch onderzoek (§ 6.1) blijkt dat ter plaatse van het werk sprake is van een mogelijke nog niet onderzochte bodemverontreiniging als gevolg van een lokale bron en/of er wordt niet gewerkt met een gesloten grondbalans, moet in de bodemkwaliteitszones ‘B1/T1/O1 Historische bebouwing Leiden’, ‘VS1 bovengrond in Voorschoten’ en ‘VS7 bovengrond in Voorschoten’ een indicatief onderzoek worden uitgevoerd (zie § 4.8). Het indicatief bodemonderzoek moet conform de NEN5740, strategie VED-HO-NL, plaatsvinden. Het onderzoek moet zijn uitgevoerd door voor de BRL SIKB protocol 2001 gecertificeerd bedrijf/persoon dat een ministeriële erkenning heeft. Voor het onderzoek hoeft alleen de te ontgraven bodemlaag te worden onderzocht; onderzoek van de bodemlaag dieper dan de ontgravingsdiepte en het grondwater is niet nodig. Als de gemiddelde grondwaterdiepte zich binnen 25 centimeter van de ontgravingsdiepte bevindt, moet óók het grondwater worden onderzocht.
6.2.2 ONDERZOEK ONTVANGENDE BODEM De kwaliteit van de ontvangende bodem moet worden onderzocht als: — de toepassingslocatie is gelegen in een gebied dat is uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart (zie hoofdstuk 2); tenzij kan worden aangetoond dat onderzoek niet noodzakelijk is; — op de toepassingslocatie mogelijk een bodemverontreiniging door een lokale bron (puntbron) is vastgesteld; — al een keer is onderzocht maar niet voldoet aan de eisen zoals zijn gesteld in § 4.21. Om de kwaliteit van de ontvangende bodem vast te stellen moet een gepaste onderzoeksstrategie uit de NEN574025 worden gebruikt. Alleen de bodemlaag waarop de grond wordt toegepast moet worden onderzocht, tenzij het gaat om een nog niet onderzochte locatie waar mogelijk sprake is van bodemverontreiniging door een lokale bron (puntbron). In die situatie moet óók de verdachte bodemlaag en indien van toepassing het grondwater worden onderzocht. Het onderzoek moet zijn uitgevoerd door voor de SIKB-protocol-2001 gecertificeerd bedrijf/persoon met een ministeriële erkenning.
25
Alleen van de volgende onderzoeksstrategieën kan gebruik worden gemaakt: ONV, ONV-GR, ONB,TOETS-S, TOETS-S-GR en KEU-I-HE.
SOB015939 Nota bodembeheer 2023-2033 SOB015939.RAP003 Opdrachtgever: Omgevingsdienst West-Holland namens 11 gemeenten in de regio West-Holland
WSP 5 mei 2023 pagina 87/98
7 PROCEDURES 7.1
OPVRAGEN INFORMATIE VOORAFGAAND AAN HET GRONDVERZET
Voorafgaand aan graafwerkzaamheden en het tijdelijk opslaan van grond en een grondstroom tussen locaties (ontgraven en toepassen van grond) moet de initiatiefnemer of een hiertoe gemachtigd persoon (ontdoener van de grond of tussenpersoon zoals een aannemer of adviesbureau), zich op de hoogte te stellen van de mogelijkheden van het grondverzet (zie § 6.1) Als de ontgravings- en toepassingslocaties nabij het spoor zijn gelegen, wordt aanbevolen om informatie te achterhalen via ProRail (www.prorail.nl). De resultaten van het historisch onderzoek (locatie van tijdelijke ontgraving, ontgravings- én toepassingslocatie) moeten volledig en gelijktijdig met de melding voor het tijdelijk opslaan van grond of de grondstroom (zie § 7.2) worden ingeleverd. In onderstaande paragrafen worden de procedures, te weten melding, termijn, registratie en transport van grond verder uiteengezet.
7.2 MELDEN TIJDELIJK OPSLAAN EN TOEPASSEN VAN GROND 7.2.1 ALGEMEEN De melding moet minimaal 5 werkdagen voor de aanvang van de tijdelijke opslag van grond of nuttige toepassing van de grond worden gedaan via het centrale meldpunt van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat: www.meldpuntbodemkwaliteit.nl. De meldingen worden doorgezonden naar het bevoegd gezag van de locatie waar de grond tijdelijk wordt opgeslagen of toegepast. Voor de tijdelijke opslag en de toepassingen op of in de landbodem is dat de gemeente. De meldingen voor de gemeenten worden doorgezonden naar de ODWH. Voor de tijdelijke opslag en de toepassingen in oppervlaktewaterlichamen, zoals sloten, is dat het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden (gemeente Nieuwkoop), het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht (gemeente Nieuwkoop) of het Hoogheemraadschap van Rijnland (gemeenten Hillegom, Kaag en Braassem, Leiden, Leiderdorp, Lisse, Nieuwkoop, Noordwijk, Oegstgeest, Teylingen, Voorschoten en Zoeterwoude). De ODWH is op grond van het Besluit niet verplicht om de melding te publiceren en neemt geen formeel besluit op de melding. Na verstrijken van de hierboven genoemde termijn mag de initiatiefnemer starten met het tijdelijk opslaan van grond of de nuttige toepassing.
De initiatiefnemer van de tijdelijke opslag of de nuttige toepassing is en blijft verantwoordelijk voor het voldoen aan de vereisten van het Besluit. Maar ook een ieder die op een bepaald moment in enig opzicht macht uitoefent over (een deel van) de tijdelijke opslag of de toepassing kan worden aangesproken; bijvoorbeeld een eigenaar, erfpachter, huurder of bruiklener (zie ook § 1.6 en § 1.7). In tabel 7.1 is een overzicht gegeven van de verschillende vormen van tijdelijke opslag en de voorwaarden uit het Besluit die daarbij gelden.
SOB015939 Nota bodembeheer 2023-2033 SOB015939.RAP003 Opdrachtgever: Omgevingsdienst West-Holland namens 11 gemeenten in de regio West-Holland
WSP 5 mei 2023 pagina 88/98
7.2.2 TOEPASSEN VAN GROND De meldingsplicht voor het nuttig toepassen van grond in het kader van het Besluit geldt altijd, met uitzondering van: — De toepassing van grond door particulieren, anders dan in de uitoefening van een bedrijf of beroep. — Het toepassen van grond binnen een landbouwbedrijf als de grond afkomstig is van een tot dat landbouwbedrijf behorend perceel grond waarop een vergelijkbaar gewas wordt geteeld als op het perceel grond waar de grond wordt toegepast. — Het verspreiden van baggerspecie uit een watergang over de aan de watergang grenzende percelen. — Het toepassen van schone grond in hoeveelheden kleiner dan 50 m3. Voor het toepassen van schone grond in hoeveelheden vanaf 50 m3 moet eenmalig de toepassingslocatie worden gemeld. De ODWH kan namens een gemeenten in haar werkgebied, en ondanks de ontheffing van de meldplicht, wel de bewijsmiddelen opvragen van de kwaliteit van de toegepaste grond of (verspreide) baggerspecie.
7.2.3 TIJDELIJKE OPSLAG De meldingsplicht voor het tijdelijk opslaan van grond in het kader van het Besluit geldt altijd, met uitzondering van de opslag van grond als sprake is van tijdelijke uitname. In het Besluit is tijdelijke opslag in de meeste situaties niet vergunningsplichtig. Wel moet aan een drietal voorwaarden worden voldaan: — De kwaliteit van de grond moet voldoen aan de bodemkwaliteitsklasse van de (tijdelijk) ontvangende bodem. Uitzonderingen hierop zijn de kortdurende opslag (niet langer dan 6 maanden) en de opslag bij tijdelijke uitname. — De grond mag op de landbodem maximaal 3 jaar opgeslagen worden. — De eindbestemming van de grond moet bekend zijn als deze langer dan 6 maanden wordt opgeslagen. Om uit te kunnen sluiten dat de tijdelijke opslag van grond zich verhoudt tot andere ruimtelijke aspecten, beoordeelt de ODWH de tijdelijke opslag met de Wet ruimtelijke ordening en/of bestemmingsplan. Mogelijk kunnen aanvullende maatregelen worden verlangd zoals bijvoorbeeld het binnen hekken opslaan van de grond, het voorkomen van grondverstuiving, het uitvoeren van onderzoek wanneer de grond verdacht is voor bodemverontreiniging, eisen aan het uit te voeren onderzoek, het beschikbaar stellen van informatie of de afvoer van de grond naar een erkend verwerker als de grond vanwege de vastgestelde kwaliteit niet herbruikbaar is.
Daarnaast kunnen privaatrechtelijke aspecten een rol spelen, zoals het verkrijgen van toestemming van de perceeleigenaar, of geluids- en stankhinder. In tabel 7.1 zijn de vormen van tijdelijke opslag en de bijbehorende voorwaarden (kwaliteitseisen en meldingsplicht) opgenomen. Met het gebiedsspecifieke beleid (§ 4.3.11) zijn enkele knelpunten in de gemeenten als gevolg van de landelijke regelgeving (tijdelijk opgeslagen grond moet voldoen aan de kwaliteitsklasse) opgelost.
SOB015939 Nota bodembeheer 2023-2033 SOB015939.RAP003 Opdrachtgever: Omgevingsdienst West-Holland namens 11 gemeenten in de regio West-Holland
WSP 5 mei 2023 pagina 89/98
Tabel 7.1: Vormen van tijdelijke opslag en bijbehorende voorwaarden Vorm van tijdelijke opslag
Maximale duur van de opslag
Kortdurende opslag
6 maanden
Tijdelijke opslag op landbodem
3 jaar
Weilanddepot: tijdelijke opslag van baggerspecie over aangrenzend perceel
3 jaar
Voorwaarden van het Besluit Kwaliteitseisen
Meldingsplicht
-
Ja1)
Kwaliteit moet voldoen aan de bodemkwaliteitsklasse van de ontvangende bodem Alleen baggerspecie die voldoet aan de normen voor verspreiding over aangrenzende percelen
Ja1), met voorziene duur van opslag en eindbestemming Ja1), met voorziene duur van opslag en eindbestemming
Looptijd van de Nee werkzaamheden 1) Melding moet worden gedaan bij het centrale meldpunt van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat: www.meldpuntbodemkwaliteit.nl Opslag tijdelijke uitname
Als grond voorafgaand aan de toepassing tijdelijk wordt opgeslagen dan zijn in principe 2 meldingen bij het centrale meldpunt bodemkwaliteit van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat noodzakelijk. Om deze administratie lasten te verminderen, verruimen de gemeenten de eisen voor het melden van tijdelijke opslag van grond waarvan de toepassingslocatie bekend is als volgt: Als bekend is waar de grond, die tijdelijk wordt opgeslagen, wordt toegepast, hoeft voorafgaand aan de tijdelijke opslag alleen de melding voor de toepassing van deze grond te worden gedaan. Bij de melding moet wel de locatie en duur van de tijdelijke opslag worden vermeld. De kwaliteit van de grond die tijdelijk wordt opgeslagen, moet voldoen aan de vastgestelde bodemkwaliteitsklasse dan wel de vastgestelde Lokale Maximale Waarden ter plaatse. Tijdelijke opslag van individuele partijen grond gedurende een periode korter dan 3 jaar, die wel repeterend plaatsvindt op dezelfde locatie in een periode van meer dan 3 jaar wordt beschouwd als een bedrijfsmatige handeling. Hiervoor is een Omgevingsvergunning of melding Activiteitenbesluit noodzakelijk. Als bekend is waar de grond, die tijdelijk is opgeslagen, wordt toegepast, hoeft voorafgaand aan de tijdelijke opslag alleen de melding voor de toepassing van deze grond te worden gedaan.
Bij de melding moet wel de locatie en duur van de tijdelijke opslag worden vermeld. De kwaliteit van de grond die tijdelijk wordt opgeslagen moet voldoen aan de vastgestelde bodemkwaliteitsklasse dan wel de vastgestelde Lokale Maximale Waarden ter plaatse.
7.3 REGISTRATIE EN ARCHIVERING VAN MELDINGEN De melding van de tijdelijke opslag en de nuttige toepassing van grond (inclusief bijlagen) wordt door de ODWH, voor de gemeenten, bij binnenkomst geregistreerd en gearchiveerd. De verantwoordelijkheid voor het naleven van de regels rond het ontgraven, het tijdelijk opslaan of het toepassen van grond, waaronder het tijdig melden, ligt bij de initiatiefnemer van de grondtoepassing. Als achteraf blijkt dat foutief is gehandeld, dan kan de initiatiefnemer van de grondtoepassing zich niet beroepen op de gedane melding of het eventueel uitblijven van een reactie van het bevoegd gezag binnen een bepaalde termijn. Ook na toepassing mag de ODWH, namens de gemeente, nog optreden tegen overtredingen van de regelgeving als blijkt dat niet de juiste gegevens zijn verstrekt of sprake is van het toepassen van grond met een onjuiste kwaliteit.
SOB015939 Nota bodembeheer 2023-2033 SOB015939.RAP003 Opdrachtgever: Omgevingsdienst West-Holland namens 11 gemeenten in de regio West-Holland
WSP 5 mei 2023 pagina 90/98
7.4 BEOORDELING EN TOETSING VAN DE MELDING De meldingen van tijdelijke opslag en toepassingen van grond en baggerspecie in de gemeenten worden door de ODWH, namens de gemeente, beoordeeld. De ODWH brengt namens de gemeenten, indien mogelijk binnen 5 werkdagen, de melder op de hoogte van haar oordeel over de melding. Bij toetsing van de tijdelijke opslag en de toepassing van grond en baggerspecie wordt gekeken naar de kwaliteitsklasse van de toe te passen grond en de toepassingseis zoals gedefinieerd in deze nota bodembeheer. Daarnaast wordt gecontroleerd of de tijdelijke opslag of toepassing nuttig is. Ook wordt getoetst aan de bodemfunctieklassenkaart (kaartbijlage N2). Tot slot kan ook andere wet- en regelgeving van invloed zijn (zie § 2.1.6 van bijlage 2) of kunnen privaatrechtelijke aspecten een rol spelen, zoals het verkrijgen van toestemming van de perceeleigenaar.
7.5 TRANSPORT VAN GROND Bij het transport van grond over de weg moet een (elektronische) transportgeleidebiljet aanwezig zijn. Bij het transport van grond naar een nuttige toepassing moet een kwaliteitsverklaring beschikbaar zijn. Alternatief is dat op het transportgeleidebiljet het meldnummer is vermeld dat is afgegeven door het centrale meldpunt bodemkwaliteit van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (zie ook § 7.7). Bij transport van grond naar een erkend verwerker (bijvoorbeeld een reiniger, stortplaats of depot voor het opslaan van verontreinigde grond) moet een afvalstroomnummer op het transportgeleidebiljet worden vermeld. Deze wordt afgegeven door de erkend verwerker.
7.6 REPETERENDE VRACHTEN EN OMVANGRIJKE GRONDTOEPASSINGEN Binnen grootschalige werken, zoals het aanleggen van een woonwijk, bedrijventerrein, het ontwikkelen van een natuurgebied of civiele (infrastructurele) projecten, is het vaak niet praktisch om voor elke afzonderlijk toepassing van een partij grond een melding te doen. Ook is het niet altijd mogelijk om grond op of nabij de herkomstlocatie terug te brengen. In die situaties kan het accent gelegd worden op vergelijkbare grond. De gemeenten staan de mogelijkheid toe dat de initiatiefnemer voor het werk een grondstromenplan opstelt dat vooraf moet worden afgestemd en goedgekeurd door de ODWH. Het grondstromenplan moet worden gemeld bij het centrale meldpunt van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat: www.meldpuntbodemkwaliteit.nl. Afwijkingen van het grondstromenplan moeten direct worden gemeld aan de ODWH.
7.7 GRONDTRANSPORT MET DE BODEMKWALITEITSKAART ALS BEWIJSMIDDEL Als grond wordt getransporteerd met een bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel voor de chemische kwaliteit van de grond, dan moet op het (elektronische) transportgeleidebiljet het meldingsnummer vermeld worden waaronder de melding bij het landelijke meldpunt bodemkwaliteit is geregistreerd en aan de melder is afgegeven. Als geen meldingsnummer op het (elektronische) transportgeleidebiljet is geregistreerd moet een kwaliteitsverklaring aanwezig zijn.
SOB015939 Nota bodembeheer 2023-2033 SOB015939.RAP003 Opdrachtgever: Omgevingsdienst West-Holland namens 11 gemeenten in de regio West-Holland
WSP 5 mei 2023 pagina 91/98
8 TOEZICHT EN HANDHAVING 8.1
BETROKKENEN BIJ GRONDVERZET
Bij toezicht en handhaving tijdens het ontgraven, het tijdelijk opslaan en het toepassen van grond op of in de bodem zijn verschillende 'spelers' betrokken. In tabel 8.1 staat een overzicht van de verantwoordelijkheden van de diverse betrokkenen rond het toepassen van grond conform het Besluit. Naast de in tabel 8.1 betrokken 'spelers' zijn ook gespecialiseerde instellingen betrokken bij grondwerkzaamheden, waaronder adviesbureaus (partijkeuringen) en grondbanken (leverancier en/of toepasser van de grond). Tabel 8.1 Verantwoordelijkheden van verschillende betrokkenen bij het toepassen van grond op of in de bodem Betrokkenen ODWH voor de gemeenten (Besluit bodemkwaliteit)
Provincie Zuid-Holland (Besluit bodemkwaliteit) Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden (gemeente Nieuwkoop), Waterschap Amstel, Gooi en Vecht (gemeente Nieuwkoop) en Hoogheemraadschap van Rijnland (alle gemeenten) (Besluit bodemkwaliteit) ODWH (in opdracht van de provincie Zuid-Holland) voor de gemeenten (Wet bodembescherming) Leverancier (ontdoener) van de grond Transporteur
Partij die de grond toepast (initiatiefnemer of een ieder die op een bepaald moment macht uit oefent). Dit kan ook een gemeentelijke afdeling zijn. Milieupolitie Inspectie Leefomgeving en Transport
Verantwoordelijkheden Beschikbaar stellen van informatie over en het inzage geven in archieven met onder andere (historische) bodeminformatie en de bodemkwaliteit. Toezicht en handhaving van de melding (administratief en in het veld). Uitvoeren taken waaronder het in ontvangst nemen, registreren, archiveren, beoordelen en toetsen van de melding voor het nuttig toepassen van grond. Als gemeente en ODWH, maar dan bij het nuttig toepassen van grond in Wet milieubeheer-inrichtingen met provincie als vergunningverlener en ter plaatse van beschermingsgebieden. Als gemeente en ODWH, maar dan bij het nuttig toepassen of verspreiden van grond in een oppervlaktewaterlichaam, het toepassen van grond in/op waterkeringen in beheer van het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden (gemeente Nieuwkoop), het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht (gemeente Nieuwkoop) en het Hoogheemraadschap van Rijnland (alle gemeenten). Toezicht en handhaving van gevallen van (vermoedelijk) ernstige bodemverontreiniging en bij verplaatsen van verontreinigde grond op grond van artikel 28 van de Wet bodembescherming. Het afgeven van een bewijsmiddel omtrent de kwaliteit van de te leveren grond en zorgen dat de (erkende) transporteur de doorslagen van de volledig ingevulde begeleidingsbrief krijgt. Registratie van de gegevens gedurende 5 jaar.
Tijdens het transport beschikken over een volledig ingevulde begeleidingsbrief met, indien noodzakelijk, een afvalstroomnummer. Overhandigen begeleidingsbrief op aanvraag van de handhaver (provincie, politie, gemeente). Registratie van de gegevens gedurende 5 jaar. In overleg met de leverancier van de grond levert de transporteur van de grond het bewijsmiddel omtrent de kwaliteit van de te transporteren grond. Conform het Besluit bodemkwaliteit (laten) melden bij het centrale meldpunt van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Nagaan of vanwege andere wetgeving voorwaarden worden gesteld en deze navolgen. In overleg met de leverancier van de grond levert de partij die de grond toepast het bewijsmiddel omtrent de kwaliteit van de toe te passen grond. Toezicht en handhaving (strafrechtelijk). Het uitvoeren van de handhaving op de keten van grond voorafgaand aan de aannemer, voor zover het gaat om activiteiten die onder Kwalibo vallen. Hierbij gaat het zowel om het toepassen van grond op of in de landbodem als het toepassen of verspreiden van grond in een oppervlaktewaterlichaam.
SOB015939 Nota bodembeheer 2023-2033 SOB015939.RAP003 Opdrachtgever: Omgevingsdienst West-Holland namens 11 gemeenten in de regio West-Holland
WSP 5 mei 2023 pagina 92/98
8.2 TOEZICHT EN HANDHAVING Het college van burgemeester en wethouders van de gemeenten Hillegom, Kaag en Braassem, Leiden, Leiderdorp, Lisse, Nieuwkoop, Noordwijk, Oegstgeest, Teylingen, Voorschoten en Zoeterwoude zijn voor hun eigen grondgebied in het kader van het Besluit verantwoordelijk voor toezicht en handhaving van de toepassing van grond op of in de bodem. De ODWH voert in opdracht van de gemeente die taken uit. Bij de tijdelijke opslag en de toepassingen van grond kan toezicht en handhaving plaatsvinden: — tijdens de melding; — in het veld (tijdens het transport of bij de tijdelijke opslag of de toepassing); — na de tijdelijke opslag of de toepassing. Bij de toezicht en de handhaving voor het Besluit maakt de ODWH gebruik van de Handhavings Uitvoerings Methode Besluit bodemkwaliteit (HUM Bbk) [40x]. Als de ODWH, namens de gemeente, constateert dat de regels van het Besluit en/of de Wet bodembescherming niet worden nageleefd, kan bestuursdwang worden uitgeoefend of een dwangsom worden opgelegd. Bestuursdwang houdt in dat de initiatiefnemer of degene die het beheer van een (grootschalige) toepassing heeft overgenomen, een aanzegging krijgt bepaalde handelingen na te laten, dan wel bepaalde maatregelen te treffen binnen een bepaalde termijn. De ODWH kan eventueel na de verstreken termijn op kosten van de initiatiefnemer deze handelingen laten verrichten.
Een dwangsom is een indirect dwangmiddel in de vorm van een geldboete die wordt opgelegd met het doel om de overtreding ongedaan te maken of verdere overtreding dan wel herhaling te voorkomen. De strafrechtelijke handhaving van het Besluit en de Wet bodembescherming, wordt geregeld in de Wet op de Economische Delicten. Als strafbare handelingen niet opzettelijk zijn uitgevoerd, dan is sprake van een overtreding. Als zij opzettelijk zijn begaan, worden zij aangemerkt als misdrijven. Met de opsporing van overtredingen is in de eerste plaats de politie belast. Daarnaast kunnen bepaalde categorieën buitengewone opsporingsambtenaren (BOA) de bevoegdheid hebben om overtredingen van het Besluit en de Wet bodembescherming op te sporen. In het kader van het Besluit is voor toepassingen van grond op of in de bodem de Inspectie Leefomgeving en Transport bevoegd gezag voor de keten van de producent tot en met de aannemer. Deze bevoegd-gezag-taken omvatten de activiteiten die onder de Kwalibo vallen. Ook is de Inspectie Leefomgeving en Transport bevoegd tot bestuurlijke handhaving van de aannemer die de grond toepast op of in de bodem. Overtredingen zoals afwijkingen van normdocumenten en werken zonder erkenning moeten worden gemeld bij de Inspectie Leefomgeving en Transport, een melding bodemsignaal: https://www.ilent.nl/onderwerpen/bodemtoezicht/vragen-en-melden.
De Inspectie Leefomgeving en Transport kan bij constatering van overtredingen dwangsommen opleggen, bedrijven schorsen of zelfs erkenningen intrekken.
SOB015939 Nota bodembeheer 2023-2033 SOB015939.RAP003 Opdrachtgever: Omgevingsdienst West-Holland namens 11 gemeenten in de regio West-Holland
WSP 5 mei 2023 pagina 93/98
9 MANDATEREN BEVOEGDHEDEN VAN DE GEMEENTERAAD AAN HET COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS 9.1
INLEIDING
Deze nota bodembeheer moet, conform artikel 44 van het Besluit, door de gemeenteraden van de gemeenten Hillegom, Kaag en Braassem, Leiden, Leiderdorp, Lisse, Nieuwkoop, Noordwijk, Oegstgeest, Teylingen en Zoeterwoude worden vastgesteld voordat het gebiedsspecifieke grondstromenbeleid van kracht kan worden. Bij de vaststelling van deze nota bodembeheer stelt elke gemeenteraad ook de bodemfunctieklassenkaart en de bodemkwaliteitskaart voor haar eigen grondgebied[1] vast. De gemeente Voorschoten heeft in maart 2023 haar bodemfunctieklassenkaart en bodemkwaliteitskaart al bestuurlijk vastgesteld. Mogelijk zijn tijdens de looptijd van de nota bodembeheer één of meerdere aanpassingen noodzakelijk. Net als voor de vaststelling, is de wijziging van de nota bodembeheer en de bijhorende bodemkwaliteitskaart en bodemfunctieklassenkaart een bevoegdheid van de Raad als sprake is van gebiedsspecifiek beleid. De gemeenteraad besluit om een bij haar rustende bevoegdheid aan het college van burgemeester en wethouders over te dragen (Hoofdstuk 10, Afdeling 10.1.1, van de Algemene wet bestuursrecht). In de onderstaande paragrafen is beschreven op welke onderdelen en onder welke voorwaarden de gemeenteraad bevoegdheden naar het college van burgemeester en wethouders heeft overgedragen.
9.2 AANPASSEN VAN DE BODEMFUNCTIEKLASSENKAART EN TOEPASSINGSKAARTEN Onderdeel van de vaststelling van gebiedsspecifieke beleid zoals in deze nota bodembeheer vastgelegd, is ook de vaststelling van een bodemfunctieklassenkaart en de toepassingskaarten. De bodemfunctieklassenkaart legt de bodemfunctieklasse vast van een perceel/gebied en heeft effect bij de beoordeling van bodemsaneringen en het toepassen van grond. Er worden drie bodemfunctieklassen onderscheiden. Te weten ‘Industrie’, ‘Wonen’ en ‘Landbouw/Natuur), zie kaartbijlage N2. Op de toepassingskaarten wordt vastgelegd aan welke kwaliteitsklasse de toe te passen grond moet voldoen. De vaststelling van deze kaarten is bij het zogenoemde gebiedsspecifieke kader van het Besluit een bevoegdheid van de gemeenteraad. De gemeenteraad besluit haar bevoegdheid tot het aanpassen van de bodemfunctieklassenkaart en toepassingskaarten, zoals opgenomen in deze nota bodembeheer, aan het college van burgemeester en wethouders te mandateren. Dit is alleen aan de orde na het vaststellen van een formele wijziging van de bestemming van een gebied door de gemeenteraad c.q. het vaststellen van een wijziging van een bestemmingsplan.
SOB015939 Nota bodembeheer 2023-2033 SOB015939.RAP003 Opdrachtgever: Omgevingsdienst West-Holland namens 11 gemeenten in de regio West-Holland
WSP 5 mei 2023 pagina 94/98
9.3 AANVULLENDE BODEMINFORMATIE 9.3.1 UITGESLOTEN LOCATIES EN GEBIEDEN Een aantal locaties en gebieden zijn nu uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart (zie hoofdstuk 2) omdat deze locaties en gebieden verdacht zijn voor een geval van ernstige bodemverontreiniging, onder een ander bevoegd gezag vallen, of door een andere organisatie worden beheerd en/of dat te weinig bodemgegevens beschikbaar zijn om een goede uitspraak te kunnen doen over de bodemkwaliteit. Als in de looptijd van de bodemkwaliteitskaart alsnog voldoende gegevens beschikbaar komen om deze gebieden te zoneren, mandateert de gemeenteraad het college van burgemeester en wethouders deze gebieden desgewenst toe te voegen aan bodemkwaliteitskaart en het bodembeheergebied. Voorwaarde hierbij is dat de indeling van de bodemkwaliteitszones niet wijzigt.
9.3.2 RESULTATEN BODEMONDERZOEK OP EEN VERDACHTE LOCATIE Van voor bodemverontreiniging verdachte locaties maken geen deel uit van de bodemkwaliteitskaart. In de situatie dat er op een verdachte locatie een bodemonderzoek conform de NEN 5740 is uitgevoerd, mandateert de gemeenteraad het college van burgemeester en wethouders de verdachte locatie toe te voegen aan de bodemkwaliteitskaart en de omliggende bodemkwaliteitszone als de resultaten van het bodemonderzoek aangeven dat de grond voldoet aan de gebiedseigen kwaliteit. De gebiedseigen kwaliteit, de lokale achtergrondwaarde, wordt gedefinieerd als de ontgravingskwaliteit van de betreffende bodemkwaliteitszone (zie tabel 2.1 en bijlage 3). Daarna kunnen de bodemkwaliteitskaarten worden gebruikt als bewijsmiddel voor de chemische bodemkwaliteit op de locatie, mét het uitgevoerde bodemonderzoek als aanvullend bewijsmiddel.
9.4 ACCEPTATIE BODEMKWALITEITSKAART ANDERE GEMEENTE/GEBIED ALS BEWIJSMIDDEL CHEMISCHE KWALITEIT TOE TE PASSEN GROND De gemeenten accepteren de in § 4.2 benoemde bodemkwaliteitskaarten. Een gemeente kan besluiten nog meer bodemkwaliteitskaarten te accepteren als bewijsmiddel voor de chemische kwaliteit van de toe te passen grond. Hiermee worden de mogelijkheden vergroot om grond van gebieden waar de gemeente de bodemkwaliteitskaart nog niet heeft geaccepteerd als bewijsmiddel voor de chemische kwaliteit van de toe te passen grond, in de gemeente toe te passen. Het besluiten tot acceptatie van een bodemkwaliteitskaart als erkend bewijsmiddel moet worden gedaan door de gemeenteraad. Dit besluit mandateert de gemeenteraad naar het college. De acceptatie van andere bodemkwaliteitskaarten kan alleen als: — de bodemkwaliteitskaart en eventueel bijbehorende nota van het uitbreidingsgebied bestuurlijk is vastgesteld door de betreffende gemeenteraad (of gemandateerd/gedelegeerd college) of het college, het algemeen bestuur van een Waterschap of de Minister van Infrastructuur en Waterstaat; — de bodemkwaliteitskaart is opgesteld volgens de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten; — de kwaliteitsklasse kan worden gebaseerd op de gemiddelde waarden van de bodemkwaliteitszones; — de bodemkwaliteitskaart niet ouder is dan 5 jaar.
SOB015939 Nota bodembeheer 2023-2033 SOB015939.RAP003 Opdrachtgever: Omgevingsdienst West-Holland namens 11 gemeenten in de regio West-Holland
WSP 5 mei 2023 pagina 95/98
9.5 BESTUURLIJK VASTSTELLEN BODEMFUNCTIEKLASSENKAART EN BODEMKWALITEITSKAART Zoals in § 1.5 al is aangegeven, wordt de bodemfunctieklassenkaart en de bodemkwaliteitskaart maximaal 5 jaar na de bestuurlijke vaststelling van deze nota geëvalueerd. Op basis van deze evaluatie wordt vastgesteld of aanpassingen van de kaarten of één van beide kaarten noodzakelijk is. Als de bodemfunctieklassenkaart moet worden aangepast, moet deze ook weer opnieuw bestuurlijk worden vastgesteld. Een bodemkwaliteitskaart moet elke 5 jaar opnieuw worden vastgesteld, ongeacht of er aanpassingen zijn (zie artikel 4.3.5 van de Regeling). De gemeenteraad mandateert deze bestuurlijke vaststelling aan het college van burgemeester en wethouders onder voorwaarde dat de wijzigingen geen invloed hebben op het in deze nota geformuleerde gebiedsspecifieke beleid.
9.6 PROCEDURE Het voorgaande laat onverlet dat op de gemandateerde besluiten de procedure voor vaststellingen door het college uit de Algemene wet bestuursrecht, Afdeling 3.4 (Art. 3:10) van toepassing is.
9.7 RAPPORTAGE Het college van burgemeester en wethouders rapporteert aan haar gemeenteraad als zij van de gemandateerde bevoegdheden gebruik heeft gemaakt. Dit gebeurt in het kader van de actieve informatieplicht van een college van burgemeester en wethouders.
SOB015939 Nota bodembeheer 2023-2033 SOB015939.RAP003 Opdrachtgever: Omgevingsdienst West-Holland namens 11 gemeenten in de regio West-Holland
WSP 5 mei 2023 pagina 96/98
BRONVERMELDINGEN [1]
[2]
[3] [4] [5] [6] [7] [8] [9] [10] [11] [12]
-
Bodemkwaliteitskaart gemeenten Hillegom, Kaag en Braassem, Leiden, Leiderdorp, Lisse, Nieuwkoop, Noordwijk, Oegstgeest, Teylingen en Zoeterwoude, documentcode: SOB015939.RAP002, WSP Nederland B.V., 2 mei 2023. Bodemkwaliteitskaart gemeente Voorschoten, projectnummer: P21-10, Marmos Bodemmanagement, 24 november 2022. Nota bodembeheer gemeentes Leidschendam-Voorburg, Voorschoten en Wassenaar, Regels voor het toepassen van grond en baggerspecie, projectnummer: P10-20, Marmos Bodemmanagement, 10 oktober 2013. Bodembeheernota Omgevingsdienst West-Holland Deel B, Gebiedsspecifiek beleid gemeente Kaag en Braassem, Omgevingsdienst West-Holland, afdeling Bodem, 12 maart 2014. Bodembeheernota Omgevingsdienst West-Holland Deel B, Gebiedsspecifiek beleid gemeente Leiden, Omgevingsdienst West-Holland, afdeling Bodem, 5 september 2014. Bodembeheernota Omgevingsdienst West-Holland Deel B, Gebiedsspecifiek beleid gemeente Leiderdorp, Omgevingsdienst West-Holland, afdeling Bodem, 24 april 2014. Bodembeheernota Omgevingsdienst West-Holland Deel B, Gebiedsspecifiek beleid gemeente Lisse, Omgevingsdienst West-Holland, afdeling Bodem, 16 mei 2014. Bodembeheernota Omgevingsdienst West-Holland Deel B, Gebiedsspecifiek beleid gemeente Nieuwkoop, Omgevingsdienst West-Holland, afdeling Bodem, 6 februari 2015.
Aanvulling bij: odembeheernota Omgevingsdienst West-Holland Deel B, Gebiedsspecifiek beleid Gemeente Nieuwkoop, Omgevingsdienst West-Holland, vakteam Bodem, 3 maart 2021. Bodembeheernota Omgevingsdienst West-Holland Deel B, Gebiedsspecifiek beleid gemeente Oegstgeest, Omgevingsdienst West-Holland, afdeling Bodem, 12 maart 2014. Bodembeheernota Omgevingsdienst West-Holland Deel B, Gebiedsspecifiek beleid Teylingen, Omgevingsdienst West-Holland, afdeling Bodem, 12 maart 2014. Bodembeheernota Omgevingsdienst West-Holland Deel B, Gebiedsspecifiek beleid gemeente Zoeterwoude, Omgevingsdienst West-Holland, afdeling Bodem, 10 april 2014. Bodembeheernota deel B, Gebiedsspecifiek beleid plangebied Offem-Zuid (fase 1) in Noordwijk, documentcode: 17M1208.RAP001, LievenseCSO Milieu B.V., definitief, 18 september 2017 (bijlage 2: onderbouwing bodemkwaliteitskaart). Aanvulling bij: bodemkwaliteitskaart en bodembeheernota-deel B Plangebied Offem-Zuid (fase 1 en 3) Gemeente Noordwijk, Omgevingsdienst West-Holland, vakteam Bodem, 7 april 2021. Bodembeheernota deel B, Gebiedsspecifiek beleid plangebied Offem-Zuid (fase 2) in Noordwijk, documentcode: SOB009406.RAP001, Lievense Milieu B.V., herzien definitief, 29 september 2020 (bijlage 2: onderbouwing bodemkwaliteitskaart).
Bodembeheernota deel B en bodemkwaliteitskaart plangebied Bronsgeest in Noordwijk, documentcode: SOB018037.RAP002, WSP Nederland B.V., definitief, 29 november 2021 (bijlage 2: onderbouwing bodemkwaliteitskaart). Besluit bodemkwaliteit, publicatie Staatsblad nr. 469, 3 december 2007. Regeling bodemkwaliteit, publicatie Staatscourant nr. 247, 21 december 2007 Wet bodembescherming, publicatie Staatsblad, nummer 404, 1986 en latere wijzigingen. Besluit Uniforme Saneringen, publicatie Staatsblad nr. 54, 9 februari 2006 en latere wijzigingen. Regeling Uniforme Saneringen, publicatie Staatsblad nr. 54, 9 februari 2006 en latere wijzigingen. Wet milieubeheer, publicatie staatsblad, nummer 443, 1980 en latere wijzigingen. Activiteitenbesluit, publicatie Staatsblad, nummer 415, 2007 en latere wijzigingen. Algemene wet bestuursrecht, publicatie Staatsblad 693, 23 december 1993. Waterwet, publicatie Staatsblad, nummer 489, 24 november en latere wijzigingen. Besluit uitvoeringskwaliteit bodembeheer, publicatie Staatsblad nr. 434, 28 september 2006, en latere wijzigingen. Waterregeling, publicatie Staatscourant nr. 19353, 17 december 2009 en latere wijzigingen.
SOB015939 Nota bodembeheer 2023-2033 SOB015939.RAP003 Opdrachtgever: Omgevingsdienst West-Holland namens 11 gemeenten in de regio West-Holland
WSP 5 mei 2023 pagina 97/98
[13] [14] [19] [20] [21] [22] [23] [24] [25] [26] [27] [28] [29] [30] [31] [32] [33] [34] [35] [36] [37x] [38x] [37] [38] [39] [40x] [40] [41] [42]
Richtlijn bodemkwaliteitskaarten, Ministerie van VROM, Ministerie van Verkeer en waterstaat, 3 september 2007 en latere wijzigingen. Model Beleid toepassen PFAS-houdende grond, opgesteld in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, kenmerk: 1248710-044 C04, TAUW, 10 januari 2020. Nota bodembeheer gemeente Katwijk (ZH) grondverzet en bodemkwaliteitskaart, projectcode: KWZ38-2, Witteveen+Bos, 31 maart 2016. Landelijke referentiewaarden ter onderbouwing van maximale waarden in het bodembeleid, RIVM rapport 711701053, 2007. Arbeidsomstandighedenwet, publicatie Staatsblad nr. 450, 25 oktober 1999 en latere wijzigingen. Arbeidsomstandighedenbesluit, publicatie Staatsblad nr. 263, 26 juni 1997 en latere wijzigingen. NEN 5707 – Bodem: inspectie en monsterneming van asbest in bodem en partijen grond. NEN 5897 – Inspectie en monstername van asbest in bouw- en sloopafval en recyclinggranulaat. Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013, publicatie Staatscourant, nr. 16675, 27 juni 2013. Handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie, kenmerk IENW/BSK-2019/131399, 8 juli 2019 en latere wijzigingen. NEN 5720 - Bodem ‐ Waterbodem ‐ Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch onderzoek. Certificatieschema BRL 9335 ’Nationale Beoordelingsrichtlijn voor Grond’..
Individuele partijen grond Milieuhygiënische keuring van individuele partijen grond in het kader van het Besluit bodemkwaliteit: SIKB-protocol-9335-1. Regeling bodemkwaliteit 2022, publicatie Staatscourant 2022 nr. 23587, 22 september 2022. Factsheet verspreidingsbeleid, Verspreiden van baggerspecie op de landbodem onder de Omgevingswet, Themagroep Waterbodembeleid (Unie van Waterschappen) ism Informatiepunt Leefomgeving (Rijkswaterstaat), 1 februari 2022. CROW publicatie 400 'Werken in en met verontreinigde bodem', december 2017. Verordening (EU) nr. 1143/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende de preventie en beheersing van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten. Besluit natuurbescherming publicatie Staatsblad nr. 384, 28 oktober 2016. Aziatische duizendknoop betreft wijziging publicatie Staatsblad nr. 381, 28 juli 2021. Landelijk protocol omgaan met Aziatische duizendknopen, Aequator Groen & Ruimte, Stichting Probos & Geofoxx milieuexpertise, 14 oktober 2019. NEN 5740 – Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek – Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond. Monsterneming voor partijkeuringen grond en baggerspecie, SIKB-protocol-1001. Beoordelingsrichtlijn Bewerken van verontreinigde grond en baggerspecie BRL 7500. Landelijk afvalbeheerplan (LAP3).
Plaatsen van handboringen en peilbuizen, maken van boorbeschrijvingen, nemen van grondmonsters en waterpassen, protocol 2001. Maaiveldinspectie en monsterneming van asbest in bodem, SIKB-protocol-2018. NEN 5725 – Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend en nader onderzoek. Handhavings Uitvoerings Methode Besluit bodemkwaliteit, 3BODM0906, AgentschapNL/Bodem+, april 2010. Statistische analyse van de relatie puin in de bodem en de aanwezigheid van asbest, TNO 2018 R10825, 15 augustus 2018. Regeling melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen, publicatie Staatscourant, nummer 207, 27 oktober 2004 en latere wijzigingen. Handreikingen bodem voor gemeenten, Overzicht gemeentelijke bodemtaken, Rijkswaterstaat, ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, 1 augustus 2013.
SOB015939 Nota bodembeheer 2023-2033 SOB015939.RAP003 Opdrachtgever: Omgevingsdienst West-Holland namens 11 gemeenten in de regio West-Holland
WSP 5 mei 2023 pagina 98/98
OVERZICHT BIJLAGEN Bijlage 1
— Begrippenlijst Bijlage 2
— Wet en regelgeving en bodemtaken Bijlage 3A
— Statistische parameters bodemkwaliteitszones NEN5740 incl. toetsing (standaardwaarden) Bijlage 3B
— Statistische parameters bodemkwaliteitszones bestrijdingsmiddelen incl. toetsing (standaardwaarden) Bijlage 3C
— Statistische parameters bodemkwaliteitszones PFAS incl. toetsing (gemeten waarden) Bijlage 3C
— Statistische parameters bodemkwaliteitszones PFAS incl. toetsing (gemeten waarden) Bijlage 3D
— Statistische parameters bodemkwaliteitszones gemeente Voorschoten incl. toetsing (standaardwaarden) Bijlage 3E
— Statistische parameters bodemkwaliteitszones Plangebied Offem-Zuid Fase 1 en 3 incl. toetsing (standaardwaarden) Bijlage 3F
— Statistische parameters bodemkwaliteitszones plangebied Offem-Zuid fase 2 incl. toetsing (standaardwaarden) Bijlage 3G
— Statistische parameters bodemkwaliteitszones Plangebied Bronsgeest incl. toetsing (standaardwaarden) Bijlage 3C
— Statistische parameters bodemkwaliteitszones PFAS incl. toetsing (gemeten waarden) Bijlage 4A
— Onderbouwing Lokale Maximale Waarden Toemaakdekgebied Bijlage 4B
— Onderbouwing Lokale Maximale Waarden Braassemerland Bijlage 4C
— Onderbouwing Lokale Maximale Waarden Nieuw-Rhijngeest Bijlage 5
— Grondstromenmatrix Bijlage 6
— Provinciale verwachtingswaardekaart PFOS en PFOA Bijlage 7
— Transponeringstabel beleidsregels nota bodembeheer 11 gemeenten onder de Omgevingswet
SOB015939 Nota bodembeheer 2023-2033 SOB015939.RAP003 Opdrachtgever: Omgevingsdienst West-Holland namens 11 gemeenten in de regio West-Holland
WSP 5 mei 2023 pagina 1/1
BIJLAGE
1
Bijlage 1: Begrippenlijst
BEGRIPPENLIJST
pagina 1/12