CConstaterende datHillegom
Koppel je AI →
Document · PDF

1. Was-wordt lijst.pdf

Raadscommissie 13 januari 2022, gemeente HillegomBij agendapunt: 8A: Wijziging Algemene Plaatselijke Verordening Hillegom17.418 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

13 alinea's met “sluiting”: 143 144 145 146 151 152 157 199 200 201 202 207 208

Was-wordt-tabel Tweede wijziging Algemene Plaatselijke Verordening Hillegom Inleiding Deze was-wordt-tabel is een hulpmiddel om snel inzichtelijk te hebben welke inhoudelijke wijzigingen er zijn in de gewijzigde APV ten opzichte van de huidige APV. In onderstaand overzicht zijn de oude en nieuwe tekst naast elkaar gezet. Hierin is met kleur aangegeven wat de verschillen zijn. De verschillende kleuren betekenen het volgende: Rood = verwijderd Groen = (inhoudelijk) nieuwe tekst Blauw = tekst die gewijzigd is Onder iedere wijziging wordt een beknopte toelichting gegeven op de wijziging. De uitgebreide toelichting over het hele artikel is terug te vinden in de toelichting op de APV. De wijzigingen: Artikel 1:2 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 1:2 Beslistermijn

Artikel 1:2 Beslistermijn

1. Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. 2. Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken verdagen. 3. In afwijking van het tweede lid is artikel 3.9 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing indien beslist wordt op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 2:11, tweede lid en onder a of artikel 4:11.

1. Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. 2. Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken verdagen. 3. In afwijking van het tweede lid is artikel 3.9 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing indien beslist wordt op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 2:11 of artikel 2:12.

Toelichting De verwijzing in het derde lid is per abuis niet vernummerd tijdens de laatste actualisatie van de APV. Artikel 2:1 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden

Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden

1. Het is verboden op de weg zich tezamen of met anderen deel te nemen aan een

1. Het is verboden op de weg zich tezamen of met anderen deel te nemen aan een

1

2.

3.

4.

5.

6.

7.

8.

samenscholing, onnodig op te dringen, anderen lastig te vallen, te vechten of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden. Het is verboden anderen en ambtenaren in functie in het openbaar uit te jouwen, na te schreeuwen of met aanstootgevende taal lastig te vallen of op een andere wijze overlast aan te doen. Degene die op een openbare plaats: a. aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; b. aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft tot toeloop van publiek waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; of c. zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing; is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen. Het is verboden zich te begeven naar of zich te bevinden op openbare plaatsen die door of vanwege het bevoegde bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van wanordelijkheden zijn afgezet. Het bepaalde in de voorgaande leden geldt niet voor betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties. Het is verboden messen, knuppels, slagwapens of andere voorwerpen die als wapens kunnen worden gebruikt, op een zodanige wijze mee te voeren dat de openbare orde in gevaar komt of kan komen.

Het in het zesde lid gestelde verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door wapens behorende tot de categorieën I, II, III en IV Wet wapens en munitie. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het vierde lid gestelde verbod.

2.

3.

4.

5.

6.

7.

samenscholing, onnodig op te dringen, anderen lastig te vallen, te vechten of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden. Degene die op een openbare plaats: a. aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; b. aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft tot toeloop van publiek waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; of c. zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing; is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen. Het is verboden zich te begeven naar of zich te bevinden op openbare plaatsen die door of vanwege het bevoegde bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van wanordelijkheden zijn afgezet. Het bepaalde in de voorgaande leden geldt niet voor betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties. Het is verboden messen, knuppels, slagwapens of andere voorwerpen die als wapens kunnen worden gebruikt, op een zodanige wijze mee te voeren dat de openbare orde in gevaar komt of kan komen. Het in het vijfde lid gestelde verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door wapens behorende tot de categorieën I, II, III en IV Wet wapens en munitie.

De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde lid gestelde verbod.

Toelichting Het tweede lid is verwijderd, omdat het in strijd is met het recht op vrijheid van meningsuiting (artikel 7, lid 3, Grondwet en artikel 10 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens). Dat recht

2

kan alleen beperkt worden bij een wet in formele zin. Het beledigen van een ambtenaar in functie is strafbaar gesteld in artikel 266 resp. artikel 267 Wetboek van Strafrecht op basis waarvan kan worden gehandhaafd wanneer ambtenaren in functie in het openbaar uitgejouwd, na geschreeuwd of met aanstootgevende taal lastiggevallen worden. In het zesde en zevende lid is de verwijzing aangepast aan de vernummering. Artikel 2:10 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 2:10 Voorwerpen op of aan de openbare plaats

Artikel 2:10 Voorwerpen op of aan de openbare plaats

1. Het is verboden de openbare plaats anders

1. Het is verboden een openbare plaats anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, als dat gebruik: a. schade toebrengt of kan toebrengen aan de weg, de bruikbaarheid van de weg belemmert of kan belemmeren, dan wel een belemmering vormt of kan vormen voor het beheer of onderhoud van de weg; of b. niet voldoet aan redelijke eisen van welstand.

te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan. 2. Het bevoegd bestuursorgaan kan ontheffing verlenen van het verbod.

3. De ontheffing wordt verleend als

omgevingsvergunning door het bevoegd gezag als het in het eerste lid bedoelde gebruik een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j. of k. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

4. Er kan worden volstaan met het doen van een melding indien:

a. er geen schade wordt toegebracht of

kan worden toegebracht aan de weg, de bruikbaarheid van de weg niet wordt belemmert of kan worden belemmerd, dan wel een belemmering vormt of kan vormen voor het beheer of onderhoud van de weg; b. er wordt voldaan aan redelijke eisen van welstand; c. het niet het plaatsen van reclame- en aankondigingsborden of reclame- en aankondigingsspandoeken betreft; d. er niet meer dan twee parkeerplaatsen worden ingenomen; e. er niet meer dan 25m grond wordt ingenomen; f. de openbare plaats niet langer dan vier weken wordt ingenomen.

5. van een belemmering voor de

bruikbaarheid van de weg is in ieder geval sprake wanneer niet ten minste een vrije doorgang voor voetgangers wordt gelaten op voetpaden en op de rijbaan voor fietsers of gemotoriseerd verkeer.

2. Van een belemmering voor de bruikbaarheid van de weg is in ieder geval sprake wanneer niet tenminste een vrije doorgang voor voetgangers wordt gelaten op voetpaden en op de rijbaan voor fietsers of gemotoriseerd verkeer. 3. Het college kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen voor terrassen, uitstallingen en reclameborden. 4. Het bevoegde bestuursorgaan kan ontheffing verlenen van het verbod. 5. De ontheffing wordt verleend als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag als het in het eerste lid bedoelde gebruik een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j. of k. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 6. Het verbod is niet van toepassing op: a. evenementen als bedoeld in artikel 2:24; b. standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17;

3

6. Het college reageert uiterlijk 8 weken na

c. terrassen als bedoeld in artikel 2:28; d. het plaatsen van reclame- en aankondigingsborden op van gemeentewege aangegeven locaties op basis van een met de gemeente gesloten overeenkomst; e. het van gemeentewege plaatsen van verkiezingsborden ten behoeve van politieke partijen; f. overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend;

ontvangst van de melding.

7. Voor het ophangen van spandoeken is een vergunning van burgemeester en wethouders vereist. De vergunning wordt verleend:

a. op door het college aangewezen plaatsen;

b. voor maximaal twee weken

voorafgaand aan de activiteit;

c. wanneer het spandoek niet bedoeld is voor commerciële doeleinden.

8. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op:

a. evenementen als bedoeld in artikel

7. Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatwerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, of de Omgevingsverordening Zuid-Holland.

2:24;

b. standplaatsen als bedoeld in artikel 5:18;

c. overige gevallen waarin krachtens een

wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend; d. het plaatsen van reclame- en aankondigingsborden op van gemeentewege aangegeven locaties op basis van een met de gemeente gesloten overeenkomst; e. het van gemeentewege plaatsen van verkiezingsborden ten behoeve van politieke partijen.

9. Het verbod in het eerste lid van dit artikel

is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatwerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, of de provinciale wegenverordening.

10. Op de ontheffing bedoeld in het vierde lid is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Toelichting Artikel 2:10 is herschreven. Er is nu een breed gestelde algemene regel opgenomen. Deze algemene regel biedt meer ruimte aan burger en bedrijfsleven. De gedachte is dat voor een groot aantal voorwerpen die in de openbare ruimte worden geplaatst een vergunning of melding overbodig is, omdat deze voorwerpen volstrekt geen overlast veroorzaken of zelfs bijdragen aan de leefbaarheid. In het vierde lid is aangegeven dat het bevoegd bestuursorgaan ontheffing kan verlenen van het verbod.

4

Artikel 2:12 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 2:12 Maken of veranderen van een uitweg

Artikel 2:12 Maken of veranderen van een uitweg

1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg. 2. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 wordt de vergunning slechts geweigerd:

1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg. 2. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 wordt de vergunning slechts geweigerd:

a.

ter voorkoming van gevaar voor het verkeer op de weg; b. indien de uitweg zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats; c. indien door de uitweg het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; of d. indien er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen. 3. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken, de Waterschapskeur of de provinciale wegenverordening.

a. b.

c.

d.

ter voorkoming van gevaar voor het verkeer op de weg; indien de uitweg zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats; indien door de uitweg het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; of indien er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen.

3. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken, de Waterschapskeur of de Omgevingsverordening Zuid-Holland.

Toelichting In het derde lid is de Provinciale wegenverordening gewijzigd in Omgevingsverordening ZuidHolland.

5

Artikel 2:24 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 2:24 Definities

Artikel 2:24 Definities

1. In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van:

1. In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van:

a. b.

c. d.

e.

f.

bioscoopvoorstellingen; markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h van de Gemeentewet en artikel 5:22 van deze verordening; kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen; het in een inrichting in de zin van de Drank- en Horecawet gelegenheid geven tot dansen; betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; activiteiten als bedoeld in de artikelen 2:9 en 2:39 van deze verordening.

2. Onder evenement wordt mede verstaan: a. een herdenkingsplechtigheid; b. een braderie; c. een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3 van deze verordening, op een openbare plaats; d. een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan een openbare plaats; e. een straatfeest of buurtbarbecue op één dag (klein evenement). f. een vechtsportgala

a. b.

c. d.

e.

f.

bioscoop- en theater voorstellingen; markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g van de Gemeentewet en artikel 5:22; kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen; het in een inrichting in de zin van de Alcoholwet gelegenheid geven tot dansen; betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; activiteiten als bedoeld in de artikelen 2:9 en 2:39.

2. Onder evenement wordt mede verstaan: a. een herdenkingsplechtigheid; b. een braderie; c. een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3 van deze verordening, op een openbare plaats; d. een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan een openbare plaats; e. een straatfeest of buurtbarbecue f. een vechtsportgala 3. In deze afdeling wordt onder klein evenement verstaan een eendaags evenement waarbij: a. het aantal aanwezigen niet meer bedraagt dan 100 personen; b. de activiteiten plaatsvinden tussen 09.00 uur en 23.00 uur; c. geen muziek ten gehore wordt gebracht voor 09.00 uur en na 23.00 uur, voorts dient in dit tijdsbestek het maximaal toelaatbare gemiddelde geluidsniveau (meetperiode 1 minuut) van 65 dB(A) op de gevels van omringende woningen niet te wordt overschreden. Indien er geen woningen aanwezig zijn dan geldt de genoemde geluidsnorm op een

6

afstand van 25 meter van het evenement; d. de activiteiten niet plaatsvinden op de rijbaan, (brom)fietspad of parkeerplaats of anderszins een belemmering vormen voor het verkeer en de hulpdiensten; e. slechts kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte van minder dan 25 vierkante meter per object; en f. er geen alcohol bedrijfsmatig wordt verstrekt. Toelichting Lid 1, sub a is aangepast waarbij nu niet alleen maar bioscoop- maar ook theatervoorstelling onder deze uitzonderingen vallen. Artikel 160 van de Gemeentewet is gewijzigd per 01-01-2019 waardoor de verwijzing in lid 1 sub b niet meer juist is. Dit is aangepast. In Lid 1, onder d, is de “Drank- en Horecawet” vervangen door de “Alcoholwet” in verband met een wijziging van die wet per 1 juli 2021. Lid 3 is toegevoegd waarbij de omschrijving van een klein evenement is verruimd waardoor meerdere kleine evenementen onder de begripsbepaling vallen en hierdoor meer mogelijkheden zijn om een klein evenement te organiseren onder de gestelde voorwaarden. In de huidige APV stond dit beschreven onder artikel 2:25, tweede lid. Onder lid 3, sub c is extra toegevoegd het maximaal toelaatbare gemiddelde geluidsniveau op omringende woningen. Op deze manier is het geluid beter controleerbaar. Onder lid 3 is sub f toegevoegd omdat bij een klein evenement het niet is toegestaan om alcohol bedrijfsmatig te verstrekken.

Artikel 2:25 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 2:25 Evenementenvergunning

Artikel 2:25 Evenementenvergunning

1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren. 2. Geen vergunning is vereist voor een klein evenement, indien: a. het aantal aanwezigen niet meer bedraagt dan 100 personen; b. het evenement tussen 09.00. en 23.00 uur plaats vindt; c. geen muziek ten gehore wordt gebracht voor 09.00 uur of na 23.00 uur; d. het evenement geen belemmering vormt voor het verkeer en de hulpdiensten; e. slechts kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte van minder dan 25 m² per object; f. er een organisator is; g. de organisator minimaal vier weken voorafgaand aan het

1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren. 2. Geen vergunning is vereist voor een klein evenement, als de organisator ten minste twee weken voorafgaand aan het evenement daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester. 3. De burgemeester kan binnen een week na ontvangst van de melding besluiten het organiseren van een evenement als bedoeld in het tweede lid te verbieden, indien daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. 4. De burgemeester kan aan het organiseren van een evenement als bedoeld in het tweede lid nadere voorschriften verbinden. 5. Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de openbare plaats, voor zover in het

7

3.

4.

5.

6.

evenement daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester. De burgemeester kan na ontvangst van de melding besluiten het organiseren van een evenement als bedoeld in het tweede lid te verbieden, indien daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. De burgemeester kan aan het organiseren van een evenement als bedoeld in het tweede lid nadere voorschriften verbinden. Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de openbare plaats, voor zover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 10 juncto 148, van de Wegenverkeerswet 1994. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 10 juncto 148, van de Wegenverkeerswet 1994. 6. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Toelichting Artikel 2:25, tweede lid is aangepast aan de wijziging van artikel 2:24 waarin de omschrijving van een klein evenement is verruimd. In het derde lid is een termijn van een week opgenomen waarbinnen de burgemeester kan besluiten om een evenement te verbieden, indien daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. Het vereiste van een organisator is niet nodig omdat de aanvrager verantwoordelijk is voor het evenement. Artikel 2:27 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 2:27 Definitie

Artikel 2:27 Definitie

In deze afdeling wordt verstaan onder: a. openbare inrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie worden verstrekt of bereid. Onder een openbare inrichting wordt in ieder geval verstaan: een hotel, restaurant, pension, café, waterpijpcafe, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis. Onder openbare inrichting wordt tevens verstaan een bij deze inrichting behorend terras en andere aanhorigheden;

In deze afdeling wordt verstaan onder: a. openbare inrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie ter plaatse worden verstrekt of bereid. Onder een openbare inrichting wordt in ieder geval verstaan: een hotel, restaurant, pension, café, waterpijpcafe, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis. Onder openbare inrichting wordt tevens verstaan een bij deze inrichting behorend terras en andere aanhorigheden;

8

b.

terras: een buiten de besloten ruimte van de openbare inrichting liggend deel daarvan waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie kunnen worden bereid of verstrekt.

b.

terras: een buiten de besloten ruimte van de openbare inrichting liggend deel daarvan waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie ter plaatse kunnen worden bereid of verstrekt.

Toelichting ‘Ter plaatse’ is toegevoegd in zowel het eerste als het tweede lid. Dit ter verduidelijking dat afhaalrestaurants niet onder de definitie van openbare inrichting vallen Artikel 2:28 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 2:28 Exploitatievergunning openbare inrichting

Artikel 2:28 Exploitatievergunning openbare inrichting

1. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. 2. De burgemeester weigert de vergunning indien de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met het geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. 3. In afwijking van artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed. 4. Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in a. een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit; b. een sportfaciliteit voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de sportactiviteit; c. een zorginstelling; d. een museum; e. een bedrijfskantine of -restaurant. 5. In afwijking van het bepaalde in artikel 2:10 beslist de burgemeester in geval van een vergunningaanvraag die ook betrekking heeft op een of meer bij de openbare inrichting behorende terrassen voor zover deze zich op een openbare plaats bevinden

1. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. 2. De burgemeester weigert de vergunning indien de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met het geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. 3. In afwijking van artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed. 4. Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in a. een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit; b. een sportfaciliteit voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de sportactiviteit; f. een zorginstelling; g. een museum; h. een bedrijfskantine of -restaurant. 5. In afwijking van het bepaalde in artikel 2:10 beslist de burgemeester in geval van een vergunningaanvraag die ook betrekking heeft op een of meer bij de openbare inrichting behorende terrassen voor zover deze zich op een openbare plaats bevinden

9

over de ingebruikneming van die openbare plaats ten behoeve van het terras. 6. Onverminderd het gestelde in het derde en vierde lid kan de burgemeester de in het zesde lid bedoelde ingebruikneming van die openbare plaats ten behoeve van een of meer bij een openbare inrichting behorende terrassen weigeren: a. indien het beoogde gebruik van het terras schade toebrengt aan de openbare plaats dan wel gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de openbare plaats of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan; b. indien het gebruik van het terras een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van de openbare plaats. 7. De burgemeester verleent op verzoek of ambtshalve vrijstelling van het verbod genoemd in het eerste lid aan openbare inrichtingen die horecabedrijf zijn als bedoeld in artikel 1 van de Drank- en Horecawet, indien: a. zich in de zes maanden voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze bepaling geen incidenten gepaard gaande met geweld, overlast op straat of drugsgebruik en -handel hebben voorgedaan in of bij de inrichting, dan wel b. de inrichting zich nieuw in de gemeente vestigt en er zich geen weigeringsgronden voordoen als bedoeld in artikel 1:8 of 2:28, tweede of derde lid. 8. De vrijstelling wordt ingetrokken wanneer zich een incident heeft voorgedaan als bedoeld in het achtste lid onder a. 9.

Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de vergunning bedoeld in het eerste lid en op de vrijstelling bedoeld in het achtste lid.

over de ingebruikneming van die openbare plaats ten behoeve van het terras. 6. Onverminderd het gestelde in het derde en vierde lid kan de burgemeester de in het vijfde lid bedoelde ingebruikneming van die openbare plaats ten behoeve van een of meer bij een openbare inrichting behorende terrassen weigeren: a. indien het beoogde gebruik van het terras schade toebrengt aan de openbare plaats dan wel gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de openbare plaats of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan; b. indien het gebruik van het terras een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van de openbare plaats. 7. De burgemeester verleent op verzoek of ambtshalve vrijstelling van het verbod genoemd in het eerste lid aan openbare inrichtingen die horecabedrijf zijn als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet, indien: a. zich in de zes maanden voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze bepaling geen incidenten gepaard gaande met geweld, overlast op straat of drugsgebruik en -handel hebben voorgedaan in of bij de inrichting, dan wel b. de inrichting zich nieuw in de gemeente vestigt en er zich geen weigeringsgronden voordoen als bedoeld in artikel 1:8 of 2:28, tweede of derde lid. 8. De vrijstelling wordt ingetrokken wanneer zich een incident heeft voorgedaan als bedoeld in het zevende lid onder a. 9.

Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de vergunning bedoeld in het eerste lid en op de vrijstelling bedoeld in het zevende lid.

Toelichting In lid zes is het “vierde lid” vervangen door het “vijfde” lid. In lid zeven is de “Drank- en Horecawet” vervangen door de “Alcoholwet” in verband met een wijziging van die wet per 1 juli 2021. In lid acht en negen is het “achtste” lid gewijzigd in het “zevende” lid.

10

Artikel 2:29 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 2:29 Sluitingstijd

Artikel 2:29 Sluitingstijd

1. Openbare inrichtingen zijn gesloten op maandag tot en met zondag tussen 01.00 uur en 06.00 uur. 2. Voor terrassen is het bepaalde in het eerste lid van toepassing tussen 23.00 uur en 09.00 uur in de maanden juni, juli en augustus en in de overige maanden tussen 22.00 uur en 09.00 uur. 3. Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben, of bezoekers in de inrichting te laten verblijven na sluitingstijd. 4. De burgemeester kan ontheffing verlenen van de sluitingstijd voor een openbare inrichting of een terras. 5. De ontheffing als bedoeld in het vierde lid wordt in ieder geval verleend voor horeca-inrichtingen die deelnemen aan het 1-2-3-systeem als bedoeld in de Kwaliteitsmeter Veilig Uitgaan. 6. Voor een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:28, vijfde lid onder a t/m i, gelden dezelfde sluitingstijden als voor de inrichting die het betreft. 7. Het in het eerste, tweede en vierde lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer. 8. Op het vierde lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

1. Openbare inrichtingen zijn gesloten op maandag tot en met zondag tussen 01.00 uur en 06.00 uur. 2. Voor terrassen is het bepaalde in het eerste lid van toepassing tussen 23.00 uur en 09.00 uur in de maanden juni, juli en augustus en in de overige maanden tussen 22.00 uur en 09.00 uur. 3. Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben, of bezoekers in de inrichting te laten verblijven na sluitingstijd. 4. De burgemeester kan ontheffing verlenen van de sluitingstijd voor een openbare inrichting of een terras. 5. Voor een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:28, vierde lid onder a t/m e, gelden dezelfde sluitingstijden als voor de inrichting die het betreft. 6. Het in het eerste, tweede en vierde lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer. 7. Op het vierde lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Toelichting Lid 5 vervalt omdat een privaatrechtelijke overeenkomst nooit een voorwaarde kan zijn voor een bestuursrechtelijke bepaling. In het nieuwe lid 5 is de verwijzing van artikel 2:28, vijfde lid onder a t/m i, aangepast naar 2:28, vierde lid onder a t/m e. Artikel 2:31 wordt als volgt gewijzigd Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 2:31 Verboden gedragingen

Artikel 2:31 Verboden gedragingen

Het is verboden in een openbare inrichting: a. de orde te verstoren; b. zich te bevinden na sluitingstijd of gedurende de tijd dat de inrichting

Het is verboden in een openbare inrichting: a. de orde te verstoren; b. zich te bevinden na sluitingstijd, tenzij het personeel betreft, of gedurende de

11

gesloten dient te zijn op grond van een besluit krachtens artikel 2:30, eerste lid. c. Op het terras spijzen of dranken te verstrekken aan personen die geen gebruik maken van het terras.

c.

tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn op grond van een besluit krachtens artikel 2:30, eerste lid. Op het terras spijzen of dranken te verstrekken aan personen die geen gebruik maken van het terras.

Toelichting Het gebeurt regelmatig dat na sluitingstijd van een openbare inrichting personeel nog aanwezig is om op te ruimen en/of schoon te maken. De aanpassing in de tekst is nodig om duidelijk te maken dat personeel na sluitingstijd in de openbare inrichting kan/mag verblijven zonder dat toezichthouders hierop moeten handhaven. Artikel 2:37 komt te vervallen Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 2:37 Nachtregister

Artikel 2:37 Nachtregister

1. In dit artikel wordt verstaan onder inrichting: elke ruimte of plaats waarin bij wijze van uitoefening van beroep of bedrijf aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt gegeven.

(Vervallen)

2. Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of de exploitatie daarvan staakt, doet hiervan zo spoedig mogelijk, maat in ieder geval binnen veertien dagen, mededeling aan de burgemeester. 3. De exploitant van een inrichting houdt een register bij als bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht. Toelichting Het bepaalde in artikel 2:37 is een dubbeling met het bepaalde in de artikelen 2:35, 2:36 en 2:38 en daarom overbodig. Artikel 2:39 wordt als volgt gewijzigd Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 2:39 Speelgelegenheden

Artikel 2:39 Speelgelegenheden

1. Het is verboden zonder vergunning van de

1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren.

burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren.

12

2. Het verbod is niet van toepassing op:

2. Het verbod is niet van toepassing op: a.

a. speelautomatenhallen waarvoor op

grond van artikel 30c, eerste lid, onder b, van de Wet op de Kansspelen vergunning is verleend; b. speelgelegenheden waarvoor de minister van Veiligheid en Justitie of de Kamer van Koophandel bevoegd is vergunning te verlenen; en c. speelgelegenheden waar de mogelijkheid wordt geboden om het kleine kansspel als bedoeld in artikel 7c van de Wet op de kansspelen te beoefenen, of te spelen op speelautomaten als bedoeld in artikel 30 van de Wet op de kansspelen, of de handeling als bedoeld in artikel 1, onder a, van de Wet op de kansspelen te verrichten.

3. De burgemeester weigert de vergunning:

b.

c.

3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert de burgemeester de vergunning als:

a. indien naar zijn oordeel moet worden

aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid; of b. indien de exploitatie van een speelgelegenheid in strijd is met een geldend bestemmingsplan.

a.

b.

4. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van

de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

speelautomatenhallen waarvoor op grond van artikel 30c, eerste lid, onder b, van de Wet op de Kansspelen vergunning is verleend; speelgelegenheden waarvoor de minister van Veiligheid en Justitie of de Kamer van Koophandel bevoegd is vergunning te verlenen; en speelgelegenheden waar de mogelijkheid wordt geboden om het kleine kansspel als bedoeld in artikel 7c van de Wet op de kansspelen te beoefenen, of te spelen op speelautomaten als bedoeld in artikel 30 van de Wet op de kansspelen, of de handeling als bedoeld in artikel 1, onder a, van de Wet op de kansspelen te verrichten.

indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid; of indien de exploitatie van een speelgelegenheid in strijd is met een geldend bestemmingsplan.

4. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing

Toelichting Lid 3 is aangepast omdat de weigeringsgronden, genoemd in artikel 1:8 eerste lid onder a. de openbare orde, b. de openbare veiligheid, c. de volksgezondheid en d. de bescherming van het milieu en het tweede lid, ook van toepassing zijn. Artikel 2:40 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 2:40 Kansspelautomaten

Artikel 2:40 Kansspelautomaten

1. In dit artikel wordt verstaan onder: a. Wet: de Wet op de kansspelen;

1. In hoogdrempelige inrichtingen zijn twee kansspelautomaten toegestaan.

13

b. kansspelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder c, van de Wet; c. hoogdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder d, van de Wet; d. laagdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder e, van de Wet. 2. In hoogdrempelige inrichtingen zijn 2 kansspelautomaten toegestaan. 3. In laagdrempelige inrichtingen zijn kansspelautomaten niet toegestaan.

2. In laagdrempelige inrichtingen zijn kansspelautomaten niet toegestaan.

Toelichting De definities in het eerste lid zijn opgenomen in de Wet op de kansspelen. In art. 2:38a is reeds bepaald dat begrippen die in de Wet op de kansspelen voorkomen in afdeling 7 van de APV dezelfde betekenis hebben. Het eerste lid kan daarom vervallen. Het artikel is daarmee overeenkomstig de model-APV. Artikel 2:40a wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 2:40a Sluiting gebouw

Artikel 2:40a Sluiting gebouw

De burgemeester kan de gehele of gedeeltelijke sluiting bevelen van een voor publiek toegankelijk gebouw, inrichting of ruimte als daar: a. is gehandeld in strijd met artikel 1 van de Wet op de kansspelen; b. door misdrijf verkregen zaken voorhanden, bewaard of verborgen zijn dan wel zijn verworven of overgedragen; c. discriminatie heeft plaatsgevonden op grond van ras, geslacht, seksuele gerichtheid of op welke grond dan ook; d. wapens als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie aanwezig zijn waarvoor geen ontheffing, vergunning of verlof is verleend of e. zich andere feiten of omstandigheden hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het geopend blijven van het gebouw, de inrichting of de ruimte ernstig gevaar oplevert voor de openbare orde.

De burgemeester kan de gehele of gedeeltelijke sluiting bevelen van een voor publiek toegankelijk gebouw, inrichting of ruimte en/of een daarbij behorend erf, als daar: a. is gehandeld in strijd met artikel 1 van de Wet op de kansspelen; b. door misdrijf verkregen zaken voorhanden, bewaard of verborgen zijn dan wel zijn verworven of overgedragen; c. discriminatie heeft plaatsgevonden op grond van ras, geslacht, seksuele gerichtheid of op welke grond dan ook; d. wapens als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie aanwezig zijn waarvoor geen ontheffing, vergunning of verlof is verleend of e. zich andere feiten of omstandigheden hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het geopend blijven van het gebouw, de inrichting of de ruimte ernstig gevaar oplevert voor de openbare orde.

Toelichting De toevoeging van “het erf” ontbrak in artikel 2:40a, terwijl dit wel wordt benoemd in artikel 174a Gemeentewet waar dit artikel uit voortkomt. Deze toevoeging is nodig zodat ook bijbehorende erven kunnen worden gesloten als daarvan sprake is.

14

Artikel 2:41 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 2:41 Betreden gesloten woning of lokaal 1. Het is verboden een krachtens artikel 2:40a gesloten gebouw of een bij dat gebouw behorend erf te betreden. 2. Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden. 3. Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden. 4. Deze verboden gelden niet voor personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal wegens dringende reden noodzakelijk is. 5. De burgemeester draagt zorg voor het aanbrengen van het bevel tot sluiting bij de toegang van het gebouw, de inrichting of de ruimte, of in de directe nabijheid daarvan. 6. De rechthebbende laat toe dat een afschrift van het sluitingsbevel wordt aangebracht. 7. Het is de rechthebbende verboden zonder toestemming van de burgemeester bezoekers toe te laten of zelf het gebouw, de inrichting of de ruimte te betreden.

Artikel 2:41 Betreden gesloten woning of lokaal 1. Het is verboden een krachtens artikel 2:40a gesloten gebouw, inrichting of ruimte, of een daarbij behorend erf te betreden. 2. Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden. 3. Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden. 4. Deze verboden gelden niet voor personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal wegens dringende reden noodzakelijk is. 5. De burgemeester draagt zorg voor het aanbrengen van het bevel tot sluiting bij de toegang van het gebouw, de inrichting of de ruimte, of in de directe nabijheid daarvan. 6. De rechthebbende laat toe dat een afschrift van het sluitingsbevel wordt aangebracht. 7. Het is de rechthebbende verboden zonder toestemming van de burgemeester bezoekers toe te laten of zelf het gebouw, de inrichting of de ruimte of een daarbij behorend erf, te betreden.

Toelichting De toevoeging van “het erf” ontbrak in artikel 2:41, terwijl dit wel wordt benoemd in artikel 174a Gemeentewet waar dit artikel uit voortkomt. In het eerste lid is behalve ‘gebouw’ ook een ‘inrichting of ruimte’ genoemd zoals ook al in lid zeven het geval was. Deze toevoeging is nodig zodat het verbod van betreden ook van toepassing is op reeds gesloten inrichtingen of ruimtes.

15

Artikel 2:47 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op

Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op

openbare plaatsen

openbare plaatsen

1. Het is verboden: a. op een openbare plaats te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hekheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair en daarvoor niet bestemd straatmeubilair; b. zich op een openbare plaats zodanig op te houden dat aan weggebruikers of bewoners van nabij de weg gelegen woningen onnodig overlast of hinder wordt veroorzaakt. 2. De burgemeester kan openbare plaatsen of delen daarvan aanwijzen waar het op door de burgemeester te bepalen tijdstippen verboden is zich op te houden of te verblijven. 3. Het is verboden op of aan de weg in een voertuig of een tijdelijk onderkomen te overnachten of daartoe gelegenheid te bieden. 4. Het is verboden op of aan openbaar water een vaartuig voor anker te laten liggen dan wel daarin te overnachten of daartoe gelegenheid te bieden. 5. Het college kan gebieden en tijdstippen aanwijzen waar respectievelijk het verbod, bedoeld in het derde en vierde lid, niet van toepassing is en kan voor het verblijven in die gebieden: a. nadere regels stellen in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente; b. beperkingen stellen naar soort en aantal voer- of vaartuigen en de maximale verblijfsduur en tijden. 6.

Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994

1. Het is verboden: a. op een openbare plaats te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hekheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair en daarvoor niet bestemd straatmeubilair; b. zich op een openbare plaats zodanig op te houden dat aan weggebruikers of bewoners van nabij de openbare plaats gelegen woningen onnodig overlast of hinder wordt veroorzaakt. 2. De burgemeester kan openbare plaatsen of delen daarvan aanwijzen waar het op door de burgemeester te bepalen tijdstippen verboden is zich op te houden of te verblijven. 3. Het is verboden op of aan de weg in een voertuig of een tijdelijk onderkomen te overnachten of daartoe gelegenheid te bieden. 4. Het is verboden op of aan openbaar water een vaartuig voor anker te laten liggen dan wel daarin te overnachten of daartoe gelegenheid te bieden. 5. Het college kan gebieden en tijdstippen aanwijzen waar respectievelijk het verbod, bedoeld in het derde en vierde lid, niet van toepassing is en kan voor het verblijven in die gebieden: a. nadere regels stellen in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente; b. beperkingen stellen naar soort en aantal voer- of vaartuigen en de maximale verblijfsduur en tijden. 6.

Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994

Toelichting Het woordje “weg” wordt vervangen door “openbare plaats”.

16

Artikel 2:48 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 2:48 Verboden en hinderlijk drankgebruik

Artikel 2:48 Verboden en hinderlijk drankgebruik

1. Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt, verboden op een openbare plaats, die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben. 2. Het verbod is niet van toepassing op: a. een terras dat behoort bij een horecabedrijf, als bedoeld in artikel 1 van de Drank- en Horecawet ; b. de plaats niet zijnde een horecabedrijf, als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Drank en Horecawet. c. een activiteit op een openbare plaats, waarvoor door het college vergunning is verleend en waarbij het gebruik van alcoholhoudende drank is toegestaan. 3. Het is verboden op openbare plaatsen en op of aan het openbaar water of in een voor publiek toegankelijk gebouw alcoholhoudende drank te nuttigen als dit gepaard gaat met gedrag dat de openbare orde verstoort, het woon- en leefklimaat aantast of anderszins overlast veroorzaakt.

1. Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt, verboden op een openbare plaats, die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben. 2. Het verbod is niet van toepassing op: a. een terras dat behoort bij een horecabedrijf, als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet; b. de plaats niet zijnde een horecabedrijf, als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Alcoholwet. c. een activiteit op een openbare plaats, waarvoor door het college vergunning is verleend en waarbij het gebruik van alcoholhoudende drank is toegestaan. 3. Het is verboden op openbare plaatsen en op of aan het openbaar water of in een voor publiek toegankelijk gebouw alcoholhoudende drank te nuttigen als dit gepaard gaat met gedrag dat de openbare orde verstoort, het woon- en leefklimaat aantast of anderszins overlast veroorzaakt.

Toelichting Onder sub a en b van het tweede lid is de “Drank- en Horecawet” vervangen door de “Alcoholwet” in verband met een wijziging van die wet per 1 juli 2021. Artikel 2:50a wordt als volgt gewijzigd Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 2:50a Verbod op zichtbare uitingen van verboden organisaties

Artikel 2:50a Verbod op zichtbare uitingen van verboden organisaties

1.

1.

Het is verboden op openbare plaatsen of in voor het publiek toegankelijke openstaande gebouwen en daarbij behorende erven zichtbaar goederen te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren die uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bij rechterlijke

17

Het is verboden op openbare plaatsen of in voor het publiek toegankelijke openstaande gebouwen en daarbij behorende erven zichtbaar goederen te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren die uiterlijke kenmerken zijn, of daarmee sterke gelijkenis

uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een werkzaamheid of doel in strijd met de openbare orde. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht.

2.

hebben, van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een werkzaamheid of doel in strijd met de openbare orde. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht.

2.

Toelichting In het eerste lid is toegevoegd “of daarmee sterke gelijkenis hebben”. Deze zinssnede is opgenomen om ervoor te zorgen dat ook handhavend kan worden opgetreden als men goederen bij zich draagt of uiterlijke kenmerken vertoont die lijken op datgene wat bij rechterlijke of bestuurlijke uitspraak verboden is en daarmee alsnog aanstootgevend kan zijn. Artikel 2:59 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 2:59 Gevaarlijke honden

Artikel 2:59 Gevaarlijke honden

1. Als de burgemeester een hond in verband

1. Als de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan hij de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander.

2. De eigenaar of houder van de hond aan wie

2. De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijngebod is opgelegd, is verplicht de hond kort aangelijnd te houden, met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter.

3. De eigenaar of houder van de hond aan wie

3. De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijn- en muilkorfgebod is opgelegd, is naast de verplichting in het tweede lid verplicht de hond voorzien te houden van een muilkorf die:

met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan het de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander.

een aanlijngebod is opgelegd, is verplicht de hond kort aangelijnd te houden, met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter.

een aanlijn- en muilkorfgebod is opgelegd, is naast de verplichting in het tweede lid verplicht de hond voorzien te houden van een muilkorf die:

a.

a. vervaardigd is van stevige kunststof, b.

c.

van stevig leer of van beide stoffen; door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is; en zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf en geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn.

4. Onverminderd het bepaalde in artikel 2:57, eerste lid, aanhef en onder c, dient een

b.

c.

vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen; door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is; en zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf en geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn.

4. Onverminderd het bepaalde in artikel 2:57, eerste lid, aanhef en onder c, dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien

18

hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn van een door de minister die het aangaat op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is.

te zijn van een door de minister die het aangaat op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is.

Toelichting In het eerste lid is het woordje “het” vervangen door “hij”. Artikel 2:64 wordt als volgt gewijzigd Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 2:64 Bijen

Artikel 2:64 Bijen

1. Het is verboden bijen te houden:

1. Het is verboden bijen te houden:

a. binnen een afstand van 30 meter van

a. binnen een afstand van 30 meter van

b.

woningen of andere gebouwen waar overdag mensen verblijven; binnen een afstand van 30 meter van de weg.

woningen of andere gebouwen waar overdag mensen verblijven;

b. binnen een afstand van 30 meter van de weg.

2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet indien op een afstand van ten hoogste zes meter vanaf de korven of kasten een afscheiding is aangebracht van twee meter hoogte of zoveel hoger als noodzakelijk is om het laag uit- en invliegen van de bijen te voorkomen.

2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet indien op een afstand van ten hoogste zes meter vanaf de korven of kasten een afscheiding is aangebracht van twee meter hoogte of zoveel hoger als noodzakelijk is om het laag uit- en invliegen van de bijen te voorkomen.

3. Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder a, is niet van toepassing voor de bijenhouder die rechthebbende is op de woningen of gebouwen als bedoeld in dat lid.

3. Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder a, is niet van toepassing voor de bijenhouder die rechthebbende is op de woningen of gebouwen als bedoeld in dat lid.

4. Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Provinciaal wegenreglement Zuid-Holland.

4. Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Omgevingsverordening Zuid-Holland.

5. Het college kan van het verbod in het eerste lid ontheffing verlenen.

5. Het college kan van het verbod in het eerste lid ontheffing verlenen.

6. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

6. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

19

Toelichting In het vierde lid is het Provinciaal wegenreglement Zuid-Holland gewijzigd in Omgevingsverordening Zuid-Holland. Artikel 2:68 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 2:68 Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht

Artikel 2:68 Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht

De handelaar of een voor hem handelend De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht: persoon is verplicht: a. de burgemeester binnen drie dagen 1. de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen: schriftelijk in kennis te stellen: i. dat hij het beroep van handelaar a. dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van zijn uitoefent met vermelding van zijn woonadres en het adres van de bij zijn woonadres en het adres van de bij zijn onderneming behorende vestiging; onderneming behorende vestiging; ii. van een verandering van de onder a b. van een verandering van de onder 1 sub sub 1, bedoelde adressen; a, bedoelde adressen; iii. dat hij het beroep van handelaar niet c. dat hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent; langer uitoefent; iv. dat hij enig goed kan verkrijgen dat d. dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig afkomstig is of voor de rechthebbende is of voor de rechthebbende verloren is verloren is gegaan. gegaan. b. de burgemeester of een daartoe door de 2. de burgemeester of een daartoe door de burgemeester aangewezen ambtenaar op burgemeester aangewezen ambtenaar op eerste aanvraag zijn administratie of eerste aanvraag zijn administratie of register ter inzage te geven; register ter inzage te geven; c.

aan de hoofdingang van elke vestiging een 3. aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben waarop zijn naam en kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn; zichtbaar zijn; d. een door opkoop verkregen goed 4. een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie dagen in gedurende de eerste drie dagen in bewaring te houden in de staat waarin het bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen is. goed verkregen is.

Toelichting De nummering van dit artikel is aangepast zodat het beter leesbaar is en in lijn met de nummering van andere APV-artikelen. Artikel 2:70 is vervallen Bestaande tekst

Nieuwe tekst

--

Artikel 2:70 Handel in horecabedrijven (Vervallen)

20

Toelichting Dit artikel is ooit vervallen in de model-APV. In de huidige APV is het artikel dan ook niet genoemd. Om de nummering door te kunnen laten lopen wordt artikel 2:70 wel weer opgenomen, maar dan als vervallen. Artikel 2:72 komt te vervallen: Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 2:72 Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen

Artikel 2:72 Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen

Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden, zonder daartoe minimaal 4 weken van te voren een melding te doen aan het college.

(Vervallen)

Toelichting Artikel 2:72 komt te vervallen omdat het ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen inmiddels bij wet geregeld is (artikel 2.3.2 van het Vuurwerkbesluit). Artikel 2:73a wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 2:73a Verbod carbidschieten

Artikel 2:73a Verbod carbidschieten

1. Het is verboden acetyleengas afkomstig van een reactie tussen calciumacetylide (carbid) en water of gasmengsel met vergelijkbare eigenschappen op explosieve wijze te verbranden.

1. Het is verboden acetyleengas afkomstig van een reactie tussen calciumacetylide (carbid) en water of gasmengsel met vergelijkbare eigenschappen op explosieve wijze te verbranden.

2. Het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet wapens en munitie, de Wet milieugevaarlijke stoffen, de Wet vervoer gevaarlijke stoffen of het Wetboek van Strafrecht.

2. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod op 31 december van 10.00 uur tot 18.00 uur. 3. De burgemeester kan nadere regels stellen omtrent de aan te wijzen locatie en het gebruik van carbid. 4. Het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet wapens en munitie, de Wet vervoer gevaarlijke stoffen of het Wetboek van Strafrecht.

Toelichting:

21

Lid 2 is tussengevoegd om toch de mogelijkheid te kunnen bieden om met carbid te schieten. Lid 3 geeft de burgemeester de mogelijkheid om nadere regels te stellen om het gebruik van carbid op locatie te reguleren. Artikel 2:79 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 2:79 Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet

Artikel 2:79 Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet

1. Degene die een woning of een bij die woning 1. Degene die een woning of een bij die behorend erf gebruikt of tegen betaling in woning behorend erf gebruikt, of tegen betaling in gebruik geeft aan een persoon gebruik geeft, draagt er zorg voor dat door die niet als ingezetene met een adres gedragingen in of vanuit die woning of dat in de gemeente in de basisregistratie erf of in de onmiddellijke nabijheid van die personen is ingeschreven, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf geen ernstige en woning of dat erf of in de onmiddellijke herhaaldelijke hinder voor omwonenden nabijheid van die woning of dat erf geen wordt veroorzaakt. ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt. 2. De burgemeester kan een last onder bestuursdwang wegens overtreding van het 2. De burgemeester kan een last onder eerste lid in ieder geval opleggen bij ernstige bestuursdwang wegens overtreding van het en herhaaldelijke: eerste lid in ieder geval opleggen bij ernstige en herhaaldelijke: a. geluid- of geurhinder; b. (geluid)hinder van dieren; a. geluid- of geurhinder; c. hinder van bezoekers of personen die b. (geluid)hinder van dieren; tijdelijk in een woning of op een erf c. hinder van bezoekers of personen die aanwezig zijn: tijdelijk in een woning of op een erf d.

overlast door vervuiling of verwaarlozing aanwezig zijn: van een woning of een erf; d. overlast door vervuiling of e. intimidatie van derden vanuit een verwaarlozing van een woning of een erf; woning of een erf. e. intimidatie van derden vanuit een woning of een erf.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.hillegom.nl/api/v1/meetings/1437/documents/17626