1. GoFlo Weeresteinstraat Hillegom 20241028.pdf
Tekst van het document
Het groenbeleidsplan gaat over: openbaar groen: bomen, heesters, hagen, gras en alles wat daarmee samenhangt; groen in de openbare ruimte; dus wat publiek eigendom is; groen op particulier terrein, voor zover dat voor het beeld van de openbare ruimte en de gemeenschap waardevol is (waardevolle bomen); het groen binnen en buiten de bebouwde kom; het bestaande groen en het te ontwikkelen groen. Ruimtelijke kwaliteit wordt gecreëerd door de groenstructuur verder uit te bouwen. Het openbare groen bestaat meer uit een eenheid, in plaats van in kleine snippers. Planspecifiek Groen wordt gezien als een belangrijke bouwsteen in het ontwikkelen van de ruimtelijke kwaliteit. De gemeente Hillegom wil voldoende groen dat bereikbaar en bruikbaar is. In het groenbeleidsplan zijn de wijken in Hillegom ingedeeld in relatie tot een groennorm. Er is nu niet tot nauwelijks groen aanwezig. Het plangebied bevindt zich in een grijze wijk met minder dan 50 m² groen per woning. Binnen het plangebied wordt de openbare ruimte met zoveel mogelijk groen ingericht. Met de herontwikkeling van het gebied wordt voldaan aan de groennorm. 3.5.4 Doelgroepenverordening woningbouw gemeente Hillegom De raad van de gemeente Hillegom heeft op 27 januari 2022 de Doelgroepenverordening woningbouw gemeente Hillegom vastgesteld.
In deze verordening zijn de sociale huurwoning, de sociale koopwoning en de middeldure huurwoning opgenomen. De maximale koopprijs voor sociale koopwoningen en de maximale aanvangshuurprijs voor middeldure huurwoningen en de huurverhoging (op basis van indexatie) wordt hiermee vastgelegd binnen de wettelijke kaders die hiervoor gelden. Ook regelt de verordening dat deze woonsegmenten gedurende een bepaalde periode als zodanig beschikbaar moeten blijven. Dit zijn de zogenaamde instandhoudingstermijnen. Planspecifiek Voor dit plan heeft de doelgroepenverordening tot gevolg dat de instandhouding van sociale huurwoningen langdurig juridisch zijn vastgelegd. 3.5.5 Welstandsnota 2016 De gemeente Hillegom heeft sinds 2004 een welstandsnota zoals aangegeven in de Woningwet. Met de herziening van 2016 heeft de gemeente het welstandsbeleid geactualiseerd en vereenvoudigd. De Welstandsnota 2016 bevatten de criteria die de gemeente hanteert bij de beoordeling van plannen. Het doel van het welstandsbeleid is het welstandstoezicht helder onder woorden te brengen en op een effectieve en controleerbare wijze in te richten. Het is van belang om aanvragers door middel van de welstandsnota van tevoren op de hoogte te stellen van de aspecten die een rol spelen bij de welstandsbeoordeling.
Tevens geeft het welstandsbeleid de gemeente de mogelijkheid om cultuurhistorische, stedenbouwkundige en architectonische waarden een rol te geven bij de ontwikkeling en beoordeling van bouwplannen.
DNS Planvorming BV
22/39
Beleid
Planspecifiek Uit het raadplegen van de niveaukaart van de welstandsnota van de gemeente Hillegom blijkt dat het welstandsniveau voor het plangebied 'minimaal' is. De meeste bebouwing binnen de gemeente beschikt over dit niveau. Bouwplannen in gebieden met een minimaal welstandsniveau doen in principe geen afbreuk aan de basiskwaliteit van de openbare ruimte. Voor woongebieden geldt een minimaal welstandsbeleid, waarbij de criteria alleen worden gebruikt om bouwwerken te toetsen. De beoordeling vindt plaats aan de hand van de volgende criteria: gebouwen maken deel uit van een stedenbouwkundig patroon en zijn met de voorgevel gericht op de belangrijkste openbare ruimte; de bouwmassa is afgestemd op de samenhang in rij of bouwblok, waarbij uitbreidingen zijn vormgeven als ondergeschikt element; de architectonische uitwerking en detaillering zijn eenvoudig maar degelijk met aandacht voor herhaling bij rijen en blokken, waarbij wijzigingen en toevoegingen in stijl en afwerking zijn afgestemd op het hoofdvolume en de rij of het cluster; materialen zijn degelijk en kleuren terughoudend afgestemd op de rij of het cluster; vrijstaande woningen en gebouwen met bijzondere functies harmoniëren met het karakter van het gebied en kunnen afhankelijk van hun ligging afwijken van de gebruikelijke massa, opbouw, vorm en uitwerking.
3.6
Conclusie beleidskader
Op basis van voorgaande paragrafen wordt geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling passend is binnen de beleidskaders op Rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk niveau en voldoet aan de instructieregels van Rijk en provincie.
DNS Planvorming BV
23/39
Fysieke leefomgeving
4
Fysieke leefomgeving
In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De aspecten sluiten aan op en dekken de onderdelen zoals genoemd in artikel 1.2 Omgevingswet. De beschrijving is per aspect in een aparte paragraaf opgenomen. De gemeente kan omgevingswaarden vaststellen in het omgevingsplan. Het moet dan gaan om omgevingswaarden die het gemeentebestuur kan beïnvloeden of beheersen door de inzet van beleidsinstrumenten, zoals voor geur of geluid. Door de gemeente Hillegom zijn nog geen omgevingswaarden in het omgevingsplan vastgesteld.
4.1
Cultureel erfgoed, landschap en stedenbouw
Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Betekenis voor het project Met de voorgenomen woningbouw worden geen cultuurhistorische waarden aangetast. Uit het raadplegen van de archeologische beleidskaart blijkt dat voor de gronden van de planlocatie een hoge archeologische verwachting geldt. Voor deze hoge verwachtingswaarde geldt dat bij bodemingrepen met een oppervlakte van 250 m² en een diepte van 30 cm of meer een archeologisch onderzoek uitgevoerd moet worden. Omdat met het voorliggende plan deze verstoringsnorm wordt overschreden, is archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd1.
Uit het bureauonderzoek blijkt dat het plangebied is gelegen op een strandwal dat aan het einde van het LaatNeolithicum is ontstaan. Sindsdien vormt het een geschikte vestigingslocatie voor de mens. Getuigen hiervan is de vondst van een nederzetting uit de Late-Bronstijd tot Vroege-IJzertijd. Binnen het plangebied is er in de Nieuwe tijd bloembollen geteeld, waarbij de bodemopbouw mogelijk tot diep is verstoord en/of is afgegraven. Hiermee kunnen de archeologische waarden uit het Late-Neolithicum tot en met de Middeleeuwen verloren zijn gegaan. Daarom geldt er voor deze perioden een middelhoge tot lage archeologische verwachting. Vanaf het begin van de 17e eeuw lag er mogelijk in het oostelijke deel van het plangebied, het westelijke deel van een historisch erf. In de tweede helft van de 20e eeuw is dit deel verstoord door de aanleg een watergang en de latere bebouwing. Omdat er mogelijk nog archeologische resten uit de Nieuwe tijd aanwezig kunnen zijn binnen dit deel van het plangebied geldt hier een hoge archeologische waarden voor de Nieuwe tijd. Daarom is aansluitend een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek uitgevoerd. Uit het verkennend booronderzoek is gebleken dat de duinen in een deel van het plangebied zijn afgegraven tot op een niveau dat de verwachting voor de periode Neolithicum – Middeleeuwen laag is. In het
1
Archeologisch vooronderzoek Weeresteinstraat 164 in Hillegom, Econsultancy, 1 mei 2024
DNS Planvorming BV
24/39
Fysieke leefomgeving
grootste deel van het plangebied is dit niveau nog geheel of gedeeltelijk intact en blijft de middelhoge verwachting bestaan. Dit niveau ligt tussen -0,45 en -1.75 m NAP (70 tot 200 cm -mv) wordt mogelijk door de voorgenomen werkzaamheden aangetast. Een deel van het plangebied heeft ook een hoge verwachting voor bewoningssporen uit de Nieuwe tijd, die samenhangen met het erf dat hier heeft gelegen. Deze resten worden in het antropogene eerddek verwacht, direct onder de verharding of een recent opgebracht zandpakket. Dit niveau wordt sowieso door de voorgenomen werkzaamheden aangetast. In het licht van de archeologische verwachting zullen de delen van het terrein met een middelhoge tot hoge archeologische verwachting nader worden onderzocht om vast te stellen of er nog archeologische waarden aanwezig zijn. Omdat de locatie nu vrijwel geheel bebouwd is, kan dit onderzoek het best tijdens en na de sloop van de bebouwing worden uitgevoerd. Ter plaatse van het historische erf zal een archeologische begeleiding (protocol opgraven) van de sloopwerkzaamheden van de ondergrondse delen van de bebouwing worden uitgevoerd.
4.2
Bodemkwaliteit
Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang; beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en -aantastingen. Betekenis voor het project Voor het plangebied is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd2. Met dit onderzoek is inzicht verkregen in de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem. In verband met aangetroffen sterk verhoogde gehalten aan minerale olie is een nader onderzoek uitgevoerd. Gezien de resultaten van het uitgevoerde bodemonderzoek is geen aanvullend of nader onderzoek noodzakelijk.
De gehanteerde onderzoekstrategie geeft een duidelijk beeld van de kwaliteit van de boven - en ondergrond inclusief het grondwater. De onderzoeksresultaten vormen geen belemmeringen voor het bouwplan. Middels het nader bodemonderzoek is de aard en omvang van de sterk verhoogde gehalten aan minerale olie in de grond vastgesteld. Deze locatie dient middels sanering geschikt te worden gemaakt voor de voorgenomen functie.
4.3
Water
Het wettelijk kader is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Het wettelijk kader is afhankelijk van zowel gemeentelijk beleid als het beleid van het waterschap. In het kader van de watertoets wordt over het plan advies gevraagd bij de betrokken waterbeheerder. Hoe met dit advies is omgegaan wordt in deze paragraaf toegelicht. Indien het advies niet wordt opgevolgd, dient de afwijking daarvan gemotiveerd te worden. 2
Verkennend bodem-, asbest en verhardingsonderzoek en nader bodemonderzoek, Adverbo, 1 mei 2024
DNS Planvorming BV
25/39
Fysieke leefomgeving
Betekenis voor het plan Voor het plan wordt advies aangevraagd bij het Hoogheemraadschap van Rijnland. Waterkwantiteit Het projectgebied is in de huidige situatie vrijwel volledig verhard en bebouwd. Als gevolg van het bouwplan vindt een afname aan verharding plaats en wordt groen toegevoegd. Watercompensatie is niet aan de orde. De ligging op de strandwal geeft een goede grondslag voor infiltratie van hemelwater (bodem en water sturend). In het kader van piekbuibestendigheid is een IT-systeem met wadi voorzien waarbij hemelwater kan worden opgevangen, kan infiltreren in de bodem en vertraagd kan worden afgevoerd. Waterkwaliteit en riolering Hemelwater wordt afgevoerd naar het oppervlaktewater en afgekoppeld van het afvalwater. Dit komt overeen met de basisdoelstelling van het hoogheemraadschap om het hemelwater van nieuwe oppervlakken zoveel mogelijk te scheiden van het afvalwater. Voorwaarde is wel dat het hemelwater als schoon kan worden beschouwd. Dit is hier het geval.
4.4
Natuur
In de natuurwetgeving worden gebiedsbescherming en soortenbescherming onderscheiden. Beide beschermingsregimes zijn van belang voor de ontwikkelingsmogelijkheden van een gebied. Betekenis voor het project Voor de voorgenomen ontwikkeling is een ecologische quickscan3 en een onderzoek naar stikstofdepositie4 uitgevoerd. De resultaten zijn hieronder toegelicht. Betekenis voor het project Gebiedsbescherming Het plangebied ligt op ruim 2 kilometer afstand van het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied Kennemerland-Zuid. Gezien de grote afstand, afscherming door groengebieden/stedelijk gebieden en de aard van de uit te voeren werkzaamheden worden op voorhand geen directe negatieve gevolgen verwacht van de plannen zoals licht, geluid of optische verstoring. Er hoeft geen nadere toetsing uitgevoerd te worden. Er zijn stikstofberekeningen met het programma Aerius uitgevoerd. Uit deze berekeningen volgt dat de maximale projectbijdrage in de gebruiksfase 0,00 mol/ha/jaar bedraagt op de meest dichtbijgelegen stikstofgevoelige habitattypen. In de aanlegfase is de bijdrage 0,01 mol/ha/jaar. Met toepassing van interne saldering blijkt dat de projectbijdrage ook in de aanlegfase 0,00 mol/ha/jaar bedraagt.
De stikstofdepositie die uitvoering van de plannen zal veroorzaken vormt een zodanig gering percentage van de kritische depositiewaarde van de meest kritische ter plaatse voorkomende stikstofgevoelige habitattypen, dat er ecologisch gezien geen zichtbare of meetbare effecten zullen optreden en er zeker geen sprake is van significante gevolgen waardoor de instandhoudingsdoelstellingen van de betrokken Natura 2000-gebieden in gevaar zouden kunnen komen. Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing of in de directe omgeving van het Natuurnetwerk Nederland of beschermd weidevogelleefgebied. Gezien de aard van de plannen, de reikwijdte
3 4
Quickscan flora en fauna Weeresteinstraat 156 te Hillegom, Van der Goes en Groot BV, 24 april 2024 Onderzoek stikstofdepositie Weeresteinstraat 156 te Hillegom, Van der Goes en Groot BV, 25 juni 2024
DNS Planvorming BV
26/39
Fysieke leefomgeving
daarvan en de locatie van het plangebied ten opzichte van beschermde gebieden, worden geen negatieve effecten op beschermde natuurgebieden verwacht. Soortenbescherming Uit het onderzoek naar soortenbescherming volgen de volgende conclusies: Het plangebied is in potentie geschikt voor beschermde soorten amfibieën, vogels, grondgebonden zoogdieren en vleermuizen. Gezien de uitgevoerde toetsing, kunnen van de amfibieën en grondgebonden zoogdieren alleen vrijgestelde soorten verblijvend aanwezig zijn. Voor deze aangetroffen of verwachte vrijgestelde soorten hoeft geen vergunning te worden aangevraagd als werkzaamheden worden verricht in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting, zoals het besproken plan. Teneinde de vestiging van overwinterende Rugstreeppadden in het plangebied te voorkomen, dienen opgeslagen zandhopen te worden verwijderd voorafgaand aan het overwinteringsseizoen van de Rugstreeppad of te worden afgeschermd met folie of een zogenaamd ‘amfibieënscherm’. In het plangebied kunnen broedvogels met niet-jaarrond beschermde nesten voorkomen. Voor de verwachte aanwezige broedvogels dienen werkzaamheden waarbij nesten vernield of verstoord kunnen worden, buiten het broedseizoen plaats te vinden. Een vergunning is voor broedvogels dan niet nodig. Het broedseizoen loopt grofweg van half maart tot half juli.
Voor het mogelijk incidentele terreingebruik van het plangebied door overige vogels met jaarrond beschermde nesten (Huismus, Sperwer en Ransuil), wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter leefgebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. Het plangebied biedt geen essentieel leefgebied voor deze soorten en ze kunnen gemakkelijk uitwijken. In het plangebied kunnen verblijvende vleermuizen voorkomen. Omdat negatieve effecten door de werkzaamheden niet uit te sluiten zijn, is vervolgonderzoek naar voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van vleermuizen uitgevoerd5. In het plangebied zijn alleen overvliegende en foeragerende vleermuizen waargenomen. Verblijfplaatsen van vleermuizen konden niet worden vastgesteld in het plangebied. Rondvliegende vleermuizen met sociale geluiden vertoonden geen gebouw gebonden activiteit en konden niet aan aanwezige bebouwing worden gekoppeld. Vanwege het ontbreken van verblijfplaatsen van vleermuizen en/of andere beschermde gebruiksfuncties die in betekenende mate worden aangetast, is het niet nodig een vergunning aan te vragen in het kader van Omgevingswet.
Voor de mogelijk aanwezige foeragerende vleermuizen in het plangebied wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter foerageergebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. De vleermuizen kunnen derhalve gemakkelijk tijdelijk uitwijken.
4.5
Bedrijven en milieuzonering
De Omgevingswet en het omgevingsbeleid stelt zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen anderzijds. De doelen van milieuzonering zijn: Het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; Het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. 5
Weeresteinstraat 156 te Hilegom – Inventarisatie beschermde soorten in het kader van de natuurwetgeving, Van der Goes en Groot BV, 25 oktober 2024
DNS Planvorming BV
27/39
Fysieke leefomgeving
Betekenis voor het project Er is een quickscan uitgevoerd naar mogelijke belemmeringen op het gebied van milieuzonering6. Woningen zijn gevoelige functies. De VNG-brochure geeft indicatieve afstanden tussen bedrijven/functies en woningen met betrekking tot de aanvaardbaarheid van een plan vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening. Deze afstanden worden gemeten vanaf de grens van het bedrijfsperceel tot de gevel van de woning. Er is sprake van het omgevingstype ‘rustig woongebied’. Voor de omliggende gronden van het tijdelijke omgevingsplan gelden voor de gronden in de omgeving van het plangebied verschillende bestemmingsplannen. Hieronder wordt een toelichting gegeven op de gebruiksmogelijkheden binnen deze bestemmingsplannen op de betreffende percelen. Weeresteinstraat 160 Voor de locatie Weeresteinstraat 160 geldt de bestemming ‘Bedrijventerrein’ met de functieaanduiding ‘bedrijf tot en met categorie 3.1’. Deze bestemming geldt ook voor de onbebouwde gronden ten zuiden en oosten van het woonperceel die thans in gebruik zijn als parkeerterrein. Voor de aanwezige woning geldt de aanduiding ‘bedrijfswoning’ met bouwvlak. De vestiging van een nieuwe categorie 3.1 bedrijf op de betreffende gronden is het gelet op het ontbreken van een bouwvlak voor bedrijfsbebouwing niet reëel. De bestemming vormt geen belemmering voor het woningbouwplan.
In onderstaande tabel is aangegeven welke bedrijven in de omgeving gevestigd zijn en welke richtafstanden hierbij horen. Nr
Bedrijf
Bedrijfsactiviteiten
1.
Lommerse Uitendaal (Weeresteinstraat 220) Weeresteinstraat 164 Istrac BV / Carsales Hillegom (Weeresteinstraat 212) Feretti Cars (Weeresteinstraat 214) Patrimoniumstraat 2 t/m 8
Bloembollenbewaring en -verpakking
Van Varik European Truck & Trailer Care BV
2. 2.
3.
4.
5.
Categorie en richtafstand 3.1 – 50 m
Maatgevende omgevingsaspect
Parkeerterrein
-
-
Autohandel en reparatie
2 - 30 m
Geluid: 30m Gevaar: 10m
Autohandel en reparatie
2 - 30 m
Geluid: 30m Gevaar: 10m
Onbekend
3.1 – 50m
Geluid: 50 m Gevaar: 10 m
Horst ten Daallaan 3A1
3.2 – 100m
Geluid: 100 m Gevaar: 10 m
Geluid: 50 m Gevaar: 30 m
Aan de noordzijde van het plangebied zijn er geen bedrijven aanwezig die een goed woon- en leefklimaat in de weg staan. De woningbouw is hier voorzien buiten de richtafstanden van Lommerse UItendaal en Ferettic Cars. Wel is woningbouw voorzien binnen de richtafstand van Istrac B.V. ter plaatse van Weeresteinstraat 212/214. Echter, er bevinden zich al woningen op kortere afstand van dit bedrijf. Hiervan zijn geen klachten bekend in het bedrijfsinformatiesysteem van de Omgevingsdienst. Doordat er al woningen op kortere afstand van dit bedrijf staan, is geen sprake van een belemmering in de bedrijfsactiviteiten als gevolg van dit plan. Dit geldt ook voor de bedrijven Lommerse UItendaal en Ferettic Cars. 6
Quickscan milieuzonering Weeresteinstraat Hillegom, DNS Planvorming BV, 22 juli 2024
DNS Planvorming BV
28/39
Fysieke leefomgeving
Aan de zuidzijde zijn op het adres Patrimoniumstraat 2 t/m 8 bedrijfsactiviteiten tot en met categorie 3.1 toegestaan. De richtafstand van 30 meter reikt tot binnen het plangebied waar woningbouw is voorzien. Er zijn hier echter geen bedrijven aanwezig waar een richtafstand voor geldt. Voor het bedrijf Van Varik European Truck & Trailer Care BV (Horst ten Daallaan 3a1) geldt een richtafstand van 100 meter. De richtafstand reikt tot binnen het plangebied waar woningbouw is voorzien. Het bedrijf wordt al beperkt door bestaande woningen die op korte afstand aanwezig zijn. Door middel van akoestisch onderzoek zijn de geluidniveaus door de locaties Patrimoniumstraat 2-8, Patrimoniumstraat 10 en Horst ten Daallaan 3a1 ter plaatse van de beoogde woningbouw aan de Weeresteinstraat 164 te Hillegom berekend. De resultaten zijn beschreven in paragraaf 4.6.
4.6
Geluid
Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. Het Bkl bevat geluidsregels die via het omgevingsplan zullen gelden voor individuele bedrijven die geluid voortbrengen. Voor de andere belangrijke geluidsbronnen zoals industrieterreinen, wegen en spoorwegen worden via de Aanvullingswet geluid en het Aanvullingsbesluit geluid regels toegevoegd aan de Omgevingswet en het Bkl. De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van spoorwegen of industrieterreinen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een geluidsbron. Betekenis voor het project Wegverkeer Het woningbouwplan is geprojecteerd binnen het geluidaandachtsgebied van de N208 (Weeresteinstraat). Door middel van akoestisch onderzoek is de geluidbelasting op de nieuw te bouwen woningen ten gevolge van het wegverkeer bepaald7. Uit de berekeningen blijkt dat de standaardwaarde van 53 dB op het woningbouwplan ter plaatse van blok 1, 3, 4 en 5 met 1 tot 13 dB overschreden. Ter plaatse van blok 2 wordt voldaan aan de standaardwaarde. De grenswaarde van 70 dB wordt nergens overschreden. De blokken zijn allen voorzien van één of meer geluidluwe gevels.
Maatregelen bij de bron zijn niet doelmatig en ontmoeten overwegende bezwaren van financiële aard. Afschermende maatregelen zijn niet doelmatig en ontmoeten overwegende bezwaren van stedenbouwkundige en financiële aard. Er dienen aanvullende gevelmaatregelen te worden aangebracht. Op grond van het gemeentelijk geluidbeleid wordt voor blok 1 akoestische compensatie toegepast in de vorm van extra geluidwering van de gevel (3 dB strenger dan Bbl voorschrijft) en extra lucht- en contactgeluidisolatie (3 dB strenger dan Bbl voorschrijft). Door de realisatie van extra geluidwering is er bij blok 1 sprake van een gezonde fysieke leefomgeving. Met betrekking tot indirecte effecten bedraagt de toename van de geluidbelasting op de bestaande woningen maximaal 0,12 dB. Dit is verwaarloosbaar. Geconcludeerd kan worden dat de geluidtoename als gevolg van het woningbouwplan minder bedraagt dan 1,5 dB bedraagt. Er hoeft dan ook niet verder te worden gekeken naar mogelijke maatregelen. Industrielawaai
7
Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Woningbouwproject Lommerse Uitendaal Zuid Locatie Weeresteinstraat 164 Hillegom, ASP Akoestisch Adviesburo, 24 april 2024
DNS Planvorming BV
29/39
Fysieke leefomgeving
Omdat in de directe omgeving van het plangebied verschillende bedrijven en bedrijfsbestemmingen aanwezig zijn, is akoestisch onderzoek uitgevoerd naar industrielawaai8. In dit onderzoek zijn de geluidniveaus door de locaties Patrimoniumstraat 2-8, Patrimoniumstraat 10 en Horst ten Daallaan 3a1 ter plaatse van de beoogde woningbouw aan de Weeresteinstraat 164 te Hillegom berekend. In het onderzoek is beoordeeld of met het realiseren van het beoogde woningbouwplan sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Daarbij spelen de volgende onderzoeksvragen: Vormt het woningbouwplan een belemmering voor nabijgelegen bedrijven? Is ter plaatse van de beoogde woningbouw sprake van een aanvaardbaar woon- enleefklimaat? Belemmering bedrijven in de omgeving Uit de rekenresultaten blijkt dat ter plaatse van de beoogde woningbouw niet overal aan de geluidwaarden uit het Omgevingsplan van de gemeente Hillegom kan worden voldaan (maximale geluidniveaus). Daarbij geldt wel dat ter plaatse van de bestaande woningen in de omgeving aan het Patrimoniumplein en aan de Talmastraat eveneens overschrijdingen worden berekend. De berekende waarden zijn hier vaak vergelijkbaar of liggen zelfs hoger dan de waarden ter plaatse van de beoogde woningbouw.
Daarnaast wordt ter plaatse van de beoogde woningbouw geen onaanvaardbare hinder verwacht vanwege het feit dat de meest geluidrelevante activiteit (vertrekkende vrachtwagens in de avond- en nachtperiode) slechts incidenteel voor zullen komen. In overleg met het bevoegd gezag wordt het mogelijk geacht om een waarde van 65 dB(A) vanwege maximale geluidniveaus door de incidentele vrachtwagens in de nachtperiode toe te staan. Hiervoor zal een hogere grenswaarde worden aangevraagd. Tot slot zal ter plaatse van de beoogde woningbouw (blok 4 en 5) rekening gehouden worden met de volgende bouwkundige maatregelen: De kopgevels (zuidgevels) worden uitgevoerd als zijnde een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen (geen te openen delen). De oostgevels van woonblok 4 én de westgevels van woonblok 5 worden, wanneer sprake is van een verblijfsruimte of verblijfsgebied, uitgevoerd zonder te openen delen en worden daarmee aangemerkt als ‘niet-geluidgevoelige gevels met bouwkundige maatregelen’. Toetsing aan de geluidwaarden uit het Omgevingsplan kan op deze gevel achterwegen blijven. Het spuien van slaapkamers (verdieping) zal worden gerealiseerd door middel van ventilatieroosters met een voldoende gevelwering om een aanvaardbaar binnenniveau te kunnen waarborgen (bijvoorbeeld Duco Corto 25 ZR).
Geconcludeerd wordt dat de beoogde woningbouw, inclusief de te treffen bouwkundige maatregelen in combinatie met het aanvragen van een hogere grenswaarde in de nachtperiode, geen onevenredige belemmering vormt voor bedrijven in de omgeving. Woon- en leefklimaat De meeste geluidrelevante activiteiten, welke de hoogste geluidbelastingen veroorzaken, zullen over het algemeen alleen voorkomen in de dagperiode. In de avond- en nachtperiode zullen deze activiteiten een zeer lage frequentie hebben waardoor onaanvaardbare hinder niet wordt verwacht. Door middel van het toepassen van bouwkundige maatregelen en een voldoende gevelwering kan ten minste een aanvaardbaar binnenniveau worden gewaarborgd. De exact benodigde gevelwering per beoordelingspunt zal nader worden uitgewerkt. Daarbij wordt zowel rekening gehouden met de cumulatieve geluidbelasting (industrie + wegverkeer) en de maximale geluidniveaus (industrie).
8
Akoestisch onderzoek industrielawaai, De Roever omgevingsadvies, 21 oktober 2024
DNS Planvorming BV
30/39
Fysieke leefomgeving
4.7
Verkeer en parkeren
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect verkeer en parkeren. Betekenis voor het project Verkeer De woningen worden aan de noordzijde via een nieuwe straat op de Weeresteinstraat ontsloten en aan de zuidzijde via de Patrimoniumstraat ontsloten op de Weeresteinstraat. Uitgaande van 8 verkeersbewegingen per woning (worst-case) bedraagt de verkeersgeneratie circa 440 motorvoertuigbewegingen. De Patrimoniumstraat en Weeresteinstraat hebben voldoende restcapaciteit om dit verkeer goed te verwerken. Er wordt voldaan aan de eis van minimaal twee ontsluitingen. Hierbij geldt dat de noordelijke ontsluiting alleen gericht is op langzaam verkeer (en nood/hulpdiensten). Ook wordt er een langzaam verkeerverbinding naar het Sizo terrein gerealiseerd. Parkeren In 2017 is het Parapluplan Parkeren vastgesteld. Daarin is aangegeven dat een omgevingsvergunning voor het bouwen van een gebouw slechts wordt verleend, indien is aangetoond dat wordt of zal worden voldaan aan het gemeentelijke parkeerbeleid. In het geldende parkeerbeleid, Nota Parkeernormen 2023 valt het plangebied binnen 'matig stedelijk gebied' en 'rest bebouwde kom'. Hieronder zijn de resultaten van het uitgevoerd parkeeronderzoek9 beschreven.
Parkeervraag Aan de hand van de Nota Parkeernormen 2023 van de gemeente Hillegom is het aantal benodigde parkeerplaatsen bepaald. Volgens het parkeerbeleid van de gemeente is het plangebied gelegen in het gebied 'overig Hillegom'. In de navolgende tabel zijn de relevante parkeernormen opgenomen.
De parkeervraag is bepaald op basis van onderstaand woningbouwprogramma. Dit leidt in een situatie zonder dubbelgebruik tot een parkeervraag van 75 parkeerplaatsen.
Conform gemeentelijk beleid wordt bij de ontwikkeling rekening gehouden met de aanwezigheidspercentages van de verschillende doelgroepen. Dit betekent dat eenzelfde parkeerplaats 9
Parkeeronderbouwing Weeresteinstraat 164 te Hillegom, Goudappel, 11 oktober 2024
DNS Planvorming BV
31/39
Fysieke leefomgeving
door verschillende doelgroepen gebruikt kan worden. Aanwezigheidspercentages kunnen alleen toegepast worden, wanneer de te realiseren parkeerplaatsen toegankelijk zijn en blijven voor de verschillende beoogde doelgroepen. Dit is hier het geval. Bewoners krijgen geen eigen parkeerplaatsen toegewezen en bewoners en bezoekers maken gebruik van dezelfde parkeerplaatsen. Conform gemeentelijk beleid is de toepassing van aanwezigheidspercentages ook mogelijk bij woonfuncties. De te hanteren aanwezigheidspercentages zijn in onderstaande tabel weergegeven.
Wanneer dubbelgebruik wordt toegepast bedraagt de parkeerbehoefte op het maatgevende moment (werkdagavond) 66 parkeerplaatsen.
Parkeeraanbod Op eigen terrein zijn in totaal 69 parkeerplaatsen beschikbaar (zie afbeelding 2.1 in paragraaf 2.2). Van deze parkeerplaatsen zijn er twee bestemd voor bestaande bewoners (van enkele woningen aan de Weeresteinstraat) en 3 parkeerplaatsen zijn gelegen op privéterrein op een oprit. Parkeerplaatsen op een oprit tellen niet volledig mee in de parkeercapaciteit, omdat deze in praktijk niet altijd als parkeerplaats gebruikt worden. In het gemeentelijk beleid is vastgelegd dat deze voor 80% meetellen. De overige 64 parkeerplaatsen zijn openbaar toegankelijk voor zowel bewoners als bezoekers en worden niet specifiek toegewezen. Parkeerbalans Uitgaande van het parkeeraanbod van 64 openbare parkeerplaatsen in het plangebied en 3 op eigen oprit (die voor 80% meetellen) worden binnen de planlocatie precies voldoende parkeerplaatsen gerealiseerd conform gemeentelijk parkeerbeleid. Conclusie Binnen het projectgebied worden totaal 69 parkeerplaatsen aangelegd. Daarvan zijn 64 parkeerplaatsen openbaar toegankelijk, 3 parkeerplaatsen liggen op eigen oprit (tellen mee voor 80%), en 2 parkeerplaatsen worden als privéplek toegewezen aan twee bestaande huishoudens die woonachtig zijn aan de Weeresteinstraat. Rekenkundig voorziet de ontwikkeling in 66,4 parkeerplaatsen voor de nieuwe woningen.
DNS Planvorming BV
32/39
Fysieke leefomgeving
De parkeerbehoefte op het maatgevend moment (een werkdagavond) van de nieuwe woningen bedraagt 66 parkeerplaatsen. Binnen het plangebied worden dus voldoende parkeerplaatsen aangelegd, en voldoet de ontwikkeling aan het gemeentelijk parkeerbeleid.
4.8
Luchtkwaliteit
De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Betekenis voor het project De voorgenomen ontwikkeling zal een beperkt effect hebben op de luchtkwaliteit ter plaatse. Met de voorgenomen ontwikkeling worden 55 woningen gerealiseerd. In de regeling NIBM is een aantal activiteiten, zoals projecten tot 1.500 woningen met één ontsluitingsweg (3.000 woningen met twee ontsluitingswegen) bij voorbaat aangemerkt als niet in betekende mate. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM niet noodzakelijk. Het project heeft 'niet in betekenende mate' invloed op de luchtkwaliteit ter plaatse.
In combinatie met de lage achtergrondwaarden in het gebied is luchtkwaliteit geen belemmering voor het voorgenomen plan.
4.9
Omgevingsveiligheid
De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving; Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving. Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. In het plan moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties.
Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Betekenis voor het project Het plangebied ligt niet binnen een aandachtsgebied voor omgevingsveiligheid. Uit specifiek onderzoek volgt dat dat er geen relevante risicobronnen zijn voor de ontwikkeling en verdere toetsing niet nodig is10. Doordat sprake is van voldoende afstand tot risico’s in de omgeving wordt 10
Notitie externe veiligheid Weeresteinstraat 164 Hillegom, Oostkracht10, 18 april 2024
DNS Planvorming BV
33/39
Fysieke leefomgeving
voldaan aan de grens- en standaardwaarde voor het plaatsgebonden risico en is verantwoording van het groepsrisico niet nodig. Het aspect omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen gebruikswijziging.
4.10
Duurzaamheid
Het belangrijkste doel uit het Klimaatakkoord is de CO2-uitstoot in 2030 met 49% verminderd ten opzichte van 1990. In 2050 is de uitstoot van broeikasgassen zelfs met 95% afgenomen. Om de klimaatdoelen voor 2030 te behalen moet het tempo van verduurzaming omhoog. Nederland in 2050 vrij van aardgas Op 7 december 2016 is de energieagenda gepubliceerd door minister Kamp. De agenda schetst het beleid na 2023 dat moet leiden tot een vrijwel CO2-neutrale economie in Nederland in 2050. De agenda beschrijft de overgang naar een gasloze maatschappij. Verwarming van huizen en kantoren zal worden overgenomen door duurzame energiebronnen en koken zal in de toekomst uitsluitend nog elektrisch gebeuren. De Wet Voortgang Energietransitie (Wet VET) schrijft voor dat nieuwbouw per 1 juli 2018 gasloos uitgevoerd dient te worden. Energie (BENG) De rijksoverheid stimuleert duurzaam bouwen vooral op het aspect energie. Sinds 1995 worden in het Bouwbesluit eisen gesteld ten aanzien van de energiezuinigheid van een gebouw. Tot 31 december 2020 wordt de energie-efficiëntie uitgedrukt in de Energie Prestatie Coëfficiënt (EPC). Hierbij werd gestreefd naar EPC = 0,0, waarbij een gebouw energieneutraal is. Vanaf 1 januari 2021 moeten alle gebouwen voldoen aan de eisen van Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). Die eisen vervangen de EPC en zijn dus ook van toepassing op het voorliggende initiatief.
De ambitie van de gemeente Hillegom is om in 2050 energieneutraal en klimaatneutraal te zijn. Energieneutraal betekent volgens de Lokale energiestrategie dat alle energie die binnen de gemeentegrenzen wordt verbruikt, wordt geproduceerd met hernieuwbare energiebronnen. De woningen worden gasloos en conform BENG gerealiseerd. MilieuPrestatie Gebouwen (MPG) De MilieuPrestatie Gebouwen (MPG) is een belangrijke maatstaf voor de duurzaamheid van een gebouw en is bij elke aanvraag voor een omgevingsvergunning verplicht. De MPG geeft aan wat de milieubelasting is van de materialen die in een gebouw worden toegepast. Het gaat hierbij om nieuwbouwwoningen en nieuwe kantoorgebouwen die groter zijn dan 100 m². Hoe lager de MPG, hoe duurzamer het materiaalgebruik. De gebruikte impact van de gebruikte materialen wordt in kaart gebracht aan de hand van productiewijze van de gebruikte bouwmaterialen, het transport, de levensduur van de materialen en de manier van afdanken. Vervolgens worden alle materialen bij elkaar opgeteld. Het resultaat van een dergelijke analyse wordt uitgedrukt in de zogenaamde ‘schaduwkosten’ van het materiaal. Hoe lager de schaduwkosten, hoe duurzamer het gekozen materiaaltype. Per 1 januari 2018 geldt een maximale totale schaduwprijs van 1,0€ / m² bvo.
Provinciaal energiebeleid Het provinciaal beleid is vastgelegd in de Provinciale Omgevingsvisie en de bijbehorende verordening. Het plangebied is gelegen binnen stedelijk gebied. Ten aanzien hiervan geldt dat de toelichting op een ruimtelijk plan een beschrijving bevat op welke wijze rekening is gehouden met energiebesparing en het toepassen van duurzame energiebronnen. Regionale Energiestrategie (RES 1.0) Op 17 mei 2021 heeft de gemeenteraad de Regionale Energiestrategie (RES 1.0) Holland Rijnland vastgesteld. In deze RES 1.0 beschrijven 13 regiogemeenten, 2 waterschappen en de provincie Zuid-Holland de ambities en keuzes om stapsgewijs energieneutraal in 2050 te zijn.
DNS Planvorming BV
34/39
Fysieke leefomgeving
GPR Gebouw Een meetinstrument voor duurzame ontwikkeling en het benutten van het besparingspotentieel is GPR Gebouw. GPR Gebouw is een manier om duurzaam bouwen te concretiseren en doet dit door een rapportcijfer te geven op vijf thema’s: Energie, Milieu, Gezondheid, Gebruikskwaliteit en Toekomstwaarde. Hierbij geldt, hoe hoger het cijfer, hoe duurzamer het gebouw. Door de GPR Gebouw in te vullen wordt meer nagedacht over duurzaamheid tijdens het ontwerpen en (ver)bouwen van gebouwen. GPR Gebouw kan ook gebruikt worden om bestaande woningen en gebouwen te verduurzamen. Na invoering van gegevens in GPR Gebouw betreffende de woningen worden prestaties zichtbaar op de thema’s Energie, Milieu, Gezondheid, Gebruikskwaliteit en Toekomstwaarde. Via een norm in het GPR-gebouw kan een strengere ambitie worden nagestreefd. Voor nieuwbouw is de normering van GPR-Gebouw vastgelegd in de gemeentelijke Omgevingsvisie. De betreffende GPR normering die geldt is DPG (milieu en energie), gezondheid en gebruikskwaliteit minimaal een 8 en toekomstwaarde minimaal een 7. Middels een nog op te stellen GPR berekening zal aangetoond worden of voldaan wordt aan deze ambitie van de gemeente Hillegom. Convenant Klimaatadaptief Bouwen Klimaatverandering heeft een grote maatschappelijke impact. Daarom is het van groot belang om klimaatadaptief te gaan bouwen.
Hierin zijn afspraken gemaakt om nieuwbouwlocaties, inclusief transformatie- en uitleggebieden, zo klimaatadaptief mogelijk te ontwikkelen. Er wordt gestreefd naar: 1. minder wateroverlast. 2. meer biodiversiteit. 3. minder hittestress. 4. minder langdurige droogte en minder nadelige gevolgen ervan;. 5. minder bodemdaling en minder nadelige gevolgen ervan. Om deze ambities waar te maken is het Programma van Eisen voor de klimaatadaptiviteit van nieuwe ontwikkelingen opgesteld. Het doel van het Programma van Eisen is het opstellen van praktische eisen die partijen in de provincie Zuid-Holland kunnen gebruiken om op korte termijn klimaatbestendig te ontwikkelen. Om eenvouding klimaat adaptief te bouwen wordt de navolgende website aan geraden te raadplegen t.b.v. de verdere planuitwerking https://bouwadaptief.nl/minimale-eisen/. Betekenis voor het project Volgens de Omgevingsverordening Zuid-Holland (paragraaf 3.3.2), dienen de risico's van klimaatverandering inzichtelijk gemaakt te worden. Wateroverlast Onder wateroverlast wordt verstaan, de overlast die optreedt als gevolg van (extreme) neerslag. De intensiteit en duur van de neerslag is een van de grootste factoren die invloed heeft op het risico van overlast. Daarnaast zijn de wijze en mate waarop verschillende oppervlakken het water opnemen of door laten stromen, de riolering en het oppervlaktewater belangrijke factoren.
Overstroming De kans op overstromingen is per locatie anders. Overstromingen vanuit rivieren, meren of zeeën kunnen voor grote overlast zorgen. Het is dan ook van belang dat de overstromingskans zo klein mogelijk is. Uit het raadplegen van de klimaatatlas Zuid-Holland blijkt dat voor het plangebied een kleine kans op overstromingen van tussen de 1/300 per jaar en 1/3.000 per jaar geldt. Het nemen van maatregelen tegen overstromingen is daarom niet aan de orde. Hitte In stedelijk gebied is het thema hittestress van belang. Bij verdichting in stedelijk gebied wordt de kans op hittestress vergroot. Om hittestress te voorkomen kunnen concrete (fysieke) maatregelen genomen worden. Het toevoegen van extra groen (bijvoorbeeld bomen) of oppervlakte water kan bijdragen aan het tegengaan van hittestress. Droogte
DNS Planvorming BV
35/39
Fysieke leefomgeving
Droogte leidt tot een verhoogde watervraag en toenemende watertekorten, wat een langdurig effect op grond- en oppervlaktewaterstanden heeft. Langdurige droogte kan leiden tot bijvoorbeeld schade aan funderingen, verdroging van groen, een slechte oppervlaktewaterkwaliteit, versnelde bodemdaling en hittestress.
Duurzaamheidsmaatregelen Met het voorliggende plan worden de onderwerpen op het gebied van duurzaamheid, zoals circulariteit, duurzame energie, CO2-reductie, klimaatadaptatie en biodiversiteit integraal meegenomen. Met de ondergenoemde maatregelen worden de risico's van klimaatverandering zoveel mogelijk weggenomen. De woningen en de openbare ruimte hebben een energiebehoefte. De energievraag dient zoveel mogelijk beperkt te worden en is voornamelijk afkomstig van duurzame energiebronnen. De woningen worden gasloos uitgevoerd en zullen voldoen aan de BENG-normen. Om de energievraag te verminderen wordt gebruik gemaakt van lage-temperatuurverwarming en koeling in combinatie met een hoogwaardige warmtepomp. De overige energie kan opgewekt worden door PV-panelen. De duurzaamheid van een woning gaat ook over gezondheid. Er wordt in het plan rekening gehouden met CO2 gestuurde ventilatie, veel groen, een optimale hoeveelheid daglichttoetreding en lage temperatuur door een goede koeling. Door deze punten mee te nemen in het plan worden energieneutrale en toekomstbestendige woningen ontwikkeld. Tijdens de bouw van de woningen wordt er gestreefd naar circulariteit en het zo min mogelijk verspillen van materialen en grondstoffen. Waar mogelijk wordt gebruik gemaakt van prefab-bouwdelen. Op het gebied van klimaatadaptatie wordt rekening gehouden met de verandering van het klimaat.
Er is sprake van een afname in verhard en bebouwd oppervlak. Door middel van het toevoegen van groen ontstaan meer mogelijkheden voor waterinfiltratie. In paragraaf 4.3 is het aspect water nader behandeld. Door de wijk in te richten met veel groen wordt hittestress bovendien voorkomen.
4.11
M.e.r.-beoordeling
Of een besluit over een project-mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is, kan worden afgeleid uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit. Bijlage V heeft als ingang (eerste kolom) de omschrijving van het project van de initiatiefnemer. In kolom 4 staan de besluiten genoemd waarvoor dan de mer-verplichtingen gelden. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend. In dit geval is dat de omgevingsvergunning. Of er voor het besluit een mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht geldt, volgt uit de tweede en derde kolom. Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2, geldt een mer-plicht. Anders geldt een mer-beoordelingsplicht, tenzij ook in kolom 3 nog voorwaarden staan. Betekenis voor het project Er is een aanmeldnotitie m.e.r. opgesteld11. Hieruit volgt dat het project niet leidt tot milieu-effecten van een zodanige omvang dat sprake kan zijn van belangrijke nadelige milieugevolgen. Er is daarom geen aanleiding of noodzaak voor het doorlopen van een formele m.e.r.-beoordelingsprocedure of m.e.r.-procedure.
4.12
Gezondheid
Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. 11
Aanmeldingsnotitie MER BOPA Weeresteinstraat 156 te Hillegom, 30 mei 2024
DNS Planvorming BV
36/39
Fysieke leefomgeving
Betekenis voor het project De gemeente Hillegom heeft nog geen specifiek beleid vastgesteld met betrekking tot gezondheid. Gelet op de conclusies met betrekking tot de hiervoor benoemde aspecten omtrent de effecten of de fysieke leefomgeving, kan met betrekking tot gezondheid worden geconcludeerd dat er als gevolg van het project geen sprake is van negatieve effecten.
4.13
Conclusie effecten fysieke leefomgeving
Gelet op de conclusies uit de voorgaande paragrafen wordt geconcludeerd dat de effecten op de fysieke leefomgeving als gevolg van het plan aanvaardbaar zijn.
DNS Planvorming BV
37/39
Uitvoerbaarheid
5
Uitvoerbaarheid
5.1
Financiële uitvoerbaarheid
Kostenverhaal geldt voor kostenverhaalplichtige activiteiten. Dat zijn: aangewezen bouwactiviteiten; aangewezen activiteiten vanwege gebruikswijzigingen. Het Omgevingsbesluit bevat relevante regels over (verplicht) kostenverhaal. De plankosten worden gedragen door de initiatiefnemer. Hetzelfde geldt voor eventuele kosten als gevolg van nadeelcompensatie. Hiervoor zal een overeenkomst tussen initiatiefnemer en de gemeente worden gesloten. De financiële uitvoerbaarheid van het plan is voldoende gewaarborgd.
5.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Omwonenden zijn tijdens twee informatieavonden door de initiatiefnemer en de architecten over het plan geïnformeerd. De participatieverslagen van de bijeenkomst op 9 april 202412 en de bijeenkomst op 16 juli 202413 zijn als bijlage bij deze GoFlo opgenomen. Op de onderhavige aanvraag is conform artikel 16.62 Omgevingswet de reguliere procedure van titel 4.1 Algemene wet bestuursrecht van toepassing. De beslistermijn is 8 weken.
12 13
Verslag participatieavond “Lommerse-Uitendaal Zuid” 9 april 2024 Verslag participatieavond “Lommerse-Uitendaal Zuid” 16 juli 2024
DNS Planvorming BV
38/39
Belangenafweging en conclusie
6
Belangenafweging en conclusie
6.1
Is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties?
Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit wordt de omgevingsvergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (Etfal, artikel 8.0a, lid 2 Bkl). Naast de regel dat omgevingsvergunningen slechts kunnen worden verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, gelden de beoordelingsregels in artikel 8.0b tot en met 8.0e van het Bkl (zie ook ‘beleidskader Rijk en provincie’, hoofdstuk 4). De vraag bij de vergunningverlening is of het initiatief – de gevraagde activiteit - leidt tot een situatie, waarbij er sprake is van een evenwichtige toedeling (van functies aan locaties). Anders gezegd: is er – na een zorgvuldige belangenafweging - met het toestaan van de activiteit nog steeds of weer sprake van een evenwichtige toedeling? Om dit te kunnen beoordelen zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader onderzocht en afgewogen.
6.2
Conclusie
Gelet op de conclusies uit de voorgaande hoofdstukken met betrekking tot het beleidskader, de effecten op de fysieke leefomgeving en de betrokken belangen wordt geconcludeerd dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Alles overwegende is de ontwikkeling aanvaardbaar.
DNS Planvorming BV
39/39