CConstaterende datHillegom
Koppel je AI →
Document · PDF

1. Concept ‘Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ ISD Bollenstreek 2022’ met wijzigingen zichtbaar.pdf

Raadscommissie 19 oktober 2022, gemeente HillegomBij agendapunt: 14: Afstemmingsverordening Participatiewet, Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen12.831 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Dit zou ook mogelijk maken om de uitkering te beëindigen indien de uitkeringsgerechtigde na opschorting van de uitkering nog niet reageerde op oproepen. Omdat deze bepaling was opgenomen in de PW/IOAW/IOAZ was het niet nodig om in de Afstemmingsverordening een bepaling op te nemen over het afstemmen van de bijstand bij het niet voldoen aan de medewerkingsverplichting.

De CRvB heeft echter in een aantal uitspraken bepaald dat het niet mogelijk is uitkering op te schorten wanneer de uitkeringsgerechtigde geen medewerking verleent aan een oproep in verband met arbeidsinschakeling. De CRvB stelt dat als een uitkeringsgerechtigde louter niet voldoet aan de medewerkingsverplichting, de gemeente niet bevoegd is om de bijstandsuitkering op te schorten en te beëindigen wanneer het recht op bijstand (ondanks een dergelijk verzuim) wel is vast te stellen. De uitoefening van de bevoegdheid tot opschorting en de daaropvolgende beëindiging van de uitkering is alleen mogelijk indien het niet nakomen van de medewerkingsverplichting van invloed is op het actuele recht op bijstand.

Heeft belanghebbende verzuimd om de medewerkingsverplichting na te komen, maar is het recht op bijstand wel vast te stellen, dan is de enige mogelijkheid waarop de gemeente kan reageren op het verzuim van belanghebbende om de bijstand te verlagen op grond van artikel 18, tweede lid, van de PW en artikel 20, tweede lid, van de lOAW/IOAZ. De gedraging moet dan wel zijn opgenomen in de door de gemeenteraad vastgestelde Afstemmingsverordening. In de verordening wordt de bijstand verlaagd met 50% van de bijstandsnorm wanneer belanghebbende de medewerkingsverplichting niet (tijdig) nakomt.

In het tweede lid is opgenomen dat de medewerkingsverplichting in ieder geval niet wordt nagekomen wanneer belanghebbende geen gehoor geeft aan een oproep om op een bepaalde plaats en tijd te verschijnen in verband met zijn arbeidsinschakeling. Dit is overgenomen uit artikel 17, tweede lid, van de PW en artikel 13, tweede lid, van de lOAW/IOAZ.

Ook wanneer een belanghebbende geen medewerking verleent aan een oproep om op een bepaalde plaats en tijd te verschijnen in verband met het maken van een taaltoets, schendt belanghebbende de medewerkingsverplichting. De taaltoets is in de PW ingevoerd via de Wet taaleis die op 1 januari 2016 inwerking is getreden. Op grond van de gewijzigde PW moet een uitkeringsgerechtigde met een PWuitkering een taaltoets afleggen wanneer hij niet (met bijvoorbeeld diploma’s) kan aantonen dat hij de Nederlandse taal beheerst. Blijkt uit de taaltoets dat belanghebbende de Nederlandse taal inderdaad onvoldoende beheerst, dan krijgt hij een inspanningsverplichting opgelegd om zich de Nederlandse taal eigen te maken. Het niet nakomen van deze inspanningsverplichting betekent een in de PW zelf bepaalde verlaging van de uitkering. De gewijzigde PW voorziet echter niet in de situatie dat de uitkeringsgerechtigde niet verschijnt bij de taaltoets. In het tweede lid sub b van de Afstemmingsverordening is daarom expliciet opgenomen dat het niet verschijnen voor de taaltoets een schending betekent van de medewerkingsverplichting. Deze bepaling in de Afstemmingsverordening vormt de grondslag op basis waarvan het niet verschijnen voor de taaltoets kan worden gesanctioneerd. Uit de bewoordingen ‘in ieder geval’ in het tweede lid, blijkt dat een niet-limitatieve opsomming is gegeven.

Ook andere, niet genoemde situaties waarbij sprake is van een schending van de medewerkingsverplichting kunnen leiden tot een verlaging van de uitkering. Artikel 14. Niet nakomen medewerkingsverplichting financiële ontzorging Vanaf 1 januari 2022 is artikel 56a toegevoegd aan de Pw. Dit is een verplichting die gericht is op inburgeringsplichtige uitkeringsgerechtigden en gaat over het financieel ontzorgen. De inburgeringsplichtige moet hieraan medewerking verlenen. Bijvoorbeeld door inzage te geven in (financiële) administratie, op afspraken te komen, een machtiging te ondertekenen, of andere handelingen die nodig zijn om het financieel ontzorgen te kunnen uitvoeren (sub b). De wet inburgering staat lik op stuk beleid voor, dat wil zeggen dat er, indien nodig, zo snel mogelijk gehandhaafd moet worden. Na voldoende gewaarschuwd te zijn, uitleg gekregen te hebben en de mogelijkheid om de verplichting alsnog na te komen, moet er een consequentie volgen, het afstemmen van de uitkering met toepassing van artikel 18 Pw. Gezien de kwetsbare (financiële) situatie van nieuwe inburgeraars, is het niet wenselijk om de maatregel te hoog vast te stellen. De afstemming (verlaging) voor gedragingen in de eerste categorie is in de verordening vastgesteld op 15% van de bijstandsnorm. Dit is de laagste categorie.

Er is daarom voor gekozen om voor wat betreft het niet meewerken met de financiële ontzorging aan te sluiten bij deze categorie.

Artikel 15. Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid Aan de PW ligt het beginsel ten grondslag dat iedereen in eerste instantie in zijn eigen bestaan(skosten) dient te voorzien. Pas wanneer dat niet mogelijk is, kan men een beroep doen op bijstand. Hoofdregel is dus dat iedereen alles zal moeten doen en nalaten om een beroep op bijstand te voorkomen. Leidt een gedraging ertoe dat belanghebbende eerder, langer of voor een hoger bedrag is aangewezen op bijstand, dan is veelal sprake van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. Hiervan is in ieder geval sprake bij de volgende gedragingen (als die er toe leiden dat belanghebbende eerder, langer of voor een hoger bedrag is aangewezen op bijstand): - het te snel interen van vermogen; - het door eigen schuld verliezen van het recht op een uitkering; - het door eigen schuld niet ofte laat aanvragen van een voorliggende voorziening.

Het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid Is sprake van het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid of het onvoldoende trachten algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen in de periode voorafgaand aan de bijstandsaanvraag dan kan dit volgens de CRvBi° niet als schending van de arbeidsverplichtingen worden aangemerkt. Deze gedragingen vallen onder het begrip tekortschietend besef van verantwoordelijkheid en zijn opgenomen in artikel 14 lid 2 van de verordening. In het vierde lid wordt wat betreft de duur van de op te leggen verlaging onderscheid gemaakt tussen het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid en het onvoldoende trachten die arbeid te verkrijgen. Het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid gedurende de bijstandsverlening moet wel worden aangemerkt als een geüniformeerde arbeidsverplichting (zie de artikelen 9, eerste lid, onderdeel a, en 18, vierde lid, onderdeel a, van de PW). Is sprake van het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid, dan moet afstemming plaatsvinden volgens de regels van artikel 18 van de PW en artikel 11 en 18 van deze verordening.

Op grond van artikel 14 van deze verordening kan een verlaging worden opgelegd wegens het betonen van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in de duur van de verlaging. Dat is in dit geval de periode waarover eerder of langer een beroep wordt gedaan op uitkering. De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in de hoogte van de verlaging als sprake is van bijzondere bijstand. In het derde lid is sprake van een vast kortingspercentage (100%) en wordt de ernst van de gedraging uitgedrukt in de duur van de verlaging. Bij de vaststelling van de duur van de verlaging moet beoordeeld worden hoe lang belanghebbende onafhankelijk van uitkering zou zijn gebleven, indien hij wel voldoende besef van verantwoordelijkheid had betoond. In het derde lid worden hiervoor richtlijnen gegeven. Dat laat onverlet de mogelijkheid voor het dagelijks bestuur om af te wijken van duur en/of hoogte op basis van de mate van verwijtbaarheid en de individuele omstandigheden van belanghebbende. Bijzondere bijstand Zoals in de toelichting op artikel 7 al is aangegeven kent de PW geen grond om bijzondere bijstandsaanvragen die het gevolg zijn van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid af te wijzen. Wel kan op de bijzondere bijstand in dergelijke gevallen een verlaging worden toegepast.

Als het gaat om bijzondere bijstand als bedoeld in artikel 7, tweede lid, onder b, kan de verlaging worden toegepast op die bijzondere bijstand wanneer er een verband bestaat tussen de gedraging (handelen/nalaten) van belanghebbende en zijn recht op bijzondere bijstand. De bijzondere bijstand wordt verlaagd met het volledige bedrag van de kosten die een gevolg zijn van het tekortschietend besef van verantwoordelijkheid van belanghebbende (verwezen wordt naar de toelichting op artikel 7).

Bijstand in de vorm van een geldlening Als sprake is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid kan het dagelijks bestuur tevens besluiten de bijstand in de vorm van een geldlening te verstrekken. Dit volgt uit artikel 48, tweede lid, onderdeel b, van de PW. Als het dagelijks bestuur besluit beide instrumenten te gebruiken (leenbijstand én verlaging) moet het wel voldoende acht slaan op het totale effect hiervan voor de bijstandsgerechtigde. 11

Voor toepassing van het Bbz wordt verwezen naar de algemene toelichting, onder de kop: 'De relatie met het Bbz'. Artikel 16. Zeer ernstige misdragingen Onder de term 'zeer ernstige misdraging' dient in elk geval te worden verstaan: elke vorm van ongewenst en agressief fysiek contact met een persoon of het ondernemen van pogingen daartoe. Hieronder valt bijvoorbeeld het (dreigen met) schoppen, slaan of gooien van voorwerpen naar een

10 CRvB 06-10-2010, LJN; BN9720 en LJN: 8720) 11 CRvB 20-03-2007, nrs. 06/515 NABWe.a., ECLI:NL:CRVB:2007:BA2344

persoon. Ook het toebrengen van schade aan een gebouw of inventarisonderdeel, evenals het ondernemen van pogingen daartoe in enige vorm wordt als zeer ernstige misdraging gezien. Handelingen die door hun grote en mogelijk blijvende impact op de desbetreffende persoon of personen grote invloed hebben, zoals het opzetten van gerichte lastercampagnes, discriminatie, (seksuele) intimidatie (het uitoefenen van psychische druk), het tonen van steek en/of vuurwapens evenals (pogingen tot) opsluiting in een ruimte zijn eveneens als zeer ernstige misdraging te beschouwen. Ook verbaal geweld (waaronder ook wordt verstaan mondelinge of schriftelijke bedreigingen) valt onder de noemer 'zeer ernstige misdraging'. 13

Het gaat dus om alle vormen van zeer ernstige misdragingen tegenover de met de uitvoering van de PW, de lOAW en de lOAZ belaste personen en instanties (dagelijks bestuur, SVB en reintegratiebedrijven) tijdens het verrichten van hun werkzaamheden.i< Met de zinsnede in de wet 'tijdens het verrichten van de werkzaamheden' wordt aangegeven dat de misdraging dient plaats te vinden in het kader van de uitvoering van de PW, de lOAW of de lOAZ. Dat is anders als betrokkenen elkaar buiten werktijd tegen komen: dan is alleen het strafrecht van toepassing.i®

Met ingang van 1 januari 2015 is de verplichting om zich te onthouden van zeer ernstige misdragingen een zelfstandige verplichting die is opgenomen in artikel 9, zesde lid, van de PW en artikel 37, eerste lid sub g van de lOAW/IOAZ. Deze verplichting staat dus op zichzelf. Vóór 1 januari 2015 was dit een onzelfstandige verplichting. Om een belanghebbende te sanctioneren wegens zeer ernstige misdragingen, moest sprake zijn van een samenhang tussen de zeer ernstige misdragingen met het niet nakomen van een of meer verplichtingen die voortvloeien uit de toenmalige WWB, lOAW of lOAZ. 16 Artikel 17. Niet nakomen van overige verplichtingen De PW geeft het dagelijks bestuur de bevoegdheid om personen verplichtingen op te leggen die volledig individueel bepaald zijn. Artikel 55 van de PW biedt daartoe de mogelijkheid en beperkt deze tot een viertal categorieën, te weten: 1. verplichtingen die strekken tot arbeidsinschakeling (voor zover niet direct herleidbaar tot 8, 9 en 11 van deze verordening); 2. verplichtingen die verband houden met de aard en het doel van een bepaalde vorm van bijstand; 3. verplichtingen die strekken tot vermindering van de bijstand; 4. verplichtingen die strekken tot beëindiging van de bijstand.

Omdat de verplichtingen die het dagelijks bestuur op grond van artikel 55 van de PW kan opleggen een zeer individueel karakter hebben, kan het voorkomen dat de in de verordening vastgestelde verlaging niet is afgestemd op de individuele omstandigheden van een belanghebbende. Het dagelijks bestuur zal daarom altijd rekening moeten houden met de individualiseringsbepaling van artikel 18, eerste lid, van de PW. Deze bepaling verplicht het dagelijks bestuurde bijstand af te stemmen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van een belanghebbende. In individuele gevallen kan dus worden afgeweken van de in dit artikel vastgestelde verlaging. Voor de toepassing van het Bbz wordt verwezen naar de algemene toelichting onder de kop: ‘De relatie met het Bbz’.

Artikel 18. Samenloop van gedragingen Samenloop bij één gedraging waardoor meerdere verplichtingen worden geschonden Het eerste lid regelt samenloop als sprake is van één gedraging die schending oplevert van meerdere verplichtingen, die zijn genoemd in deze verordening, artikel 18, vierde lid, van de PW of in beide regelingen. In dat geval wordt één verlaging opgelegd. Voor het bepalen van de hoogte en de duur van de verlaging wordt uitgegaan van de gedraging waarop de hoogste verlaging is gesteld.

Samenloop bij meerdere gedragingen waardoor één of meerdere verplichtingen worden geschonden Het tweede regelt samenloop als sprake is van meerdere gedraging die schending opleveren van één

12 Kamerstukken II 2013/14, 33 801, nr. 3, biz. 24. 13 CRvB 19-08-2008, nrs. 07/2416 WWB e.a., ECLI:NL:CRVB:2008:BE8919. 1* Kamerstukken II 2013/14, 33 801, nr. 3, bIz. 55. 15 Kamerstukken II 2013/14, 33 801, nr. 3, biz. 25-26. 15 CRvB 06-07-2010, nr. 08/2025 WWB, ECLI:NL:CRVB:2010:BN0660.

of meerdere verplichtingen, die zijn genoemd in deze verordening, artikel 18, vierde lid, van de PW of in beide regelingen. Dit wordt 'meerdaadse samenloop' genoemd. In dat geval wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging toegepast. Deze verlagingen worden in principe gelijktijdig opgelegd. Dit is anders als dit niet verantwoord is. Hierbij spelen factoren zoals de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van een belanghebbende een rol. Daarvoor moet altijd gekeken worden naar de individuele omstandigheden. De verlaging wordt dan over meerdere maanden uitgesmeerd. Is er sprake van meerdere gedragingen, waarvoor meerdere verlagingen worden opgelegd, dan kan het zo zijn dat de verlagingen niet gelijktijdig kunnen worden opgelegd. Bedragen de verlagingen tezamen immers meer dan 100% van de bijstandsnorm, dan is gelijktijdige oplegging van de verlagingen niet mogelijk. In beginsel bedraagt de verlaging in dat geval in de eerste maand 100% van de bijstandsnorm en worden de vervolgens nog resterende verlagingen (tot telkens maximaal 100%) opgelegd over de daaropvolgende maand(en) totdat alle verlagingen zijn geëffectueerd. Wanneer dit niet verantwoord is (zie voorgaande alinea), dan kan de verlaging worden uitgesmeerd over meer maanden (maatwerk).

Samenloop met een bestuurlijke boete Het derde en vierde lid regelen in hoeverre een verlaging kan worden opgelegd als sprake is van een verlagingswaardige gedraging die tevens een boetewaardige gedragingen is.

Als sprake is van één gedraging die zowel schending van een in deze verordening opgenomen verplichting als schending van de inlichtingenplicht oplevert, kan de schending van deze verplichtingen niet gezamenlijk worden afgedaan, omdat schending van de inlichtingenplicht (wettelijk) is geregeld in de vorm van een bestuurlijke boete. In het geval zich de situatie voordoet dat er sprake is van samenloop tussen de bestuurlijke boete en afstemming dient het dagelijks bestuur in het individuele geval te beoordelen welke sanctie wordt opgelegd. Bij eendaadse samenloop ligt het voor de hand één sanctie op te leggen. Het dagelijks bestuur bepaalt of al dan niet een boete wordt opgelegd. Is dit het geval, dan wordt geen verlaging meer opgelegd (derde lid). Bij meerdaadse samenloop ligt het voor de hand de gedraging te sanctioneren door het opleggen van een bestuurlijke boete voor zover sprake is van een gedraging waarin ook een beboetbare gedraging zit. Daarnaast kan het dagelijks bestuur in dit geval nog een of meer maatregelen opleggen, waarbij bij de hoogte van de afstemming zo nodig rekening kan worden gehouden met de boete en de eventuele andere maatregelen (vierde lid).

Als sprake is van één gedraging die zowel schending van een in artikel 18, vierde lid, van de PW benoemde (geüniformeerde arbeids)verplichting als schending van de inlichtingenplicht oplevert, is het voorgaande ook van toepassing. Artikel 19. Recidive

Verdubbeling duur verlaging Als binnen twaalf maanden na een eerste verwijtbare gedraging wederom sprake is van een verwijtbare gedraging waarmee dezelfde verplichting wordt geschonden, wordt de grotere mate van verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een verdubbeling van de duur van de verlaging. Een verlaging kan nooit hoger zijn dan 100 %. Daarom kan bij gedragingen waar relatief zware verlagingen voor gelden, alleen gekozen worden voor een verdubbeling van de duur van de maatregel (en niet voor verdubbeling van de hoogte). Met de eerste verwijtbare gedraging wordt de eerste gedraging bedoeld die aanleiding is geweest tot een verlaging, ook als wegens dringende redenen - op grond van artikel 5, tweede lid, van deze verordening en eventueel 18, tiende lid, van de PW - is afgezien van het opleggen van een verlaging. Dit geldt ook als van afstemming op grond van artikel 18, eerste lid, van de PW is afgezien van het opleggen van een verlaging.

Is vanwege de afwezigheid van elke vorm van verwijtbaarheid afgezien van een verlaging, dan is het niet mogelijk om bij toepassing van recidive deze gedraging mee te tellen.

Voor het bepalen van de aanvang van de termijn van twaalf maanden, geldt het tijdstip waarop het besluit waarmee de verlaging is opgelegd, is verzonden.

Recidive op recidive bij niet geüniformeerde arbeidsverplichtingen Ook in het geval dat een belanghebbende voor een derde of volgende keer een niet geüniformeerde arbeidsverplichting schendt, is de recidivebepaling van artikel 17, eerste of tweede lid, van deze verordening van toepassing. Dit wordt tot uitdrukking gebracht door het woord "telkens" in de recidivebepaling. Voor toepassing van de recidivebepaling is vereist dat het opnieuw schenden van dezelfde verplichting plaatsvindt binnen twaalf maanden na bekendmaking van het vorige besluit waarmee een verlaging is toegepast. Is sprake van een derde of volgende schending, dan geldt - evenals bij de eerste keer recidive - dat de duur van de oorspronkelijke verlaging wordt verdubbeld. Telkens wordt de duur van de oorspronkelijke verlaging verdubbeld. Dit is de verlaging die geldt bij een eerste schending van de verplichting. Er is expliciet niet voor gekozen de duur van de vorige verlaging te verdubbelen. Uitgangspunt is verdubbeling van de hoogte of de duur van de oorspronkelijke verlaging. Hiermee wordt stapeling van verdubbeling van de verlaging voorkomen.

Eenzelfde gedraging vereist voor recidive Voor recidive als bedoeld in het eerste en tweede lid is vereist dat sprake moet zijn van "eenzelfde verwijtbare gedraging" als de gedraging waarvoor de eerste verlaging is opgelegd. Voorwaarde is dus dat dezelfde verplichting wordt geschonden. Is dit niet het geval, dan moet de verwijtbare gedraging worden aangemerkt als een eerste schending van een verplichting. Heeft een persoon zich zeer ernstig misdragen (artikel 15) binnen twaalf maanden nadat een verlaging is opgelegd wegens het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij Uitvoerings­ instituut werknemersverzekeringen (artikel 8, eerste lid), dan is geen sprake van recidive aangezien het niet "eenzelfde gedraging" betreft. Evenmin is sprake van recidive als een belanghebbende niet meewerkt aan het opstellen van een plan van aanpak (artikel 8 onderdeel b onder 2) en vervolgens een opgedragen tegenprestatie niet verricht (artikel 8 onderdeel 1). Ook dan is geen sprake van eenzelfde gedraging aangezien twee verschillende verplichtingen zijn geschonden.

Recidive schending geüniformeerde arbeidsverplichting Is sprake van het niet of onvoldoende nakomen van een geüniformeerde arbeidsverplichting binnen twaalf maanden nadat aan een belanghebbende een eerste verlaging is opgelegd wegens schending van een geüniformeerde arbeidsverplichting, dan bedraagt de verlaging 100 % gedurende twee maanden. Dit valt binnen de in artikel 18, zesde lid, van de PW gegeven marges. Bij een derde, vierde en volgende schending van een geüniformeerde arbeidsverplichting, telkens binnen twaalf maanden na oplegging van de vorige verlaging, bedraagt de verlaging 100 % gedurende drie maanden (artikel 18, zevende en achtste lid, van de PW). Artikel 20. Samenloop bij weigeren uitkering lOAW/IOAZ Het dagelijks bestuur is op grond van artikel 20 van de lOAW en artikel 20 van de lOAZ bevoegd de uitkering blijvend of tijdelijk te weigeren als een belanghebbende, kort gezegd, inkomen uit arbeid had kunnen venwerven, maar dit nalaat. Dit is een discretionaire bevoegdheid van het dagelijks bestuur. De vraag of een verlaging moet worden toegepast, zal pas aan de orde komen als het dagelijks bestuur zich een oordeel heeft gevormd over de eventuele weigering van de uitkering. Deze beoordeling gaat in beginsel voor. Pas als het dagelijks bestuur concludeert dat van een weigering geen sprake is, kan op grond van deze verordening een verlaging worden toegepast.

Artikel 19 van deze verordening is derhalve bedoeld om samenloop te voorkomen.

Artikel 21. Blijvend en tijdelijk weigeren lOAW- of lOAZ-uitkering Artikel 20, eerste lid, van de lOAW en artikel 20, tweede lid, van de lOAZ geeft het dagelijks bestuur de bevoegdheid om de uitkering tijdelijk of blijvend te weigeren naar de mate waarin de belanghebbende inkomen als bedoeld in of op grond van artikel 8 van de lOAW of de lOAZ zou hebben kunnen verwerven, indien:

aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking een dringende reden ten grondslag ligt in de zin a. van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en de belanghebbende ter zake een verwijt kan worden gemaakt; de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de belanghebbende zonder dat aan b. de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd. de belanghebbende nalaat algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden; of c. de belanghebbende door eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde arbeid verkrijgt. d.

Als sprake is van een situatie die valt onder a of b dan kan het dagelijks bestuur de uitkering tijdelijk weigeren. Beide situaties spelen zich af voorafgaand aan de aanvraag van de uitkering. Als sprake is van een situatie die valt onder c of d dan kan het dagelijks bestuur de uitkering blijvend weigeren. Beide situaties spelen zich af tijdens de uitkering. Artikel 22. Uitvoering Artikel 7 van de PW schrijft voor dat de uitvoering van de PW berust bij burgemeester en wethouders. Ingevolge de Gemeenschappelijke Regeling ISO Bollenstreek is de uitvoering van de PW, de lOAW en de lOAZ gedelegeerd aan het dagelijks bestuur van de ISD Bollenstreek.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.hillegom.nl/api/v1/meetings/1497/documents/18879