1. Bestemmingsplan Vossepolder deelgebied 6.pdf
Tekst van het document
Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10‐5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10‐6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10‐6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10‐6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Er geldt een oriënterende waarde voor het groepsrisico en onder voorwaarden een verantwoordingsplicht tot 200 m binnen de transportroute. Besluit externe veiligheid buisleidingen In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden.
Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het PR en de hoogte van het GR als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. Onderzoek Overeenkomstig de professionele risicokaart waarin relevante risicobronnen getoond worden, is er te zien dat er geen risicovolle inrichtingen zijn en geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt via spoor, weg of water. Wel loopt er een buisleiding door het plangebied. Het betreft hogedruk aardgasleidingen van 40 bar en 12 inch met een invloedsgebied van 140 meter. Het plangebied bevindt zich in het invloedsgebied. Voor de buisleiding is in het bestemmingsplan Centrum en Bedrijventerreinen in 2012 een risicoberekening uitgevoerd (Kwantitatieve Risicoanalyse QRA gasleiding W‐532‐12, 2 juli 2012, Kuiper Compagnons).
37/116
In deze berekening zijn ook de wijzigingsgebieden Vossepolder meegenomen, waarin het plangebied deels als woningen en deels als manege is ingetekend. Uit de risicoberekening en de risicokaart blijkt dat de buisleiding geen PR 10‐6 risicocontour heeft. Het plaatsgebonden risico vormt derhalve geen belemmering. Tevens blijkt uit het onderzoek dat de waarde van het groepsrisico 0,021*de oriëntatiewaarde (ow) voor het groepsrisico bedraagt. Volgens het Bestuurlijk kader is bij een groepsrisico < 0,1*ow sprake van een verwaarloosbaar groepsrisico. Hierdoor zal bij een herberekening de conclusie niet veranderen wanneer het plangebied wel geheel als wonen is ingetekend. Uit het Bestuurlijk kader externe veiligheid Holland Rijnland (2014) blijkt dat bij een lage groepsrisico er kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico waarbij maatregelen niet getroffen hoeven te worden. Beperkte verantwoording groepsrisico In het kader van het wettelijk vooroverleg is voor de verantwoording aanvullend advies gevraagd aan de veiligheidsregio, dit advies is bijlage 9 opgenomen. Dit advies is in de verantwoording verwerkt. Relevante risico's Er bevinden zich diverse risicobronnen binnen of in de zeer directe omgeving van het bestemmingsplan.
Het betreft hierbij de volgende risicobronnen, met de daarbij behorende scenario’s: Gebouwbrand Hogedrukaardgasleiding W‐532‐12 ‐ Fakkelbrand Bres in de polderdijk ‐ Overstroming Er bevinden zich geen andere relevante risicobronnen binnen of in de directe omgeving van het bestemmingsplan. Maatgevende scenario hogedruk aardgasleiding Fakkelbrand Vanwege (graaf)werkzaamheden ontstaat een breuk in een hogedruk aardgasleiding. Het aardgas stroomt onder hoge druk uit. Het brandbare gas ontsteekt waardoor een fakkelbrand optreedt. De effecten van een fakkelbrand zijn hittestraling en rook. Hierdoor kunnen slachtoffers, schade en brand in de omgeving ontstaan. De warmtestraling is in combinatie met de blootstellingsduur bepalend voor het slachtoffer‐ en schadebeeld. Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid Zowel voor de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen.
Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Tevens speelt een snelle alarmering ten allen tijde een belangrijke rol. Geadviseerd wordt vanuit de veiligheidsregio om een voorstel met de projecteringstekeningen van de brandkranen en eventuele andere bluswaterwinmogelijkheden inclusief de gereserveerde opstelplaats van het brandweervoertuig aan de brandweer voor te leggen.
38/116
Het plangebied kan bereikt worden aan de hand van de straten Schellinkhout, Hertog Reynout en Beijerinck. Deze komen uit op de Weerlaan. Dit kan worden bestempeld als een gedegen netwerk gezien de verschillende toegangswegen en de bereikbaarheid vanuit tegengestelde windstreken. Daarnaast kan via verschillende straten van de bron af worden gevlucht, deze dienen minimaal 4,5 meter breed te zijn met een minimale verharding van 3,25 en een vrije hoogte van 4,2 meter om de bereikbaarheid te garanderen. Zelfredzaamheid De beoogde ontwikkeling voorziet in de toevoeging van 47 woningen. Aanwezige kinderen en ouderen worden wel beschouwd als verminderd zelfredzame personen. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat de ouders/verzorgers de kinderen en ouderen kunnen begeleiden. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchten. Het maatgevende scenario voor de buisleidingen betreft een fakkelbrandscenario. Vanwege (graaf)werkzaamheden ontstaat een breuk in een hogedruk aardgasleiding. Het aardgas stroomt onder hoge druk uit. Het brandbare gas ontsteekt waardoor een fakkelbrand optreedt. De effecten van een fakkelbrand zijn hittestraling en rook. Om schuilen/vluchten te bevorderen wordt geadviseerd om afschakelbare ventilatie te installeren om te voorkomen dat (rook) gassen naar binnen worden gezogen.
Hiermee worden de aanwezigen beschermd tegen de blootstelling aan toxische gassen. Daarnaast dienen, in het kader van effectieve zelfredzaamheid, de gebruikers van de objecten door risicocommunicatie te worden geïnstrueerd over de risico's en de mogelijke maatregelen die zij kunnen nemen. De alarmering van de aanwezigen wordt momenteel nog gerealiseerd middels het waarschuwings‐ en alarmeringssysteem (WAS). Dit systeem wordt de komende jaren uitgefaseerd. Het waarschuwingssysteem wordt vervangen door een totaal pakket aan alarmeringsmiddelen, waaronder de calamiteitenzenders, de sirenes, crisis.nl, NL‐Alert en het gebruik van sociale media. Conclusie Het plangebied ligt in de nabijheid van een hoge druk aardgasleiding wat enkele risico's met zich meebrengt. Uit een eerdere QRA waarin de ontwikkeling is meegenomen blijkt dat het groepsrisico < 0,1*ow en er sprake is van een verwaarloosbaar groepsrisico. Uit de beperkte verantwoording blijkt daarnaast dat de zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van het plangebied als voldoende worden beschouwd. Wel moet rekening gehouden worden met een eventuele buisleidingincident. Deze komen niet vaak voor en worden hoofdzakelijk veroorzaakt door (graaf)werkzaamheden. Het effect van een incident zoals een fakkelbrand en bijkomende gevolgen zijn enorm. Daarom is een goede voorlichting van de bevolking en bedrijven van belang.
4.5
Luchtkwaliteit
Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar‐ en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 5.3 weergegeven.
39/116
Tabel 5.3 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm Stof
Toetsing van
Grenswaarde
stikstofdioxide (NO2)
jaargemiddelde concentratie
40 µg/m³
fijn stof (PM10)
jaargemiddelde concentratie
40 µg/m³
24‐uurgemiddelde concentratie
max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg / m³
jaargemiddelde concentratie
25 µg /m³
fijn stof (PM2,5)
Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. Besluit niet in betekenende mate (nibm) In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een plan vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: een plan heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³); een plan valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen. Onderzoek De beoogde ontwikkeling heeft betrekking op de realisatie van 47 woningen. Een dergelijke ontwikkeling valt onder het Besluit niet in betekenende mate onder de categorie woningbouw tot 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg.
Dit betekent dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit ter plaatse, en dat nader onderzoek niet noodzakelijk wordt geacht. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is wel van belang aan te tonen dat ter plaatse aan de wettelijke grenswaarden wordt voldaan. Dit is gedaan aan de hand van de monitoringstool die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. In figuur 4.2 is een uitsnede hiervan opgenomen, die de metingen op de maatgevende wegen in de omgeving toont, te weten de Weerlaan en de Hillegommerdijk. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedragen 16,6 µg/m³ voor NO2, 17,4 µg/m³ voor PM10 en 9,8 µg/m³ voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24‐uur gemiddelde concentratie PM10 bedraagt 6,1.
40/116
Figuur 4.2
Uitsnede NSL‐monitoringstool
Op basis van deze waarden wordt geconcludeerd dat de metingen in de nabije omgeving onder de daarvoor geldende grenswaarden blijven. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.
41/116
4.6
Bodem
Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Onderzoek De beoogde realisatie betreft het ontwikkelen van 47 woningen in de noordrand van de Vossepolder. Omdat hiermee sprake is van een functiewijziging is bodemonderzoek nodig om aan te tonen dat de bodem geschikt is voor de nieuwe functie. Voorafgaand aan het opstellen van dit bestemmingsplan waren er reeds diverse bodemonderzoeken beschikbaar en voor de nog niet onderzochte delen zijn de benodigde onderzoeken in het kader van dit bestemmingsplan uitgevoerd. Het overzicht van de relevante onderzoeken waarmee de milieukundige bodemkwaliteit binnen het plangebied is aangetoond, ziet er als volgt uit: 1. Nader bodemonderzoek asbest (Tauw; kenmerk R002‐1201443AGB‐V01‐efm‐NL; d.d.
5 februari 2018); 2. Verkennend bodemonderzoek asbest en actualiserend bodemonderzoek (Tauw; kenmerk R001‐1261443AGB‐agv‐V02‐NL; d.d. 2 maart 2018); 3. Verkennend bodemonderzoek (IDDS; kenmerk 1810L897/JHA/rap1; d.d. 15 maart 2019)(zie Bijlage 1); 4. Verkennend bodemonderzoek Oude Weerlaan 60 Hillegom (Tauw; kenmerk 1278217; d.d. 29 oktober 2020); 5. BUS‐evaluatie (Tauw; d.d. 3 december 2019); 6. Instemming evaluatieverslag (brief Omgevingsdienst West‐Holland; kenmerk D2020‐085765; d.d. 2 juli 2020)(zie Bijlage 2); 7. Verkennend bodemonderzoek (IDDS; kenmerk 1703K276/JHA/rap1; d.d. 9 mei 2017)(zie Bijlage 4); 8. Verkennend bodemonderzoek (IDDS; kenmerk A2243/PBE/rap1; d.d. 3 maart 2022)(zie Bijlage 3). Aan de hand van deze onderzoeken kan het plangebied in de deelgebieden worden ingedeeld zoals weergegeven in figuur 4.3.
42/116
Figuur 4.3 Opdeling plangebied voor de bodemonderzoek De bodemonderzoeken leveren per deelgebied de volgende resultaten op, wat ook door de Omgevingsdienst West‐Holland is beoordeeld. Deelgebied 1 Het bodemonderzoek d.d. 15 maart 2019 (3) voldoet aan de NEN5740. Uit het onderzoek blijkt het volgende: In de grond en op het maaiveld zijn geen bijmengingen met bodemvreemde materialen aangetroffen; De bovengrond, ondergrond en het grondwater zijn niet tot licht verontreinigd met de onderzochte stoffen. Deelgebied 2 De bodemonderzoeken d.d. 5 februari 2018 (1) en d.d. 2 maart 2018 (2) voldoen aan de geldende normen. Naar aanleiding van de resultaten van deze onderzoeken is een bodemsanering uitgevoerd. De Omgevingsdienst heeft per brief (6) ingestemd met het evaluatieverslag (5). Uit de resultaten van de bodemonderzoeken en de (ingestemde) saneringsevaluatie blijkt het volgende: De aangetroffen verontreinigingen met PAK, minerale olie en asbest zijn voldoende verwijderd. De locatie is hiermee geschikt voor de functie wonen met tuin; De bovengrond, de ondergrond en het grondwater is niet tot licht verontreinigd met de onderzochte stoffen.
43/116
Deelgebied 3 Het bodemonderzoek d.d. 29 oktober 2020 (4) voldoet aan de NEN5740. Uit het onderzoek blijkt het volgende: Tijdens de veldwerkzaamheden zijn in het opgeboorde bodemmateriaal bijmengingen met puin, baksteen en kooldeeltjes waargenomen. Visueel en analytisch is geen asbest aangetroffen in deze verdachte laag; De bovengrond, de ondergrond en het grondwater zijn niet of licht verontreinigd met de onderzochte stoffen. Deelgebied 4 Het bodemonderzoek d.d. 3 maart 2022 (8) voldoet aan de geldende normen. Uit het onderzoek blijkt het volgende: De metselpuinhoudende grond is zintuiglijk en analytisch niet verontreinigd met asbest; De boven‐ en de ondergrond zijn niet verontreinigd met de onderzochte stoffen; Het grondwater is niet tot licht verontreinigd met de onderzochte stoffen. Deelgebied 5 Het bodemonderzoek d.d. 9 mei 2017 (7) voldoet aan de geldende normen. Uit het onderzoek blijkt het volgende: In de grond zijn plaatselijk bijmengingen aangetroffen met bodemvreemde materialen (baksteen, plastic, slib). De bijmengingen zijn met name aangetroffen ter plaatse van de gedempte watergangen en/of de inmiddels gesloopte paardenmanage. Zintuiglijk zijn geen asbestverdachte materialen en/of puin waargenomen. De bovengrond, de ondergrond en het grondwater zijn niet tot licht verontreinigd met de onderzochte stoffen.
De ondergrond ter plaatse van (vermoedelijk) gedempte watergangen) is licht verontreinigd met minerale olie. Op basis van deze onderzoeken en de uitgevoerde sanering (deelgebied 2) wordt geconcludeerd dat de zone waarbinnen de 47 woningen beoogd worden hiervoor geschikt is. Conclusie Op basis van de uitgevoerde onderzoek, vormt het aspect bodem geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.7
Archeologie
Toetsingskader De gemeente Hillegom heeft samen met de regiogemeenten Katwijk, Noordwijk, Noordwijkerhout, Lisse en Teylingen archeologisch beleid opgesteld. Hierin is de historie van het grondgebied geïnventariseerd. Op basis hiervan is een archeologische beleidskaart opgesteld, waarop zones zijn vastgelegd met een uiteenlopende verwachtingswaarde voor de kans op archeologische vondsten. Op basis van deze beleidskaart, stelt de gemeente bij grondwerkzaamheden een archeologisch onderzoek verplicht waarbij het principe gehanteerd wordt dat in zones met een hogere waarde dit onderzoek al verplicht is bij minimale ingrepen en bij zones met een lagere waarde pas bij werkzaamheden van grotere omvang een dergelijke onderzoek verplicht is.
44/116
In figuur 5.3 is een uitsnede van deze archeologische beleidskaart opgenomen, waaruit blijkt dat het plangebied is gekenmerkt als een gebied met een lage verwachtingswaarde. Hieraan is de onderzoeksplicht gekoppeld bij ingrepen die dieper reiken dan 30 cm onder maaiveld én groter dan 1.000 m2. Gezien de omvang van de beoogde werkzaamheden binnen het plangebied, betekent dit dat in het kader van dit bestemmingsplan archeologisch onderzoek nodig is.
Figuur 5.3 Uitsnede archeologische beleidskaart gemeente Hillegom Onderzoek Bij het tot stand komen van het oorspronkelijke bestemmingsplan voor de Vossepolder uit 2006, is reeds archeologisch onderzoek uitgevoerd: Schiltmans, D.E.A., 2004: Plangebied Treslong‐Oost gemeente Hillegom. Een inventariserend archeologisch onderzoek (Raap‐rapport 1046). Schiltmans, D.E.A., 2004: Plangebied Treslong‐Oost gemeente Hillegom. Een aanvulling op het inventariserend archeologisch onderzoek (Raap‐notitie 968). Uit de toelichting van dat plan blijkt het volgende: 'De gemeente Hillegom gaat zorgvuldig om met het culturele erfgoed dat niet direct zichtbaar is, omdat het zich beneden het maaiveld bevindt. Vanwege de redelijke tot grote kans om een waardevol archeologisch bodemarchief aan te treffen is in mei 2004 door RAAP Archeologisch Adviesbureau, een inventariserend archeologisch onderzoek uitgevoerd. Tijdens het inventariserend archeologisch onderzoek in mei 2004 zijn geen aanwijzingen gevonden voor vindplaatsen in het plangebied. Er zijn in het plangebied namelijk geen archeologische resten aangetroffen. In de conclusie van het onderzoek worden derhalve geen aanbevelingen voor een archeologisch vervolgonderzoek gedaan. Er wordt opgemerkt dat het noordelijk deel van het plangebied (circa 1ha), waar de manege is gelegen, niet onderzocht kon worden.
Dit deel is in december 2004 alsnog door middel van karterend booronderzoek onderzocht. Er zijn tijdens het onderzoek geen aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van archeologische vindplaatsen. Een vervolgonderzoek is niet nodig, zodat er met betrekking tot de archeologische waarden, geen belemmeringen zijn om het plan tot ontwikkeling te brengen.'
45/116
Conclusie Gelet op bovenstaande was het plangebied al vrijgegeven voor de beoogde ontwikkeling. In het kader van dit bestemmingsplan is om die reden geen archeologisch onderzoek meer uitgevoerd.
4.8
Water
Toetsingskader Op grond van de Wet ruimtelijke ordening en op basis van jurisprudentie dient de uitvoerbaarheid van een ruimtelijk plan te worden aangetoond en dient in het plan te worden onderbouwd dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk zijn de sectorale aspecten beschreven die voor dit plan relevant zijn. De resultaten en conclusies van eventuele onderzoeken zijn per aspect opgenomen in de betreffende paragraaf. Waterbeheer en watertoets Het watertoetsproces is een belangrijk instrument om het waterbelang in ruimtelijke plannen en besluiten te waarborgen. Het gaat daarbij om alle waterhuishoudkundige aspecten, waaronder veiligheid, wateroverlast, watertekort, waterkwaliteit en verdroging, en om alle wateren: rijkswateren, regionale wateren en grondwater. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder in een zo vroeg mogelijk stadium met elkaar in gesprek brengt. Het plangebied ligt binnen het beheergebied van het Hoogheemraadschap Rijnland, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits‐ en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van deze paragraaf wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder. De opmerkingen van de waterbeheerder worden vervolgens verwerkt in deze waterparagraaf.
Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap en de gemeente nader wordt behandeld. Europa: Kaderrichtlijn Water (KRW) Nationaal: Nationaal Waterplan (NWP) Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) Waterwet Provinciaal: Omgevingsverordening Waterschapsbeleid Voor de planperiode 2022‐2028 zal het Waterbeheerprogramma (WBP6) van Rijnland van toepassing zijn. In dit plan geeft Rijnland aan wat haar visie is voor de komende planperiode en welke maatregelen in het watersysteem worden getroffen. De visie van het hoogheemraadschap kan samengevat worden in: water wijst de weg.
46/116
Het beheergebied van Rijnland en het watersysteem moeten veerkrachtiger en flexibeler worden, er is een noodzaak om water meer leidend te maken in de ruimtelijke inrichting. Belangrijk is om te blijven investeren in waterbeheer. Het werken aan oplossingen om de leefomgeving toekomstbestendig te maken doet het hoogheemraadschap niet alleen, maar in samenwerking met andere partijen zoals het Rijk, provincies en gemeenten. Er zijn vijf maatschappelijke opgaves geformuleerd: bijdragen aan klimaatbestendige woningbouw tegengaan van bodemdaling versterking van de biodiversiteit energieneutraal werken Nederland circulair in 2050. De thema's voor de strategische doelen bestaan uit waterveiligheid, voldoende water, schoon water, waterketen, Rijnland duurzaam en Rijnland klimaatadaptief. In het waterbeheerprogramma is beschreven hoe het hoogheemraadschap de gestelde taken wilt bereiken en hoe ze denken dat te gaan doen. Het Waterbeheerprogramma (WBP6) 2022‐2028 van Rijnland is te vinden op de website: www.bp6rijnland.nl Keur Rijnland 2020 Het hoogheemraadschap van Rijnland (hierna: Rijnland) zorgt voor een veilig en gezond watersysteem voor het gebied tussen Wassenaar, Gouda, Amsterdam en IJmuiden.
Om het watersysteem zo optimaal mogelijk te laten functioneren, heeft een waterschap de bevoegdheid, op grond van artikel 56 in combinatie met artikel 78 van de Waterschapswet, verordeningen vast te stellen die het nodig acht voor de behartiging van de opgedragen taken. De taken die aan een waterschap worden opgedragen, betreffen – volgens artikel 1 van de Waterschapswet – de zorg voor het watersysteem en de zorg voor het zuiveren van afvalwater en eventueel kan nog de zorg voor andere waterstaatsaangelegenheden worden opgedragen, bijvoorbeeld vaarwegbeheer. Ook de Omgevingsverordening, Waterverordening Rijnland en het Reglement van bestuur voor het hoogheemraadschap van Rijnland bepalen de kaders. Naast voornoemde wet‐ en regelgeving, die de organisatie van de waterschappen regelt, geven de Waterwet en de daarop gebaseerde regelgeving allerlei bepalingen over de inhoud van het waterbeheer, bijvoorbeeld in de vorm van doelstellingen en concrete normen. De keur dient tevens ter invulling van deze doelstellingen, te weten: a. voorkoming en waar nodig beperking van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste, in samenhang met b. bescherming en verbetering van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen, en c. vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen.
De Keur en Uitvoeringsregels van Rijnland zijn te https://www.rijnland.net/loket/vergunningen/keur‐alle‐regels‐op‐een‐rij/
vinden
op
de
website:
Riolering en afkoppelen Voor zover het bestemmingsplan nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt, is het van belang dat er met Rijnland afstemming plaatsvindt over het omgaan met afvalwater en hemelwater. Overeenkomstig het rijksbeleid gaat Rijnland uit van een voorkeursvolgorde voor de omgang met deze waterstromen. Deze houdt in dat allereerst geprobeerd moet worden het ontstaan van (verontreinigd) afvalwater te voorkomen, bijvoorbeeld door het toepassen van niet uitlogende bouwmaterialen en het vermijden van vervuilende activiteiten op straat zoals auto's wassen en chemische onkruidbestrijding. Vervolgens is het streven vuil water te scheiden van schoon water, bijvoorbeeld door het afkoppelen van hemelwaterafvoeren van gemengde rioolstelsels.
47/116
De laatste stap in de voorkeursvolgorde is het zuiveren van het afvalwater. De doelmatigheid daarvan wordt vergroot door het scheiden van de schone en de vuile stromen. De gemeente kan gebruik maken van deze voorkeursvolgorde bij de totstandkoming van het gemeentelijk rioleringsplan (GRP), waarin de uiteindelijke afweging wordt gemaakt en waarbij doelmatigheid van de oplossing centraal staat. Onderzoek Huidige situatie Het plangebied betreft een ingesloten terrein tussen de Weerlanervaart, Weerlaan en Schellinkhout. In het huidige plangebied heeft de bodem nog geen bestemming. Bodem en grondwater Vanwege de ligging binnen de bebouwde kom is het projectgebied niet gekarteerd. In de omgeving van het plangebied ligt voornamelijk leemarm zand. Er is sprake van grondwatertrap II. Dit wil zeggen dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) lager is dan 40 centimeter onder maaiveld. De gemiddelde laagste grondwaterstand (GLG) schommelt tussen de 50 centimeter en 80 centimeter onder maaiveld. Waterkwantiteit Het plangebied wordt aan alle zijden begrensd door watergangen behorende tot de categorie 'primair' of 'overig'. Volgens de Legger van het Hoogheemraadschap van Rijnland kent de watergang behorende tot de categorie 'overig' een beschermingszone van 2 meter.
Binnen deze beschermingszones gelden beperkingen voor bouwen en aanleggen om onderhoud aan de watergang mogelijk te houden. De beschermingszones strekken zich uit tot 5 meter binnen het plangebied. Bij de bouw van de nieuwe woningen dienen deze beschermingszones in acht te worden genomen.
Figuur 5.4 Uitsnede Legger oppervlaktewateren. Het plangebied is rood omkaderd. Bron: Legger Hoogheemraadschap van Rijnland
48/116
Watersysteemkwaliteit en ecologie Binnen het plangebied of in de nabije omgeving liggen geen oppervlaktewaterlichamen die zijn aangewezen vanuit de Kaderrichtlijn Water. Er bevinden zich ook geen natte ecologische verbindingszone zoals opgenomen in het (provinciale) Natuurnetwerk Nederland binnen of in de nabijheid van het plangebied. Veiligheid en waterkeringen Het plangebied grenst in het noorden aan de kern‐ of beschermingszone van een waterkering. Binnen deze zones gelden beperkingen voor bouwen en aanleggen om te voorkomen dat de stabiliteit, het profiel en/of de veiligheid wordt aangetast. Er is vastgesteld dat in 2009 de stabiliteit van de kering is verstoord als gevolg van de aanleg van een damwand. Hiervoor zijn maatregelen genomen en is er een alternatief uitgewerkt.
Figuur 5.5 Plangebied (zwart omkaderd) met waterkeringen. Bron: Hoogheemraadschap van Rijnland Afvalwaterketen en riolering Het plangebied is aangesloten op het gemeentelijke rioolstelsel. Toekomstige situatie In de toekomstige situatie zullen er 47 woningen gerealiseerd worden op een gebied dat op dit moment nog grotendeels onbebouwd is. Daarnaast komt er een watergang te vervallen en wordt er een waterpartij vergroot. Ook de polder ten noorden van de Weerlanervaart zal worden vergroot. Waterkwantiteit Hoogheemraadschap van Rijnland hanteert het uitgangspunt dat bij een toename van het verhard oppervlak met 500 m2 of meer de initiatiefnemer een oppervlakte ter grootte van minimaal 15% van het nieuw aan te leggen verhard oppervlak dient te reserveren voor extra open water als compensatie. Het nieuwe open water moet aangesloten worden op het bestaande watersysteem.
49/116
Uitgangspunt hierbij is dat de aanleg van verhard oppervlak geen negatieve gevolgen mag hebben op het watersysteem. De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van 47 woningen. Het is echter de afronding van een totale woonwijk die gefaseerd tot ontwikkeling is gekomen en nog ontwikkeld wordt. In dat licht moet de watercompensatie in een breder licht bezien worden dan sec de compensatie die voor dit deelgebied benodigd is. Voor de ontwikkeling in het noordelijke deel van de Vossepolder heeft het Waterschap in 2007 een Keurvergunning afgegeven die uitgaat van 5.270 m2 te compenseren oppervlaktewater in de wijk. De keurvergunning is opgesteld op basis van 2.970 m2 aan demping en 17.640 m2 toename aan verhard oppervlak. Inmiddels is dit achterhaald, en gaat het om een toename aan verharding van 20.355 m2. Dit houdt in dat er 6.023 m2 aan oppervlaktewater gecompenseerd dient te worden. In overleg met het Hoogheemraadschap is bekeken waar in de laatste fasen (fasen 3, 4, 5 en 6) extra water aangelegd kan worden. De watercompensatie is niet volledig sluitend te krijgen binnen het plangebied. In overleg met het Hoogheemraadschap van Rijnland is afgesproken dat het te compenseren water niet in de polder zelf maar in de boezem gecompenseerd wordt. Er is in de boezem een positief saldo van 900 m2 water. De nog te graven vierkante meters aan water wordt hiermee verrekend.
Deze afspraak wordt als voorwaarde opgenomen in de af te geven vergunning door het Hoogheemraadschap. Watersysteemkwaliteit en ecologie Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet‐uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw‐ als de gebruiksfase. Veiligheid en waterkeringen In het noorden grenst het plangebied aan een beschermingszone. Daarom moet er een vergunning aangevraagd worden om hier het plan te kunnen realiseren. Zo wordt voorkomen dat de stabiliteit, het profiel en/of de veiligheid wordt aangetast. Afvalwaterketen en riolering Ten aanzien van de afvoer van het afvalwater zal deze aangesloten worden op het bestaande rioolsysteem. Conclusie De in dit bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkelingen zijn onderzocht in het plangebied. Hieruit blijkt dat in overleg met het Hoogheemraadschap tot passende watercompensatie is gekomen. Ook zijn er maatregelen genomen om de stabiliteit van de kering te kunnen waarborgen. Hierdoor heeft de ontwikkeling geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.
50/116
4.9
Ecologie
Toetsingskader Met de Wet natuurbescherming zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier‐ en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming Bescherming van natuurgebieden wordt gewaarborgd door de Wet natuurbescherming (Wnb) en de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro). Natura 2000‐gebieden worden beschermd door de Wnb en het Natuurnetwerk Nederland (NNN) wordt beschermd door de Wro. Natura‐2000 gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000‐gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.
Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. alternatieve oplossingen zijn niet voor handen; 2. het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en 3. de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000‐netwerk bewaard blijft. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; overige soorten.
51/116
De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden.
De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen. Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zuid‐Holland In de provincie Zuid‐Holland wordt vrijstelling verleend voor het weiden van vee en voor het op of in de bodem brengen van meststoffen. In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied, bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw, bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of natuurbeheer, of bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied worden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage 6 bij de verordening.
Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, hermelijn, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat. Onderzoek Gebiedsbescherming Het plangebied vormt geen onderdeel van een natuur‐ of groengebied met een beschermde status, zoals Natura2000‐gebied, weidevogelgebied, Natuurnetwerk Zuid‐Holland en de daarmee samenhangende strategische reservering natuur of de karakteristieke landschapselementen. Wel ligt het gebied op een kleine 3,5 km van het stikstofgevoelige Natura 2000‐gebied Kennemerland‐Zuid, dat ook beschermd is tegen mogelijke effecten van externe ontwikkelingen. Daarom is een AERIUS‐berekening noodzakelijk.
52/116
Figuur 5.8 plangebied ten opzichte van Natura 2000 en Natuurnetwerk Nederland Vanwege de afstand zijn directe effecten zoals areaalverlies, versnippering, verandering van de waterhuishouding en verstoring op voorhand uitgesloten. Om negatieve effecten als gevolg van een toename van stikstofdepositie binnen Natura 2000‐gebieden uit te sluiten is een stikstofberekening gemaakt. Met het programma AERIUS Calculator is een berekening uitgevoerd om de gevolgen voor de stikstofdepositie binnen Natura 2000‐gebieden in beeld te brengen en te toetsen of de eventuele toename past binnen de eisen die gelden op grond van de Wet natuurbescherming. De toelichting is opgenomen in Bijlage 5, de losse berekening in bijlage 6. Uit de berekening blijkt dat geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol N/ha/jr. Dit betekent dat de beoogde ontwikkeling niet leidt tot een significant negatieve aantasting van Natura 2000‐gebied. Het bestemmingsplan is daarom in het kader van de Wet natuurbescherming uitvoerbaar, zonder verdere passende beoordeling en milieueffectrapportage. Soortenbescherming Er is een Quickscan uitgevoerd voor het laatste deelgebied langs de noordrand van het plangebied. Deze QuickScan is uitgevoerd door Jansen & Jansen Groenadviesbureau. De rapportage hiervan is terug te vinden in Bijlage 7.
Uit de conclusies van dit rapport blijkt dat de beoogde ontwikkeling uitgevoerd kan worden zonder dat daarbij de Wet natuurbescherming overtreden wordt.
53/116
Wel zal hiervoor met de volgende zaken rekening gehouden moeten worden: Er dient rekening gehouden te worden met de aanwezigheid van verblijfplaatsen van algemene broedvogels in de ruigtevegetatie langs de randen van het onderzoeksgebied. Actieve nesten van vogels zijn altijd beschermd door de Wet natuurbescherming. Om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen wordt aangeraden om de rooi‐ en kapwerkzaamheden uit te voeren buiten het broedseizoen. Als het toch noodzakelijk is om deze werkzaamheden uit te voeren tijdens het broedseizoen, dan dient daags voor aanvang van de werkzaamheden het werkgebied te worden gecontroleerd op de aanwezigheid van actieve nesten; Daarnaast moet rekening gehouden met de vlieg‐ en foerageerroute van de gewone dwergvleermuis langs de Weerlanervaart. De strook langs de Weerlanervaart heeft de bestemming Groen. Hierin is onder andere realisatie van groen‐ en speelvoorzieningen en langzaamverkeerverbindingen mogelijk. Het is belangrijk dat niet meer verlichting wordt toegepast dan strikt noodzakelijk. Indien het noodzakelijk is verlichting aan te brengen moet deze vleermuisvriendelijk worden uitgevoerd. De lichtbundel moet geconvergeerd en verticaal naar beneden gericht zijn en worden uitgevoerd in een vleermuisvriendelijke verlichtingskleur, bijvoorbeeld met amber.
De verlichting moet zodanig worden aangebracht dat deze niet uitstraalt op de watergang, zodat deze gebruikt kan blijven worden als vliegroute en foerageergebied. Er dient rekening gehouden te worden met de in de watergang aanwezige algemene vis‐ en amfibiesoorten (o.a. bruine kikker). De watergang dient op een vis‐ en amfibievriendelijke manier gedempt te worden, buiten de gevoelige periode van voortplanting en winterrust. Bij voorkeur dient dit dempen te worden begeleid door een ter zake kundige op het gebied van diervriendelijk dempen van watergangen. Globaal bestaat het diervriendelijk dempen uit de volgende stappen: 1. Afdammen van de watergang; 2. Afvissen van de watergang (kan hier met netten); 3. Uitpompen, of uitscheppen van het water naar een naastgelegen watergang; 4. Opnieuw afvissen van de watergang (watergang heeft nu een maximale diepte van 15 cm); 5. Voorzichtig baggeren van de s loot en slib uitspreiden over de oever, de overgebleven vissen en amfibieën worden hierbij verzameld; 6. Alle gevonden fauna wordt in een tijdelijke opvangbak gedaan; 7. De gevonden fauna wordt uitgezet in een naastgelegen, soortgelijke watergang; 8. De sloot wordt kort hierop gedempt.
Naast de bevindingen uit de genoemde quick scan, is er als gevolg van de eerdere sloop van de manege nog de geldende afspraak dat er binnen deelgebied 6 permanente voorzieningen voor de vleermuis en huismus gerealiseerd dienen te worden. Dit vloeit voort uit een activiteitenplan dat met deze sloop gemoeid is. Het gaat om de aanleg van 20 inbouwkasten voor vleermuizen en 20 kasten voor huismussen. Aan de omgevingsvergunning wordt de voorwaarde verbonden voor het plaatsen van 20 inbouwkasten voor vleermuizen en 20 kasten voor huismussen. De exacte locaties hiervoor zijn in bekend en zijn akkoord bevonden door het bevoegd gezag, de Omgevingsdienst Zuid‐Holland Zuid. Het plan is in bijlage 10 weergegeven. Conclusie Uit de AERIUS berekening blijkt dat de Natura 2000‐gebieden de beoogde ontwikkeling niet in de weg zitten. Uit de Quickscan is gebleken dat, rekening houdend met de genoemde aandachtspunten, uitvoering van het plan mogelijk is binnen de kader van de Wet natuurbescherming. Op basis hiervan vormt het aspect ecologie geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
54/116
4.10 Vormvrije m.e.r.‐beoordeling In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten planmer‐plichtig, projectmer‐plichtig of mer‐beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: de kenmerken van de projecten; de plaats van de projecten; de kenmerken van de potentiële effecten. Onderzoek en conclusie In dit bestemmingsplan worden 47 woningen mogelijk gemaakt. In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de 'aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r.‐beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer'. De beoogde ontwikkeling bestaat uit de realisatie van 47 woningen en blijft daarmee onder de drempelwaarde. Omdat het project onder de drempelwaarde uit het Besluit m.e.r.
blijft, kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r.‐beoordeling. Deze is opgenomen als Bijlage 11 bij deze toelichting en hieruit blijkt dat geen sprake is van (mogelijke) significant negatieve effecten. Het doorlopen van een verdere (formele) mer‐procedure is om die reden niet nodig. Op basis van de in Bijlage 11 opgenomen vormvrije m.e.r.‐beoordeling, dient het bevoegd gezag uiterlijk bij de vaststelling van dit bestemmingsplan het m.e.r.‐beoordelingsbesluit genomen te hebben.
55/116
56/116
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische planbeschrijving
Planvorm
Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld als een gedetailleerd eindplan. Gedetailleerd wil zeggen dat de bouw‐ en gebruiksmogelijkheden gedetailleerd zijn vastgelegd en zo een herkenbaar beeld geven van de eindsituatie. De directe bestemmingslegging houdt in dat er op basis van dit bestemmingsplan direct omgevingsvergunningen verleend kunnen worden, er is bijvoorbeeld geen sprake van wijzigings‐ of uitwerkingsprocedures die eerst nog doorlopen moeten worden. Tijdens het planproces is bovendien gekozen voor de procedure waarbij de aanvraag van de omgevingsvergunning door BPD gelijktijdig met de behandeling van het bestemmingsplan in procedure wordt gebracht door middel van de zogenoemde coördinatieregeling. Dit leidt ertoe dat uiteindelijk op een en hetzelfde moment het bestemmingsplan wordt vastgesteld en de omgevingsvergunning wordt verleend.
5.2
Verbeelding
De verbeelding en in samenhang daarmee ook de regels zijn opgesteld conform de landelijke standaard SVBP2012. De verbeelding is opgebouwd uit diverse enkele bestemmingen, waarvan in de regels is bepaald wat hier de bouw‐ en gebruiksmogelijkheden zijn. Zoals in de vorige paragraaf reeds benoemd is sprake van een gedetailleerd plan, wat maakt dat de verbeelding al een herkenbaar beeld geeft van het door BPD uitgewerkte bouwplan. Op de verbeelding is binnen de bestemming Wonen met bouwvlakken weergegeven waar de hoofdgebouwen gerealiseerd mogen worden en diverse aanduidingen op de verbeelding corresponderen met specifieke bepalingen uit de regels. Zo zijn op de verbeelding de toegestane goot‐ en bouwhoogten, het maximum aantal woningen per bouwvlak en het type woningen (vrijstaand, aaneengebouwd, gestapeld) aangeduid. Hier wordt in de regels naar verwezen.
5.3
Uitleg van de planregels
5.3.1
Inleidende regels
Artikel 1 Begripsbepalingen In dit artikel worden de begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd voor zover deze begrippen van het 'normale' spraakgebruik afwijken of een specifiek juridische betekenis hebben. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan zal moeten worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Artikel 2 Wijze van meten Het onderhavige artikel geeft aan hoe hoogte‐ en andere maten die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden.
57/116
5.3.2
Bestemmingsregels
Artikel 3 Groen Het structureel, openbaar groen is bestemd als Groen. Deze bestemming laat in hoofdzaak de inrichting als openbaar groen toe. Daarnaast zijn ook elementen als speelvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen en langzaamverkeersverbindingen (voet‐ en fietspaden) toegestaan. Binnen deze bestemming zijn gebouwen uitgesloten. Overige bouwwerken (logischerwijs uitsluitend ten behoeve van het toegestane gebruik) kent in de regel een beperkte bouwhoogte van 4 m. Artikel 4 Verkeer De hoofdstructuur voor auto‐ en (brom)fietsverkeer is bestemd als Verkeer. Hierbinnen bevinden zich de wegen, doorgaande fietspaden en parkeerplaatsen. Binnen deze bestemming zijn gebouwen uitgesloten en dient overige bebouwing ‐ met uitzondering van verlichting, verkeersregeling en bewegwijzering ‐ te voldoen aan een hoogtemaat van maximaal 3 m. Artikel 5 Water De hoofdwatergangen en hoofdwaterstructuur binnen de wijk zijn bestemd als Water. Hiermee is niet alleen de ligging en de structuur van het water vastgelegd, maar ook de oppervlakte aan water. Dit laatste is relevant in verband met de opgave aan te realiseren oppervlaktewater ter compensatie van de toename aan verharding als gevolg van de Vossepolder als geheel. Artikel 6 Wonen De bestemming Wonen is opgenomen op die gronden die als uitgeefbare woonkavels worden ingericht.
Met bouwvlakken is op de verbeelding vastgelegd waar de hoofdgebouwen gesitueerd mogen worden, waarvan ook de goot‐ en bouwhoogte, het aantal woningen en het type woningen op de verbeelding is aangeduid. In tegenstelling tot de hoofdgebouwen, mag overige bebouwing ook buiten het bouwvlak worden gerealiseerd. De regels bepalen daarbij dat bijbehorende bouwwerken uitsluitend vanaf 2,5 m achter de voorgevel gerealiseerd mogen worden, waarmee de voorerven een open karakter behouden. Hier wordt verder aan bijgedragen doordat ook erfafscheidingen en overige bouwwerken, voor de voorgevel een beperking kennen in de toegestane bouwhoogte in vergelijking met wanneer deze achter de voorgevel van het hoofdgebouw worden gerealiseerd. Artikel 7 Leiding ‐ Gas De gasleiding langs de noordrand van het plangebied is voorzien van de dubbelbestemming Leiding ‐ Gas. Hiermee is niet alleen de aanwezigheid van de leiding toegestaan, maar worden ook voorwaarden gesteld aan het bouwen en andere (grond)werkzaamheden bedoeld voor andere ‐ ter plaatse voorkomende ‐ bestemmingen. Bepaalde werkzaamheden zijn alleen mogelijk nadat hiervoor een vergunning is aangevraagd waarbij de vraag centraal staat of deze werkzaamheden het leidingbelang schaden.
58/116
Artikel 8 Waterstaat ‐ Waterkering Langs de Weerlanervaart, de Ringvaart en de Vossevaart zijn regionale waterkeringen aanwezig die bestemd zijn als Waterstaat ‐ Waterkering. Met deze dubbelbestemming wordt zowel de aanwezigheid van de waterkering vastgelegd als beschermd. De bescherming bestaat eruit dat er voorwaarden worden gesteld aan het bouwen en andere (grond)werkzaamheden bedoeld voor andere ‐ ter plaatse voorkomende ‐ bestemmingen. Bepaalde werkzaamheden zijn alleen mogelijk nadat hiervoor een vergunning is aangevraagd waarbij de vraag centraal staat of deze werkzaamheden het leidingbelang schaden, waarover advies ingewonnen dient te worden bij de leidingbeheerder. 5.3.3
Algemene regels
In het hoofdstuk 'Algemene regels' zijn regels opgenomen die betrekking hebben op meerdere of alle bestemmingen in het bestemmingsplan. Dit zijn onder andere de regels die verplicht zijn gesteld in het Besluit ruimtelijke ordening zoals de anti‐dubbeltelbepaling. In het navolgende zijn de algemene regels beschreven die specifiek van toepassing zijn op het onderhavige bestemmingsplan. Artikel 9 Anti‐dubbeltelregel Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing. Artikel 10 Algemene bouwregels Dit artikel voorziet in bouwregels die algemeen van toepassing zijn. Los van de bestemming die op een specifieke locatie geldt en de bouwregels die voor die bestemming zijn opgenomen in hoofdstuk 2, zijn de algemene bouwregels uit Hoofdstuk 3 altijd van toepassing. In dit plan zijn algemene bouwregels opgenomen met betrekking tot het overschrijden van bouwgrenzen, de wijze waarop met bestaande afwijkende maatvoering wordt omgegaan en het vereiste om bij bouwplannen in het benodigde aantal parkeerplaatsen en eventueel benodigde ruimte voor laden en lossen te voorzien. Artikel 11 Algemene afwijkingsregels Dit artikel maakt het mogelijk van de bestemmingsregels af te wijken voor kleine afwijkingen.
Artikel 12 Overige regels In de overige regels is vastgelegd dat daar waar naar wettelijke regelingen en bepalingen wordt verwezen, deze gelezen dienen te worden zoals luidend op het moment van vaststelling van dit bestemmingsplan. Ook is in dit artikel de koppeling gelegd met het gemeentelijk parkeerbeleid, waarmee de daarin opgenomen parkeernormen van toepassing worden verklaard.
59/116
5.3.4
Overgangs‐ en slotregels
Artikel 13 Overgangsrecht Overgangsrecht bouwwerken Uitbreiding van de bebouwing die onder het overgangsrecht valt is slechts mogelijk met afwijking van het bevoegd gezag. Overgangsrecht gebruik Betreft de overgangsbepaling met betrekking tot gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken voor zover dat gebruik afwijkt van het bestemmingsplan op het moment dat dit rechtskracht verkrijgt. Artikel 14 Slotregel Dit artikel geeft aan onder welke naam dit plan kan worden aangehaald.
60/116
Hoofdstuk 6 6.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Overleg ex artikel 3.1.1 Bro
Het bestemmingsplan is in het kader van het wettelijk verplichte vooroverleg toegestuurd aan de relevante overlegpartners. In dat verband zijn reacties ontvangen van de volgende instanties: Gasunie; Veiligheidsregio Hollands Midden; Hoogheemraadschap van Rijnland Tevens zijn de milieuonderzoeken tijdens deze ronde beoordeeld door de Omgevingsdienst West Holland. Naar aanleiding van de overlegreacties is het plan op onderdelen aangepast en aangevuld. Dit heeft betrekking gehad op de paragraaf over externe veiligheid, de waterparagraaf en het artikel ' Leiding ‐ Gas'. Ook de beoordeling door de ODWH van de uitgevoerde milieuonderzoeken heeft geleid tot aanvullingen in (een aantal van) de uitgevoerde onderzoeken. De betreffende (milieu)paragrafen zijn naar aanleiding daarvan eveneens geactualiseerd. De overlegreacties hebben hiermee vooral geleid tot een aanvulling in de motivering van het plan, en niet in de ruimtelijke mogelijkheden die met dit bestemmingsplan geboden worden.
6.2
Participatie
De initiatiefnemer en gemeente gaan rond de start van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan een bijeenkomst organiseren om omwonenden en belangstellenden te informeren over de woningbouw van Fase 6 Vossepolder.
6.3
Zienswijzen
Het ontwerpbestemmingsplan heeft conform de wettelijke verplichtingen voor een periode van 6 weken ter inzage gelegen. De zienswijzen die tijdens deze termijn ontvangen zijn, zijn door de gemeente in behandeling genomen en van een beantwoording gezien. Dit is vastgelegd in de Nota zienswijzen, die als Bijlage 13 bij dit bestemmingsplan is opgenomen. De zienswijzen hebben niet geleid tot wijzigingen in het bestemmingsplan, ten opzichte van het ontwerp‐bestemmingsplan.
61/116
62/116
Hoofdstuk 7
Economische uitvoerbaarheid
De gemeente Hillegom is eigenaar van de grond en voor dit gebied is een Grondexploitatieplan Vossepolder van toepassing waarin de economische uitvoerbaarheid en het kostenverhaal afdoende is verzekerd. Jaarlijks wordt de Grondexploitatie Vossepolder herzien. Het vaststellen van een exploitatieplan is dan ook niet nodig. Met de initiatiefnemer van de te ontwikkelen woningen is in december 2021 een Koop‐ en Realisatieovereenkomst gesloten.
63/116
64/116
BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING
Bijlage 1 Bodemonderzoek deelgebied 1
RAPPORT Milieuhygiënisch vooronderzoek en verkennend bodemonderzoek plangebied ‘‘Vossepolder’’ te Hillegom
Kenmerk Datum
: 1810L897/JHA/rap1 : 15 maart 2019
Opdrachtgever : Rho Adviseurs B.V. Dhr. S. den Breejen Delftseplein 27b 3013 AA Rotterdam
Goedkeuring
Datum
Handtekening
Dhr. J. van Haaster BBE (Adviseur)
Opsteller, auteur
15-03-2019
Dhr. J. Wijnands (Projectleider)
2e lezerschap, vrijgave rapportage
15-03-2019
BRL SIKB 2000 VKB-protocol 2001, 2002
INHOUDSOPGAVE 1.
INLEIDING ........................................................................................................................................... 3
2.
MILIEUHYGIENISCH VOORONDERZOEK ......................................................................................... 5
2.1
AANLEIDING VOORONDERZOEK............................................................................................. 5
2.2
AFBAKENING ONDERZOEKSGEBIED ...................................................................................... 5
2.3
POTENTIELE BRONNEN VAN BODEMVERONTREINIGING ................................................... 6
2.4
BODEMKWALITEIT EN ASBEST ............................................................................................... 6
2.5
BODEMOPBOUW EN GEOHYDROLOGIE ................................................................................ 7
2.6
BEINVLOEDING ......................................................................................................................... 7
2.7
BODEMVERONTREINIGING ...................................................................................................... 8
2.8
TERREINVERKENNING ............................................................................................................. 8
2.9
BEOORDELING .......................................................................................................................... 9
2.10
CONCLUSIE EN HYPOTHESESTELLING ................................................................................. 9
3.
VERKENNEND BODEMONDERZOEK ............................................................................................. 10
3.1
ONDERZOEKSSTRATEGIE ..................................................................................................... 10
3.2
UITVOERING VELDONDERZOEK ........................................................................................... 10
3.3
UITVOERING LABORATORIUMONDERZOEK ........................................................................ 12
3.4
BESPREKING ONDERZOEKSRESULTATEN ......................................................................... 12
3.5
INTERPRETATIE ...................................................................................................................... 15
3.6
TOETSING HYPOTHESE ......................................................................................................... 15
3.7
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN ...................................................................................... 16
4.
BETROUWBAARHEID ...................................................................................................................... 17
Bijlagen Milieuhygiënisch vooronderzoek 1 Kaarten en tekeningen 1.1 Topografische kaart 2 2.1 2.2 2.3
Informatie vooronderzoek Rapportage omgevingsdienst West-Holland Fotoreportage Kaartmateriaal
Verkennend bodemonderzoek 3 Situatietekening 4.
Formulieren veldonderzoek
5.
Boorstaten en legenda
6. 6.1 6.2
Analysecertificaten Certificaten grond Certificaten grondwater
7 7.1 7.2
Toetsingstabellen Toetsingsresultaten grond Toetsingsresultaten grondwater
1810L897/JHA/rap1 Pagina 2 van 17
1.
INLEIDING
In opdracht van Rho Adviseurs B.V. is een milieuhygiënisch vooronderzoek en een verkennend milieukundig bodemonderzoek uitgevoerd. De onderzoekslocatie betreft plangebied ‘‘Vossepolder’’ te Hillegom.
Afbeelding 1: plangebied ‘‘Vossepolder’’ te Hillegom
Aanleiding en doelstelling Het onderzoek is uitgevoerd in verband met de voorgenomen ontwikkeling van het terrein en bijbehorende aanvraag van een omgevingsvergunning (activiteit bouwen). In het kader van de Woningwet/Gemeentelijke Bouwverordening dient een omgevingsvergunningaanvraag (activiteit bouwen) vergezeld te gaan van een rapportage inzake de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem. De doelstelling van het verkennend bodemonderzoek is het bepalen van de milieuhygiënische kwaliteit van de landbodem (grond en grondwater) ter plaatse van de onderzoekslocatie. Milieuhygiënisch vooronderzoek Voorafgaand aan een verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740+A1;2016 dient een milieuhygiënisch vooronderzoek te worden uitgevoerd conform de NEN 5725;2017. Op basis van de informatie uit het vooronderzoek wordt een onderzoekshypothese geformuleerd. Het doel van het vooronderzoek is inzicht te verkrijgen in de mogelijke aanwezigheid van verontreinigingen ter plaatse van de onderzoekslocatie. Hierbij wordt een inschatting gemaakt van de aard, mate, oorzaak en ligging van mogelijke verontreinigingen. Ook kunnen de resultaten van het vooronderzoek worden gebruikt bij de interpretatie van de resultaten van het bodemonderzoek.
Om dit doel te bereiken wordt relevante informatie over de onderzoekslocatie en eventueel de beïnvloeding vanuit de directe omgeving verzameld, geanalyseerd en geïnterpreteerd. De te verzamelen informatie is afhankelijk van de aanleiding en het doel van het vooronderzoek en heeft betrekking op locatiegegevens, bodemopbouw, geohydrologie, te verwachten bodemkwaliteit en potentieel bodembedreigende activiteiten op de locatie waar het vooronderzoek betrekking op heeft. 1810L897/JHA/rap1 Pagina 3 van 17
Verkennend bodemonderzoek Ter bepaling van de milieuhygiënische bodemkwaliteit binnen de begrenzing van de onderzoekslocatie, is de norm NEN 5740+A1;2016 gehanteerd. Deze norm beschrijft de werkwijze voor het opstellen van de onderzoeksstrategie bij een verkennend bodemonderzoek naar de (mogelijke) aanwezigheid van bodemverontreiniging en de werkwijze voor het bepalen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem en eventueel vrijkomende grond. Op basis van de informatie uit het milieuhygiënisch vooronderzoek wordt een onderzoekshypothese geformuleerd. Elke uit het milieuhygiënisch vooronderzoek resulterende onderzoekshypothese over de aan- of afwezigheid van bepaalde verontreinigende stoffen en de wijze van verspreiding wordt getoetst met een locatie specifieke onderzoeksstrategie. Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt het milieuhygiënisch vooronderzoek stapsgewijs besproken. Het milieuhygiënisch vooronderzoek bestaat achtereenvolgens uit het vaststellen van de aanleiding en de afbakening van het onderzoeksgebied. Vervolgens wordt informatie verzameld van de voorgeschreven onderzoeksaspecten en worden de onderzoeksvragen beantwoord. Op basis hiervan worden conclusies getrokken en wordt de hypothese voor de onderzoekslocatie vastgesteld. In hoofdstuk 3 wordt het verkennend bodemonderzoek stapsgewijs besproken.