CConstaterende datHillegom
Koppel je AI →
Document · PDF

1.5 Bijlage Natuurtoets.pdf

Gemeenteraad 27 maart 2025, gemeente HillegomBij agendapunt: 11: Adviesrecht gemeenteraad BOPA Graaf Janlaan fase 14.732 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Natuurtoets sloop en nieuwbouw appartementen Graaf Janlaan e.o., Hillegom Toetsing aan de Wet natuurbescherming 22 juli 2021

Kenmerk

R001-1282485MTR-V01-efm-NL

Verantwoording Titel

Natuurtoets sloop en nieuwbouw appartementen Graaf Janlaan e.o., Hillegom

Opdrachtgever

Plegt-Vos

Projectleider

Sietse-Jelle Bijkerk MSc.

Auteurs

Mickey Tromp

Tweede lezer

Adrie van Hooff

Uitvoering veldwerk

Mickey Tromp

Projectnummer

1282485

Aantal pagina’s

21

Datum

22 juli 2021

Handtekening

Ontbreekt in verband met digitale verwerking. Dit rapport is aantoonbaar vrijgegeven.

Colofon TAUW bv Australiëlaan 5 Postbus 3015 3502 GA Utrecht T +31 30 28 24 82 4 E info.utrecht@tauw.com

2/21

Kenmerk

R001-1282485MTR-V01-efm-NL

Inhoud 1

2

3

Inleiding ..................................................................................................................................... 4 1.1

Doel .................................................................................................................................... 4

1.2

Wetgeving .......................................................................................................................... 4

1.3

Te beschouwen onderdelen Wnb ...................................................................................... 4

1.4

Werkwijze ........................................................................................................................... 5

1.5

Kwaliteit .............................................................................................................................. 5

1.6

Uitgangspunten .................................................................................................................. 5

Situatie en beoogde ontwikkeling .............................................................................................. 6 2.1

Huidige situatie ................................................................................................................... 6

2.2

Beoogde ontwikkeling ........................................................................................................ 7

Soortenbescherming ................................................................................................................. 8 3.1

Beschermingsregime en bepalingen .................................................................................. 8

3.2

Vrijstellingen ....................................................................................................................... 8

3.3

Zorgplicht ........................................................................................................................... 9

3.4

Literatuuronderzoek ........................................................................................................... 9

3.5

Effecten ............................................................................................................................ 11

3.5.1

Grondgebonden zoogdieren ..................................................................................... 11

3.5.2

Vleermuizen .............................................................................................................. 11

3.5.3

Vogels ....................................................................................................................... 13

4

Conclusies en aanbevelingen.................................................................................................. 18

5

Literatuur ................................................................................................................................. 20

3/21

Kenmerk

R001-1282485MTR-V01-efm-NL

1 Inleiding Dit hoofdstuk bevat achtergrondinformatie over het doel van de toetsing, de relevante natuurwetgeving, de wijze van kwaliteitsborging en de te hanteren uitgangspunten voor toetsing.

1.1

Doel

In opdracht van Plegt-Vos heeft TAUW onderzoek gedaan naar de consequenties van de Wet natuurbescherming voor de sloop en nieuwbouw van appartementen te Hillegom. De ontwikkeling kan alleen doorgaan als deze niet in strijd is met de natuurwetgeving, of als de benodigde vergunningen en/of ontheffingen kunnen worden verleend. In de rapportage volgt het antwoord op de volgende vragen: • Welke onderdelen van de Wet natuurbescherming (hierna te noemen Wnb) zijn van belang? • In hoeverre is de beoogde ontwikkeling (mogelijk) strijdig met de Wnb? • •

1.2

Zijn maatregelen en/of een ontheffing/vergunning nodig? Wat betekent dit voor de verdere planvorming en uitvoering?

Wetgeving

Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (hierna te noemen “Wnb”) in werking. De Wnb is het nieuwe wettelijke stelsel voor natuurbescherming en vervangt drie tot dan bestaande wetten, namelijk de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. Het beschermingsregime gaat uit van het “nee, tenzij-principe“. Dit betekent dat de genoemde verbodsbepalingen in de Wnb voor bescherming van gebieden, soorten en houtopstanden altijd gelden. Het afwijken hiervan is alleen onder voorwaarden toegestaan. Gedeputeerde Staten (GS) van de provincie Zuid-Holland is het bevoegd gezag voor het verlenen van toestemming door middel van een vergunning, ontheffing of vrijstelling.

1.3

Te beschouwen onderdelen Wnb

Het is noodzakelijk om de ontwikkeling te toetsen aan soortenbescherming vanwege de mogelijke aanwezigheid van flora en fauna. Voor bescherming van gebieden is toetsing aan Natura 2000doelen van belang. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied ‘Kennemerland-Zuid ligt op circa drie kilometer afstand van het plangebied. Vanwege de afstand tot Natura 2000-gebieden en de aard van de werkzaamheden zijn negatieve effecten door trilling, geluid, licht en optische verstoring et cetera uitgesloten. Sinds 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) in werking getreden. Als gevolg daarvan zijn bouw- en sloopwerkzaamheden vrijgesteld van natuurvergunningsplicht voor het aspect stikstofdepositie. Er hoeft daarom niet te worden getoetst op effecten op Natura 2000-gebieden (Wnb onderdeel gebiedsbescherming). Toetsing in het kader van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is niet nodig, aangezien het plangebied niet binnen de begrenzing van het NNN ligt. Externe werking op het NNN hoeft in provincie ZuidHolland niet getoetst te worden. Onder de Wnb zijn sommige houtopstanden en solitaire bomen

4/21

Kenmerk

R001-1282485MTR-V01-efm-NL

ook beschermd. Een toetsing aan Wnb onderdeel houtopstanden is niet nodig, omdat het project binnen de bebouwde kom wordt uitgevoerd. Bij de kap van bomen in het plangebied is mogelijk wel een kapvergunning van de ‘Algemene plaatselijke verordening Hillegom’ vereist. Bomen met een stamdiameter groter dan 15 centimeter op 1,3 meter hoogte boven het maaiveld zijn vergunningplichtig. De doorlooptijd van een kapvergunning is acht weken. De (mogelijk benodigde) kapvergunning blijft verder buiten beschouwing in dit rapport.

1.4

Werkwijze

De mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten is bepaald aan de hand van de volgende gegevens: • • •

Regionale en landelijke verspreidingsatlassen en -data (zie ook H5) Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) Natuurkaart van TAUW (https://www.TAUW.nl/op-welk-terrein/ecologie/ecoviewer.html)

•

Een oriënterend veldbezoek op 5 juli 2021

Het doel van de literatuurstudie is om na te gaan welke beschermde soorten in of in de omgeving van het plangebied kunnen voorkomen. De ecoloog controleert tijdens het oriënterende veldbezoek of de locatie voldoet aan eisen die soorten aan hun leefomgeving stellen. Ook kijkt de ecoloog naar aanwijzingen van de aanwezigheid (zichtwaarnemingen en sporen van terreingebruik, zoals holen, uitwerpselen, haren, prooi- of voedselresten).

1.5

Kwaliteit

Voor soortenbescherming is een volledige garantie over de aanwezigheid niet te geven. Door inzet van deskundige ecologen en landelijk geaccepteerde onderzoeksmethodes wordt de kwaliteit van het onderzoek zoveel mogelijk gewaarborgd. Mede in dit kader is TAUW aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus, een samenwerkingsverband van adviesbureaus die ecologisch advies geven en ecologisch onderzoek verrichten.

1.6

Uitgangspunten

De volgende uitgangspunten zijn van toepassing op de beoogde ontwikkeling: 1. Alle appartementen in het plangebied worden gesloopt 2.

3.

Kap van bomen en struiken is onderdeel van de werkzaamheden. De bomen worden grotendeels behouden. Aangezien onduidelijk is welke bomen behouden blijven, wordt uitgegaan van een worst-case scenario waarbij alle bomen in het plangebied worden gekapt Er vinden geen werkzaamheden plaats in of aan oppervlaktewater

5/21

Kenmerk

R001-1282485MTR-V01-efm-NL

2 Situatie en beoogde ontwikkeling Dit hoofdstuk bevat achtergrondinformatie over de huidige situatie, het voorgenomen plan en de uit te voeren werkzaamheden.

2.1

Huidige situatie

Figuur 2.1 toont de ligging van het plangebied. Het gaat om 120 appartementen aan de Frederik Hendriklaan, Graaf Janlaan, Willem de Zwijgerlaan en Juliana van Stolberglaan te Hillegom in de provincie Zuid-Holland. De appartementencomplexen hebben aan de voor- en achterzijde tuinen. De beplanting in en langs het plangebied bestaat uit bomen, struiken, hagen en bodembedekkers. Tussen de Frederik Hendriklaan en Graaf Janlaan is een grasveld met speeltoestellen en een basketbalveldje aanwezig. In het plangebied is verharding in de vorm van klinkers en stoeptegels te vinden. Figuur 2.2 geeft een sfeerimpressie van het plangebied.

Figuur 2.1 Ligging van het plangebied (globaal begrensd)

6/21

Kenmerk

R001-1282485MTR-V01-efm-NL

Figuur 2.2 Impressie van het plangebied

2.2

Beoogde ontwikkeling

De beoogde ontwikkeling betreft de sloop van 120 appartementen en de nieuwbouw van 160 appartementen. In het plangebied worden bomen en struiken verwijderd, echter is het doel om een groot deel van de bomen te behouden. Vanwege de onzekerheid over welke bomen worden behouden, wordt uitgegaan van een worst-case scenario waarbij alle bomen in het plangebied worden gekapt.

7/21

Kenmerk

R001-1282485MTR-V01-efm-NL

3 Soortenbescherming In dit hoofdstuk volgt antwoord op de vraag de beoogde activiteiten schade op beschermde flora en fauna tot gevolg (kunnen) hebben.

3.1

Beschermingsregime en bepalingen

Het onderdeel soortenbescherming onder de Wnb heeft bepalingen opgenomen voor de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten. Het gaat onder meer om soorten die in Nederland, maar ook in Europa in hun voortbestaan worden bedreigd. De Wnb kent drie beschermingsregimes: •

Vogels: Het gaat hier om alle inheemse vogels in hun natuurlijk verspreidingsgebied. Ze zijn beschermd via de Europese Vogelrichtlijn; de bescherming is geregeld in artikel 3.1 van de Wnb

•

Dieren en planten: Het gaat hier om inheemse dieren en planten, die zijn beschermd via de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn; de bescherming is geregeld in artikel 3.5 van de Wnb

•

Nationale soorten: Het gaat hier om soorten, die niet onder de reikwijdte van de Vogel- of Habitatrichtlijn vallen. Deze soorten zijn wel nationaal beschermd; de bescherming is geregeld in artikel 3.10 van de Wnb

Per beschermingsregime geldt een aantal verbodsbepalingen. Hier is ook een beschrijving opgenomen onder welke voorwaarden een bevoegd gezag ontheffing of vrijstelling kan verlenen. Tabel 3.1 is een samenvatting van de verbodspalingen. Ze voorzien in een bescherming van verblijfplaatsen, evenals de bescherming tegen verstorende invloeden. Gedeputeerde Staten van provincie Zuid-Holland kan een ontheffing verlenen van de verboden als genoemd in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10.

3.2

Vrijstellingen

In de Wnb is een aantal algemene soorten amfibieën en zoogdieren onder de categorie “Nationale soorten”, zoals gewone pad, bruine kikker en konijn, landelijk vrijgesteld. Dit betekent dat geen ontheffing nodig is voor werken gericht op ruimtelijke inrichting en ontwikkeling en beheer en onderhoud. Provinciale Staten van de provincie Zuid-Holland hebben bevoegdheid om bij verordening deze soorten te beschermen (Provincie Zuid-Holland, 2016). Vrijgestelde soorten zijn niet meegenomen in deze toetsing.

8/21

Kenmerk

R001-1282485MTR-V01-efm-NL

Tabel 3.1 Verbodsbepalingen soortenbescherming onder de Wnb Verbodsbepaling

A

B

C

D

E

Vogels Vrl

Dieren Hrl/

Planten

Dieren

Planten

Hrl/

(‘nationaal’)

(‘nationaal’)

Bonn/Bern

Bonn/Bern Dieren of planten: Doden of vangen Storen/verstoren

3.1.1

3.5.1

3.1.4

3.5.2

3.10.1.a

(tenzij 3.1.5) Plukken, verzamelen, afsnijden,

3.5.5

3.10.1.c

ontwortelen of vernielen Onder zich hebben of vervoeren

3.2.6

3.6.2

3.6.2

Plaatsen: Vernielen, beschadigen of wegnemen

3.1.2

nesten Beschadigen of vernielen

3.5.4

voortplantingsplaatsen Beschadigen of vernielen rustplaatsen

3.10.1.b (vaste vp)

3.1.2

3.5.4

3.10.1.b (vaste rp)

Eieren: Vernielen (of –Vrl- beschadigen)

3.1.2

3.5.3

Rapen

3.1.3

3.5.3

Onder zich hebben

3.1.3

Toelichting: Codes verwijzen naar wetsartikelen Wet natuurbescherming. Oranje

verbodsbepaling geldt alleen wanneer sprake is van opzet.

Rood

verbodsbepaling geldt in alle gevallen, ook wanneer geen sprake is van opzet.

3.3

Zorgplicht

De zorgplicht (artikel 1.11 van de Wnb) houdt in dat handelingen, die nadelige gevolgen kunnen hebben voor in het wild levende dieren en planten achterwege worden gelaten. Als zich mogelijk negatieve effecten voordoen, dan treft de initiatiefnemer noodzakelijke maatregelen om die gevolgen te voorkomen of zo veel mogelijk te beperken/ongedaan te maken. Het betreft alle in het wild levende dieren en planten. De zorgplicht dient onder meer als vangnet voor de bescherming van soorten waarvoor op grond van de Wnb geen specifiek verbod geldt. De zorgplicht is overal van toepassing, ook buiten beschermde gebieden.

3.4

Literatuuronderzoek

Het voorkomen van de soorten in tabel 3.2 in of in de nabijheid van het plangebied is, op grond van het literatuuronderzoek, niet met zekerheid uit te sluiten.

9/21

Kenmerk

R001-1282485MTR-V01-efm-NL

De volgende soortgroepen zijn op voorhand uitgesloten en worden daarom niet verder behandeld in deze rapportage: • Flora: Het plangebied is grotendeels verhard; bevat een regelmatig gemaaid grasveld; en er zijn bomen, struiken, hagen en bodembedekkers te vinden. Door deze factoren zijn geen •

geschikte groeiplaatsen aanwezig in het plangebied voor beschermde flora. Vissen: In het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig is en vissen komen niet binnen de invloedsfeer van de beoogde ontwikkeling voor. Het voorkomen van beschermde vissen is

•

uitgesloten. Amfibieën en reptielen: Voor beschermde amfibieën is geen voortplantingswater aanwezig in het plangebied. In de directe omgeving is ook geen geschikt voortplantingswater te vinden. Door de verharding langs de aanwezige vegetatie is het plangebied ongeschikt als leefgebied voor beschermde amfibieën en reptielen. Vanwege het ontbreken van geschikt leefgebied zijn beschermde amfibieën en reptielen uitgesloten.

•

Libellen, vlinders en overige ongewervelden: Er is geen oppervlaktewater aanwezig in (de directe omgeving van) het plangebied om te dienen als voortplantingswater voor libellen. De beschermde vlindersoorten komen voor in duinland; terreinen met afwisseling in lage en hoge vegetaties; kruidenrijke heide; grasland; en bosgebied. Dergelijk leefgebied ontbreekt in het plangebied. Vanwege het ontbreken van oppervlaktewater is ook geen geschikt leefgebied aanwezig voor overige beschermde ongewervelden zoals platte schijfhoren. Om voorgaande redenen is het voorkomen van beschermde soorten ‘libellen, vlinders en overige ongewervelden’ uitgesloten.

Tabel 3.2 Soorten in de omgeving van het plangebied (NDFF, 2021) Soortgroep

Aanwezige soorten in omgeving

Grondgebonden zoogdieren

Boommarter, steenmarter en eekhoorn (artikel 3.10)

Vleermuizen

Gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger, tweekleurige vleermuis, rosse vleermuis, gewone grootoorvleermuis, watervleermuis, meervleermuis, baardvleermuis en franjestaart (artikel 3.5)

Vogels jaarrond beschermd

Ooievaar, buizerd, havik, sperwer, boomvalk, slechtvalk, ransuil, roek, gierzwaluw en huismus (artikel 3.1)

Algemene broedvogels

Soorten zoals koolmees, boomkruiper, spreeuw, kauw, merel, turkse tortel, houtduif (artikel 3.1)

10/21

Kenmerk

3.5

R001-1282485MTR-V01-efm-NL

Effecten

3.5.1 Grondgebonden zoogdieren De bomen in het plangebied bevatten geen holtes die kunnen dienen als verblijfplaats voor boommarter. Tijdens het veldbezoek is in het plangebied geen opening aangetroffen in de bebouwing die toegankelijk is voor steenmarter. Het plangebied en de omgeving biedt geen geschikt leefgebied dat van voldoende grootte is om in de levensbehoefte van boommarter en steenmarter te voorzien. In de bomen zijn ook geen (geschikte) eekhoornnesten aangetroffen. Het voorkomen van steenmarter, boommarter en eekhoorn is uitgesloten in het plangebied. Een ontheffing is niet benodigd. 3.5.2 Vleermuizen Hoewel vleermuizen zoogdieren zijn, worden deze vanwege hun afwijkende eigenschappen als afzonderlijke groep behandeld. Er zijn drie typen leefgebied van vleermuizen te onderscheiden: verblijfplaatsen, foerageergebied en vliegroutes. Verblijfplaatsen bevinden zich, afhankelijk van de soort, in woningen, andere bouwwerken of in bomen. Foerageergebieden zijn groen- of waterstructuren zoals struweel, bomenrijen en watergangen. Vliegroutes worden gevormd door lijnvormige elementen zoals bomenrijen, randen van bebouwing en watergangen. Verblijfplaatsen De bomen in het plangebied bevatten geen holtes, losse schors of afgebroken takken die geschikte verblijfplaatsen bieden voor boombewonende vleermuizen zoals rosse vleermuis.

In de appartementen zijn geschikte openingen aangetroffen die kunnen leiden naar verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen. Het gaat hierbij om openingen zoals ventilatievoegen; open stootvoegen; dilatatievoegen; afbrokkeling; en ruimtes onder dakoverstekken (zie figuur 3.1). Daarnaast zijn ruimtes achter gevelplaten te vinden die potentieel geschikte verblijfplaatsen voor vleermuizen bieden. Het voorkomen van zomer-, kraam-, paar- en winterverblijfplaatsen van soorten zoals gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger en gewone grootoorvleermuis is niet uitgesloten in het plangebied. Massawinterverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis zijn tevens niet uitgesloten. In tabel 3.3 zijn de verwachte functies en vleermuissoorten weergegeven. Baardvleermuis, franjestaart en watervleermuis verblijven alleen in de winter in gebouwen, maar dit gaat om oude gebouwen zoals bunkers, forten, ijskelders, (kasteel)kelders, oude steenfabrieken en vestingwerken. De aanwezigheid van deze soorten is uitgesloten in het plangebied. Meervleermuizen en tweekleurige vleermuizen overwinteren ook in dergelijke oude gebouwen, echter in het geval van tweekleurige vleermuis niet in Nederland (Dietz & Kiefer, 2017). Kraamverblijfplaatsen van meervleermuis komen met name voor in veenweidegebieden in Noord- en West-Nederland en bij grote wateren.

Van deze soort liggen paarverblijfplaatsen dichtbij kraamverblijfplaatsen of op migratieroutes tussen zomer- en winterverblijfplaatsen. Grote wateren zoals rivieren en kanalen worden gebruikt als migratieroute. Dergelijke grote wateren zijn niet aanwezig in de omgeving van het plangebied. Om voorgaande redenen zijn zomer-, paar-, kraam- en winterverblijfplaatsen van meervleermuis uit te sluiten in het plangebied. Verblijfplaatsen van tweekleurige vleermuizen komen alleen voor in hoogbouw van tenminste acht

11/21

Kenmerk

R001-1282485MTR-V01-efm-NL

verdiepingen (Rydell & Baagoe, 1994; Suba et al., 2010 en Shpak, 2017). De gebouwen in het plangebied vallen niet onder dergelijke hoogbouw. Verblijfplaatsen van tweekleurige vleermuis zijn uitgesloten in het plangebied. De werkzaamheden hebben mogelijk tot gevolg: het vernietigen van verblijfplaatsen en het verstoren en/of doden van individuen (Wnb, hoofdstuk 3, artikel 3.5, lid 1, 2 en 4). De beoogde ontwikkeling is dus mogelijk ontheffingsplichtig. Nader onderzoek is benodigd om de aan- of afwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen aan te tonen. Het nader onderzoek dient in twee periodes plaats te vinden. In de periode 15 mei – 15 juli zijn drie bezoeken met minimaal 20 dagen tussen elk bezoek nodig. In de periode 15 augustus – 10 september zijn twee bezoeken nodig met ook 20 dagen tussen ieder bezoek. Indien verblijfplaatsen worden aangetroffen en negatieve effecten zijn niet uitgesloten, dan zijn mitigerende maatregelen en een ontheffing nodig. Foerageergebied en vliegroutes In het plangebied is zeer waarschijnlijk foerageergebied aanwezig voor vleermuizen. Dit betreft echter geen essentieel foerageergebied, gelet op de terreinkenmerken en het relatief kleine oppervlak van het plangebied in relatie met het grote leefgebied van vleermuizen.

In de omgeving zijn meer geschikte foerageergebieden aanwezig zoals de waterpartij ten oosten van de Weerlaan en het Hertenpark ten noorden van het plangebied. De bomenrijen in en langs het plangebied en de appartementencomplexen vormen potentieel onderdelen van een vliegroute naar essentieel foerageergebied. Echter in de directe omgeving buiten het plangebied zijn voldoende lijnvormige structuren met een zelfde oriëntatie te vinden. Om deze redenen zijn er geen essentiële vliegroutes in het plangebied. Negatieve effecten op potentieel foerageergebied en potentiële vliegroutes in de omgeving zijn uitgesloten indien tussen zonsondergang en zonsopkomst uitstralende verlichting wordt voorkomen in de actieve periode (april tot en met oktober). In de periode november tot en met maart dient uitstralende verlichting tussen 20:00 – 7:00 te worden voorkomen. Deze maanden liggen buiten de actieve periode waardoor de kans op het gebruik van een foerageergebied en vliegroute minimaal is.

Figuur 3.1 Voorbeelden van geschikte openingen voor vleermuizen in het plangebied

12/21

Kenmerk

R001-1282485MTR-V01-efm-NL

Figuur 3.2 Gevelplaten met daarachter ruimte voor vleermuizen Tabel 3.3 Type functies en vleermuissoorten Zomerverblijf in gebouw

Gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger en gewone grootoorvleermuis

Paarverblijf in gebouw

Gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger en gewone grootoorvleermuis

Kraamverblijf in gebouw

Gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger en gewone grootoorvleermuis

Winterverblijf in gebouw

Gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger en gewone grootoorvleermuis

Massawinterverblijf in gebouw

Gewone dwergvleermuis

Verblijfplaatsen in bomen

Uitgesloten

Foerageergebied (niet essentieel)

Alle genoemde soorten

Vliegroute (niet essentieel)

Alle genoemde soorten

3.5.3

Vogels

Vogels met jaarrond beschermde nesten De nesten van deze soorten zijn het hele jaar beschermd, evenals de functionele leefomgeving rondom het nest. Er zijn geen nesten van ooievaar waargenomen in het plangebied en gelet op het karakter van het plangebied worden nesten van ooievaar ook niet verwacht. Voor slechtvalk zijn de gebouwen te laag. Door de constante aanwezigheid van mensen, het ontbreken van voldoende schuilmogelijkheden en het ontbreken van voldoende voedsel is het plangebied ongeschikt als foerageergebied en nestplaats van jaarrond beschermde vogels zoals buizerd,

13/21

Kenmerk

R001-1282485MTR-V01-efm-NL

havik, boomvalk en roek. Ooievaar, buizerd, havik, boomvalk, slechtvalk en roek zijn uitgesloten in het plangebied vanwege het ontbreken van geschikte nestlocaties en functionele leefomgeving. Gierzwaluwen en huismussen kunnen via openingen in gebouwen geschikte nest- en rustplaatsen bereiken. Deze soorten zijn in de omgeving van het plangebied waargenomen. Via een opening in de kopgevel aan Willem de Zwijgerlaan 31 tussen het dakoverstek en de muur kunnen gierzwaluwen geschikte nestplaatsen bereiken (zie figuur 3.3). Op de noordwesthoek van hetzelfde dakoverstek is een opening te vinden die toegankelijk is voor zowel gierzwaluwen als huismussen (zie figuur 3.3). Aan Juliana van Stolberglaan 96 ontbreekt een verticale waal op de plek van ventilatievoegen (zie figuur 3.4). Hierdoor is de muur toegankelijk voor huismussen. Aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten van gierzwaluw en huismus is daarom niet uitgesloten. Zowel ransuil als sperwer broeden tegenwoordig midden in de stad. Meestal betreft het parken of rustige grote tuinen of groenstroken. Deze soorten zijn echter ook broedend aangetroffen op locaties met veel menselijke activiteiten. In het plangebied zijn nesten aangetroffen die groot genoeg zijn voor ransuil of sperwer om in te broeden. Het betreffen twee ekster- of kraaiennesten en een groter nest.

Deze nesten, met name het grotere nest, waren door het dichte bladerdek lastig te zien. De nesten zijn te vinden tussen Graaf Janlaan en Frederik Hendriklaan. In figuur 3.5 zijn de ekster- of kraaiennesten en in figuur 3.6 is het grotere nest te zien. Figuur 3.7 geeft de ligging van de nesten weer op kaart. In de buurt van de nesten zijn geen braakballen aangetroffen waardoor ransuil is uitgesloten in het plangebied. De locaties van de nesten zijn gelet op de ligging en menselijke activiteiten niet optimaal als broedlocatie voor sperwer, maar op dit moment nog niet met zekerheid uit te sluiten. De beoogde ontwikkeling vindt plaats direct op potentiële nest- en rustplaatsen van gierzwaluw en huismus. Mogelijk worden de bomen met potentiële nesten van sperwer gekapt of wordt broedende sperwer verstoord door de sloopwerkzaamheden. Dit heeft mogelijk de volgende negatieve effecten tot gevolg: het opzettelijk vernielen, beschadigen of verstoren van nesten of eieren van gierzwaluw, huismus en/of sperwer (artikel 3.1, lid 2 en 4). De beoogde ontwikkeling is dus mogelijk ontheffingsplichtig. Nader onderzoek is benodigd om de aan- of afwezigheid van nest- en rustplaatsen van gierzwaluwen, huismussen en sperwer aan te tonen. Het nader onderzoek naar gierzwaluw vindt plaats in de periode 1 juni – 15 juli gedurende drie bezoeken met tien dagen tussen ieder bezoek.

Voor huismus bestaat het nader onderzoek uit twee bezoeken met een tussenperiode van tien dagen tussen ieder bezoek in de periode 1 april – 15 mei. Het onderzoek naar sperwer wordt uitgevoerd in de periode 1 maart – 15 juli gedurende drie ochtendbezoeken met minimaal tien dagen tussen ieder bezoek. Indien nest- en rustplaatsen worden aangetroffen waarop negatieve effecten niet kunnen worden uitgesloten, dienen er mitigerende maatregelen te worden genomen en moet er een ontheffing worden aangevraagd.

14/21

Kenmerk

R001-1282485MTR-V01-efm-NL

Figuur 3.3 Openingen onder en in dakoverstek Willem de Zwijgerlaan 31

Figuur 3.4 Grote opening bij ventilatievoegen aan Juliana van Stolberglaan 96

Figuur 3.5 Ekster- of kraaiennesten

15/21

Kenmerk

R001-1282485MTR-V01-efm-NL

Figuur 3.6 Groot nest

Figuur 3.7 Locaties van ekster- of kraaiennesten en het grotere nest in het plangebied

Vogels uit categorie 5 De nesten van vogels in deze categorie zijn alleen jaarrond beschermd als ‘zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden’ dat rechtvaardigen. Er komen in of nabij het plangebied geen categorie 5 soorten voor waarvoor zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden gelden die jaarrond bescherming rechtvaardigen. De ingreep is beperkt qua aard en omvang en voor de soorten die in het plangebied worden verwacht (bijvoorbeeld koolmees) blijven in de omgeving van het plangebied voldoende broedlocaties aanwezig.

16/21

Kenmerk

R001-1282485MTR-V01-efm-NL

Tijdens het broedseizoen beschermde vogels De nesten van deze soorten zijn beschermd als ze als broedlocatie in gebruik zijn. Bij het oriënterende veldbezoek zijn geschikte nesten van broedvogels aangetroffen. De openingen in de gebouw bieden geschikte nestplaatsen voor soorten zoals kauw, spreeuw, koolmees en boomkruiper (zie figuren 3.1, 3.3 en 3.4). In de bomen zijn nesten aangetroffen die mogelijk in gebruik zijn door soorten zoals houtduif, turkse tortel en merel. Voorbeelden van nesten in het plangebied zijn weergegeven in figuur 3.8. Vogels kunnen gedurende het gehele jaar tot broeden komen. Het is daarom zaak om hier voorafgaand aan het werk rekening mee te houden. De kans op een broedgeval is het grootst in de periode maart tot en met augustus. Een (periodieke) controle op nesten van broedvogels is voorafgaand aan de werkzaamheden noodzakelijk om overtreding van de wet te voorkomen. Indien een broedgeval aanwezig is, dient een verstoringsvrije zone te worden aangehouden, waarbinnen gedurende de periode van broeden niet wordt gewerkt. De breedte van deze zone dient door een ter zake kundige te worden bepaald.

Figuur 3.8 Voorbeelden van nesten geschikt voor algemene broedvogels in het plangebied

17/21

Kenmerk

R001-1282485MTR-V01-efm-NL

4 Conclusies en aanbevelingen In opdracht van Plegt-Vos heeft TAUW onderzoek gedaan naar de consequenties van de Wet natuurbescherming voor de sloop en nieuwbouw van appartementen te Hillegom. De ontwikkeling kan alleen doorgaan als deze niet in strijd is met de natuurwetgeving, of als de benodigde vergunningen en/of ontheffingen kunnen worden verleend. Welke onderdelen van de Wet natuurbescherming (Wnb) zijn van belang? Het is van belang te toetsen op beschermde soorten. Een toetsing op beschermde gebieden en houtopstanden is niet van toepassing. In hoeverre is de beoogde ontwikkeling (mogelijk) strijdig met de Wnb? De beoogde ontwikkeling is mogelijk strijdig met de Wnb vanwege het mogelijk voorkomen van beschermde soorten en/of beschermde functies. Het gaat hierbij om: • Verblijfplaatsen van vleermuizen • Jaarrond beschermde nesten van gierzwaluw, huismus en sperwer •

Tijdens het broedseizoen beschermde vogelnesten

Zijn maatregelen en/of een ontheffing nodig? Nader onderzoek Soortgericht onderzoek is nodig (onafhankelijk van de periode van uitvoering) om een effectbepaling te kunnen doen. Als uit nader onderzoek blijkt dat de beoogde ontwikkeling negatieve effecten heeft op beschermde soorten, zijn mitigerende maatregelen en/of compenserende maatregelen nodig. Ook is het mogelijk dat een ontheffing aangevraagd dient te worden naar aanleiding van het nader onderzoek. De vervolgonderzoeken dienen volgens de volgende planning te verlopen: •

• • •

Vleermuizen: In de periode 15 mei – 15 juli, drie bezoeken met minimaal 20 dagen tussen ieder bezoek In de periode 15 augustus – 10 september, twee bezoeken met 20 dagen tussen ieder bezoek Gierzwaluw: In de periode 1 juni – 15 juli, drie bezoeken met minimaal 10 dagen tussen ieder bezoek Huismus: In de periode 1 april – 15 mei, twee bezoeken met minimaal 10 dagen tussen ieder bezoek Sperwer: In de periode 1 maart – 15 juli, drie bezoeken met minimaal 10 dagen tussen ieder bezoek

Foerageergebied en vliegroutes Negatieve effecten op potentieel foerageergebied en potentiële vliegroutes zijn uitgesloten indien tussen zonsondergang en zonsopkomst uitstralende verlichting wordt voorkomen in de actieve periode (april tot en met oktober). In de periode november tot en met maart dient uitstralende

18/21

Kenmerk

R001-1282485MTR-V01-efm-NL

verlichting tussen 20:00 – 7:00 te worden voorkomen. Deze maanden liggen buiten de actieve periode waardoor de kans op het gebruik van een foerageergebied en vliegroute minimaal is. Algemene broedvogels In het plangebied zijn verspreid over het plangebied geschikte nest(plaats)en voor algemene broedvogels aangetroffen. Vogels kunnen gedurende het gehele jaar tot broeden komen. Het is daarom zaak om hier voorafgaand aan het werk rekening mee te houden. De kans op een broedgeval is het grootst in de periode maart tot en met augustus. Een (periodieke) controle op nesten van broedvogels is voorafgaand aan de werkzaamheden noodzakelijk om overtreding van de wet te voorkomen. Indien een broedgeval aanwezig is, dient een verstoringsvrije zone te worden aangehouden, waarbinnen gedurende de periode van broeden niet wordt gewerkt. De breedte van deze zone dient door een ter zake kundige te worden bepaald.

19/21

Kenmerk

R001-1282485MTR-V01-efm-NL

5 Literatuur BIJ12, 2017. Kennisdocumenten beschermde soorten (gierzwaluw en huismus). Bos, F., M. Bosveld, D. Groenendijk, C. van Swaay, I. Wynhoff & de Vlinderstichting, 2006. De dagvlinders van Nederland. Verspreiding en bescherming (Lepidoptera: Hesperioidea, Papilionoidea). Nederlandse Fauna 7. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Broekhuizen S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters, J.C. Buys, 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. KNNV Uitgeverij, Utrecht. Creemers, R.C.M. & J.J.C.W. van Delft, 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Van Dijk A.J. & Boele A. 2011. Handleiding SOVON Broedvogelonderzoek. SOVON Vogelonderzoek Nederland, Nijmegen. Dietz & Kiefer, 2017. Veldgids Vleermuizen van Europa. KNNV Uitgeverij, Utrecht. Dijkstra, K.B., Kalkman, V.J., Ketelaar, R., van der Wiede, M.J.T., 2002. De Nederlandse libellen (odonata). Nederlandse fauna 4. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Haarsma, A-J, 2011. De meervleermuis in Nederland. Rapport nr. 2011.40. Zoogdiervereniging, Nijmegen. Herder J.E., A. van Diepenbeek & R.C.M. Creemers, 2013.

Verspreidingsonderzoek reptielen en amfibieën 2013. Rapport 2013-010. Stichting RAVON, Nijmegen. Provincie Zuid-Holland, 2016. Verordening uitvoering Wet natuurbescherming, publicatienr. 6788. Rydell, J. & H.J. Baagoe, 1994. Vespertilio murinus. Mammalian Species nr 467. The American Society of Mammalogists, juni 1994. Shpak, A.V., 2017. Hibernation of Parti-Coloured Bat, Vespertilio murinus (Chiroptera, Vespertilionidae), in Belarus. Vestnik Zoologii vzoo-2017-0014. National Academy of Sciences of Belarus, April 2017. Suba, J., D. Vietniece en G. Petersons, 2010. The parti-coloured bat Vespertilio murinus in Riga (Latvia) during autumn and winter. Environmental and experminental Biology 8: 93-96. University of Latvia, September 2010.

20/21

Kenmerk

R001-1282485MTR-V01-efm-NL

Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, Zoogdiervereniging en Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, Vleermuisprotocol 2021. Geraadpleegde internetwebsites: www.floron.nl www.libellennet.nl www.ravon.nl www.sovon.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuis.net www.vlindernet.nl www.zoogdiervereniging.nl

21/21

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.hillegom.nl/api/v1/meetings/1730/documents/22707