1.2 Archeologisch vooronderzoek.pdf
Tekst van het document
RAPPORTAGE Archeologisch vooronderzoek Weeresteinstraat 164 in Hillegom Gemeente Hillegom
Archeologisch vooronderzoek Weeresteinstraat 164 in Hillegom Gemeente Hillegom Opdrachtgever
Scholz Groep Ampèrestraat 11 1976 BE IJmuiden
Rapportnummer Versienummer
1
1
24998.001 1
Datum
1 mei 2024
Opsteller2
E. Steijsiger, MSc & drs. A.J. Wullink
Kwaliteitscontrole
Drs. A.J. Wullink
Versie 1 betreft een rapport waarvan geen beoordeling van de bevoegde overheid is ontvangen, bij versie 2 is het rapport wel beoordeeld
door de bevoegde overheid. 2
Vrijgave
In onze rapportages wordt niet gewerkt met handtekeningen en/of parafen. Conform protocol en eisen uit het kwaliteitssysteem wordt het rapport aantoonbaar vrijgegeven.
Econsultancy Archeologisch Rapport
KWALITEITSZORG Econsultancy is onder meer gecertificeerd voor protocollen 4001, 4002, 4003 en 4004 van de BRL SIKB 4000. Verder is Econsultancy lid van de Nederlandse Vereniging van Archeologische Opgravingsbedrijven (NVAO). De leden van de NVAO bieden kwalitatief hoogstaand archeologisch onderzoek. Het lidmaatschap is een waarborg voor kwaliteit en betrouwbaarheid. Ook is Econsultancy aangesloten bij de Vereniging van Ondernemers in Archeologie (VOiA). De VOiA behartigt de belangen van meer dan 100 bedrijven in alle takken van de archeologie. CERTIFICERING Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteitsen milieuhand-boek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NEN-EN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Daarnaast staat veilig werken bij Econsultancy voorop en zijn we gecertificeerd voor VCA*. BETROUWBAARHEID Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd, conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving. Daar Econsultancy voor het verkrijgen van historische informatie afhankelijk is van deze bronnen, kan Econsultancy niet instaan voor de juistheid en volledigheid van deze informatie. Al onze rapportages worden opgesteld conform de ‘Handreiking omgaan met AVG in bodemonderzoeken’ opgesteld door de VKB (29 juni 2022).
Hiermee voldoet de rapportage aan de eisen die de wet, NEN en KNA protocollen ons stellen en wordt tevens voldaan aan de AVG. Hierbij wordt opgemerkt dat wetgeving, waaronder wettelijke eisen uit de Erfgoedwet, prevaleert boven de AVG. In het kader van de AVG dient, voorafgaand aan publicatie of bij uitlevering aan derden, bijlagen met kadastrale uittreksels en namen van opdrachtgevers, door de publicerende instantie, verwijderd dan wel zwart gelakt te worden. RECHTEN © Econsultancy bv, Foto’s en tekeningen: Econsultancy bv, tenzij anders vermeld. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de rechthebbende. Econsultancy aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek. ISSN: 2210-8777 (Analoog rapport) ISSN: 2210-8785 (Digitaal rapport E-depot)
Econsultancy Archeologisch Rapport
INHOUDSOPGAVE ADMINISTRATIEVE GEGEVENS PLANGEBIED SAMENVATTING 1
INLEIDING .................................................................................................................................................. 1 1.1 1.2
2
BUREAUONDERZOEK ................................................................................................................................. 4 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7 2.8 2.9
3
Doelstelling en onderzoeksvragen ................................................................................................. 4 Methoden ...................................................................................................................................... 4 Afbakening en huidige situatie van het plangebied ....................................................................... 5 Toekomstige situatie ...................................................................................................................... 6 Aardwetenschappelijke gegevens .................................................................................................. 7 Archeologische waarden .............................................................................................................. 10 Beschrijving van het historische gebruik ...................................................................................... 13 Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel ...................................................................... 16 Conclusie bureauonderzoek......................................................................................................... 19
INVENTARISEREND VELDONDERZOEK ..................................................................................................... 22 3.1 3.2 3.3 3.4
4
Aanleiding tot het onderzoek en leeswijzer ................................................................................... 2 Resultaten vooronderzoek ............................................................................................................. 3
Doelstelling en onderzoeksvragen ............................................................................................... 22 Methoden .................................................................................................................................... 22 Resultaten .................................................................................................................................... 24 Conclusie veldonderzoek ............................................................................................................. 25
CONCLUSIE EN ADVIES ............................................................................................................................ 27
LITERATUUR BRONNEN KAARTEN BIJLAGEN
TABELLEN Tabel 2.1 Tabel 2.2 Tabel 2.3 Tabel 2.4 Tabel 2.5 Tabel 3.1 Tabel 3.2
Aardwetenschappelijke gegevens plangebied Grondwatertrappenindeling Geraadpleegd historisch kaartmateriaal Verleende bouwvergunningen Gespecificeerde archeologische verwachting Hoofdlijn bodemopbouw Overzicht aangetroffen archeologische indicatoren
KAARTEN Kaart 1. Kaart 2. Kaart 3. Kaart 4. Kaart 5. Kaart 6. Kaart 7. Kaart 8. Kaart 9. Kaart 10. Kaart 11. Kaart 12. Kaart 13. Kaart 14. Kaart 15. Kaart 16. Kaart 17. Kaart 18. Kaart 19. Kaart 20. Kaart 21.
Het plangebied op de topografische kaart (1:25.000) Het plangebied op de kadastrale kaart Het plangebied op een luchtfoto uit 2022 Het plangebied op de gemeentelijke beleidskaart Het plangebied op de Geomorfologische kaart 1: 50.000 van Nederland Het plangebied op paleogeografische kaarten Het plangebied op het actueel hoogtebestand (AHN4) Het plangebied op de bodemkaart Het plangebied op de zandbanenkaart van Gelderland/Overijssel Archeologische waarden en onderzoeken rondom het plangebied Het plangebied op de topografische kaart Het plangebied op de Limeskaart Het plangebied op historische kaarten Het plangebied op de militaire topografische kaart uit 1850-1865 Het plangebied op het bonneblad uit Het plangebied op het bonneblad uit Het plangebied op de topografische kaart uit 1958 Rijks- en gemeentemonumenten in het onderzoeksgebied Verstoord en/of niet toegankelijk deel plangebied. Boorpuntenkaart Resultaten van het booronderzoek
BIJLAGEN Bijlage 1. Bijlage 2. Bijlage 3. Bijlage 4.
Overzicht geologische en archeologische tijdvakken Onderzoeksmeldingen Vondstmeldingen Boorstaten
ADMINISTRATIEVE GEGEVENS PLANGEBIED Projectcode
24998.001
Opdrachtgever
Scholz Groep
Toponiem
Weeresteinstraat 164
Plaats
Hillegom
Gemeente
Hillegom
Provincie
Noord-Holland
Kadastrale gegevens
gemeente Hillegom, sectie B: percelen 4833, 4869, 5690, 6309
Omvang plangebied
circa 7.800 m2
Kaartblad
(1:25.000)
Centrumcoördinaten (X/Y)
100.426/480.126
Archeoregio NOaA
11: Hollands duingebied
Bevoegde overheid
Gemeente Hillegom Postbus 32 2180 AA Hillegom
T: 14 0252 E: info@hillegom.nl
Deskundige namens de bevoegde overheid
Erfgoed Leiden en omstreken Postbus 16113 2301 CG Leiden
T: 071-5167950 E: info@erfgoedleiden.nl
Uitvoeringsperiode
Maart/april 2024
Uitvoerders
Econsultancy, E. Steijsiger, MSc en A.J. Wullink( Senior KNA Prospector)
Onderzoeksmelding ARCHIS3
5602108100
Beheer en plaats documentatie
Econsultancy en op termijn het gemeentelijk depot
SAMENVATTING Econsultancy heeft in opdracht van Scholz Groep in maart/april 2024 een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase) door middel van boringen uitgevoerd. Het plangebied is gelegen aan de Weeresteinstraat 164 te Hillegom in de gemeente Hillegom. De initiatiefnemer heeft het voornemen het plangebied te herontwikkelen. Voor de ontwikkeling is een omgevingsvergunning nodig (BOPA procedure). Als onderdeel van de vergunningaanvraag moet een ruimtelijke onderbouwing worden opgesteld. Hierbij moet ook inzichtelijk worden gemaakt welke archeologische waarden binnen het plangebied kunnen worden verwacht en wat het effect is van eventuele ingrepen op deze archeologische waarden. De onderzoeksplicht vloeit voort uit het Verdrag van Malta (1992), de Erfgoedwet (2016) en de Omgevingswet (2024). Uit het bureauonderzoek blijkt dat het plangebied is gelegen op een strandwal dat aan het einde van het LaatNeolithicum is ontstaan. Sinds dien vormt het een geschikte vestigingslocatie voor de mens. Getuigen hiervan is de vondst van een nederzettingen uit de Late-Bronstijd tot Vroege-IJzertijd. Binnen het plangebied is er in de Nieuwe tijd bloembollen geteeld, waarbij de bodemopbouw mogelijk tot diep is verstoord en/of is afgegraven.
Hiermee kunnen de archeologische waarden uit het Late-Neolithicum tot en met de Middeleeuwen verloren zijn gegaan. Daarom geldt er voor deze perioden een middelhoge tot lage archeologische verwachting. Vanaf het begin van de 17e lag er mogelijk in het oostelijke deel van het plangebied, het westelijke deel van een historisch erf. In de tweede helft van de 20e eeuw is dit deel verstoord door de aanleg een watergang en de latere bebouwing. Omdat er mogelijk nog archeologische resten uit de Nieuwe tijd aanwezig kunnen zijn binnen dit deel van het plangebied geldt hier een hoge archeologische waarden voor de Nieuwe tijd. Daarom is aansluitend een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek uitgevoerd. Uit het verkennend booronderzoek is gebleken dat de duinen in een deel van het plangebied zijn afgegraven tot op een niveau dat de verwachting voor de periode Neolithicum – Middeleeuwen laag is. In het grootste deel van het plangebied is dit niveau nog geheel of gedeeltelijk intact en blijft de middelhoge verwachting bestaan. Dit niveau ligt tussen -0,45 en -1.75 m NAP (70 tot 200 cm -mv) wordt mogelijk door de voorgenomen werkzaamheden aangetast. Een deel van het plangebied heeft ook een hoge verwachting voor bewoningssporen uit de Nieuwe tijd, die samenhangen met het erf dat hier heeft gelegen.
Deze resten worden in het antropogene eerddek verwacht, direct onder de verharding of een recent opgebracht zandpakket. Dit niveau wordt sowieso door de voorgenomen werkzaamheden aangetast. In het licht van de archeologische verwachting adviseert Econsultancy om de delen van het terrein met een middelhoge tot hoge archeologische verwachting nader te onderzoeken om vast te stellen of er nog archeologische waarden aanwezig zijn. Omdat de locatie nu vrijwel geheel bebouwd is, kan dit onderzoek het best tijdens en na de sloop van de bebouwing worden uitgevoerd. Ter plaatse van het historische erf wordt geadviseerd om een archeologische begeleiding (protocol opgraven) van de sloopwerkzaamheden van de ondergrondse delen van de bebouwing uit te voeren. Voor het gebied met een middelhoge verwachting wordt geadviseerd om na de sloop een inventariserend veldonderzoek, karterende/waarderende fase door middel van
ProjectCode versie 1
proefsleuven uit te voeren. Deze onderzoeken moeten worden uitgevoerd aan de hand van een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen (PvE). Bovenstaand advies is van Econsultancy. Er is, op grond van de gebruikte onderzoeksmethode, geprobeerd een zo gefundeerd mogelijk advies te geven. Over de aan- of afwezigheid van archeologische sporen of resten in het plangebied kan nooit volledig uitsluitsel worden gegeven. Aan dit advies kunnen geen rechten worden ontleend. De resultaten van dit onderzoek zullen eerst moeten worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Hillegom), die vervolgens het advies over neemt of niet. Als het plangebied nu of in de toekomst door de gemeente Hillegom wordt vrijgegeven voor bodemroerende werkzaamheden, dan blijft er, volgens artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016, een meldingsplicht bestaan. Eventuele archeologische resten die bij werkzaamheden worden aangetroffen moeten worden gemeld bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, c.q. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Het is verder raadzaam om ook de gemeente Hillegom op de hoogte te stellen.
ProjectCode versie 1
1
INLEIDING
Econsultancy heeft in opdracht van Scholz Groep een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor een plangebied aan de Weeresteinstraat 164 in Hillegom, gemeente Hillegom. De initiatiefnemer heeft het voornemen het plangebied te herontwikkelen. Voor de ontwikkeling is een omgevingsvergunning nodig (BOPA procedure). Als onderdeel van de vergunningaanvraag moet een ruimtelijke onderbouwing worden opgesteld. Hierbij moet ook inzichtelijk worden gemaakt welke archeologische waarden binnen het plangebied kunnen worden verwacht en wat het effect is van eventuele ingrepen op deze archeologische waarden. De onderzoeksplicht vloeit voort uit het Verdrag van Malta (1992), de Erfgoedwet (2016) en de Omgevingswet (2024). Het archeologisch onderzoek bestaat uit een bureauonderzoek (hoofdstuk 2) en een inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) door middel van boringen (hoofdstuk 3). Op basis van de resultaten van het onderzoek wordt een advies gegeven of vervolgstappen noodzakelijk zijn (hoofdstuk 4). Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd in maart en april door E. Steijsiger, MSc en A.J. Wullink (Senior KNA Prospector). Het rapport is gecontroleerd door A.J. Wullink (Senior KNA Prospector).
ProjectCode versie 1
1 / 20
2
BUREAUONDERZOEK
2.1 Doelstelling en onderzoeksvragen Het doel van het bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Hiervoor wordt een inventarisatie gemaakt van bekende aardwetenschappelijke, archeologische en (cultuur)historische gegevens. Aan de hand van deze inventarisatie wordt het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel opgesteld.
2.2 Methoden Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd onder certificaat op grond van de BRL SIKB 4000 (KNA, versie 4.1, 19‑02‑2018) en volgens de eisen en normen zoals aangegeven in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1, 19‑02‑2018, protocol 4002), die is vastgesteld door het Centraal College van Deskundigen (CCvD) Archeologie en is ondergebracht bij het SIKB te Gouda. Voor de uitvoering van het bureauonderzoek gelden de specificaties LS01, LS02, LS03, LS04 en LS05. De resultaten van dit onderzoek worden in dit rapport weergegeven volgens specificatie LS06.3 Binnen dit onderzoek zijn de volgende werkzaamheden verricht:
afbakening van het plangebied en vaststellen van de consequenties van het mogelijk toekomstige gebruik (LS01); beschrijving van de huidige en toekomstige situatie (LS02); beschrijving van de historische situatie en mogelijke verstoringen (LS03); beschrijving van bekende archeologische en historische waarden en aardwetenschappelijke gegevens (LS04); opstellen van een gespecificeerde verwachting (LS05).
Bij het uitvoeren van deze werkzaamheden zijn de volgende bronnen geraadpleegd: 3
het Archeologische Informatie Systeem (ARCHIS); de Archeologische Monumenten Kaart (AMK); geologische kaarten, geomorfologische kaarten en bodemkaarten; de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINOLoket); literatuur en historisch kaartmateriaal; bouwhistorische gegevens; een recente topografische kaart; recente luchtfoto’s;
SIKB.
ProjectCode versie 1
2 / 20
het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN4); de archeologische verwachtingskaarten van de gemeente Hillegom; plaatselijke (amateur-)archeoloog c.q. heemkundevereniging.
2.3 Afbakening en huidige situatie van het plangebied Afbakening plan- en onderzoeksgebied Het plangebied is het gebied waarbinnen de ruimtelijke ontwikkeling plaats vindt. Het onderzoeksgebied is het gebied waarbinnen voor het bureauonderzoek relevante informatie wordt verzameld. Dit is het gebied in een straal van circa 500 m rondom het plangebied. Het plangebied ligt aan de Weeresteinstraat 164, in de bebouwde kom van Hillegom, in de gemeente Hillegom (zie kaart 1) en heeft een oppervlak van circa 7.820 m2. Het maaiveld ligt volgens het Actueel Hoogtebestand van Nederland (AHN4) rond 0,25 m NAP en de centrumcoördinaten van het plangebied zijn X: 100.426 en Y: 480.126. Het plangebied is kadastraal bekend als gemeente Hillegom, sectie B: percelen 4833, 4869, 5690, 6309 (zie kaart 2). Huidige situatie Voor het bureauonderzoek is het van belang de huidige situatie te onderzoeken. Landgebruik en bebouwing kunnen van invloed zijn op de archeologische verwachting. Hiervoor is gebruik gemaakt van de meest recente gegevens. Het plangebied is momenteel geheel verhard en grotendeels bebouwd (zie kaart 3). Vigerend beleid Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. Het doel van deze wet is te voorkomen dat archeologische waarden uit het verleden verloren gaan. In deze wet zijn de gemeenten verantwoordelijk voor het beheer van het bodemarchief binnen hun grondgebied.
Voor een goed beheer van dit bodemarchief gebruikt de gemeente een archeologische beleidskaart. De archeologische beleidskaart geeft een gemeentebreed overzicht van bekende en te verwachten archeologische waarden. De kaart maakt inzichtelijk waar en bij welke ruimtelijke ingrepen een archeologisch onderzoek verplicht is en wordt als toetsingskader gebruikt voor ruimtelijke procedures. Het plangebied valt binnen het bestemmingsplan Bedrijventerrein. Volgens dit bestemmingsplan heeft het plangebied een dubbelbestemming Waarde – Archeologie 1 . Volgens de bijbehorende planregels is archeologisch onderzoek noodzakelijk bij bodemingrepen groter dan: 100 m2 en dieper dan 30 cm beneden maaiveld.4 De dubbelbestemming is afgeleid van de archeologische beleids- en verwachtingskaarten van de gemeente Hillegom en de bijbehorende beleidsnota. Volgens de beleidskaart (zie kaart 4) ligt het plangebied in een zone met een hoge archeologische verwachting voor resten vanaf het Neolithicum.5
4
Portaal voor Ruimtelijke Plannen.
5
Wink en Sprangers, 2015.
ProjectCode versie 1
3 / 20
Milieuhygiënische situatie Om te bepalen of de milieuhygiënische situatie in het plangebied een risico vormt voor de uitvoering van archeologisch veldonderzoek, is het omgevingsloket van West-Holland geraadpleegd.6 Binnen het plangebied zijn, voor zover bekend, geen bodemonderzoeken uitgevoerd. Er zijn dus geen gegevens bekend over de milieuhygiënische staat van het plangebied.
2.4 Toekomstige situatie Het toekomstige gebruik/inrichting van het plangebied kan gevolgen hebben op het in-/ex-situ behoud van de archeologische waarde. In het plangebied is de sloop van de bestaande bebouwing gepland en zal nieuwbouw worden gerealiseerd. Het oppervlak en de diepte van verstoring ten behoeve van de nieuwbouw is onbekend. De geplande werkzaamheden kunnen tot gevolg hebben dat eventueel aanwezige archeologische waarden worden verstoord.
2.5 Aardwetenschappelijke gegevens Het landschap heeft altijd een belangrijke rol gespeeld in het nederzettingspatroon. Bij onderzoek naar archeologische sporen in een bepaald gebied is het van groot belang te weten hoe het landschap er in het verleden heeft uitgezien. Men kan meer te weten komen over dit landschap door de geologische opbouw, de bodem en de hydrologie van een gebied te bestuderen. De volgende aardwetenschappelijke gegevens zijn bekend van het plangebied: Tabel 2.1
Aardwetenschappelijke gegevens plangebied
Type gegevens
Gegevensomschrijving
Geologie7
Duinzand op strandzand; Formatie van Naaldwijk, Laagpakket van Schoorl op het Laagpakket van Zandvoort.
Geomorfologie8
Niet gekarteerd vanwege ligging bebouwde kom Hillegom
Bodem9
Niet gekarteerd vanwege ligging bebouwde kom Hillegom
Grondwatertrap
Niet gekarteerd vanwege ligging bebouwde kom Hillegom
Landschappelijke ontwikkeling Het plangebied ligt landschappelijk gezien binnen het duingebied van Nederland. De ontstaanswijze van dit gebied hangt nauw samen met de zeespiegelstijging in het Holoceen (vanaf 10.000 jaar geleden). In de periode 6
Omgevingsdienst West-Holland.
7
De Mulder et al., 2003.
8
NGR/Wageningen Environmental Research (2019).
9
NGR/Wageningen Environmental Research (2018).
ProjectCode versie 1
4 / 20
van snelle zeespiegelstijging in het Atlanticum (vanaf ca. 7.000 voor Chr.) zijn buiten de huidige kustlijn waarschijnlijk al strandwallen gevormd door sedimenttransport onder invloed van getijden, golfwerking en wind. Deze strandwallen werden bij een snel stijgende zeespiegel echter na korte tijd weer afgebroken. Aan het einde van het Atlanticum en het begin van het Subboreaal (vanaf ca. 3.900 voor Chr.) bereikte de zee zijn maximale uitbreiding, waarna door een minder snel stijgende zeespiegel uitbouw van de kust in westelijke richting kon plaatsvinden (progradatie). Daardoor werd een serie kustparallelle strandwallen gevormd, waarbij steeds een jongere strandwal ten westen van de oude werd gevormd. Binnen het gemeentegebied van Hillegom zijn de strandwallen met tussengelegen strandvlakten ontstaan vanaf ongeveer 2.500 voor Chr. Het westelijke deel van de gemeente was in deze periode zee, waardoor in het centrale deel een zeer breed strand met een strandwal ontstond. Hillegom, evenals het nabijgelegen Lisse, liggen op de oostelijke rand van deze strandwal van het noordelijke deel van Zuid-Holland. Omdat deze strandwal het meest oostelijk is gelegen is het ook de oudste. Het strand werd tussen 2.500 en 2.250 voor Chr. zo breed dat er opnieuw een strandwal ontstond ten westen van waar nu de provinciale weg N206 loopt.
Tussen 2.250 en 1.950 voor Chr., in de laatste fase van het Laat-Neolithicum, ontstond een 500 meter brede strandwal. Weer ongeveer honderd jaar later vormden zich in westelijke richting nog een aantal kleinere strandwallen, waarna een periode van uitbouw van het strand volgde. De strandwallengordel werd in Midden-Nederland oorspronkelijk op drie plaatsen onderbroken door riviermondingen (estuaria). De dichtstbijzijnde doorbraak ligt 15 kilometer ten zuidoosten van het plangebied en betreft het Oude Rijn-estuarium, welke zich gelijktijdig vormde met de kustuitbreidingen en de daarbij behorende vorming van strandwallen, tussen 4.400 vóór Chr. en 1.122 na Chr. Achter deze kustbarrière vormde zich hierdoor een zogenaamde lagune: een uitgestrekt wad- en kweldergebied dat onder invloed stond van de zee. Het zuidoostelijke deel van het gemeentegebied van Hillegom ligt binnen deze kustvlakte, dat gedomineerd werd door een stelsel van geulen en kreken. Aan het eind van het Atlanticum en het begin van het Subboreaal zijn vanuit deze geulen en kreken kleiige en zandige mariene sedimenten afgezet van het Laagpakket van Wormer, Formatie van Naaldwijk. Deze sedimenten zijn in verschillende transgressiefasen gevormd. Een transgressie is een periode van toenemende mariene invloed, met name als gevolg van een snellere stijging van de zeespiegel.
De verschillende sedimentaire niveaus worden in de regel gescheiden (en onderscheiden) door niveaus die zijn ontstaan tijdens regressiefasen: bijvoorbeeld in de vorm van dunne veenlagen (het zogenaamde Hollandveen (Formatie van Nieuwkoop)). Deze niveaus hebben zich in relatief rustige perioden kunnen ontwikkelen. Naarmate de strandwallen hoger en breder werden, kreeg de zee steeds minder frequent toegang tot de kustvlakte achter de strandwallen. Hierdoor trad verzoeting op, mede onder invloed van de rivieren vanuit het achterland. Dit leidde vanaf het Midden Subboreaal (circa 1.800 voor Chr.) tot de vorming van een enkele meters dikke veenlaag (het zogenaamde Hollandveen) op de mariene afzettingen van het Wormer Laagpakket. Het Hollandveen is vanaf de Late Middeleeuwen op grote schaal ontgonnen, zodat op veel plaatsen in WestNederland de afzettingen van het Wormer Laagpakket weer aan het oppervlak kwamen te liggen. In de gemeente Hillegom is het nog aanwezige Hollandveen vaak afgedekt met een pakket humusrijk zand. De aanwezigheid van dit zand is waarschijnlijk toe te schrijven aan de eeuwenlange bemesting en bezanding. Een andere mogelijkheid is dat het Hollandveen door verstuiving vanaf de strandwallen met zand is afgedekt. Het plangebied zelf heeft waarschijnlijk net buiten de zone van mariene invloed gelegen.
ProjectCode versie 1
5 / 20
Vanaf de 2e helft van de 16e of 17e eeuw is binnen de omgeving van Hillegom de bloembollencultuur opgekomen (zie ook §2.7). Voor de teelt van de bloemenbollen is een homogene, het liefst kalkrijke zandgrond nodig, met een grondwaterstand van circa 55 cm -mv. Slechts een gedeelte van de in de omgeving aanwezige strandwallen en duinen voldeden van nature aan deze eisen. Daarom heeft men voornamelijk in de periode tussen 1875 en 1925 op grote schaal veel duinen en strandwallen afgegraven en lagere delen opgehoogd, om zo de geschikte gronden voor de bloemen teelt te creëren. DINO Het Dinoloket10 is de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO). Het DINO-systeem is de centrale opslagplaats voor geowetenschappelijke gegevens over de diepe en ondiepe ondergrond van Nederland. Het archief omvat diepe en ondiepe boringen, grondwatergegevens, sonderingen, geo-elektrische metingen, resultaten van geologische, geochemische en geomechanische monsteranalyses, boorgatmetingen en seismische gegevens. De site wordt beheerd door TNO. In het Dinoloket zijn enkele boringen bestudeerd.11 Deze boringen laten zien dat het plangebied op de oostelijke flank van de strandwal ligt. De boringen ten westen van het plangebied bestaan volledig uit de zandige strandwalafzettingen van de Naaldwijk formatie, Laagpakket van Zandvoort.
Ten oosten van het plangebied bevatten de boringen bovenin kleiige en venige restanten van de grondlagen die op de lagere delen van de strandwal konden ontwikkelen. De venige afzettingen behoren tot de Hollandveen Formatie, de klei lagen tot het laagpakket van Wormer. Geomorfologie De geomorfologische kaart van Nederland geeft de mate van reliëf en de vormen die in het landschap te onderscheiden zijn weer. Doordat het plangebied zich binnen de bebouwde kom van Hillegom bevindt, is de geomorfologie niet gekarteerd (zie kaart 5). Uit extrapolatie van geomorfologische gegevens buiten het plangebied is het aannemelijk dat het plangebied ligt binnen een vlakte ontstaan door afgravingen en/of egalisatie van duinen of strandwallen (M92). Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) Het Actueel Hoogtebestand Nederland12 vormt een belangrijke aanvullende informatiebron voor de landschapsanalyse. Dit met behulp van laseraltimetrie verkregen digitale bestand vormt een gedetailleerd beeld van het huidige reliëf in het plangebied. Het AHN laat goed de ligging van het plangebied binnen een afgegraven/geëgaliseerde strandwal, wat eveneens geldt voor het bloembollengebied ten westen van de bebouwde kom van Hillegom (zie kaart 7).
Circa 200 meter ten oosten van het plangebied daalt het maaiveld scherp met ongeveer 80 cm, dit gebied is waarschijnlijk in het verleden niet geëgaliseerd ten behoeve van de bloementeelt omdat dit deel waarschijnlijk te laag lag. Wel is dit 10
Dinoloket.
11
DINO boornummers B25C0663, B25C0659, B25C1621,B25C0625, B25C0660.
12
Rijkswaterstaat (2023) ‘Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) WCS.
ProjectCode versie 1
6 / 20
deel geëgaliseerd, mogelijk voor agrarische doeleinden. Ten oosten van dit gebied komen nog lager gelegen agrarische gebieden voor die buiten het strandwallengebied hebben gelegen en waar in het verleden veen op is ontwikkeld. Om dit nat gebied te ontginnen zijn veel sloten/watergangen aangelegd en verklaard de smalle, langgerekte percelering. Bodemkunde Doordat het plangebied zich binnen de bebouwde kom van Hillegom bevindt, is de bodemopbouw niet gekarteerd (zie kaart 8). Uit extrapolatie van bodemgegevens buiten het plangebied is het aannemelijk dat het plangebied ligt binnen een gebied met kalkhoudende enkeerdgronden bestaande uit matig fijn zand. De enkeerdgronden in het onderzoeksgebied worden gerekend tot de zogenaamde zanderijgronden. Oorspronkelijk kwamen er binnen het plangebied waarschijnlijk vorstvaaggronden voor genoemd gevormd. Deze werden gekenmerkt door een dunne humushoudende bovengrond die overgaat in een zwak ontwikkelde B-horizont (inspoelingshorizont). Vaak zijn ze tot 1,50 m of veel dieper ontkalkt. Door afgraving en grondbewerking zullen deze gronden echter verdwenen zijn. De zanderijgronden bestaan uit afgegraven dan wel geëgaliseerde oude duinen en standvlaktes die in het verleden meermalen zijn omgewerkt in verband met de bollenteelt.
Wanneer zand direct vanaf het maaiveld voorkomt is de verwachting dat ten behoeve van de bollenteelt het onderliggende strandzand door middel van diepdelven of het zogenaamde omspuiten omhoog is gehaald. Bij diepdelven met bronbemaling is het bodemprofiel over het algemeen tot een diepte van circa 2,75 m -mv verstoord. Bij het omspuiten, de meest ingrijpende vorm van grondverbetering in deze gebieden, is het bodemprofiel tot op een diepte van maar liefst 5 à 6 m -mv verstoord. Bij het omspuiten wordt namelijk met een dragline eerst een gat gegraven, waarin een cutterzuiger wordt neergelaten. Deze zuigt het zand van de gewenste diepte naar boven en deponeert het in een voorlopig depot. Als het gat groot genoeg is, wordt het zand achter de zuiger gedeponeerd. De aan het oppervlak liggende klei- en veenlagen verdwijnen daarbij in de diepte. Tenslotte wordt het gat weer opgevuld met het zand uit het depot. Grondwatertrap Grondwatertrappen zijn een indicatie voor de diepte van de grondwaterstand en de seizoensfluctuatie daarvan. Het grondwaterpeil is een indicatie voor de conservering van metalen en organische resten; hoe beter de ontwatering, hoe slechter de conservering. De grondwatertrappenindeling is gebaseerd op de gemiddeld hoogste (GHG) en de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG).
Hiermee worden de winter- en zomergrondwaterstanden gekarakteriseerd in een jaar met een gemiddelde neerslag en verdamping. In stedelijk gebied zijn geen grondwatertrappen bepaald. Deze worden als ‘witte vlekken’ op de Bodemkaart van Nederland (1:50.000) weergegeven. Tabel 2.2 geeft een overzicht van de klassengrenzen die worden aangehouden bij de indeling van de grondwatertrappen. De trappen worden vastgesteld op een schaal van I tot VII van respectievelijk extreem nat tot extreem droog. Bij sommige grondwatertrappen is een * weergegeven: het gaat hier om tussenliggende grondwatertrappen die een drogere variant vertegenwoordigen. Doordat het plangebied zich binnen de bebouwde kom van Hillegom bevindt, is de grondwatertrap niet gekarteerd.
ProjectCode versie 1
7 / 20
2.6 Archeologische waarden 2.6.1
AMK-terreinen, onderzoeksmeldingen en vondsmeldingen
Om inzicht te krijgen in bekende archeologische waarden in de omgeving van het plangebied is het van belang de bekende archeologische waarden (al dan niet volledig onderzocht) te beschrijven. Een belangrijke informatiebron is het landelijke ARCHeologisch Informatie Systeem (ARCHIS), de online database van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.13 Deze database bevat onder meer informatie over archeologische onderzoeken, vondstmeldingen en archeologische monumentterreinen. In kaart 10 zijn de archeologische waarden en onderzoeken in de omgeving van het plangebied weer gegeven. Voor het onderzoek wordt vooralsnog gekeken naar de waarden binnen een straal van 500 m rondom het plangebied. Aangezien de gemeentelijke beleidskaart een hoger detailniveau heeft dan de landelijke IKAW (Indicatieve Kaart Archeologische Waarde) is de IKAW voor het onderzoek niet geraadpleegd. AMK-terreinen De Archeologische Monumentenkaart (AMK) bevat een overzicht van archeologische monumenten/terreinen in Nederland. De terreinen zijn beoordeeld op verschillende criteria (kwaliteit, zeldzaamheid, representativiteit, ensemblewaarde en belevingswaarde). Op grond daarvan zijn deze ingedeeld in vier categorieën; terreinen met archeologische waarde, een hoge archeologische waarde, een zeer hoge archeologische waarde of een zeer hoge archeologische waarde met een beschermde status.
Het plangebied ligt niet binnen een AMK-terrein. Binnen het onderzoeksgebied liggen geen AMK-terreinen (Kaart 10). 14 Onderzoeksmeldingen Binnen het onderzoeksgebied zijn in de afgelopen jaren door verschillende archeologische bedrijven en instellingen in totaal 23 archeologische onderzoeken uitgevoerd (zie bijlage 3 en Kaart 10). Er worden verschillende typen archeologische onderzoeken onderscheiden. Voor ons onderzoek zijn met name de archeologische veldonderzoeken van belang, dus de booronderzoeken, proefsleuvenonderzoeken, archeologische begeleidingen en opgravingen. Als er tijdens archeologisch onderzoek vondsten worden gedaan, dan kunnen er één of meerdere vondstlocaties worden geregistreerd. De resultaten van de onderzoeken die zijn uitgevoerd laten zien dat de omgeving van het plangebied is gelegen op een strandwal. Ook hebben de meeste onderzoeken een verstoorde bodemopbouw aangetroffen als gevolg van de bollenteelt. Daarom hebben de meeste onderzoeken niet geleidt tot vervolgonderzoek of archeologische waarnemingen. De enige uitzondering hierop zijn de onderzoeken die circa 270 ten oosten van het plangebied zijn uitgevoerd. De uitgevoerde booronderzoekn, proefsleuvenonderzoek en opgraving hebben geleidt tot het vinden van een nederzetting dat mogelijk dateerd tot het Late Bronstijd tot Vroege IJzertijd.
De sporen zijn aangetroffen binnen de strandwalafzettingen, die vervolgs bedekt zijn geraakt met veen, dat vervolgens weer bedekt is geraakt onder verstoffen duinzand. Mogelijk strekt de vindplaats zich verder uit naar het oosten. De 13
Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort
14
Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort
ProjectCode versie 1
8 / 20
aanwezigheid van deze vindplaats binnen het onderzoeksgebied laat zien dat dit gebied gedurende deze periode bewoond was, mogelijk ook het plangebied. Door de bollenteelt zijn grote delen van de strandwal verstoord geraakt, waardoor deze mogelijke aanwezige archeologische indicatoren niet meer intact aanwezig zijn. 15 Vondstmeldingen In ARCHIS staan alle bekende archeologische vondstmeldingen geregistreerd. Binnen het plangebied zijn geen vondstmeldingen geregistreerd. Binnen het onderzoeksgebied staat één vondstmelding geregistreerd (zie bijlage 4 en Kaart 10). Dit betreft één fragment aardewerk uit de Late-Middeleeuwen wat is aangetroffen op een afzettingen van de strandwal dat aan het maaiveld ligt. Deze vondst laats zien dat er gedurende de LateMiddeleeuwen menselijke activiteiten waren nabij de strandwal. 16
2.7 Beschrijving van het historische gebruik In het plangebied kunnen naast archeologische sporen ook historische relicten voorkomen die nog in het landschap zichtbaar zijn. Het gaat hierbij om historisch geografische relicten zoals nederzettingsvormen en wegen- en kavelpatronen. Veel van deze bewaard gebleven historische geografie geeft door de herverkavelingen in de tweede helft van de 20e eeuw een incompleet beeld van het historisch landschap. Historische kaarten van vóór de herverkaveling zijn een goede aanvulling op het huidige incomplete beeld. Korte bewoningsgeschiedenis van Hillegom In deze paragraaf wordt een bespreking van de bewoningsgeschiedenis van de streek gegeven. Een algemene ontwikkeling van de bewoningsgeschiedenis van Nederland wordt weergegeven in bijlage 5. De strandwallen in de omgeving zijn, getuige de archeologische waarnemingen, al sinds lange tijd bewoond. Het is waarschijnlijk dat het gebied rondom Hillegom ruim voor 1000 na Chr. ten dele ontgonnen werd. Het meest gunstig waren de flanken van de oude strandwallen, waar de eerste kampontginningen werden gerealiseerd, maar ook de strandvlakten werden al vroeg in gebruik genomen. De meeste nederzettingen lagen op de oude strandwallen. De strandwal zelf was daarnaast ook in gebruik als bouwland. De venige laaggelegen gebieden waren vooral in gebruik als grasland.
Op de grens van het bouw- en grasland lagen wegen waaraan de boerderijen lagen. Hierbij ontstond een aan esdorpen verwante structuur, met echter een overwegend lineair karakter. Het dorp Hillegom is ontstaan aan de oostflank van de meest oostelijk gelegen strandwal, aan wat later de Heereweg is geworden. Doordat de belangrijkste wegen in het gebied over de strandwallen liepen, kon het dorp zich op deze gunstige plek ontwikkelen. De eerste vermelding van Hillegom dateert uit de 13e eeuw: in een giftbrief uit 1248 van graaf Willem II aan abt Lubbert II van de Abdij van Egmond wordt een kapel bij Hillegom vermeld. In 1248 stond er al een kapel ten westen van deze weg, terwijl het dorp zich aan de oostkant ontwikkelde. In 1356 werd de Hof van Hillegom voor het eerst genoemd. Dit huis lag aan de oostzijde van de weg. Het huidige gemeentehuis is een opvolger van deze hof, en werd gesticht omstreeks 1487. 15
Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort
16
Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort
ProjectCode versie 1
9 / 20
Een belangrijke factor in de streek, waarbinnen het plangebied ligt, is de bloembollencultuur die in de tweede helft van de 16e of 17e eeuw opkwam. Voor de teelt van bloembollen is een homogene, liefst kalkrijke zandgrond nodig, met een grondwaterstand van circa 55 cm -mv. Slechts een gedeelte van de in de omgeving aanwezige strandwallen en duinen voldeden aan deze eis. Bij de uitbreiding van de bollenteelt in vooral de periode 1875 en 1925 heeft men dan ook (op grote schaal) veel duinen en strandwallen afgegraven, om zo aan geschikte bollengrond te komen. De door deze afgraving ontstane gronden worden zanderijgronden genoemd. Toen ook de voor de bollenteelt geschikte en bruikbare duinen en strandwallen waren afgegraven, en er nog steeds grote vraag naar goede bollengrond bleek te zijn, werd begonnen met het in gebruik nemen van de strandvlaktes die zich tussen de strandwallen bevonden. Binnen deze strandvlaktes werd namelijk onder een laag klei en/of veen vanaf circa 1 m -mv goed bruikbaar zand aangetroffen. Op basis van het beschikbare historische kaartmateriaal uit het begin van de 17e eeuw blijkt dat er ten oosten van de huidige Weeresteinstraat destijds al meerdere (boeren)erven/historische erven aanwezig waren. Mogelijk ligt één hiervan (deels) binnen het plangebied (zie figuur 2.1). Het merendeels van het plangebied was waarschijnlijk verder in agrarisch gebruik.
De voorlopers van de Weeresteinstraat en de Oosteinderlaan, respectievelijk ten westen en noorden van het plangebied, waren al aanwezig. Verder naar het zuiden lag de historische dorpskern van Hillegom. De hoger gelegen strandwallen betrof natuurlijk gebied, dan wel deels afgegraven gebied en ontgonnen ten behoeve van agrarisch gebruik. De lager gelegen strandvlakten waren eveneens geheel ontgonnen en in agrarisch gebruik. Verder ten oosten lag een groot plassengebied, ten gevolge van veenwinning.
Figuur 2.1 Kaart van het hoogheemraadschap van Rijnland: Hillegom – Lisse uit 1615. van Fl. Balthasar en B. Florisz. van Berckenrode. Het plangebied is gelegen nabij de rode cirkel
ProjectCode versie 1
10 / 20
Historisch kaartmateriaal De situatie van het plangebied is op verschillende historische kaarten als volgt: Tabel 2.3
Geraadpleegd historisch kaartmateriaal
Bron
Periode
Omschrijving plangebied
Bijzonderheden/directe omgeving
Fl. Balthasar en B. Florisz. van Berckenrode 17
1615
Merendeel van het plangebied is in agrarisch gebruik. Mogelijk ligt een historisch erf binnen het plangebied.
Voorloper van de Weeresteinstraat ten westen en de Oosteinderlaan ten noorden aanwezig. Verder ten zuiden de historische dorpskern van Hillegom. Hoger gelegen strandwallen natuurlijk gebied, dan wel deels afgegraven en ontgonnen ten behoeve van agrarisch gebruik. Lager gelegen strandvlakten eveneens ontgonnen, in agrarisch gebruik. Verder ten oosten plassengebied, ten gevolge van veenwinning (uitgestrekte veenplassen.
Kadastrale minuut18
1811-1832
Het plangebied is gelegen aan de voorloper van de Weeresteinstraat. Vrijwel het gehele van het plangebied wordt gebruikt voor de bollenteelt. In het oostelijke deel van het plangebied ligt een historische erf dat verder ten oosten van het plangebied uitstrekt.
Er liggen meerdere historische erven ten oosten van de voorloper van de Weeresteinstraat. Rondom deze erven wordt de grond gebruikt voor de bollenteelt. Verder zijn er geen significante veranderingen.
Bonneblad19
1878
Geen significante veranderingen
Meer gebieden nabij de bestaande erven worden gebruikt voor de bollenteelt, en zijn hiervoor mogelijk afgegraven/geëgaliseerd.
Bonneblad
1900
Geen significante veranderingen
Meer gebieden nabij de bestaande erven en ten westen van de Weeresteinstraat worden gebruikt voor de bollenteelt, en zijn hiervoor mogelijk afgegraven/geëgaliseerd. Weeresteinstraat is verhard en bevat een tramlijn.
Bonneblad
1929
Geen significante veranderingen
Geen significante veranderingen
Topografische kaart
1951
Binnen het oostelijke deel van het plangebied, waar voorheen het historische erf lag, is nu een watergang. De noordelijke en zuidelijke delen van het plangebied zijn gebouwd. In het centrale deel is nog onbebouwd.
Sterke uitbreiding van bebouwing langs het bestaande wegenpatroon.
17
Archieven.nl
18
Beeldbank Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.
19
Kadaster Topotijdreis (bron voor deze kaart en de hierop volgende kaarten in deze tabel).
ProjectCode versie 1
11 / 20
Topografische kaart
1965
Verdere uitbreiding van de bebouwing binnen het plangebied.
Verdere uitbreiding van bebouwing langs het bestaande wegenpatroon.
Topografische kaart
1981
Verdere uitbreiding van de bebouwing binnen het plangebied, voornamelijk in het zuidelijke deel van het plangebied. De watergang in het oostelijke deel van het plangebied is door deze uitbreidingen niet meer aanwezig.
Verdere uitbreiding van bebouwing langs het bestaande wegenpatroon.
Topografische kaart
1995
Verdere uitbreiding van de bebouwing binnen het plangebied, voornamelijk in het centrale deel van het plangebied.
Verdere uitbreiding van bebouwing langs het bestaande wegenpatroon.
Topografische kaart
2007
Grotendeels huidige situatie is aanwezig.
Grotendeels huidige situatie is aanwezig.
Op basis van het beschikbare gedetailleerde historische kaartmateriaal (zie tabel 2.3) blijkt dat het plangebied sinds het begin van de 19e eeuw voornamelijk gebruikt is voor de bollenteelt. Mogelijk is hiervoor de bodemopbouw afgegraven en/of geëgaliseerd. Direct ten oosten van het plangebied ligt een historisch erf, waarvan een schuur waarschijnlijk deels binnen het plangebied ligt. Tussen het erf en de voorloper van de Weeresteinstraat loopt een (onverharde) weg door het plangebied. Deze situatie blijft onveranderd tot de 2e helft van de 20e eeuw. Aan het begin van de tweede helft van de 20e eeuw ligt langs de Weeresteinstraat diverse bebouwing, ook binnen het plangebied. De zuidelijke en noordelijke delen van het plangebied zijn bebouwd. Het deel van het historische erf dat binnen het plangebied lag is gesloopt. Op deze locatie is een watergang gerealiseerd. Binnen het centrale deel van het plangebied is nog ongebouwd. Over de loopt van de 20e eeuw breidt het bebouwde deel van het plangebied uit, tot in 2007 de huidige situatie bestaat. Door deze uitbreiding is de watergang binnen het oostelijke deel van het plangebied, gedempt en bebouwd. Bouwhistorische gegevens Bij de gemeente Hillegom is bij het gemeentelijk archief een aanvraag gedaan tot inzage van bouwdossiers voor de bebouwing binnen het plangebied.
Tabel 2.4 geeft een opsomming van de relevante verleende bouwvergunningen voor het plangebied. Uit deze vergunningen blijkt dat meeste bouwwerken binnen het plangebied gefundeerd zijn tot circa 75 cm onder het maaiveld. Tabel 2.4
Verleende bouwvergunningen
Adres
Jaar
Omschrijving
Weeresteinstraat 156
1986
Bouwen tijdelijke bergplaats voor bloembollen. Geen funderingsdiepte aangegeven.
Weeresteinstraat 156
1976
Uitbreiden bedrijfsgebouwen. Gefundeerd tot 75 cm -mv.
Weeresteinstraat 156
1976
Wijziging vergunning uitbreiden bedrijfsgebouwen. Gefundeerd tot 75 cm -mv.
Weeresteinstraat 156
1974
Uitbreiden bedrijfspand. Gefundeerd tot 110 cm -mv.
Weeresteinstraat 156
1962
Verbouwen bollenschuur. Geen funderingsdiepte aangegeven.
ProjectCode versie 1
12 / 20
Weeresteinstraat 156
1951
Geen documentatie beschikbaar.
Weeresteinstraat 162
1976
Uitbreiden bedrijfsgebouwen. Gefundeerd tot 75 cm -mv.
Weeresteinstraat 162
1973
Uitbreiden bedrijfspand. Geen documentatie beschikbaar.
Weeresteinstraat 162
1965
Uitbreiden preparatiebedrijf. Gefundeerd tot 70 cm -mv.
Weeresteinstraat 162
1965
Bouwen narcissenloods. Gefundeerd tot 80 cm -mv.
Weeresteinstraat 164
1956
Bouw overkapping. Gefundeerd tot 50 cm -mv.
Weeresteinstraat 164
1951
Bouw bollenschuur. Geen funderingsdiepte aangegeven.
Weeresteinstraat 166a
1997
Vernieuwen en uitbreiden bedrijfsruimte. Gefundeerd tot 70 cm -mv.
Weeresteinstraat 186
1953
Bouwen narcissenloods. Geen funderingsdiepte aangegeven.
Bij het raadplegen van de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG) van de bestaande bebouwing blijkt dat de oorspronkelijke bouwjaar van de adressen Weeresteinstraat 156, 164, 166a en 176a 1951 is. Later zijn gebouwen samengevoegd tot één gebouw. De oorspronkelijke bouwjaar van de adressen 186 en 186a is 1920. Het gaat hierbij om het gedeelte van de bebouwing aan de Weeresteinstraat. 20 Tweede Wereldoorlog Om vast te stellen of mogelijke archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog in het plangebied aanwezig zijn, is een aantal publicaties geraadpleegd.21 Op de Indicatieve Kaart Militair Erfgoed (IKME) ligt het plangebied niet binnen een gebied waar resten van ondergronds en bovengronds militair erfgoed worden verwacht. Circa 1 kilometer ten oosten ligt het Neue Landfront. Dit is een Duitse verdedigingslinie, lag achter de Atlantikwall, en moest een invasie vanuit de kuststreek vertragen en tevens rugdekking bieden voor de Atlantikwall. Er zijn geen aanwijzing dat er binnen het plangebied militaire structuren hebben gelegen Archeologische Werkgemeenschap Nederland, afdeling Rijnstreek Voor aanvullende informatie is contact gezocht met de plaatselijke Archeologische Werkgemeenschap Nederland, afdeling Rijnstreek, maar dit heeft binnen het tijdsbestek van de uitvoering van dit onderzoek geen aanvullende informatie opgeleverd.
20
Kadaster, Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG).
21
Amersfoort & Kamphuis, 1990/Indicatieve kaart Militair Erfgoed/Jong, 1969 – 1994/ Klep & Schoenmaker, 1995/Ruimingskaart/VEO
Bommenkaart/Zwanenburg, 1990/Luchtfoto’s RAF.
ProjectCode versie 1
13 / 20
2.8 Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel Op grond van de gegevens uit het bureauonderzoek is de volgende gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld: Tabel 2.5
Gespecificeerde archeologische verwachting
Archeologische periode
Gespecificeerde verwachting
Te verwachten complextype/resten
Relatieve diepte t.o.v. het maaiveld
(Laat-)Paleolithicum tot en met MiddenNeolithicum
-
-
-
Laat-Neolithicum
Middelhoog tot laag
Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, houtskool en gebruiksvoorwerpen
Aan het maaiveld dan wel binnen het pakket duinzand, in oudere niveaus die overstoven zijn/bedekt zijn geraakt door duinzand.
Bronstijd tot en met Romeinse tijd
Middelhoog tot laag
Akkerlaag en/of nederzettingssporen, Aan het maaiveld en in de (top van de) grafvelden, rituele plaatsen: kleine strandwal/duinzanden. fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, metaalresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen
Middeleeuwen
Middelhoog tot laag
Bewoningssporen van een (boeren)erf: Aan het maaiveld en in de (top van de) kleine fragmenten aardewerk, strandwal/duinzanden metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen
Nieuwe tijd
Hoog
Bewoningssporen van een (boeren)erf: Aan het maaiveld en in de (top van de) kleine fragmenten aardewerk, strandwal/duinzanden metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen
Het plangebied ligt landschappelijk gezien binnen een strandwal die aan het einde van het Laat-Neolithicum is gevormd, tussen 2500 en 2250 voor Chr. Dus er worden ter plaatse van het plangebied geen archeologische resten ouder dan het Laat-Neolithicum verwacht. Door hun relatieve hoge ligging zijn de strandwallen tijdens en na hun vorming, geschikte plaatsen geweest voor bewoning. Ook voor landbouwers leende het zich uitstekend voor bebouwing en landbouw. De naastgelegen strandvlakten en tevens de ten oosten gelegen kustvlakte waren waterrijk en daarmee geschikt voor het houden van vee (natuurlijke graslandgebied, hoge biodiversiteit). Vanuit het historische kaartmateriaal blijkt dat het plangebied in de Nieuwe tijd behoorde tot het gebied waar bloembollen werden geteeld. Hiervan is bekend dat de bodem tot diep werd verstoord en mogelijk is afgegraven. De minimale agrarische bewerking betreft het zogenaamde „drie-steek-delven‟, tot een diepte van
ProjectCode versie 1
14 / 20
0,5 - 0,9 m -mv. De mate waarin men op zanderijgronden nog archeologische resten kan verwachten is afhankelijk van de diepte tot waarop de strandwal is afgegraven. In de directe omgeving van het plangebied zijn al diverse archeologische onderzoeken uitgevoerd, waarbij slechts één onderzoek heeft geleid tot het vinden van archeologische resten. Dit onderzoek, dat circa 270 meter ten oosten van het plangebied is uitgevoerd, heeft geleid dat het vinden van een Late-Bronstijd tot Vroege-IJzertijd nederzetting, en bewijst dat de strandwallen in deze periode een geschikte vestigingslocatie vormden. Dit onderzoek is echter uitgevoerd binnen een gebied waar vroege geen bloembollen zijn geteeld, en is dus niet blootgesteld aan de verstorende praktijken gerelateerd aan de bloembollenteelt. De archeologische onderzoeken die zijn uitgevoerd op locaties waar (voorheen) wel bloembollen werden geteeld, hebben geen intacte bodemopbouw aangetroffen en, daardoor, geen archeologische waarden. Om deze reden geldt er een middelhoge tot lage archeologische verwachting voor de perioden Late-Neolithicum tot en met de Middeleeuwen. Archeologische resten van deze peridoden kunnen vanaf het maaiveld aanwezig zijn.
Op het historische kaartmateriaal is ook zichtbaar dat er mogelijk al vanaf het begin van de 17e eeuw het westelijke deel van een historisch erf binnen het oostelijk deel van het plangebied lag. In de tweede helft van de 20e eeuw lag hier echter eerst een watergang en is later bebouwd. De diepte van de sloot is onbekend, het gebouw is waarschijnlijk tot ongeveer 75 cm -mv gefundeerd. Er kunnen binnen dit deel van het plangebied nog archeologische waarden uit de Nieuwe tijd aanwezig zijn. Er geldt daarom een hoge archeologische verwachting voor deze periode.
2.9 Conclusie bureauonderzoek Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Uit het bureauonderzoek blijkt dat het plangebied is gelegen op een strandwal dat aan het einde van het Laat-Neolithicum is ontstaan. Sinds dien vormt het een geschikte vestigingslocatie voor de mens. Getuigen hiervan is de vondst van een nederzettingen uit de Late-Bronstijd tot Vroege-IJzertijd. Binnen het plangebied is er in de Nieuwe tijd bloembollen geteeld, waarbij de bodemopbouw mogelijk tot diep is verstoord en/of is afgegraven. Hiermee kunnen de archeologische waarden uit het LateNeolithicum tot en met de Middeleeuwen verloren zijn gegaan. Daarom geldt er voor deze perioden een middelhoge tot lage archeologische verwachting. Vanaf het begin van de 17e lag er mogelijk in het oostelijke deel van het plangebied, het westelijke deel van een historisch erf. In de tweede helft van de 20e eeuw is dit deel verstoord door de aanleg een watergang en de latere bebouwing. Omdat er mogelijk nog archeologische resten uit de Nieuwe tijd aanwezig kunnen zijn binnen dit deel van het plangebied geldt hier een hoge archeologische waarden voor de Nieuwe tijd. Gezien de in dit bureauonderzoek opgestelde archeologische verwachting is binnen het plangebied vervolgonderzoek noodzakelijk om deze te toetsen.
Het vervolgonderzoek kan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een inventariserend veldonderzoek, verkennende fase, door middel van boringen.
ProjectCode versie 1
15 / 20
3
INVENTARISEREND VELDONDERZOEK
3.1 Doelstelling en onderzoeksvragen Het doel van het inventariserend veldonderzoek is het toetsen en aanvullen van het archeologisch verwachtingsmodel. De verkennende fase richt zich op landschappelijke factoren die invloed hebben op de archeologische verwachting, met name bodemopbouw en de mate van (subrecente) verstoring. Het specifieke doel van de verkennende fase is het uitsluiten van kansarme zones en het selecteren van kansrijke zones voor de volgende vormen van onderzoek, ofwel: kan het plangebied worden vrijgegeven of is er vervolgonderzoek nodig.
3.1 Methoden Het verkennend booronderzoek is uitgevoerd conform KNA-protocol 400322, volgens specificaties VS01, VS03 en VS05. Het veldwerk is uitgevoerd door drs. A. J. Wullink. Voorafgaand aan het veldwerk is een PvA opgesteld. Omdat het plangebied geheel verhard en grotendeels bebouwd is, is het onderzoek in combinatie met het milieukundig booronderzoek uitgevoerd, dat door Adverbo is uitgevoerd. Zij hebben ook een betonboorbedrijf ingeschakeld om door de verhardingen heen te boren. Op basis van het boorgrid van Adverbo zijn acht boringen (10/ha) geplaatst. Deze boringen zijn zo regelmatig mogelijk over het plangebied verspreid. Zeven boringen zijn inpandig geplaatst. Hiervan zijn twee boringen in een in werking zijnde koelcel geplaatst. Eén boring is buiten geplaatst. De maaiveldhoogte is geschat aan de hand van het AHN. De locatie van de boringen is weergegeven in kaart *. Voor de boringen is gebruik gemaakt van een edelmanboor met een diameter van 7 cm en, beneden het grondwater, een zuigerboor met een diameter van eveneens 7 cm en een lengte van 1,5 m. Er is getracht de boringen door te zetten tot in de schelphoudende strandzanden in de ondergrond. Dit is, op twee boringen na, niet gelukt, omdat deze zanden dieper dan de maximaal met de zuigerboor haalbare diepte bleken te liggen (~1,5 m beneden de grondwaterspiegel).
Het opgeboorde materiaal is beschreven volgens de ASB23 en doorzicht op het voorkomen van archeologische indicatoren.
3.2 Resultaten bodemopbouw De resultaten van de boringen zijn opgenomen in de vorm van boorstaten en worden in bijlage weergegeven. De bodemopbouw in het plangebied is als volgt. Het maaiveld ligt in alle boringen rond 0,25 m NAP. In alle 22
BRL SIKB 4000 Archeologie; versie 4.1, 2018.
23
Bosch, 2008.
ProjectCode versie 1
16 / 20
boringen is een verharding aanwezig die bestaat uit asfalt of beton. In twee boringen (4 en 5) is onder de asfaltverharding ook een laag piepschuim aanwezig. De verharding heeft een dikte van 15 tot 40 cm en de ondergrens ligt tussen 0,1 en -0,15 m NAP. Onder de verharding is een heterogeen zwak siltig zandpakket aanwezig, dat subrecent opgebracht dan wel omgewerkt is. De dikte van dit pakket varieert van 55 tot 170 cm en de ondergrens ligt tussen -0,45 en -1,75 cm -mv. In boring 1 bestaat dit pakket uit humeus zand, dat naar onderen toe minder humeus wordt. In boringen 2 en 8 is het hele pakket humeus In boring 8 is in het humeuze pakket grind en puin aan getroffen. In boringen 3 en 7 bestaat het pakket uit schelphouden stabilisatiezand op humeus zand. In de top van het humeuze zand in boring 3 is puin aanwezig. In boring 4 bestaat het pakket uit grof schelphouden zand. De top is wat humeus en de basis ook. Aan de basis is ook een sterke oliegeur geroken. In boring 5 is de top van het antropogene pakket humeus. Hieronder is het zand geroerd en bevat het grind. In boring 6 is de top van het antropogene pakket humeus, hieronder is grof schelphouden zand aangetroffen. De humeuze zanden zijn geïnterpreteerd als een antropogeen eerddek dat in de Nieuwe tijd is opgebracht voor groente-/bollenteelt. De schelphoudende zanden hieronder zijn opgebracht om het terrein te egaliseren.
Onder het antropogene pakket loopt de bodemopbouw verder uiteen. In boringen 3 en 4 wordt een dunne laag (20 cm) zandig veen aangetroffen. De top ligt op respectievelijk -1,35 en -1,75 m NAP, de basis op -1,55 en -1,95 m NAP. Hieronder wordt kalkloos duinzand aangetroffen. In boring 6 wordt onder de opgebrachte schelphoudende zandlaag 70 cm kalkloos zand aangetroffen tot -2,15 m NAP. De bovenste 20 cm van dit pakket is humeus. Dit is een bouwvoor uit de periode voordat het bovenliggende zandpakket is opgebracht, dus uit de Late Middeleeuwen/Nieuwe tijd. Hieronder is 50 cm kalkloos zand gevonden, dat rond -2,75 cm -mv over gaat in kalkrijk zand. In boringen 7 en 8 wordt onder het antropogene pakket kalkloos zand aangetroffen tot -1,65 en -2,05 m NAP. De dikte van dit ontkalkte pakket is 120 en 140 cm. Hieronder is kalkrijk zand aangetroffen tot het einde van de boringen. In boringen 1, 2 en 5 wordt onder het antropogene pakket kalkloos zand aangetroffen. In boringen 1 en 5 bevat dit zand vanaf respectievelijk -1,45 en -2,65 m NAP wat schelpgruis. Het schelploze zand betreft duinafzettingen, het schelphoudende zand strandwalafzettingen. Archeologische indicatoren In geen van de boringen zijn archeologische indicatoren waargenomen, behalve wat puin en grind in het antropogene pakket.
Het gaat hier echter om een verkennend booronderzoek, dat zich richt op de bodemopbouw en mogelijke bodemverstoringen die de archeologische trefkans kunnen beïnvloeden en niet zo zeer op het onderzoeken op de aanwezigheid van archeologische vondsten en/of sporen.
ProjectCode versie 1
17 / 20
3.3 Conclusie veldonderzoek Het doel van het verkennend booronderzoek is het toetsen van archeologisch verwachtingsmodel uit het bureauonderzoek. Uit het bureauonderzoek is gebleken dat het plangebied een lage tot middelhoge archeologische verwachting heeft voor bewoningssporen uit de periode Neolithicum – Middeleeuwen. Deze verwachting betreft de top van de duinzanden, maar ook eventuele overstoven niveaus binnen dit pakket, en wordt in sterke mate beïnvloed door de mate van intactheid van de strandwal/het duin. In de nieuwe tijd zijn de duinen sterk geëgaliseerd/vergraven door tuinbouw en later bollenteelt. Daarnaast heeft het plangebied een hoge archeologische verwachting voor resten uit de Nieuwe tijd, die zijn te relateren aan historische bebouwing die hier in ieder geval aan het begin van de 19e eeuw en mogelijk al vanaf de 17e eeuw aanwezig is geweest. Uit het booronderzoek komt duidelijk het beeld van een afgetopt en geëgaliseerd duincomplex naar voren. In alle boringen is (het restant van) een antropogeen eerddek aangetroffen. In enkele gevallen is hierop nog recent opgebracht zand aanwezig (boringen 3 en 7) en in ander boringen is hieronder ook nog een opgebracht schelphoudend zandpakket aangetroffen (boringen 4 en 6). Het eerddek en het opgebrachte zand hieronder stammen uit de Nieuwe tijd en houden verband met het gebruik als tuinbouw- en bollengrond.