1.10 Vleermuisonderzoek.pdf
Tekst van het document
Weeresteinstraat 156 te Hillegom
G&G-rapport 2024-225
Inventarisatie beschermde soorten in het kader van de natuurwetgeving
Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
Weeresteinstraat 156 te Hillegom Inventarisatie beschermde soorten in het kader van de natuurwetgeving
S.C. Wytema
2024
Opdrachtgever Scholz Group
G&G-rapport 2024-225
Datum Versie
25 oktober 2024 v1
Gecontroleerd door: S.J. Gutker de Geus Titel:
Weeresteinstraat 156 te Hillegom
Projectcode bureau
2024-225
Projectleiding:
Ir. R. de Beer
Veldwerk:
S.C. Wytema & J. Geertzen
Opdracht:
Scholz Group
Akkoord voor uitgave:
Teamleider Van der Goes en Groot
Paraaf: De onderstaande toetsing is gebaseerd op de plannen zoals aangegeven door de opdrachtgever. Bij wijziging van plannen, werkperioden, of werkwijzen kunnen andere conclusies en aanbevelingen met betrekking tot de effecten op beschermde soorten van toepassing zijn. De bevindingen die zijn beschreven in onderliggende ecologische beoordeling worden over het algemeen gedurende een periode van drie jaar na de verschijningsdatum van dit rapport als geldend gezien, mits omstandigheden in het beschreven gebied niet te sterk zijn gewijzigd. Ecologisch onderzoeks- en adviesbureau Van der Goes en Groot is niet aansprakelijk voor gevolgschade, alsmede voor schade welke voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van werkzaamheden of andere gegevens verkregen van Ecologisch onderzoeks- en adviesbureau Van der Goes en Groot; opdrachtgever vrijwaart Ecologisch onderzoeks- en adviesbureau Van der Goes en Groot voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing. Dit rapport is vervaardigd op verzoek van opdrachtgever hierboven aangegeven en is zijn eigendom. Niets uit dit rapport mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden d.m.v.
druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever hierboven aangegeven, noch mag het zonder een dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd. Het Ecologisch onderzoeks- en adviesbureau Van der Goes en Groot is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB).
Bovendijk 35-G 2295 RV Kwintsheul Hazenkoog 35A 1822 BS Alkmaar www.vandergoesengroot.nl
Weeresteinstraat 156 te Hillegom
3
Inhoudsopgave 1
2
Inleiding
4
1.1
Aanleiding tot het onderzoek .................................................................................. 4
1.2
Doel van het onderzoek........................................................................................... 5
1.3
Ligging van het plangebied ...................................................................................... 5
1.4
Geplande werkzaamheden ...................................................................................... 5
1.5
Leeswijzer ................................................................................................................ 5
Methode 2.1
7
Vleermuizen ............................................................................................................. 7 2.1.1 Veldbezoeken ............................................................................................................ 7
3
Resultaten vleermuizen 3.1
4
11
Gewone dwergvleermuis ....................................................................................... 11
Effectbeoordeling en maatregelen
14
4.1
Vleermuizen ........................................................................................................... 14
4.2
Overige broedvogels .............................................................................................. 14
5
Zorgplicht
16
6
Conclusies en aanbevelingen
18
7
Aanbevolen en geraadpleegde literatuur
20
8
Bijlagen
21
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2024-225
Weeresteinstraat 156 te Hillegom
4
1
Inleiding 1.1
Aanleiding tot het onderzoek Er bestaan plannen sloopwerkzaamheden uit te voeren aan de Weeresteinstraat 156 te Hillegom. Hillegom ligt in de gelijknamige gemeente in de provincie Zuid-Holland. Het is mogelijk dat vleermuizen verblijven binnen het plangebied. Ook is het mogelijk dat vleermuizen (een deel van) het plangebied gebruiken als onderdeel van hun leefgebied. De aanwezigheid van deze potentie is aangegeven in een eerder uitgevoerde ‘ecologische quickscan’ (WYTEMA, 2024). Om dit nader te onderzoeken heeft Scholz Group opdracht gegeven aan ecologisch onderzoeks- en adviesbureau Van der Goes en Groot een inventarisatie uit te voeren naar deze soorten. Het onderzoek is uitgevoerd in de periode mei-september 2024. De inventarisatie is uitgevoerd door medewerkers van bureau Van der Goes en Groot. Dit rapport doet verslag van het onderzoek.
De ligging van het plangebied (rood omlijnd).
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2024-225
Weeresteinstraat 156 te Hillegom
1.2
5
Doel van het onderzoek Doel van het onderzoek is om inzicht te krijgen in het voorkomen en de verspreiding van vleermuizen binnen het plangebied.
1.3
Ligging van het plangebied In Figuur 1 is de ligging van het plangebied aangegeven. Het plangebied betreft een (voormalig) bloembollenbedrijf en bevindt zich in de dorpse omgeving van Hillegom. Het plangebied wordt aan drie kanten omsloten door woningen, aan de oostzijde door weiland. De locatie is gelegen aan de N208, een drukke verkeersader. Op 1 kilometer afstand ten oosten loopt de Haarlemmertrekvaart, een brede watergang.
1.4
Geplande werkzaamheden De bebouwing in het plangebied zal worden gesloopt. Op de locatie waar de huidige bebouwing staat wordt nieuwbouw gerealiseerd. Bij de sloop worden enkele bomen gekapt. De ecologisch gevoelige werkzaamheden zullen bestaan uit sloop van bebouwing met zware constructiewerkzaamheden, benodigd hak-, breek- en zaagwerk, het opbrengen van grond en het kappen en rooien van bomen en/of struiken. Daarbij kunnen dieren en planten beschadigd, verwond, verdrukt of gedood worden. Ook kunnen verblijfplaatsen van dieren of groeiplekken van planten beschadigd of vernield worden. Bij de uitvoering van de werkzaamheden kan door geluid, trillingen en licht verstoring optreden van (beschermde) soorten.
1.5
Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt de methode van het onderzoek beschreven. In hoofdstuk 3 worden de resultaten beschreven en wordt aangegeven welke soorten zijn aangetroffen binnen en eventueel nabij het plangebied. In hoofdstuk 4 wordt ingeschat in hoeverre deze soorten negatieve effecten kunnen ondervinden door de uit te voeren werkzaamheden welke specifieke maatregelen eventueel noodzakelijk zijn en of een vergunning in het kader van de Ow noodzakelijk is. In hoofdstuk 5 wordt aangegeven of soorten, waarvoor de specifieke zorgplicht van toepassing is, in het plangebied verwacht worden en wordt aangegeven welke passende maatregelen genomen moeten worden.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2024-225
Weeresteinstraat 156 te Hillegom
6
Ten slotte bevat hoofdstuk 6 de conclusies met noodzakelijke vervolgstappen. Indien van toepassing worden aanbevelingen gedaan. Hoofdstuk 7 tenslotte, geeft een overzicht van de gebruikte literatuur. In de bijlages is aanvullende informatie opgenomen over de geldende wetgeving en de gebruikelijke procedures bij een vergunningsaanvraag. Eventueel zijn (indien relevant) verspreidingskaarten opgenomen.
Impressie van de bebouwing.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2024-225
Weeresteinstraat 156 te Hillegom
2
7
Methode 2.1
Vleermuizen Alle soorten vleermuizen zijn beschermd krachtens de Ow onder het regime van de Habitatrichtlijn. Het doel van het onderzoek is de aanwezigheid en verspreiding van vleermuizen in het plangebied in kaart te brengen. Het onderzoek is uitgevoerd aan de hand van richtlijnen uit het protocol voor vleermuisinventarisaties, opgesteld door het Vleermuisvakberaad (VLEERMUISVAKBERAAD, 2021). Voorafgaand aan het onderzoek is op grond van de eerder uitgevoerde ecologische quickscan en de aanwezige biotopen nagegaan welke soorten vleermuizen redelijkerwijs of mogelijk te verwachten zijn binnen het onderzoeksgebied. Het onderzoek is op grond daarvan in dit geval met name gericht op de algemenere gebouwbewonende soorten: Gewone dwergvleermuis, Ruige dwergvleermuis en Laatvlieger. Uiteraard is tijdens het onderzoek ook gelet op aanwezigheid van andere soorten vleermuizen in het plangebied. Bij het aantreffen van ‘bijzondere’ soorten zoals Meervleermuis, Watervleermuis, Baardvleermuis en Gewone grootoorvleermuis, welke mogelijk verblijvend aanwezig zijn binnen het plangebied, worden het aantal bezoekrondes en/of rondetijden aangepast op het protocol voor de desbetreffende soort.
2.1.1
Veldbezoeken Door middel van veldonderzoek zijn de aanwezigheid en verspreiding van vleermuizen in het plangebied onderzocht. Er zijn in totaal 6 rondes uitgevoerd in de periode mei tot en met september 2024. Het aantal rondes is op voorhand, op grond van potentie van verwachte soorten en gebruiksfuncties bepaald. Het plangebied kan door vleermuizen op verschillende manieren worden gebruikt, bijvoorbeeld als verblijfplaats, als (onderdeel van) een vliegroute of als foerageergebied. Deze gebiedsfuncties zijn tijdens het veldwerk onderzocht. Tijdens de quickscan en de eerste ronde van het onderzoek zijn de relevante elementen, zoals (randen van) opgaande begroeiing, wateren, lijnvormige structuren en luwe en donkere terreindelen in beeld gebracht. Daarnaast zijn de aanwezige gebouwen en bomen geïnspecteerd op aanwezigheid van gaten, holtes, kieren en spleten. Tijdens het onderzoek is bij mogelijke verblijfplaatsen gezocht naar gebruikssporen van vleermuizen, zoals keutels op verhardingen,
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2024-225
Weeresteinstraat 156 te Hillegom
8
poepstrepen bij gaten, vraatresten met behulp van een sterke zaklamp. Daarnaast is tijdens alle bezoeken van het onderzoek gekeken naar de aanwezigheid van vliegroutes en foerageergebieden in het plangebied. Deze gebruiksfuncties zijn vooral te verwachten in luwe terreindelen van het plangebied en langs lijnvormige landschapselementen. Bij het bepalen en vaststellen van soorten, aantallen en terreingebruik van vleermuizen wordt gebruik gemaakt van batdetectors (beschikbare modellen Pettersson D240x en Echo Meter Touch Pro). Op de onderzoekslocatie was altijd visuele- en audioweergave van de opgevangen pulsen mogelijk en er was altijd de mogelijkheid geluiden en/of pulsen op te nemen met opnameapparatuur (Echo Meter Touch Pro). Tijdens het onderzoek werd tevens gebruik gemaakt van warmtebeeld-apparatuur (Lahoux Spotter Elite 35V en Lahoux spotter Pro V). Hiermee kunnen vliegpatronen van baltsende en foeragerende dieren en eventuele vliegroutes van overvliegende vleermuizen beter in beeld gebracht worden. Ook kunnen de aanwezige aantallen vleermuizen nauwkeuriger worden ingeschat en kan in volledige donkere situaties (zoog)zwermactiviteit, late uitvliegers en terugvliegende dieren naar verblijfplaatsen worden opgemerkt zonder dat hier (kunst)licht voor nodig is. Hierdoor wordt onnodige verstoring van vleermuizen en omwonenden voorkomen.
De eerste drie kraam- en zomerrondes (KZ1 t/m KZ3) aan het begin van de zomer, zijn met name gericht geweest op het in kaart brengen van zwermactiviteit bij kraam- of zomerverblijven en in- en uitvliegende dieren. Zwermactiviteit treedt met name op aan het einde van de nacht en wordt onderzocht door op kansrijke plekken te posten en/of door in een laag tempo door het plangebied te surveilleren. Bij een avondbezoek wordt gepost op kansrijke plekken (uitvlieglocaties). De avondrondes worden vooral ingezet om de aanwezigheid en terreingebruik van Laatvlieger vast te stellen. De middernachtzwermronde (MN) is ingezet vanwege de hoogte van de bebouwing en de aanwezigheid van spouwmuren en is gericht op het vaststellen van zwermactiviteit die een aanwijzing vormt voor de aanwezigheid van een winterverblijf in de bebouwing. De laatste twee rondes (P1 en P2) zijn vooral gericht geweest op het vaststellen van paarverblijven en baltsactiviteit. De P1 ronde (begin september) is om middernacht gelopen om baltsactiviteit van Ruige dwergvleermuis later in de nacht in beeld te brengen. De P1 ronde is tevens laat ingezet om middernachtelijke zwermactiviteit van Gewone dwergvleermuis vast te kunnen stellen. Deze zwermactiviteit vormt een sterke aanwijzing voor de aanwezigheid van een winterverblijf.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2024-225
Weeresteinstraat 156 te Hillegom
9
Niet alle bebouwing is geschikt voor verblijf van vleermuizen (zie WYTEMA, 2024). Vanwege het beperkt aantal potentieel geschikte plekken en zijdes van de bebouwing en de positie daarvan voor verblijfsgebruik van vleermuizen, is het onderzoek in het voorjaar uitgevoerd door twee personen. In het najaar is het niet noodzakelijk vanaf vaste punten het snelle uitvliegen van vleermuizen te volgen en is het onderzoek gericht op langduriger aanwezige sociaal roepende, uit (paar)verblijf roepende, baltsende of zwermende vleermuizen waarbij een minder hoge inspanning voldoet. In het najaar is het onderzoek daarom uitgevoerd zonder het plangebied op te delen in meerdere deelgebieden. De najaarsrondes zijn in totaal gelopen door twee personen. Tijdens de veldbezoeken was geen sprake van substantiële neerslag en werd er niet geïnventariseerd bij een windkracht hoger dan 4 Bft of bij temperaturen lager dan 8 °C. Een overzicht met de datums, rondetijden, weersomstandigheden en de onderzoeksopzet van de uitgevoerde onderzoeksrondes wordt weergeven in Tabel 1.
Overzicht van de veldbezoeken ten behoeve van het vleermuisonderzoek in het plangebied per ronde (“KZ” = kraamkolonie- en zomerverblijfronde, “MN” = middernachtzwermronde en “P” = paarverblijfronde).
Ronde/ Datum
Tijd
Duur
Weersomstandigheden (wind, temperatuur, bewolking)
Opzet
KZ1 28 mei
21:50-23:50
2 uur
Z 4 Bft, 14,6⁰C, 3/8
avondbezoek kraamkolonies, zomerverblijven, terreingebruik
KZ2 29 juni
22:05-00:05
2 uur
N 2 Bft, 18,6⁰C, 2/8
avondbezoek kraamkolonies, zomerverblijven, terreingebruik
KZ3 8 juli
03:30-05:30
2 uur
ZW 3 Bft, 16,9⁰C, 5/8
MN 9 aug
00:00-02:00
2 uur
ZW 4 Bft, 20,3⁰C, 5/8
P1 5 sep
00:00-02:00
2 uur
NO 3 Bft, 22⁰C, 4/8
P2 26 sept
21:00-23:00
2 uur
Z 4 Bft, 15,8⁰C, 8/8
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
ochtendbezoek kraamkolonies, zomerverblijven, terreingebruik middernachtbezoek zwermactiviteit, paarverblijven, terreingebruik middernacht paarverblijven, zwermactiviteit, terreingebruik avondbezoek paarverblijven, zwermactiviteit, terreingebruik
2024-225
Weeresteinstraat 156 te Hillegom
10
2.1.2
Relatie met het vleermuisprotocol Het vleermuisprotocol is een richtlijn op grond waarvan het onderzoek zo goed mogelijk is uitgevoerd. Dit houdt in dat de uiteindelijke onderzoeksopzet is gebaseerd op grond van aanwezige biotopen en potenties in het onderzochte plangebied. In het geval van het betreffende plangebied zijn de hieronder genoemde keuzes gemaakt om de resultaten te optimaliseren. Er is op grond van de gemaakte soortenkeuze niet afgeweken van het vleermuisprotocol.
Vleermuisonderzoek aan de Weeresteinstraat.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2024-225
Weeresteinstraat 156 te Hillegom
3
11
Resultaten vleermuizen In het plangebied is één soort vleermuis vastgesteld. Laatvlieger en Ruige dwergvleermuis zijn niet vastgesteld. In Tabel 2 wordt de soort en bijbehorende indicatie van de aantallen en gebruiksfuncties weergeven.
Vastgestelde soorten vleermuizen met bijbehorende indicatie van de aantallen en gebruiksfuncties binnen het plangebied.
Soort Gewone dwergvleermuis
Aantal (indicatie)
Aantal verblijven
Foeragerend
Vliegroute
enkele
geen
ja
nee
De relevante verspreidingskaarten van de aangetroffen vleermuizen staan in Bijlage 1. Er werden overvliegende, foeragerende en baltsende vleermuizen waargenomen. Verblijfplaatsen in bomen en/of gebouwen zijn niet vastgesteld binnen het plangebied. Per soort wordt hieronder het voorkomen van de aangetroffen vleermuizen in het plangebied kort toegelicht en wordt de leefwijze van de waargenomen vleermuizen in Nederland geschetst.
3.1
Gewone dwergvleermuis In het plangebied werd de Gewone dwergvleermuis in alle terreindelen verspreid aangetroffen. De dichtheden en aantallen vleermuizen lagen meestal erg laag. Er werden in het geheel geen gebouwgerichte activiteiten van vleermuizen vastgesteld. Aan de overkant van de drukke N208 (Weeresteinstraat, buiten het plangebied) was in de tweede voorjaarsronde wel een kleine verblijfplaats aanwezig. De begroeiing, wateren en luwe terreindelen in de omgeving van het plangebied werden gedurende de onderzoeksperiode vaker gebruikt door foeragerende vleermuizen. De dieren werden ook jagend nabij lantaarnpalen waargenomen. Gezien de aanwezige foerageermogelijkheden buiten het plangebied en de grootte van het plangebied ten opzichte van (geschiktere) gebieden in de omgeving daarvan, is het plangebied wat betreft foerageergebied geen ‘essentieel’ deel van het leefgebied van de Gewone dwergvleermuis.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2024-225
Weeresteinstraat 156 te Hillegom
12
Er werden geen bijzondere gerichte verplaatsingen opgemerkt van Gewone dwergvleermuis die zouden kunnen wijzen op een belangrijke vliegroute. Gedurende de latere rondes van het onderzoek werden rond het plangebied soms korte tijd Gewone dwergvleermuizen waargenomen die in de vlucht sociale geluiden lieten horen. Deze sociaal roepende vleermuizen konden niet worden gekoppeld aan de bebouwing binnen het plangebied.
Begroeiing en water nabij de bebouwing zorgt voor geschikte foerageeromstandigheden.
Tijdens het waargenomen gebruik werden naast de sociale geluiden tevens vangpulsen (versnellende pulsen) opgevangen zodat duidelijk was dat het omliggende gebied (ook) als foerageergebied wordt gebruikt en het (in combinatie met afwezigheid van gebouwgerichte activiteit) waarschijnlijk is dat het gedrag niet gebonden is aan de omringende bebouwing. Algemeen De Gewone dwergvleermuis is veruit de meest verspreide en talrijkste vleermuissoort in Nederland. Deze soort verblijft hoofdzakelijk in gebouwen. Gedurende het hele jaar worden vooral van buiten toegankelijke spouwmuren en besloten ruimtes achter betimmeringen, daklijsten en dakpannen gebruikt. Nachtelijk zwermgedrag rond een verblijfplaats gedurende het voorjaar en zomer duidt op de aanwezigheid van kraamkolonie. Door de verborgen leefwijze gedurende de winterperiode zijn overwinterende dieren, die zich dan meestal in kleinere groepen ophouden, vaak onvindbaar. Een sterke aanwijzing voor dergelijke
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2024-225
Weeresteinstraat 156 te Hillegom
13
winterverblijven is het voorkomen van zogenaamde middernachtzwermactiviteit in de periode augustus tot medio september. Daarnaast is gedurende de baltsperiode in de nazomer en herfst sprake van paargezelschappen die rond paarverblijfplaatsen kunnen worden waargenomen. Sociaal roepende vleermuizen worden ook vaak vliegend waargenomen verder weg van hun verblijfplaats en zijn in veel gevallen niet direct aan een paarverblijfplaats te koppelen. Foerageergebieden bevinden zich overwegend in besloten tot halfopen landschap binnen enkele kilometers van de verblijfplaatsen. Het foerageergebied wordt via vaste, veelal beschutte vliegroutes bereikt, zoals bomenlanen, watergangen of langs bebouwing.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2024-225
Weeresteinstraat 156 te Hillegom
14
4
Effectbeoordeling en maatregelen De aanwezigheid van vleermuizen in het plangebied of de directe omgeving daarvan kan van invloed zijn op de verdere procedure. De effecten die kunnen optreden bij de geplande werkzaamheden worden hieronder beschreven. Voorts zal worden aangegeven welke maatregelen kunnen worden genomen om effecten te voorkomen of te minimaliseren.
4.1
Vleermuizen Verblijfplaatsen Er zijn tijdens de inventarisaties geen verblijfplaatsen van vleermuizen aangetroffen. Er zijn geen negatieve effecten van de ingreep op verblijvende vleermuizen mogelijk. Foerageergebied Het foerageergebied van vleermuizen binnen het plangebied maakt slechts een klein deel uit van een veel groter foerageergebied en is geen ‘essentieel’ deel van het leefgebied. De vleermuizen kunnen derhalve uitwijken. De aanwezige foeragerende vleermuizen in het plangebied worden door de werkzaamheden, die beperkt zijn tot de bebouwing, niet in betekenende mate beïnvloed. Na oplevering van de plannen zal vanwege de ontwikkelde begroeiing en gerealiseerde bebouwing de beschutting toenemen en zal het terrein geschikt blijven voor foeragerende vleermuizen. De tijdelijke achteruitgang van foerageermogelijkheden is vanwege de grootte van het plangebied zeer beperkt en kan opgevangen worden omdat vleermuizen kunnen uitwijken naar vergelijkbaar en beter foerageergebied in de omgeving.
4.2
Overige broedvogels In het plangebied zijn geen vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten te verwachten. In het plangebied kunnen wel vogelsoorten met niet-jaarrond beschermde nesten tot broeden komen. Dergelijke vogelnesten kunnen worden verstoord of vernield bij ecologisch gevoelige werkzaamheden zoals het slopen of renoveren van bebouwing, diverse graafwerkzaamheden, het verwijderen van de vegetatieve toplaag en het kappen en rooien van bomen en struiken, Men dient deze activiteiten waarbij nesten verstoord of vernield kunnen worden daarom buiten het broedseizoen plaats te doen vinden, dus niet van grofweg 15 maart tot 15 juli. Deze periode is afhankelijk van bijvoorbeeld het weer en de betrokken soorten. Als
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2024-225
Weeresteinstraat 156 te Hillegom
15
onverhoopt buiten deze periode vogels broedend aanwezig zijn, dienen werkzaamheden plaatselijk te worden uitgesteld. Wanneer toch in het broedseizoen gewerkt gaat worden is het mogelijk, voorafgaand aan het broedseizoen of voorafgaand aan de vestiging van broedvogels, het plangebied ongeschikt te maken als (nog) geen nesten aanwezig zijn.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2024-225
Weeresteinstraat 156 te Hillegom
16
5
Zorgplicht Voor alle in het wild levende soorten en hun leefomgeving geldt de algemene zorgplicht (zie Bijlage 2.1.1). Voor soorten die kwetsbaar of bedreigd zijn en vallen onder de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, nationaal beschermde soorten en voor soorten die opgenomen zijn op de Rode lijsten, geldt de specifieke zorgplicht. Ook natuurlijke habitats of belangrijke leefgebieden van deze soorten vallen onder de specifieke zorgplicht (zie Bijlage 2.1.1). In het plangebied worden vanwege het ontbreken van geschikte biotopen geen kwetsbare of bedreigde soorten die vallen onder de specifieke zorgplicht verwacht (WYTEMA, 2024). Daarom worden in dit geval geen gerichte maatregelen ten behoeve van de specifieke zorgplicht besproken. Wel worden enkele maatregelen genoemd die bevorderend kunnen zijn voor de natuur, waarmee de algemene zorgplicht nageleefd kan worden. Met behulp van passende preventieve maatregelen in het plangebied kunnen negatieve gevolgen voor soorten worden voorkomen of beperkt: Alle aanwezige bebouwing, vegetatie of bodemmateriaal kan gefaseerd verwijderd worden. Dit geeft bodembewonende dieren de kans om het plangebied te ontvluchten en een alternatief leefgebied te benutten in de (directe) omgeving. Groenvoorzieningen moeten tijdens de werkzaamheden en het (tijdelijk) opslaan van machines en materialen zoveel mogelijk worden ontzien.
Bij het werk kunnen zo klein mogelijke werkbreedtes gebruikt worden. Tevens kan men steeds dezelfde bouwwegen en paden voor zowel vervoer, aanvoer en afvoer gebruiken. Bij ecologisch gevoelige werkzaamheden moet richting te behouden leefgebied van fauna gewerkt worden zodat dieren niet ingesloten raken en een grotere kans hebben het werkgebied te ontvluchten. Om negatieve effecten voor grondgebonden fauna te verminderen kan de vegetatie eerst 10 centimeter worden afgemaaid waarna het perceel een nacht met rust gelaten wordt voordat de vegetatie volledig verwijderd wordt. Bij ecologisch gevoelige werkzaamheden kan zoveel mogelijk van bestaande paden gebruik gemaakt worden of kunnen nieuw gecreëerde paden herhaaldelijk gebruikt worden om insporing en potentiële verstoring van dieren en planten te beperken. Bij ecologisch gevoelige werkzaamheden kan zodanig gewerkt worden dat de meest gevoelige periodes van te verwachten soorten (vooral voortplantings- en winterrustperiodes) vermeden worden.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2024-225
Weeresteinstraat 156 te Hillegom
17
Bij de werkzaamheden moet voorkomen worden dat ’s nachts met sterke bouwverlichting wordt gewerkt om verstoring van nachtactieve fauna te beperken. Om vissen en amfibieën te verdrijven uit te dempen wateren dient van ‘dicht’ naar ‘open’ gewerkt te worden en geen dieren in te sluiten. Als dit niet mogelijk is kunnen dieren weggevangen worden door wateren af te dammen en het waterniveau te verlagen. Deze dieren kunnen vervolgens worden overgebracht naar geschikte wateren in de nabije omgeving.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2024-225
Weeresteinstraat 156 te Hillegom
18
6
Conclusies en aanbevelingen Tijdens de inventarisatie is één soort vleermuis vastgesteld (zie Tabel 3).
Aangetroffen beschermde soorten met vastgestelde gebruiksfuncties binnen het plangebied.
Vleermuizen
Gewone dwergvleermuis Ruige dwergvleermuis Laatvlieger
Verblijf (aantal, type)
Foerageergebied
Essentieel foerageergebied
Vliegroute
Essentiële vliegroute
geen geen geen
ja nee nee
nee nee nee
nee nee nee
nee nee nee
In het plangebied komen geen jaarrond beschermde verblijfplaatsen van vogels voor. In het plangebied kunnen wél broedvogels met niet-jaarrond beschermde nesten voorkomen. Voor de verwachte aanwezige broedvogels dienen werkzaamheden waarbij nesten vernield of verstoord kunnen worden, buiten het broedseizoen plaats te vinden. Een vergunning is voor broedvogels dan niet nodig. Het broedseizoen duurt ruwweg van half maart tot eind juli. In het plangebied zijn alleen overvliegende en foeragerende vleermuizen waargenomen. Verblijfplaatsen van vleermuizen konden niet worden vastgesteld in het plangebied. Rondvliegende vleermuizen met sociale geluiden vertoonden geen gebouw gebonden activiteit en konden niet aan aanwezige bebouwing worden gekoppeld. Het foerageergebied voor vleermuizen binnen het plangebied maakt slechts een klein deel uit van een veel groter foerageergebied en is geen ‘essentieel’ deel van het leefgebied. De vleermuizen kunnen derhalve uitwijken. Vanwege het ontbreken van verblijfplaatsen van vleermuizen en/of andere beschermde gebruiksfuncties die in betekenende mate worden aangetast, is het niet nodig een vergunning aan te vragen in het kader van Ow. In het plangebied kunnen broedvogels met niet-jaarrond beschermde nesten voorkomen.
Voor de verwachte aanwezige broedvogels dienen werkzaamheden waarbij nesten vernield of verstoord kunnen worden, buiten het broedseizoen plaats te
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2024-225
Weeresteinstraat 156 te Hillegom
19
vinden. Een vergunning is voor broedvogels dan niet nodig. Het broedseizoen loopt ruwweg van half maart tot half juli. Teneinde het naleven van de algemene en specifieke zorgplicht voor kwetsbare en bedreigde soorten kan men gebruikmaken van genoemde passende preventieve maatregelen (zie hoofdstuk 5).
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2024-225
Weeresteinstraat 156 te Hillegom
20
7
Aanbevolen en geraadpleegde literatuur BARATAUD, M., Y. TUPINIER, H. LIMPENS & A C. BETAIN, 2015. Acoustic Ecology of European Bats. Biotope editions, Publications scientifiques du muséum. ISBN 9782366621440. BRIGGS, B. & D. KING, 1998. The Bat Detective. A fieldguide for bat detection. Stag Electronics, West Sussex. BROEKHUIZEN, S., B. HOEKSTRA, V. VAN LAAR, C. SMEENK & J.B.M. THISSEN (RED.), 1992. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. 3e herziene druk. KNNV Uitgeverij, Utrecht. DIETZ, C., A. KIEFFER, 2017. Veldgids Vleermuizen van Europa. KNNV Uitgeverij. Zeist. GRIMMBERGER, E., 2001. Gids van de Vleermuizen van Europa. Tirion uitgevers B.V., Baarn. KAPTEYN, K., 1995. Vleermuizen in het landschap. Over hun ecologie, gedrag en verspreiding. Provincie Noord-Holland, Noordhollandse Zoogdierstudiegroep, Het Noordhollands Landschap, Haarlem. LIMPENS, H., K. MOSTERT & W. BONGERS (RED.), 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen: onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht. TWISK, P., A. VAN DIEPENBEEK & J.P. BEKKER, 2009. Veldgids Europese zoogdieren. KNNV Uitgeverij, Utrecht. VLEERMUISVAKBERAAD NETWERK GROENE BUREAUS, ZOOGDIERVERENIGING, 2021. Vleermuisprotocol 2021, januari 2021. www.netwerkgroenebureaus.nl en www.zoogdiervereniging.nl. WISMEIJER, H., 2002. Zoogdieren van Europa. ANWB bv/ TIRION Uitgevers bv, Baarn. WYTEMA, S.C., 2023.
Weeresteinstraat 156 te Hillegom. Toetsing in het kader van de natuurwetgeving. G&G-rapport QS2024-114. Van der Goes en Groot, Alkmaar/Kwintsheul.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2024-225
Weeresteinstraat 156 te Hillegom
8
Bijlagen
Bijlage 1 Bijlage 2
Verspreidingskaarten vleermuizen Huidige natuurwetgeving
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
21
2024-225
Weeresteinstraat 156 te Hillegom
Bijlage 1 Verspreidingskaarten vleermuizen
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2024-225
Weeresteinstraat 156 te Hillegom
Bijlage 2 Huidige natuurwetgeving Bijlage 2.1 Omgevingswet (Ow) De Omgevingswet (Ow) is het nationale wettelijke kader waarin onder andere de Wet natuurbescherming (Wnb) is opgenomen. De Wnb op haar beurt is het nationale wettelijke kader waarin de Floraen faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet destijds zijn samengevoegd. De Ow bundelt alle wetten die gaan over regels met betrekking tot activiteiten in de fysieke leefomgeving, zoals bouw, infrastructuur, natuur, milieu, lucht, water, bodem en cultureel erfgoed. In de Ow is zowel de soortbescherming van wilde flora en fauna geregeld als de gebiedsbescherming, die veelal voortkomt uit bepalingen van de Europese Habitatrichtlijn (HRL) en Vogelrichtlijn (VRL). De basisregels zoals de doelen van de wet, de algemene zorgplicht, regels van zogenaamde kerninstrumenten, vergunningplicht, verantwoordelijkheden en taken van bevoegde gezagen, bevoegdheidsverdeling en overige instructieregels, staan allemaal in de Ow. De doelstellingen van de Ow baseren zich op de erkenning van de intrinsieke waarde van de natuur. Vanwege deze intrinsieke waarde is de wet gericht op het in stand houden en bereiken van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving en een hoge omgevingskwaliteit.
Een andere doelstelling van de Ow is het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkeling van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften. De provincies zijn, op enkele uitzonderingen na, het bevoegd gezag van de wet. De provincies organiseren de vergunningsverlening en handhaving. Het stelsel Ow bestaat uit een algemene wettekst (de Ow zelf) dat per procesonderdeel nader is uitgewerkt in Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB’s), zogenaamde uitvoeringswetten, en de Omgevingsregeling. Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB’s) In het stelsel Ow staat de regelgeving uitgewerkt in vier algemene maatregelen van bestuur (AMvB’s). Deze zijn: Besluit activiteiten leefomgeving (Bal); hierin staan de algemene regels voor Natura 2000- en flora- en fauna-activiteiten waaronder de vergunningplicht (voor overheden en initiatiefnemers) en de regels voor de aanwijzing van vergunningsvrije gevallen en mogelijkheden voor maatwerk. Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl); hierin staat de uitwerking van algemene regels voor bouwwerken die rechtstreeks werken,
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2024-225
Weeresteinstraat 156 te Hillegom
eveneens voor initiatiefnemers en overheden. Het Bbl is de vervanger van het Bouwbesluit. Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bevat de uitwerking van normen en instructieregels voor bestuursorganen, waaronder de kaders voor vergunningverlening, zoals beoordelingsregels. Omgevingsbesluit (Ob); hierin staan regels voor initiatiefnemers en bestuursorganen, onder meer met betrekking tot bevoegdheden, totstandkomingsprocedures en handhavingsbepalingen. De Omgevingsregeling (Or) bestaat naast de AMvB’s voor de uitwerking van de administratieve en technische regels. Het invoeringsbesluit regelt het overgangsrecht, wijzigingen in bestaande besluiten en aanpassingen van de AMvB’s. Bijlage 2.1.1 Zorgplicht Algemene zorgplicht De algemene zorgplicht in de Ow is een brede zorgplicht en geldt voor de gehele fysieke leefomgeving (afdeling 1.3 Ow & art. 1.6 en 1.7). ‘Een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn activiteit of het nalaten ervan nadelige gevolgen kan hebben voor de fysieke leefomgeving, is verplicht om deze gevolgen te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken dan wel de activiteit achterwege te laten.’ De algemene zorgplicht is in principe altijd van toepassing, tenzij een specifieke zorgplicht (art. 1.8 Ow en art. 11.6 Bal) is opgenomen voor een bepaalde activiteit in de Ow.
Specifieke zorgplicht flora en fauna De specifieke zorgplicht staat uitgewerkt in het Bal (art. 11.6) en onder diverse artikelen in het Bbl. De specifieke zorgplicht kent een andere reikwijdte dan de algemene zorgplicht. Alle activiteiten die door het verrichten, of juist nalaten hiervan, negatieve gevolgen kunnen hebben op de fysieke leefomgeving zijn verboden volgens de Ow (art. 1.7a, zie ook art. 11.27 Bal). De activiteiten waar het hier over gaat zijn nader begrensd, ook ter uitvoering van de richtlijn milieustrafrecht (art. 1.3 Ob). Hierin staat onder andere het verbod op het in lucht, bodem of water brengen van trillingen, geluid, stoffen of warmte die gevolgen voor natuur of landschappen kunnen hebben. Ook staat hierin het verbod om beschermde natuur of landschappen te verwaarlozen met aanzienlijke gevolgen. De specifieke zorgplicht is van toepassing wanneer er aanwijzingen zijn voor de aanwezigheid van specifieke soorten, welke van nature in Nederland voorkomen, die kwetsbaar of bedreigd zijn en vallen onder de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, nationaal beschermde soorten en soorten die opgenomen zijn op de (nationale) Rode lijsten. Ook natuurlijke habitats of belangrijke leefgebieden van deze soorten vallen onder de specifieke zorgplicht.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2024-225
Weeresteinstraat 156 te Hillegom
Als deze aanwijzingen er zijn, moet worden vastgesteld of op voorhand op grond van objectieve gegevens nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten voor deze soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rust- of groeiplaatsen en hun eieren. Zijn nadelige gevolgen niet uit te sluiten, dan wordt gevraagd om na te gaan welke nadelige gevolgen kunnen optreden en passende preventieve maatregelen te nemen, de activiteit te staken, of, als dat niet kan, passende herstelmaatregelen te nemen. Mochten de zorgplichtbepalingen niet helder genoeg zijn, dan staat het aan bevoegd gezag vrij om middels maatwerkregels (art. 11.29 Bal) of maatwerkvoorschriften (art. 11.31 Bal) deze te verduidelijken. Bijvoorbeeld door het opnemen van regels in een provinciale Omgevingsverordening of het stellen van een maatwerkvoorschrift of vergunningsvoorschrift.
Bijlage 2.2 Soortbescherming Onder de Ow geldt een algemeen verbod om zonder omgevingsvergunning bepaalde activiteiten te mogen verrichten (§ 5.1.1 Ow), waaronder een flora- en fauna-activiteit, tenzij anders geregeld in een omgevingsplan, waterschapsverordening, omgevingsverordening of ministeriële regeling. Bijlage 2.2.1 Categorieën soortbescherming Onder de Ow worden bepaalde planten en dieren beschermd. Er zijn vier categorieën met beschermde soorten. Twee categorieën bevatten de soorten die Europees zijn beschermd onder de Habitatrichtlijn (Hrl) en soorten genoemd in de Vogelrichtlijn (Vrl). Naast deze Europees beschermde soorten is een extra categorie soorten toegevoegd, de ‘andere soorten’. Deze soorten zijn op nationaal niveau beschermd. Per provincie geldt daarnaast een vierde categorie, de ‘vrijgestelde soorten’ (art. 3.11). Alleen soorten uit de derde categorie kunnen worden vrijgesteld. Voor deze soorten geldt een vrijstelling van vergunningsplicht bij schadelijke handelingen (zie Bijlage 2.2.2), bij ruimtelijke ontwikkeling en inrichting en bestendig beheer. De lijst van vrijgestelde soorten kan per provincie variëren en is te vinden in Tabel 4.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2024-225
Weeresteinstraat 156 te Hillegom
Vrijgestelde soorten per provincie (Rood niet vrijgesteld). DR
FL
FR
GL
GR
L
NB
NH
OV
UT
ZH
ZL
+ + + + +
+ +
+ + + + +
+ +
+ + + + +
+ +
+ +
+ +
+ +
+ +
+ + + + +
+ +
+ +
+ + + + +
+ + + + + + + + +
+ + +
+ + + + + + + + +
+ + +
+ + +
+ + +
+ +
+ + + + +
+ + + + +
+ + + + + + + + +
+ +
+ + + + +
+ + + + + + + + +
+ + + +
+ + +
+ + + +
+ + +
+ + + +
+ + + + + +1 + + + + + + + + + +2 + + + +
+ + +
+ + +
+ + +
+ + + +
+ + + +
+ + + +
+
+
+
+
+
+
+ +
+
+
+
+
+
+ +
+ +
+ +
+ +
+ +
+ +
+ +
+ +
+ +
+ +
+ +
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+ +
+ +
+ +
+ +
+ +
+ + +3 + +4 + +
+ +
+ +
+ +
+ +
+ +
+ +
Zoogdieren Aardmuis Bosmuis* Bunzing Dwergmuis Dwergspitsmuis Eekhoorn Egel Gewone bosspitsmuis Haas Hermelijn Huisspitsmuis* Konijn Ondergrondse woelmuis Ree Rosse woelmuis Steenmarter Tweekleurige bosspitsmuis Veldmuis Vos Wezel Wild zwijn Woelrat Amfibieën en reptielen Bruine Kikker Gewone pad Hazelworm Kleine watersalamander Levendbarende hagedis Meerkikker Bastaardkikker
Van der Goes en Groot
+ +
+ + + + +
+ +
+ + + + +
+ + + + + + + + +
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2024-225
+ +
+
+ +
Weeresteinstraat 156 te Hillegom
Bijlage 2.2.2 Schadelijke handelingen De Ow bepaalt dat de volgende zaken verboden zijn (zie art. 3.1, 3.5 en 3.10): Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende dieren genoemd in de Habitatrichtlijn, vogels genoemd in de Vogelrichtlijn en aangewezen ‘andere soorten’ opzettelijk te doden of te vangen.¹ Het is verboden dieren genoemd in de Habitatrichtlijn opzettelijk te verstoren. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van hierboven genoemde soorten te vernielen of te beschadigen of nesten of eieren van vogels weg te nemen. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste punt opzettelijk te verstoren als deze verstoring van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Het is verboden planten van soorten genoemd in de Habitatrichtlijn (bijlage IV, Bijlage 1 Verdrag van Bern) of als ‘andere soorten’ (Bijlage B bij de wet) in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Omgevingsvergunning Daarnaast geldt er een algemeen verbod om zonder omgevingsvergunning bepaalde activiteiten te mogen verrichten (§ 5.1.1 Ow), waaronder een flora- en fauna-activiteit of een Natura 2000-activiteit (zie Bijlage 2.3.1), tenzij anders geregeld in een omgevingsplan, waterschapsverordening, omgevingsverordening of ministeriële regeling. Indien geen vrijstelling geldt van de vergunningplicht, dient een omgevingsvergunning te worden aangevraagd. Onderscheid wordt gemaakt in een enkelvoudige vergunningsaanvraag (voor één activiteit) en meervoudige aanvraag (voor meer dan één activiteit), in verband met een verschil in procedure. Een meervoudige aanvraag is van toepassing als sprake is van bijvoorbeeld een flora- en faunaactiviteit én een Natura 2000-activiteit. De initiatiefnemer kan zelf kiezen tussen los of gelijktijdig aanvragen (art. 5.7 Ow). Er is geen eis met betrekking tot een gelijktijdige aanvraag van onlosmakelijke activiteiten. Het bevoegd gezag heeft evenwel de verplichting om de aanvrager te informeren over andere vergunningplichtige activiteiten, voor zover in te schatten door het bevoegd gezag.
¹Het betreft soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn, soorten genoemd in bijlage IV bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn in hun natuurlijke verspreidingsgebied. Alsmede andere soorten, genoemd in bijlage, onderdeel A, bij de wet.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2024-225
Weeresteinstraat 156 te Hillegom
Bijlage 2.2.3 Vergunningsmogelijkheid Ruimtelijke ontwikkeling en (her)inrichting zoals realisatie, sloop of renovatie van bebouwing, kappen van bomen, dempen van wateren of schonen van sloten, kan beschadiging of vernieling tot gevolg hebben van de voortplantings- en rustplaatsen van de in het gebied voorkomende (beschermde) soorten. Dit hangt af van de fysieke uitvoering daarvan en de periode waarin het project plaatsvindt. In bepaalde gevallen moet dan vergunning voor de Ow verkregen worden. Als beschermde soorten (zie Bijlage 2.2.1) voorkomen die niet zijn vrijgesteld én sprake is van mogelijke schadelijke handelingen (zie Bijlage 2.2.2), dan is een omgevingsvergunning vereist, of moet, indien mogelijk, conform artikel 3.31 gewerkt worden met een door het Ministerie van LNV goedgekeurde gedragscode. De vraag of vergunning kan worden verleend zal worden beoordeeld door het bevoegde gezag (veelal de provincie waarin het plangebied is gelegen). Belangrijk daarbij is de vraag in hoeverre schade optreedt, of de gunstige staat van instandhouding van de betrokken soort(en) in gevaar komt en of er bevredigende alternatieven voorhanden zijn voor de ingreep of de locatie daarvan. Bijlage 2.2.4 Wettelijk belang Per categorie is het bij het al dan niet verkrijgen van een vergunning belangrijk wat het belang is van het uit te voeren plan en de te verkrijgen vergunning.
Als schade niet te voorkomen is, dan dient één van de onderstaande wettelijke belangen van toepassing te zijn: Soorten van de Vogelrichtlijn In het belang van de veiligheid van het luchtverkeer. In het belang van de volksgezondheid, openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijk gunstige effecten. Ter bescherming van flora en fauna. Soorten van de Habitatrichtlijn In het belang van de volksgezondheid, openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijk gunstige effecten. Ter bescherming van flora en fauna. Andere soorten In het belang van de volksgezondheid, openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijk gunstige effecten.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2024-225
Weeresteinstraat 156 te Hillegom In het kader van ruimtelijke ontwikkeling of inrichting van gebieden en het toekomstig gebruik daarvan. Ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen. Ter bescherming van flora en fauna. Bijlage 2.2.5 Broedvogels Voor broedvogels wordt in principe geen vergunning verleend. Als men verstorende activiteiten buiten het broedseizoen laat plaatsvinden worden de vogels geacht te kunnen uitwijken, treedt geen schade op en is geen vergunning noodzakelijk. Alleen vogelnesten die buiten het broedseizoen in gebruik zijn vallen onder de definitie van ‘vaste rust- of verblijfplaatsen’ en zijn daarom jaarrond beschermd. Er zijn vier verschillende categorieën ‘broedvogels met jaarrond beschermde nesten’, categorie 1 t/m 4, zie kader volgende pagina. De lijst met vogelsoorten waarvan de nesten gedurende het hele jaar zijn beschermd is in 2009 aangepast (zie kader). In de provincies Flevoland, Limburg en Overijssel zijn de lijsten recent aangepast. Soorten kunnen in deze provincies in andere categorieën vallen, of er zijn extra soorten toegevoegd aan de lijsten van deze provincies. Voor soorten met jaarrond beschermde nesten kan soms, meestal alleen buiten het broedseizoen, wél een vergunning worden aangevraagd. Een ‘omgevingscheck’ is dan vereist.
Een deskundige moet in dat geval vaststellen of de desbetreffende soort zelfstandig een vervangend nest kan vinden in de omgeving, of dat met verzachtende en/of compenserende maatregelen de functionaliteit van de voortplantings- en/of vaste rustplaats gegarandeerd kan worden. Om zeker te zijn dat geplande of genomen maatregelen hiertoe voldoende zijn, moeten deze middels een vergunningsaanvraag worden voorgelegd aan de provincie. Als de gunstig staat van instandhouding niet in gevaar komt, kan de aanvraag (positief) worden afgewezen. Het is uiteraard essentieel dat de (aan de provincie) voorgestelde maatregelen ook daadwerkelijk worden genomen. Let op! Bij de bescherming van een jaarrond beschermd nest of verblijf kan het zijn dat zowel de verblijfplaats als de (directe) omgeving die nodig is voor het succesvol functioneren daarvan moet worden betrokken.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2024-225
Weeresteinstraat 156 te Hillegom
Kader: De algemeen geldende lijst van vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten en bijbehorende categorie. Deze lijst geldt in de meeste provincies waaronder Noord- en Zuid-Holland. Per provincie kunnen de categorieën verschillen, of zijn soms extra soorten aan de lijst toegevoegd.
Soort Boomvalk Buizerd Gierzwaluw Grote gele kwikstaart Havik Huismus Kerkuil Oehoe Ooievaar Ransuil Roek Slechtvalk Sperwer Steenuil Wespendief Zwarte wouw
Categorie Toelichting codes 4 Vogelsoorten waarvan de nesten in 4 principe jaarrond zijn beschermd met 2 beschermingscategorie: 3 4 1 = soorten die ook buiten het 2 broedseizoen het nest gebruiken als vaste 3 rust- of verblijfplaats, 3 2 = koloniebroeders die elk broedseizoen 3 op dezelfde plaats broeden en die daarin 4 zeer honkvast zijn of afhankelijk van 2 bebouwing of biotoop, 3 3 = soorten die elk jaar op dezelfde plaats 4 broeden en die daarin zeer honkvast zijn of 1 afhankelijk van bebouwing, 4 4 = soorten die niet of nauwelijks zelf in 4 staat zijn een nest te maken.
Categorie 5-soorten Er is nog een categorie met ‘bijzondere’ vogelsoorten (Categorie 5). Deze soorten keren (zoals ook soorten met jaarrond beschermde nesten) weliswaar vaak terug naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar beschikken over voldoende flexibiliteit om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Van deze soorten zijn de verblijfplaatsen alleen dan beschermd als ‘zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen’. Ook deze lijst kan per provincie verschillen, zie het kader hieronder voor soorten die in de meeste gevallen in deze categorie vallen.
Kader: Enkele vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten in categorie 5. Per provincie kan het beschermingsniveau verschillen. Sommige soorten vallen alleen onder categorie 5 in bepaalde provincies.
Blauwe reiger Boerenzwaluw Bonte vliegenvanger Boomklever Boomkruiper Bosuil Brilduiker Draaihals Eidereend Ekster Gekraagde roodstaart Glanskop Grauwe vliegenvanger Groene specht Grote bonte specht Grutto Hop Huiszwaluw IJsvogel Kleine bonte specht Kleine vliegenvanger
Van der Goes en Groot
Koolmees Kortsnavelboomkruiper Middelste bonte specht Oeverzwaluw Pimpelmees Raaf Ringmus Ruigpootuil Spreeuw Tapuit Torenvalk Tureluur Veldleeuwerik Wulp Zeearend Zomertortel Zwarte kraai Zwarte mees Zwarte roodstaart Zwarte specht
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2024-225
Weeresteinstraat 156 te Hillegom
Bijlage 2.2.6 Gedragscodes Indien men in het bezit is van een door de minister van LNV goedgekeurde gedragscode, hoeft bij werkzaamheden in het kader van natuurbeheer, van bestendig beheer of onderhoud, van bestendig gebruik en van ruimtelijke ontwikkeling of inrichting voor Vogelsoorten (art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) en andere soorten (art. 3.10) geen vergunning te worden aangevraagd, mits aantoonbaar wordt gewerkt met deze gedragscode (art. 3.31). De bewijslast dat correct is en wordt gehandeld volgens de gevolgde gedragscode ligt bij de initiatiefnemer. Het is ook mogelijk te werken conform een dergelijke goedgekeurde gedragscode zonder deze zelf te hebben opgesteld. De relevante soorten dienen dan wel in de gebruikte gedragscode te worden behandeld. Bijlage 2.2.7 Flora- en fauna-activiteit Een ‘flora- en fauna-activiteit’ is een ‘activiteit met mogelijke nadelige gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten’ (art 1.1 Ow). Er is sprake van een ‘flora- en fauna-activiteit’ wanneer sprake is van mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levend dieren of planten, ongeacht of deze soorten beschermd zijn krachtens de Ow. Deze regel geldt dus niet voor soorten die buiten het natuurlijk verspreidingsgebied voorkomen of exoten, tenzij specifiek vermeld.
Wanneer sprake is van een flora- en fauna-activiteit, dient rekening te worden gehouden met de specifieke zorgplicht (zie Bijlage 2.1.1). Daarnaast zijn Huismuis, Bosmuis, Veldmuis, Bruine rat, Huisspitsmuis en Mol buiten beschermde gebieden in alle gevallen vrijgesteld van de genoemde verboden (art. 3.10).
Bijlage 2.3 Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming in de Ow bestaat uit een beschermingsregime voor Natura 2000-gebieden, regels voor de aanwijzing en bescherming van het Natuurnetwerk Nederland en bijzondere natuurgebieden en landschappen. Onder de Ow geldt een algemeen verbod om zonder omgevingsvergunning bepaalde activiteiten te mogen verrichten (§ 5.1.1 Ow), waaronder een Natura 2000-activiteit, tenzij anders geregeld in een omgevingsplan, waterschapsverordening, omgevingsverordening of ministeriële regeling. Een Natura 2000-activiteit is een activiteit waarbij kans is op een significant gevolg voor een Natura 2000-gebied en is daarmee vergunningplichtig.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2024-225
Weeresteinstraat 156 te Hillegom
Bijlage 2.3.1 Natura 2000 Nederland en andere EU-lidstaten hebben in overleg met de Europese Commissie speciale beschermingszones aangewezen, de zogenaamde Natura 2000-gebieden. Een overzicht van Natura 2000gebieden is te vinden op: https://www.natura2000.nl/ Voortoets Wanneer plannen bestaan een project in of rond een Natura 2000gebied uit te voeren, neemt de initiatiefnemer contact op met het bevoegde gezag. In principe is dit Gedeputeerde Staten van de Provincie waarin een gebied (grotendeels) ligt. Indien negatieve effecten van een project niet kunnen worden uitgesloten, dient een toetsing te worden uitgevoerd. Als uit deze Voortoets blijkt dat een plan (mogelijk) significante negatieve gevolgen heeft, vindt de vergunningaanvraag plaats via een ‘passende beoordeling’. Daarbij moeten ook cumulatieve effecten zijn meegenomen. Alleen als uit de passende beoordeling met zekerheid blijkt dat geen significante gevolgen zullen optreden, of als het gaat om activiteiten met een groot openbaar belang en waarvoor geen alternatieven zijn, wordt vergunning verleend. Als uit de ‘Voortoets’ blijkt dat een activiteit negatieve gevolgen kan hebben die niet significant zijn, beoordeelt het bevoegd gezag of deze negatieve gevolgen in het licht van de instandhoudings-doelstellingen aanvaardbaar zijn.
Externe werking Belangrijk bij de bepalingen rond Natura 2000-gebieden is de ‘externe werking’. Dit betekent dat ook projecten buiten het Natura 2000- netwerk met mogelijk negatieve gevolgen binnen het netwerk, getoetst moeten worden aan doelen van betrokken gebied of gebieden. Een bijzondere vorm van externe werking is de (extra) uitstoot van stikstof door een project die kan neerslaan binnen Natura 2000-gebieden en daar voor schade kan zorgen. Aangetoond moet worden dat geen negatieve gevolgen mogelijk kunnen zijn op Natura 2000-gebieden. Specifieke zorgplicht Natura 2000 In de Ow is een specifieke zorgplicht opgenomen voor Natura 2000gebieden en bijzondere nationaal natuurgebieden (art. 11.6 Bal). Iedereen die activiteiten uitvoert die verslechterende of significant verstorende gevolgen voor een Natura 2000-gebied of een bijzonder nationaal natuurgebied kunnen hebben, moet nadelige gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, beperken of ongedaan maken (art. 11.6, 1e lid Bal). Ook moet worden nagegaan of nadelige gevolgen op voorhand op grond van objectieve gegevens verslechterende of significant Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2024-225
Weeresteinstraat 156 te Hillegom
verstorende gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen kunnen worden uitgesloten. Als nadelige gevolgen niet te voorkomen zijn, dan moeten passende preventieve maatregelen genomen worden (art. 11.6, 2e lid onder d). Wanneer dit niet mogelijk is dienen passende herstelmaatregelen getroffen worden (art. 11.6, 2e lid onder f). Daarnaast verplicht de zorgplicht ook dat de effectiviteit van deze maatregelen worden gemonitord. De specifieke zorgplicht geldt altijd, dus voor Natura 2000-activiteiten, maar ook voor activiteiten die conform een Natura 2000-beheerplan worden uitgevoerd of activiteiten die géén kans hebben op een significant gevolg. Bijlage 2.3.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Aanwijzing en begrenzing De aanwijzing van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is geregeld in de Omgevingsverordening, conform art. 2.44, lid 4 Ow en art. 7.6, 1e lid Bkl. De instructieregels voor de aanwijzing, begrenzing en de reikwijdte van het NNN zijn opgenomen in artikel 7.5 en artikel 7.6 Bkl. In de Omgevingsverordening zijn (instructie)regels gesteld voor Omgevingsplannen van gemeenten en projectbesluiten (art. 7.8, 1e lid Bkl). Deze regels zijn gesteld in het belang van de bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN.
Wezenlijke kenmerken en waarden De wezenlijke kenmerken en waarden van de NNN worden vastgesteld per Omgevingsverordening door de provincie (art 7.7 Bkl). In de Omgevingsverordening is daartoe een natuurbeheerplan vastgesteld waar in de regel de bestaande natuurwaarden en het ambitieniveau zijn aangegeven middels natuurbeheertypen. Per provincie kunnen de wezenlijke kenmerken en waarden verschillend zijn gedefinieerd. Beschermingsregime Het beschermingsregime voor het NNN is uitgewerkt in art. 7.8, 2e lid Bkl, dat een instructieregel betreft voor uitwerking van het beschermingsregime in de Omgevingsverordeningen van provincies: In elk geval wordt verzekerd dat de kwaliteit en oppervlakte van het Natuurnetwerk Nederland niet achteruit gaat, dat de samenhang tussen de verschillende gebieden van het netwerk wordt behouden en dat, als binnen het NNN activiteiten worden toegelaten die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de wezenlijke kenmerken of waarden, deze gevolgen tijdig worden gecompenseerd, zodanig dat de kwaliteit, oppervlakte en samenhang van het NNN behouden blijven. Onder de Ow geldt geen strikt ‘nee, tenzij’-principe meer, maar een ‘ja, mits’-principe.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2024-225
Weeresteinstraat 156 te Hillegom
Bijlage 2.3.3 Overige gebiedsbescherming Provincies kunnen zogeheten bijzondere provinciale natuurgebieden of bijzondere provinciale landschappen aanwijzen (art. 2.44, lid 5 Ow). Een voorbeeld hiervan zijn de ‘Bijzonder Provinciale Landschappen’ van de Provincie Noord-Holland. De regels met betrekking tot juridische bescherming van deze gebieden zijn gepubliceerd in de provinciale Omgevingsverordening. Bijlage 2.3.4 Houtopstanden Anders dan bij beschermde gebieden en soorten kent de Ow geen specifieke term voor een activiteit waarbij een houtopstand wordt gekapt. De regels voor de bescherming van houtopstanden en bomenrijen staan opgenomen in Afdeling 11.3 Bal. Hierin staat dat het vellen van houtopstanden is beschermd door een algemene meldplicht (art. 11.126 Bal) en herplantplicht (art. 11.129 Bal) voor houtopstanden vanaf 10 hectare of bomenrijen bestaande uit meer dan 20 bomen, buiten de zogeheten ‘bebouwingscontour houtkap’ (art. 11.111, lid 2 Bal).
Bijlage 2.4 Procedure Als bij aanvang van een project niet uitgesloten is dat beschermde soorten voorkomen of negatieve effecten op beschermde gebieden kunnen optreden, is een ecologische quickscan nodig. Als op grond van deze quickscan de aanwezigheid van dergelijke soorten of gevolgen niet zijn uit te sluiten én wordt geconcludeerd dat negatieve effecten kunnen optreden, is vervolgonderzoek noodzakelijk. Tijdens het vervolgonderzoek wordt het plangebied geïnventariseerd op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. Indien aanwezig worden de gebruiksfuncties van deze soorten in beeld gebracht. Vervolgens wordt opnieuw onderzocht of negatieve gevolgen mogelijk zijn door uitvoering van de plannen. Bijlage 2.4.1 Omgevingsvergunning Ow Indien negatieve effecten niet uit te sluiten zijn en er geen alternatieven zijn, is een aanvraag omgevingsvergunning waarschijnlijk aan de orde. Een dergelijke aanvraag dient onder andere vergezeld te gaan van: Een activiteitenplan waarin onder meer de locatie, de werkwijze, de te verwachten schade, de te nemen maatregelen, de alternatievenstudie en het wettelijk belang gedetailleerd worden beschreven.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2024-225
Weeresteinstraat 156 te Hillegom Een actuele en volledige inventarisatie naar het voorkomen van beschermde dier- en plantensoorten in het plangebied. Deze is drie 3 tot 5 jaar geldig. De overheid heeft een digitale omgeving ingericht voor alle uitgewerkte regels, namelijk het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). Alle vergunningsaanvragen met betrekking tot de Ow en het contact hierover lopen via het DSO. Het bevoegd gezag handhaaft bepalingen uit vergunningen en de eventuele werking van de Ow bij projecten waar geen vergunning voor is aangevraagd. Ook het volgen van gedragscodes wordt gehandhaafd door het bevoegd gezag. Mogelijke sancties zijn geldelijke boetes, strafrechtelijke vervolging en het stilleggen van werkzaamheden.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2024-225
Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
Hazenkoog 35A Bovendijk 35-G 1822 BS Alkmaar 2295 RV Kwintsheul www.vandergoesengroot.nl