CConstaterende datHillegom
Koppel je AI →
Document · PDF

02_ledenbrief_VNG_erfgoedwet-gevolgen-voor-gemeenten_1.pdf

Raadscommissie 18 januari 2024, gemeente HillegomBij agendapunt: 10: Vaststellen Erfgoedverordening gemeente Hillegom 20245.897 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Brief aan de leden T.a.v. het college en de raad

informatiecentrum tel.

uw kenmerk

(070) 373 8393

bijlage(n)

5

betreft

ons kenmerk

datum

Erfgoedwet:

ECSD/U201600559 Lbr. 16/020

13 april 2016

gevolgen voor gemeenten Samenvatting

Op 1 juli 2016 treedt de Erfgoedwet in werking. Deze wet handelt over het aanwijzen van te beschermen cultureel erfgoed: roerend (cultuurgoederen en verzamelingen) en onroerend (monumenten en archeologie). Zij vervangt een aantal wetten zoals de Monumentenwet (deels met een overgangstermijn tot de Omgevingswet) en de Wet tot behoud van cultuurbezit. De Erfgoedwet kent een aantal nieuwe bepalingen. Het gaat om het vaststellen van een gemeentelijke erfgoedverordening en het bijhouden van een erfgoedregister. Ook dienen burgemeester en wethouders het voornemen om hun cultuurgoederen en verzamelingen te vervreemden bekend te maken. Zij moeten de kans bieden om zienswijzen in te dienen en bij het vermoeden van landelijke betekenis een adviescommissie van deskundigen inschakelen. Bij de ledenbrief zijn hulpmiddelen gevoegd: een nieuw VNG Model Erfgoedverordening; concept-formats voor het bij vervreemding verplicht te gebruiken formulier en te nemen besluit; de geactualiseerde VNG Richtlijn Vervreemding Gemeentelijk Cultuurgoed plus de Handreiking ‘In samenspraak. Suggesties voor het gesprek tussen musea en gemeenten’. De Erfgoedwet bevat bovendien diverse veranderingen met lokale gevolgen. Dit betreft de vervanging van de landelijke aanwijzing van beschermde stads- en dorpsgezichten door een rijksinstructie aan gemeenten.

De minister van OCW kan voortaan wel te beschermen ensembles aanwijzen. De tegemoetkoming van het Rijk aan gemeenten voor excessieve opgravingskosten vervalt. Er is hiervoor een beperkte tegemoetkoming in het gemeentefonds. En er komt (tijdelijk) een landelijk fonds of subsidieregeling voor archeologische vondsten van (inter)nationaal belang. Voorts wordt de opgravingsvergunning vervangen door een archeologie-certificaat. De minister van OCW wordt verantwoordelijk voor alle museale cultuurgoederen van de Staat. De rijksmusea die deze vaak beheren gaan hun beheersgelden los van de andere (publieks)middelen ontvangen.

Aan de leden

informatiecentrum tel.

uw kenmerk

(070) 373 8393

bijlage(n)

5

betreft

ons kenmerk

datum

Erfgoedwet:

ECSD/U201600559 Lbr. 16/020

13 april 2016

gevolgen voor gemeenten

Geacht college en gemeenteraad, Op 1 juli 2016 treedt de Erfgoedwet in werking. De wet handelt over cultureel erfgoed: roerend (cultuurgoederen en verzamelingen) en onroerend (monumenten en archeologie). Zij vervangt een aantal bestaande wetten zoals de Monumentenwet en de Wet tot behoud van cultuurbezit. Het gaat in de Erfgoedwet primair om het aanwijzen van te beschermen erfgoed. De omgang met onroerend erfgoed wordt geregeld via de Omgevingswet, die op 22 maart jl. door de Eerste Kamer is aangenomen, en naar verwachting in werking treedt per 2018 (tot die tijd blijven enkele onderdelen van de Monumentenwet 1988 in aanvulling op de Erfgoedwet van kracht). Ook de Omgevingswet vervangt diverse wetten, waarvan de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) en de Wet ruimtelijke ordening het meest relevant zijn. De Erfgoedwet kent nieuwe bepalingen voor gemeenten. In deze ledenbrief besteden we aandacht aan de erfgoedverordening die de gemeenteraden kunnen vaststellen en aan het gemeentelijk erfgoedregister dat burgemeester en wethouders moeten bijhouden voor aangewezen te beschermen roerend en onroerend cultureel erfgoed. Daarnaast belichten wij de handelwijze die voor gemeenten verplicht wordt als zij hun cultuurgoederen of verzamelingen willen afstoten. Er is sprake van landelijke en provinciale ondersteuning, enkele actuele hulpmiddelen passeren de revue.

Voorts gaan we in op een aantal relevante veranderingen ten gevolge van de Erfgoedwet. Het betreft het wijzigen van de landelijke aanwijzing van beschermde stads- en dorpsgezichten in een rijksinstructie aan gemeenten op basis van de Omgevingswet en het voortaan kunnen aanwijzen van ensembles door de minister van OCW. Voorts komen aan bod het vervallen van de mogelijkheid voor gemeenten om excessieve opgravingkosten bij het Rijk te declareren en de alternatieven daarvoor. Wij gaan in op de introductie van een archeologie-certificaat in plaats van de opgravingsvergunning. En tot slot besteden we aandacht aan de andere toedeling van middelen aan rijksmusea voor het beheer van museale cultuurgoederen van de Staat.

1. Nieuwe bepalingen 1.1. Gemeentelijke Erfgoedverordening en -register roerend en onroerend erfgoed Artikel 3.16. van de Erfgoedwet stelt dat de gemeenteraad een erfgoedverordening kan vaststellen (lid 1). Deze betreft het beheer en behoud van cultureel erfgoed dat van bijzonder belang is voor die gemeente vanwege de cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis (lid 2). Burgemeester en wethouders houden een gemeentelijk erfgoedregister van aangewezen cultureel erfgoed bij (verplicht, lid 3). Er is thans een VNG Model-erfgoedverordening, de laatste versie dateert van 16 november 2009. Deze verordening bevat bepalingen over onroerend erfgoed: monumenten en archeologie. Omdat de Erfgoedwet de sector integraal benadert wordt het bestaande Model vervangen door de VNG Model Erfgoedverordening 2016 (bijlage 1, hierna: VNG Model 2016; separaat ook een Model zonder toelichting specifiek geschikt voor digitale publicatie door de SDU en gemeenten). Deze handelt over het cultureel erfgoed in totaliteit: roerend en onroerend. Het nieuwe Model is gebaseerd op de Erfgoedwet, de per 1 juli resterende artikelen van de Monumentenwet plus de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

Het kent de volgende onderdelen: gemeentelijk erfgoedregister; aanwijzing van beschermde gemeentelijke cultuurgoederen en verzamelingen; aanwijzing en bescherming gemeentelijk monument; advies omgevingsvergunning rijksmonument; gemeentelijke stads- en dorpsgezichten; handhaving en toezicht. Voorts heeft het VNG Model 2016 een vangnet-artikel over archeologie voor die gemeenten die de bescherming van cultuurhistorische waarden nog niet hebben geregeld in hun bestemmingsplan of beheersverordening. 1.1.1. VNG Model Erfgoedverordening 2016 Artikel 1 Begripsbepalingen In het VNG Model 2016 zijn begripsbepalingen opgenomen, die aanvullend zijn op die welke in de onderliggende wetten worden genoemd. De wettelijke begrippen staan voor de volledigheid in de toelichting. 1.1.2. VNG Model Erfgoedverordening 2016 Artikel 2 Gemeentelijk Erfgoedregister Artikel 3.16. derde lid van de Erfgoedwet bepaalt dat burgemeester en wethouders een gemeentelijk register van aangewezen cultureel erfgoed dienen bij te houden. Dit is een nieuwe bepaling. Artikel 2 van het VNG Model 2016 werkt dit uit. Als van dit Model artikel 2 tweede lid onderdeel b, dat facultatief is, door de gemeenteraad in de verordening wordt overgenomen dan wordt in het register ook door het Rijk aangewezen cultureel erfgoed opgenomen. 1.1.3.

VNG Model 2016 Erfgoedverordening Paragraaf 2/Artikelen 3 en 4 Aanwijzing van beschermde gemeentelijke cultuurgoederen en verzamelingen Burgemeester en wethouders kunnen cultuurgoederen en verzamelingen in hun bezit of aan hun zorg toevertrouwd zijn aanwijzen als beschermd. Deze moeten van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis zijn of een bijzondere schoonheid hebben en onvervangbaar en onmisbaar zijn voor het gemeentelijk cultuurbezit. Dit is een nieuwe bepaling in de Erfgoedwet,

onderwerp Erfgoedwet: gevolgen voor gemeenten datum 13 april 2016

02/13

artikel 3.16. In het VNG Model 2016 wordt dit geregeld in paragraaf 2, de artikelen 3 en 4. Het Rijk kan op basis van paragraaf 3.2., artikelen 3.7. tot en met 3.12., van de Erfgoedwet hetzelfde doen als het gaat om roerend erfgoed met relevantie voor het Nederlandse cultuurbezit. In tegenstelling tot het Rijk nemen wij in het VNG Model 2016 particulier bezit, dat niet aan de zorg van de gemeente is toevertrouwd, daarbij niet mee. Er bestaat namelijk geen rechtsgrond op basis waarvan burgemeester en wethouders dat laatste daadwerkelijk kunnen beschermen tegen beschadiging, vervreemding, verplaatsing buiten de gemeente e.d. Paragraaf 2 van het VNG Model 2016 is facultatief, omdat de gemeentelijke aanwijzing eerder een symbolische dan een juridische aangelegenheid is. 1.1.4. VNG Model Erfgoedverordening 2016 Paragraaf 3 en 4/Artikelen 5 tot en met 16 Aanwijzing en bescherming gemeentelijk monument Burgemeester en wethouders kunnen op basis van de Erfgoedwet artikel 3.16. beschermde gemeentelijke monumenten blijven aanwijzen (het kan hierbij ook om archeologische monumenten gaan). Hierbij kan een adviescommissie van deskundigen worden ingeschakeld. Als de aanwijzing op basis van een gemeentelijke verordening geschiedt, dan maakt artikel 2.2.

eerste lid aanhef en onder b van de Wabo het vervolgens mogelijk om een omgevingsvergunning verplicht te stellen voor bepaalde activiteiten aan of bij een gemeentelijk monument. Bovendien is er dan ook voorbescherming mogelijk. De artikelen 5 tot en met 16 van het VNG Model 2016 bevatten de bij dit alles te hanteren bepalingen. Artikel 14 tweede lid van het VNG Model 2016 is facultatief: de gemeenteraad kan er namelijk voor kiezen om de versoepelingen die op basis van de Wabo in het Besluit Omgevingsrecht hoofdstuk IIIa artikel 3a gelden bij vergunningen voor rijksmonumenten al dan niet in de erfgoedverordening over te nemen voor gemeentelijke monumenten. 1.1.5. VNG Model 2016 Erfgoedverordening Paragraaf 5/Artikel 17 Advies omgevingsvergunning rijksmonument Ten aanzien van omgevingsvergunningen voor rijksmonumenten zoals bedoeld in artikel 2.1. eerste lid aanhef en onder f van de Wabo zijn burgemeester en wethouders het bevoegd gezag (bij het in werking treden van de Omgevingswet wordt deze bevoegdheid uitgebreid met archeologische monumenten). Wel stelt de Monumentenwet 1988 in artikel 15 de inschakeling van een adviescommissie van deskundigen daarbij verplicht. Artikel 17 van het VNG Model 2016 regelt dit laatste. 1.1.6.

VNG-Model 2016 Erfgoedverordening Paragraaf 6/Artikelen 18 tot en met 20 Aanwijzing en bescherming gemeentelijke stads- en dorpsgezichten De gemeenteraad kan op basis van de Erfgoedwet beschermde gemeentelijke stads- en dorpsgezichten blijven aanwijzen. Als dat geschiedt op basis van een gemeentelijke verordening dan maakt artikel 2.2. eerste lid aanhef en onder c van de Wabo het vervolgens mogelijk om een omgevingsvergunning bij slopen te eisen. De artikelen 18 tot en met 20 van het VNG Model 2016 bieden een handvat voor de aanwijzing en bescherming van gemeentelijke stads- en dorpsgezichten. Het derde tot met zesde lid van artikel 18 zijn facultatief. Hierin is opgenomen dat de gemeenteraad desgewenst een beschermend bestemmingsplan kan vaststellen of een

onderwerp Erfgoedwet: gevolgen voor gemeenten datum 13 april 2016

03/13

bestaand bestemmingsplan als beschermend aanwijzen. Ook de vaststelling van een beschermende beheersverordening zoals bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening artikel 3.38. eerste lid is mogelijk. 1.1.7. VNG-Model Erfgoedverordening Paragraaf 7/Artikelen 21 en 22 Handhaving en toezicht De strafbepaling in artikel 21 van het VNG Model 2016 geldt uitsluitend voor overtreding van de instandhoudingsplicht van een gemeentelijk monument zoals bepaald in artikel 13 van het VNG Model 2016 en van de nadere regels die burgemeester en wethouders krachtens artikel 14 derde lid van dit Model kunnen stellen inzake de werkzaamheden bij zo’n monument. De strafbaarstelling van handelen zonder of in strijd met de voorschriften van een omgevingsvergunning voor gemeentelijke monumenten en stads- en dorpsgezichten is immers al via de Wabo en de Wet op de economische delicten geregeld. Artikel 22 van het VNG Model 2016 maakt het mogelijk om gemeentelijke toezichthouders aan te wijzen. 1.1.8. VNG-Model Erfgoedverordening Paragraaf 8/Artikel 23 Vangnet archeologie Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening dient bij het gemeentelijke bestemmingsplan een beschrijving opgenomen te worden van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden.

Met de invoering van deze verplichting is de bescherming van archeologische waarden in beginsel ruimtelijk geborgd. In sommige gemeenten zijn er echter nog bestemmingsplannen van kracht van vóór de invoering van deze eisen. Die gemeenten zouden het facultatieve artikel 23 van het VNG Model 2016 in hun erfgoedverordening moeten opnemen. Dit is een vangnet dat ervoor zorgt dat archeologische waarden in principe niet worden verstoord, maar dat burgemeester en wethouders onder voorwaarden een verstoring kunnen toestaan.

1.2. Bekendmaking met zienswijzen of advies over vervreemding cultuurgoed door B&W Gemeenten hebben veel roerend erfgoed in hun bezit. Het gaat om schilderijen en beelden, maar ook om cultuur- en natuurhistorische objecten zoals huisraad, kleding en dode dieren. Dit bevindt zich bijvoorbeeld in het gemeentehuis, op straat, bij scholen of als het van bijzondere waarde is in de kunstuitleen/centrum voor beeldende kunst of de lokale musea. Er liggen ook voorwerpen in depots. Dit alles is onderdeel van wat wordt genoemd de Collectie Nederland. De VNG heeft gepleit voor een inhoudelijke waardering daarvan, van belang om culturele maar ook om economisch-toeristische redenen. Het Rijk heeft daarvan afgezien vanwege de grote hoeveelheid, maar wil die objecten die van grote waarde zijn wel voor ons land behouden. Daartoe zijn er bepalingen in de Erfgoedwet opgenomen. Paragraaf 4.2., artikel 4.17. tot en met 4.21., regelt de procedure als een gemeente een cultuurgoed of verzameling wil vervreemden. Het gaat om de bekendmaking daarvan gekoppeld aan het indienen van zienswijzen of het inwinnen van advies.

onderwerp Erfgoedwet: gevolgen voor gemeenten datum 13 april 2016

04/13

1.2.1. Erfgoedwet, Paragraaf 4.2./artikel 4.17. Bekendmaking voornemen tot vervreemding Een voorgenomen besluit tot vervreemding van een cultuurgoed of een verzameling dient op basis van het eerste lid van artikel 4.17. van de Erfgoedwet door burgemeester en wethouders bekend gemaakt te worden op een door de minister van OCW aangewezen wijze. Het tweede lid van artikel 4.17. bepaalt dat de bekendmaking in elk geval bevat: een beschrijving van het cultuurgoed of de verzameling, een motivering van de voorgenomen vervreemding en een mededeling of advies wordt gevraagd aan een commissie van onafhankelijke deskundigen. 1.2.1.1. Gemeentelijke bekendmaking via www.overheid.nl of www.afstotingsdatabase.nl Ons is gemeld dat de minister van OCW zal besluiten om thans twee plekken aan te wijzen, waarop de overheden zoals gemeenten hun voornemen om cultuurgoederen of verzamelingen te vervreemden bekend kunnen maken. Dit is door publicatie in de Staatscourant op www.overheid.nl of op www.afstotingsdatabase.nl van de Museumvereniging (MV). Het geheel wordt technisch begeleid door het Kennis- en Exploitatiecentrum Officiële Overheidspublicaties (KOOP), een onderdeel van de Uitvoeringsorganisatie Bedrijfsvoering Rijk (UBR) van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. KOOP onderhoudt zoals gebruikelijk de contacten met gemeenten.

Drie aandachtspunten voor u: - De publicatie van decentrale regelgeving is vanaf 2011 verplicht via www.overheid.nl. Per 2018 zal ook de publicatie van bekendmakingen door gemeenten en provincies via www.overheid.nl verplicht worden. Hiertoe is onder verantwoordelijkheid van KOOP het product Decentrale Regelgeving en Officiële Publicaties (DROP) ontwikkeld, dat thans via pilots bij gemeenten wordt getest. – Publicatie via www.afstotingsdatabase.nl houdt ook in verplicht gebruik maken van de Leidraad Afstoting Museale Objecten (LAMO) van de Museumvereniging. Deze werkt beperkend voor de nieuwe bestemming van te vervreemden objecten en voor de besteding van de opbrengst uit vervreemding. Tot op heden is ook het inschakelen van de landelijke Toetsingscommissie Beschermwaardigheid in dat kader een verplichting. - Indien u een organisatie zoals een museum voor u de vervreemding laat verzorgen, dan moet er een besluit van burgemeester en wethouders zijn waarin het mandaat van deze organisatie blijkt. De VNG geeft om de bovengenoemde drie redenen de voorkeur aan bekendmaking via www.overheid.nl. Vanuit het IPO hebben wij hetzelfde vernomen. 1.2.1.2. Bij bekendmaking verplicht te hanteren formulier De minister van OCW zal een formulier verplicht stellen, dat gemeenten bij hun bekendmaking tot vervreemden van cultuurgoederen of verzamelingen moeten gebruiken.

Hierin is ook het begrip ‘bulkafstoot’ opgenomen: dit betreft een grote hoeveelheid min of meer vergelijkbare objecten van lage erfgoedkwaliteit die ook in andere collecties voorkomen. Zie voor dit laatste ook onderdeel 1 artikel 1.3.1. van deze ledenbrief. U treft een concept van het bekendmakingsformulier aan (bijlage 2) alsook een daaruit te destilleren voorgenomen B&W-vervreemdingsbesluit (bijlage 3).

onderwerp Erfgoedwet: gevolgen voor gemeenten datum 13 april 2016

05/13

Voor 1 juli a.s. worden de definitieve versies gepubliceerd inclusief een nadere verklaring van de daarin gebruikte begrippen. 1.2.1.3. Zienswijzen gedurende 6 weken Indien burgemeester en wethouders geen advies behoeven te vragen aan een commissie van deskundigen zoals bedoeld in artikel 4.18. van de Erfgoedwet dan kan eenieder op grond van artikel 4.17. van de Erfgoedwet gedurende zes weken zienswijzen indienen. Deze dienen te handelen over de vraag of het te vervreemden cultuurgoed of de verzameling van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis en onvervangbaar en onmisbaar is voor het Nederlandse cultuurbezit. Tijdens deze termijn mag er niet tot vervreemding worden overgegaan. 1.2.2. Erfgoedwet, Paragraaf 4.2./artikel 4.18. tot en met 4.20. Advies bij vervreemding cultuurgoed of verzameling 1.2.2.1. Advies door commissie van onafhankelijke deskundigen Artikel 4.18. van de Erfgoedwet bepaalt dat burgemeester en wethouders een commissie van onafhankelijke deskundigen moeten inschakelen indien redelijkerwijs kan worden vermoed dat het cultuurgoed of de verzameling, die het college beoogt te vervreemden, van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis en onvervangbaar en onmisbaar is voor het Nederlands cultuurbezit.

En als vervreemding aan een andere partij dan de Staat, een provincie, een gemeente of een andere publiekrechtelijke rechtspersoon wordt overwogen. Deze commissie kan ook ingeschakeld worden als de ingediende zienswijzen op grond van artikel 4.17. van de Erfgoedwet daartoe aanleiding geven. 1.2.2.2. Grootte en samenstelling adviescommissie Artikel 4.20. van de Erfgoedwet stelt dat de adviescommissie tenminste uit drie leden moet bestaan, de voorzitter inbegrepen. De deskundigheid betreft mede de specifieke eigenschappen van het cultuurgoed of de verzameling waarover een advies wordt gevraagd. De leden mogen buiten het commissie-lidmaatschap geen andere werkzaamheden voor de gemeente verrichten. Ook anderszins mogen zij geen belangen of functies hebben waardoor hun onafhankelijkheid in het geding kan zijn. 1.2.2.3. Adviescommissie decentraal regelen: apart of integraal Een gemeente kan ervoor kiezen om een aparte adviescommissie roerend cultureel erfgoed in leven te roepen zoals bedoeld in artikel 4.18. van de Erfgoedwet. U kunt er ook voor kiezen om deze te koppelen aan de bestaande gemeentelijke monumentencommissie, zoals bedoeld in artikel 15 van de Monumentenwet en de nieuwe VNG Model Erfgoedverordening 2016 artikel 17. In de lokale praktijk is de advisering over monumenten regelmatig binnen één commissie gekoppeld aan de advisering over welstand en/of omgevingskwaliteit.

De toelichting bij artikel 8 van het nieuwe VNG Model 2016 beschrijft deze verschillende soorten commissies. De vorming van een brede erfgoedcommissie behoort eveneens tot de mogelijkheden. Dit komt ook nu al voor. Voorts bestaan er commissies die voor meerdere gemeenten adviseren.

onderwerp Erfgoedwet: gevolgen voor gemeenten datum 13 april 2016

06/13

1.2.2.4. Adviescommissie landelijk regelen: Toetsingscommissie Beschermwaardigheid De Museumvereniging heeft de landelijke Toetsingscommissie Beschermwaardigheid in het leven geroepen. Deze bestaat uit twee vaste leden: een voorzitter/jurist en tweede lid met bestuurlijke ervaring en kennis van de museumsector. De commissie kan uitgebreid worden met drie onafhankelijke leden met specifieke deskundigheid gelet op te behandelen casus. De Stichting Museumregister voert het secretariaat. Met name bij het vervreemden van gemeentelijke cultuurgoederen of verzamelingen die in beheer zijn bij lokale musea kan het inschakelen van deze commissie overwogen worden. Maar, zoals gemeld, dit is wel gekoppeld aan beperkende museale voorwaarden. 1.2.3. Erfgoedwet, Paragraaf 4.2./artikel 4.21. Verplichting om de minister te informeren Indien het advies van de commissie van onafhankelijke deskundigen de strekking heeft dat het gemeentelijk cultuurgoed of de verzameling daadwerkelijk van landelijke betekenis is dan moeten burgemeester en wethouders op basis van artikel 4.21. van de Erfgoedwet dit melden aan de minister van OCW. Dit dient te gebeuren ten minste dertien weken voordat wordt overgegaan tot vervreemding van het erfgoed aan een niet-Nederlandse overheid of overheidsorgaan. De toelichting bij de Erfgoedwet verfijnt de exacte handelwijze. Hierin staat in essentie het volgende.

‘Met het artikel 4.21. is gegarandeerd dat de minister van OCW wordt geïnformeerd als een gemeente (of provincie) besluit een cultuurgoed of verzameling te vervreemden waarvan is vastgesteld dat deze als onmisbaar en onvervangbaar voor het Nederlands cultuurbezit moet worden beschouwd. Naast een melding van het genomen besluit ontvangt de Minister het advies over het cultuurgoed of de verzameling zoals bedoeld in artikel 4.18. van de Erfgoedwet. Deze melding stelt de Minister van OCW in staat indien gewenst tijdig over te kunnen gaan tot vernietiging van het gemeentelijke besluit of tot aanwijzing als beschermd cultuurgoed of beschermde verzameling.’ In het laatste geval zouden de paragrafen 3.2. en 4.1. van de Erfgoedwet van toepassing worden. Deze handelen over respectievelijk de aanwijzing en bescherming door het Rijk van een aangewezen cultuurgoed en verzameling. 1.2.4. Richtlijnen afstoting/vervreemding cultuurbezit 1.2.4.1. VNG Richtlijn Vervreemding Gemeentelijk Cultuurgoed 2016 Reeds in 1992 hebben wij u in samenwerking met het Rijk een Richtlijn voor het afstoten van een deel van het gemeentelijke cultuurbezit, zijnde kunstwerken uit de Beeldende Kunstenaars Regeling (BKR), doen toekomen. Deze is door veel gemeenten gehanteerd zonder juridische of andere bijzondere problemen.

Voorts hebben wij meegewerkt aan de achtereenvolgende versies van de LAMO, de afstotingsleidraad van de Museumvereniging en haar voorgangers. Maar het financiële deel c.q. de aanwending van de afstotingsgelden louter voor nieuwe museale objecten hebben wij als VNG niet onderschreven. Omdat lokale overheden onze BKR-richtlijn breder toepasten hebben wij in 2012 een verbrede en geactualiseerde VNG-Richtlijn Afstoting Cultuurbezit gepubliceerd. Thans treedt per 1 juli 2016 de Erfgoedwet in werking, deze bevat zoals gemeld nieuwe bepalingen over de vervreemding van cultuurgoed door de overheden. Daarom ligt er nu een wederom geactualiseerde VNG-Richtlijn Vervreemding Gemeentelijk Cultuurgoed 2016 die

onderwerp Erfgoedwet: gevolgen voor gemeenten datum 13 april 2016

07/13

een stappenplan voor gemeentelijk handelen kent (bijlage 4). De benaming is aangepast aan de begrippen in de Erfgoedwet en voorkomt bovendien misverstanden met de afstotingsleidraad van de Museumvereniging. 1.2.4.2. Museumvereniging, Leidraad Afstoting Museale Objecten (LAMO) 2016 Met het oog op de Erfgoedwet heeft ook de Museumvereniging de afstotingscriteria voor haar leden geactualiseerd. Er is thans sprake van de LAMO 2016. De stappen komen in grote lijnen overeen met de VNG Richtlijn 2016. Een museum moet, als er geen subsidievoorwaarden of andere belemmerende bepalingen zijn, het voornemen om zijn cultuurbezit af te stoten gedurende twee maanden melden op de afstotingsdatabase van de Museumvereniging. Indien zich in deze periode geen ander Nederlands museum heeft gemeld dat het object wil overnemen, dan kan dit in principe afgestoten worden buiten de museale sector. Maar indien een object als mogelijk ‘beschermwaardig’ door het museum is aangemerkt, dan moet het in dat geval de landelijke Toetsingscommissie Beschermwaardigheid inschakelen. Indien deze commissie de beschermwaardigheid bevestigt dat dient het object in de Nederlandse museumsector te blijven. Lees verder: http://www.museumvereniging.nl/Portals/0/6Publicaties/Bestanden/MV_LAMO_digitaal%20dec%2015_def.pdf 1.2.5. Handreiking ‘In samenspraak’ met gesprekssuggesties voor musea en gemeenten.

Veel waardevol erfgoed bevindt zich in musea, daarom bevat bijlage 5 de Handreiking ‘In samenspraak. Suggesties voor het gesprek tussen musea en gemeenten’ van de Museumvereniging, het Landelijk Contact (provinciale) Museumconsulenten en ons. Hierin staan alle aandachtspunten die aan de orde kunnen komen tussen in het overleg tussen een lokale overheid en een museale instelling. Musea doen het over het algemeen goed, de bezoekersaantallen stijgen, ze zijn belangrijk voor de identiteit van gemeenten en vormen een toeristische trekker. Maar dat gaat niet overal zomaar. De handreiking beoogt om een verbetering of optimalisering te bewerkstelligen. Het is een gespreksleidraad waarmee een museale organisatie beter zicht krijgt op de vraagstukken die voor de gemeente relevant zijn en waarmee een lokale overheid een duidelijker beeld krijgt van de impact van haar beleidsinspanningen op het reilen en zeilen van het museum. De antwoorden op de vragen in deze leidraad kunnen helpen om samen gerichter na te denken over de toekomst en de positionering van het museum in de lokale samenleving. Daarbij horen ook de beslissingen over de cultuurgoederen en verzamelingen in het museum, die met name vanwege de nieuwe Erfgoedwet meer dan ooit adequaat gemotiveerd moeten zijn.

Tevens bevat de publicatie best practices met name over plekken waar gemeenten en musea goed afstemmen om samen gemeenschappelijke doelen te bereiken. De handreiking kent de volgende onderdelen: 1. Waarom: museum en omgeving. Best practices: West-Fries Museum Hoorn en Huygens Museum Hofwijck Voorburg. 2. Wie: publiek en netwerk. Best practices: Scheepvaartmuseum Amsterdam en van Gogh Museum Amsterdam. 3. Wat: collectie en programmering. Best practices: Openluchtmuseum Arnhem en Project ‘Zwerfkeien’ van 6 instellingen.

onderwerp Erfgoedwet: gevolgen voor gemeenten datum 13 april 2016

08/13

4. Waar: in en buiten het gebouw. Best practices: ARTtube van 15 instellingen en Museum Winterswijk. 5. Hoe: organisatie en financiën. Best practices: Cobra Museum Amstelveen en Limburgs Museum&Museum Bommel van Dam/Venlo. De publicatie bevat voorts twee in de lokale praktijk te benutten bijlagen: 1. De nieuwe, vereenvoudigde Museumnorm uit 2015. De Museumvereniging en het Landelijk Contact Museumconsulenten hebben voor deze vereenvoudiging nauw samengewerkt met Museumregister Nederland. Uitgangspunten van de Museumnorm blijven de ICOM-definitie en de Ethische Code. In 17 punten komt de museumpraktijk van bedrijfsvoering, collectiebeheer en publiek aan de orde. De VNG, die al bij de vorige norm voor vereenvoudiging had gepleit, is geconsulteerd. 2. Model Meerjarenconvenant Museumbudgetsubsidie 20..-20.. gemeente A museum B Dit model is in 2012 opgesteld door de Museumvereniging en de VNG en thans licht geactualiseerd.

De handreiking is officieel gepresenteerd bij een workshop tijdens de grote OCW-conferentie ‘Cultuur in Beeld’ van 14 december vorig jaar. Tevoren is deze geïntroduceerd bij het Netwerk Cultuurambtenaren van gemeenten tot 65.000 inwoners. De VNG heeft op 10 december jl. aan elke gemeente twee gedrukte exemplaren gezonden: een voor de wethouder en een voor de beleidsafdeling. Thans is de digitale versie bijgevoegd.

1.3. Overige ondersteuning en hulpmiddelen 1.3.1. Landelijk Contact (provinciale) Museumconsulenten De museumconsulenten ondersteunen gemeenten en instellingen vaak ter plekke en altijd digitaal. De site www.museumconsulenten.nl kent dan ook handzame publicaties. Zo is in 2014 de publicatie ‘Bulkafstoting in musea’ verschenen. Bij gemeenten kan er eveneens sprake zijn van bulkafstoot, zie ook onderdeel 1 artikel 2.1.2. http://www.museumconsulenten.nl/uw-museum/bedrijfsvoering/sluiting-van-het-museum/ Een aantal museumconsulenten wil in 2016 provinciale of regionale bijeenkomsten organiseren over de onder onderdeel 1 artikel 2.5. genoemde museumhandreiking.

1.3.2. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) is een vraagbaak voor rijkserfgoedbeleid, www.cultureelerfgoed.nl . In 2016 komen er vijf nieuwe publicaties over de Erfgoedwet. Er ligt al een RCE-handreiking uit 2013 over de waardering bij afstoting van cultuurgoed ‘Op de museale weegschaal. Collectiewaardering in zes stappen.’, ook bruikbaar voor gemeenten in nietmuseale situaties. De waarderingscriteria kennen vier hoofdgroepen. De eerste omvat de formele

onderwerp Erfgoedwet: gevolgen voor gemeenten datum 13 april 2016

09/13

kenmerken zoals herkomst, conditie en zeldzaamheid. De overige drie groepen criteria hebben betrekking op de domeinen cultuurhistorisch (de traditionele ‘expertwaarden’), sociaalmaatschappelijk en gebruik. Ze zijn in principe gelijkwaardig, maar de gebruiker kan desgewenst zelf een hiërarchie aanbrengen. Om tot het cultureel erfgoed te worden gerekend, moet een object/cultuurgoed of (deel)collectie/ verzameling overigens wel aan minstens één criterium uit de groep ‘cultuurhistorisch’ voldoen. Tevoren heeft de RCE een brede consultatie verzorgd, ook bij ons. De handreiking wordt derhalve thans breed gedragen. http://cultureelerfgoed.nl/publicaties/op-de-museale-weegschaal-collectiewaardering-in-zesstappen Overigens kunt u ook nog de categorie-indeling van het Deltaplan Cultuurbehoud aanhouden, die overheden en instellingen decennia lang hebben gehanteerd. Categorie A en B werden gezien als respectievelijk de top en de subtop van het Nederlands cultuurgoed, C gold als ondersteunend aan de doelstelling van het museum en/of overheid en D als niet passend binnen de collectie, total loss e.d.

2. Veranderingen 2.1. Aanwijzing/instructie 2.1.1. Rijksinstructie i.p.v. aanwijzen beschermde stads- en dorpsgezichten De aanwijzing door het Rijk van beschermde stads- en dorpsgezichten, zoals opgenomen in de Monumentenwet artikel 35, vervalt. In de praktijk blijft aanwijzing nog mogelijk tot de in werking treding van de Omgevingswet. De minister van OCW zegt hierover het volgende in de Memorie van Toelichting bij de Erfgoedwet: “In het omgevingsrecht is hier een passender instrument voor: de instructie. Op grond van de voorgestelde Omgevingswet wordt het mogelijk voor een Minister om voor de borging van nationale belangen in de fysieke leefomgeving een gemeente een instructie te geven. Die instructie omvat zowel het belang waar het om gaat als de te verrichten handelingen. De aanwijzing en bescherming van stads- en dorpsgezichten past goed in die procedure. De gemeente krijgt met de instructie namelijk de opdracht om in het omgevingsplan een beschermingsregime in te richten voor het gezicht.” Wij hebben ons verzet hiertegen tevergeefs verzet, omdat wij van oordeel zijn dat de Erfgoedwet dekkend moet zijn als het gaat om het aanwijzen van te beschermen erfgoed van landelijke betekenis. Daar horen stads- en dorpsgezichten ook bij.

In artikel 2.27 van de Omgevingswet, die op 22 maart door de Eerste Kamer is aangenomen, is vermeld dat de instructieregels van het Rijk in ieder geval het cultureel erfgoed zullen betreffen. Dit wordt uitgewerkt in een Algemene Maatregel van Bestuur, die deze zomer ter inzage wordt gelegd. 2.1.2. Aanwijzen van ensembles De minister van OCW kan op grond van paragraaf 3.3., artikel 3.13. tot en met 3.15., van de Erfgoedwet te beschermen ensembles aanwijzen: rijksmonumenten met cultuurgoederen. Dit kan aan de orde zijn bij kerken, kastelen e.d.

onderwerp Erfgoedwet: gevolgen voor gemeenten datum 13 april 2016

10/13

Diverse organisaties en wij hebben hiervoor gepleit. Wij allen constateren dat het vaak gebeurt dat een gebouw wordt aangemerkt als rijksmonument. Maar dat tegelijkertijd de eveneens waardevolle inboedel naar het buitenland verdwijnt, terwijl een museum en/of archief ter plekke of elders in ons land hiervoor belangstelling heeft. Dit is met name aan de orde bij religieus erfgoed. De rechtsbescherming van het roerende deel van het ensemble lijkt op grond van de nieuwe Erfgoedwet overigens toch nog wat zwak. Pas als de minister van OCW paragraaf 3.2., artikel 3.7. tot en met 3.12., Aanwijzing van cultuurgoed en verzameling daarop ook van toepassing verklaart, dan is het echt beschermd.

2.2. Archeologie 2.2.1. Fonds of regeling i.p.v. specifieke uitkering excessieve opgravingskosten De bepalingen over de tegemoetkoming van het Rijk aan gemeenten voor excessieve opgravingskosten op basis van de Monumentenwet artikel 34a vervallen. De minister van OCW geeft als reden aan dat men van rijkswege wettelijk heeft bepaald dat gemeenten bij een bestemmingsplan en per 2018 een omgevingsplan rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Daarom is zij van oordeel dat gemeenten zodoende ook op eventuele kosten kunnen anticiperen. Bovendien is er volgens haar een compensatie in het gemeentefonds gekomen met daarbij de volgende extra toelichting in een Kamerbrief van 7 februari 2012: "Beëindiging achtervangpositie van het Rijk Ik laat het «verstoorder-betaalt» principe in stand evenals de wettelijke bepalingen omtrent schade-vergoedingen maar beëindig het beleid van het Rijk ten aanzien van de excessieve kosten. Dit past bij een heldere rolverdeling tussen rijk, gemeente en provincie. De excessieve kostenregeling was een onderdeel van de overgangssituatie van voor de invoering van de Wet archeologische monumentenzorg. Door middel van inbedding van de archeologie in de ruimtelijke ordening zijn gemeenten voorbereid op archeologische vondsten en is het vangnet van de rijksoverheid niet meer noodzakelijk.

De gemeenten zijn zowel beleidsmatig als financieel verantwoordelijk voor de keuzes die zij maken ten aanzien van erfgoedbehoud en andere belangen. Gemeenten ontvangen daarvoor sinds 2007 structureel € 6,35 miljoen bestuurslastenvergoeding en vanaf 2008 structureel € 1,25 miljoen extra tegemoetkoming excessieve kosten in het Gemeentefonds als gevolg van het toenmalig bestuursakkoord «Samen aan de slag».” In de septembercirculaire gemeentefonds 2007 blad 24 staat dat het bedrag voor excessieve opgravingskosten per woonruimte wordt verdeeld. Dat betekent ongeveer € 0,17 per woonruimte per jaar. Een verwaarloosbaar bedrag gelet op de vaak hoge opgravingskosten. Wel kan een gemeente dit reserveren tot het moment dat een opgravingssituatie zich aandient. Overigens is de verstoorder als eerste aanspreekbaar op het betalen van de kosten. Er is geen norm voor de verdeling van de kosten tussen de verstoorder en de gemeenten.

onderwerp Erfgoedwet: gevolgen voor gemeenten datum 13 april 2016

11/13

De RCE heeft in het rapport ‘Archeologie voor Gemeenten. Gemeentelijke praktijkvoorbeelden van compensatieregelingen.’ uit 2013 laten zien hoe gemeenten in de praktijk hiermee omgaan. .

http://cultureelerfgoed.nl/sites/default/files/downloads/nieuws/rapport_compensatieregeling_def_0. pdf Wij en ook andere organisaties hebben zich tegen het schrappen van artikel 34a van de Monumentenwet verzet. De Tweede Kamer heeft dat deels gehonoreerd. Zij heeft ervoor gezorgd dat er in 2016 een bedrag van € 250.000 wordt uitgetrokken ten behoeve van een fonds of subsidieregeling voor archeologie. Hier kunnen gemeenten aanspraak op maken voor het dekken van de extra kosten die samenhangen met de opgraving, wetenschappelijke uitwerking en publiekspresentatie van uitzonderlijke archeologische vondsten van (inter)nationaal belang. De verwachting is dat dit bedrag structureel zal worden. Het ministerie van OCW is thans doende met het uitwerken van diverse varianten. Aanhaking bij de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek/NWO is in dit kader een serieuze optie. Er is sprake van consultatie bij het Convent van Gemeentelijke Archeologen in Nederland en bij ons. 2.2.2. Archeologie-certificaat i.p.v. opgravingsvergunning Paragraaf 3 c.q. de artikelen 45 tot en met 48 van de Monumentenwet vervallen. Dit betekent dat op basis van paragraaf 5.1., artikel 5.1. tot en met 5.6., van de Erfgoedwet de opgravingsvergunning wordt vervangen door een archeologie-certificaat. Dit is benodigd om cultureel erfgoed te mogen opsporen, onderzoeken of verwerven.

Wij waren geen voorstander hiervan. Met name gemeenten met een eigen archeologische opgravingsdienst, die kleine maar bewerkelijke opgravingen doen in de binnensteden, zijn bang dat de certificeringseisen te hoog zullen worden door toedoen van een aantal grote bedrijven. Daarmee komen hun diensten die vaak werken met veel ondersteunende medewerkers onder druk te staan. Het ministerie van OCW heeft ons onlangs bericht dat de eisen zullen handelen over opgraven, conserveren, documenteren en rapporteren. Daarnaast komen er protocollen voor een programma van eisen en een plan van aanpak. Voorts zal de minister van OCW in een algemene maatregel van bestuur enkele uitzonderingen opnemen. Hierbij denkt men aan onderzoek door universiteiten/ hogescholen en aan eenmalig in ons land opererende bedrijven van elders uit de EU met een erkend certificaat uit het eigen land. Ook vrijstellingen voor de inzet van amateurs op minder waardevolle terreinen en van burgers met metaaldetectoren worden nader bezien.

2.3. Museale cultuurgoederen van de Staat De minister van OCW is in paragraaf 2.1., artikel 2.1. tot en met 2.7., van de Erfgoedwet aangewezen voor het beheer van alle museale cultuurgoederen van de Staat. Dat betekent dus ook voor die van de andere departementen. De bewindspersoon kan op grond van paragraaf 2.2., artikel 2.8. tot en met 2.1., vervolgens instellingen belasten met de zorg hiervoor: in de praktijk

onderwerp Erfgoedwet: gevolgen voor gemeenten datum 13 april 2016

12/13

vaak de rijksgesubsidieerde musea. De rijksmiddelen voor het beheer en voor de publiekgerichte/andere activiteiten bij deze instellingen worden losgekoppeld. In de subsidieregeling Culturele Basisinfrastructuur 2017-2020 is dit in lid 3.26. als volgt verwoord: “De minister kan een instellingssubsidie verstrekken voor publieksactiviteiten en andere activiteiten – niet behorende tot beheer van de collectie in de zin van de Erfgoedwet – aan een instelling met als kernactiviteit het beheer van een collectie van cultureel erfgoed.” Door gemeenten en provincies structureel gesubsidieerde musea zijn hiervan uitgezonderd. Bij het subsidieplan cultuur 2013-2016 heeft het onderscheid tussen beheers- en publieksactiviteiten niet gunstig gewerkt. Enkele voor de gemeenten belangrijke museale instellingen kregen plotseling voor dit laatste geen rijksgeld meer. Wij memoreren: Huis Doorn, Slot Loevestein en Rijksmuseum Twenthe. Dit heeft na felle protesten van gemeenten en van ons geleid tot enige aanpassing. Thans wachten wij de ontwikkelingen af Hoogachtend, Vereniging van Nederlandse Gemeenten

J. Kriens Voorzitter directieraad

Deze ledenbrief staat ook op www.vng.nl onder brieven.

onderwerp Erfgoedwet: gevolgen voor gemeenten datum 13 april 2016

13/13

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.hillegom.nl/api/v1/meetings/1611/documents/20904