Bijlagen bij toelichting Bijlage 6 Archeologisch vooronderzoek
Tekst van het document
Transect-rapport 3560 Nederasselt, Hollestraat tussen 20-22 Gemeente Heumen Archeologisch bureauonderzoek (BO) en inventariserend Veldonderzoek (IVO), verkennende fase
1
2
Overijsselhaven 127 3433 PH Nieuwegein
Auteur
T: 030-7620705 E: informatie@transect.nl
Versie
L.M.C. Jansen of Lorkeers MSc en T.S. van Cruchten MA Definitief
Status
Nog niet getoetst
Projectcode
21030023
Datum
07-06-2023
Opdrachtgever
Buro Waalbrug Schoenaker 10 6641 SZ Beuningen
Uitvoerder
Transect Overijsselhaven 127 3433 PH Nieuwegein
Onderzoeksmelding
5094888100
Bevoegde overheid
Gemeente Heumen (T. van Merriënboer)
Adviseur bevoegde overheid
E.K. Mietes, D7 archeologie
Beheer documentatie
Transect, Nieuwegein
Voorblad
Foto van het plangebied ten tijde van het veldonderzoek (16-07-2021)
Autorisatie Naam Drs. T. Nales Senior KNA Prospector
Datum
Paraaf
07-06-2023
ISSN: 2211-7067
© Transect, Nieuwegein Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Transect aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek.
3
Samenvatting In opdracht van Buro Waalbrug heeft Transect in juli 2021 een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd in een plangebied aan de Hollestraat tussen 20-22 in Overasselt (gemeente Heumen). De aanleiding voor het onderzoek vormt de aanvraag van een bestemmingsplanwijziging voor de realisatie van een woning in het plangebied. De vraagstelling van deze onderzoeken is het specificeren van de archeologische verwachting van het plangebied en het toetsen en aanvullen van deze verwachting door middel van waarnemingen in het veld. •
•
Op basis van het bureauonderzoek is vastgesteld dat het plangebied op een rivierduin ligt. Deze rivierduinen vormen over het algemeen relatief hoge en droge plekken, die reeds lang geschikt kunnen zijn geweest voor bewoning. In de top van het duinzand kunnen archeologische resten vanaf het Mesolithicum – Middeleeuwen worden aangetroffen. De verwachting hierop is hoog. Mogelijk bevindt zich op het duinzand een cultuurlaag. Deze is namelijk direct ten noorden en westen van het plangebied aangetroffen, waar sprake is van een vindplaats uit de IJzertijd – Middeleeuwen. Gezien de korte afstand is deze mogelijk ook in het plangebied aanwezig (vanaf het maaiveld). Voor de Nieuwe Tijd is gezien het ontbreken van bebouwing op historische kaarten een lage verwachting opgesteld. Op basis van het veldonderzoek is de hoge archeologische verwachting voor het plangebied bevestigd. In de ondergrond zijn namelijk rivierduinafzettingen aangetroffen die archeologisch gezien intact zijn. De top van de rivierduinafzettingen zijn gelegen op een diepte van 75 tot 160 cm -Mv (6,80 tot 7,75 m +NAP). Voor dit archeologisch niveau geldt een verwachting op het aantreffen van resten vanaf het Mesolithicum. Het rivierduinzand wordt afgedekt door een cultuurlaag die waarschijnlijk dateert uit de IJzertijd – Middeleeuwen, gezien de vindplaatsen in de omgeving.
De cultuurlaag is in vier van de vijf boringen aangetroffen vanaf een diepte van 40 tot 75 cm -Mv (7,70 tot 8,80 m +NAP).
Advies In het plangebied bestaat het voornemen een woning te realiseren. De toekomstige inrichting van het plangebied is nog in conceptvorm, er is dus geen exacte inschatting te maken van de aard, omvang en diepte van bodemverstoringen als gevolg van de herontwikkeling. Op basis van het archeologisch vooronderzoek is sprake van een hoge verwachting in het plangebied vanaf een diepte van circa 40 cm -Mv. Wij adviseren daarom om in het nieuwe bestemmingsplan een dubbelbestemming archeologie op te nemen met een vrijstellingsgrens voor bodemingrepen tot 10 cm -Mv (het archeologisch niveau met een buffer van 30 cm). Het is zeer aannemelijk dat er bij de herontwikkeling graafwerkzaamheden plaatsvinden die dit niveau bereiken. Daarom verdient het de aanbeveling om in het plangebied een vervolgonderzoek uit te voeren. Dit kan het beste plaatsvinden in de vorm van een proefsleuvenonderzoek (IVO-P). Hiervoor is een Programma van Eisen (PVE) nodig, waarin de uitvoering en wijze van documentatie van het onderzoek staat vastgelegd. Deze moet op voorhand door de bevoegde overheid worden goedgekeurd. Het bovenstaande is een advies. Op basis van de resultaten van het onderzoek neemt het bevoegd gezag (de gemeente Heumen) een besluit over de eventuele omgang met archeologische waarden binnen het plangebied.
4
Inhoud 1.
Aanleiding
6
2.
Aard en doel van het archeologisch vooronderzoek
7
3.
Afbakening van het plan- en onderzoeksgebied
8
4.
Planvorming en consequenties toekomstig gebruik
10
5.
Beleidskader
11
6.
Landschap, geomorfologie en bodem
12
7.
Archeologische waarden, onderzoeken en vondsten
14
8.
Historische situatie, huidig gebruik en bodemverstoringen
16
9.
Gespecificeerde archeologische verwachting
21
10. Resultaten veldonderzoek
25
11. Beantwoording onderzoeksvragen
27
12. Conclusie en Advies
28
13. Geraadpleegde bronnen
29
Bijlage 1: Archeologische verwachtingskaart van de gemeente Heumen
31
Bijlage 2: Concept inpassingsplan
33
Bijlage 3: Geomorfologische kaart
34
Bijlage 4: Stroomruggenkaart van Berendsen en Stouthamer (2001)
35
Bijlage 5: Hoogtekaart
37
Bijlage 6: Bodemkaart
39
Bijlage 7: Archeologische waardenkaart
40
Bijlage 8: Cultuurhistorie
41
Bijlage 9: Luchtfoto 1940
43
Bijlage 10: Boorpuntenkaart
44
Bijlage 11: Foto’s van de boringen
45
Bijlage 12: Boorbeschrijvingen
46
5
1. Aanleiding In opdracht van Buro Waalbrug heeft Transect1 in juli 2021 een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd in een plangebied aan de Hollestraat tussen 20-22 in Overasselt (gemeente Heumen). De aanleiding voor het onderzoek vormt de aanvraag van een bestemmingsplanwijziging voor de realisatie van een woning in het plangebied. In het plangebied geldt volgens het vigerende archeologiebeleid (Willemse, 2006; niet afgebeeld) een hoge archeologische verwachting. Vanwege deze aanduiding is een archeologisch onderzoek verplicht bij bodemingrepen, die groter zijn dan 100 m2 en dieper dan 40 cm -Mv reiken. Dit betekent dat gezien de omvang van de voorgenomen van de toekomstige ontwikkeling (circa 1200 m2 met bodemingrepen dieper dan 40 cm -Mv) archeologisch vooronderzoek nodig is. Het onderzoek is uitgevoerd in overeenstemming met de eisen van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA), versie 4.1 en het Plan van Aanpak (Scheeringa, 2021).
1 Transect b.v. voldoet aan de eisen zoals gesteld in de kwaliteitsnorm ‘BRL SIKB 4000’, versie 4.1, en is gecertificeerd door
middel van een procescertificaat. Transect b.v. is certificaathouder van de volgende protocollen: ‘KNA Protocol 4001 Programma van Eisen’, ‘KNA Protocol 4002 Bureauonderzoek’, ‘Protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek, variant Overig’, ‘Protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek, variant Proefsleuven’ en ‘Protocol 4004 Opgraven’, en staat geregistreerd bij het RCE en de SIKB.
6
2. Aard en doel van het archeologisch vooronderzoek Het archeologisch vooronderzoek bestaat uit een gecombineerd onderzoek, te weten een Archeologisch Bureauonderzoek (BO) en een Inventariserend Veldonderzoek (IVO), verkennende fase. Het doel van het archeologisch bureauonderzoek is het specificeren van de archeologische verwachting, dat wil zeggen het aan de hand van beschikbare en nieuwe informatie over de archeologie, cultuurhistorie, geomorfologie, bodemkunde en grondgebruik, bepalen van de kans dat binnen het plangebied archeologische resten kunnen voorkomen. Hiervoor is onder andere het centraal Archeologisch Informatiesysteem (Archis) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) geraadpleegd, waarin de Archeologische MonumentenKaart (AMK) is opgenomen. Aanvullende (cultuur)historische informatie is verkregen uit divers voorhanden historisch kaartmateriaal. Om inzicht te krijgen in de opbouw en ontwikkeling van het landschap zijn onder andere de bodemkaart en beschikbaar geologisch-geomorfologisch kaartmateriaal geraadpleegd. Deze gegevens zijn aangevuld met relevante informatie uit achtergrondliteratuur en van lokale amateurs of verenigingen.
Het doel van het inventariserend veldonderzoek is het toetsen en waar mogelijk bijstellen van de gespecificeerde archeologische verwachting, door het verzamelen van informatie over de feitelijke bodemopbouw, bodemreliëf en bodemintactheid in het plangebied. Hiermee ontstaat inzicht in de landschapsvormende processen en landschappelijke eenheden uit het verleden. Op basis hiervan kan een oordeel worden gegeven over waar, wanneer en in hoeverre het gebied in het verleden geschikt was voor de mens. Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd in de vorm van een booronderzoek (IVO-O). De toegepaste methodiek in het veld wordt beschreven bij de beschrijving van de veldresultaten (Hoofdstuk 10). Het onderzoek probeert hiermee aan de hand van feitelijke informatie antwoord te geven op de volgende vragen: • Hoe heeft het plangebied oorspronkelijk in het natuurlijk landschap gelegen? •
Zijn er binnen de bodemopbouw archeologisch relevante niveaus te onderscheiden en hoe diep liggen deze?
•
In hoeverre zijn de archeologisch relevante niveaus nog intact (verstoring, erosie, afdekkend substraat)?
•
Wat is de archeologische verwachting van het plangebied en in hoeverre is deze te differentiëren in laag, middelhoog en hoog?
Het resultaat van het archeologisch vooronderzoek is dit rapport met een conclusie omtrent het risico dat eventueel aanwezige archeologische waarden in het plangebied worden verstoord als gevolg van de voorgenomen plannen. Op basis van dit rapport neemt het bevoegd gezag een beslissing in het kader van de vergunningverlening of planprocedure. Het rapport bevat waar mogelijk gegevens over de – verwachte – aan- of afwezigheid, aard, omvang, ouderdom, gaafheid, conservering en (relatieve) kwaliteit van archeologische waarden. Het bureauonderzoek is uitgevoerd conform protocol 4002 van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, versie 4.1 (KNA 4.1). Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd conform protocol 4003 van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie versie 4.1 (KNA 4.1).
7
3. Afbakening van het plan- en onderzoeksgebied Gemeente
Heumen
Plaats
Nederasselt
Toponiem
Hollestraat tussen 20-22
Kaartblad
45F
Centrumcoördinaat
179.848 / 420.305
Binnen het archeologisch bureauonderzoek is onderscheid gemaakt in het plangebied en het onderzoeksgebied. Het plangebied is het gebied waarin de geplande bodemingrepen zullen plaatsvinden. Het onderzoeksgebied omvat het plangebied en een deel van het direct omringende gebied en wordt bij het onderzoek betrokken om tot een beter inzicht te komen in de archeologische, (cultuur)historische en bodemkundige situatie in het plangebied. Het onderzoeksgebied beslaat in dit geval een straal van circa 500 meter rond het plangebied. Het plangebied omvat een grasveld aan de Hollestraat tussen 20-22 in Nederasselt (gemeente Heumen). De ligging van het plangebied is weergegeven in figuur 1. Kadastraal omvat het plangebied perceel NDA00 Sectie B nummer 1280 (geheel) en 664 (deels). In het noorden grenst het plangebied aan de Hollestraat en ten westen aan het Jan Heurkenspad. De overige begrenzingen worden gevormd door de perceelsgrenzen van de aanliggende kavels. In totaal beslaat het plangebied een oppervlakte van circa 1611 m2.
8
Figuur 1: Ligging van het plangebied (met rode lijnen aangegeven). bron kaart: PDOK.
9
4. Planvorming en consequenties toekomstig gebruik Kader
Bestemmingsplanwijziging
Oppervlakte plangebied
1611 m2
Oppervlakte te wijzigen gebied
1611 m2
Planvorming
Woningbouw
Bodemverstorende werkzaamheden
Graafwerkzaamheden
Diepte verstoring
>40 cm -Mv
In het plangebied bestaat het voornemen een woning te realiseren. Om dit mogelijk te maken is een bestemmingsplanwijziging noodzakelijk. Er is ten tijde van het onderzoek een concept-inpassingsplan voor de toekomstige inrichting van het plangebied (bijlage 2). Hierop is te zien dat er een woning wordt gebouwd aan de noordzijde van het perceel met een oppervlak van circa 200 m2. Aan de noorden westzijde van het plangebied wordt een sloot gegraven (circa 80 m 2). Gezien het vroege stadium van de planvorming is de toekomstige inrichting mogelijk nog aan verandering onderhevig. De verwachting is echter dat de herontwikkeling in het plangebied grondverstoring met zich mee zal brengen, waarbij eventueel aanwezige archeologische waarden worden aangetast.
10
5. Beleidskader Onderzoekskader
Bestemmingsplanwijziging
Beleidskader
Beleidskaart 2006 (Willemse, 2006)
Onderzoeksgrens
200 m2 en dieper dan 40 cm –Mv
In 1992 heeft Nederland het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed ondertekend; ook wel het Verdrag van Malta of Valletta genoemd, naar het eiland en de plaats waar het is ondertekend. Het Verdrag is in 1998 geratificeerd en op 1 september 2007 via de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) geïmplementeerd. De Wamz is een wijzigingswet en omvat een wijziging van de Monumentenwet 1988, de Wet Milieubeheer, de Ontgrondingenwet en de Woningwet, op grond waarvan overheden onder andere bij bodemingrepen verplicht rekening moeten houden met het behoud van archeologische waarden. Sinds juli 2016 (Erfgoedwet) is het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed geregeld door één integrale Erfgoedwet. De omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving zal in de nieuwe Omgevingswet worden geregeld, die in 2022 in werking zal treden. In het plangebied geldt volgens het vigerende archeologiebeleid (Willemse, 2006; niet afgebeeld) een hoge archeologische verwachting. Vanwege deze aanduiding is een archeologisch onderzoek verplicht bij bodemingrepen, die groter zijn dan 100 m2 en dieper dan 40 cm -Mv reiken. Dit betekent dat gezien de omvang van de voorgenomen van de toekomstige ontwikkeling (circa 1200 m2 met bodemingrepen dieper dan 40 cm -Mv) archeologisch vooronderzoek nodig is.
Bij bouwwerken en/of bodemingrepen die groter zijn dan 200 m2 én dieper reiken dan 40 cm -Mv is daarom archeologisch (voor)onderzoek noodzakelijk. Gezien het grotere verstoringsoppervlakte en diepte betekent dat in dit geval er in het kader van de bestemmingsplanwijziging een archeologisch (voor)onderzoek noodzakelijk is (zie hoofdstuk 4). In het kader van de bestemmingsplanwijziging dient de aanvrager een rapport aan de gemeente te overleggen, waarin de archeologische waarde van het plangebied naar het oordeel van Burgemeester en Wethouders in voldoende mate is vastgesteld. Afhankelijk van de uitkomsten van het archeologisch (voor-)onderzoek dat hiervoor nodig is, kunnen aan de ontwikkeling regels worden verbonden ter behoud van belangrijke archeologische waarden. Deze kunnen bestaan uit technische aanpassingen of een veiligstellende opgraving. Het archeologisch vooronderzoek kan hiertoe worden uitgebreid met een al dan niet gecombineerd karterend en waarderend onderzoek, zodat op basis van de KNAwaarderingssystematiek een waardestelling kan worden opgemaakt.
11
6. Landschap, geomorfologie en bodem Archeoregio
Utrechts-Gelders rivierengebied
Geomorfologie Maaiveld
Rivierduin, al dan niet bedekt met overstromingsmateriaal en/of veen 8,1 – 9,2 m NAP
Bodem
Vorstvaaggronden
Grondwater
GWT-VII*
Landschap Nederasselt bevindt zich in het zuidelijk deel van het rivierengebied, 500 m ten noorden van de Maas. Dit gebied bestaat uit fluviatiele afzettingen van de Rijn en de Maas. Tijdens het Saalien (238000 tot 126000 jaar geleden) heeft zich een ijsfront gevormd langs de lijn Utrecht - Nijmegen, waarlangs de Rijn en de Maas hebben gestroomd. De rivieren kenmerkten zich door een brede riviervlakte, waarbinnen de riviergeulen in een verwilderd (“vlechtend”) patroon verspreid lagen. In de riviervlakte werd door deze geulen grof zand en grind afgezet, dat geologisch gezien wordt gerekend tot het Formatie van Kreftenheye (De Mulder e.a., 2003). Nederasselt en het plangebied lag toen in een riviervlakte (Berendsen, 2008). Tijdens het Allerød-interstadiaal (tussen 14000 en 13000 jaar geleden) begon dit enigszins te veranderen toen het klimaat geleidelijk begon te verbeteren. Deze klimaatsverbetering leidde tot een toenemende vegetatie en tot een beter verdeelde afvoer van rivierwater door een beperkt aantal geulen. De riviergeulen begonnen te kronkelen (meanderen) en sneden zich in de riviervlakte, waardoor langzamerhand een rivierdal ontstond. In het dal werd tijdens overstromingen zogenaamd “Hochflutlehm” afgezet, ook wel bekend als het Laagpakket van Wijchen, Formatie van Kreftenheye (De Mulder e.a., 2003).
In delen van het landschap kunnen deze afzettingen nog aan het oppervlakte liggen (Berendsen, 2005). Daarna trad nog een koude periode op (de Jonge Dryas, 13000 - 11700 jaar geleden), waardoor in Nederland weinig vegetatie aanwezig was. Hierdoor kon door wind gemakkelijk zand worden verplaatst en konden zandverstuivingen plaatsvinden (Stouthamer e.a., 2015). Door deze verstuivingen hebben zich rivierduinen kunnen vormen vanuit de vlechtende rivierafzettingen van de Formatie van Kreftenheye. De rivierduinen worden gerekend tot Het Laagpakket van Delwijnen uit de Formatie van Boxtel en liggen, indien aanwezig, op het Laagpakket van Wijchen (Berendsen 2005). De hogere rivierduinen zijn niet door jonger sediment afgedekt en hebben altijd boven het rivierenlandschap uitgestoken. Dit maakte deze rivierduinen zeer geschikt voor bewoning en landgebruik in het verleden. Aan het oppervlakte kunnen ook Holocene afzettingen voorkomen. Deze zijn afgezet door voorlopers van de huidige Rijn en Maas en worden gerekend tot de Formatie van Echteld. Binnen deze afzettingen kan een onderscheid worden gemaakt tussen stroomgordelafzettingen, komafzettingen, crevasse-afzettingen en dijkdoorbraakafzettingen (Berendsen, 2008).
Geologie en lithologie Volgens boring B45F0092 uit het Dinoloket van TNO ligt op 15 m ten westen van het plangebied zandige en sterk siltige klei aan het maaiveld behorende tot de Formatie van Echteld behoort (holocene rivierafzettingen; www.dinoloket.nl). Vanaf 2,1 m -Mv (6,2 m NAP) is sprake van matig grof grindig zand, dat tot de Formatie van Kreftenheye behoort (pleistocene rivierafzettingen). Een boring circa 20 meter ten oosten van het plangebied laat een andere opbouw zien (boring B45F1016). Hier bestaat de bovenste 70 centimeter uit matig fijn, zwak humeus zand wat wordt geïnterpreteerd als 12
antropogeen omgewerkte grond. Daaronder (0,7 m -Mv, 8,0 m +NAP) is achtereenvolgens zand, leem en sterk siltige klei aanwezig, behorende tot de Formatie van Beegden. Vermoedelijk betreft het de Laag van Wijchen. Vanaf 2,5 m -Mv (6,2 m +NAP) is grind aanwezig behorende tot de Formatie van Kreftenheye. Geomorfologie Op de geomorfologische kaart is het plangebied gekarteerd als rivierduin, al dan niet bedekt met overstromingsmateriaal en/of veen (kaartcode 3B57yov; bijlage 3). Gezien de hierboven beschreven geologische boring is de rivierduin mogelijk afgedekt met rivierafzettingen en niet met veen. Volgens de Paleogeografische kaart van het Rivierengebied ligt het plangebied 120 meter ten noorden van het stroomgebied van de Maas (Cohen e.a., 2012, niet afgebeeld). Volgens Berendsen en Stouthamer (2001) bevindt het plangebied zich op een rivierterras uit het Jonge Dryas (waarbij dus de Formatie van Kreftenheye te verwachten is onder holocene afzettingen, bijlage 4). Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) Op basis van het AHN valt af te leiden dat het maaiveld in het plangebied tussen 8,1 en 9,2 m NAP ligt (bron: www.ahn.nl; bijlage 5). Op een detailopname valt op dat het maaiveld afloopt in noordelijke richting. Ten opzichte van de omgeving ligt het plangebied relatief laag.
Op het perceel direct ten zuiden van het plangebied zijn relatief scherpe randen te zien, met name in het oosten. Het vermoeden bestaat dat dit gedeelte iets is afgegraven, mogelijk is dit ook het geval in het plangebied zelf. Verder is in de omgeving te zien dat de bebouwde kom van Nederasselt relatief hoog is gelegen (circa 9,4 m +NAP), vermoedelijk het gevolg van de ligging op een rivierduin gecombineerd met antropogene ophoging. Ten zuiden van het plangebied ligt de Maasdijk met een maaiveldhoogte van circa 12,5 m +NAP. Ook valt de relatief lage ligging van de Hollestraat ten noorden van het plangebied op. Het betreft een holle weg, dit zijn wegen die zijn uitgesleten door hemelwater en/of veelvuldig gebruik. Bodem en grondwatertrap Op de bodemkaart valt het plangebied binnen een zone waarin vorstvaaggronden zonder minerale eerdlaag worden verwacht (kaartcode Zb30; bijlage 6). Vorstvaaggronden onstaan over het algemeen in hooggelegen zandgronden, waar sprake is van zeer weinig bodemvorming. Hier is over het algemeen sprake van een schrale bovengrond met een dikte tussen 30-50 cm, waaronder tot een diepte van 150 cm nog inspoelingslagen (B-horizonten) voor kunnen komen (De Bakker en Schelling, 1989). Gezien het voorkomen van vorstvaaggronden is het waarschijnlijk dat in het plangebied zand aanwezig is, vermoedelijk behorende tot een rivierduin.
De grondwatertrap in het plangebied is VII. Dit duidt over het algemeen op relatief droge gronden waarbij de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) onder de 80 cm -Mv aangetroffen kan worden. Met dergelijke lage grondwaterstanden en droge omstandigheden zullen in het plangebied boven de 80 cm alleen anorganische (zoals vuursteen en aardewerk) en verbrande organische (houtskool, verbrand bot) archeologische resten te verwachten zijn. Onverbrande organische resten zullen als gevolg van oxidatie en zure omstandigheden in de bodem binnen 80 cm –Mv grotendeels zijn verdwenen.
13
7. Archeologische waarden, onderzoeken en vondsten Wettelijk beschermd monument
Nee
AMK terrein
Nee
Archeologische waarden en/of informatie
Ja, in de omgeving
Wettelijk beschermde status Het plangebied heeft volgens het centraal archeologisch informatiesysteem (Archis) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) geen archeologisch wettelijk beschermde status. Archeologische Monumentenkaart (AMK) Het plangebied is niet opgenomen op de Archeologische MonumentenKaart (AMK). Archeologische verwachting Op de gemeentelijke verwachtingskaart kent het plangebied in een zone met archeologisch en bouwhistorisch kansrijke locaties (historische bewoningskern; bijlage 1). Hier geldt een hoge verwachting voor archeologische resten uit met name de Late Middeleeuwen en later. Deze zijn mogelijk afgedekt door een >50 cm dikke laag en daardoor waarschijnlijk goed geconserveerd. Dit blijkt ook de ligging binnen een oude woongrond. Het plangebied valt echter ook binnen een zone die ondiep is vergraven (tot 40 cm -Mv). Bekende archeologische waarden Het plangebied is niet eerder onderzocht en er zijn geen vondstmeldingen bekend. In de omgeving van het plangebied is dit wel het geval. De ligging ervan is weergegeven in bijlage 7. Gegevens uit de omgeving die relevant zijn voor de archeologische verwachting in het plangebied en de uiterlijke kenmerken van vindplaatsen worden hieronder toegelicht. •
•
•
10 meter ten zuidwesten van het plangebied ligt AMK-terrein 4233. Binnen dit terrein van hoge archeologische waarde zijn sporen van bewoning uit de Romeinse Tijd en de Vroege en Late Middeleeuwen aangetroffen. Het betreft een oude woongrond. Binnen het terrein zijn fragmenten handgevormd aardewerk uit de Late IJzertijd-Romeinse Tijd, gedraaid aardewerk en terra sigillata uit de Romeinse Tijd en ondetermineerbaar aardewerk uit de Middeleeuwen aangetroffen (vondstmelding 2847850100). 12 meter ten noorden van het plangebied, aan de overzijde van de Hollestraat, zijn een bureauonderzoek, verkennend booronderzoek en proefsleuvenonderzoek uitgevoerd (respectievelijk onderzoeksmeldingen 2283993100, 2284592100 en 2340984100). Het onderzochte gebied is gelegen op een rivierduin. Bij het proefsleuvenonderzoek zijn in een gedeelte recente verstoringen aangetroffen als gevolg van bebouwing en slechts één antropogeen spoor uit de Nieuwe Tijd. De aard van dit spoor is niet duidelijk. De bodemopbouw ter plaatse bestaat uit een 40 -60 cm dikke bouwvoor en recente ophooglaag met baksteen en moderne insluitsels. Hieronder ligt een zwak tot matig humeuze, donkerbruingrijze cultuurlaag met baksteenfragmenten, sintels, aardewerk en botresten. Deze cultuurlaag is gevormd in de top van het rivierduinzand. Deze gaat over naar een Bw-horizont en een Cg-horizont (Schutte en Spanjaard, 2013).
Het vondstmateriaal bestaat uit aardewerk uit de IJzertijd tot en met de Nieuwe Tijd (vondstmelding 2340984100). 50 meter ten oosten van het plangebied is een bureauonderzoek en proefsleuvenonderzoek uitgevoerd (onderzoeksmeldingen 2032787100 en 2100178100). Ter plaatse bestaat de bodemopbouw vanaf 175 cm -Mv uit grof zand en grind van de Formatie van Kreftenheye, , waarop een uiterst siltige kleilaag met een dikte van 130 cm ligt (Laag van Wijchen). Daarop ligt 14
•
matig siltig, matig grof zand (rivierduinzand). Er zijn sporen van kleiwinning aangetroffen ten behoeve van de aanleg van de Maasdijk. Na de kleiwinning zijn de sleuven dichtgegooid met rivierzand dat van elders is aangevoerd, aangezien in de Laag van Wijchen scherven uit de Nieuwe Tijd zijn aangetroffen. In het aangebrachte rivierzand zijn fragmenten aardewerk uit de IJzertijd, Middeleeuwen en Nieuwe Tijd aangetroffen. Deze zijn waarschijnlijk afkomstig van een locatie in de buurt. Behalve de kleiwinningsputten en -sleuven zijn geen sporen aangetroffen (Schutte, 2005). Aan het Kerklaantje/J. Thijssenstraat (140 m ten westen van het plangebied) is een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd op een rivierduin (onderzoeksmelding 2218739100). Hierbij is één ondateerbare kuil aangetroffen, alsmede aardewerk uit de IJzertijd en Late Middeleeuwen – Nieuwe Tijd. Gezien de verschillen in datering vermoeden de onderzoekers dat de ondergrond is verstoord of dat de grond van elders is aangevoerd als ophogingslaag. Het plangebied is vrijgegeven (Van Benthem, 2008).
Informatie uit overige bronnen Er is geen informatie uit overige bronnen verkregen. Samengevat valt uit de onderzoeken af te leiden dat het plangebied en de omgeving op een rivierduin gelegen is. Rivierduinen in het rivierengebied zijn doorgaans altijd hoger en droger gelegen gebieden binnen een overwegend vochtige omgeving geweest, die hierdoor uitermate geschikt waren voor bewoningsactiviteiten. Dit blijkt onder meer ook uit de verschillende vondsten die in de omgeving van het plangebied aanwezig zijn. In de directe omgeving van het plangebied (ten noorden en zuidwesten) is de aanwezigheid van archeologische resten reeds aangetoond. Gezien de zeer korte afstand tot het plangebied is hier een gelijksoortige bodemopbouw te verwachten, bestaande uit rivierduinzand met een oude woongrond en/of cultuurlaag. Vermoedelijk ligt de nadruk op de periode IJzertijd – Middeleeuwen, maar resten uit overige perioden zijn niet uit te sluiten. De mate van intactheid van eventuele archeologische resten hangt af van de mate van intactheid van de ondergrond. Op een aantal plaatsen is namelijk sprake van afgraving (door bijvoorbeeld kleiwinning) of bodemverstoringen door bebouwing.
15
8. Historische situatie, huidig gebruik en bodemverstoringen Historische bebouwing
Nee
Historisch gebruik
Bouwland
Huidig gebruik
Grasland
Bodemverstoringen
Onbekend
Historische situatie Het plangebied bevindt zich in de historische dorpskern van Nederasselt. Nederasselt ligt op een relatief hoge rivierduin. De oorsprong van het dorp gaat vermoedelijk terug tot in de 12e eeuw. De oorspronkelijke dorpskern ligt ter hoogte van de oprit van de Graafse Brug, circa 400 meter ten westen van het plangebied. In 1301 stond er een kapel, vermoedelijk bij de noordelijke pijler van de Graafse Brug. Vermoedelijk mede door oorlogshandelingen rondom Grave is de kapel tot ruïne vervallen. In 1794 is deze afgebroken. In verband met de aanleg van het Kroonwerk Fort Coehoorn (circa 750 meter ten zuiden van het plangebied) kwam een deel van het grondgebied van Nederasselt buitendijks te liggen. Fort Coehoorn is een versterking voor de vestingstad Grave aan de overzijde van de Maas. Het Kroonwerk omvat de gracht en omwalling van het verdedigingswerk uit circa 1680, gebouwd naar een ontwerp van Menno van Coehoorn. Met name de 17e-eeuwse versterkingen en de latere Linie zijn nog in het veld herkenbaar (Keunen e.a., 2013). Op de cultuurhistorische kaart van de gemeente Heumen (bijlage 8) is in en rond het plangebied een aantal cultuurhistorische elementen zichtbaar. Hieruit blijkt dat Nederasselt een hoger gelegen stroomrugontginning met gevarieerde structuur betreft (code rds1).
De Holleweg en het Jan Heurkenspad zijn aangewezen als wegen van voor 1832 die nog steeds aanwezig zijn. Ook de westelijke kavelgrens is vanaf reeds 1832 aanwezig. In het noorden van het plangebied loopt van zuidoost-noordwest een lijn, het betreft de mogelijke locatie van een linie uit de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648). Direct ten westen van het plangebied is een rijksmonument aanwezig aan de Hollestraat 20 (een boerderij met bijgebouw). Op de oudst geraadpleegde kaart, het Kadastrale Minuutplan uit de periode 1811-1832 (figuur 2) is te zien dat het plangebied op een perceel ten zuiden van de Hollestraat ligt. Een klein gedeelte van deze straat ligt in het plangebied. Er is binnen het plangebied geen bebouwing ingetekend: het terrein is volgens de Oorspronkelijk Aanwijzende Tafelen behorend bij de kaart als bouwland in gebruik. De monumentale boerderij en schuur ten westen van het plangebied zijn reeds zichtbaar. Verder is er nog maar weinig sprake van bebouwing in de omgeving. Dit beeld verandert in de loop van de 19e en eerste helft van de 20e eeuw niet (figuren 3 tot en met 5). Pas aan het eind van de 20e eeuw verschijnt er parallel aan de Hollestraat en aan de verder ten noorden gelegen Broekstraat (figuur 6). Het plangebied zelf is nog steeds onbebouwd en in gebruik als bouw- en grasland.
Dit blijft tot op heden onveranderd, zoals te zien op een recente luchtfoto van het plangebied (figuur 7). Militair erfgoed In het noorden van het plangebied loopt van zuidoost-noordwest een lijn, het betreft de mogelijke locatie van een linie uit de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648). Het plangebied valt verder binnen een gebied die is aangewezen als operatieterrein van Market Garden, een grootschalig geallieerd offensief aan het einde van de Tweede Wereldoorlog (september 1944). Dit offensief had als doel strategische locaties (doorgaans bruggen) te veroveren om Duitse troepen die in het westen van Nederland aanwezig waren, af te snijden. Zo zou het geallieerde leger doorgang kunnen vinden naar het Duitse Rührgebied (www.ikme.nl). Mogelijk is erfgoed gerelateerd aan de Tweede Wereldoorlog aanwezig in het plangebied. Te denken valt aan restanten van uitrusting, materieel, explosieven en munitie en/of 16
inslagen hiervan. Zo zijn in 2019 in een tuin aan de Hollestraat 18a tientallen brisant- en fosforgranaten gevonden (explosieven-ruimingskaart; www.degelderlander.nl). Hoewel dergelijke opslaglocaties of dumps zeer lokaal zijn, kunnen deze ook in het plangebied voorkomen. Daarnaast is de aanwezigheid van structuren als stellingen, versperringen, loopgraven en dergelijke mogelijk. Dergelijke structuren worden echter op basis van het AHN (bijlage 5) niet in het plangebied verwacht. Ook een luchtfoto van de Fototechnische Dienst Luchtvaartafdeeling waar het plangebied op staat, zijn geen aanwijzingen hiervoor waargenomen (beeldbank.defensie.nl; bijlage 9). Deze is echter uit omstreeks 1940, waardoor het plangebied later mogelijk nog wel in gebruik is genomen tijdens de Tweede Wereldoorlog. Huidig gebruik en bodemverstoringen Het plangebied is momenteel in gebruik als grasland. • Op basis van de historisch-topografische kaarten heeft er vanaf in ieder geval 1811 geen bebouwing in het plangebied gestaan. Bodemverstoringen als gevolg van bijvoorbeeld funderingen worden daarom niet verwacht. • Er is in het Bodemloket geen informatie aanwezig ten aanzien van milieuverontreinigingen of saneringen, die geleid hebben tot bodemverstoringen (bron: www.bodemloket.nl). • Volgens een recente KLIC-melding zijn er geen kabels en leidingen in het plangebied te verwachten.
• Op de archeologische verwachtingskaart van de gemeente Heumen (bijlage 1) ligt het plangebied in een zone die is aangewezen als ondiep vergraven (tot 40 cm -Mv). Een analyse van AHNbeelden lijkt dit te bevestigen (Hoofdstuk 6). Mogelijk is hiermee een deel van een eventueel aanwezig archeologisch niveau verstoord geraakt, maar gezien de geringe diepte is het mogelijk nog als grotendeels intact te beschouwen. • Een klein gedeelte in het noordelijk deel van het plangebied heeft voorheen deel uitgemaakt van de Hollestraat. Door uitslijting en uitspoeling is deze steeds lager komen te liggen, waardoor mogelijk een onderliggend niveau ter plaatse deels verstoord is geraakt. Anderzijds is de weg in zichzelf in potentie juist een archeologisch relevant element in het plangebied, bijvoorbeeld door het voorkomen van karresporen.
17
Figuur 2: Uitsnede van de kadastrale Minuut uit 1811-1832. Het plangebied is weergegeven met rode lijnen (bron: beeldbank.cultureelerfgoed.nl).
Figuur 3: Uitsnede van een topografische kaart uit 1870. Het plangebied is met rode lijnen weergegeven (bron: www.topotijdreis.nl).
18
Figuur 4: Uitsnede van een topografische kaart uit 1940. Het plangebied is met rode lijnen weergegeven (bron: www.topotijdreis.nl).
Figuur 5: Uitsnede van een topografische kaart uit 1970. Het plangebied is met rode lijnen weergegeven (bron: www.topotijdreis.nl).
19
Figuur 6: Uitsnede van een topografische kaart uit 1990. Het plangebied is met rode lijnen weergegeven (bron: www.topotijdreis.nl).
Figuur 7: Het plangebied (rood omlijnd) op een recente luchtfoto. (bron: www.pdok.nl).
20
9. Gespecificeerde archeologische verwachting Op basis van het bureauonderzoek zijn er verschillende potentiële archeologische niveaus aan te wijzen waarvoor het verwachting geldt. Het plangebied ligt in een gebied waar tijdens het Pleistoceen terrasafzettingen zijn afgezet door een vlechtend riviersysteem. Door de sterke wisselingen in de kracht van deze rivier, vormde de riviervlakte een onaantrekkelijke locatie om te wonen. Tijdens het Allerød-interstadiaal had de rivier een meanderend patroon en werden komafzettingen van de Laag van Wijchen afgezet. Op basis van geologische boringen in de directe omgeving van het plangebied is de Laag van Wijchen mogelijk in de ondergrond aanwezig. Op het moment dat deze laag droog komt te liggen kan hierin een laklaag of vegetatiehorizont vormen. Indien dergelijke resten van bodemvorming aanwezig zijn, vormt de Laag van Wijchen een potentieel archeologisch niveau voor resten uit het Laat Paleolithicum (Federmesser-groepen of Ahrensburg-cultuur). Vervolgens koelde het klimaat weer af tijdens het Jonge Dryas-stadiaal, toen zand uit de bedding van de voormalige riviervlakte kon opstuiven en rivierduinen werden gevormd. Volgens de geomorfologische kaart ligt het plangebied op een dergelijke rivierduin. Door deze ligging geldt een hoge archeologische verwachting vanaf het Mesolithicum tot en met de Vroege Middeleeuwen.
De verwachting op bebouwingsresten uit de Late Middeleeuwen - Nieuwe Tijd is laag. In de Late Middeleeuwen is het plangebied buiten de kern van Nederasselt gelegen. Bewoning zou in die tijd verder westelijk moeten liggen. Wel zijn resten van landgebruik te verwachten, in de vorm van akkerlagen toen het oude bouwland is aangelegd. Het plangebied bevindt zich in de historische dorpskern van Nederasselt, maar aanwijzingen voor bebouwing in de Nieuwe Tijd zijn er niet op historisch/topografische kaarten. De verwachting op nederzettingsresten uit de Nieuwe tijd is zodoende laag. In het noorden van het plangebied ligt de Hollestraat, een holle weg die al vanaf voor 1811 aanwezig is. Mogelijk zijn restanten van deze weg hier aanwezig, bijvoorbeeld in de vorm van karresporen. Eerdere bebouwing kan ook niet geheel worden uitgesloten. Er geldt in het plangebied een hoge verwachting op archeologische resten in militaire context. Het plangebied ligt namelijk in een linie van de Tachtigjarige oorlog. Complextypen In het plangebied kunnen nederzettingssporen worden aangetroffen, hetzij in de vorm van (seizoensgebonden) jachtkampementen, hetzij in de vorm van verhoogde huisplaatsen (boerderijen).
Jachtkampementen kenmerken zich door een dichte vondstenstrooiing van onder andere fragmenten bewerkt vuursteen, hetgeen met name afhankelijk is van de langdurigheid en/of intensiteit van eventuele bewoning op die plek. De omvang ervan kan variëren tussen circa 100 en 1000 m2. De aanwezigheid hiervan is in eerste instantie afhankelijk van de intactheid van de top van het dekzand in het gebied. Wat betreft nederzettingsterreinen kenmerken deze zich naar verwachting door de aanwezigheid van een cultuurlaag in de top de rivierduin. Hierin zijn afvalresten aanwezig in de vorm van aardewerk, al dan niet verbrand bot en baksteenresten (vanaf de Middeleeuwen). Ook zullen in deze lagen grondsporen aanwezig zijn als onderdeel van palen van structuren (huizen, bijgebouwen) en afval- en beerkuilen en waterputten. Restanten van de Hollestraat worden verwacht, vermoedelijk in de vorm van karresporen. Op basis van de cultuurhistorische kaart van de gemeente Heumen bevindt zich mogelijk een deel van een linie uit de Tachtigjarige Oorlog in het noorden van het plangebied. De gespecificeerde archeologische verwachting is nader weergegeven in onderstaande tabel 1. Prospectiekenmerken en zoekstrategie 21
Op basis van de tijdens het bureauonderzoek verworven resultaten en de hierop volgende archeologische verwachting zijn vindplaatsen te verwachten die zich kenmerken door een cultuurlaag of met een grote vondstdichtheid. Dit is gebaseerd op het uiterlijk van de vindplaatsen die in de omgeving van het plangebied zijn vastgesteld. De exacte diepte waarop een cultuurlaag of vondsten liggen, is vermoedelijk vanaf 40 cm, direct onder de bouwvoor (mogelijk onder een pakket overstromingsmateriaal). Om binnen het plangebied de archeologische verwachting te toetsen en bij te stellen, dienen de mate van intactheid van de bodem en de lithologische opbouw van de ondergrond te worden vastgelegd. Ook kunnen eventueel aanwezige archeologische resten met boringen worden opgespoord, aangezien ze zich kenmerken door de aanwezigheid van een laag of een dichte vondstconcentratie. Dit kan plaatsvinden door middel van een verkennend en karterend booronderzoek. Op grond van dit onderzoek kan dan een uitspraak worden gedaan of en in hoeverre archeologische resten te verwachten zijn.
22
Tabel 1: Gespecificeerde archeologische verwachtingstabel
1
Archeologische verwachting Datering
Onbekend
Laat-Paleolithicum
Hoog
Mesolithicum-Middeleeuwen
Laag
Late Middeleeuwen - Nieuwe Tijd (bebouwing)
Hoog
Nieuwe Tijd (militair)
Reden In de Laag van Wijchen, afgezet in het Allerød interstadiaal, kan een laklaag of vegetatiehorizont zijn gevormd die een indicatie is dat deze laag bewoonbaar is geweest. Bij de aanwezigheid van dergelijke resten van bodemvorming is deze laag een potentieel archeologisch niveau. Resten kunnen zich bevinden in de top van het rivierduinzand. Het is onbekend of de top van dit zand in het plangebied nog intact aanwezig is. Het plangebied bevindt zich buiten de oorspronkelijke middeleeuwse kern van Nederasselt. Op basis van topografisch kaartmateriaal lag het in een gebied met bouwlanden. Bewoningssporen uit de Nieuwe Tijd zijn daarom niet te verwachten. Wel kunnen sporen van landbewerking aanwezig zijn. Mogelijk ligt een deel van een linie uit de Tachtigjarige Oorlog in het noorden van het plangebied. Tevens ligt het plangebied binnen het operatieterrein Market Garden. Er zijn vanuit het bureauonderzoek geen concrete aanwijzingen voor de aanwezigheid van dergelijke resten, maar in de directe omgeving is een opslag- of dumplocatie van munitie aangetroffen. Aanwezigheid van militaire archeologische resten kan zodoende niet worden uitgesloten. 23
2 3 4
Complextype Omvang Diepteligging
5
Gaafheid en conservering
6 7
Locatie Uiterlijke kenmerken (artefacten en type indicatoren) Mogelijke verstoringen
8
Nederzettingen (jachtkamp), huisplaatsen, sporen van landgebruik, militair, graven/grafvelden 100-1000 m2 (omvang jachtkamp); 500-2000 m2 (omvang huisplaats, algemeen) Top van de rivierduin (>40 cm -Mv). Mogelijk is sprake van overstoven niveaus in het rivierduinzand. Mogelijk in/onder cultuurlaag (vanaf het maaiveld). Top van Laag van Wijchen (circa 8 m NAP). +/Er zijn vanuit het bureauonderzoek aanwijzingen dat het terrein deels is afgegraven, maar vermoedelijk is dit niet meer dan 40 cm. Vermoedelijk is de top van de rivierduin nog grotendeels intact. Onbekend, op dit moment het hele plangebied. Vindplaatsen kenmerken zich naar verwachting door grondsporen, vondsten of cultuurlagen. Zie .5
24
10. Resultaten veldonderzoek Onderzoekstrategie
Verkennend booronderzoek
Aantal boringen
5
Type boor
Edelmanboor
Boordiameter
7 cm
Maximale boordiepte
280 cm -Mv
Onderzoeksmethodiek Het doel van het booronderzoek is het toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting in het plangebied, zoals deze is opgesteld in Hoofdstuk 9. Hiertoe is in het plangebied een verkennend booronderzoek uitgevoerd (conform het opgestelde Plan van Aanpak; Scheeringa, 2021). De boringen zijn daarbij gebruikt om zowel de mate van intactheid van de bodem als de bodemopbouw zelf te bepalen. In totaal zijn in het plangebied vijf boringen gezet (boring 1-5). De locaties van de boringen zijn weergegeven op kaart in bijlage 10. De boringen hebben een diepte van maximaal 280 cm –Mv en zijn handmatig gezet met behulp van een Edelmanboor met een diameter van 7 cm. De boringen zijn minimaal tot in de Laag van Wijchen gezet. Door de stugheid van deze laag was het niet overal mogelijk om door deze laag heen te boren. De boringen zijn gefotografeerd en beschreven volgens de NEN5104 en de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode (ASB; SIKB 2008). Enkele foto’s van de boringen zijn terug te vinden in bijlage 10, de beschrijvingen in bijlage 11. De locatie van de boringen is met een meetlint bepaald aan de hand van de bestaande topografie in het plangebied. De hoogteligging van de boringen is bepaald aan de hand van het AHN (bijlage 4). Veldwaarnemingen Het plangebied betreft een weiland dat is begroeid met middelhoog gras/onkruid.
Het maaiveld loopt zichtbaar op in de richting van de dijk ten zuiden van het plangebied. In het noorden van het plangebied is een laagte aanwezig. Volgens de eigenaar is er klei opgebracht bij de versteviging van de dijk. In het noorden, het lage deel, is ook klei opgebracht om kwel te voorkomen/verminderen. Er is in de laatste eeuw volgens de eigenaar een dijkdoorbraak geweest ten zuidoosten van het plangebied, waarbij een zandige hoogte verspoeld is geraakt. Foto’s van het plangebied ten tijde van het veldonderzoek zijn weergegeven in figuur 8.
Figuur 8: Foto's van het plangebied ten tijde van het veldonderzoek. Rechts: in noordelijke richting; link in zuidelijke richting.
25
Lithologie en bodemopbouw Bovenin alle boringen is sterk zandig, zwak tot matig humeus, donkergrijsbruine tot donkerbruingrijze klei aangetroffen dat in alle boringen rode fragmenten bouwpuin bevat. Het betreft een pakket opgebrachte grond. Mogelijk de opgebrachte grond waar de eigenaar van het perceel naar refereerde. In vier van de vijf boringen was de opgebrachte grond vanaf het maaiveld aanwezig. De opgebrachte grond was 40 tot 70 cm dik. Alleen in boring 1, de meest noordelijke boring, was het pakket opgebrachte afgedekt door een laag matig siltig, matig grof, bruingrijs zand. Dit zand bevatte mortel en kan geïnterpreteerd worden als moderne bouwvoor. Onder de opgebrachte grond is in alle boringen, met uitzondering van boring 1, bruingrijs, matig siltig, matig grof zand met zandbrokken aanwezig. In dit pakket zijn rode baksteenfragmenten, steenkool en sintels waargenomen. Het betreft hoogstwaarschijnlijk een cultuurlaag/woonlaag. Deze laag is aanwezig vanaf een diepte van 40 tot 75 cm -Mv (7,70 tot 8,80 m +NAP). De cultuurlaag heeft een dikte van 60 tot 105 cm. In boring 1 ontbreekt deze laag. Onder deze cultuurlaag is geelbruin tot bruingrijs, matig siltig, matig fijn tot matig grof zand aangetroffen. Het betreft de rivierduinafzettingen van het Laagpakket van Delwijnen van de Formatie van Boxtel.
Het rivierduinzand is aangetroffen op een diepte van 75 tot 160 cm -Mv (6,80 tot 7,75 m +NAP). In boring 2 bevat het rivierduinzand veel ijzer- en mangaanvlekken. Onder het rivierduinzand is in alle boringen, met uitzondering van boring 1, een laag zwak zandige, geelbruine tot bruingrijze, matig stevige leem aangetroffen. Het betreft komafzettingen van het Laagpakket van Wijchen van de Formatie van Kreftenheye. Deze laag is aangetroffen op een diepte van 175 tot 235 cm -Mv (6,45 tot 7,05 m +NAP) en vormt de basis van de meeste boringen. Alleen in boring 5 is door deze laag heen geboord. De leem van het Laagpakket van Wijchen was hier 25 cm dik en lag op een pakket zwak siltig, matig grindig, geelbruin, matig grof zand. Het betreft de beddingafzettingen van de Formatie van Kreftenheye. Archeologische indicatoren Tijdens het veldwerk zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen, anders dan het reeds genoemde baksteenfragmenten, de steenkool en sintels. Dit materiaal is echter niet eenduidig te dateren. Het bouwpuin is aangetroffen in de cultuurlaag die in de top van de rivierduinafzettingen is gevormd. Theoretisch gezien kan het bouwkeramisch materiaal dateren uit de gehele periode vanaf de Romeinse tijd tot en met de Nieuwe tijd. Hierbij moet echter wel worden opgemerkt dat het opsporen van archeologische indicatoren nadrukkelijk niet het doel van dit onderzoek is geweest.
Archeologische interpretatie Op basis van het veldonderzoek kan de hoge verwachting uit het bureauonderzoek voor de periode Mesolithicum –Middeleeuwen worden gehandhaafd. Deze conclusie is gebaseerd op de aanwezigheid van een intacte top van het rivierduinzand in het plangebied, getuige de aanwezigheid van veel ijzeren mangaanvlekken in een van de boringen. De top van het rivierduinzand is op een diepte van 75 tot 160 cm -Mv (6,80 tot 7,75 m +NAP). Het rivierduinzand wordt afgedekt door een cultuurlaag met een dikte van 60 tot 105 cm. Deze cultuurlaag bevat rode baksteenfragmenten, steenkool en sintels. Qua uiterlijke kenmerken en diepteligging komt deze cultuurlaag sterk overeen met de aangetroffen laag direct ten noorden en westen van het plangebied, waar resten uit de IJzertijd, Romeinse Tijd en Late Middeleeuwen – Nieuwe Tijd zijn aangetroffen (Spanjaard, 2013; zie Hoofdstuk 7). Een vergelijkbare vindplaats is daarom ook in het plangebied te verwachten.
26
11. Beantwoording onderzoeksvragen •
Hoe heeft het plangebied oorspronkelijk in het natuurlijk landschap gelegen? Het plangebied heeft oorspronkelijk op een rivierduin gelegen. Deze is afgedekt met een cultuurlaag en een moderne bouwvoor.
•
Wat is de bodemopbouw, zijn er binnen de bodemopbouw archeologisch relevante bodemniveaus te onderscheiden en hoe diep liggen deze? In de ondergrond is in het plangebied sprake van een archeologisch relevant niveau in de top van het rivierduinzand vanaf 75 tot 160 cm -Mv (6,80 tot 7,75 m +NAP). In vier boringen is tevens een cultuurlaag c.q. oude woongrond aangetroffen vanaf een diepte van 40 tot 75 cm -Mv (7,70 tot 8,80 m +NAP). De cultuurlaag heeft een dikte van 60 tot 105 cm. De exacte datering ervan is onbekend, maar gezien de direct ten noorden en westen gelegen vindplaats is eenzelfde datering waarschijnlijk (IJzertijd – Middeleeuwen).
•
In hoeverre zijn de archeologisch relevante bodemniveaus nog intact (verstoring, erosie, afdekkend substraat)? In een van de boringen zijn ijzer- en mangaanvlekken aangetroffen, wat aanwijzingen zijn van bodemvorming, die erop wijzen van de top van de rivierduin intact is. Ook de cultuurlaag is als intact te beschouwen. Er zijn in het plangebied namelijk geen aanwijzingen voor verstoringen of bijvoorbeeld erosie als gevolg van overstromingen.
•
Wat is de archeologische verwachting van het plangebied en in hoeverre is deze te differentiëren in laag, middelhoog en hoog? Er geldt op basis van het bureauonderzoek een hoge verwachting op het aantreffen van archeologische resten vanaf het Mesolithicum. Deze verwachting geldt voor de top van het rivierduin. Uit het verkennend booronderzoek is gebleken dat de top van het rivierduin archeologisch gezien intact is. De hoge verwachting voor dit niveau kan daarom worden gehandhaafd. Gezien de aanwezigheid van een cultuurlaag en te relateren vindplaatsen in de omgeving, is de verwachting op resten uit de IJzertijd – Middeleeuwen eveneens hoog. Voor wat betreft de Nieuwe Tijd kan de lage verwachting worden gehandhaafd.
27
12. Conclusie en Advies Conclusie • Op basis van het bureauonderzoek is vastgesteld dat het plangebied op een rivierduin ligt. Deze rivierduinen vormen over het algemeen relatief hoge en droge plekken, die reeds lang geschikt kunnen zijn geweest voor bewoning. In de top van het duinzand kunnen archeologische resten vanaf het Mesolithicum – Middeleeuwen worden aangetroffen. De verwachting hierop is hoog. Mogelijk bevindt zich op het duinzand een cultuurlaag. Deze is namelijk direct ten noorden en westen van het plangebied aangetroffen, waar sprake is van een vindplaats uit de IJzertijd – Middeleeuwen. Gezien de korte afstand is deze mogelijk ook in het plangebied aanwezig (vanaf het maaiveld). Voor de Nieuwe Tijd is gezien het ontbreken van bebouwing op historische kaarten een lage verwachting opgesteld. • Op basis van het veldonderzoek is de hoge archeologische verwachting voor het plangebied bevestigd. In de ondergrond zijn namelijk rivierduinafzettingen aangetroffen die archeologisch gezien intact zijn. De top van de rivierduinafzettingen zijn gelegen op een diepte van 75 tot 160 cm -Mv (6,80 tot 7,75 m +NAP). Voor dit archeologisch niveau geldt een verwachting op het aantreffen van resten vanaf het Mesolithicum. Het rivierduinzand wordt afgedekt door een cultuurlaag die waarschijnlijk dateert uit de IJzertijd – Middeleeuwen, gezien de vindplaatsen in de omgeving.
De cultuurlaag is in vier van de vijf boringen aangetroffen vanaf een diepte van 40 tot 75 cm -Mv (7,70 tot 8,80 m +NAP). Advies In het plangebied bestaat het voornemen een woning te realiseren. De toekomstige inrichting van het plangebied is nog in conceptvorm, er is dus geen exacte inschatting te maken van de aard, omvang en diepte van bodemverstoringen als gevolg van de herontwikkeling. Op basis van het archeologisch vooronderzoek is sprake van een hoge verwachting in het plangebied vanaf een diepte van circa 40 cm -Mv. Wij adviseren daarom om in het nieuwe bestemmingsplan een dubbelbestemming archeologie op te nemen met een vrijstellingsgrens voor bodemingrepen tot 10 cm -Mv (het archeologisch niveau met een buffer van 30 cm). Het is zeer aannemelijk dat er bij de herontwikkeling graafwerkzaamheden plaatsvinden die dit niveau bereiken. Daarom verdient het de aanbeveling om in het plangebied een vervolgonderzoek uit te voeren. Dit kan het beste plaatsvinden in de vorm van een proefsleuvenonderzoek (IVO-P). Hiervoor is een Programma van Eisen (PVE) nodig, waarin de uitvoering en wijze van documentatie van het onderzoek staat vastgelegd. Deze moet op voorhand door de bevoegde overheid worden goedgekeurd. Het bovenstaande is een advies.
Op basis van de resultaten van het onderzoek neemt het bevoegd gezag (de gemeente Heumen) een besluit over de eventuele omgang met archeologische waarden binnen het plangebied.
28
13. Geraadpleegde bronnen Archeologische kaarten en databestanden • Archeologische Monumenten Kaart (AMK), Rijksdienst voor Cultureel erfgoed (RCE), Amersfoort, 2007. • Archeologisch Informatie Systeem III (Archis3), Rijksdienst voor Cultureel erfgoed (RCE), Amersfoort, 2016. • Archeologische beleids- en verwachtingskaart van de gemeente Heumen • www.ruimtelijkeplannen.nl • archis.cultureelerfgoed.nl • www.kadastralekaart.com • www.archieven.nl • www.pdok.nl • www.ahn.nl • Bodemkaart van Nederland 1:50.000 (Stiboka) • Geomorfologische kaart van Nederland • www.bodemloket.nl • bagviewer.kadaster.nl • www.kadaster.nl • www.dinoloket.nl • landschapinnederland.nl/bronnen-en-kaarten/archeologische-landschappenkaart • beeldbank.cultureelerfgoed.nl • www.topotijdreis.nl • library.wur.nl/WebQuery/geoportal/raf • www.ikme.nl • www.tracesofwar.com • www.euroradar.nl/explosieven-opsporing/ruimingskaart/ • www.degelderlander.nl Afbeeldingenlijst
Figuur 1: Ligging van het plangebied (met rode lijnen aangegeven). bron kaart: PDOK. .......... 9 Figuur 2: Uitsnede van de kadastrale Minuut uit 1811-1832. Het plangebied is weergegeven met rode lijnen (bron: beeldbank.cultureelerfgoed.nl). .......................................................... 18 Figuur 3: Uitsnede van een topografische kaart uit 1870. Het plangebied is met rode lijnen weergegeven (bron: www.topotijdreis.nl). .............................................................................. 18 Figuur 4: Uitsnede van een topografische kaart uit 1940. Het plangebied is met rode lijnen weergegeven (bron: www.topotijdreis.nl). .............................................................................. 19 Figuur 5: Uitsnede van een topografische kaart uit 1970. Het plangebied is met rode lijnen weergegeven (bron: www.topotijdreis.nl). .............................................................................. 19 Figuur 6: Uitsnede van een topografische kaart uit 1990. Het plangebied is met rode lijnen weergegeven (bron: www.topotijdreis.nl). .............................................................................. 20 Figuur 7: Het plangebied (rood omlijnd) op een recente luchtfoto. (bron: www.pdok.nl). .... 20 Tabel 1: Gespecificeerde archeologische verwachtingstabel ..................................................
23 Figuur 8: Foto's van het plangebied ten tijde van het veldonderzoek. Rechts: in noordelijke richting; link in zuidelijke richting. ............................................................................................ 25 29
Literatuur: Bakker, H., de, en J. Schelling, 1989. Systeem van bodemclassificatie voor Nederland. De hogere niveaus, Wageningen. Benthem, A. van, 2008. Nederasselt, het Kerklaantje/J. Thijssenstraat (gemeente Heumen). Een inventariserend veldonderzoek in de vorm van proefsleuven. ADC-rapport 1682, Amersfoort. Berendsen, H.J.A. en E. Stouthamer, 2001. Paleogeographical development of the Rhine-Meuse delta, The Netherlands. Assen. Berendsen, H.J.A., 2005. Landschappelijk Nederland, Assen. Cohen, K.M., E. Stouthamer, H.J. Pierik, en A.H. Geurts, 2012. Digitaal Basisbestand Paleogeografie van de Rijn-Maas Delta. Utrecht. Keunen, L.J., S. van der Veen MA en N.W. Willemse, 2013. Een verscheidenheid aan landschappen tussen Maas en Nederrijkswald, Actualisatie archeologische waarden- en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Heumen. RAAP-rapport 2739. Mulder, E.F.J. de, M.C. Geluk, I.L. Ritsema, W.E. Westerhof, en T.E. Wong, 2003. De ondergrond van Nederland. Houten. Scheeringa, D.L., 2021. Plan van Aanpak. Nederasselt, Hollestraat 20-22.Transect, Nieuwegein. Schutte, A.H., 2005. Heumen-Nederasselt-Hollestraat. Een Inventariserend Veldonderzoek in de vorm van proefsleuven. ADC-rapport 433, Amersfoort. Schutte, A.H. en G.W.J. Spanjaard, 2013. Archeologisch proefsleuvenonderzoek Hollestraat 13 t/m 25 te Nederasselt in de gemeente Heumen.
Econsultancy-rapport 2010-114, Swalmen. Stouthamer, E., K.M. Cohen en W.Z. Hoek. De vorming van het Land. Utrecht: Perspectief Uitgevers, 2015. Willemse, N., 2006. Gemeente Heumen, Een archeologische verwachtingskaart met AMZ-adviezen, RAAP-rapport 1216, Weesp.
30
Bijlage 1: Archeologische verwachtingskaart van de gemeente Heumen
31
32
Bijlage 2: Concept inpassingsplan2
2 Bron: Opdrachtgever.
33
Bijlage 3: Geomorfologische kaart
34
Bijlage 4: Stroomruggenkaart van Berendsen en Stouthamer (2001)
35
36
Bijlage 5: Hoogtekaart
37
38
Bijlage 6: Bodemkaart
39
Bijlage 7: Archeologische waardenkaart
40
Bijlage 8: Cultuurhistorie
41
42
Bijlage 9: Luchtfoto 19403
3
De locatie van het plangebied (bij benadering) is rood omlijnd. 43
Bijlage 10: Boorpuntenkaart
44
Bijlage 11: Foto’s van de boringen Hieronder volgen opnames van enkele boringen. De boorkernen op onderstaande foto’s zijn van links naar rechts uitgelegd, waarbij de onderkanten van de boringen naar boven wijzen (per 50 cm).
Boring 4
45
Bijlage 12: Boorbeschrijvingen
46
boring: 210323-1 beschrijver: 8,3, datum: 16-7-2021, X: 179.867,00, Y: 420.334,00, precisie locatie: 1 cm, coördinaatsysteem: Rijksdriehoeksmeting, kaartblad: 45F, hoogte: 8,30, precisie hoogte: 1 cm, referentievlak: Normaal Amsterdams Peil, methode hoogtebepaling: AHN bestand, provincie: Gelderland, gemeente: Heumen, plaatsnaam: Nederasselt, opdrachtgever: Buro Waalbrug, uitvoerder: Transect b.v.
0 cm -Mv / 8,30 m +NAP Algemeen: aard ondergrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: zand, matig siltig, zwak humeus, bruingrijs, matig grof, kalkloos Bodemkundig: interpretatie: bouwvoor Archeologie: fragmenten bouwpuin (onbepaald) Opmerking: fragmenten mortel
35 cm -Mv / 7,95 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm), aard ondergrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: klei, sterk zandig, matig humeus, donkerbruingrijs, zandbrokken, matig stevig, kalkloos Bodemkundig: interpretatie: opgebrachte grond Archeologie: fragmenten bouwpuin (onbepaald) Opmerking: Rode fragmenten baksteen en fragmenten steenkool
75 cm -Mv / 7,55 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: zand, matig siltig, geelgrijs, matig grof, kalkarm, interpretatie: rivierduinafzettingen Litho-stratigrafie: Formatie van Boxtel, Laagpakket van Delwijnen Bodemkundig: C-horizont, veel Fe-vlekken
Einde boring op 150 cm -Mv / 6,80 m +NAP
boring: 210323-2 beschrijver: JM, datum: 16-7-2021, X: 179.843,00, Y: 420.324,00, precisie locatie: 1 cm, coördinaatsysteem: Rijksdriehoeksmeting, kaartblad: 45F, hoogte: 8,40, precisie hoogte: 1 cm, referentievlak: Normaal Amsterdams Peil, methode hoogtebepaling: AHN bestand, provincie: Gelderland, gemeente: Heumen, plaatsnaam: Nederasselt, opdrachtgever: Buro Waalbrug, uitvoerder: Transect b.v.
0 cm -Mv / 8,40 m +NAP Algemeen: aard ondergrens: geleidelijk (0,3-3 cm) Lithologie: klei, sterk zandig, zwak humeus, donkerbruingrijs, matig stevig, kalkloos Bodemkundig: interpretatie: opgebrachte grond Archeologie: fragmenten bouwpuin (onbepaald) Opmerking: rode fragmenten baksteen en steenkool
70 cm -Mv / 7,70 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: geleidelijk (0,3-3 cm), aard ondergrens: geleidelijk (0,3-3 cm) Lithologie: zand, matig siltig, zwak humeus, donkerbruingrijs, matig grof, kalkloos Archeologie: enkel fragment bouwpuin (onbepaald) Opmerking: Homogeen, rode baksteenfragmenten en steenkool
120 cm -Mv / 7,20 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: geleidelijk (0,3-3 cm), aard ondergrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: zand, matig siltig, bruingrijs, zandbrokken, matig grof, kalkloos Archeologie: fragmenten bouwpuin (onbepaald) Opmerking: humeuze vlekken, steenkoolbrokken
160 cm -Mv / 6,80 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm), aard ondergrens: geleidelijk (0,3-3 cm) Lithologie: zand, matig siltig, bruingrijs, matig grof, kalkloos, interpretatie: rivierduinafzettingen Litho-stratigrafie: Formatie van Boxtel, Laagpakket van Delwijnen Bodemkundig: C-horizont, veel Mn-vlekken
195 cm -Mv / 6,45 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: geleidelijk (0,3-3 cm) Lithologie: leem, zwak zandig, geelbruin, matig stevig, kalkloos, interpretatie: komafzettingen Litho-stratigrafie: Formatie van Kreftenheye, Laag van Wijchen Bodemkundig: veel Fe-vlekken
Einde boring op 210 cm -Mv / 6,30 m +NAP
1
boring: 210323-3 beschrijver: JM, datum: 16-7-2021, X: 179.859,00, Y: 420.306,00, precisie locatie: 1 cm, coördinaatsysteem: Rijksdriehoeksmeting, kaartblad: 45F, hoogte: 8,70, precisie hoogte: 1 cm, referentievlak: Normaal Amsterdams Peil, methode hoogtebepaling: AHN bestand, provincie: Gelderland, gemeente: Heumen, plaatsnaam: Nederasselt, opdrachtgever: Buro Waalbrug, uitvoerder: Transect b.v.