Bijlage XIII vast te stellen bestemmingsplan - toelichting bijlage 8 archeologisch vervolgonderzoek
Tekst van het document
Inventariserend Veldonderzoek karterende fase Garstkampsestraat 7 te Overasselt Gemeente Heumen
KSP Archeologie
KSP Archeologie
1
Colofon Versie Status KSP Rapport Auteur ISSN Foto’s en afbeeldingen Beheer en plaats documentatie Autorisatie Datum autorisatie
: : : : : : :
1.1 Beoordeeld door de bevoegde overheid 21068 E. van der Klooster (senior KNA Prospector) 2542-7490 KSP Archeologie KSP Archeologie te Duiven
: :
S.M. Koeman (senior KNA Prospector) 16 juli 2021
www.ksparcheologie.nl | info@ksparcheologie.nl
Disclaimer Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook, zonder bronvermelding. KSP Archeologie aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit onderhavig onderzoek of de gegeven adviezen. KSP Archeologie beschikt over het Procescertificaat Archeologie dat is verleend op basis van de beoordelingsrichtlijn SIKB 4000 voor protocol 4002 ‘bureauonderzoek’. Wanneer de certificatie-eisen strijdig zijn met de eisen van de bevoegde overheid, dan gaat KSP Archeologie uit van de eisen van de bevoegde overheid omdat die sanctioneerbaar zijn.
KSP Archeologie
2
Inhoudsopgave Samenvatting 1 Inleiding 1.1 Onderzoekskader 1.2 Afbakening plan- en onderzoeksgebied 1.3 Overheidsbeleid 1.4 Toekomstige situatie 1.5 Onderzoeksdoel en vraagstellingen 2 Vooronderzoek 2.1 Inleiding 2.2 Gespecificeerde archeologische verwachting 2.3 Conclusie en advies 3 Inventariserend Veldonderzoek, karterende fase 3.1 Werkwijze 3.2 Veldsituatie 3.3 Beschrijving en interpretatie van de boorgegevens 3.4 Archeologische indicatoren 3.5 Toetsing van de archeologische verwachting 4 Conclusie en advies 4.1 Conclusie 4.2 Beantwoording van de onderzoeksvragen 4.3 Selectieadvies Literatuur Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3
5 6 6 6 6 7 8 10 10 10 10 12 12 12 12 14 14 15 15 15 16 17
Boorpuntenkaart Boorbeschrijving Overzicht geologische en archeologische tijdvakken
Lijst van afbeeldingen Figuur 1: Het plangebied op de topografische kaart schaal 1:10.000 (bron: Kadaster). Figuur 2: Geplande sloopactiviteiten (bron: Bu-Ro Ester) Figuur 3: Mogelijke inrichtingsschets, optie 1 (via Bu-Ro Ester) Figuur 4: Mogelijke inrichtingsschets, optie 2 (via Bu-Ro Ester)
4 7 8 8
KSP Archeologie
3
Administratieve gegevens KSP Projectnummer Opdrachtgever Uitvoerder/projectleider Bevoegde overheid Deskundige namens bevoegde overheid Onderzoeksmelding Provincie Gemeente Toponiem Centrum-coördinaat Kadastrale gegevens Periode uitvoering onderzoek
: : : : :
21068 Bu-Ro Ester, Ester van Geldorp KSP Archeologie, Erwin van der Klooster (senior KNA Prospector) Gemeente Heumen Esther Mietes
: : : : : : :
5088723100 Gelderland Heumen Garstkampsestraat 7 x: 183035 y: 419.355 Overasselt sectie G percelen 775 (gedeeltelijk) en 776 Juli 2021
Figuur 1: Het plangebied op de topografische kaart schaal 1:10.000 (bron: Kadaster).
KSP Archeologie
4
Samenvatting KSP Archeologie heeft een archeologisch inventariserend veldonderzoek, karterende fase (IVO-(O)verig); booronderzoek) uitgevoerd voor de locatie aan de Gartkampsestraat 7 te Overasselt (gemeente Heumen). Het onderzoek is uitgevoerd voor de aanvraag van een bestemmingsplanwijziging en bijbehorende omgevingsvergunningen. In eerste instantie is een archeologisch bureau- en verkennend booronderzoek uitgevoerd (KSP Rapport 21038). Op basis van de gegevens die in het bureauonderzoek en verkennend booronderzoek zijn verzameld, is een (middel)hoge verwachting toegekend aan het plangebied. Dit karterende booronderzoek is uitgevoerd om deze (middel)hoge verwachting te toetsen. De archeologische verwachting uit het bureauonderzoek en verkennend booronderzoek is binnen het oostelijke deel van het plangebied getoetst door middel van een inventariserend veldonderzoek, karterende fase. Tijdens het booronderzoek is meer inzicht verkregen in zones waar het pleistocene rivier(duin)zand niet bedekt is geraakt (hoge verwachting vuursteenvindplaatsen en nederzettingen tot en met de Volle Middeleeuwen) en zones waar het pleistocene rivier(duin)zand verspoeld is door jongere rivierafzettingen (middelhoge verwachting vanaf de Romeinse tijd tot en met de Volle Middeleeuwen).
De resultaten van het booronderzoek geven geen aanleiding om de lage verwachting voor resten uit de Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) tot en met de Nieuwe tijd bij te stellen op basis van de bodemopbouw. Ter hoogte van de bosrand in het zuidoosten van het plangebied bleek de bodem diep verstoord te zijn. Door het ontbreken van archeologische indicatoren kan de verwachting voor alle archeologische perioden in het onderzoeksgebied naar een lage verwachting worden bijgesteld. Op grond van het ontbreken van archeologische indicatoren in het onderzoeksgebied en daarmee lage archeologische verwachting adviseert KSP Archeologie geen archeologisch vervolgonderzoek in het onderzoeksgebied. Hier kan de archeologische dubbelbestemming komen te vervallen. Ter hoogte van de niet middels karterend booronderzoek onderzochte delen van het plangebied moet de huidige archeologische dubbelbestemming behouden blijven. Zoals in van der Klooster (2021) al aangeven kan daar de archeologische onderzoeksplicht / archeologische dubbelbestemming komen te laten vervallen ter hoogte van gebouwen die (deels) onderkelderd zijn. Bovenstaand advies vormt een zogenaamd selectieadvies. Het rapport is door de iniatiefnemer opgestuurd naar de gemeente.
De gemeente Heumen heeft aangegeven: “De gemeente is akkoord met het advies voor het laten vervallen van de dubbelbestemming archeologie in het nu gekarteerde onderzoeksgebied.”
KSP Archeologie
5
1
Inleiding
1.1
Onderzoekskader
In opdracht van Bu-Ro Ester heeft KSP Archeologie een archeologisch inventariserend veldonderzoek, karterende fase (IVO-(O)verig); booronderzoek) uitgevoerd voor de locatie aan de Garstkampsestraat 7 te Overasselt (gemeente Heumen). Het onderzoek is uitgevoerd voor de aanvraag van een bestemmingsplanwijziging en bijbehorende omgevingsvergunningen. Het onderzoek is uitgevoerd conform de beoordelingsrichtlijn SIKB 4000 (versie 4.1) met bijbehorende protocol (KNA 4.1) 4003 (inventariserend veldonderzoek, overig) (www.sikb.nl). Voorafgaand aan de uitvoering van het inventariserend veldonderzoek is een Plan van Aanpak opgesteld dat is goedgekeurd door de gemeente (van der Klooster 2021b). Voor de in dit rapport gebruikte geologische en archeologische tijdsaanduidingen wordt verwezen naar Bijlage 3. Geologische formaties, laagpakketten en lagen worden beschreven conform https://www.dinoloket.nl/stratigrafische-nomenclator. 1.2
Afbakening plan- en onderzoeksgebied
Het plangebied is niet gelijk aan het onderzoeksgebied waarvoor het archeologische onderzoek is uitgevoerd. Het plangebied is ca. 1,1 ha groot en ligt aan de Garstkampsestraat 7 in Overasselt (Figuur 1). Het plangebied is gelijk aan het huidige erf dat in de zuidwesthoek grenst aan de Garstkampsestraat. Aan de overige zijden liggen houtwallen en/of landbouwgrond. Het onderzoeksgebied is 0,7 ha groot. Gezien het huidige inzicht in de omvang van de ingrepen is een karterend booronderzoek uitgevoerd in de zones waar bomen verwijderd en gepland staan en in zones waar woningen en bijgebouwen gepland staan. Die zone is globaal gelijk aan de oostelijke helft van het plangebied en de boomgaard ten oosten van de huidige woning (zie Bijlage 1) Op basis van het karterend booronderzoek moet duidelijk worden of en waar een gravend archeologisch voorafgaand of tijdens de grondroerende activiteiten nodig is. 1.3
Overheidsbeleid
In 1992 heeft Nederland het Europese ‘Verdrag van Malta’ ondertekend. In het verdrag is de omgang met het Europees archeologisch erfgoed geregeld. Belangrijk daarin is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van archeologische waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. Het wettelijk kader voor de archeologische monumentenzorg is vastgelegd in de Erfgoedwet. Daarnaast hebben de verschillende overheden (het rijk, de provincie en de gemeentes) archeologiebeleid vastgelegd. Gemeenten houden bij de vaststelling van een bestemmingsplan of het verlenen van een vergunning altijd rekening met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden (Wet ruimtelijke ordening). Volgens het bestemmingsplan ‘Buitengebied Heumen 2009’ geldt voor het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologische verwachting 1’. Dit betekent dat bij bodemingrepen groter dan 500 m2 en dieper dan 0,4 m archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Aangezien deze ondergrenzen bij de realisatie van de nieuwbouwplannen worden overschreden (zie paragraaf 1.4), is archeologisch onderzoek noodzakelijk.
KSP Archeologie
6
In eerste instantie is een archeologisch bureau- en verkennend booronderzoek uitgevoerd (KSP Rapport 21038, van der Klooster 2021a). Op basis van de gegevens die in het bureauonderzoek en verkennend booronderzoek zijn verzameld, is een hoge verwachting toegekend aan het plangebied. Dit karterende booronderzoek is uitgevoerd om deze hoge verwachting te toetsen. 1.4
Toekomstige situatie
Het plan is om de bestaande stallen en schuren te slopen (Figuur 2) en enkele woningen terug te bouwen met boomgaarden (Figuur 3 en Figuur 4). De bestaande woning aan de Garstkampsestraat 7 blijft behouden. Voor zover bekend is binnen het plangebied geen bodem- en/of grondwatersanering nodig in het kader van de milieuhygiëne. Het waterpeil c.q. bodempeil binnen het plangebied kan mogelijk veranderen door de geplande bodemingrepen. Op het terrein zijn nu namelijk diverse hoogteverschillen aanwezig. De nieuwe woningen zullen in de toekomst worden verkocht (binnen de familie) en/of verhuurd waardoor de bouwblokken nieuwe eigenaren of gebruikers kunnen krijgen.
Figuur 2: Geplande sloopactiviteiten (bron: Bu-Ro Ester)
KSP Archeologie
7
Figuur 3: Mogelijke inrichtingsschets, optie 1 (via Bu-Ro Ester)
Figuur 4: Mogelijke inrichtingsschets, optie 2 (via Bu-Ro Ester)
1.5
Onderzoeksdoel en vraagstellingen
Inventariserend Veldonderzoek Het doel van het inventariserend veldonderzoek (IVO) (landbodems) is het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting, zoals geformuleerd in het bureauonderzoek. Het gaat om gebiedsgericht onderzoek door middel van waarnemingen in het veld, waarbij (extra) informatie wordt verkregen over bekende en of verwachte archeologische waarden in het onderzoeksgebied.
KSP Archeologie
8
Het resultaat van het IVO is een standaardrapport IVO-O met een waardering en een inhoudelijk (selectie)advies (buiten normen van tijd en geld). Aan de hand hiervan kan een beleidsbeslissing (meestal een selectiebesluit) worden genomen. Indien er onvoldoende gegevens voor waardering en selectieadvies zijn, kunnen deze niet opgesteld worden. Er kan dan worden geadviseerd tot vervolgonderzoek of om af te zien van verder onderzoek. Om te komen tot het resultaat moeten de veldactiviteiten uitgevoerd worden tot het niveau waarop de beleidsbeslissing gefundeerd genomen kan worden, d.w.z. dat de archeologische waarden van het terrein/vindplaats in voldoende mate zijn vastgesteld. Het inventariserend veldonderzoek kent drie fasen: een verkennende, een karterende en een waarderende fase. Voor goed uitgevoerd archeologisch onderzoek is het niet altijd nodig om al deze fasen te doorlopen dat hangt af van de situatie. Dit onderzoek betreft een karterend onderzoek. De verkennende fase is reeds uitgevoerd en had als doel om inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap (bodemopbouw) die van invloed zijn op de locatiekeuze in het verleden. Hiermee worden kansarme zones uitgesloten en kansrijke zones geselecteerd voor mogelijk vervolgonderzoek.
Tijdens de karterende fase wordt het terrein systematisch onderzocht op de aanwezigheid van archeologische indicatoren die wijzen op een vindplaats. Om de bovenstaande doelstelling te realiseren, zijn de volgende onderzoeksvragen opgesteld: • Wat is de opbouw van de ondergrond en is het bodemprofiel intact? • Zijn in het plangebied aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van een archeologische vindplaats? • Wat is te zeggen over de horizontale en verticale verspreiding van de archeologische resten? • Wat is de vermoedelijke aard en datering van de archeologische resten? • Wat is de specifieke archeologische verwachting van het plangebied op basis van het bureauonderzoek en wordt deze door het veldonderzoek bevestigd? • In hoeverre wordt het (potentiële) archeologische niveau bedreigd door de voorgenomen ontwikkeling van het gebied?
KSP Archeologie
9
2
Vooronderzoek
2.1
Inleiding
KSP Archeologie heeft in april 2021 een bureauonderzoek en verkennend booronderzoek uitgevoerd voor het plangebied (van der Klooster 2021). In dit hoofdstuk volgt een korte samenvatting van de belangrijkste bevindingen van dit onderzoek. 2.2
Gespecificeerde archeologische verwachting
Op basis van de verwachte landschappelijke ligging op een rivierduin nabij een restgeul is aan het plangebied een hoge verwachting toegekend voor zowel vuursteenvindplaatsen uit het LaatPaleolithicum tot en met het Neolithicum als voor nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw). Voor de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd heeft het plangebied een lage verwachting door het ontbreken van historische bebouwing in het plangebied. Het plangebied is onderdeel van een luchtlandingsterrein uit de Tweede Wereldoorlog, maar op basis van het gemeentelijk beleid worden geen specifieke archeologische resten in of nabij het plangebied verwacht. Vervolgens is deze verwachting getoetst door middel van een inventariserend veldonderzoek, verkennende fase. Uit het booronderzoek is gebleken dat enkel in het centrum van het plangebied bovenstaande verwachting behouden kan worden. Daar is een rivierduin of terrasrestrug aanwezig. Het potentiële archeologische niveau, is op de meer dan 1 m onderkelderde bebouwing na, niet verstoord. In situ vondsten kunnen hier verwacht worden vanaf 50 à 60 cm -mv, een goed leesbaar sporenvlak vanaf 70 à 90 cm -mv. Langs de randen van het rivierduin/de terrasrestrug is een door een oeverwaldoorbraak (crevasse) verspoelde rivierduin/terrasrestrug aanwezig.
Deze verspoeling heeft in de Romeinse tijd (Willemse 2006) plaatsgevonden. Door de verspoeling is de kans op intacte vuursteenvindplaatsen en vindplaatsen van landbouwende samenleving voorafgaand aan de verspoeling klein. De hoge verwachting voor vuursteenvindplaatsen en nederzettingen van landbouwers tot en met de IJzertijd kan hier verlaagd worden naar een lage verwachting. De crevasse kan hierna geschikt zijn voor bewoning, al lag het rivierduin/de terrasrestrug dan nog steeds hoger en was die geschikter voor bewoning. De randen van het plangebied hebben daardoor een aangepaste middelhoge verwachting voor de periode IJzertijd tot en met Volle Middeleeuwen. Voor de overige perioden geldt een lage verwachting. Een goed leesbaar sporeniveau wordt hier verwacht vanaf 110 cm-mv. Vondsten en minder goed leesbare sporen kunnen onder de bouwvoor voorkomen. De resultaten van het booronderzoek geven geen aanleiding om de lage verwachting voor resten uit de Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) tot en met de Nieuwe tijd bij te stellen. 2.3
Conclusie en advies
In het bureau- en verkennende booronderzoek (KSP Rapport 21038) is een inventariserend veldonderzoek, karterende fase, geadviseerd om te onderzoeken of in het intacte archeologisch niveau ook aanwijzingen zijn voor een archeologische vindplaats. Met dit onderzoek wordt de bodem systematisch onderzocht op de aanwezigheid van archeologische indicatoren. Omdat in dit stadium sprake is van een archeologische verwachting en er nog geen vindplaatsen binnen het plangebied zijn aangetoond, zijn specialistische onderzoeksgebieden niet van toepassing. Op dit moment staan niet in het gehele plangebied dat een onderzoeksplicht/dubbelbestemming behoud op basis van dit onderzoek ingrepen gepland die dieper reiken dan de (humeuze) ophoging. Het bevoegd gezag en de initiatiefnemer hebben geen bezwaar tegen het gedeeltelijke behoud van archeologische dubbelbestemming in het plangebied, daarom zal niet het gehele plangebied
KSP Archeologie
10
onderzocht hoeven te worden. Bovendien zal het behoud van de woning op dit moment een eventuele vindplaats deels in-situ behouden blijven en heeft in het algemeen behoud in situ van archeologisch vindplaatsen ook de voorkeur. Archeologisch onderzoek (incl. proefsleuven) zou niet destructiever moeten zijn dan de daadwerkelijke ingrepen. Gezien het huidige inzicht in de omvang van de ingrepen wordt op dit moment een karterend booronderzoek uitgevoerd in de zones waar bomen verwijderd en gepland staan en in zones waar woningen en bijgebouwen gepland staan. Die zone is globaal gelijk aan de oostelijke helft van het plangebied en de boomgaard ten oosten van de huidige woning (zie Bijlage boorplan) Op basis van het karterend booronderzoek moet duidelijk worden waar een gravend archeologisch voorafgaand of tijdens de grondroerende activiteiten nodig is.
KSP Archeologie
11
3
Inventariserend Veldonderzoek, karterende fase
3.1
Werkwijze
Voorafgaand aan de uitvoering van het inventariserende veldonderzoek is een Plan van Aanpak (PvA) opgesteld dat is goedgekeurd door de gemeente (van der Klooster 2021). Het onderzoek is uitgevoerd conform het PvA. Op basis van de (middel)hoge archeologische verwachting is een karterend booronderzoek uitgevoerd conform de Leidraad Inventariserend Veldonderzoek (versie 2.0, Tol et al. 2012). In dit geval is conform ‘het stroomdiagram keuze onderzoeksmethode karterend IVO deel 1’ (protocol 4003, VS08) een karterend booronderzoek uitgevoerd voor kleine plangebieden met een brede verwachting. Dit is een booronderzoek met een boordichtheid van minimaal 20 boringen per hectare (methode E1). Aangezien het plangebied een oppervlakte heeft van 0,7 ha waren minimaal 14 boringen nodig. Door de vorm van het onderzoeksgebied zijn 15 karterende boringen gezet (boring 7 t/m 21). Boring 3 uit het verkennende booronderzoek is feitelijk ook al als een karterende boring uitgevoerd gezien de diameter en wijze van opsporen van indicatoren (zeven). Voor zover de terreinomstandigheden (bebouwing, verhardingen, begroeiing etc.) het toelaten, is een boorgrid van 20 x 25 m gebruikt, waarbij de afstand tussen de raaien 20 m en de afstand tussen de boringen 25 m bedraagt. Voor een optimale verdeling van de boringen verspringt het beginpunt van een raai 12,5 m ten opzichte van de naastgelegen raai.
De exacte boorlocaties zijn uitgezet met een handheld GPS toestel. De hoogteligging van de boringen ten opzichte van NAP is geschat op basis van het AHN3. De boringen zijn geplaatst met een Edelmanboor met een diameter van 15 cm. De boringen zijn uitgevoerd tot minimaal 20 cm in de C-horizont (rivierduinzand). Bij boringen 18 en 20 (beide in de verwijderen bosstrook) is een 7 cm boorkop gebruikt, omdat boomwortels hier het gebruik van de 15 cm boorkop niet mogelijk maakte. Uiteindelijk is hier een afwijkende/verstorende bodemopbouw aangetroffen, waarbij conform het PvA boren met de 7 cm diameter boorkop toegestaan was. De locatie van boring 19 (ook in de bosstrook) was niet toegankelijk door hoog struikgewas. Boring 13 stuitte op puin en is om die reden niet gezet. Het opgeboorde sediment is met de hand gezeefd over een zeef met een maaswijdte van 3 mm en met het blote oog geïnspecteerd op de aanwezigheid van archeologische indicatoren zoals houtskool, vuursteen en aardewerk. De boringen zijn beschreven conform de NEN 5104 en de bodemclassificatie volgens De Bakker & Schelling (1989) (Bijlage 2). 3.2
Veldsituatie
Door het boren in juli was de ondergroei rondom boring 19 in de bosstrook niet toegankelijk. 3.3
Beschrijving en interpretatie van de boorgegevens
3.3.1
Lithologie en geologie
In het opgehoogde centrum van het plangebied (boring 8 t/m 17, m.u.v. 13 en verkennende boringen 4 en 6) bestond het sediment onder de humeuze ophoging tot de einddiepte van 0,7 à 1,2 m uit zwak tot matig siltig matig fijn tot zeer grof zand. De onderzijde was veelal zwak siltig en grof en voelde scherper aan dat de bovenzijde. Doordat in deze zones geen leem/kleilaag (Laag van Wijchen) is waargenomen is onduidelijk of het gaat om een hoger gelegen terrasrest (Formatie van Kreftenheye) of hetzelfde zand
KSP Archeologie
12
dat als een duin vanuit drooggevallen delen van het terras zijn afgezet (rivierduinzand, Laagpakket van Delwijnen, Formatie van Boxtel). In de niet opgehoogde noordwesthoek (boring 2) en zuidoosthoek (boring 5) en in het noorden (boring 8) van het plangebied was de bovenzijde van het zandpakket onder de bouwvoor tot ca. 110 cm-mv à 140 cm-mv sterk siltig (lemig) of was er sprake van sterk zandige leem. Daaronder was zwak siltig matig grof tot zeer grof zand aanwezig. bij boring 8 was er boven de oorspronkelijke bouwvoor een ophoging van 40 cm aanwezig. In de laagste delen van het plangebied in de zuidwesthoek (boring 1 en 21) en noordoosthoek (boring 3 en 7) was de situatie enigszins vergelijkbaar met boringen 2 en 5. Onder de sterk siltige/lemige zand is hier een sterk zandige leemlaag waargenomen tussen respectievelijk 80-190 cm (boring 1) en 90 en 270 cm-mv (boring 3). In boring 1 is tussen 190 en 200 cm -mv hier nog een dun laagje matig grof zand waargenomen. Bij het gutsen tot 300 cm-mv kwam bij deze boringen de guts leeg terug, vermoedelijk loop het grove zand hier dieper door of komt daar grof zand voor. In boring 7 is de leemlaag waargenomen tussen 110 en 140 cm-mv en in boring 21 tussen 50 en 100 cm-mv. Het grove zand zou dan lithostratigrafisch gezien pleistoceen rivierzand zijn (Formatie van Kreftenheye) en de leemlaag daarboven de Laag van Wijchen.
De leemlaag was niet humeus en daardoor niet typisch voor een geulvulling die in het zuidwesten van het plangebied verwacht zou kunnen worden. De meest aannemelijke verklaring voor het hoge leem/siltgehalte in de zandlaag die veelal onder de bouwvoor is waargenomen is verspoeling van de flank van het hoger gelegen pleistocene terras / rivierduin door een crevasse / oeverwaldoorbraak.
3.3.2
Bodem
Onder de deels opgebrachte humeuze lagen is in alle boringen een bruine laag waargenomen. In de boringen met (verstoven) pleistoceen zand is deze laag goed te duiden als een verbruining horizont (Bw-horizont) die op rivierduinen en hoger gelegen terrasresten voorkomt. Bij boring 4 was deze horizont zeker 30 cm dik, maar mogelijk 50 cm dik. Onder de bruine laag was een gebioturbeerde laag (Bw/C-horizont) aanwezig van 20 cm waar de bruine laag vermengd was met het gele dieper gelegen zand (C-horizont). In boring 6 was de laag ca. 20 cm dik. Deze gronden zijn van nature als vorstvaaggrond te typeren. Door de dikte van de humeuze bovengrond van 50 à 60 cm zijn het technisch gezien enkeerdgronden. Het merendeel van deze ophoging hangt samen met ophogingen om het huidige erf op te hogen, waardoor het niet een typisch plaggendek te noemen is. Bij de boringen in de te verwijderen bomenstrook in het zuidoosten van het plangebied (boringen 18 en 20) was de grond tot grote diepte siltarm, terwijl hier gezien de landschappelijke ligging en de aard van de bodemopbouw in de nabijgelegen boringen 5 en 21 een lemigere/silterige laag in de ondergrond verwacht mag worden. Hier is de bodem verstoord, mogelijk is deze verstoring het gevolg van beworteling en/of het verwijderen van bomen.
Het lemige zand van de vermoedelijk door een oeverwaldoorbraak verspoelde flanken van een hoger gelegen zandig deel van het pleistocene rivierlandschap kan ook aan verbruining onderhevig zijn geweest. De verbruiningshorizont is hier echter net zo dik als door een oeverwaldoorbraak verspoelde flankafzetting. Er kan daarom ook sprake zijn van een verspoelde Bw-horizont. In boring 7 oogde de verbruiningslaag verspoeld. Grondwater is bij de boringen met een leemlaag waargenomen in de top van de leemlaag. In de boringen waar enkel (lemig) zand voorkomt is geen grondwater waargenomen binnen 1,6 m-mv. Een Bw-horizont kan zich ook enkel vormen in een zone boven de grondwaterspiegel, omdat actief bodemleven daaronder niet aanwezig is. Waar de Bw-horizont net zo dik is als de lemige zandlaag van
KSP Archeologie
13
110, 70, 180 en 90 cm in respectievelijk boringen 1, 2, 3 en 5 is dit echter geen aannemelijke diepte voor een Bw-horizont. Een (groot) deel van de bruine laag zal een verspoelde Bw-horizont zijn gemengd met klei en silt van een verspoelde oever. In de top kan sinds de verspoeling een Bw-horizont gevormd zijn. Op basis van Willemse (2006) heeft deze verspoeling waarschijnlijk plaatsgevonden in de Laat-Romeinse tijd. 3.4
Archeologische indicatoren
Bij de controle van het opgeboorde bodemmateriaal zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen die kunnen wijzen op de aanwezigheid van een archeologische vindplaats. In de bovengrond is enig baksteenpuin en mortel waargenomen, maar dit sluit aan bij de ligging op een modern erf. Conform methode E2 is de kans klein dat een vindplaats aanwezig is met een matig hoge vondstdichtheid en een omvang van 500 m² of meer. 3.5
Toetsing van de archeologische verwachting
De archeologische verwachting uit het bureauonderzoek en verkennend booronderzoek is binnen het oostelijke deel van het plangebied getoetst door middel van een inventariserend veldonderzoek, karterende fase. Tijdens het booronderzoek is meer inzicht verkregen in zones waar het pleistocene rivier(duin)zand niet bedekt is geraakt (hoge verwachting vuursteenvindplaatsen en nederzettingen tot en met de Volle Middeleeuwen) en zones waar het pleistocene rivier(duin)zand verspoeld is door jongere rivierafzettingen (middelhoge verwachting vanaf de Romeinse tijd tot en met de Volle Middeleeuwen). De resultaten van het booronderzoek geven geen aanleiding om de lage verwachting voor resten uit de Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) tot en met de Nieuwe tijd bij te stellen op basis van de bodemopbouw. Ter hoogte van de bosrand in het zuidoosten van het plangebied bleek de bodem diep verstoord te zijn. Door het ontbreken van archeologische indicatoren kan de verwachting voor alle archeologische perioden in het onderzoeksgebied naar een lage verwachting worden bijgesteld.
KSP Archeologie
14
4
Conclusie en advies
4.1
Conclusie
De archeologische verwachting uit het bureauonderzoek en verkennend booronderzoek is binnen het oostelijke deel van het plangebied getoetst door middel van een inventariserend veldonderzoek, karterende fase. Tijdens het booronderzoek is meer inzicht verkregen in zones waar het pleistocene rivier(duin)zand niet bedekt is geraakt (hoge verwachting vuursteenvindplaatsen en nederzettingen tot en met de Volle Middeleeuwen) en zones waar het pleistocene rivier(duin)zand verspoeld is door jongere rivierafzettingen (middelhoge verwachting vanaf de Romeinse tijd tot en met de Volle Middeleeuwen). De resultaten van het booronderzoek geven geen aanleiding om de lage verwachting voor resten uit de Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) tot en met de Nieuwe tijd bij te stellen op basis van de bodemopbouw. Ter hoogte van de bosrand in het zuidoosten van het plangebied bleek de bodem diep verstoord te zijn. Door het ontbreken van archeologische indicatoren kan de verwachting voor alle archeologische perioden in het onderzoeksgebied naar een lage verwachting worden bijgesteld. Tijdens een booronderzoek kan geen archeologische vindplaats worden aangetroffen, ten hoogste archeologische indicatoren die wijzen op de aanwezigheid van een archeologische vindplaats. Een waardestelling conform protocol 4003, VS06 is dan ook niet van toepassing. 4.2
Beantwoording van de onderzoeksvragen •
Wat is de opbouw van de ondergrond en is het bodemprofiel intact? Het centrale deel van het plangebied ligt op een rivierduin of terrasrestrug. Hier is buiten de onderkelderde bebouwing en de bosrand sprake van een intacte bodemopbouw. In situ vondsten van een eventuele vindplaats kunnen hier verwacht worden vanaf 50 à 60 cm -mv, een goed leesbaar sporenvlak vanaf 70 à 90 cm -mv. Aan de randen van het plangebied is het zand van een rivierduin of terrasrestrug verspoeld. In situ vondsten van een eventuele vindplaats kunnen hier verwacht worden onder de bouwvoor, een goed leesbaar sporenniveau vanaf 110 cm -mv.
•
Zijn in het plangebied aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van een archeologische vindplaats? In geen van de boringen zijn indicatoren aangetroffen die wijzen op de aanwezigheid van een archeologische vindplaats. De kans dat binnen het plangebied een archeologische vindplaats aanwezig is, wordt daarom laag ingeschat.
•
Wat is te zeggen over de horizontale en verticale verspreiding van de archeologische resten? Niet van toepassing.
•
Wat is de vermoedelijke aard en datering van de archeologische resten? Niet van toepassing.
•
Wat is de specifieke archeologische verwachting van het plangebied op basis van het bureauonderzoek en wordt deze door het veldonderzoek bevestigd? Op basis van het bureauonderzoek en verkennend booronderzoek was een hoge archeologische verwachting voor het plangebied opgesteld voor zowel vuursteenvindplaatsen uit het LaatPaleolithicum tot en met het Neolithicum als voor nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13 e eeuw). Het verkennende booronderzoek had uitgewezen dat deze verwachting in het centrale deel van het plangebied behouden kan blijven.
KSP Archeologie
15
Langs de randen van het plangebied gold na het verkennend booronderzoek een lage verwachting voor resten uit archeologische perioden tot en met de IJzertijd en voor archeologische resten vanaf de Romeinse tijd tot en met de Volle Middeleeuwen een middelhoge verwachting. De resultaten van het booronderzoek gaven geen aanleiding om de lage verwachting voor resten uit de Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) tot en met de Nieuwe tijd bij te stellen. Tijdens het karterend booronderzoek zijn de zones scherper begrenst waar rivier(duin)zand in de ondergrond aanwezig is en waar deze langs de randen verspoeld zijn geraakt door jongere rivierafzettingen. Er zijn echter geen archeologische indicatoren aangetroffen, waardoor de archeologische verwachting voor alle perioden naar een lage verwachting kan worden bijgesteld. •
In hoeverre wordt het (potentiële) archeologische niveau bedreigd door de voorgenomen ontwikkeling van het gebied? Aangezien er geen archeologische indicatoren zijn aangetroffen in het onderzoeksgebied is de kans klein dat het potentiële archeologische niveau bedreigd wordt. Buiten het middels karterend booronderzoek onderzochte gebied blijft het volgende gelden: Het potentiële archeologische (vondsten)niveau is intact en bevindt zich op een diepte vanaf 0,3 à 0,6 m beneden maaiveld. Graafwerkzaamheden dieper dan het humeuze dek kunnen archeologische resten aantasten. Behalve als deze graafwerkzaamheden plaatsvinden op locaties die al verstoord zijn door de aanleg van diepe kelders onder de bestaande bebouwing.
4.3
Selectieadvies
Op grond van het ontbreken van archeologische indicatoren in het onderzoeksgebied en daarmee lage archeologische verwachting adviseert KSP Archeologie geen archeologisch vervolgonderzoek in het onderzoeksgebied. Hier kan de archeologische dubbelbestemming komen te vervallen. Ter hoogte van de niet middels karterend booronderzoek onderzochte delen van het plangebied moet de huidige archeologische dubbelbestemming behouden blijven. Zoals in van der Klooster (2021) al aangeven kan daar de archeologische onderzoeksplicht / archeologische dubbelbestemming komen te laten vervallen ter hoogte van gebouwen die (deels) onderkelderd zijn. Bovenstaand advies vormt een zogenaamd selectieadvies. Het rapport is door de iniatiefnemer opgestuurd naar de gemeente. De gemeente Heumen heeft aangegeven: “De gemeente is akkoord met het advies voor het laten vervallen van de dubbelbestemming archeologie in het nu gekarteerde onderzoeksgebied.” Het uitgevoerde onderzoek is op zorgvuldige wijze verricht volgens de algemeen gebruikelijke inzichten en methoden. Het onderzoek is erop gericht om de kans op het aantreffen dan wel vernietigen van archeologische waarden bij bouwwerkzaamheden in het plangebied te verkleinen.
Aangezien het onderzoek is uitgevoerd door middel van een steekproef kan echter, op basis van de onderzoeksresultaten, de aan- of afwezigheid van eventuele archeologische waarden niet met zekerheid gegarandeerd worden. Indien bij graafwerkzaamheden archeologische waarden worden aangetroffen, dienen deze conform de Erfgoedwet 2016, artikel 5.10, bij de minister gemeld te worden. In de praktijk kan de vinder terecht bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (T 033 – 4217 456 of info@cultureelerfgoed.nl) zodat de vondst geregistreerd wordt in het centraal archeologische informatiesysteem. Daarnaast wordt het advies gegeven om de vondst ook bij de gemeente te melden.
KSP Archeologie
16
Literatuur Boeken, rapporten en artikelen Bakker, H. de & Schelling, J. (1989). Systeem van de bodemclassificatie voor Nederland: de hogere niveaus. (Tweede druk bewerkt door Brus, D.J. & Wallenburg C. van) Centrum voor Landbouwpublikaties en Landbouwdocumentatie, Wageningen. Centraal College van Deskundigen Archeologie (2018). Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, versie 4.1. Stichting voor Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer, Gouda. Klooster, E. van der (2021a). Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek, verkennende fase Garstkampsestraat 7 te Overasselt Gemeente Heumen, KSP-rapport 21038 (2021b). Plan van Aanpak Inventariserend Veldonderzoek (booronderzoek) karterende fase Garstkampsestraat 7 te Overasselt, Gemeente Heumen.
Klooster, E. van der
Normalisatie Instituut (1990). NEN-5104:1989 NL, Classificatie van onverharde grondmonsters. Nederlands Normalisatie Instituut, Delft.
Nederlands
Tol, A.J., Verhagen J.W.H.P., Verbruggen M. (2012). Leidraad inventariserend veldonderzoek versie 2.0. Deel: karterend booronderzoek. Stichting voor Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer, Gouda. Willemse, N.J. (2006). Gemeente Heumen, Een archeologische verwachtingskaart met AMZ-adviezen, RAAP-rapport 1216 Kaartmateriaal Actueel Hoogtebestand van Nederland (2008 – heden). AHN3, grid 0,5 x 0,5m: www.ahn.nl Basisregistratie Grootschalige Topografie via WMTS-server: https://geodata.nationaalgeoregister.nl/tiles/service/wmts?request=GetCapabilities&service=WMT Bestemmingsplan: www.ruimtelijkeplannen.nl Digitale Kadastrale kaart van Nederland v4 via WMS server: https://geodata.nationaalgeoregister.nl/kadastralekaart/wms/v4_0?service=WMS&version=1.3.0&request=GetCapabilities Luchtfoto Beeldmateriaal / PDOK 25 cm RGB via WMTS server: https://geodata.nationaalgeoregister.nl/luchtfoto/rgb/wmts?request=GetCapabilities&service=wmts Topografische kaart van Nederland schaal 1:10.000 (rasterbestand) via WMS server: https://geodata.nationaalgeoregister.nl/top10nlv2/wms?request=GetCapabilities&service=wms Websites Geologische eenheden (formaties): https://www.dinoloket.nl/stratigrafische-nomenclator
KSP Archeologie
17
Bijlage 1
KSP Archeologie
Boorpuntenkaart
KSP Archeologie
Bijlage 2 Boorbeschrijvingen Projectnummer
: 21068
Boring
X (m RD)
Y (m RD) Z (m+NAP) via AHN3
Project
: Overasselt Garstkampsestraat 7
7
183072
419390
9,35
Datum
: 6 juli 2021
8
183049
419402
9,58
Beschrijver
: Erwin van der Klooster
9
183076
419367
9,18
Type grond
: rivierduinzand
10
183095
419360
8,98
11
183080
419344
9,11
12
183059
419352
9,32
13
183035
419371
9,66
14
183013
419343
9,26
15
183035
419339
9,42
16
183063
419333
9,40
17
183079
419323
9,17
18
183065
419307
9,27
19
183042
419316
9,23
20
183018
419326
9,22
21
183000
419334
9,11
Horizont
Opmerkingen
Boordiameter
Bijzonderheden
: 15 cm, 7 cm bij boringen 18 en 20 ivm wortels : Grondwater rond 140 cm -mv; Vervolg op verkennende fase (KSP 21038, boringen 1 t/m 6)
Boring
Diepte in cm
Textuur
Humus
Kleur
7
20
Z3s2
h3
grbr
110
Z3s3
br
140
Lz3
brge
fe2, g1
Cg
150
Z5s2
ge/br
g1
C
verspoeld zand, gwt 140 cm-mv
Boring
Diepte in cm
Textuur
Humus
Kleur
Bijzondere bestanddelen
Horizont
Opmerkingen
8
20
Z3s1
h3
grbr
bst3
X
40
Z3s1
60
Z3s1
100
Z3s2
br
g1
Bw
130
Z3s4
brge
fe1
Cg
150
Z5s2
ge
Boring
Diepte in cm
Textuur
Humus
Kleur
9
20
Z3s2
h2
dbrgr
100
Z3s2
br
120
Z4s1
ge
Boring
Diepte in cm
Textuur
Humus
Kleur
10
20
Z3s2
h2
dbrgr
90
Z3s2
br
120
Z5s1
ge
Boring
Diepte in cm
Textuur
Humus
Kleur
11
20
Z3s2
h2
dbrgr
65
Z3s2
br
120
Z5s1
ge
Boring
Diepte in cm
Textuur
Humus
Kleur
12
20
Z3s2
h2
dbrgr
50
Z3s2
br
70
Z4s1
ge
Boring
Diepte in cm
Textuur
Humus
Kleur
Bijzondere bestanddelen
Horizont
13
20
Z3s2
h2
dbrgr
bst3
Aap
h3
Bijzondere bestanddelen
Vondsten
Ah Bw
br
X
dbrgr
Ah
Bijzondere bestanddelen
verspoeld zand
Vondsten
opgehoogd
C
gwt 140 cm-mv
Horizont
Opmerkingen
Vondsten
Aap
C
in rivier(duin)zand matig gesorteerd, matig afgerond
Bijzondere bestanddelen
Horizont
Opmerkingen
bst1
Aap
g1
Bw
g1
Bw
C
in rivier(duin)zand matig gesorteerd, matig afgerond
Bijzondere bestanddelen
Horizont
Opmerkingen
bst1
Aap
g1
Bw C
in rivier(duin)zand matig gesorteerd, matig afgerond
Bijzondere bestanddelen
Horizont
Opmerkingen
bst1
Aap
g1
Bw C
Pagina 1 van 2
Vondsten
Vondsten
Vondsten
in rivier(duin)zand matig gesorteerd, matig afgerond
Opmerkingen boringen stuitte op baksteen
Vondsten
Boring
Diepte in cm
Textuur
Humus
14
20
Z3s2
h2
Bijzondere bestanddelen
50
Z3s2
br
70
Z4s1
ge
Boring
Diepte in cm
Textuur
Humus
15
30
Z3s2
h2
70
dbrgr
Horizont
Opmerkingen
Vondsten
Aap g1
C
in rivier(duin)zand matig gesorteerd, matig afgerond
Opmerkingen
Bw
Bijzondere bestanddelen
Horizont
dbrgr
bst1,glsq1
Aap
Z3s2
br
g1
Bw
100
Z4s1
ge
Boring
Diepte in cm
Textuur
Humus
16
40
Z3s2
h2
65
C
in rivier(duin)zand matig gesorteerd, matig afgerond
Opmerkingen
Bijzondere bestanddelen
Horizont
dbrgr
bst1, gls1
Aap
Z3s2
br
g1, mortel1
Bw
90
Z4s1
ge
Boring
Diepte in cm
Textuur
Humus
17
45
Z3s2
h2
110
C
in rivier(duin)zand matig gesorteerd, matig afgerond
Opmerkingen
Bijzondere bestanddelen
Horizont
dbrgr
bst1
Aap
Z3s4
br
g1
Bw
130
Z4s1
ge
Boring
Diepte in cm
Textuur
18
10
Vz3
zw
130
Z3s1
brge
Boring
Diepte in cm
Textuur
19
niet toegankelijk door bramen
Boring
Diepte in cm
Textuur
20
10
Vz3
zw
130
Z3s1
Boring
Diepte in cm
Textuur
21
20
Z3s2
50
Z3s3
brgr
100
Lz3
brge
120
Z4s2
ge
Vondsten
Vondsten
Vondsten
C
in rivier(duin)zand matig gesorteerd, matig afgerond
Bijzondere bestanddelen
Horizont
Opmerkingen
wo2
A
g1
X
zeer siltarm zand, valt uit boor vanaf 130 cm
Bijzondere bestanddelen
Horizont
Opmerkingen
Vondsten
Bijzondere bestanddelen
Horizont
Opmerkingen
Vondsten
wo2
A
brge
g1
X
gestuit op wortelrijke laag
Humus
Kleur
Bijzondere bestanddelen
Horizont
Opmerkingen
Vondsten
h3
grbr
mo3, bst1
Ah
matig gesorteerd, matig afgerond
gwt140
Humus
Humus
Humus
Vondsten
Bw fe2
Pagina 2 van 2
Cg C
KSP Archeologie
Bijlage 3
Overzicht geologische en archeologische tijdvakken
Samengesteld door E.A. Schorn (BAAC) naar aanleiding van de publicatie: De steentijd van Nederland (2005). Onder redactie van: Jos Deeben, Erik Drenth, Marie-France van Oorsouw en Leo Verhart.
KSP Archeologie
KSP Archeologie
Archeologische periodes volgens het Archeologisch Basis Register Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed
KSP Archeologie