CConstaterende datHeumen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage XIII Bijlagen toelichting - Watertoets

Raad 1 februari 2024, gemeente HeumenBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Droogsestraat ong., Buitengebied3.410 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Watertoets Betreft

Ons kenmerk

Datum

Behandeld door

Ontwikkellocatie Droogsestraat te Malden HEU014 24-07-2023 R. Rijneveld / CMA

Inleiding Het voornemen bestaat om aan de Droogsestraat, te Malden 2 woningen (twee-onder-een-kap) te realiseren. Op basis van het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied Heumen 2009’ geldt ter plaatse de bestemming ‘Agrarisch met waarden’. De ontwikkeling van woningen is in deze bestemming niet toegestaan. Dit betekent dat in het kader van de beoogde ontwikkeling een herziening van het bestemmingsplan opgesteld moet worden. Bij het opstellen van dit nieuwe bestemmingsplan dient ook gekeken te worden hoe met water wordt omgegaan. In deze notitie wordt beschreven op welke wijze rekening gehouden wordt met de waterhuishoudkundige aspecten en met de wensen en voorwaarden van de waterbeheerder. Hiervoor zijn de relevante uitgangspunten zoals het beleid, de omgeving, de bodemopbouw en de grondwaterstanden beschreven. Vervolgens worden de beoogde waterhuishoudkundige voorzieningen getoetst aan het beleid van Waterschap Rivierenland en Gemeente Heumen ten aanzien van het afkoppelen van hemelwater. Met deze watertoets kan vervolgens de watertoetsprocedure doorlopen worden. Beleid Het is verboden zonder watervergunning van het bestuur van Waterschap Rivierenland neerslag door nieuw verhard oppervlak versneld tot afvoer te laten komen. Het beleid van Waterschap Rivierenland schrijft bij de afhandeling van regenwater de trits ‘vasthouden-bergen-afvoeren’ voor.

Vasthouden van water (neerslag) in het gebied zelf verdient de voorkeur boven het bergen en uiteindelijk afvoeren van water. Dit beleid is opgenomen in de Keur van het waterschap. Er moet voldoende berging zijn bij extremere omstandigheden. Er wordt gerekend met twee situaties, namelijk: De eis van het Waterschap voor compensatie in een technische voorziening (bv. in wadi’s of kratten) is dat er 66,4 mm neerslag per aangesloten m2 verhard oppervlak kan worden geborgen. Bij compensatie in oppervlaktewater dient er 43,6 mm neerslag per m2 verhard oppervlak worden geborgen te worden, waarbij maximaal 1,5 l/s/ha op het watersysteem wordt geloosd. Gemeente Heumen adviseert om te rekenen met de bergingseisen van het Waterschap Rivierenland, die veelal ook als toetsing van een waterparagraaf bij een bestemmingsplan worden gehanteerd.

Blad 2

Uitgangspunten Beschikbare gegevens Voor het opstellen van deze watertoets zijn de volgende gegevensbronnen beschikbaar: - Bestemmingsplannen, www.ruimtelijkeplannen.nl - Dinoloket, www.dinoloket.nl, TNO - Bodemkaart van Nederland, www.bodemdata.nl - Actueel Hoogtebestand Nederland, www.ahn.nl - Grondwaterkaart van Nederland, TNO - Legger en Keur Waterschap Rivierenland, https://www.waterschaprivierenland.nl/keur-en-leggers - Infiltratieonderzoek november 2022, Kragten - Klimaatatlas Rivierenland, https://wsrivierenland.maps.arcgis.com/apps/instant/minimalist/index.html?appid=701da33ff7 cd476582f6ce726a93a814 Omgeving en oppervlaktewater De ligging van het plangebied is weergegeven in Figuur 1. Het projectgebied ligt ten noorden van het centrum van Malden op de grens met het buitengebied. Met behulp van de leggerkaart van Waterschap Rivierenland is nagegaan of er zich in de omgeving van de projectgebied oppervlaktewateren bevinden. Deze zijn ook weergegeven in Figuur 1. Op de afbeelding is te zien dat circa 600 m ten westen van het projectgebied een A-watergang ligt, de Kabroeksche Beek. Ten westen van deze watergang ligt het Maas – Waal kanaal. Deze watergangen liggen zo ver van het projectgebied dat deze niet gebruikt kunnen worden voor eventuele afwikkeling van het hemelwater.

Figuur 1 Begrenzing planlocatie en leggerkaart Maaiveldniveau Met behulp van het AHN4 is het maaiveldniveau van het terrein in beeld gebracht, zie Figuur 2. Het maaiveldniveau in het projectgebied ligt op circa NAP +10,6 m aan de zuidrand en loopt op richting het noorden naar circa NAP +11,0 m.

Blad 3

Figuur 2 Maaiveldniveau Bodemopbouw Met behulp van de Bodematlas is het bodemtype van de ondiepe bodem in beeld gebracht. Het projectgebied heeft de code “gcY30” wat inhoudt dat de bodem bestaat uit podzolgronden die bestaan uit grof zand met grind dat ondieper dan 40 cm begint. Dit bodemtype staat bekend om zijn goede waterdoorlatendheid. Aangezien de lokale bodem van het projectgebied geroerd lijkt te zijn, kan niet met zekerheid vastgesteld worden of deze gronden daadwerkelijk aanwezig zijn in het projectgebied. Kragten heeft binnen de planlocatie het infiltratieonderzoek uit laten voeren. Uit de boringen van het infiltratieonderzoek komt naar voren dat de bovenste 40 cm van de bodem voornamelijk bestaat uit matig fijn zand dat sterk siltig en zwak humeus is (bijlage 1). De volgende 30 cm – 40 cm bestaat uit matig fijn zand dat matig siltig is en zwak grindig. Dit gaat over in matig grof zand dat zwak siltig en matig grindig is tot circa 2,5 m onder maaiveld. Hierna zijn de boringen gestaakt vanwege het grind. Het infiltratieonderzoek staat verderop in deze notitie beschreven. Met behulp van Dinoloket is de bodemopbouw van de projectomgeving in beeld gebracht. Het geohydrologische model REGIS II v.2.2 biedt inzicht in de verschillende lagen in de ondergrond. Een doorsnede is opgenomen in Figuur 4. De bovenste circa 2 m bestaat uit de zandige Formatie van Boxtel.

Hieronder bevindt zich nog een zandlaag van de Formatie van Kreftenheye van circa 14 m dik, vervolgens een zandlaag van de Formatie van Sterksel van circa 10 m dik, en daaronder een zandlaag uit de Formatie van Peize en Waalre van circa 14 m dik. Hieronder ligt de Venloklei (Kiezeloöliet Formatie) die hier circa 13 m dik is.

Blad 4

Figuur 3 Bodemkaart

Figuur 4 Geohydrologische doorsnede met de globale locatie van het projectgebied bij de verticale grijze lijnen.

Blad 5

Grondwaterstanden Gemiddelde grondwaterstand en grondwaterstroming Met behulp van het Landelijk Hydrologisch Model is de gemiddelde stijghoogte van het grondwater over de periode 1 april 2011 t/m 31 maart 2018 bepaald (zie Figuur 5). De grondwaterisohypsen laten zien dat het grondwater in noordwestelijke richting stroomt en dat de gemiddelde grondwaterstand bij het projectgebied rond de NAP +7,8 m ligt.

Figuur 5 Gemiddelde stijghoogte over de periode 1 april 2011 t/m 31 maart 2018 (Landelijk Hydrologisch Model) Gemeten grondwaterstanden In de TNO/BRO-database Dinoloket zijn ook meetgegevens van grondwaterstanden opgenomen. Hierbij kwam naar voren dat er drie peilbuizen in de omgeving van het projectgebied aanwezig zijn, welke over een langere tijd in het freatische deel van de ondergrond gemeten is. Deze liggen op circa 340 m ten westen, 700 m ten zuidwesten, en 1,6 km ten oosten van het projectgebied. De locaties van deze peilbuizen zijn weergegeven in Figuur 6. De gemeten grondwaterstanden zijn opgenomen in Figuur 7. Uit de grafiek in Figuur 7 komt naar voren dat de grondwaterstand van de peilbuizen ongeveer tussen de NAP +7,5 m en NAP +8,5 m ligt. De range van de gemiddelde grondwaterstand (Figuur 5) komt overeen met deze gemeten waarden. De GHG van de peilbuizen is als volgt: - B46A0088 NAP +7,9 m - B46A0126 NAP + 7,8 m - B46A0259 NAP +7,9 m De waarden liggen allemaal dicht bij elkaar, maar omdat peilbuis B46A0088 het dichtstbij het projectgebied ligt, houden we deze waarde aan. De GHG bevindt zich hierdoor op NAP + 7,9 m en 2,7 m – 3,1 m onder maaiveld.

Blad 6

Figuur 6 Peilbuizen in de omgeving

Figuur 7 Grondwaterstanden Stuwpand Grave in de Maas en hoogwaterpieken Het projectgebied ligt relatief dicht bij het Maas-Waal kanaal. In dit kanaal ligt een stuw bij Heumen. Deze stuw staat vrijwel altijd open, omdat de Maas bij Heumen op een constant waterpeil wordt gehouden door middel van de stuw bij Grave. Stuw Heumen gaat dicht bij een Maasstand van NAP +8,50 m. 15 juli 2023 heeft de Rijkswaterstaat in het kader van de Maaswerken het Maaspeil bij stuw Grave (stroomafwaarts van dit projectgebied) met 15 cm verhoogd om verdroging te voorkomen als gevolg van de verdieping van de Maas. Dit heeft invloed voor de grondwaterstanden, waarbij de invloed op de grondwaterstanden dichtbij de Maas het grootst zijn. Omdat dit projectgebied dusdanig ver van de Maas

Blad 7

en het Maas-Waal kanaal ligt, en er bovendien nog een stuwpand van het Maas-Waal kanaal tussen ligt, gaan we er vanuit dat de 15 cm verhoging van het Maaspeil geen significante effecten op de grondwaterstand heeft ter plekke van dit projectgebied. Bovendien ligt de GHG dusdanig ver onder maaiveld dat er ruimte is voor infiltratievoorzieningen op de percelen. Ook bij een verhoging van de GHG van 15 cm is daar nog steeds ruimte voor. Verder hebben de hoog water pieken van de Maas/ het kanaal ook invloed op de grondwaterstanden. Deze hoogwaterpieken komen ook voor in de peilbuizen die gebruikt zijn om de GHG vast te stellen. In de vastgestelde GHG zijn hoogwaterpieken dus wel meegenomen. Omdat het projectgebied dusdanig ver van de Maas of het Maas-Waalkanaal ligt, komt kwel weinig voor in het projectgebied. Dit wordt bevestigd door de klimaatatlas van Waterschap Rivierenland. Volgens de klimaatatlas van Waterschap Rivierenland is er binnen dit projectgebied geen kwel te verwachten tijdens T=10 hoogwater (Figuur 9).

Figuur 8 Kwel op 10 januari 2003 (T=10 hoogwater, bron: klimaatatlas waterschap Rivierenland) Infiltratieonderzoek Om de mogelijkheden voor de omgang met hemelwater te onderzoeken is op het terrein een infiltratieonderzoek uitgevoerd. Tijdens het onderzoek zijn op het terrein handmatig drie boringen geplaatst (B01 t/m B03) en zijn op drie locaties infiltratiemetingen uitgevoerd (I01 t/m I03). De locaties zijn weergegeven in Figuur 9. Aan de hand van de boringen is de bodemopbouw inzichtelijk gemaakt en de textuur uit de te onderscheiden horizonten geclassificeerd. De boorprofielen zijn opgenomen als bijlage bij deze notitie. Uit de boringen is gebleken dat de bovenste 40 cm van de bodem voornamelijk bestaat uit matig fijn zand dat sterk siltig en zwak humeus is (bijlage 1). De volgende 30 cm – 40 cm bestaat uit matig fijn zand dat matig siltig is en zwak grindig. Dit gaat over in matig grof zand dat zwak siltig en matig grindig is tot circa 2,5 m onder maaiveld. Hierna zijn de boringen gestaakt vanwege het grind.

Blad 8

Figuur 9 locaties boringen en infiltratiemetingen De horizontale waterdoorlatendheid van de ondergrond is gemeten ter plaatse van I01 t/m I03. Dit is gedaan met behulp van de omgekeerde boorgatmethode. Bij deze methode worden de boorgaten (tijdelijk) afgewerkt met een meetbuis. Vervolgens is de meetbuis gevuld met water waarna de zaksnelheid is geregistreerd met behulp van een digitale drukopnemer (Diver-meetsysteem). Aan de hand van zaksnelheid van het water in de boringen is de horizontale waterdoorlatendheid herleid van de bodem boven de grondwaterstand (bijlage 2). De metingen zijn uitgevoerd op verschillende diepten. De resultaten van het infiltratieonderzoek zijn weergegeven in Tabel 1. Tabel 1 Resultaten infiltratieonderzoek (berekeningen in bijlage) Locatie Meting K-waarde (m/dag) Meettraject (m beneden maaiveld) I01 1 128,6 0,70 – 1,20 2 48,9 3 25,0 4 15,3 5 14,6 6 25,5 I02 1 9,4 1,50 – 2,00 2 6,9 3 8,1 4 9,1 5 9,2 I03 1 126,6 0,40 – 0,80 2 3,4 3 2,6 4 2,3

Bodemlaag Zand, matig grof, zwak siltig, matig grindig

Zand, matig grof, zwak siltig, matig grindig

Zand, matig fijn, matig siltig, zwak grindig

Blad 9

Uit de resultaten van het infiltratieonderzoek valt op te maken dat op locatie I01 en I03 de infiltratiewaarden van de verschillende metingen onderling grote verschillen tonen. Dit kan verklaard worden doordat de grond bij de eerste paar metingen nog verder verzadigd moest raken. Dit kan echter een vertekend beeld geven bij het bepalen van de gemiddelde doorlatendheid. Hierom wordt voor het bepalen van het gemiddelde bij locatie I01 de eerste twee metingen en bij locatie I03 de eerste meting niet meegenomen. De metingen bij locatie I01 en I02 zijn beide gedaan in het matig grove zand dat zwak siltig en matig grindig is, maar de infiltratiewaarden zijn zodanig verschillend dat beide locatie apart beschouwd worden. Dit kan verklaard worden door de mate waarin het silt en het grind aanwezig is. Ervan uitgaande dat locatie I01 representatief is voor de bovengrens van het matig grove zand dat zwak siltig en matig grindig is, zal de gemiddelde doorlatendheid circa 20,1 m/d zijn. Dit komt overeen met literatuurwaarden en kan gekwalificeerd worden als zeer goed doorlatend (Tabel 2). Ervan uitgaande dat locatie I02 representatief is voor de ondergrens van het matig grove zand dat zwak siltig en matig grindig is, zal de gemiddelde doorlatendheid circa 8,5 m/d zijn. Dit is vrij laag vergeleken met literatuurwaarden maar kan nog steeds gekwalificeerd worden als goed doorlatend (Tabel 2).

Ervan uitgaande dat locatie I03 representatief is voor het matig fijne zand dat matig siltig en zwak grindig is, zal de gemiddelde doorlatendheid circa 2,8 m/d zijn. Dit komt overeen met literatuurwaarden en kan gekwalificeerd worden als goed doorlatend (Tabel 2). Tabel 2: Kwalificatie doorlatendheid bodem (bron: Cultuurtechnisch vademecum, pagina 504) Doorlatendheid [m/d] Kwalificatie < 0,001 Zeer slecht doorlatend 0,01 – 0,1 Slecht doorlatend 0,1 – 0,5 Matig doorlatend 0,5 – 1,0 vrij goed doorlatend 1,0 – 10 goed doorlatend 10 < zeer goed doorlatend Om de rekenwaarde van de k-waarde voor een infiltratievoorziening te bepalen wordt conform het voorschrift van Stichting RioNED een factor 0,5 op de gemiddelde k-waarde toegepast. De k-waarde waarmee voor een eventuele infiltratievoorziening in het matig grove zand dat zwak siltig en matig grindig is rekening gehouden dient te worden is (8,5 m/d * 0,5 =) 4,3 m/d en kan oplopen tot (20,1 m/d * 0,5 =) 10,1 m/d. De k-waarde waarmee voor een eventuele infiltratievoorziening in het matig fijne zand dat matig siltig en zwak grindig is rekening gehouden dient te worden is (2,8 m/d * 0,5 =) 1,4 m/d.

Blad 10

Regenwatersysteem / omgang met hemelwater en afvalwater Verhard oppervlak Aan de hand van luchtfoto’s en obliekfoto’s is het huidige verhard oppervlak in beeld gebracht (Figuur 10). Bijna het gehele terrein bestaat momenteel uit onverhard oppervlak. Dit houdt in dat er circa 15 m2 aan verhard oppervlak ligt.

Figuur 10 Huidig verhard oppervlak Aan de hand van het ontwerp (d.d. 19-10-2022, bijlage 3) is het toekomstig verhard oppervlak van de ontwikkeling vastgesteld (Figuur 11). De bebouwing heeft een verhard oppervlak van circa 250 m2. Verder zal in het overige deel van het projectgebied verhard oppervlak in de vorm van een oprijlaan met een verhard oppervlak van circa 130 m2. Voorlopig wordt aangenomen dat circa 30% van de tuin verhard oppervlak zal krijgen. Dit heeft dan een verhard oppervlak van 170 m2. In totaal bedraagt het verharde oppervlak in de toekomstige situatie circa 550 m2.

Blad 11

Figuur 11 Toekomstig verhard oppervlak Berging Waterbergingsopgave Door de ontwikkeling is er een toename van verhard oppervlak van circa 550 m2. Omdat er geen watergangen van het Waterschap Rivierenland in de omgeving liggen, is het van belang om aan het beleid van Gemeente Heumen te voldoen. Zij geeft aan om te rekenen met de totale verharding in de nieuwe situatie. Dit leidt tot een bergingsopgave van circa (550 * 0,0664 =) 37 m3. Invulling waterberging Ondergrondse oplossingen zijn in de regel financieel minder aantrekkelijk dan bovengrondse oplossingen. Bovengrondse maatregelen zijn zelfs robuuster (minder foutgevoelig) en beter te onderhouden. Dit zorgt voor lagere kosten waardoor dit financieel aantrekkelijker is. Bovengrondse maatregelen nemen echter wel meer ruimte in op het maaiveld. In het ontwerp is genoeg ruimte voor bovengrondse berging. Locaties voor bovengrondse waterberging zijn bijvoorbeeld in de achtertuinen (zie Figuur 12). Wanneer beide wadi’s van elk circa 36 m2 groot met 1,1 m verlaagd worden (ruim boven de GHG) en taluds hebben van 1:3, kan in elke wadi circa 20 m3 geborgen worden. In totaal is dit circa 40 m3. Aandachtspunten hierbij zijn: - De wadi’s dienen wel op het laagste punt gerealiseerd te worden.

Momenteel is dat niet het geval, maar met het bepalen van de bouwpeilen kan de omgeving zo ingericht worden dat de waterberging toch op het laagste punt ligt; - In een volgende fase moet onderbouwd blijken dat er voldoende berging is en dat het systeem ook daadwerkelijk zal gaan werken. Hiervoor geeft de gemeente aan dat een inrichtingstekening met hoogtematen noodzakelijk is. Wanneer in een volgende fase bouwpeilen bepaald gaan worden, kan de definitieve ligging van de wadi’s (of andere vormen van waterberging) ook bepaald worden;

Blad 12

-

Bij het toepassen van een wadi voor al het water moet de hoogte van de maximale vulling van de wadi onder het niveau liggen van het laagste instroompeil (waarschijnlijk zal dit de hoogte zijn van de wateropvang afkomstig van de uitrit bij de wegzijde). De wadi zal dan dus dieper moeten worden dan alleen te kijken naar het peil van de woning.

Een andere optie is om zowel aan de voorkant als aan de achterkant van de woningen een bergingsvoorziening aan te leggen. Hergebruik van regenwater in de vorm van regentonnen kan mogelijk ook een kans zijn. Indien dit niet past in het ontwerp kan ingezet worden op andere manieren van berging zoals infiltratiekratten. Een combinatie van maatregelen kan ervoor zorgen dat duurzaam wordt omgegaan met water en dat regenwater binnen het plangebied wordt verwerkt.

Figuur 12 Indicatie ruimtebeslag waterberging Leegloop Er wordt vanuit gegaan dat het water in de infiltratievoorzieningen voornamelijk via de wanden infiltreert. In de loop van de tijd gaat de bodem namelijk dicht zitten door bezinksel en afzettingen in de bodem van de voorziening. Uit het infiltratieonderzoek komt naar voren dat de horizontale doorlatendheid van de bodem ter plekke van het projectgebied goed tot zeer goed is. Voor infiltratievoorzieningen dient een minimale doorlatendheid van 1,4 m/d en een maximale doorlatendheid van 10,1 m/d aangehouden te worden. Wanneer dit wordt vermenigvuldigd met het wandoppervlak kan bepaald worden hoeveel water iedere voorziening minimaal en maximaal per dag door infiltratie kan afvoeren. Bij het bepalen van het wandoppervlak van de bovengrondse voorzieningen is rekening gehouden met taluds van 1:3. In Tabel 3 is dit weergegeven.

Blad 13

Tabel 3 Afvoer bergingsvoorzieningen Type Inhoud [m3] Omtrek [m] Wadi 1 Wadi 2 Totaal

20 20 40

24 24 48

Wandoppervlak [m2] 83 83 166

Minimale afvoer [m3/d] 116 116 232

Maximale afvoer [m3/d] 843 843 1.686

Infiltratie zorgt er voor dat bij een volledige vulling van de wadi’s er maximaal (40/232=) 0,2 dag water in de infiltratievoorzieningen staat. Aangezien deze berekening met de minimale doorlatendheid bepaald is, wordt er ingeschat dat deze leeglooptijd zelfs korter is. Hierom wordt er aangeraden om de volledige leegloop te laten verlopen via infiltratie. Overstort-/escapemogelijkheid Voor het geval de bergingsinhoud ter plaatse van de voorzieningen overbelast raakt (om welke reden dan ook) dient een overstortmogelijkheid (escape) te worden voorzien binnen het eigen perceel. Er mag geen overloop naar openbaar gebied (of buurpercelen) plaats vinden. Al het regenwater van het perceel moet op het eigen perceel worden opgevangen en daar infiltreren. Overloop moet op eigen perceel worden gerealiseerd om te voorkomen dat bij disfunctioneren van de particuliere voorziening of onvoldoende onderhoud, de gemeente alsnog water in ontvangst gaat nemen. Aansluiting op bestaande riolering Aansluitleidingen moeten vanaf de overzijde komen. Dit is technisch niet onuitvoerbaar maar wel wat kostbaar, omdat er door het asfalt een sleuf gemaakt moet worden.

Figuur 13 Bestaande riolering en aansluiting daarop

Blad 14

Eerste indicatie bouwpeilen Het bouwpeil in een projectgebied wordt vastgesteld op basis van verschillende factoren zoals drooglegging (als het in een peilgebied ligt), ontwatering, en wateroverlast bij bepaalde klimaatscenario’s. Het projectgebied ligt niet in een peilgebied waardoor het bepalen van de drooglegging niet relevant is voor dit projectgebied. Verder is de GHG vastgesteld op NAP + 7,9 m en deze bevindt zicht circa 2,7 m – 3,1 m onder maaiveld. Bij deze ontwikkeling is ontwatering dus ook geen aandachtspunt. De wateroverlastkaart van Waterschap Rivierenland geeft aan dat bij een bui van 70 mm in 2 uur tijd het zuiden van het projectgebied gevoelig voor wateroverlast (gemiddeld circa 20-30 cm, zie Figuur 14). Wanneer we uitgaan van een huidige maaiveldhoogte van circa NAP +10,7 m in het zuiden van het projectgebied (zie Figuur 2), dient het bouwpeil dan circa 0,3 m hoger te liggen op circa NAP +11,0 m. De bouwpeilen van de woningen in de omgeving van het projectgebied liggen ook rond de NAP +11,0 m. Dit geeft aan dat de bouwpeilen zoals hierboven beschreven voldoende hoog zijn.

Figuur 14 Waterdiepte bij een piekbui (70 mm in 2 uur, bron: Klimaatatlas Rivierenland)

Bijlagen

1. Boorprofielen 2. Berekeningen doorlatendheid 3. Ontwerp

Blad 15

Bijlage 1: Boorprofielen

Blad 16

Bijlage 2: Berekeningen doorlatendheid

Blad 17

Bijlage 3: Ontwerp

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13655673/1