Bijlage XII Vragen en antwoorden uitgangspuntennotitie liquidatieplan ODRN en ODRA naar ODGM
Tekst van het document
Vragen en antwoorden n.a.v. notitie liquidatieplan opheffen ODRN en ODRA Vraag 1 In het procesvoorstel is de volgende tekst opgenomen: “Na het vaststellen van de jaarrekening 2025 geldt dat sprake is van een volledige juridische fusie. Bij de volledige fusie, zijn er géén financiële gevolgen voor de deelnemende gemeenten. Alle activa en passiva, rechten en verplichtingen, gaan over naar de nieuwe gemeenschappelijke regeling. Er zal geen afrekening van gemeentelijke tegoeden/schulden op basis van de liquidatie plaatsvinden. Na ineen vlechting blijven de 2 “oude“ gemeenschappelijke regelingen financieel administratief leeg achter. Hierbij wordt een eindbalans per “oude” gemeenschappelijke regeling, en een beginbalans voor de nieuwe gemeenschappelijke regeling opgesteld.” Hieruit maak ik op dat alle activa en passiva over gaan naar de nieuwe GR en er geen afrekening plaats zal vinden. Dit is volgens mij tegenstrijdig met het uitgangspunt van de fusie, waarbij wordt gesteld dat beide organisaties evenveel vermogen inbrengen. Onder kopje 3 wordt ook vermeld dat er in het liquidatieplan ingegaan wordt op de verrekening van het liquidatiesaldo. Onder kopje 4. Staat bij stap 1 dat de vastgestelde bestuurlijke (financiële) uitgangspunten worden meegenomen.
Reactie 1 We spreken hier over een fusie van ODRN en ODRA waarbij de nieuwe organisatie, ODGM, dezelfde taken uitvoert en daarvoor de beschikbare middelen uit de twee bestaande regelingen nodig heeft. Het uitgangspunt is dan ook dat deze middelen worden ingebracht in de nieuwe gemeenschappelijke regeling, zodat deze haar werkzaamheden direct kan voortzetten. Het is dus niet zo dat de twee bestaande regelingen eerst volledig worden geliquideerd en afgerekend, waarna opnieuw wordt bepaald wat de nieuwe organisatie nodig heeft. De insteek is juist dat de nieuwe organisatie voortbouwt op de bestaande structuren en vermogens. Daarom is een volledige afrekening vooraf niet aan de orde. Tegelijkertijd is door beide besturen als uitgangspunt meegegeven dat beide organisaties bij de start van de nieuwe organisatie naar evenredigheid evenveel eigen vermogen en dotaties aan voorzieningen inbrengen. Dit uitgangspunt lijkt op gespannen voet te staan met de passage waarin wordt gesteld dat er géén afrekening plaatsvindt. Wij gaan hier bij de reactie op vraag 2 nader in. Vraag 2 Volgens mij wordt bedoeld te zeggen dat de financiële afwikkeling in (jaarrekening) 2025 plaats gaat vinden en dan alle reserves vrijvallen (in het resultaat 2025). Via die weg vindt dan alsnog een verrekening plaats met de gemeenten. Dat zou dus een incidentele baat betekenen voor de deelnemers.
Klopt dit? Reactie 2 Dat klopt gedeeltelijk. De financiële afwikkeling vindt inderdaad plaats in de jaarrekening 2025. Daarbij zullen de reserves – voor zover het algemene reserves betreft – vrijvallen in het resultaat van dat jaar. Via dat resultaat vindt vervolgens een verrekening plaats met de deelnemende gemeenten, wat leidt tot een incidentele baat.
1
Voor bestemmingsreserves ligt dit anders. Deze zijn gevormd voor specifieke doelen. Als de uitvoering van die doelen door de nieuwe organisatie wordt voortgezet, dan gaan zowel het doel als de bijbehorende middelen over naar de nieuwe organisatie. In dat geval vallen de bestemmingsreserves niet vrij, maar worden zij overgeheveld. Tegelijkertijd is het van belang om een helder uitgangspunt te formuleren voor de vorming van de algemene reserve in de nieuwe organisatie. Daarbij geldt dat beide deelnemende organisaties naar evenredigheid financieel vermogen moeten inbrengen, op basis van gelijke waarderingsgrondslagen. Alle overige activa die nodig zijn voor de uitvoering van de taken gaan over naar de nieuwe organisatie zonder dat dit wordt afgerekend. Vraag 3 Investeringen die de afgelopen jaren zijn gedaan (nieuwe meetdienst, ICT, inventaris, nieuwe voertuigen etc.) bepalen tevens de hoogte van het vermogen. Hoe wordt omgegaan met verschillen hierin? Wat gebeurt er met het restantvermogen dat in activa zit en niet vrijvalt? Reactie 3 De investeringen die in de afgelopen jaren zijn gedaan, zoals in meetdiensten, ICT, inventaris en voertuigen, zijn noodzakelijk voor de uitvoering van de taken van de nieuwe organisatie. Deze activa gaan dan ook één-op-één over naar de nieuwe gemeenschappelijke regeling.
Hierover vindt geen financiële afrekening plaats, omdat het middelen betreft die essentieel zijn voor de voortzetting van het werk. Het vermogen dat in deze activa vastzit, blijft dus verbonden aan het operationele doel en valt niet vrij. Verschillen tussen de deelnemende organisaties in de waarde van dergelijke activa worden niet afgerekend, maar maken onderdeel uit van de functionele inbreng. De vermogensinbreng wordt vooral beoordeeld op het financiële vermogen (zoals liquide middelen en reserves), en daar moet – conform het uitgangspunt – evenredigheid in worden nagestreefd. Vraag 4 Hoe wordt geborgd dat er niet allerlei kosten voor de fusieorganisatie nu gemaakt worden binnen de ‘oude’ OD’s? Dus bijvoorbeeld frictiekosten die zich nu al voordoen en investeringen die nu al worden gedaan. Reactie 4 De kosten die verband houden met de fusie worden separaat geregistreerd binnen een aparte fusiebegroting, deze is opgenomen in het ontwerp-Bedrijfsplan. Conform de gemaakte afspraken worden deze kosten gelijk verdeeld tussen beide organisaties (50/50). Daarbij wordt ervan uitgegaan dat de fusiekosten voor fase 1 en 2 volledig kunnen worden gedekt met bijdragen van het Rijk en de provincie. Fase 3 komt voor rekening van ODGM.
Om te voorkomen dat reguliere organisatiekosten ten onrechte als fusiekosten worden aangemerkt, besteden beide diensten in hun reguliere rapportages expliciet aandacht aan de fusie gerelateerde uitgaven. Op die manier wordt geborgd dat de kosten transparant worden verantwoord en dat er geen ongewenste verschuiving van lasten plaatsvindt binnen de huidige organisaties ten gunste van de nieuwe organisatie.
2
Vraag 5 Is er nagedacht over de afwikkeling van SPUKS/subsidies die over meerdere jaren verantwoord moeten worden? Reactie 5 Ja, daar is over nagedacht. Wanneer de werkzaamheden waarvoor SPUK-middelen of andere meerjarige subsidies zijn toegekend, na de fusie worden voortgezet, gaan deze subsidies mee over naar de nieuwe organisatie. Met de betreffende subsidieverleners worden tijdig afspraken gemaakt over de wijze van verantwoording: dit kan in sommige gevallen tussentijds plaatsvinden vanuit de bestaande organisatie, of – indien passend – aan het einde van de looptijd vanuit de nieuwe organisatie. Op die manier wordt continuïteit geborgd en blijft de verantwoording sluitend en transparant. Vraag 6 Hoe wordt omgegaan met de door lopende inhuur op vaste formatieplekken? Reactie 6 Lopende verplichtingen, waaronder inhuur op vaste formatieplaatsen, gaan over naar de nieuwe organisatie. Of en in hoeverre deze inhuur na de fusie nog nodig is, wordt bepaald in het kader van het plaatsingsproces. Daarbij wordt gekeken welke formatie daadwerkelijk wordt ingevuld door medewerkers uit de bestaande organisaties en waar eventuele personele knelpunten blijven bestaan. De inzet van inhuur wordt dus afgestemd op de uitkomsten van dit proces. Vraag 7 Hoe wordt omgegaan met de niet uit de balans blijkende verplichtingen en dan specifiek?: o
Huurovereenkomsten kantoren
o
Gastheercontract Nijmegen
o
Overeenkomst ICT ODRN
o
Afrekening ontvlechting BRIKS (afwikkeling in 2025? En heeft impact op vermogenspositie?)
Reactie 7 Niet uit de balans blijkende verplichtingen, zoals huurovereenkomsten en samenwerkingscontracten, gaan – conform het uitgangspunt – over naar de nieuwe organisatie, tenzij hierover expliciet andere afspraken worden gemaakt. De nieuwe organisatie zal moeten bepalen welke verplichtingen noodzakelijk zijn voor een goede uitvoering van haar taken en welke mogelijk kunnen worden afgebouwd. Ten aanzien van de huisvesting is afgesproken dat voorlopig gebruik wordt gemaakt van beide bestaande locaties om de regionale nabijheid en spreiding te behouden. Aangezien de nieuwe organisatie hoe dan ook over huisvesting moet beschikken, is het vanuit financieel en operationeel oogpunt niet wenselijk om bestaande huurcontracten voortijdig open te breken, zeker gezien de mogelijke kosten en onzekerheden van nieuwe contracten.
3
Wat betreft de afwikkeling van BRIKS geldt dat hierover inderdaad duidelijke afspraken moeten worden opgenomen in de uitgangspunten voor de liquidatie. De BRIKS ontvlechtingsafspraken met de gemeente Nijmegen lopen over de jaren 2025 tot en met 2027. Voorgesteld wordt dit punt nadrukkelijk naar voren te brengen in de uitgangspuntennotitie. De overige genoemde verplichtingen, zoals het gastheercontract met Nijmegen en de overeenkomst met ICT ODRN (is een kortlopend contract met opzegtermijn van 1 jaar – met deze contractpartij worden al gesprekken gevoerd), hebben betrekking op de inrichting van de bedrijfsvoering van de nieuwe organisatie. De continuering of beëindiging van deze overeenkomsten hangt af van de keuzes die worden gemaakt over de toekomstige inrichting van die bedrijfsvoering. Daarbij merken we op dat het gastheercontract met Nijmegen inmiddels nog maar een beperkte omvang kent. Kortom, de benadering is dat lopende verplichtingen in principe overgaan, maar dat de nieuwe organisatie op basis van inhoudelijke en financiële overwegingen per geval zal beoordelen of en hoe deze worden voortgezet. Vraag 8 Wat zijn gelijke waarderingsgrondslagen en waarom zijn die belangrijk in het fusie- en liquidatieproces? Reactie 8 Gelijke waarderingsgrondslagen betekenen dat ODRN en ODRA hun bezittingen op dezelfde manier waarderen in de financiële administratie.
Dit is van belang om een eerlijke, transparante en vergelijkbare financiële basis te creëren bij de liquidatie. Er zijn verschillende manieren om bezittingen te waarderen, bijvoorbeeld op basis van aanschafwaarde (de oorspronkelijke prijs) of actuele waarde (wat het nu waard is). Als organisaties verschillende methoden hanteren, ontstaat er een scheef beeld van de waarde van activa en passiva. Door dezelfde waarderingsgrondslagen te hanteren, kunnen alle cijfers eenduidig worden geïnterpreteerd en ontstaat er duidelijkheid. Dit is essentieel voor het opstellen van een sluitende eindbalans van de oude organisatie en een beginbalans voor de nieuwe organisatie. Het voorkomt bovendien discussies achteraf. Vraag 9 Wie is gemandateerd om lopende contracten open te breken in aanloop naar de fusie? Reactie 9 Tot 1 januari 2026 ligt het mandaat voor het wijzigen of beëindigen van contracten bij de afzonderlijke diensten. Zij blijven formeel verantwoordelijk voor hun lopende verplichtingen. Na die datum gaat het mandaat over naar het nieuwe managementteam (MT) en de nieuwe directeur van de gefuseerde organisatie. Tot die tijd worden besluiten over contracten met een structureel karakter of langere looptijd zoveel mogelijk afgestemd, met het oog op de toekomstige organisatie. De centrale vraag daarbij is telkens: past dit bij de inrichting en doelstellingen van de nieuwe organisatie?
4
Vraag 10 Hoe zijn de ondernemingsraden aangesloten en worden zij betrokken bij de liquidatie? Reactie 10 De ondernemingsraden van de betrokken organisaties hebben samen een Bijzondere Ondernemingsraad (BOR) gevormd. Via deze BOR worden de belangen van het personeel bij de fusie geborgd. Hoewel de BOR nog niet actief betrokken is bij de liquidatie, sluit zij op 3 juni aan bij een driedaagse sessie met het management van beide organisaties. Tijdens deze bijeenkomst wordt de BOR bijgepraat over de stand van zaken en de vervolgstappen. De stuurgroep is al wel meegenomen in het liquidatieproces. Dit is een gevolg van de toezegging in het gezamenlijke Algemeen Bestuur (AB) van 6 mei, waarin is afgesproken dat er vóór de zomer een uitgangspuntennotitie gereed is. Vraag 11 Frictiekosten, als alle rechten en plichten overgaan naar de nieuwe organisatie, betekent dat dan ook dat alle frictiekosten naar de nieuwe organisatie overgaan en als dat zo is, zou dat dan niet in de uitgangspuntennotitie moeten worden opgenomen? Feitelijk verzoek om in de uitgangspunten voor de liquidatie aandacht te besteden aan de frictiekosten. Reactie 11 Het is niet automatisch zo dat alle frictiekosten overgaan naar de nieuwe organisatie. Er moet onderscheid worden gemaakt tussen kosten die horen bij afbouw van de oude organisatie en kosten die samenhangen met opbouw van de nieuwe organisatie.
De verwachting is dat het personeel een plek krijgt binnen de nieuwe organisatie. Het is terecht dat frictiekosten worden benoemd in de uitgangspuntennotitie. Daar wordt dan ook expliciet aandacht aan besteed. Vraag 12 Eerder is uitgesproken dat frictiekosten die in 2025 ontstaan nog voor rekening van de latende diensten zijn. Klopt dat? Reactie 12 Ja, dat klopt. Frictiekosten die in 2025 ontstaan, vallen nog onder de verantwoordelijkheid van de huidige (latende) diensten. Deze afspraak helpt om de kosten eerlijk toe te rekenen aan de partij die verantwoordelijk is voor het ontstaan ervan. Het voorkomt dat de nieuwe organisatie wordt belast met kosten die voortkomen uit de afbouw van de bestaande situatie. Vraag 13 Betekent dit dat Nijmegen moet opdraaien voor de kosten van de boventallige directeur? Reactie 13 Deze vraag raakt aan eerdere besluiten. We brengen op dit moment in kaart waar welke besluiten zijn genomen en wat de context daarvan was. Zodra dat overzicht compleet is, kunnen we zorgvuldig beoordelen of het logisch is dat de betreffende kosten bij Nijmegen komen te liggen, of dat er sprake is van gedeelde verantwoordelijkheid.
5
Vraag 14 Het zou helpen als er een tijdlijn komt. Hoe ziet het proces er nu uit? Reactie 14 Dat klopt. Een visuele tijdlijn helpt om overzicht te houden over het proces en de bijbehorende mijlpalen. We nemen daarom een tijdlijn op in het liquidatieplan. Hierin worden de belangrijke stappen, besluitmomenten, bijeenkomsten en de overgang van verantwoordelijkheden helder weergegeven. Dit geeft grip op het proces voor alle betrokkenen. Op 26 juni ligt de uitgangspuntennotitie ter besluitvorming voor aan beide AB’s. De feitelijke liquidatie vindt in 2026 plaats bij de afrekening van de jaarrekening 2025. De verwachting is dat ODRN en ODRA in q2 volgend jaar zijn geliquideerd bij een fusiedatum van 1 januari 2026. Vraag 15 In Nijmegen ontstaan nu al frictiekosten doordat de gemeente de BRIKS-taken terughaalt. Hoe wordt dit meegenomen in de fusie? Reactie 15 Er zijn in de overeenkomst tussen de ODRN en de gemeente Nijmegen afspraken gemaakt over het terughalen van de BRIKS-taken. Deze situatie vraagt echter nog om nadere toelichting en verwerking in de uitgangspuntennotitie. Vraag 16 Wordt de uitgangspuntennotitie ook besproken in de ambtelijke overleggen voorafgaand aan het AB op 26 juni? Reactie 16 Ja, net als gebruikelijk worden conceptstukken voorafgaand aan het Algemeen Bestuur (AB) besproken in de ambtelijke overleggen (AO).
Voor dit traject zijn er bovendien twee extra voorbereidende bijeenkomsten gepland, op 28 mei en 5 juni. Deze dienen om inhoudelijke input op te halen, knelpunten te bespreken en de stukken goed voor te bereiden voor besluitvorming in beide AB’s. Vraag 17 De algemene reserve valt vrij. Betekent dat dat deze wordt uitgekeerd aan de deelnemers? Reactie 17 Ja, dit wordt toegevoegd aan de uitgangspuntennotitie. Wanneer de algemene reserve vrijvalt, zal deze in beginsel terugvloeien naar de deelnemende partijen. Vraag 18 Worden de bestemmingsreserves ook uitgekeerd? Reactie 18 Bestemmingsreserves zijn gevormd met een specifiek doel. Als dat doel nog steeds relevant is en wordt overgenomen door de nieuwe organisatie, dan gaat de reserve mee over. Als het doel komt te vervallen als gevolg van de fusie, dan valt de reserve vrij. In dat geval wordt bekeken hoe het vrijvallende bedrag wordt verdeeld, terugvloeit of wordt herbestemd. 6
Vraag 19 Hoe wordt de hoogte van het vermogen of de algemene reserve van de nieuwe organisatie bepaald? Reactie 19 De hoogte van de algemene reserve van de nieuwe organisatie wordt bepaald op basis van een gewenste weerstandsratio. Hiervoor worden de risico’s van de nieuwe organisatie in kaart gebracht. Op basis van de analyse van deze risico’s wordt vervolgens berekend welk bedrag nodig is als algemene reserve om financiële schokken op te vangen. Vraag 20 Zitten de risico’s voor de nieuwe organisatie niet al in de begrotingen 2026 van de afzonderlijke diensten? Reactie 20 Ja, veel risico’s zijn al verwerkt in de begrotingen van 2026. Toch is het van belang om opnieuw te beoordelen of deze risico’s ook gelden voor de nieuwe organisatie en in welke mate. De context van de nieuwe organisatie kan namelijk anders zijn. Zoals bij de bestaande diensten wordt er ook tussentijds kritisch gekeken naar de relevantie en omvang van risico’s. Vraag 21 Overlopende activa: zijn er nog bijzondere bedragen te verwachten en hoe lang wachten we op die afwikkeling? Reactie 21 De overlopende activa zullen dit jaar naar verwachting niet afwijken van voorgaande jaren. De afwikkeling verloopt op de gebruikelijke wijze. Als er bij het opstellen van de jaarrekening 2025 posten worden vergeten of later naar voren komen, dan vallen deze in de exploitatie van het nieuwe jaar.
Dat betekent dat eventuele nadelen (of voordelen) voor rekening van de nieuwe organisatie komen. Dit is een gebruikelijke gang van zaken in het jaarrekeningproces. Vraag 22 Moeten we een hardheidsclausule opnemen in de afspraken dat daar waar in 2026 besluiten moeten worden genomen het DB/AB in positie wordt gebracht? Reactie 22 Ja, dit nemen we mee. Een hardheidsclausule kan helpen om in uitzonderlijke gevallen maatwerk mogelijk te maken en onbedoelde negatieve gevolgen voor medewerkers of partijen te voorkomen.
7
Vraag 23 Vanuit de overgang van medewerkers van de gemeente naar de ODRA betalen wij nog harmonisatiekosten. Loopt dat door in de nieuwe organisatie? Reactie 23 Ja, deze harmonisatiekosten gaan over naar de nieuwe organisatie en blijven bestaan zolang de afspraken doorlopen. In de klankbordgroep is een andere interpretatie genoemd. Dat signaal nemen we serieus en wordt nog verder uitgezocht om helderheid te bieden over de afspraken en verplichtingen. Vraag 24 Volgens de gemeente Arnhem zitten we er eeuwig aan vast, tot iemand met pensioen gaat. Reactie 24 Dit lijkt te gaan over individuele harmonisatieafspraken of afspraken uit overgangsregelingen. We bekijken dit per medewerker. Daarbij wordt beoordeeld welke rechten en plichten zijn vastgelegd, wat daarvan automatisch mee overgaat naar de nieuwe organisatie, en of er aanleiding is om nieuwe afspraken te maken in de context van de fusie. Vraag 25 Is er nog een regeling voor ICT-infrastructuur in Nijmegen en loopt die door? Reactie 25 Ja, er is een bestaande regeling rondom ICT-infrastructuur in Nijmegen. We zijn hierover al in gesprek, mede naar aanleiding van vragen over huisvesting en ICT. De regeling kent een opzegtermijn van één jaar. In overleg wordt bepaald of deze wordt voortgezet, aangepast of beëindigd. Dit wordt meegenomen in de inventarisatie van structurele afspraken en verplichtingen.
Vraag 26 Hoe wordt omgegaan met frictiekosten? Er wordt verwezen naar een overzicht van eerder genomen besluiten. Is dat overzicht er al en hoe ziet dat eruit? Reactie 26 Er is verwarring ontstaan over het begrip 'frictiekosten'. In eerdere besluitvormingsstukken is dit begrip genoemd. We hebben onderzocht wat hierover is afgesproken. Het gaat in dit geval om de frictiekosten die voortvloeien uit het beëindigen van de BRIKS-taken door de gemeente Nijmegen binnen de ODRN. Deze hebben effect op de nieuwe organisatie en moeten dus worden meegenomen. Daarnaast zijn er ook frictiekosten die kunnen ontstaan bij de fusie, zoals het vervallen van een functie van een directeur. Dergelijke kosten worden in principe 50/50 verdeeld. Als de frictiekosten echter specifiek ontstaan bij of door de latende organisatie, vallen ze daar ook onder. Vraag 27 Wanneer wordt duidelijk wat de frictiekosten bedragen, zodat deelnemers weten waar ze financieel aan toe zijn?. Reactie 27 De hoogte van de frictiekosten is afhankelijk van de keuzes die nog gemaakt moeten worden én 8
het moment waarop die keuzes worden genomen. Het is daarom nu nog niet precies te zeggen. Bijvoorbeeld: personeel wordt geplaatst, maar mogelijk niet op dezelfde functie. De structuur van de organisatie is nog in ontwikkeling. Na de zomer wordt er meer duidelijkheid verwacht over de kosten in fase 3. Daarbij moet worden onderscheiden wat fusie gerelateerd is en wat reguliere (going concern) kosten zijn. Een groot deel van de kosten in fase 3 zal worden opgevangen binnen de begroting van de ODGM. Het gaat dus niet uitsluitend om extra kosten. Vraag 28 Wat is de context van de ontvlechting van de BRIKS-taken bij de gemeente Nijmegen? Reactie 28 Er zijn afspraken gemaakt tussen de ODRN en de gemeente Nijmegen over de ontvlechting van de BRIKS-taken. Deze afspraken worden meegenomen naar de ODGM en zullen daar ook verder worden uitgevoerd. Duidelijkheid hierover is essentieel. Vraag 29 Hoe zit het met de algemene reserve (zowel de oude als de nieuwe)? Wanneer worden de risico’s en de hoogte van de nieuwe reserve bekend? Dit is relevant omdat er geen storting is opgenomen in de begroting voor de nieuwe reserve. Reactie 29 De algemene reserve van de latende diensten valt vrij in het resultaat van de jaarrekening 2025. Dat resultaat wordt verdeeld onder de partners van de latende diensten, volgens de verdeelsleutels van de latende dienst.
De risico’s die relevant zijn voor de hoogte van de nieuwe reserve worden geïnventariseerd en meegenomen in de kadernota 2027 – het eerste gezamenlijke beleidsdocument. De besluitvorming hierover staat gepland voor december. Voor de hoogte van de algemene reserve van de nieuwe dienst (ODGM) gaan we uit van een weerstandsratio van 0,8; dit is in overeenstemming met de robuustheidscriteria. De hoogte van de risico’s in combinatie met de ratio van 0,8 bepaalt de hoogte van de algemene reserve van de nieuwe dienst. De partners van de nieuwe dienst moeten middelen inbrengen om deze algemene reserve te vormen. Vraag 30 Hoe wordt de inbreng van de deelnemers van de ODGM vastgesteld , en welke verdeelsleutel wordt daarvoor gebruikt?. Reactie 30 Verdeelsleutel moet nog worden bepaald. Vraag 31 Wordt er nog vastgesteld wat de gewenste weerstandsratio moet zijn? Reactie 31 Het uitgangspunt is een weerstandsratio van minimaal 0,8, conform de robuustheidscriteria. De uiteindelijke omvang is onder meer afhankelijk van de vastgestelde risico’s. Vraag 32 Wordt verwacht dat er nog moet worden bijgestort in de algemene reserve? Reactie 32 Grote afwijkingen worden niet verwacht, behoudens eventuele onverwachte ontwikkelingen. 9
Vraag 33 Is het mogelijk om de algemene reserve van de latende diensten over te hevelen naar de nieuwe organisatie? Reactie 33 Volgens het Besluit Begroting en Verantwoording (BBV) is dat niet toegestaan. Bovendien zal in de nieuwe organisatie sprake zijn van een andere verdeelsleutel. Vraag 34 In hoeverre heeft de liquidatie van de oude organisatie invloed op de storting in de nieuwe algemene reserve? De vrijval van de oude reserve gebeurt immers pas na vaststelling van de jaarrekening. Reactie 34 De vrijval van de algemene reserve vindt inderdaad pas plaats na de vaststelling van de jaarrekening. In de praktijk betekent dit dat een eventuele storting in de nieuwe reserve ook pas daarna kan plaatsvinden. Vraag 35 Kan er meer inzicht worden gegeven in de kosten van fase 3 van de fusie, en wie deze kosten draagt? Reactie 35 De kosten van liquidatie en fusie worden regelmatig door elkaar gehaald. De liquidatie is financieel beperkt en vooral administratief van aard; daarvoor worden nu uitgangspunten vastgesteld. De vraag over fase 3 betreft de fusiekosten. Daarover is nog discussie: wat valt daar precies onder (bijv.
inrichting financieringssysteem), en welke keuzes zijn fusie gebonden of landelijk ingegeven? We komen hier eind 2025 op terug, wanneer fase 3 concreter wordt uitgewerkt en besluiten over dekking genomen kunnen worden Vraag 36 Tot het moment van liquidatie lijken er nauwelijks kosten te zijn. Is dit juist? Reactie 36 Dat beeld klopt grotendeels: voor circa 90% is er sprake van continuïteit. Wel kunnen er extra kosten ontstaan, met name door personele inzet of specifieke situaties. Een voorbeeld is het tijdelijk inzetten van capaciteit waarvoor dekking wordt gezocht, bijvoorbeeld uit vrijvallende middelen. De basis blijft hetzelfde, en het werk gaat door. Vraag 37 Worden de uitgangspunten voor de liquidatie eerst nog besproken in het Ambtelijk Overleg voordat ze naar de Algemene Besturen (AB’s) gaan? En is het zinvol om de Q&A daarbij mee te sturen als context? Reactie 37 Het voorstel is om de Q&A mee te sturen met de stukken voor de AB’s. Dat biedt context, laat zien wat er is besproken, en bereidt bestuurders voor op de besluitvorming. Zo ontstaat een volledig beeld.
10
Vraag 38 Hoe wordt de gemeenteraad betrokken in het vervolgproces en wanneer worden de stukken behandeld? Reactie 38 De deelnemende gemeenten bepalen zelf hoe en wanneer zij hun raad betrekken bij de besluitvorming. Wel wordt verzocht om een volledig beeld te schetsen en alle relevante documenten mee te zenden. Sommige raden behandelen de stukken al voor het zomerreces, anderen pas in september. Belangrijk is dat de afgesproken deadlines in het proces worden gehaald. Vraag 39 Wat is de rol van het dagelijks bestuur (DB) van de latende diensten in het liquidatieproces? Reactie 39 Volgens artikel 34 van de Gemeenschappelijke Regeling (GR) van zowel de ODRA als de ODRN – betreffende wijziging en opheffing – is het dagelijks bestuur belast met de vereffening van de financiële verplichtingen.
Aanvullende behoeften/wensen Tijdens het gesprek over het liquidatieplan is nadrukkelijk naar voren gekomen dat er behoefte is aan meer duidelijkheid en richting in de uitwerking van de brede financiën. Van belang is dat het liquidatieplan expliciet aangeeft wat op dit moment wel en niet van het plan verwacht mag worden. Door helder te zijn over de grenzen van deze fase – bijvoorbeeld waar nog geen cijfers of besluiten beschikbaar zijn – wordt het besluitvormingsproces ondersteund. Deze openheid voorkomt onrealistische verwachtingen en geeft bestuurders het benodigde vertrouwen om verder te gaan in het traject. Er is een duidelijke roep om de mogelijke consequenties van het opheffen van de bestaande organisatie en het opbouwen van een nieuwe structuur inzichtelijk te maken. Daarbij gaat het minder om exacte bedragen, en meer om het benoemen van de impact en de richting waarin het proces zich beweegt. Het bieden van dit inzicht – ook als het nog indicatief is – helpt bestuurders om te begrijpen wat de implicaties zijn van hun keuzes. Voor de huidige fase volstaat dit niveau van toelichting, maar in een latere fase is een stevigere onderbouwing van kosten en effecten noodzakelijk, met name richting gemeenteraden. Verder is er behoefte aan expliciete aandacht voor de frictiekosten die na 2025 ontstaan.
Deze moeten in kaart worden gebracht, inclusief de vraag hoe en door wie deze kosten worden gedekt. Dit aspect speelt een belangrijke rol in de financiële afweging en moet onderdeel zijn van de uitgangspuntennotitie. In het gesprek werd ook benadrukt dat fase 3 – de inrichting van de nieuwe organisatie – apart behandeld moet worden van de liquidatie. Zowel inhoudelijk als communicatief moeten deze trajecten worden gescheiden, zodat de focus behouden blijft en verwarring wordt voorkomen. Tegelijkertijd is aandacht gevraagd om te zorgen dat er geen verslechtering optreedt in de dienstverlening. Specifiek is er zorg over de afstand tot de lokale praktijk: het behoud van kwaliteit en nabijheid is een belangrijk punt van aandacht.
11
Als geruststellend wordt ervaren dat het uurtarief stabiel blijft en dat er in de harmonisatie al duidelijke stappen zijn gezet. Dit geeft comfort over de toekomstige financiële structuur. Tot slot is het voorstel gedaan om actief gebruik te maken van ervaringen uit eerdere fusies. Leren van wat goed en minder goed ging in vergelijkbare trajecten kan waardevolle inzichten opleveren voor dit proces. Kortom, het liquidatieplan moet richting geven, comfort bieden en transparant zijn over wat er (nog) niet bekend is. Daarnaast is duidelijkheid over consequenties, kosten en aanpak cruciaal voor het vervolg.
12