CConstaterende datHeumen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage XII Vormvrije m.e.r

Raad 18 april 2024, gemeente HeumenBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Blankenbergseweg 2, Heumen9.341 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Vormvrije m.e.r. voor de inrichting gelegen aan

Heumen

i Geling Advies

28-9-2023

07-12-2023

““> I> Geling Geling Advi Advies Colofon

Rapport: Vormvrije m.e.r.

Heumen

Rapportnummer: 3096BS01 Status: Definitief

Datum: 28 september 2023 / 07-12-2023

Opdrachtnemer Geling Advies Postbus 12

5845 ZG Sint Anthonis

www.gelingadvies.nl

Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd door middel van druk, fotokopie, microfilm, geluidsband, elektronisch of op welke andere wijze dan ook, en evenmin in een geautomatiseerd gegevensbestand worden opgeslagen, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Geling Advies.

Aan de inhoud van dit rapport kunnen geen rechten worden ontleend. Geling Advies verwerpt elke aanspra-

kelijkheid voor een ander gebruik van deze tekst dan voor de situatie waarvoor deze wordt uitgebracht. De informatie in deze tekst is onder voorbehoud en kan worden veranderd zonder voorafgaande kennisgeving.

[> Geling Advies o

.

.

INHOUDSOPGAVE

1 INLEIDING

4

2 KENMERKEN VAN HET PROJECT

5

2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6

5 7 7 7 7

De omvang van het project De cumulatie met andere projecten Het gebruik van natuurlijke hulpbronnen De productie van afvalstoffen Verontreiniging en hinder Risico van ongevallen, met name gelet op de gebruikte stoffen of

technologieén.

7

3 PLAATS VAN DE ACTIVITEIT

8

3.1 3:2 3.3

Het bestaande grondgebruik Natuurlijke hulpbronnen Opname vermogen milieu

8 8 8

4 KENMERKEN VAN DE POTENTIELE EFFECTEN

9

4.1 4.1.1

Archeologie en cultuurhistorie Archeologie

9 9

4.2

Flora en Fauna

12

4.3

Waterparagraaf

15

4.5 4.6

(Ondergrondse) infrastructuur Bedrijven en milieuzonering

18 20

4.1.2

4.4

4.7 4.8 4.9

Cultuurhistorie Bodem

18

Geurhinder Akoestiek Luchtkwaliteit

22 24 24

Spuitzones

30

4.10 4.11

Externe veiligheid Verkeer en parkeren

4.13

Volksgezondheid in relatie tot veehouderijen

4.12

17

26 29 31

08 SCONCLUSIE

‘> Geling Advies a

.

.

INLEIDING

Op grond van wettelijke procedureregels dienen B&W een beoordelingsbesluit te nemen dat voor dit plan geen milieueffectrapportage (MER) hoeft te worden opgesteld. In het besluit m.e.r. is opgenomen voor welke voorgenomen activiteit een m.e.r.-plicht of m.e.r. beoordelingsplicht geldt om te toetsen of sprake kan zijn van belangrijke nadelige milieugevolgen bij ruimtelijke ontwikkelingen. De ontwikkeling valt onder categorieén D.10 en D.14. Omdat onder de drempelwaarden uit kolom 2 wordt gebleven, kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Om deze reden is deze aanmeldnotitie opgesteld. Het doel van een aanmeldnotitie ten behoeve van de vormvrije m.e.r.-beoordeling is om op objectieve wijze informatie over mogelijke relevante milieugevolgen van de voorgenomen activiteit te verzamelen. Met deze informatie kan het bevoegd gezag een oordeel geven over de noodzaak van het doorlopen van een m.e.r.-procedure. Een m.e.r.-beoordeling betekent dat er geen MER wordt opgesteld, tenzij er sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De belangrijke nadelige gevolgen moeten worden beoordeeld op basis van het toetsingskader van bijlage III van de Europese richtlijn 85/337/EEG. Beschouwd moet worden:

-

Dekenmerken van de activiteit.

-

De plaats van de activiteit. Dekenmerken van de potentiéle effecten.

Deze thema’s worden hierna getoetst.

Vormvrije MER beoordeling

EAR

teumen

4

[> Geling Advies a

.

.

2 KENMERKENVAN HETPROJECT Bij de kenmerken van de projecten moet in het bijzonder in overweging worden genomen: 2:1

de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten, het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, de productie van afvalstoffen, verontreiniging en hinder, risico van ongevallen, met name gelet op de gebruikte stoffen of technologieén.

DE OMVANG VAN HET PROJECT

De locatie is in gebruik als nertsenhouderij met akkerbouwtak. Ten behoeve van de bedrijfsvoering zijn voor de nertsenhouderij diverse sheds aanwezig. Daarnaast is een machineberging en een opslagloods met werkplaats aanwezig en een bedrijfswoning met bijgebouwen.

Vanwege het versnelde verbod op het houden van nertsen, is initiatiefnemer genoodzaakt deze bedrijfsactiviteiten te beéindigen. De sheds worden om deze reden gesloopt. Om te voorzien in een voldoende bedrijfsomvang voor de toekomst wordt geinvesteerd in een nieuwe agrarische bedrijfstak in de vorm van een paardenfokkerij met akkerbouwtak. Daarnaast wordt een extra particuliere woning gerealiseerd. In totaliteit zijn de gehuisveste aantal dieren in de huidige en beoogde situatie in onderstaande tabel weergegeven met de bijbehorende emissies voor geur, ammoniak en fijnstof. De emissies van ammoniak en fijnstof nemen af. De emissie van geur neemt licht toe. Het effect hiervan wordt nader toegelicht in paragraaf 4.7.

Vormvrije MER beoordeling

EAR

teumen

5

‘> Geling Advies a

.

.

>

Tabel 1

Milieuvergunning

Huidige dieraantal-

len

es RAV-code (BB of BWL)

3 Diercategorie

112 (68 9402013)

“

gos

3 find

2

>2

£

zrt

Zz

¢

5999

ea:

°°3

g

2

.

;:

°a

=|

Bi

g

°

S=

a=

2

S

fe;

fe

1499.75 | o | 0 Fe | 47992

«:: MoM 272020

Tabel 2

Aangevraagde situatie

Beoogde dieraantallen

RAV-code (BB of

BwL)

c

Diercategorie

.

5g

23

o

x

s&

2a

2=

fe=

i:co)

£

2g

i

=5

BS=

ie:-

2S

re}or

i)

jaar en ouder) rundvee

Pee... Me. ME «7.0, Met de ontwikkeling zullen ruimtelijk gezien alle sheds gesloopt worden (circa 10.000 m?). Daarnaast wordt omliggende verharding verwijderd. Dit bedraagt circa 1.000 m?.

De EEE locatie inrichten zodat deze geschikt is voor een paarden-

fokkerij en akkerbouwtak. Bij de paardenfokkerij worden paarden gefokt, afgericht, getraind en verhandeld. In de gewenste situatie wordt er een loods gerealiseerd waar de paardenboxen en een binnenrijbak in gevestigd zijn en waar hooi en stro wordt opgeslagen. Buiten de loods wordt een buitenrijbak gerealiseerd, een sleufsilo voor het opslaan van voer/akkerbouwproducten en een vaste mestopslag. Voor de gewenste activiteiten is het noodzakelijk om beide bestaande loodsen daarnaast te kunnen behouden. Een van de

loodsen wordt gebruikt als kantine/kantoor, werkplaats en voor de stalling van verschillende machines en werktuigen. De andere loods wordt gebruikt voor de opslag van akkerbouwproducten zoals hooi- en strobalen (met een grootte van 1,30 bij 1,30 en 2,40 bij 1,20) en voor de stalling van diverse machines en werktuigen. Om een idee te geven wat voor soort werktuigen en machines gestald worden: een verreiker, enkele tractoren, een schudder, een maaier, een ploeg, een cultivator, een heftruck, een haspel, een platte wagen, een loader, enz.

Vormvrije MER beoordeling

ERE

-eumen

6

[> Geling Advies ao

.

.

Initiatiefnemers wensen in de beoogde situatie maximaal 50 paarden te huisvesten. Daarnaast is de wens om hobbymatig maximaal 10 runderen en 30 schapen te houden. In de geldende natuurbeschermingsvergunning waren deze ook al opgenomen. Deze dieren worden voornamelijk in de wei gehouden. Eventueel bij bijvoorbeeld het lammeren, worden ze in de loodsen tijdelijk gehuisvest. In totaliteit ziin de maximaal gehuisveste aantal dieren in de beoogde situatie in bovenstaande staande tabel weergegeven met de bijbehorende emissies voor geur, ammoniak en fijnstof. De emissies van ammoniak en fijnstof nemen fors af. De geuremissie neemt minimaal toe, maar leidt niet tot belemmeringen in de omgeving 2:2

DE CUMULATIE MET ANDERE PROJECTEN

In de omgeving van de projectlocatie zijn geen grootschalige ontwikkelingen bekend die kunnen leiden tot cumulatie van milieueffecten.

2.3

HET GEBRUIK VAN NATUURLIJKE HULPBRONNEN

Het gebruik van natuurlijke hulpbronnen ten behoeve van realisatie en onderhoud zal plaatsvinden op een conventionele manier en geeft geen aanleiding aanzienlijke gevolgen voor het milieu te veronderstellen. 2.4

DE PRODUCTIE VAN AFVALSTOFFEN

De mest afkomstig van de paarden, schapen en runderen wordt verzameld op de vaste mestopslagplaats en regelmatig afgevoerd. Verder vinden geen activiteiten plaats waarbij afvalstoffen vrijkomen. 2:5

VERONTREINIGING EN HINDER

De ontwikkeling veroorzaakt geen verontreiniging en hinder naar de omgeving. Omliggende functies zijn op voldoende afstand gelegen. Natuur en landschapswaarden worden daarnaast niet aangetast. De ontwikkeling vindt plaats op de bestaande bouwkavel. Zie voor specifieke beoordeling op de verschillende milieukundige aspecten ook hoofdstuk 4. 2.6

RISICO

VAN

ONGEVALLEN,

MET

NAME

GELET

OP

DE

GEBRUIKTE STOFFEN OF TECHNOLOGIEEN. Op de locatie worden geen risicovolle stoffen gebruikt of technologieén toegepast. De locatie is daarnaast op voldoende afstand gelegen van risicovolle inrichtingen, transportassen en buisleidingen.

Vormvrije MER beoordeling

EAR

teumen

7

[> Geling Advies a

.

.

3 PLAATSVAN DEACTIVITEIT Bij de mate van kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop de projecten van invloed kunnen zijn moet in het bijzonder in overweging worden genomen: -

het bestaande grondgebruik, de relatieve rijkdom aan en de kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied, het opnamevermogen van het natuurlijke milieu met in het bijzonder aandacht voor de volgende typen gebieden: a. wetlands

b. kustgebieden c. berg- en bosgebieden d. reservaten en natuurparken e. gebieden die in de wetgeving van lidstaten zijn aangeduid of door die wetgeving worden beschermd; speciale beschermingszones door de lidstaten aangewezen volgens Richtlijn 79/409/EEG (= Vogelrichtlijn) en Richtlijn 92/43/EEG (= Habitatrichtlijn) f. gebieden waarin de bij communautaire wetgeving vastgestelde normen over milieukwaliteit reeds worden overschreden;

g. gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid h. landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang 3.4

HET BESTAANDE GRONDGEBRUIK

De locatie is momenteel in gebruik als nertsenhouderij met akkerbouwtak. De ontwikkelingen vinden binnen de grenzen van de bestaande bouwkavel plaats. 3:2

NATUURLIJKE HULPBRONNEN

Ter plaatse van de projectlocatie zijn geen relevante natuurlijke hulpbronnen die bijdragen aan het project dan wel effect hebben op het project. 3.3

OPNAME VERMOGEN MILIEU

Uit de beoordeling van de planologisch relevante milieuaspecten komt naar voren dat het planvoornemen deze aspecten niet belemmert.

Vormvrije MER beoordeling

EAR

teumen

8

:|> Geling Advies oa

b

.

.

| KENMERKEN VAN DEPOTENTIELE EFFECTEN Bij de potentiéle aanzienlijke effecten van het project moeten in overweging worden genomen: -

het bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking), het grensoverschrijdende karakter van het effect de waarschijnlijkheid van het effect, de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect.

Hierna wordt de ontwikkeling getoetst op verschillende milieu- en omgevingsaspecten. 4.1

ARCHEOLOGIE EN CULTUURHISTORIE

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in bestemmingsplannen aandacht te worden besteed aan de aspecten archeologie en cultuurhistorie. In juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. Deze wet vormt — samen met de nieuwe Omgevingswet — het nieuwe kader voor bescherming van het cultuurhistorisch erfgoed. Op grond van het overgangsrecht in de Erfgoedwet blijven bepaalde onderdelen van de Monumentenwet 1988 (waaronder de vergunningplicht voor monumenten, de bescherming van stads- en dorpsgezichten en de regelingen voor archeologie) ongewijzigd van toepassing tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Op grond van artikel 3.1.6 lid 5 van het Besluit ruimtelijke ordening moeten gemeenten bij het opstellen van bestemmingsplannen in de toelichting een beschrijving geven van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten (archeologische waarden) rekening is gehouden. 4.1.1

Archeologie Op grond van het Verdrag van Malta en de daaruit viloeiende Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz), dient bij de opstelling en de uitvoering van ruimtelijke plannen rekening te worden gehouden met bekende archeologische waarden en de te verwachten archeologische waarden. Het uitgangspunt hierbij is dat het archeologisch erfgoed moet worden beschermd op de plaats waar het wordt aangetroffen.

Vormvrije MER beoordeling

EAR

teumen

9

[> Geling Advies

(a)

.

.

De gemeente Heumen heeft een archeologische waarden- en verwachtingskaart opgesteld. Op deze kaart ligt de locatie deels in een gebied met middelmatige en deels met lage archeologische verwachting. Ter plaatse van de aanwezige bebouwing geldt een middelmatige archeologische verwachting. Deze verwachtingen zijn tevens verankerd in het bestemmingsplan Buitengebied Heumen 2009.

Ligging binnen archeolo- @»>

gische verwachtingskaart |D/ 7 \ Km

Vine

S;

ps g

RA KOK

Af C8 ay Ww \

:

\,

A ee

rm

WEY lm eaeNRA (6 \

Q N SA AKA Zw A WY \ \ & NNCBOBZZKF\ NES Ly ALT OE hu F

SS EES nen Sere

% Q

See

SS

o—

a sauaawaatenapaastes

ae — a es

\ y NG Cf)

xaN \\\eOSL td hep \ Se a. \ \\

\

ra

\

NX,

iomeaaam igen Pol |} der—Z

OPR

EN

AR\ Ac

\

In het gebied met middelmatige verwachting geldt een verwachting van resten uit met name de oudere Prehistorie. Archeologische resten afgedekt door een >50 cm dikke conserverende laag en daardoor waarschijnlijk goed geconserveerd (profieltype 4) of archeologische resten vlak onder het maaiveld en daardoor kwetsbaar (profieltypen 5 en 6). In het gebied met lage verwachting geldt een verwachting van resten uit alle perioden. Archeologische resten afgedekt door een >50 cm dikke conserverende laag en daardoor waarschijnlijk goed geconserveerd (profieltype 7) of archeologische resten vlak onder het maaiveld en daardoor kwetsbaar (profieltype 8 en 9). In het bestemmingsplan is vastgelegd dat er een archeologisch rapport dient te worden aangeleverd bij het oprichten van een bouwwerk groter dan 2.500 m*. Op onderhavige locatie worden een loods (circa 2.150 m?) en een woning (circa 100 m?*) gerealiseerd. Er wordt dus minder dan 2.500 m? aan nieuwe bebouwing gerealiseerd. Daarnaast geldt dat binnen het volledige bouwvlak momenteel al bebouwing aanwezig is, waar bij de realisatie ervan de ondergrond reeds geroerd is. Verder geldt op basis van artikel 5.10 van de Erfgoedwet 2016 dat toevalsvondsten gemeld moeten worden bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag is de gemeente Heumen.

Vormvrije MER beoordeling

EAR

teumen

10

[> Geling Advies o

4.1.2

.

.

Cultuurhistorie

Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van ruimtelijke plannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Cultuurhistorisch erfgoed moet worden beschermd. Het gaat dan om erfgoed in brede zin; in cultuurlandschappelijke, stedenbouwkundige en bouwhistorische betekenis. Voorgaande is sinds 1 juli 2016 vastgelegd in de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Het beschermingsniveau zoals die in de oude wetten en regelingen golden blijven gehandhaafd. De gemeente Heumen heeft een rapport opgesteld dat een inventarisatie bevat van de cultuurlandschappen, landschapselementen, bouwkunst en immaterieel erfgoed in de gemeente. Navolgend is de locatie weergegeven binnen de kaartbijlage van dit rapport; Figuur 2

;

j

Uitsnede Cultuurhis-

—

ka rt

torische Waarden-

x

SS

&

; he”X\\Z na Qy a

.

\

2 \ i AN f ps.

Si |\

zy) 4

9” SS)

\¢

AN

SCO S 4 \ eared va ee \ er

\ So EK

SUPE 2g ¢ YY by SQS

*\ o\ *\ s\\

.

P79] jong broek met grasiand in hetrivierterrassengebied

_overig viakvormig opga nd groen (Landschapsbehe r Gelderland)

© —_overig puntvormig i opgaand groen (Landschapsbeheer Gelderland) rland)

SXY

AN

\s\

We

Y

SONS

YA Yr ""'9s 4 %Bye.

Nh% Es) W Nes" ZFge

\WOLER .Wg” a \ KR

Jong broek met grasland in het rivierterrassengebied Een gedeelte van het broekgebied (gebied waar water in natuurlijke omstandigheden stagneert en waar dus permanent natte condities bestaan) tussen de oude akkers van Malden en de rivierduinen van Overasselt was al védr

1850 ontgonnen. Het broekgebied bestond uit stroken grasland die vanuit de boerderijen langs de historische bewoningsas van Malden, de Hatertseweg, waren ontgonnen. Bijzonder aan dit broekgebied met zijn smalle percelen was de aanwezigheid van de paden die vanuit de boerderijen langs de

Vormvrije MER beoordeling

EAR

teumen

11

[> Geling Advies oO

.

.

kavelgrenzen naar de achterzijde langs de wetering liepen. Langs deze pa-

den stonden soms bomen die van natte condities hielden, zoals elzen of wil-

gen. Hiervan zijn nog enkele exemplaren bewaard gebleven. Binnen de verschillende stroken kwam ook opgaand bos voor. Door de wijze waarop die bosstructuur zich conformeerde aan de kavelgrenzen bleef het patroon herkenbaar.

Het gebied is in eerste plaats sterk van karakter verander door de aanleg van de Maas-Waalkanaal, dat het gebied doorsnijdt. Beplanting langs dat kanaal haalt het zicht vanuit de boerderijen langs de Hatertseweg naar de achterste helft van de oorspronkelijke percelen weg. Daarnaast is door schaalvergroting en de bouw van boerderijen langs de Westerkanaaldijk de oorspronkelijke structuur aangetast. Toch is in het terrein de lengterichting van de percelen nog gebleven, onder meer vanaf de Burchtselaan. Het overige deel, zowel ten oosten als westen van de Nieuwe Wetering, was in 1850 nog onverkaveld. Hier lagen ook de resten van de oude Malderburcht. Kort daarna begon men met de verkaveling in kleine blokvormige percelen, met beplanting langs wegen en hoofdstructuurlijnen, sloten tussen de percelen en verspreid liggende bospercelen. Het geheel ademt het karakter van een zeer rationeel, gepland landschap. Alhoewel een aantal structuurlijnen in het landschap ook tegenwoordig nog onmiskenbaar is, zoals de Broeksehofweg en de Nieuwe Wetering, is de herkenbaarheid fors afgenomen. Het gebied is sterk herverkaveld en wordt doorsneden door de A73 én het Maas-Waalkanaal. Het gedeelte ten oosten van het kanaal is bovendien grotendeels volgebouwd met de uitbreidings-

wijken van Malden. Het jongst verkavelde deel van het gebied, ten noorden

van Heumen, is nog het gaafst bewaard te noemen. Hier bevindt zich ook interessante beplanting.

4.2

FLORA EN FAUNA

Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met eventuele ecologische waarden in of nabij het projectgebied. De voorgenomen ontwikkelingen mogen geen negatieve effecten hebben op de aanwezige beschermde soorten zoals aangewezen in de Wet natuurbescherming. Indien hiervan sprake is moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd. Tevens mogen de ontwikkelingen geen negatieve effecten hebben op de aangewezen Natura 2000-gebieden. Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Soortenbescherming

Om te bepalen of er met de ontwikkeling mogelijk beschermde flora en fauna aangetast kan worden is er door Exlan een Quick Scan flora en fauna

Vormvrije MER beoordeling

EAR

teumen

12

oa

.

.

“I> Geling Advies >

uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. De conclusie van dit onderzoek is als volgt: 3.1

Conclusie

Voor de bepaling van de effecten en voor de beantwoording van de vraag of men in strijd komt met de Wet natuurbescherming, wordt de relatie gelegd tussen hetinitiatief met deze wet door waar mogelijk antwoord te geven op de volgende vragen:

1. 2. 3.

Welke wettelijk beschermde soorten komen in het plangebied voor? Welke status hebben

deze soorten?

Welke inviloed heeft de geplande ingreep in het betreffende gebied op de beschermde soorten en de staat van instandhouding? Hoe dient omgegaan te worden met eventuele negatieve effecten van hetplan op wettelijk beschermde planten- en diersoorten, en welke vervolgstappen zijn nodig?

Het voornemen zoals opgenomen in de inleiding en de daarbij behorende werkzaamheden, zal naar verwachting geen negatief effect hebben op de staat van instandhouding van beschermde soorten. Binnen het plangebied zijn geen (verblijfplaatsen van) strikt beschermde soorten aangetroffen die door de werkzaamheden worden beinvioed. Uit de effectenbeschrijving blijkt dat er geen onevenredige directe of indirecte gevolgen zijn van de voorgenomen activiteiten op de voortplanting en instandhouding van beschermde dieren/of plantsoorten. Lokaal zullen mogelijk algemene soorten uit het plangebied trekken op zoek naar een vervangende biotoop. Alle sloopwerkzaamheden dienen bij voorkeur verricht te worden buiten het broedseizoen (15 maart t/m 15juli).

Voor aanvang van de werkzaamheden dient derhalve geen aanvullend onderzoek plaats te vinden. Een ontheffing met betrekking tot aantasting van beschermde soorten is niet nodig. De werkzaamheden kunnen leiden tot een beschadiging of vernietiging van mogelijke verblifplaatsen en/of verstoring van eventueel aanwezige algemene soorten. Een algehele vrijstelling op basis van de Verordening natuurbescherming voor ruimtelijke ontwikkelingen is hierop van toepassing. De algemene zorgplicht blijft onverminderd van toepassing.

Gesteld kan worden dat de beoogde herbestemming van de locatie geen onevenredige nadelige gevolgen zal hebben voor flora en fauna. Gebiedsbeschermin

In Nederland is gebiedsbescherming geregeld middels de Wet natuurbescherming, waarin alle gebiedsbeschermende internationale afspraken en_ richtliinen zijn geimplementeerd. Met betrekking tot gebiedsbescherming is de situering ten opzichte van de Natura 2000gebieden van belang.

Bij negatieve effecten kan onder andere gedacht worden aan: optische verstoring door het toevoegen van bebouwing, verlies van oppervlakte, verdroging of vernatting, vermesting en verzuring, verstoring door licht, geluid en trillingen. Op de planlocatie wordt de nertsenhouderij beéindigd. Er vindt een omschakeling plaats naar een paardenfokkerij en daarnaast wordt één nieuwe woning gerealiseerd. Er vinden geen handelingen plaats welke kunnen leiden tot significant negatieve effecten op de omliggende natuurgebieden. De afstand tot het dichtstbijziind gelegen Natura 2000gebied bedraagt circa 6,5 kilometer (Sint Jansberg). Dit maakt dat de meeste effecten uit te sluiten zijn op voorhand. Voor de beoogde situatie is daarnaast nagegaan of de activiteiten mogelijk nadelige gevolgen kunnen hebben door stikstofemissie. Uit bijgevoegde AERIUS-berekening wordt

Vormvrije MER beoordeling

ERE

-eumen

13

‘b> Geling Advies a

.

.

duidelijk dat de beoogde situatie geen toename in depositie heeft op Natura 2000-gebieden. Concluderend kan gesteld worden dat de beeindiging van de nertsenhouderij en het realiseren van een paardenhouderij, niet zal leiden tot significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura2000-gebieden en Beschermde natuurmonumenten in de omgeving. Natuurnetwerk Nederland

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een samenhangend netwerk van natuurgebieden en landbouwgebieden met natuurwaarden van (inter) nationaal belang. Het doel van NNN-beleid is het veiligstellen van ecosystemen en het realiseren van leefgebieden met goede condities voor de biodiversiteit. Voor het NNN geldt op basis van het Rijksbeleid (Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en Besluit algemene_ regels ruimtelijke ordening) de verplichting tot instandhouding van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied. Dit betekent dat (nieuwe) plannen, projecten of handelingen niet zijn toegestaan indien zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant verstoren. In onderstaand figuur is een uitsnede weergegeven van het natuurbeheerplan. Het plangebied is gelegen tussen Natuurnetwerk gebieden. Omdat enkel werkzaamheden binnen het plangebied plaatsvinden, wordt het Natuurnetwerk niet aangetast door de ontwikkeling.

Figuur 3 Natuurnetwerk in

Maas-Waalkan

planomgeving

@N%

> Legenda:

Ke

2—% %

\ %

+7

we

ola

&

“

GS sNatuurnetwerk Nederland

Vormvrije MER beoordeling

Heumen

14

‘> Geling Advies a

4.3

.

.

WATERPARAGRAAF

Bij elke ruimtelijke ontwikkeling is de opstelling van een waterparagraaf verplicht gesteld, mede in relatie tot de watertoets. In deze paragraaf wordt verwoord hoe er in het plan met de aspecten water en ruimte rekening wordt gehouden, in relatie tot enerzijds het waterbeleid en anderzijds de waterhuishouding.

Beleid en regelgeving Het plangebied valt onder het beheer van Waterschap Rivierenland. Het Waterschap heeft het Waterbeheerprogramma 2022-2027 vastgesteld. In dit waterbeheerplan staan de doelstellingen van het Waterschap voor deze periode. Met het Waterbeheerprogramma weten inwoners en partners binnen het werkgebied wat ze kunnen verwachten, maar wordt tevens invulling gegeven aan de verplichting vanuit de Waterwet om een waterbeheerplan op te stellen. De missie luidt: “Waterschap Rivierenland zorgt voor veilige dijken en een evenwichting watersysteem”. In het waterbeheerprogramma worden de volgende principes genoemd: >»

De natuurlijke kenmerken van de ondergrond vormen het uitgangspunt voor ons werk

>»

Water is bepalend voor de inrichting van het gebied

>»

We zijn zuinig op water en grondstoffen

>»

Bescherming van het gebied tegen overstromingen is onze focus

>»

We pakken uitdagingen op binnen deze generatie en wentelen niet af

>»

Waterbeheer van de toekomst: we maken maatschappelijk verant-

>»

Met elkaar zorgen we voor een toekomstbestendig rivierengebied

woorde keuzes

Deze programma’s zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; Keur, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen. Locatiestudie

De locatie ligt op een maaiveldniveau van circa 9 m + NAP (AHNA4), waarbij de gemiddelde hoogste grondwaterstand zich bevindt op een diepte van 60-70 cm onder maaiveld en de gemiddelde laagste grondwaterstand 130140 cm onder maaiveld. De bodem kan worden geclasificeerd als Poldervaaggronden; zwarte zavel (grof zand en of grind beginnend tussen

Vormvrije MER beoordeling

EAR

jcumen

15

[> Geling Advies

fa)

.

.

0,4 en 1,2 m-mv en tenmiste 0,4 m dik). Deze gronden zijn geschikt voor infiltratie van hemelwater.

Navolgend is een uitsnede van de legger Oppervlaktewater weergegeven.

Figuur 4

Legger waterstaats-

werken Waterschap

Rivierenland

A Z w fo

; a

|” “Me é 0

se

,

a

\ 56,

oe

S64

Q

<\

Ne a\ Watersta tswerk water

%

NRe X.,Le. eS&\Na ><ae%i¥a~\ \\\ ~ or Ma { 1 } tkunstwerk ertia r BruggenBodemvaiien ANwy \\ \/ a aE BB ‘ &§ bX 3 \\ ‘ <a ‘| BB kunstwerk

Aor‘ .< i\6)SE GEEa gDFDk BBEKKuuunnnscstttwiwreeerrkkk SVDiaufsiotkneesrsDam en .

oe :

oa "eg

BB kunstwerk Gemaien

_ Xe' Ww \ a ~. x\ , WID Kkuunnssttwweerrkk svtiuszpeans ages —

Oe :

.

Ko

Beschermingszones

Uit de legger blijkt dat ten zuidoosten van het plangebied is een tertiaire watergang gelegen is. Aan het zuidwesten van het plangebied is een secundaire watergang gelegen. Deze waterlopen maken geen onderdeel uit van voorliggend bestemmingsplan. In of nabij de watergangen vinden geen werkzaamheden plaats. Aan en bij de watergangen vinden geen werkzaamheden plaats. Tevens is sprake van een afname van het verhard oppervlak, waardoor er minder hemelwater afgevoerd wordt en meer infiltreerd in de bodem. Waterkwantiteit

De eis van het Waterschap voor solitaire infiltratiesystemen (dus zonder overloop op een sloot) is dat er 66,4 mm neerslag per aangesloten m? verhard opperviak kan worden geborgen. De gemeente Heumen stelt dezelfde bergingseis als het waterschap, namelijk dat per m? verhard oppervlakte 66 mm neerslag berging op eigen terrein moet worden gerealiseerd. Deze berging dient binnen 48 tot 96 uur weer leeg te lopen (=infiltratie) en de bodem van de bergings/infiltratievoorziening dient zich minimaal 0,50 m obven de lokale gemiddel hoogste grondwaterstand te bevinden.

In totaal wordt er circa 7.500 m? aan bebouwing gesloopt. Daarnaast wordt omliggende verharding verwijderd. De nieuwe loods voor de stallen heeft een oppervlak van circa 2.150 m? en de woning heeft een oppervlakte van

Vormvrije MER beoordeling

ARE jcumen

16

[> Geling Advies oO

.

.

100 m2. De voorgenomen ontwikkeling resulteert hierdoor in een grote afname van het verhard oppervlak. De grote afname aan verhard opperviak draagt positief bij aan de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse, doordat het infiltrerend oppervlak van de bodem groter wordt. Er wordt een infiltratievoorziening aangelegd aan de noordzijde van het perceel. Het GHG op de locatie is 60-70 cm. De infiltratievoorziening wordt 0,5 m diep, zodat het boven het GHG blijft. De voorziening dient 2.250 m x 0,066 = 148,5 m? regenwater op te kunnen slaan (gemeente Heumen). De voorziening wordt 85 m lang, 4 m breedt en heeft een talud van 0,5:0,5. Hiermee kan er per strekkende meter 1,75 m° water worden opgeslagen. In totaal kan er 148,75 m?® worden opgeslagen. Dit voldoet aan de eisen van het gemeentelijk beleid. De berging zal binnen 48-96 uur weer leeglopen/infiltreren in de bodem.

Waterkwaliteit

Ten behoeve van de waterkwaliteit zal de voorgestelde ontwikkeling bij de aanleg gebruik maken van milieuvriendelijke bouwmaterialen en worden uitloogbare materialen, zoals lood, koper, zink niet gebruikt, waardoor de uitspoeling van vervuilende stoffen via de bodem naar het oppervilaktewater voorkomen wordt. Deze stoffen kunnen zich namelijk ophopen in het water (bodem)systeem en hebben hierdoor een zeer nadelige invloed op de water(bodem)kwaliteit en ecologie. Het huishoudelijk afvalwater van de woningen wordt op passende wijze verwerkt.

Het hemelwater van de nieuwe bebouwing wordt volledig afgekoppeld en

zal infiltreren in de bodem. Geconcludeerd kan worden dat er met het

voorliggend initiatief geen waterschapsbelangen in het geding zijn. Dit blijkt ook uit de uitgevoerde digitale watertoets, welke is toegevoegd als bijlage. Er is derhalve geen belemmering aanwezig vanuit het aspect water. De bovenstaande conclusies en bevindingen worden in het kader van het wettelijk vooroverleg voor een wateradvies aangeboden aan Rivierenland. Vuilwater

Ten behoeve van de bestaande woning is er een drukrioolunit beschikbaar. Op deze unit wordt de 2° woning aangesloten. Er komt beperkt afvalwater vrij vanuit de paardenfokkerij. Dit gaat alleen om water van sanitaire voorzieningen. Deze hoeveelheid zal niet afwijken van de hoeveelheid afvalwater die ontstond bij de nertsenhouderij. Bij de nertsenhouderij kwam namelijk ook afvalwater vrij van de sanitaire voorzieningen. Extra afvalwater ontstaat door het wassen van de paarden op de wasplaats. Echter, is dit bij een paardenfokkerij minimaal. Waardoor de hoeveelheid extra afvalwater beperkt zal blijven.

Vormvrije MER beoordeling

EAR

teumen

17

[> Geling Advies

oa

4.4

.

.

BODEM

Ten behoeve van de ontwikkeling is een bodemonderzoek uitgevoerd. De rapportage van dit onderzoek is toegevoegd als bijlage. De uitkomst van dit onderzoek is als volgt: Verkennend bodemonderzoek

Zintuiglijk zijn in de bovengrond plaatselijk bijmengen aangetroffen met kolengruis en betonresten.

Verder is in de uitkomende grond van boring 06 een stukje asbesthoudend materiaal aangetroffen. Grond

Uit de analyseresultaten blijkt dat in de kolengruishoudende grond ter plaatse van boring 03 van 0,0 - 0,5 m-mv een sterke verontreiniging is aangetoond met zink. Verder zijn in de grond ter plaatse van de boringen 01 en 06 lichte verontreinigingen met zink aangetoond.

De aangetoonde verontreinigingen zijn in tegenspraak met de hypothese dat de onderzoekslocatie niet-verdacht is. De omvang van de sterke grondverontreiniging met zink is niet bekend. Geadviseerd wordt om nader onderzoek uit te voeren om de aard en omvang van de aangetoonde sterke verontreiniging met zink vast te stellen. Grondwater

In het grondwater is een lichte verontreiniging aangetoond met nikkel. De aangetoonde verontreiniging is in tegenspraak met de hypothese dat de onderzoekslocatie niet-verdacht is.

Het aangetroffen gehalte nikkel in het grondwater is echter dermate laag, dat nader onderzoek hiernaar niet noodzakelijk is. Verkennend asbestonderzoek

Vanwege de volledige bedekking van het maaiveld is het niet mogelijk geweest een maaiveldinspectie uit te voeren. Zintuiglijk zijn in de grond van diverse inspectiegaten asbesthoudende materialen waargenomen. In de bodem ter plaatse van inspectiegat G01 is in het traject van 0,0 - 0,3 m-mv een maximaal gewogen asbestgehalte aangetoond van 1.369 mg/kg d.s. Het aangetoonde asbest betreft hechtgebonden chrysotiel en crocidoliet. Omdat er sprake is van een verkennend bodemonderzoek betreft het een indicatief gehalte. Gezien het sterk verhoogde asbestgehalte is het noodzakelijk nader onderzoek uit te voeren voor het vaststellen van het daadwerkelijke asbestgehalte in de grond. Resumé

Vormvrije MER beoordeling

EAR

teumen

18

‘> Geling Advies a

.

.

De onderzoeksresultaten leveren een beperking op ten aanzien van de voorgenomen bestemmingswijziging en het voorgenomen gebruik van de locatie. Het is noodzakelijk nader onderzoek uit te voeren naar de aangetoonde verontreinigingen met zink en asbest in de grond. Vanwege de onderzoeksresultaten vindt nader onderzoek naar de aangetoonde verontreinigingen met zink en asbest plaats. Afhankelijk van de resultaten worden passende maatregelen getroffen om de nieuwe woning te kunnen realiseren. 4.5

(ONDERGRONDSE) INFRASTRUCTUUR Leidingen Voorafgaand aan het grondverzet zal een zogenaamde Klic-melding plaatsvinden om duidelijkheid te verkrijgen over de eventueel aanwezige kabels en leidingen. Vooralsnog zijn geen problemen voorzien, omdat de bebouwing gerealiseerd wordt op de plaats van de te slopen stallen. In de nabije omgeving zijn geen leidingen aanwezig. Voor de nutsleidinging wordt een tracé beschikbaar gesteld. Hoogspanningsleiding Op een afstand van 670 meter is een hoogspanningsleiding gelegen. Volgens de RIVM-netkaart is de rekenafstand welke voor de 150 kv leiding 65 meter naar beide zijden van de hoogspanningsleiding. Aangezien de afstand tot de leiding 670 meter is, wordt de nieuwe woning op meer dan voldoende afstans van de hoogspanningsleiding te liggen.

Vormvrije MER beoordeling

EAR

teumen

19

[> Geling Advies oa

.

.

Figuur5

Hoogspanningslei-

ding in de omgeving.

1

%,

q

5,

3 wore * ;

A

Heide

:

*

=

“

Sf 380 kV

\ \

ities

:

p

4.6

,

Bp

Lf 220k / Combilijn f Us0kV f/ iokv

4 50 kV

BEDRIJVEN EN MILIEUZONERING

Om te bepalen welke bedrijfsactiviteiten uit oogpunt van milieuhinder kunnen worden toegestaan, kan gebruik worden gemaakt van de systematiek van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' (editie 2009). In de VNG-brochure is een bedrijvenlijst opgenomen, die informatie geeft over de milieukenmerken van verschillende typen bedrijven. In de lijst is op basis van een aantal factoren (waaronder geluid, geur en gevaar) een indicatie gegeven van de afstand tussen bedrijven en hindergevoelige functies waarmee gemeenten bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening kunnen houden. Het doel van milieuzonering is tweeledig: 1. door het toepassen van milieuzonering wordt hinder ter plaatse van woningen of andere gevoelige objecten al in het ruimtelijk spoor voorkomen;

2. door het toepassen van milieuzonering wordt aan bedrijven voldoende zekerheid geboden dat zij hun activiteiten duurzaam en_ binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Op basis van de indicatieve afstanden zijn de bedrijven op de bedrijvenlijst in de VNG-handreiking ingedeeld in milieucategorieén die variéren van

categorie 1 (indicatieve afstand van 10 meter) tot categorie 6 (indicatieve

afstand van 1.500 meter). Als aan de indicatieve afstand kan worden voldaan,

is een activiteit qua milieuhinder inpasbaar. Enerzijds is dan ter plaatse van

Vormvrije MER beoordeling

EAM

Heumen

20

‘> Geling Advies a

.

.

omliggende milieugevoelige objecten (waaronder woningen) sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, anderzijds heeft het bedrijf voldoende zekerheid dat de bedrijfsactiviteiten binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen worden uitgeoefend. Omgevingstype

In de VNG-brochure worden twee omgevingstypen onderscheiden, namelijk ‘rustige woonwijk’/‘rustig buitengebied’ en ‘gemengd gebied’. De richtafstanden uit de VNG-brochure zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een daarmee vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied). De indicatieve afstanden zijn de afstanden die moeten worden aangehouden tot de gevels van woningen in een ‘rustige woonwijk’. Als sprake is van een ‘gemengd gebied’ mag de indicatieve afstand worden gecorrigeerd en kan de afstand met één trede worden verlaagd, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat. Het omgevingstype in de omgeving van het plangebied kan worden getypeerd als ‘rustig buitengebied’. Hierdoor kunnen de_ indicatieve afstanden niet worden gecorrigeerd.

Toetsing initiatief Het dichtstbijzijnde bedrijf is gelegen op circa 73 meter van het plangebied. Dit bedrijf heeft een agrarische bestemming. Voor een paardenhouderij is de grootste 50 meter (geur). Aan deze afstand wordt ruim voldaan. Hierdoor zullen deze bedrijven niet belemmerd worden in de_ bedrijfsvoering. Bovendien is daarmee op de locatie sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat.

Daarnaast is van belang dat de bedrijfsactiviteiten geen hinder veroorzaken op omliggende woningen. Bestaande in de omgeving gelegen woningen zijn op voldoende afstand gelegen. In de beoogde situatie wordt daarnaast een nieuwe woning opgericht. Voor paardenfokkerijen geldt een grootste richtafstand van 50 meter voor het aspect geur. In het bestemmingsplan is geborgd dat binnen deze afstand vanaf het bouwvlak voor de woning geen dierverblijven gebouwd mogen worden. Zie ook navolgende afbeelding. Voor overige aspecten is geen hinder te verwachten. De nieuwe en bestaande bedrijfsgebouwen zijn op voldoende afstand gelegen.

Vormvrije MER beoordeling

EAR

teumen

21

[> Geling Advies a

6

Figuur

Uitsnede situatieteke-

r

;

ning met 50 m cirkel

;

;

nieuwe working

4

a

<0 200 2)

nituw bijgebo

+, 2) 50.9 Bat

8

N

y

\

e

,

\

PRP.) aU

\

.

PO

at

(2600 eiy en Vie buttenrybak ‘

ABs NGO

2

., »

.

“E&Y

fos

—a vere ate * ante e®-9e@ a Peo

x

. ae

iS

\

AN BN mo \ We

>

Geconcludeerd kan worden dat er geen belemmeringen bestaan vanuit het aspect bedrijven en milieuzonering. 4.7

GEURHINDER

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) en het Activiteitenbesluit milieubeheer vormen het toetsingskader bij vergunningverlening voor geur veroorzaakt door dierenverblijven van veehouderijen. Indirect hebben de Wgv en het Activiteitenbesluit ook consequenties voor de ruimtelijke ordening, dit wordt wel de omgekeerde werking genoemd. Van belang is dat door ontwikkelingen in het voorliggende plan geen belemmeringen ontstaan voor de omliggende (agrarische) bedrijven en de bedrijfsontwikkeling van deze bedrijven.

Bij het beoordelen van het aspect geur zijn twee vragen van belang: >

Wat heeft de ontwikkeling voor effect op de voorgrond geurbelasting op de omliggende geurgevoelige effecten?

>

Is en blijft er sprake van een goed woon- en leefklimaat in de omgeving van het plangebied?

De Wav geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (ggo) (bijvoorbeeld een woning). De mate van bescherming van geurgevoelige objecten is afhankelijk van de ligging en van de aard van het gevoelig object. Voor de ligging wordt onderscheidt gemaakt in ligging binnen of buiten de bebouwde kom en ligging binnen of buiten een concentratiegebied.

Vormvrije MER beoordeling

EAR

Heumen

22

:|> Geling Advies a

.

.

In onderstaande tabel zijn de normen conform artikel 3, eerste lid van de Wov weergegeven:

Tabel 4

Het geurgevoelig object is gelegen in een:

Normen geurbe-

Concentratiegebied, binnen bebouwde kom

lasting

Concentratiegebied, buiten bebouwde kom

Ten hoogste toegestane geurbelasting:

Niet-concentratiegebied, binnen bebouwde kom Niet-concentratiegebied, buiten bebouwde kom

Een concentratiegebied is gedefinieerd als ‘concentratiegebied Zuid of concentratiegebied Oost als aangegeven in bijlage | bij de Meststoffenwet, of en als zodanig bij gemeentelijke verordening aangewezen gebied’. Voor dieren zonder emissiefactor gelden vaste afstanden. De afstand tot een geurgevoelig object dient in dat geval 100 meter te bedragen wanneer deze ligt binnen de bebouwde kom en 50 meter wanneer het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Bij gemeentelijke verordening kunnen gemeenten afwijken van de wettelijke normen. De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) biedt gemeenten, binnen een wettelijke vastgestelde bandbreedte, de beleidsvrijheid om zelf geurnormen vast te stellen. Gemeente Heumen heeft geen geurverordening vastgesteld. Dit betekent dat de wettelijke geurnormen van toepassing zijn. Voor de verspreidingsberekeningen wordt gebruik gemaakt van het verspreidingsmodel V-stacks vergunningen. V-stacks vergunning is een computerprogramma voor het berekenen van geur rond dierverblijven. Aan de hand van V-stacks vergunning wordt de geurbelasting berekend en getoetst. Op basis van deze berekening wordt duidelijk dat ruimschoots wordt voldaan aan de gestelde normen. De berekening voor de beoogde situatie is in de bijlagen bijgevoegd. Tevens worden er dieren gehouden waarvoor geen geuremissiefactor geldt (paarden en rundvee).

Zoals eerder aangeven dient de afstand buiten de bebouwde kom tot een geurgevoelig object 50 meter te zijn. Hier is sprake van. De dierverblijven zijn gelegen op meer dan 50 meter afstand van de nieuwe woning.

In de nabije omgeving zijn geen veehouderijen gelegen waar vee wordt gehouden met een geuremissiefactor. De dichtstbijziinde veehouderij met vee met een geuremissiefactor is gelegen op circa 750 m Malden). In de beoogde situatie zal er een zeer beperkte toename zijn van geuremissie (schapen). Ter plaatse van de nieuwe woning kan worden gesproken van een goed woon- en leefklimaat.

Vormvrije MER beoordeling

EAR

teumen

23

‘> Geling Advies o

.

.

In de omgeving van het plangebied zijn geen industriéle bedrijven gelegen welke geur uitstoten. Voorgenomen ontwikkeling wordt aldus niet belemmerd door de geur afkomstig van industrie in de omgeving van het plangebied.

4.8

AKOESTIEK

Op basis van de Wet geluidhinder (Wgh) zijn er drie geluidsbronnen waarmee bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening gehouden dient te worden: wegverkeers-, railverkeers- en industrielawaai. Voor dit plan geldt dat uitsluitend industrielawaai relevant is. Kijkende naar de richtafstand voor geluid, geldt dat deze 30 meter bedraagt. Binnen deze afstand zijn geen gevoelige objecten gelegen. De nieuwe woning is gelegen op 50 meter van de nieuw op te richten stallen. Hierdoor zijn geen nadelige effecten te verwachten. Bovendien nemen de bedrijfsactiviteiten in omvang af, doordat de nertsenhouderij wordt beéindigd. Concluderend kan gesteld worden er geen belemmeringen zijn voor het aspect geluid. 4.9

LUCHTKWALITEIT

Hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen, ook wel

bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’) bevat de regelgeving op het gebied van luchtkwaliteit. In de Wet milieubeheer zijn luchtkwaliteitseisen opgenomen voor diverse verontreinigende stoffen, waaronder stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). In artikel 5.16 van de Wet milieubeheer is vastgelegd in welke gevallen de luchtkwaliteitseisen geen belemmering vormen voor een nieuwe ontwikkeling. Dit is het geval wanneer: 1.

een ontwikkeling niet leidt tot overschrijding van de grenswaarden voor luchtkwaliteit;

2. 3.

ten gevolge van een ontwikkeling de concentraties van de betreffende stoffen verbeteren of ten minste gelijk blijven; een ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentraties van de betreffende stoffen in de buitenlucht;

4.

een ontwikkeling past binnen een vastgesteld programma (zoals het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit).

Een nadere uitwerking van de regelgeving met betrekking tot het begrip ‘niet in betekenende mate’ is vastgelegd in het ‘Besluit niet in betekende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’ en de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’. In de Regeling zijn categorieén van gevallen benoemd die in ieder geval als ‘niet in betekenende mate’ worden aangemerkt en waarvoor toetsing aan de grenswaarden dus zonder meer achterwege kan blijven. Er is blijkens deze regeling geen onderzoek nodig voor ‘woningbouwlocaties, indien een dergelijke locatie, in geval van één ontsluitingsweg, netto niet meer dan 1.500 nieuwe woningen omvat, dan

Vormvrije MER beoordeling

EAR

jeumen

24

[> Geling Advies a

.

.

wel, in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling, netto niet meer dan 3.000 woningen omvat'. De voorgenomen ontwikkeling heeft betrekking op de realisatie van één nieuwe woning. Hiermee wordt ruimschoots onder de aantallen gebleven zoals genoemd in de ‘Regeling niet in betekende mate bijdragen’.

In de toekomstige situatie is er sprake van een daling van de fijn stofemissie. De fijn stofemissie veroorzaakt door het houden van nertsen komt te vervallen. In de beoogde situatie worden enkele schapen gehouden welke fijnstofemissie veroorzaken, maar er blijft sprake van een grote afname. Dit is weergegeven in tabellen 1 en 2 in paragraaf 2.2. In de huidige situatie is sprake van 47.992 gram PM10 per jaar, in de beoogde situatie van 1.700 gram PM10 per jaar. Hierdoor is er sprake van een verbetering in en rondom het plangebied. Daarbij is de achtergrondconcentratie van fijnstof op de locatie volgens de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten 17,07 yg/m? voor fijnstof PMio. Dit is ver onder de grens van 40,0 pg/m? uit de Wet Milieubeheer.

Figuur7 Concentratie fijnstof planomgeving

(achtergrond)

Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN)

i |

MMM

MM

MM

MM

7

<i4

‘TS

14-16

+

ic-18

is-20

bs

>=22

ke

o20-22

Detail informatie

Gridcelwaarde:

17.07,

[s

“Openens selectcer cen kartaag en

Egan: gebruik de pijltjes, of en schuif

kdik

- Zoomen: [+] en [-], of: <SHIFT>klik en een rechthoek trekken

- Waarde opvragen: klik in de kaart

Bi

Voor dezelfde locatie zijn eveneens de waarden opgenomen voor fijnstof PMz5en NOz. De waarde voor PMz5 bedraagt ter plaatse van het plangebied 9,703 pg/m%. Dit is ver onder de richtwaarde van 25,0 pg/m*. De waarde voor NOz bedraagt ter plaatse van het plangebied 13,36 pg/m*. Ook dit is ver onder de grenswaarde van 40,0 yg/m?.

De voorgenomen ontwikkeling is niet in strijd met het bepaalde in de Wet milieubeheer. De luchtkwaliteit op de locatie is acceptabel. Er is sorake van

Vormvrije MER beoordeling

EAR

Heumen

25

‘b> Geling Advies a

.

.

een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Er bestaan voor wat betreft het

aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen. 4.10

EXTERNE VEILIGHEID

Externe veiligheid betreft het risico dat aan bepaalde activiteiten verbonden is voor niet bij de activiteit betrokken personen. De wet- en regelgeving rondom externe veiligheid richt zich op het beheersen van risicovolle bedrijfsactiviteiten en van risicovol transport (transport van gevaarlijke stoffen). Het gaat daarbij om de bescherming van individuele burgers en groepen tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen. Risicobronnen kunnen worden onderscheiden in risicovolle inrichtingen (waaronder Ipgtankstations), vervoer van gevaarlijke stoffen (over wegen, spoorwegen en vaarwegen) en buisleidingen (bijvoorbeeld leidingen voor aardgas of vloeibare brandstof).

Om voldoende ruimte te scheppen tussen een risicobron en personen of objecten die risico lopen (kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten) moeten vaak afstanden in acht worden genomen. Ook ontwikkelingsmogelijkheden die ingrijpen in de personendichtheid kunnen om onderzoek vragen. Het beoordelingskader voor risicovolle inrichtingen wordt gevormd door het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en voor buisleidingen het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Bij de beoordeling van externe veiligheidsrisico's staan, zowel in het Bevi, het Bevt als het Bevb, twee begrippen centraal: >

Het plaatsgebonden risico (PR): het risico op een plaats, uitgedrukt in een waarde voor de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval waarbij één of meer gevaarlijke stoffen zijn betrokken. Het plaatsgebonden risico kan op kaart worden weergegeven in de vorm van risicocontouren. Bij de beoordeling wordt getoetst of het plaatsgebonden risico niet hoger is dan eens per 1 miljoen

jaar (10-6 per jaar). >

Het groepsrisico (GR): de kans dat bij een ongeval buiten de locatie waar activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden 10, 100 of 1.000 slachtoffers tegelijk vallen. Het groepsrisico is een maat voor de verwachte omvang van een ramp. Bij de beoordeling van het groepsrisico wordt de hoogte van het groepsrisico vergeleken met de zogeheten oriéntatiewaarde. Een wijziging van het groepsrisico dient in bepaalde gevallen te worden verantwoord door het bevoegd gezag.

Risicobronnen kunnen worden onderscheiden in risicovolle inrichtingen (waaronder lIpg-tankstations), vervoer van gevaarlijke stoffen en buisleidingen. Om voldoende ruimte te scheppen tussen een risicobron en

Vormvrije MER beoordeling

Heumen

26

‘b> Geling Advies a

.

.

personen of objecten die risico lopen (kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten) moeten vaak afstanden in acht worden genomen. Ook ontwikkelingsmogelijkheden die ingrijoen in de personendichtheid kunnen om onderzoek vragen. Het beoordelingskader voor risicovolle inrichtingen wordt gevormd door het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), waarin de Basisnetten voor weg, spoor en water zijn vastgelegd. Voor buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Risicovolle inrichtingen In het plangebied en in de omgeving van het plangebied zijn geen inrichtingen gevestigd die onder het regime van het Bevi vallen. Er is geen sprake van belemmeringen vanwege de aanwezigheid van een risicovolle inrichting. aE RE ES

jonaire bronnen

Uitsnede

Se

4 Tarkrorndoten

este

erence ent o # snoor

ORES CGPRT DER RO or r eeE

7

a : 2 SS ek“oe JN ey

oh ey cit IE 14, OS YeNEE:tee 2(tier eseeenen Se |6h6h—hmCté<—~*~«*é~*=*é«é

4f © AardgasstationyMijnbouw Opalagtirkifonstot an

1atShera Sennett ecie Windturine

Te

(5 NN ee

extere velligheid risicokaart fae aoe © ~

\

\\ ZG

JNO Cee) / oo! JON ee PN yy eeeeek ener =<) cecie es Tanta cent Sec ae eerOnE SL

» ” ¢Hd pate.

EEE.

Reece etka) Ccno Sac vent aaae Suge eN

eee Cie eereernmeencretorerA © \ etre eee epee

Flat igteitsronesox.xenme ey on REEEEEE EEE

ety

.

\

ee ORE eer aanerrnsrey "|

fyermmtomemerns OO 6 Ne Vedigheidszones 2K SS agegees ‘. eee &: a=22%SSE MEREREE EEE kc een Sane ta]: Rie is‘Segeg RO ME es 3SRE ae SRSSe Soop chu Eee eh Ne Se pee

tied100% letaatzones

Boas eRe: eee ea SSBe ae Oe a 3deer picts tt aN

i

SE

neers

(Omgevingswet) o -

semen

att

eR

HE

Emenee

(ERE A TREES isaahiea DRGs ea eeenae sce neae. tacn ae ON ees

cues MEER EER

ae ee =

.\

See areca wes CececeEN20070.Mee Gees Bb bia Taha naea

tortop

%, NGA es Neen .

ERS

aosaore

0BRD Nees Sa eace ScenaBeene s exc) Sc es eee ie

Seeueanenge acanyontntee ieee

Buisleidingen Binnen het plangebied is geen buisleiding gelegen. De dichtstbijzijnde buisleiding is gelegen op circa 760 meter van het plangebied. Er is geen sprake van belemmeringen vanwege deze buisleiding.

Vervoer van gevaarlijke stoffen In het Bevt zijn de Basisnetten voor weg, spoor en water geimplementeerd in de wetgeving met betrekking tot externe veiligheid. Het Bevt regelt - in combinatie met de Regeling basisnet - enerzijds een risicoplafond voor het vervoer van gevaarlijke stoffen en bevat anderzijds regels voor ruimtelijke ontwikkelingen in de nabijheid van deze transportassen. Het Bevt bepaalt Vormvrije MER beoordeling

Heumen

27

‘> Geling Advies

(a)

.

.

onder andere dat bij ontwikkelingen binnen 200 meter van een transportroute voor gevaarlijke stoffen in bepaalde gevallen een uitgebreide verantwoording van het groepsrisico nodig is (Bevt artikel 8). Bij ontwikkelingen buiten de 200 meter, maar binnen het invloedsgebied, moet worden ingegaan op de mogelijkheden voor bestrijding/beperking van de omvang van een ramp en op de mogelijkheden voor zelfredzaamheid. Het invloedsgebied van een transportroute varieert, afhankelijk van de stofcategorieén die worden getransporteerd, van 40 tot meer dan 4.000 meter.

De dichtstbijzijnde transportroute is gelegen op circa 190 meter van het plangebied. De afstand van de transportroute tot aan de nieuwe woning bedraagt circa 280 meter. De woning is dus gelegen buiten de 200 meter zone, maar binnen het invloedsgebied (200 meter tot 4 km). Conform artikel 7 van het Bevt dient advies te worden gevraagd aan de Veiligheidsregio over de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Voor kleine ontwikkelingen, zoals omzetting van deze ontwikkeling, kan uitgegaan worden van de onderstaande uitgangspunten. Dit luidt als volgt: > >

Breng afsluitbare mechanische ventilatie aan in de woningen; Pas de beleidsregels Bereikbaarheid en Bluswatervoorziening toe;

>

Pas risicocommunicatie toe.

Navolgend wordt ingegaan op het advies. Mechanische ventilatie

De nieuwe woning moet voldoen aan het Bouwbesluit 2012. Als de woning

wordt voorzien van mechanische ventilatie dient deze conform artikel 3.31

van het Bouwbesluit uitgezet te kunnen worden. Beleidsregels Het betreft een bestaand perceel met een nieuw te realiseren woning. De beleidsregels Bereikbaarheid en Bluswatervoorziening worden toegepast. Risicocommunicatie

Gemeente Heumen sluit zich aan bij de landelijke risicocommunicatie. Conclusie

Externe veiligheid bestemmingsplan.

levert

geen

belemmeringen

op

voor

het

Activiteitenbesluit

In het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening’ dienen ook de veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit betrokken te worden bij de

Vormvrije MER beoordeling

EAR

teumen

28

[> Geling Advies oO

.

.

externe veiligheidsanalyse. In de omgeving van het plangebied bevinden zich geen propaantanks. Geconcludeerd kan worden dat er uit oogpunt van externe veiligheid geen belemmeringen zijn voor de beoogde ontwikkeling. 4.11

VERKEER EN PARKEREN

De ontwikkeling mag geen nadelige gevolgen hebben voor de verkeerssituatie in de omgeving van het plangebied. Met het beéindigen van de nertsenhouderij neemt het aantal verkeersbewegingen van zwaar verkeer fors af (van 589 vrachtwagens naar 60 vrachtwagens per jaar). Daartegenover staat een toename in verkeer van personenauto’s (6 auto’s naar 17 auto’s per dag) en middelzwaarverkeer (van 0 naar 20 per week). De locatie blijft ontsloten via de bestaande inritten. De nieuwe woning wordt onsloten via een pad aan de westzijde van het perceel. Deze komt uit op de gemeenschappelijk inrit aan het zuiden van de locatie. De wegen in de planomgeving hebben voldoende capaciteit om deze verkeersbewegingen te verwerken. Ook voor het parkeren zijn in de basis de ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’ van CROW aangehouden waarbij in het buitengebied bij een manege (paardenhouderij) een parkeernorm van 0,5 per box geldt. In totaliteit worden maximaal 50 paarden op de locatie gehouden. Dit betekent dat minimaal 25 parkeerplaatsen gerealiseerd moeten worden. Dit is echter geen realistisch aantal. Een paardenfokkerij is, wat betreft verkeer/parkeerplaatsen, niet vergelijkbaar met een manege. Worst-case scenario is dat er 17 personenauto’s tegelijkertijd de locatie bezoeken. Dit ten behoeve van de paardenhouderij, akkerbouwbedrijf en bij de woning.

Op de locatie worden aan de noordzijde van de stallen 14 parkeerplekken gerealiseerd (2,5 m x 5 m). Omdat deze aansluiten op een breed pad, zijn ze eventueel ook geschikt voor kleine vrachtwagens of auto’s/busjes met trailers. Aan de voorzijde van de woning worden ook 4 parkeerplekken gerealiseerd. Hierdoor kunnen er worst-case 18 auto’s/busjes (waarvan 14 met trailer) tegelijkertijd parkeren op de locatie. Grotere vrachtwagens kunnen tussen de stal en de sleufsilo eventueel ook nog parkeren. Hier is ook voldoende ruimte om te manoevreren. Het verkeer kan rond rijden om de machineberging en werkplaats heen. Er is voldoende parkeer en manoevreerruimte, waardoor parkeren in de berm voorkomen wordt.

Ten aanzien van de parkeerplaatsen voor de woning, wordt uitgegaan van de CROW. Hierin wordt een parkeer norm van vrijstaande woning in het buitengebied van minimaal 1,9 en maximaal 2,7 genoemd. Bij de nieuwe woning wordt een oprit gerealiseerd deze is voldoende groot voor voorgenoemde parkeerplekken. Zie ook navolgende afbeelding;

Vormvrije MER beoordeling

EAR

teumen

29

[> Geling Advies ao

Figuur 9

Parkeerplaatsen

binnen het plange-

bied

‘

7 A

nieuwe bifgebo

384

@

®-.

a?*@e al

Bs,

\

\

ee

hoe

N

%

o aN

SPs

ee

me =e ee \ -

XS <a s

~

et

KNaS a a coeA 4.12

\

.

\ (50m2) 5000s, & nant ihwe va buitenrifbakata

;

y

\

3 pox Gao 2)

.

ae

>

>“i

i ptheok

Pees es BSP 7 2 2).

SPUITZONES

Bij het mogelijk maken van een nieuwe voor drift gevoelige bestemming, in de nabijheid van bestemmingen, die het toepassen van chemische gewasbeschermingsmiddelen niet uitsluiten, is aandacht voor spuitzones nodig. Dit in verband met de risico’s voor de volksgezondheid, vanwege eventuele blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen via drift.

Met de term drift wordt de hoeveelheid gewasbeschermingsmiddel bedoeld, die bij het spuiten buiten het agrarisch perceel op de grond terecht kan komen en/of op hoogte door de lucht passeert. Drift is een belangrijke en directe bron van luchtverontreiniging waardoor mens en dier in contact kunnen komen met gewasbeschermingsmiddelen. Vooral bij middelen met een hoge toxiciteit en/of voor kwetsbare groepen, zoals jonge kinderen of ouderen, kan drift risico’s voor de gezondheid inhouden. Op basis van jurisprudentie wordt in de praktijk een spuitzone voor een voor driftgevoelige bestemming aangehouden van 50 meter, gemeten vanaf de bestemmingsgrens. Deze 50 meter is in diverse uitspraken van de Raad van State (bijvoorbeeld de uitspraak van 23 september 2009 in zaak nr. 200900570/1/R2) als “in het algemeen niet onredelijk” bevonden en geldt als een vaste richtafstand waar gemotiveerd van kan worden afgeweken. Een kleinere afstand is mogelijk, mits dat goed onderbouwd wordt.

De vaste richtafstand van 50 meter is in de open teelt met name van belang voor boomkwekerijen en boomgaarden, omdat gewasbeschermingsmiddelen daarbij niet alleen neerwaarts worden gespoten (onkruidbestrijding),

Vormvrije MER beoordeling

EAR

Heumen

30

‘> Geling Advies oa

.

.

maar ook zij- en opwaarts (voorkomen en bestrijden schimmels en plaagdieren). Omdat bij opwaarts spuiten de vioeistof op een grotere hoogte vrijkomt en er daardoor meer kans is op verspreiding, veroorzaakt het opwaarts spuiten de meeste drift en is om die reden maatgevend voor gezondheidsrisico’s.

Door een wijziging in de wetgeving is het verplicht om te spuiten met drift-

reductie van ten minste 75%. Dit maakt dat de aan te houden afstand kleiner

wordt, te weten 30 meter. Dit op basis van onderzoek van Wageningen Research naar driftreductie. De nieuwe woning is gelegen binnen 30 meter van een perceel waar gewasbeschermingsmiddelen kunnen worden toegepast. In hetzelfde onderzoek is echter aangegeven dat door toepassing van een houtwal op de perceelgrens er vanaf 5 meter van de perceelgrens geen overschrijdingen meer zijn. In deze situatie wordt de nieuwe woning aan de noord en west zijde van de woning omringd door grasland. Om dit grasland zijn struweelhagen gerealiseerd. De afstand van de struweelhaag tot aan het perceel van de woning is circa 15 meter aan de noordzijde en circa 25 meter aan de westzijde. Op de perceelgrens zal een beukenhaag met bomenrij (houtwal) van gerealiseerd worden met een omvang van 80-100 cm en een hoogte van 80-100 cm. Hierdoor zijn de gezondheidsrisico’s laag. Er zijn geen belemmeringen voor de voortgang van het plan.

4.13

VOLKSGEZONDHEID IN RELATIE TOT VEEHOUDERIJEN

Voor toetsing van het aspect volksgezondheid bij initiatieven in relatie tot veehouderijen, wordt de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: endotoxinetoetsingskader 1.0’ gehanteerd. Door middel van dit toetsingskader wordt getoetst of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het toetsingskader heeft alleen betrekking op pluimvee- en varkenshouderijen. In een straal van een kilometer vanaf de locatie is €én pluimveebedrijf ge-

vestigd (750 m, ESEEPEEEEED.Conform de geldende vergunning voor

deze locatie mogen hier 15 legkippen en 36 stuks rundvee worden gehuisvest. Dit is een gering aantal dieren en zal geen belemmering vormen voor de beoogde ontwikkeling. Binnen een straal van een kilometer is geen varkenshouderij gelegen. Het endotoxinetoetsingskader vormt daarmee geen belemmering. In het kader van het VGO-rapport ‘Veehouderij en gezondheid omwonenden’ is het tevens van belang of in de nabije omgeving van de locatie zich een geitenhouderij bevindt. Uit het rapport komt naar voren dat een verhoogde kans op longontsteking bestaat voor omwonenden in een straal van 2 kilometer rond geitenhouderijen. In de omgeving van de locatie zijn geen geitenhouderijen gelegen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13944382/1