CConstaterende datHeumen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage XII Rapport quickscan Wet natuurbescherming Looistraat 46

Raad 14 december 2023, gemeente HeumenBij agendapunt: Nieuw plan Kanaalzone met herinrichting sportpark de Broekkant11.977 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

RAPPORTAGE quickscan Wet natuurbescherming Looistraat 46 Malden

Rapport quickscan Wet natuurbescherming Looistraat 46, Malden Opdrachtgever

Gemeente Heumen Postbus 200 6580 AZ Malden

Rapportnummer

19811.006

Versienummer

D1

Status

Definitief

Datum

5 mei 2023

Opsteller1

Mevrouw J.J.R.M. van den Berg, BSc

Kwaliteitscontrole

Mevrouw R.H.A. Janssen, BSc

1

AVG In onze rapportages wordt niet gewerkt met handtekeningen en/of parafen. Conform protocol en eisen uit het kwaliteitssysteem wordt het rapport aantoonbaar vrijgegeven. In het kader van de AVG dient, voorafgaand aan publicatie of bij uitlevering aan derden, bijlagen met kadastrale uittreksels en namen van opdrachtgevers verwijderd dan wel zwart gelakt te worden.

KWALITEITSZORG Econsultancy is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is een vereniging van ecologische advies- en onderzoeksbureaus die werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en die de belangen behartigt van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. CERTIFICERING Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteits- en milieuhand-boek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NENEN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Daarnaast staat veilig werken bij Econsultancy voorop en zijn we gecertificeerd voor VCA*. BETROUWBAARHEID Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten en het al dan niet voorkomen van soorten. De gebruikte informatie omtrent verspreiding van soorten is deels afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.

Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde onderzoek neemt. Al onze rapportages worden opgesteld conform de ‘Handreiking omgaan met AVG in bodemonderzoeken’ opgesteld door de VKB (29 juni 2022). Hiermee voldoet de rapportage aan de eisen die de wet en NEN normen ons stellen en wordt tevens voldaan aan de AVG. GELDIGHEID ONDERZOEK In het algemeen kan gesteld worden dat een quickscan geldig is voor een periode van 2 tot 3 jaar, tenzij in deze periode de ecologische omstandigheden wezenlijk zijn veranderd en/of de Wet natuurbescherming, dan wel inzichten hieromtrent zijn gewijzigd. Bij uitstel van de uitvoering van een project met meer dan 3 jaar verdient het de aanbeveling de resultaten van de quickscan opnieuw te toetsen. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de rechthebbende.

INHOUDSOPGAVE 1

INLEIDING .................................................................................................................................................. 1

2

GEBIEDSBESCHRIJVING .............................................................................................................................. 2 2.1 2.2

Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving ............................................................................ 2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen .................................. 4

3

ONDERZOEKSMETHODIEK ......................................................................................................................... 5

4

OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING ............................................................................ 6 4.1 4.2 4.3 4.4

5

AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN .............................................................. 9 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7 5.8

6

Vogels ............................................................................................................................................. 9 Vleermuizen ................................................................................................................................. 11 Overige zoogdieren ...................................................................................................................... 13 Reptielen ...................................................................................................................................... 15 Amfibieën ..................................................................................................................................... 15 Vissen ........................................................................................................................................... 15 Ongewervelden ............................................................................................................................ 16 Planten ......................................................................................................................................... 16

TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING ................................................................................................ 17 6.1 6.2 6.3 6.4 6.5 6.6

7

Zorgplicht ....................................................................................................................................... 6 Soortenbescherming ...................................................................................................................... 6 Gebiedsbescherming ...................................................................................................................... 7 Houtopstanden .............................................................................................................................. 8

Broedvogels .................................................................................................................................. 17 Vleermuizen ................................................................................................................................. 19 Overige zoogdieren ...................................................................................................................... 20 Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën.................................................................. 20 Vissen ........................................................................................................................................... 21 Overige soort(groep)en ................................................................................................................ 21

TOETSING AAN GEBIEDSBESCHERMING.................................................................................................. 22 7.1 7.2

Natura 2000 ................................................................................................................................. 22 Natuurnetwerk Nederland ........................................................................................................... 23

8

HOUTOPSTANDEN ................................................................................................................................... 24

9

SAMENVATTING EN CONCLUSIES ............................................................................................................ 25

Bijlage 1 Bijlage 2

toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming verklarende woordenlijst 19811.006

1

INLEIDING

Econsultancy heeft van Gemeente Heumen opdracht gekregen voor het uitvoeren van een quickscan Wet natuurbescherming aan de Looistraat 46 te Malden. De quickscan Wet natuurbescherming is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen herontwikkeling van de onderzoekslocatie en heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden, houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. Tijdens het schrijven van onderhavige quickscan is Econsultancy eveneens bezig met het uitvoeren van aanvullend ecologisch onderzoek naar de alpenwatersalamander, das, steenmarter en kleine marterachtigen voor de gronden grenzend aan de onderzoekslocatie (project 19811.005). Econsultancy is lid van de branchevereniging Netwerk Groene Bureaus en werkt volgens de door het Netwerk opgestelde gedragscode en protocollen. In dat kader verklaart Econsultancy ten behoeve van de onderzoekslocatie niet eerder betrokken te zijn geweest bij ecologische advisering of ecologisch onderzoek.

19811.006 versie D1

1 / 27

2

GEBIEDSBESCHRIJVING

2.1 Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving De onderzoekslocatie (± 12 ha) ligt aan de Looistraat 46 te Malden. In figuur 2.1 is de onderzoekslocatie weergegeven.

Figuur 2.1 Topografische ligging van de onderzoekslocatie (rood vlak bij gele pijl).

De onderzoekslocatie is gelegen in agrarisch buitengebied buiten de bebouwde kom van Malden en bestaat uit weiland en akkerland met watergangen. Aan de westzijde is een woning gelegen, opgetrokken uit bakstenen met een pannen dak en bijbehorende stal en schuur. De onderzoekslocatie is omgeven door bomenrijen en mantelvegetatie. Ten oosten is het Maas-Waalkanaal gelegen en ten westen loopt de Looistraat. In figuur 2.2 is een luchtfoto van de onderzoekslocatie en de directe omgeving weergegeven. Figuur 2.3 t/m figuur 2.8 geven een impressie van de onderzoekslocatie, middels foto’s die zijn genomen tijdens het veldbezoek.

19811.006 versie D1

2 / 27

Figuur 2.2 Luchtfoto onderzoekslocatie en directe omgeving.

Figuur 2.3 Voorgevel woning.

Figuur 2.4 Oostzijde schuur.

Figuur 2.5 Noordwestzijde schuur.

Figuur 2.6 Groenstrook met weiland in het oosten.

Figuur 2.7 Noordzijde stal.

Figuur 2.8 Voortuin in het zuidoosten.

19811.006 versie D1

3 / 27

2.2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen De onderzoekslocatie behoort tot één van de voorkeurslocaties voor het verplaatsten van het sportpark Juliana '31. Ten behoeve van de realisatie van het sportpark wordt de bebouwing gesloopt en de begroeiing op de onderzoekslocatie verwijderd.

19811.006 versie D1

4 / 27

3

ONDERZOEKSMETHODIEK

Het onderzoek is uitgevoerd middels het verrichten van een bureauonderzoek en een veldbezoek. Op deze wijze is inzicht verkregen in de aanwezigheid van geschikt habitat en de daarbij te verwachten beschermde soorten, gesitueerd op of nabij de onderzoekslocatie. Het veldbezoek is afgelegd op 30 maart 2023. Tijdens dit veldbezoek is de gehele onderzoekslocatie, alsmede de directe omgeving beoordeeld. Gedurende het veldbezoek is gelet op de mogelijke aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten op basis van het aanwezige habitat. Vanwege de aanwezigheid van zolders is er met behulp van onder andere een zaklantaarn gezocht naar de aanwezigheid van rust- voorplantingsplaatsen van vleermuizen, overige zoogdieren en vogels. Verder is aan de hand van verspreidingsatlassen, andere standaardwerken en op basis van “expert judgement” nagegaan welke bijzondere planten- en diersoorten er voor kunnen komen op de onderzoekslocatie en zijn omtrent gebiedsbescherming gegevens van de provincie Gelderland opgevraagd. Actuele verspreidingsgegevens van flora en fauna zijn uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) opgevraagd. De quickscan Wet natuurbescherming is een toets van de ecologische potenties van de onderzoekslocatie en betreft geen volwaardig soort(en) specifiek onderzoek. Er zijn in het onderhavige onderzoek geen inventarisaties uitgevoerd van soorten en soortgroepen.

Een ecologische inventarisatie beslaat meerdere veldbezoeken gedurende de voor de soortgroep meest gunstige periode van het jaar.

19811.006 versie D1

5 / 27

4

OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING

Dit hoofdstuk geeft achtergrondinformatie over de natuurwetgeving waaraan de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie wordt getoetst. Er wordt een globale toelichting gegeven ten aanzien van potentiële overtredingen van de Wet natuurbescherming bij de meest voorkomende soorten en soortgroepen. Dit hoofdstuk is niet toegespitst op de situatie op de onderzoekslocatie, maar geeft enkel een beschrijving van de vigerende wetgeving. De Wet natuurbescherming is gericht op:   

het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit; het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur ter vervulling van maatschappelijke functies; het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen, vanwege hun bijdrage aan de biologische diversiteit en hun cultuurhistorische betekenis, mede ter vervulling van maatschappelijke functies.

De bevoegdheid voor het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen bij soortenbescherming ligt grotendeels bij de provincies. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag.

4.1 Zorgplicht Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd. Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. In bijlage 1 wordt dit artikel nader toegelicht.

4.2 Soortenbescherming Bij een quickscan wordt in beeld gebracht of er (potentiële) vaste rust- of voortplantingsplaatsen aanwezig zijn van de soorten uit de verschillende beschermingsregimes. Vervolgens wordt beoordeeld of de voorgenomen ingreep verstorend kan zijn en of nader onderzoek noodzakelijk wordt geacht. De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; 

soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1);

19811.006 versie D1

6 / 27

 

soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).

In bijlage 1 worden deze artikelen nader toegelicht.

4.3 Gebiedsbescherming Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten. Het gaat daarbij om Natura 2000-gebieden en gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Natura 2000 Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Met Natura 2000 wil men deze flora en fauna duurzaam beschermen. De staatssecretaris van Economische Zaken heeft voor Nederland ruim 160 Natura 2000gebieden aangewezen. Gezamenlijk hebben ze een oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare. Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie die zijn aangewezen op grond van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit. Binnen een gebied kan spanning optreden tussen economie en ecologie. In een zogenaamd beheerplan leggen Rijk en provincies vast welke activiteiten, op welke wijze mogelijk zijn. Uitgangspunt is steeds het realiseren van ecologische doelen met respect voor en in een zorgvuldige balans met wat particulieren en ondernemers willen. Het opstellen gebeurt daarom in overleg met alle direct betrokkenen, zoals beheerders, gebruikers, omwonenden, gemeenten, natuurorganisaties en waterschappen.

Samen geven ze invulling aan beleven, gebruiken en beschermen. Daar draait het om in de Nederlandse Natura 2000-gebieden (bron: Regiegroep Natura 2000). Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. (artikel 2.7, lid 2). Handelingen die een negatieve invloed hebben op Natura 2000-gebieden, worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Een vergunning is vereist. Door middel van het Nederlandse vergunningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd. De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door de desbetreffende provincie.

19811.006 versie D1

7 / 27

Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit:  bestaande natuurgebieden, waaronder de 21 Nationale Parken;  gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt;  landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer;  ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de Noordzee en de Waddenzee;  alle Natura 2000-gebieden. Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen.

4.4 Houtopstanden De bescherming van houtopstanden conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bos in Nederland te behouden. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van tien are of meer of rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat. In bijlage 1 (tabel VI) worden de regels nader toegelicht. Wanneer houtopstanden geveld worden, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Op basis van deze melding wordt door de provincie beoordeeld of de voorgenomen velling aanvaardbaar is in het kader van natuur- en landschapswaarden. Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Indien bij de voorgenomen ontwikkeling herplantplicht geldt, maar niet voldaan kan worden aan de herplantplicht op de projectlocatie zelf, dan dient een ontheffing aangevraagd te worden met betrekking tot de herplantplicht bij de desbetreffende provincie.

De provincie toetst vervolgens of voldaan wordt aan de bij de provinciale verordening gestelde regels voor herbeplanting op andere perceelsgronden. Deze regels hebben onder andere betrekking op de kwaliteit, oppervlakte en locatie van de andere grond en de natuurwaarde van de te vellen houtopstand. Tevens kan ontheffing verleend worden van herplantplicht ter plaatse, indien gewerkt wordt via een door het ministerie goedgekeurde gedragscode die gebruikt mag worden door een van de betrokken partijen voor een wijze van vellen en een wijze van herplanten.

19811.006 versie D1

8 / 27

5

AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN

Het voorkomen van planten- en diersoorten in een gebied wordt mede bepaald door de aanwezigheid van geschikt leefgebied. Een soort kan in zijn leefgebied gebruik maken van verschillende plekken om te verblijven. Al deze plekken (biotopen) kunnen een bepaalde functie voor de soort vervullen. In dit hoofdstuk wordt op basis van het aanwezige habitat / verblijfsmogelijkheden samen met verspreidingsgegevens beschreven welke beschermde soorten binnen de onderzoekslocatie kunnen voorkomen. Afhankelijk van de soort wordt ingegaan op de potentiële aanwezigheid van vaste rust- of voortplantingsplaatsen, foerageergebied en verbindingsroutes. Tevens wordt beoordeeld of de voorgenomen plannen een negatief effect kunnen hebben op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. In hoofdstuk 6 wordt beschreven welke juridische implicaties dit voor het project heeft.

5.1 Vogels Broedvogels (nesten jaarrond beschermd) Er zijn broedvogels waarvan de nesten ook beschermd zijn op het moment dat ze niet voor de voortplanting in gebruik zijn. Binnen het agrarisch buitengebied kunnen dit zijn: boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil, oehoe, ooievaar, ransuil, roek, slechtvalk, sperwer, steenuil, wespendief, en zwarte wouw. Van deze soorten kunnen nestlocaties van de slechtvalk, oehoe en zwarte wouw op voorhand worden uitgesloten. De slechtvalk broedt enkel op hoge stenige bebouwing, zoals kantoorgebouwen, torens en fabrieksschoorstenen, welke niet aanwezig zijn op de onderzoekslocatie. Volgens SOVON zijn er voor de oehoe en zwarte wouw geen broedgevallen in de omgeving bekend, waardoor deze soorten redelijkerwijs ook kunnen worden uitgesloten. Gierzwaluw en huismus De huismus en gierzwaluw zijn typisch gebouwbewonende koloniebroeders. De nesten van gierzwaluwen bevinden zich over het algemeen binnen de bebouwde kom. De onderzoekslocatie is gelegen buiten de bebouwde kom en daardoor dus ongeschikt bevonden voor de gierzwaluw. De huismus daarentegen wordt zowel binnen als buiten de bebouwde kom waargenomen. Huismussen nestelen voornamelijk tussen ruimtes onder dakpannen.

De woning op de onderzoekslocatie biedt geschikte nestgelegenheden aan de huismus door de ruimtes langs de dakranden die toegang geven tot ruimte onder de dakpannen (zie figuur 5.1). Daarnaast biedt de dakgoot mogelijk ook toegang aan de huismus tot de ruimte onder de dakpannen en vormt daarmee mede een geschikte nestlocatie (zie figuur 5.2). Negatieve effecten ten aanzien van huismus zijn op voorhand niet uit te sluiten (zie hoofdstuk 6).

19811.006 versie D1

9 / 27

Figuur 5.1 Ruimte onder overhangende dakpannen.

Figuur 5.2 Dakgoot met toegang onder dakpannen.

Kerkuil, steenuil en bosuil (cat. 5) Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF zijn er waarnemingen bekend van de steenuil en de kerkuil in de directe omgeving van de onderzoekslocatie. Daarnaast heeft de eigenaar van de woning een bosuil (cat. 5) waargenomen op deze locatie. De kerkuil, steenuil en bosuil zijn veelal afhankelijk van bebouwing en/of door de mens geplaatste nestkasten als nestgelegenheid en broeden veelal in boerenschuren of incidenteel in voldoende grote boomholtes. Op de onderzoekslocatie is een openstaande boerenschuur aanwezig die vrij toegankelijk is voor de betreffende soorten (zie figuur 5.3). Daarbij bevindt zich in de boerenschuur een zolder (zie figuur 5.4). Doordat de trap niet veilig genoeg was om te betreden is de zolder niet volledig geïnspecteerd op nestkasten. Wel zijn er voldoende sporen zoals braakballen en uitwerpselen aangetroffen, waardoor aanwezigheid van een van deze soorten niet op voorhand is uit te sluiten (zie figuur 5.5). De onderzoekslocatie vormt daarnaast geschikt foerageergebied voor zowel de kerkuil als steenuil en zou dienst kunnen doen als essentieel foerageergebied. Nader onderzoek zal moeten uitwijzen of, en zo ja welke functie de onderzoekslocatie heeft voor een van deze soorten (zie hoofdstuk 6).

Figuur 5.3 Toegankelijke schuur.

Figuur 5.4 Zolder.

Figuur 5.5 Sporen van uitwerpselen.

Boomvalk, buizerd, havik, ransuil, sperwer en wespendief Volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF zijn binnen enkele kilometers van de onderzoekslocatie waarnemingen gedaan van boomvalk, buizerd, havik, ransuil, sperwer en wespendief. Deze soorten zijn allen voor hun nest afhankelijk van (hoge) boomopstand. Op de onderzoekslocatie zijn geen bomen met nesten aanwezig. De hoge bomen binnen verstoringsafstand van 75 meter van de onderzoekslocatie konden goed worden onderzocht op de aanwezigheid van nesten. Er zijn geen nesten van roofvogels of ransuil aangetroffen. Tevens

19811.006 versie D1

10 / 27

zijn er geen sporen gevonden als, ruiveren, prooiresten of plukplaatsen, waardoor de aanwezigheid van een nest of rustplaats van deze soorten redelijkerwijs kan worden uitgesloten. Een overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van roofvogels en ransuil is bij de voorgenomen plannen dan ook niet aan de orde. Roek De roek is een koloniebroeder met slordige nesten in de toppen van (hoge) bomen. Deze nesten zijn redelijk eenvoudig aan te treffen. Er zijn geen potentiële nestlocaties aangetroffen op en in de directe omgeving van de onderzoekslocatie, waardoor negatieve effecten ten aanzien van de roek kan worden uitgesloten. Ooievaar Ooievaars bouwen grote nesten in/op bomen, daken, kerktorens, hoogspanningskabels en speciaal gemaakte platforms op palen. Ze komen voornamelijk voor in open natte gebieden, graslanden en agrarische gebieden. Op de onderzoekslocatie zijn geen (potentiële) ooievaarsnestlocaties aangetroffen. Verstoring ten aanzien van de ooievaar, als gevolg van de voorgenomen plannen, is dan ook uitgesloten. Grote gele kwikstaart De grote gele kwikstaart broedt en foerageert voornamelijk aan oevers van (snelstromende) beken en rivieren, maar ook wel langs stilstaand water. De soort broedt in een nis in een muur of onder een brug, bij boomwortels in oevers of in speciale nestkasten.

Dergelijke wateren en elementen zijn niet waargenomen op of in de omgeving van de onderzoekslocatie, waardoor negatieve effecten ten aanzien van de grote gele kwikstaart worden uitgesloten. Overige broedvogels De bebouwing/beplanting op de onderzoekslocatie kan nestgelegenheid bieden aan broedvogelsoorten zoals merel en houtduif. De nesten van deze soorten zijn alleen beschermd op het moment dat ze als zodanig in gebruik zijn. Overtredingen van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming zijn te voorkomen (zie hoofdstuk 6). De broedvogels waarvan het nest in uitzonderlijke gevallen eveneens jaarrond is beschermd, zijn voornamelijk holenbroeders, zoals spechten en mezen, of makers van grote nesten, zoals ekster en zwarte kraai. Het gaat hierbij om algemeen voorkomende soorten, die ook in de directe omgeving voldoende broedgelegenheid hebben. Er zijn derhalve geen bijzondere ecologische omstandigheden die rechtvaardigen dat de nesten van genoemde soorten op de onderzoekslocatie een jaarrond beschermde status zouden moeten hebben. Het werken buiten het broedseizoen is voldoende om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen (zie hoofdstuk 6).

5.2 Vleermuizen Volgens het cursusdictaat 'Vleermuizen en Planologie (Limpens et al., 2010) en de verspreidingsatlas van de NDFF is de onderzoekslocatie gelegen in een deel van Nederland waar de volgende vleermuissoorten kunnen voorkomen: meervleermuis, watervleermuis, franjestaart, baardvleermuis, brandts vleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, bosvleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en gewone dwergvleermuis.

19811.006 versie D1

11 / 27

Verblijfplaatsen op de onderzoekslocatie De bebouwing op de onderzoekslocatie is geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen, vanwege de aanwezigheid van geschikte openingen die toegang verlenen tot de spouwmuren (zie figuur 5.8), en ruimte langs de dakranden die toegang geven tot de ruimte onder de dakpannen. (zie figuur 5.1). Verder zijn er op verscheidene plekken ruimtes achter betimmeringen waargenomen waar vleermuizen gebruik van kunnen maken (zie figuur 5.6). De boeiboord is op meerdere plekken zodanig versleten waardoor vleermuizen toegang krijgen om in de boeiboord te verblijven (zie figuur 5.7). De bebouwing is geschikt als verblijfplaats voor de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, meervleermuis, gewone grootoorvleermuis en laatvlieger. Deze soorten kunnen de bebouwing gebruiken als zomer-, kraam-, paar- en milde winterverblijfplaats (zie hoofdstuk 6).

Figuur 5.6 Ruimte achter betimmeringen.

Figuur 5.7 Versleten boeiboord.

Figuur 5.8 Ruimte tussen muur en dakwand.

De aanwezige bomen op de onderzoekslocatie zijn onderzocht op holtes, spleten en/of loshangend schors, die kunnen dienen als potentiële vaste rust- of voortplantingsplaats voor boombewonende vleermuizen. Op de onderzoekslocatie zijn geen bomen aangetroffen die geschikt zijn als verblijfplaats voor boombewonende vleermuizen. Deze zijn niet aangetroffen en daarmee zijn verblijfplaatsen voor boombewonende vleermuizen uit te sluiten. Verblijfplaatsen buiten de onderzoekslocatie Grenzend aan de noordzijde van de onderzoekslocatie bevindt zich een bomenrij met enkele geschikte bomen met holtes. Eventuele verblijfplaatsen hierin ondervinden door de afstand tot de bouwlocatie en de aard van de ingreep, mogelijk hinder van de ingreep op de onderzoekslocatie (zie hoofdstuk 6). Foerageerhabitat De onderzoekslocatie zal, gelet op het aanwezige habitat gebruikt kunnen worden door in de omgeving verblijvende vleermuizen om te foerageren. De plannen zullen echter geen aantasting van belangrijk foerageerhabitat vormen. Door de voorgenomen ingreep zal het aanbod van foerageermogelijkheden niet in het geding komen, in de directe omgeving is meer geschikt foerageerhabitat voor vleermuizen aanwezig.

19811.006 versie D1

12 / 27

Vliegroutes Vleermuizen maken veelal gebruik van lijnvormige (donkere) landschapselementen als houtsingels, beken en lanen om zich te verplaatsen tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden. Door de herinrichting van de onderzoekslocatie worden mogelijk essentiële vliegroutes verstoord (zie hoofdstuk 6).

5.3 Overige zoogdieren Alle zoogdieren in Nederland zijn beschermd. Voor sommige algemeen voorkomende soorten geldt een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. Op deze wijze is er onderscheid te maken in streng beschermde en licht beschermde soorten. Streng beschermde soorten Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF en Broekhuizen et al. (2016) ligt de onderzoekslocatie binnen het verspreidingsgebied van de volgende streng beschermde grondgebonden zoogdieren: bever, boommarter, bunzing, das, eekhoorn, hermelijn, steenmarter, wezel en wild zwijn. Steenmarter, bunzing, hermelijn en wezel De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor de steenmarter. Deze soort komt in de omgeving veelvuldig voor. Steenmarters gebruiken hooizolders, holen, loze ruimtes onder het dak, schuurtjes maar ook stenenstapels of takkenhopen, als verblijfplaats. Een steenmarter heeft binnen zijn territorium verscheidene verblijfplaatsen. Tijdens het veldbezoek zijn met name in de stal potentiële verblijfplaatsen van de steenmarter aangetroffen, namelijk een oude paardenstal vol hooi (zie figuur 5.9) en meerdere onoverzichtelijke rommelhoeken (zie figuur 5.10). In diezelfde stal groeit bovenin ook een struik via de schacht naar binnen en creëert zodoende een verblijfplaats voor deze soort. Tevens zijn er uitwerpselen aangetroffen die mogelijk afkomstig zijn van de steenmarter.

Kleine marterachtigen zoals de bunzing, wezel en hermelijn zijn daarnaast sterk gebonden aan landschapselementen als houtwallen, bosschages en braamstruwelen die dekking bieden gedurende het foerageren en migreren tussen vaste rust- en voortplantingsplaatsen. Op de onderzoekslocatie zijn landschapselementen aanwezig die met elkaar en met de omgeving in verbinding staan. Bij de voorgenomen werkzaamheden zijn negatieve effecten ten aanzien van steenmarter, bunzing, hermelijn en wezel niet op voorhand uit te sluiten (zie hoofdstuk 6).

19811.006 versie D1

13 / 27

Figuur 5.9 Potentiële verblijfplaats steenmarter en kleine Figuur 5.10 Rommelhoek in de schuur. marterachtigen.

Eekhoorn De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor de eekhoorn. De hoge bomen op de onderzoekslocatie konden door het ontbreken van bladerdek goed worden onderzocht op de aanwezigheid van nesten. Er zijn geen nesten van eekhoorns aangetroffen, zodat de aanwezigheid van een vaste rust- of voortplantingsplaats van de eekhoorn kan worden uitgesloten. Das De das komt volgens de verspreidingsgegevens voor in de omgeving van de onderzoekslocatie. De graslanden rond de onderzoekslocatie vormen geschikt foerageergebied voor dassen. Houtwallen, greppels of andere oneffen terreinen die aan noord- en oostzijde van de onderzoekslocatie aanwezig zijn, bieden daarnaast ruimte voor een burcht. Ten tijde van schrijven van onderhavige quickscan Wet natuurbescherming vindt aanvullend ecologische onderzoek naar de das plaats binnen 1,5 kilometer rondom de onderzoekslocatie (project 19811.005) Bever Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF komt de bever voor langs het Maas-Waal kanaal. Op de onderzoekslocatie en de directe omgeving zijn echter geen vraatsporen of andere sporen die duiden op de aanwezigheid van de bever waargenomen. Op basis hiervan kan het voorkomen van de bever op de onderzoekslocatie worden uitgesloten.

Overige soorten Het voorkomen van overige grondgebonden zoogdieren waarvoor geen vrijstelling geldt zoals de boommarter en wild zwijn, zijn tijdens het veldbezoek niet vastgesteld. Vanwege het ontbreken van geschikt habitat voor het wild zwijn en geschikte bomen met boomholtes voor de boommarter, kan het voorkomen ervan redelijkerwijs worden uitgesloten.

19811.006 versie D1

14 / 27

Licht beschermde soorten De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor een aantal soorten grondgebonden zoogdieren. Het gaat daarbij om algemene soorten als konijn, haas, egel en rosse woelmuis. De verblijfplaatsen van deze soorten worden door de voorgenomen ingrepen mogelijk aangetast (zie hoofdstuk 6).

5.4 Reptielen Volgens gegevens van de NDFF zijn er in de afgelopen 5 jaar in de directe omgeving van de onderzoekslocatie de volgende streng beschermde reptielen waargenomen: hazelworm en levendbarende hagedis. Reptielen stellen specifieke eisen aan het habitat die betrekking hebben op verschillende factoren. De levendbarende hagedis komt voornamelijk voor op heide en hoogveen en de hazelworm wordt voornamelijk waargenomen op bos- en heideterreinen. Op de onderzoekslocatie is geen geschikt habitat voor reptielen aanwezig. De waarnemingen van de streng beschermde hazelworm en levendbarende hagedis, hebben betrekking op het nabijgelegen natuurgebied Hatertse en Overasseltse Vennen.

5.5 Amfibieën Volgens gegevens van de NDFF zijn binnen enkele kilometers rondom de onderzoekslocatie in de afgelopen 5 jaar de volgende soorten waargenomen: alpenwatersalamander, kleine watersalamander, gewone pad, rugstreeppad, en bruine kikker. In de sloot ten westen van de onderzoekslocatie is geschikt habitat voor de alpenwatersalamander aanwezig. In 2023 heeft Econsultancy reeds onderzoek naar de alpenwatersalamander uitgevoerd in de desbetreffende sloot (project 19811.005). De alpenwatersalamander is gedurende het aanvullend onderzoek niet in de sloot aan de oostzijde van de onderzoekslocatie aangetroffen. Negatieve effecten ten aanzien van de alpenwatersalamander zijn dan ook op voorhand uitgesloten. De onderzoekslocatie vormt geschikt landhabitat voor algemene amfibieënsoorten als bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander. De sloot die zich aan de westzijde van de onderzoekslocatie bevindt kan onderkomen bieden aan deze soorten. Op de onderzoekslocatie kunnen deze soorten beschutting vinden tussen de ruigte, struweel en opslag in de stal. De waarnemingen van de streng beschermde rugstreeppad, heeft betrekking op het nabij gelegen natuurgebied Hatertse en Overasseltse Vennen. Door de voorgenomen werkzaamheden kunnen negatieve gevolgen ontstaan voor algemene soorten (zie hoofdstuk 6).

5.6 Vissen Grote modderkruiper De grote modderkruiper heeft een voorkeur voor verlande wateren in laag dynamische overstromingsvlakten en moerasgebieden. Een aanzienlijk deel van het leefgebied ligt in de sloten van ingepolderde voormalige overstromingsvlakten. Daarnaast heeft de grote modderkruiper een dikke modderlaag nodig in combinatie met veel waterplanten voor zijn levenscyclus. De sloot ten westen van de onderzoekslocatie biedt geschikt

19811.006 versie D1

15 / 27

habitat voor de grote modderkruiper, maar wordt door de ingreep op de onderzoekslocatie niet aangetast. Hierdoor zijn er geen overtredingen van de Wet natuurbescherming te verwachten zijn met betrekking tot (algemene of) streng beschermde vissoorten. Indien er onverhoopt toch werkzaamheden aan de watergangen plaatsvinden, zijn negatieve effecten ten aanzien van de grote modderkruiper niet uit te sluiten (zie hoofdstuk 6).

5.7 Ongewervelden Libellen Er zijn slechts enkele libellensoorten die binnen de Wet natuurbescherming een strenge bescherming genieten. Deze zijn voor wat betreft hun verspreiding gebonden aan specifieke habitateisen, die veelal alleen in natuurgebieden zijn te vinden. Beschermde soorten zijn op de onderzoekslocatie niet te verwachten. Vlinders Volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF zijn rondom de onderzoekslocatie de volgende streng beschermde soorten waargenomen: bruine eikenpage, grote vos, grote weerschijnvlinder, iepenpage, kleine ijsvogelvlinder en zilveren maan. Beschermde vlinders stellen specifieke eisen aan het voortplantingshabitat. Bij het habitat is het belangrijk dat aan de eisen van alle stadia van de vlindersoort wordt voldaan. Voor de beschermde soorten in Nederland geldt dat deze veelal gebonden zijn aan specifieke waardplanten. Geschikte, meer algemene, waardplanten voor beschermde vlindersoorten als iepenpage (iep), grote vos (iep, zoete kers en sommige wilgensoorten) en grote weerschijnvlinder (boswilg en grauwe wilg) zijn op de onderzoekslocatie niet aanwezig en er wordt niet voldaan aan de habitateisen van deze vlindersoorten. De bruine eikenpage legt haar eitjes vooral op jonge en kwijnende eikjes, welke niet op de onderzoekslocatie aanwezig waren.

Het is uitgesloten dat er binnen de onderzoekslocatie geschikt habitat aanwezig is voor een (deel)populatie van een beschermde vlindersoort. Overige soorten Overige beschermde soorten, zoals vliegend hert, Europese rivierkreeft en platte schijfhoren, zijn op de onderzoekslocatie uit te sluiten. Er is geen geschikt habitat voor dergelijke beschermde soorten op de onderzoekslocatie aanwezig en er zijn geen waarnemingen bekend in de directe omgeving van de onderzoekslocatie.

5.8 Planten Aangezien de locatie geheel bestaat uit bebouwing, verharding, tuin, erf, begraasd en intensief beheerd weiland is het niet te verwachten dat er beschermde of zeldzame plantensoorten op de locatie te vinden zijn. De aanwezigheid van water, de zuurgraad van de bodem, de beschikbare hoeveelheid voedingsstoffen, de hoeveelheid zonlicht en de antropogene beïnvloeding bepalen in hoeverre een groeiplaats voor een bepaalde plant geschikt is. Vanwege de specifieke eisen die de meeste beschermde soorten stellen aan de groeiomstandigheden zijn beschermde plantensoorten op de onderzoekslocatie niet te verwachten.

19811.006 versie D1

16 / 27

6

TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING

Als gevolg van de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie kunnen er overtredingen van verbodsbepalingen uit soortbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming optreden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke soorten er sprake is van dreigende overtreding van de Wet natuurbescherming en of met eenvoudige maatregelen overtreding is te voorkomen. Verder wordt beschreven voor welke soorten een vervolgtraject noodzakelijk is, bijvoorbeeld omdat toetsing van de ingreep aan de Wet natuurbescherming op basis van de huidige onderzoeksinspanning niet mogelijk is, en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van ontheffingen.

6.1 Broedvogels Jaarrond beschermde broedvogels Huismus De nesten van huismussen zijn het gehele jaar beschermd en vallen onder de beschermingscategorie 2 van vogelnesten. Dit zijn nesten van koloniebroeders die elk seizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. Volgens artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming is het verboden nesten van huismussen te beschadigen, te vernielen of weg te nemen. Indien er op de onderzoekslocatie nestplaatsen van huismussen aanwezig zijn, hetgeen op basis van de huidige informatie niet is uit te sluiten, zal de voorgenomen ingreep kunnen leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming. Om vast te stellen of er broedgevallen van de huismus in de woning op de onderzoekslocatie aanwezig zijn dient een nader onderzoek uitgevoerd te worden tijdens het broedseizoen van de soort. Kerkuil De nesten van kerkuilen zijn het gehele jaar beschermd en vallen onder de beschermingscategorie 3 van vogelnesten. Dit zijn nesten van zeer honkvaste broeders of broeders die afhankelijk zijn van bebouwing. Volgens artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming is het verboden nesten van de kerkuil te beschadigen, te vernielen of weg te nemen. In de meest zuidelijke schuur op de onderzoekslocatie is, op basis van de aangetroffen sporen, mogelijk sprake van een roest- of nestplaats van de kerkuil.

Door de sloop van de schuur gaat deze functie voor de kerkuil verloren. Om de exacte functie van de betreffende schuur voor de kerkuil vast te stellen, dient een nader onderzoek uitgevoerd te worden. Steenuil De steenuil en zijn leefgebied is beschermd volgens artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming. De soort staat tevens vermeld in de EU-vogelrichtlijn. De nesten van steenuilen zijn het hele jaar beschermd en vallen onder categorie 1 van vogelnesten: ‘nesten die behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- of voortplantingsplaats’. De steenuil heeft twee relevante typen verblijfplaatsen. Dit zijn:

19811.006 versie D1

17 / 27

 

de plek die als nest gebruikt wordt (voortplantingsplaats) en die ook in de rest van het jaar gebruikt wordt als verblijfplaats de plekken die regelmatig door de steenuil worden gebruikt buiten het broedseizoen, maar die ook in het broedseizoen door het mannetje worden gebruikt als het vrouwtje op het nest aan het broeden is.

Steenuilen gebruiken hun nestplek ook buiten de voortplantingsperiode. Ze hebben daarnaast ook andere plekken op het erf die ze regelmatig gebruiken. Dit ook om parasietinfecties tegen te gaan. Het mannetje gebruikt een verblijfplek in de directe omgeving van het nest als het vrouwtje aan het broeden is. Overdag verblijven de uilen tijdens rustperioden vaak op vaste roestplekken. Dit doen ze in de dekking van beplanting of gebouwen of in de nestholte. Al deze plekken worden niet gerekend tot de vaste rustplaatsen, maar zijn wel onderdelen van de functionele leefomgeving die hoort bij het nest (BIJ12, 2017). In de meest zuidelijke schuur op de onderzoekslocatie is een roest- of nestplaats van de kerkuil of steenuil niet uit te sluiten. Door de sloop van de schuur gaat een eventuele functie van de schuur voor de steenuil verloren. Om te bepalen of de betreffende schuur een functie heeft voor de steenuil, waardoor een negatieve invloed op het functioneel leefgebied dreigt, dient een nader onderzoek uitgevoerd te worden. Bosuil (cat. 5) De bosuil behoort in Gelderland tot de categorie 5 soorten. Dit zijn vogel waarvan het nest alleen jaarrond beschermd is als er sprak is van ecologisch zwaarwegende redenen. De bosuil wordt meegenomen in het aanvullend onderzoek naar de kerkuil en steenuil.

Indien uit het aanvullend onderzoek blijkt dat de schuur in gebruik is als verblijfplaats voor de bosuil, dienen mogelijk mitigerende maatregelen te worden genomen voor deze soort. Algemene broedvogels Voor de algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien het groen buiten het broedseizoen wordt verwijderd, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. Artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming (Het is verboden nesten te beschadigen, te vernielen of weg te nemen) is van toepassing. De nesten mogen echter wel worden weggenomen wanneer deze op dat moment niet in gebruik zijn. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Met betrekking tot het verwijderen van de aanwezige beplanting buiten het broedseizoen wordt geadviseerd om ook het snoeiafval buiten het broedseizoen te verwijderen. Een grote stapel snoeiafval vormt namelijk een ideale broedlocatie voor kleine vogelsoorten als de winterkoning. Indien onverhoopt een dergelijke soort hierin tot broeden komt, mag het snoeiafval niet eerder worden verwijderd dan wanneer de jongen definitief zijn uitgevlogen.

19811.006 versie D1

18 / 27

6.2 Vleermuizen De te slopen bebouwing op de onderzoekslocatie is geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. De sloop van de bebouwing zou in geval van aanwezigheid van een verblijfsfunctie van vleermuizen kunnen leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming. Alle vleermuissoorten zijn opgenomen in bijlage IV van de EU-Habitatrichtlijn, dier- en plantensoorten van communautair belang die strikt moeten worden beschermd. Vleermuizen worden ook benoemd in Bijlage II van de conventie van Bonn. Gelet op de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor vleermuizen, zal aanvullend onderzoek noodzakelijk zijn om de daadwerkelijke functie van het gebied voor vleermuizen te kunnen vaststellen. Deze informatie is benodigd om vast te kunnen stellen of overtredingen van de Wet natuurbescherming aan de orde zijn. De vleermuissoorten die onderzocht dienen te worden zijn gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, meervleermuis en laatvlieger. Een dergelijk aanvullend onderzoek dient te worden uitgevoerd conform het protocol voor vleermuisonderzoek (Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, 2021). Dit houdt in dat afhankelijk van de potentiële functies er in de periode april tot en met september een aantal veldbezoeken uitgevoerd dienen te worden.

Vervolgens kan aan de hand van de onderzoeksresultaten worden vastgesteld of er overtredingen plaats zullen vinden bij de uitvoering van het project. Bij het aantreffen van verblijfplaatsen van vleermuizen is bij de voorgenomen werkzaamheden overtreding van de Wet natuurbescherming naar verwachting niet te vermijden en is daarom een ontheffingsaanvraag aan de orde. Door het treffen van maatregelen zal de functionaliteit van een rust- of voortplantingsplaats behouden moeten worden en zal schade aan individuen moeten worden voorkomen. Deze maatregelen, omschreven in een activiteitenplan, dienen vervolgens ter goedkeuring te worden voorgelegd aan de provincie Gelderland, middels een ontheffingsaanvraag. Verblijfplaatsen en vliegroutes buiten onderzoekslocatie In enkele bomen in de bomenrij grenzend aan de noordzijde van de onderzoekslocatie zijn potentieel geschikte verblijfplaatsen voor vleermuizen waargenomen. Daarnaast dienen de bomenrijen grenzend aan de noord-, oost- en westzijde van de onderzoekslocatie mogelijk als vliegroute voor vleermuizen. Ten aanzien hiervan kunnen overtredingen van de Wet natuurbescherming worden voorkomen, door additionele (bouw)verlichting in de richting van deze bomen te voorkomen. Hierbij worden de uitgangspunten uit het verkennend natuuronderzoek van Sweco (rapport 51007211, d.d. 11 mei 2022) aangehouden.

Hierin wordt omschreven dat verstoring van potentiële verblijfplaatsen en vliegroutes kan worden voorkomen door rekening te houden met verlichting: -

(bouw)verlichting niet richten op omliggende groenstructuren tussen één uur voor zonsondergang en één uur na zonsopkomst in de periode maart tot en met oktober. Bij de permanente verlichting dient er zo min mogelijk uitstraling te zijn naar de omgeving. Sweco adviseert een grenswaarde van maximaal 2,0 lux uitstraling tussen 07:00 – 23:00 uur en 1,0 lux tussen 23:00 – 07:00 uur.

19811.006 versie D1

19 / 27

Daarnaast wordt geadviseerd inrichtingsmaatregelen te nemen zoals een extra bomenrij/houtwal om verlichtingstoename richting de huidige bomenrijen te beperken. Door het treffen van deze maatregelen zal de functionaliteit van een rust- of voortplantingsplaats behouden moeten worden en zal schade aan individuen worden voorkomen. Indien dit niet mogelijk is, wordt onderzoek naar boombewonende vleermuizen in de betreffende bomenrijen alsnog noodzakelijk geacht.

6.3 Overige zoogdieren Steenmarter en kleine marterachtigen De steenmarter, bunzing, hermelijn en wezel zijn beschermde inheemse diersoorten conform artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. Dat houdt in dat het verboden is de soorten opzettelijk te doden of te vangen, en vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen. Bij de voorgenomen plannen zijn negatieve effecten ten aanzien van de steenmarter en kleine marterachtigen niet op voorhand uit te sluiten en zal aanvullend onderzoek noodzakelijk zijn om de daadwerkelijke functie van het gebied voor deze soorten vast te stellen. Deze informatie is benodigd om te kunnen bepalen of overtredingen van de Wet natuurbescherming aan de orde zijn bij de voorgenomen plannen. Indien blijkt dat de onderzoekslocatie in gebruik is door desbetreffende soorten dan dienen mitigerende maatregelen genomen te worden en dient mogelijk een ontheffing te worden aangevraagd

6.4 Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën Voor de te verwachten soorten geldt dat de werkzaamheden mogelijk verstorend kunnen werken. Als gevolg van graafwerkzaamheden kunnen dieren verwond of gedood worden en holen kunnen worden verwijderd. Dit houdt een overtreding van artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming in. Voor de te verwachten soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen echter een vrijstelling, waardoor geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Het doden of verwonden kan plaatsvinden wanneer rust- of voortplantingslocaties worden aangetast. Het verwijderen van het aanwezige groen, snoeiafval en bladerhopen dient daarom buiten de gevoelige periode van voortplanting of winterrust uitgevoerd te worden. De geschikte periode voor het uitvoeren van de werkzaamheden betreft de periode september tot november. Dieren die gedurende de werkzaamheden worden aangetroffen dienen de gelegenheid te krijgen om veilig weg te komen.

19811.006 versie D1

20 / 27

6.5 Vissen Grote modderkruiper De grote modderkruiper is een nationaal beschermde soort krachtens artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. Het voortplantingswater noch rustplaatsen mogen opzettelijk worden beschadigd of vernield. Ook mogen individuen niet opzettelijk worden gedood. Optie 1: sloot en oever ten westen van de onderzoekslocatie blijven behouden. Indien geen werkzaamheden aan de sloot zijn voorzien blijft het leefgebied van de grote modderkruiper behouden en zijn negatieve effecten ten daarmee overtreding van de Wet natuurbescherming niet aan de orde. Optie 2: werkzaamheden voorzien aan sloot en oever ten westen van de onderzoekslocatie. Indien werkzaamheden aan de sloot en begroeide oever zijn voorzien is overtreding van de Wet natuurbescherming niet te voorkomen en is aanvullend onderzoek noodzakelijk om de daadwerkelijk functie van het gebied voor de grote modderkruiper vast te stellen. Aan de hand van het aanvullend onderzoek kan worden beoordeeld of overtreding van de Wet natuurbescherming plaatsvindt. Algemene vissensoorten Indien de watergangen worden gedempt zullen zonder maatregelen vissen worden gedood, hetgeen een overtreding van de Wet natuurbescherming inhoudt. De te verwachten soorten vallen echter onder het provinciale soortenbeleid, zodat voor de werkzaamheden niet vooraf een ontheffing hoeft te worden aangevraagd.

Voor de te verwachten vissoorten geldt echter wel de zorgplicht. Dit houdt in dat het doden van individuen redelijkerwijs vermeden dient te worden. Dit kan door het afvangen van vissen voorafgaande aan de dempingswerkzaamheden en het verplaatsen van de vis in de te handhaven watergangen in de directe omgeving. Aanbevolen wordt om ten tijde van de uitvoering de werkwijze vast te leggen in een ecologisch werkprotocol dat bij de uitvoerende partij onder de aandacht dient te worden gebracht.

6.6 Overige soort(groep)en Overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn wegens het ontbreken van geschikt habitat/verblijfsmogelijkheden, op basis van verspreidingsgegevens, de aanwezigheid van voldoende alternatieven en/of gezien de aard van de ingreep in dit geval niet aan de orde.

19811.006 versie D1

21 / 27

7

TOETSING AAN GEBIEDSBESCHERMING

In algemene zin kan er door een plan sprake zijn van negatieve gevolgen, op vanuit de Wet natuurbescherming aangewezen beschermde gebieden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke gebieden er mogelijk sprake is van negatieve effecten als gevolg van de voorgenomen ingrepen op de onderzoekslocatie. Verder wordt beschreven of een vervolgtraject noodzakelijk is en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van vergunningen.

7.1 Natura 2000 De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, Sint Jansberg, bevindt zich op circa 6,22 kilometer afstand ten zuidoosten van de onderzoekslocatie (zie figuur 7.1).

Figuur 7.1 Ligging onderzoekslocatie (rood vlak) ten opzichte van Natura 2000 (gele vlakken).

De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect. Externe effecten als gevolg van licht, trilling en geluid als door de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie zijn, gezien de afstand tot de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden niet te verwachten. Externe effecten als gevolg van een toename van stikstofdepositie zijn vanwege de aard van de ingreep en afstand tot de onderzoekslocatie op voorhand niet uit te sluiten. Vervolgonderzoek in het kader van de gebiedsbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van stikstof wordt noodzakelijk geacht. Dit kan in eerste instantie worden onderzocht middels een modelberekening (AERIUS-calculator).

19811.006 versie D1

22 / 27

7.2 Natuurnetwerk Nederland De onderzoekslocatie maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk. De onderzoekslocatie ligt echter wel in de nabijheid van een gebied, behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Het meest nabijgelegen gebied bevindt zich aangrenzend ten noorden van de onderzoekslocatie. In figuur 7.2 is de ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland weergegeven.

Figuur 7.2 Ligging onderzoekslocatie (rood vlak) ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland (groene vlakken).

De onderzoekslocatie grenst aan een onderdeel van het Gelders Natuurnetwerk (GNN). Het Natuurnetwerk betreft in Gelderland een louter planologische bescherming van de aangewezen gebieden zelf. Aan de randen valt een klein deel van het GNN binnen de planlocatie. Echter zal het GNN buiten de ontwikkeling vallen en niet worden aangetast. Om negatieve effecten ten aanzien van verlichting binnen het GNN zoveel mogelijk te beperken heeft Sweco in het eerder uitgevoerde 'verkennend natuuronderzoek' (rapport 51007211, d.d. 11 mei 2022) het volgende geadviseerd: Wanneer de grenswaarde voor lichthinder in/op een natuurgebied van maximaal 2,0 lux uitstraling wordt gehanteerd tussen 07:00 – 23:00 uur en 1,0 lux tussen 23.00 – 07.00 uur (Richtlijn Lichthinder van de NSVV), treedt er geen negatief effect op de omliggende GNN-gebieden. Het minimaliseren van verstoring door verlichting kan door het toepassen van gerichte verlichting en aangepaste lichtbronnen. Aanbevolen wordt om ter onderbouwing een berekening (lichtplan) te laten opstellen.

19811.006 versie D1

23 / 27

8

HOUTOPSTANDEN

De Wet natuurbescherming beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen, gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Het is verboden deze houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen zonder voorafgaande melding bij gedeputeerde staten. In dit hoofdstuk wordt beschreven of er bij de voorgenomen kap sprake is van meldingsplicht en herplantplicht conform artikel 4.2 en artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming. Verder wordt beschreven of er vervolgmaatregelen getroffen dienen te worden ten behoeve van de voorgenomen houtkap. De bomen op de onderzoekslocatie vallen niet onder de definitie houtopstanden, als bedoeld in paragraaf 4.1 van de Wet natuurbescherming. De te vellen bomen op de onderzoekslocatie betreffen een houtopstand op erven of in tuinen. Voor deze houtopstand geldt geen meldingsplicht en herplantplicht.

19811.006 versie D1

24 / 27

9

SAMENVATTING EN CONCLUSIES

Econsultancy heeft in opdracht van Gemeente Heumen een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd aan de Looistraat 46 te Malden. De quickscan Wet natuurbescherming is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen herontwikkeling van de onderzoekslocatie en heeft tot doel om in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten, gebieden of houtopstanden aanwezig zijn die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve gevolgen kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. De onderzoekslocatie behoort tot één van de voorkeurslocaties voor het verplaatsten van het sportpark Juliana '31. Ten behoeve van de realisatie van het sportpark wordt de bebouwing gesloopt en de begroeiing op de onderzoekslocatie verwijderd. De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in tabel 9.1. In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten. In de tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen. Tabel 9.1

Overzicht geschiktheid onderzoekslocatie voor soortgroepen en te nemen vervolgstappen.

Soortgroep

Broedvogels

Vleermuizen

Geschikt habitat

Ingreep verstorend

Nader onderzoek

Ontheffingsaanvraag

Bijzonderheden / opmerkingen*

algemeen

ja

ja

nee

nee

- het verwijderen van nestgelegenheden buiten het broedseizoen uitvoeren - het verwijderen van aanwezige beplanting en snoeiafval buiten het broedseizoen uitvoeren

jaarrond beschermd

ja

mogelijk

ja

mogelijk

- aanvullend onderzoek naar huismus benodigd - aanvullend onderzoek naar steenuil, kerkuil en bosuil (cat. 5) benodigd - indien steenuil wordt aangetroffen aanvullend onderzoek naar foerageergebied benodigd

verblijfplaatsen

ja

mogelijk

ja

mogelijk

- aanvullend onderzoek naar gebouwbewonende vleermuizen benodigd - voorkomen additionele verlichting richting de bomenrijen aan de noordzijde van de onderzoekslocatie, - uitganspunten verkennend natuuronderzoek van Sweco - inrichtingsmaatregel aanplant houtwal/bomenrij - indien niet mogelijk alsnog onderzoek

19811.006 versie D1

25 / 27

Soortgroep

Geschikt habitat

Ingreep verstorend

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13475086/1