Bijlage XI Bijlagen toelichting - Ecologische quickscan
Tekst van het document
Ecologische quickscan in het kader van de Wet Natuurbescherming Droogsestraat, Malden
Colofon Het onderzoek en de rapportage vonden plaats onder beheer van De Rooy; Landschappelijk. Tekst, foto’s en samenstelling door B.J.C. de Rooy in opdracht van Kragten te Roermond. Te citeren als: DE ROOY, B.J.C. (2023). Ecologische quickscan in het kader van de Wet Natuurbescherming. Droogsestraat, Malden. De Rooy; Landschappelijk,Elsloo Alle rechten uitdrukkelijk voorbehouden. Het copyright ligt bij de uitvoerder. Voor meer informatie kunt u een e-mail sturen aan bjcderooy@gmail.com Rapportnummer: 2022041V1 Status rapport: 3 januari 2023, concept Totaal aantal pagina’s: 29
Foto voorpagina: Zicht op het westelijk deel van het plangebied. Het plangebied bestaat overwegend uit geëgaliseerd, braakliggend terrein met zeer laag groeiende kruidachtige planten..
2
Inhoud 1
2
3
Inleiding ..................................................................................................................................................... 4 1.1
Aanleiding .......................................................................................................................................... 4
1.2
Onderzoeksvragen ............................................................................................................................ 4
Werkwijze .................................................................................................................................................. 5 2.1
Inleiding.............................................................................................................................................. 5
2.2
Veldonderzoek ................................................................................................................................... 5
2.3
Bureauonderzoek .............................................................................................................................. 5
Plangebied ................................................................................................................................................ 6 3.1
Ligging van het plangebied ................................................................................................................ 6
3.2
Landschappelijke situering ................................................................................................................ 6
3.3
Huidig landgebruik ............................................................................................................................. 6
4
Omschrijving ingrepen en juridisch belang ............................................................................................... 9
5
Resultaten ............................................................................................................................................... 10
6
7
I.
5.1
Zoogdieren ....................................................................................................................................... 10
5.2
Vogels .............................................................................................................................................. 14
5.3
Reptielen .......................................................................................................................................... 15
5.4
Amfibieën ......................................................................................................................................... 17
5.5
Vissen .............................................................................................................................................. 17
5.6
Ongewervelden ................................................................................................................................ 17
5.7
Vaatplanten ...................................................................................................................................... 18
5.8
Beschermde gebieden ..................................................................................................................... 18
Effectbeoordeling, conclusies en aanbevelingen .................................................................................... 21 6.1
Beschermde gebieden ..................................................................................................................... 21
6.2
Effectbeoordeling beschermde soorten en conclusies .................................................................... 22
6.3
Vervolgmaatregelen en aanbevelingen ........................................................................................... 23
6.4
Samenvatting ................................................................................................................................... 24
Bronnen ................................................................................................................................................... 25 7.1
Literatuur .......................................................................................................................................... 25
7.2
Bronnen internet .............................................................................................................................. 27
7.3
Bronnen Nationale- en Internationale wetgeving............................................................................. 27
Vogels met jaarrond beschermde nesten – Provincie Gelderland .......................................................... 28
3
1 Inleiding 1.1 Aanleiding De initiatiefnemer is voornemens bouwwerkzaamheden uit te voeren in het plangebied. Daartoe worden graaf- en bouwwerkzaamheden voorzien in het plangebied. Aangezien het project een ruimtelijke ontwikkeling behelst, is de initiatiefnemer verplicht om in het kader van nationale en internationale wet- en regelgeving onderzoek te doen naar het voorkomen van beschermde planten en dieren. In het onderhavige geval is onderzoek gedaan naar de effecten van de ingrepen op beschermde soorten van de Wet Natuurbescherming en de kwaliteit van beschermde gebieden, zowel binnen het plangebied als in de directe nabijheid daarvan.
1.2 Onderzoeksvragen Deze effectrapportage geeft antwoord op de volgende vragen: •
• • • •
Welke middels de Wet Natuurbescherming (WNB) beschermde functies komen potentieel voor in het plangebied? ◦ Welke middels de WNB beschermde planten en dieren komen (potentieel) voor in het plangebied en in de directe nabijheid daarvan? ◦ Welke beschermde gebieden (Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland en beschermde bosopstanden) komen voor binnen het plangebied en/of in de directe nabijheid daarvan? ◦ Maakt het plangebied onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland? Wat zijn de effecten van de ingrepen op de aangetroffen, middels de natuurwetgeving beschermde planten- en diersoorten en beschermde gebieden? Leveren de voorgenomen ingrepen een overtreding op van de WNB? Is vervolgonderzoek naar één of meerdere soortgroepen noodzakelijk? Welke maatregelen en/of aanpassingen in de wijze van uitvoer van de ingrepen zijn voorts nog noodzakelijk om te voldoen aan de wettelijke eisen van de WNB?
Naar aanleiding van de conclusie(s) worden soorten en functies besproken die eventueel aanvullend onderzoek behoeven. Ook wordt duidelijk of negatieve effecten op beschermde gebieden op voorhand uit te sluiten zijn of dat hier nog een nadere toetsing voor nodig is.
4
2 Werkwijze 2.1 Inleiding Het onderhavige onderzoek behelst een ecologische potentie-inschatting op grond van een veldbezoek aan het plangebied en een bureauonderzoek. In onderstaande paragrafen wordt de werkwijze nader toegelicht.
2.2 Veldonderzoek Op 1 december 2022 werd het plangebied bezocht. Daarbij werd gebruik gemaakt van verrekijker, zaklantaarn, fotocamera en handheld invoerapparaten, te weten tablet en telefoon. In Tabel 1 zijn de weersomstandigheden ten tijde van het veldbezoek weergegeven. Het plangebied werd doorlopen, waarbij de aanwezige ecotopen werden onderzocht op het voorkomen van jaarrond beschermde vogelnesten, holen en burchten (vos, das en overige zoogdieren), wissels en andere sporen. Tevens is in het veld actief gezocht naar aanwezige exemplaren van beschermde planten, dieren en kwetsbare vegetaties.
Datum 1-12-2022
Tijdstip 13:00 – 14:00
Windkracht (Beaufort) 1
Temperatuur
Bewolkingsgraad
Neerslag
6o C.
Licht bewolkt
droog
Tabel 1. Weersomstandigheden ten tijde van het veldbezoek.
2.3 Bureauonderzoek Het bepalen van overige, aanwezige potenties in het plangebied vond plaats middels een literatuuronderzoek aan relevante, actuele verspreidingsgegevens. Daartoe is hoofdzakelijk gebruik gemaakt van actuele gegevens1 van de Nationale Databank Flora & Fauna (NDFF), actuele verspreidingsatlassen, websites en de Nationale en provinciale gegevens omtrent de aanwezigheid en juridische status van beschermde gebieden in Nederland. Op basis van de gegevens uit het veldbezoek en het literatuuronderzoek is een inschatting gemaakt van de aanwezige, beschermde plant- en diersoorten met bijbehorende functies in het plangebied. De mogelijk negatieve effecten van de ingreep zijn vervolgens getoetst aan de natuurwetgeving. Tenslotte is bepaald of aanvullend onderzoek noodzakelijk is.
1 Voor het onderhavige onderzoek is gebruik gemaakt van gegevens uit de NDFF over een tijdsperiode tot
vijf jaren terug
5
3 Plangebied 3.1 Ligging van het plangebied Het plangebied is een perceel aan de noordelijke grens van de plaats Malden in de gemeente Heumen. Malden is een plaats in de provincie Gelderland en bevindt zich ten zuiden van de stad Nijmegen. Malden bevindt zich tussen de rivieren de Waal en de Maas. Het perceel is gelegen aan de Droogsestraat in Malden.
Afbeelding 1. Ligging van het plangebied in rood weergegeven.
3.2 Landschappelijke situering Het plangebied behoort fysisch-geografisch tot het zuidelijk zandgebied. Het bevindt zich net ten zuiden van de grens met het rivierengebied. Verder bevindt het plangebied zich direct ten westen van een stuwwal, waarop zich het nabijgelegen bosgebied ‘Heumensoord’ bevindt. De oppervlakkige bodem van het plangebied bestaat uit zand zonder grind- en leemfractie.
3.3 Huidig landgebruik Het plangebied bestaat uit een braakliggend perceel met beplanting en een gebouwtje. In Afbeelding 2 is een overzicht van het huidige landgebruik weergegeven. De begrenzing van het plangebied wordt aan de west-, noord- en oostzijde gevormd door een circa 190 centimeter hoog draadmetalen hekwerk. Dit hekwerk is aan de binnenzijde voorzien van een kunststof scherm (‘amfibieënscherm’) dat circa 12 centimeter boven het maaiveld uitsteekt en is ingegraven in de bodem. Dit scherm is op twee plaatsen niet geheel sluitend (zie Afbeelding 4 op pagina 15). Tegen het hekwerk is aan deze zijden een border aangelegd met betonnen sluitbanden en houtsnippers. Over deze
6
houtsnippers loopt een beregeningsbuis langs de begrenzing van het perceel.
Afbeelding 2. Het landgebruik in het plangebied ten tijde van het veldbezoek op 1 december 2022.
Aan de zuidzijde wordt het plangebied begrensd door een circa 2 meter hoge haag van laurierkers (Prunus sp.). Deze haag is door gerichte en regelmatige snoei zeer dicht van structuur. Aan deze zijde is het plangebied tevens toegankelijk via een draaibaar hek en een klein stuk bestrating van grindtegels. Tegen de bestrating van grindtegels bevindt zich een klein gebouwtje (‘schuurtje’) met o.a. een beregeningsinstallatie. De draagconstructie van het schuurtje is betimmerd met verticaal geplaatste, metalen golfplaten. Aan de voorzijde (straatzijde) bevinden zich twee naar elkaar draaiende deuren van metaal. Het dak bestaat uit twee overlappende golfplaten die op de draagconstructie zijn bevestigd. Kieren en naden tussen de platen onderling zijn niet afgedicht, noch zijn muren en dak geïsoleerd. Aan de noordwest- en zuidoostzijde van het schuurtje is de binnenruimte duidelijk zichtbaar via de openingen die gevormd worden door de golvende dakbedekking. Daarmee kan lucht vrijelijk door de constructie circuleren. Tegen de zuidwestelijke muur van dit schuurtje bevindt zich een gesnoeide laurierkers en tegen de noordwestelijke muur twee stuks tuinmeubilair. In de noordelijk georiënteerde hoek is een glansmispel (Photinia sp.) geplant. Deze boom heeft een stamdiameter van circa 9 centimeter op borsthoogte. In de stam bevinden zich geen scheuren, holtes en/of vogelhuisjes.
Evenwijdig aan de zuidwestelijke zijde van het plangebied bevindt zich een lijnvormige beplanting van levensbomen (Thuja sp.). Deze bomen hebben een gemiddelde stamdiameter van circa 10 centimeter op 30 centimeter hoogte vanaf het maaiveld. In de stammen bevinden zich geen scheuren, holtes en/of vogelhuisjes. Tegen, tussen en onder de levensbomen bevinden zich enkele vlakliggende schuttingdelen,
7
zeilen, golfplaten, een horizontaal liggende regenton en enkele losliggende, betonnen sluitbanden (zie Afbeelding 3). Tegen de uiterste zuidelijke hoek van het plangebied bevinden zich diverse bouwmaterialen, gekeerde kruiwagens, gereedschappen en enkele bamboeplanten in potten.
Afbeelding 3. De rij levensbomen vanuit het noordoosten bezien. Op de voorgrond enkele losse, betonnen sluitbanden.
Tussen de hierboven besproken inrichtingselementen was het bodemoppervlak braakliggend en pas geëgaliseerd. Zodoende is in het plangebied geen sprake van enige spontane begroeiing, behalve enige zones met grassprieten en zeer jonge kruidachtige planten (zie foto voorpagina).
8
4 Omschrijving ingrepen en juridisch belang De initiatiefnemer is voornemens het plangebied om te vormen tot een woonperceel, bestaande uit een tuin, twee opritten, twee garages en een woongebouw. Daartoe worden op het bestaande perceel graaf- en bouwwerkzaamheden uitgevoerd. De beoogde activiteiten hebben landschappelijk een ruimtelijk wijzigend karakter. Daarmee is in juridische zin sprake van een ruimtelijke ingreep en zijn juridische, ruimtelijke belangen in het onderhavige geval van toepassing, zoals omschreven in artikel 3.10, lid 2a van de Wet Natuurbescherming. Aangezien de beoogde activiteiten een verstoring en/of verslechtering van aanwezige, beschermde, dan wel kwetsbare natuurwaarden kunnen veroorzaken, zijn bovenvermelde activiteiten onderzoeksplichtig in het kader van de zorgplicht van de Wet Natuurbescherming naar aanleiding van het bepalende wetsartikel 1.11, lid 2a, 2b en 2c. Daarmee geldt de onderzoeksplicht ten opzichte van onder de wetgeving beschermde soorten met als doel het vaststellen welke maatregelen dienen te worden genomen om schade te voorkomen dan wel te verzachten.
9
5 Resultaten 5.1 Zoogdieren 5.1.1 Europese eekhoorn De Europese eekhoorn (Sciurus vulgaris) heeft grote bosgebieden met voldoende voedselbomen en struiken nodig om tot een gunstige populatieomvang te komen. In het plangebied zijn geen bossen of parkachtig bos aanwezig. Het plangebied bestaat overwegend uit een braakliggend terrein. Evenmin is in het plangebied een ruime voorraad voorname voedselbomen (bomen met noten en grote zaden) aanwezig. Het dichtstbijzijnde uitgestrekte bosgebied ligt op circa 920 meter ten oosten van het plangebied, namelijk Het Heumensoord. Ten tijde van het veldbezoek zijn geen nesten en sporen van de Europese eekhoorn aangetroffen in het plangebied. De aanwezigheid van de Europese eekhoorn in het plangebied kan redelijkerwijs worden uitgesloten.
5.1.2 Europese bever De Europese bever (Castor fiber) is een soort die langs rivieren, beken en in zeer natte moerassen leeft alwaar deze vrije toegang tot bomen (vooral wilgen en elzen) behoeft. In het plangebied is geen (stromend) water aanwezig, evenmin geschikte voedselbomen als wilgen en elzen. Daarmee vormt het plangebied geen geschikt leefgebied voor de Europese bever. Tijdens het veldbezoek zijn geen (knaag)sporen van Europese bevers aangetroffen. De aanwezigheid van de Europese bever in het plangebied kan daarmee redelijkerwijs worden uitgesloten.
5.1.3 Europese hamster De Europese hamster (Cricetus cricetus) is een soort die de voorkeur geeft aan extensief beheerde graanakkercomplexen en kruidenrijke perceelranden op een lemige bodem (löss) waarin gemakkelijk uitgebreide burchten kunnen worden gegraven. Dergelijke habitatkenmerken ontbreken in het plangebied. Tevens ligt het actuele verspreidingsgebied van de Europese hamster op aanzienlijke afstand (ruim 95 kilometer) van het plangebied. Tenslotte zijn tijdens het veldbezoek geen sporen en/of burchten van de Europese hamster aangetroffen in het plangebied. Daarmee kan het voorkomen van de Europese hamster in het plangebied redelijkerwijs worden uitgesloten.
5.1.4 Slaapmuizen De verspreidingsgebieden van de eikelmuis (Eliomys quercinus) en de hazelmuis (Muscardinus avellanarius) liggen ruim buiten het plangebied. Natuurlijke populaties van beide soorten bevinden zich in Zuid-Limburg op ruim 100 kilometer van het plangebied. De habitat van de hazelmuis in Nederland bestaat uit uitgestrekte, zuidelijk geëxponeerde, braamrijke zomen tegen bosschages en bosranden met zadenrijke bomen. Een dergelijke habitat is in het plangebied niet aanwezig. Het areaal van de eikelmuis is in Nederland vrijwel exclusief verbonden met bosrijke gebieden waar kalksteen (‘mergel’) dagzoomt en op regelmatige plaatsen fruitgaarden met rommelige hoekjes voorkomen. Dergelijke habitats zijn niet aanwezig in het plangebied. In het plangebied kan daarmee het voorkomen van slaapmuizen redelijkerwijs worden uitgesloten.
10
5.1.5 Grote bosmuis De habitat waarin de grote bosmuis (Apodemus flavicollis) in Nederland en de ons omringende landen wordt aangetroffen zijn hoog opgaande loofbossen met goed ontwikkelde struiklagen en ruige graslanden langs beken en rivieren (BROEKHUIZEN ET AL., 2016). Deze habitatkenmerken zijn niet aanwezig in het plangebied. Volgens de NDFF komt de grote bosmuis voor op een afstand van minimaal 25 kilometer afstand van het plangebied. Daarmee kan het voorkomen van de grote bosmuis in het plangebied redelijkerwijs worden uitgesloten.
5.1.6 Molmuis De habitat van de molmuis (Arvicola scherman) bestaat uit een afwisselend agrarisch landschap met akkers, boomgaarden, tuinen en wateren (BROEKHUIZEN ET AL., 2016). Het plangebied is te karakteriseren als een tuin. Het aandeel kruidachtige planten, struiken en loofbomen is echter zo laag dat het plangebied niet geschikt is als foerageergebied voor de molmuis. Tijdens het veldbezoek zijn in het plangebied geen sporen aangetroffen die wijzen op aanwezigheid van de molmuis in het plangebied. Daarmee zijn vaste rust- en/of verblijfplaatsen van de soort niet aanwezig in het plangebied. Volgens de NDFF en BROEKHUIZEN ET AL. (2016) is de verspreiding van de soort beperkt tot Zuiden Midden-Limburg en is deze tot op heden niet buiten de provincie Limburg vastgesteld. Daarmee kan het voorkomen van de molmuis in het plangebied redelijkerwijs worden uitgesloten.
5.1.7 Marterachtigen De boommarter (Martes martes) is sterk gebonden aan oude loofbossen met bomen met veel (grote) boomholten. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen van boommarters aangetroffen in het plangebied, evenmin zijn bomen met (grote) holtes in stam en takken aanwezig in het plangebied en/of de directe omgeving daarvan. Tevens komt de boommarter volgens de NDFF op minimaal 1 kilometer afstand van het plangebied voor, waarmee de aanwezigheid van boommarter in het plangebied redelijkerwijs kan worden uitgesloten. Volgens de gegevens van de NDFF komt de steenmarter (Martes foina) voor op een afstand van minder dan 1 kilometer van het plangebied. De steenmarter komt voor in een zeer breed scala aan habitattypes, waaronder verstedelijkt gebied, dorpskernen en agrarisch gebied. Het plangebied bevindt zich op de grens van een dorpskern met agrarisch gebied, waarmee het geschikt leefgebied vormt voor steenmarter. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen (voetafdrukken en/of latrines) van steenmarters aangetroffen in het plangebied, evenmin zijn onder tal van objecten aanwijzingen voor de aanwezigheid van vaste rust- en/of verblijfplaatsen van steenmarters aangetroffen. De steenmarter heeft daarmee geen vaste rust- en/of verblijffuncties in het plangebied. De aanwezigheid van steenmarter in het plangebied kan daarmee redelijkerwijs worden uitgesloten.
In het plangebied en in de directe nabijheid daarvan zijn geen schone, diepere, visrijke wateren aanwezig. Daarmee is het plangebied niet geschikt als leefgebied voor de otter (Lutra lutra). Volgens de NDFF komt de otter voor op meer dan 5 kilometer van het plangebied. Daarmee is het voorkomen van vaste rust- en/of verblijfplaatsen van de otter binnen het plangebied redelijkerwijs uit te sluiten. Het voorkomen van de otter in het plangebied kan redelijkerwijs worden uitgesloten. Volgens de NDFF komt de das (Meles meles) voor binnen 1 kilometer van het plangebied. Dassen hebben hun vaste rust- en/of verblijfplaatsen (‘burchten’) in loofboomrijke landschapselementen zoals bossen en houtwallen. Dergelijke habitatkenmerken zijn niet aanwezig in het plangebied. Dassen foerageren op o.a. akkers, weilanden, in tuinen en bosrijk gebied. Het plangebied is geschikt als foerageergebied voor dassen, echter in het plangebied en in de directe omgeving daarvan zijn tijdens het veldbezoek geen sporen en/of holen (burchten) van dassen aangetroffen. Het bodemtype van het plangebied bestaat uit dekzand zonder
11
leem, hetgeen niet geschikt is voor de bouw van burchten door de das. De das heeft dan ook geen verblijfplaats, wissels of essentieel foerageergebied in het plangebied. Het voorkomen van de das in het plangebied kan redelijkerwijs worden uitgesloten.
5.1.8 Grote roofdieren Het plangebied betreft een voormalige tuin met een omheining aan de rand van bewoond gebied. Het plangebied en de directe omgeving daarvan is niet in staat om een gunstige prooidierpopulatie mogelijk te maken voor grote roofdieren als wolf (Canis lupus), lynx (Lynx lynx) en wilde kat (Felis sylvestris). Tijdens het veldbezoek zijn geen vaste rust- en/of verblijfplaatsen en/of sporen van wolf, lynx, wilde kat en prooidieren als hoefdieren, konijn of haas aangetroffen. De aanwezigheid van grote roofdieren in het plangebied kan redelijkerwijs worden uitgesloten.
5.1.9 Veldspitsmuis Het leefgebied van de veldspitsmuis (Crocidura leucodon) bestaat in Nederland uit kleinschalige, agrarische cultuurlandschappen op zandige bodems met een halfopen, bloemrijke vegetatie, waaronder akkerranden en bermen (BROEKHUIZEN ET AL., 2016). In het plangebied zijn dergelijke habitatkenmerken niet aanwezig, aangezien het overgrote deel van het plangebied bestaat uit braakliggend terrein. Het verspreidingsgebied van de veldspitsmuis ligt volgens de NDFF en BROEKHUIZEN ET AL. (2016) meer dan 50 kilometer buiten het plangebied. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen aangetroffen die aanleiding geven om aan te nemen dat de veldspitsmuis vaste rust- en/of verblijfplaatsen binnen het plangebied of de directe omgeving daarvan heeft. Daarmee kan het voorkomen van de veldspitsmuis in het plangebied redelijkerwijs worden uitgesloten.
5.1.10 Waterspitsmuis De Waterspitsmuis (Neomys fodiens) is gebonden aan schone wateren. De soort komt voor bij zowel snel stromende rivieren en beken als bij stilstaande wateren. Daarbij is de aanwezigheid van een goed ontwikkelde watervegetatie en ruig begroeide oeverzone van essentieel belang. Waterspitsmuizen jagen in zowel ruige, grazige vegetaties als in Elzenbroekbossen (o.a. Broekhuizen et al., 2016). In het plangebied zijn dergelijke habitats (of fragmenten daarvan) niet aanwezig. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het huidige verspreidingsgebied van de Waterspitsmuis (Broekhuizen et al., 2016). Volgens de NDFF komt de soort voor op een afstand van meer dan 10 kilometer van het plangebied. Daarmee kan het voorkomen van de Waterspitsmuis in het plangebied redelijkerwijs worden uitgesloten.
5.1.11 Vleermuizen Het plangebied is geschikt als foerageergebied voor alle in Nederland voorkomende vleermuissoorten (zie Tabel 2). Op grond van de geringe oppervlakte van het plangebied en de afwezigheid van inheemse loofbomen en struiken, is de aanwezigheid van essentieel foerageergebied redelijkerwijs uitgesloten. Lijnvormige elementen zijn in het plangebied uitsluitend aanwezig in de vorm van een laurierkershaag en draadmetalen afrastering. Deze elementen zijn lager dan drie meter waardoor de kans redelijkerwijs nihil is dat zij dienen als vliegroute van vleermuizen. De bomen (zomereiken) die direct aan de noordgrens van het plangebied groeien, kunnen wel fungeren als vliegroute van vleermuizen. In het plangebied bevindt zich een zeer klein gebouw met een beregeningsinstallatie. Het betreft een klimatologisch niet-gebufferd object, waarmee de aanwezigheid van winter-, kraam- en zomerverblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuissoorten is uitgesloten. Op grond van expert judgement kan niet worden uitgesloten dat het gebouwtje fungeert als paarverblijfplaats van gewone dwergvleermuis. Aangezien voldoende buffering ontbreekt kan de functie als paarverblijf voor overige gebouwbewonende vleermuissoorten derhalve redelijkerwijs wel worden uitgesloten.
In het plangebied en de directe nabijheid daarvan zijn geen bomen aanwezig met afbladerende schorsdelen, diepe, brede scheuren en/of holtes in (dikke) takken en/of stam. Daarmee is de aanwezigheid van vaste rust- en/of verblijfplaatsen van
12
boombewonende vleermuizen in het plangebied en de directe omgeving daarvan redelijkerwijs uitgesloten. Winterverblijfplaats
Kraamverblijfplaats
Zomerverblijfplaats
Paarverblijfplaats
Vliegroutes
Essentieel foerageergebied
Gewone dwergvleermuis – Pipistrellus pipistrellus Ruige dwergvleermuis – Pipistrellus nathusii Kleine dwergvleermuis – Pipistrellus pygmaeus Rosse vleermuis – Nyctalus noctula Bosvleermuis – Nyctalus leisleri Laatvlieger – Eptesicus serotinus Tweekleurige vleermuis – Vespertilio murinus Gewone grootoorvleermuis – Plecotus auritus Grijze grootoorvleermuis – Plecotus austriacus Vale vleermuis – Myotis myotis Watervleermuis – Myotis daubentonii Meervleermuis – Myotis dasycneme Franjestaart – Myotis nattereri Ingekorven vleermuis – Myotis emarginatus Bechsteins vleermuis – Myotis bechsteinii Baardvleermuis – Myotis mystacinus Brandt’s vleermuis – Myotis brandtii
-
-
-
X -
X X X X X X X X X X X X X X X X X
-
Tabel 2. Potentieel aanwezige vleermuisfuncties in het plangebied van in Nederland voorkomende vleermuissoorten. 'X' betekent dat een functie mogelijk aanwezig is, ‘-‘ betekent dat een functie redelijkerwijs is uitgesloten.
5.1.12 Hoefdieren Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen van hoefdieren als damhert (Dama dama), edelhert (Cervus elaphus) en/of wild zwijn (Sus scrofa) aangetroffen. Deze soorten zijn allen gebonden aan uitgestrekt, bosrijk gebied. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een groter bos- en/of parkachtig gebied. Daarmee kan het voorkomen van damhert, edelhert en wild zwijn in het plangebied redelijkerwijs worden uitgesloten.
5.1.13 Zeezoogdieren Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een maritiem ecosysteem of (brak) estuarium(moeras). Het voorkomen van zeezoogdieren in het plangebied kan daarmee redelijkerwijs worden uitgesloten.
13
5.2 Vogels De Wet Natuurbescherming (WNB) beschermt alle in Nederland inheemse broedvogelsoorten op twee niveaus: • •
Vogels met jaarrond beschermde nesten → deze nesten én nestlocaties zijn jaarrond beschermd; Overige broedvogels → van deze groep vogels zijn de nesten én de nestlocaties uitsluitend beschermd als de locatie ‘functioneel’ is als nestplaats.
In Nederland duurt het broedseizoen van 15 maart tot 15 juli. Gedurende deze periode is het verboden om opzettelijk vogels, hun eieren en hun nesten te verstoren en te vernielen. Ook buiten deze periode mogen broedende vogels van deze groep en hun functionele nesten niet opzettelijk worden verstoord en/of vernield.
5.2.1 Jaarrond beschermde nesten In bijlage I worden de vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten vermeld. Naar aanleiding van de gegevens uit de NDFF is gebleken dat de volgende vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten voorkomen op een afstand van minder dan 1 kilometer van het plangebied: Blauwe reiger, boerenzwaluw, bonte vliegenvanger, boomklever, boomkruiper, boomvalk, bosuil, buizerd, ekster, gekraagde roodstaart, gierzwaluw, glanskop, grauwe vliegenvanger, groene specht, grote bonte specht, grote gele kwikstaart, havik, huismus, huiszwaluw, ijsvogel, kleine bonte specht, koolmees, ooievaar, pimpelmees, raaf, ransuil, roek, slechtvalk, sperwer, spreeuw, steenuil, torenvalk, wespendief, zwarte kraai, zwarte roodstaart en zwarte specht. Tijdens het veldbezoek zijn geen nesten aangetroffen in de opgaande beplanting, evenmin in de bomen in de directe omgeving daarvan. Nesten van blauwe reiger, boomvalk, buizerd, ekster, havik, ooievaar, raaf, roek, sperwer, wespendief en zwarte kraai zijn in het veld goed herkenbaar en zijn dan ook niet aanwezig in het plangebied en/of de directe omgeving daarvan. In het plangebied is geen groot gebouw aanwezig, waarmee de aanwezigheid van soorten die in, aan en/of op gebouwen broeden (gierzwaluw, boerenzwaluw, huiszwaluw, huismus, slechtvalk en steenuil) redelijkerwijs kan worden uitgesloten.
In het plangebied en/of de directe nabijheid daarvan zijn geen bomen aanwezig met holten in stam of takken. De aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten van holenbroeders in het plangebied is daarmee dan ook redelijkerwijs uitgesloten. Daarmee zijn nesten van bonte vliegenvanger, boomklever, boomkruiper, bosuil, glanskop, grauwe vliegenvanger, groene specht, grote bonte specht, kleine bonte specht, koolmees, pimpelmees, spreeuw en zwarte specht niet aanwezig in het plangebied. In het plangebied en/of de directe nabijheid daarvan is geen stromend water met steile oevers aanwezig. Daarmee is de aanwezigheid van nesten van grote gele kwikstaart en ijsvogel redelijkerwijs uitgesloten. Tijdens het veldbezoek zijn geen vogelnesten en/of kasten voor broedende roofvogels aangetroffen in het plangebied en/of de directe nabijheid daarvan. Daarmee zijn geen broedgevallen van torenvalk en steenuil aanwezig in het plangebied. Tijdens het veldbezoek is het aanwezige gebouwtje middels een endoscoop onderzocht op de aanwezigheid van vogelnesten, aangezien het interieur vrij toegankelijk is via de opening tussen golfplaat en wand. Hierbij zijn geen vogelnesten aangetroffen. In het plangebied en/of de directe omgeving daarvan zijn redelijkerwijs geen jaarrond beschermde vogelnesten aanwezig.
14
5.2.2 Overige vogels Het plangebied is beperkt geschikt als foerageergebied en vaste rust- en/of verblijfplaats voor zangvogels. Te verwachten vogelsoorten zijn algemenere soorten van tuinen en parken, waaronder winterkoning (Troglodytes troglodytes), zwartkop (Sylvia atricapilla), merel (Turdus merula), vink (Fringilla coelebs), tuinfluiter (Sylvia borin) en roodborst (Erithacus rubecula). In het plangebied en in de directe nabijheid daarvan zijn tijdens het veldbezoek geen nesten (of overblijfselen daarvan) aangetroffen. Dit betekent redelijkerwijs echter niet dat het plangebied niet wordt gebruikt door vogels die in struwelen broeden. Veel nesten zijn en blijven jaarrond verborgen. Nesten van bepaalde vogelsoorten zijn bovendien zeer onsamenhangend opgebouwd waardoor deze na het uitvliegen van de jongen vaak alweer uitéénvallen door regen en wind.
5.3 Reptielen In het plangebied zijn geen voor reptielen geschikte ecotopen (zoals schrale, heiderijke vegetaties met voldoende zonnige plekken aanwezig. Aangezien het plangebied aan alle zijden barrières heeft die voor landdieren moeilijk te overbruggen zijn (zie Afbeelding 4), is het aantal te verwachten reptielensoorten beperkt.
Afbeelding 4. Ligging van een amfibieënscherm rondom het plangebied aan de westelijke, noordelijke en oostelijke grens. Dit scherm verhindert de immigratie van amfibieën en reptielen naar het plangebied. Er zijn echter twee plaatsen waar het scherm niet gesloten is en dus toegankelijk is voor amfibieën en reptielen, te weten op de plaatsen die aangegeven zijn met A en B. Op plaats A verhindert de stamvoet van een eik nabij de perceelscheiding de correcte sluiting van het scherm. Op plaats B is sprake van een onregelmatige verhoging van het maaiveld. De straatzijde is een voor amfibieën en reptielen harde barrière wegens het drukke verkeer.
5.3.1 Adder en Gladde slang Op grond van de meest recente verspreidingsgegevens van de NDFF kan het voorkomen van adder (Vipera berus ssp. Berus) en gladde slang (Coronella austriaca) in het plangebied worden uitgesloten, aangezien
15
deze op respectievelijk meer dan 10 kilometer en meer dan 1 kilometer van het plangebied voorkomen. Tevens zijn tijdens het veldbezoek geen sporen en/of individuen van adder en gladde slang waargenomen en ontbreken de voor deze reptielen noodzakelijke vegetatiestructuren en schuilplekken. De aanwezigheid van adder en gladde slang in het plangebied kan daarmee redelijkerwijs worden uitgesloten.
5.3.2 Ringslang Het plangebied bevindt zich volgens de NDFF buiten het actuele verspreidingsgebied van de ringslang (Natrix helvetica) en de oostelijke ringslang (Natrix natrix), namelijk op meer dan 5 kilometer afstand van het plangebied. Op grond van de aanwezige ecotopen is in het plangebied geen sprake van een amfibieënstand (zie paragraaf 5.4 op pagina 17), hetgeen stapelvoedsel2 vormt voor ringslangen; in het plangebied en in de directe omgeving daarvan zijn namelijk geen voortplantingswateren aanwezig voor amfibieën, waardoor het voorkomen van de ringslang in het plangebied dan ook redelijkerwijs kan worden uitgesloten.
5.3.3 Zandhagedis De zandhagedis (Lacerta agilis) komt volgens de gegevens van de NDFF en recente, gevalideerde waarnemingen3 voor op minder dan 1 kilometer van het plangebied op het nabijgelegen bos- en heidecomplex ‘Heumensoord’ tussen Nijmegen, Malden en Groesbeek. De zandhagedis is een soort die grote oppervlaktes aan zonbeschenen, kale zandvlaktes met rul zand nodig heeft om eieren in te leggen. Dergelijke ecotopen zijn niet aanwezig in het plangebied. Tevens zijn gedurende het veldbezoek geen sporen en/of individuen van zandhagedis waargenomen, waarmee het voorkomen van de zandhagedis in het plangebied redelijkerwijs kan worden uitgesloten.
5.3.4 Muurhagedis De historische verspreiding van de muurhagedis (Podarcis muralis) is beperkt tot de muren van enkele verdedigingswerken in Maastricht, op circa 100 kilometer ten zuiden van het plangebied. De NDFF en waarneming.nl4 melden echter het voorkomen van de muurhagedis op minder dan 1 kilometer van het plangebied. De muurhagedis is een soort die sterk gebonden is aan rijkelijk door de zon beschenen, zuidelijk geëxponeerde muren en stenige objecten met vele holtes en spleten. Dergelijke ecotopen zijn niet aanwezig in het plangebied, waarmee het voorkomen van de muurhagedis in het plangebied redelijkerwijs kan worden uitgesloten.
5.3.5 Hazelworm Het plangebied bevindt zich volgens de NDFF en waarneming.nl5 op minder dan 1 kilometer van leefgebied van de hazelworm (Anguis fragilis). De soort komt in Nederland onder andere voor op grazige rivierdijken, in bosschages in agrarisch cultuurland, aan de rand van boomsingels en nabij en in ruigtezomen. De soort is daarbij gebonden aan landschapselementen waarbij de bodem weinig verstoord wordt. In het plangebied is de bodem veelvuldig beroerd in het kader van bestendige teeltactiviteiten: het betreft een voormalig tuincomplex. Bovendien is in het plangebied geen sprake van een strooisellaag waarin hazelwormen zich (met name ’s winters) in terug kunnen trekken. Tenslotte ontbreken grazige vegetaties met insecten en slakken, hetgeen stapelvoedsel vormt voor hazelwormen. Daarmee kan de aanwezigheid van de hazelworm
2 Dit is de voedselbron die een levend wezen gedurende het leven het meest tot zich neemt. 3Bron: https://waarneming.nl/locations/gridcell/2196198/observations/?date_after=2022-05-
20&date_before=2022-11-16&view_type=as_map&species=459&advanced=on 4 Bron: https://waarneming.nl/species/452/maps/?start_date=2012-11-
26&interval=315360000&end_date=2022-11-24&map_type=grid10k 5 https://waarneming.nl/locations/gridcell/2196198/observations/?date_after=2022-06-06&date_before=2022-
12-03&view_type=as_map&species=445&advanced=on
16
in het plangebied redelijkerwijs worden uitgesloten.
5.3.6 Levendbarende hagedis Het plangebied bevindt zich binnen het bekende verspreidingsgebied van de levendbarende hagedis (Zootoca vivipara) in Nederland. De meest recente, gevalideerde waarneming van een levendbarende hagedis ligt op ongeveer 2 kilometer van het plangebied6. De levendbarende hagedis komt voor in grazige akkerranden, grazige ruigtes, natte verlandingszones met riet, grazige kanaaldijken, oevers van beken en langs zonbeschenen ruigtezomen. De soort heeft een sterke voorkeur voor vochtige bodems, moerassen en natte graslanden. Het stapelvoedsel van levendbarende hagedissen bestaat uit sprinkhanen, welke gebonden zijn aan sterk grazige gebieden. Dergelijke ecotopen zijn in het plangebied niet aanwezig, waarmee het voorkomen van de levendbarende hagedis in het plangebied kan worden uitgesloten.
5.4 Amfibieën In het plangebied en de directe nabijheid daarvan zijn geen open wateren in de vorm van vijvers, poelen, zwak stromende beken, vennen of moerassen aanwezig. Daarmee vormt het plangebied geen geschikt voortplantingsgebied voor amfibieën. De aanwezigheid van individuele dieren wordt verder beperkt door het ontbreken van geschikte schuilmogelijkheden zoals een goed ontwikkelde strooisellaag onder struiken en bomen. Het plangebied is bovendien een terrein met een intensief en structureel beheer waarin natuurlijke vegetaties en een strooisellaag altijd ontbroken hebben. Tenslotte verhindert het amfibieënscherm (zie Afbeelding 4) en het drukke verkeerstracé van de Droogsestraat de immigratie van individuele dieren. Deze factoren tezamen geven voldoende aanleiding om de aanwezigheid van amfibieën in het plangebied redelijkerwijs uit te sluiten.
5.5 Vissen In het plangebied bevindt zich geen stromend of stilstaand water. Daarmee is het plangebied niet geschikt voor de voortplanting van vissen. De aanwezigheid van vissen in het plangebied kan daarmee worden uitgesloten.
5.6 Ongewervelden 5.6.1 Libellen In het plangebied bevindt zich geen stromend of stilstaand water. Daarmee is het plangebied niet geschikt voor de voortplanting van libellen. De aanwezigheid van libellen in het plangebied kan daarmee worden uitgesloten.
5.6.2 Dagvlinders en nachtvlinders Het overgrote deel van het grondoppervlak van het plangebied bestaat uit braakliggende grond. Daarmee
6Bron: https://waarneming.nl/locations/gridcell/2196198/observations/?date_after=2022-06-
03&date_before=2022-11-30&view_type=as_map&species=450&advanced=on
17
komen in het plangebied geen natuurlijke vegetaties voor, waardoor ook inheemse waardplanten voor (beschermde) dag- en nachtvlindersoorten ontbreken. Daarmee is het plangebied niet geschikt voor de voortplanting van dag- en nachtvlinders. De aanwezigheid van dag- en nachtvlinders in het plangebied kan daarmee op voorhand worden uitgesloten.
5.6.3 Kevers De aanwezigheid van het vliegend hert (Lucanus cervus) en juchtleerkever (Osmoderma eremita) hangt direct samen met het voorkomen van vermolmde, vochtige stam- en takdelen van hardhouten loofbomen, waaronder specifiek eikenbomen. Deze soorten komen hoofdzakelijk voor in ondergrondse en bovengrondse, vermolmde delen van stammen, waaronder aftakelende hakhoutstoven van eikenhakhout, vermolmde knotbomen van eik en tamme kastanje en in stammen van oude fruitbomen. In het plangebied zijn dergelijke bomen niet aanwezig. Het voorkomen van het vliegend hert en de juchtleerkever in het plangebied kan daarmee redelijkerwijs worden uitgesloten. In het plangebied bevindt zich geen stromend of stilstaand water. Daarmee is het plangebied niet geschikt voor de voortplanting van de gestreepte waterroofkever (Graphoderus bilineatus). De aanwezigheid van de gestreepte waterroofkever in het plangebied kan daarmee worden uitgesloten.
5.6.4 Europese rivierkreeft In het plangebied bevindt zich geen stromend of stilstaand water. Daarmee kan de aanwezigheid van de Europese rivierkreeft in het plangebied op voorhand worden uitgesloten.
5.7 Vaatplanten Op grond van de beschikbare verspreidingsgegevens van de conform de Wet Natuurbescherming beschermde planten, de waarnemingen tijdens het veldbezoek en de zeer voedselrijke omstandigheden ter plaatse kan het voorkomen van kwetsbare vegetaties en beschermde vaatplanten redelijkerwijs worden uitgesloten.
5.8 Beschermde gebieden In deze paragraaf wordt de nabijheid van beschermde gebieden ten opzichte van het plangebied besproken. In paragraaf 6.1 wordt nader ingegaan op de effecten van de ingrepen op nabijgelegen Natura 2000gebieden, op het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en op bosopstanden.
5.8.1 Natura 2000 Het Natura 2000-gebied dat het dichtst bij het plangebied gelegen is, is 'St. Jansberg' (zie Afbeelding 5). Dit bevindt zich op circa 6,5 kilometer ten zuidoosten van het plangebied. Op redelijk geringe afstand van het plangebied bevinden zich nog twee Natura 2000-gebieden, namelijk ‘Rijntakken’ en ‘De Bruuk’. Deze bevinden zich op respectievelijk 6,6 en 7,6 kilometer afstand.
18
Afbeelding 5. Afstand van het plangebied (rode ster) ten opzichte van de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden (gele vlakken). Naast de gele pijlen staat de afstand van het plangebied tot aan het desbetreffende Natura 2000-gebied.
5.8.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het NNN is een landelijk dekkend netwerk van bestaande en toekomstige natuurgebieden dat door onderlinge verbinding de biodiversiteit 7 moet stabiliseren en doen laten toenemen. Dit netwerk krijgt binnen de provincie Gelderland vorm onder de naam ‘Gelders Natuurnetwerk’ (GNN). De noordelijke grens van het plangebied ligt op circa 92 meter afstand van het GNN (zie Afbeelding 6). Het plangebied maakt geen wezenlijk onderdeel uit van het GNN.
7 De variatie aan dier- en plantensoorten in een bepaald gebied.
19
Afbeelding 6. Positie van het plangebied (rode vlak) ten opzichte van het Gelders Natuurnetwerk (GNN; groene vlakken). Het plangebied ligt aan de noordzijde op 92 meter afstand van het GNN.
5.8.3 Houtopstanden De ingrepen behelzen het verwijderen van houtige begroeiingen. Daartoe wordt een haag van laurierkers verwijderd en worden een glansmispel en een rij levensbomen (zie Afbeelding 2) gerooid. Een kapvergunning (‘Omgevingsvergunning kap’) is binnen de gemeente Heumen uitsluitend noodzakelijk indien een zogeheten ‘beeldbepalende boom’ wordt gekapt 8. Dit is binnen de algemene plaatselijke verordening (A.P.V.) van de gemeente ook van toepassing op houtopstanden 9. Volgens de lijst met beeldbepalende bomen van de gemeente Heumen, bevindt zich binnen het plangebied geen beeldbepalende boom 10. Binnen het plangebied bevinden zich geen houtopstanden. Daarmee is artikel 4.2 van de Wet Natuurbescherming niet van toepassing.
8 Bron: https://www.heumen.nl/bomen-kappen 9 Bron: https://cuatro.sim-cdn.nl/heumen/uploads/apv_gemeente_heumen_-
_het_bewaren_van_houtopstanden.pdf 10 Bron: https://cuatro.sim-cdn.nl/heumen/uploads/criteria_en_lijst_beeldbepalende_bomen.pdf
20
6 Effectbeoordeling, conclusies en aanbevelingen 6.1 Beschermde gebieden 6.1.1 Natura 2000 De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden zijn 'St. Jansberg', ‘Rijntakken’ en ‘De Bruuk’. Deze bevinden zich op respectievelijk 6,5, 6,6 en 7,6 kilometer afstand van het plangebied. De voorgenomen ingrepen bestaan uit het rooien van houtige beplantingen, graafwerkzaamheden, de oprichting van een woonhuis en de aanleg van een tuin. Gedurende de werkzaamheden is sprake van een toename van trillingen, geluid en licht. Op grond van de relatief grote afstand van het plangebied ten opzichte van voornoemde Natura 2000-gebieden en de kleinschalige aard van de ingrepen, is niet te verwachten dat het voorgenomen project zal leiden tot verslechtering van de instandhoudingsdoelstellingen van deze Natura 2000-gebieden. In combinatie met de extensieve gebruiksfase van het plangebied na de ingrepen, is niet te verwachten dat door de toename van trillingen, geluid en licht negatieve effecten op voornoemde Natura 2000-gebieden op zullen treden. Gedurende de aanlegfase zullen de voorgenomen ingrepen wel een toename van stikstofdepositie tot gevolg hebben.
Aangezien de depositie van stikstofhoudende verbindingen kan leiden tot negatieve effecten op (kwetsbare) vegetaties in voornoemde Natura 2000-gebieden, wordt geadviseerd om de uitstoot van stikstofhoudende verbindingen gedurende de aanlegfase te berekenen met het rekenmodel Aerius. Daarmee kan worden bepaald wat het exacte effect is van de uitstoot van stikstofhoudende verbindingen gedurende de aanlegfase van het project. Aangezien de gebruiksfase een woonbestemming behelst, is sprake van extensief gebruik van het plangebied. Daarmee is de uitstoothoeveelheid van stikstofverbindingen gedurende deze fase nihil en is geen schade te verwachten in betreffende Natura 2000-gebieden.
6.1.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het plangebied ligt op circa 92 meter afstand van het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en maakt daar geen wezenlijk onderdeel van uit. De werkzaamheden worden wel in de directe invloedssfeer van het GNN uitgevoerd, waarmee het Afwegingskader Natuurnetwerk Nederland van toepassing is. Het Afwegingskader Natuurnetwerk Nederland schrijft voor dat voorkomen dient te worden voorkomen dat de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied negatief beïnvloed worden door de activiteiten. De Nota Ruimte11 geeft de volgende definitie van wezenlijke kenmerken en waarden: De wezenlijke kenmerken en waarden zijn de actuele en potentiële waarden, gebaseerd op de natuurdoelen voor het gebied. Het gaat daarbij om: de bij het gebied behorende natuurdoelen en -kwaliteit, geomorfologische- en aardkundige waarden en processen, de waterhuishouding (hydrologie), de kwaliteit van bodem, water en lucht, stilte, donkerte en openheid, de landschapsstructuur en de belevingswaarde. Op grond van de zeer beperkte diepte van de ingrepen (in de bodem), kan op voorhand reeds worden uitgesloten dat zowel de ingrepen als de gebruiksfase een negatief effect zullen hebben op bestaande geomorfologische structuren, aardkundige waarden, geologische- en hydrologische processen. Gedurende de ingrepen en de gebruiksfase is een verslechtering van de bodem-, water- en luchtkwaliteit
11Bron: https://puc.overheid.nl/rijkswaterstaat/doc/PUC_142322_31/ (geraadpleegd 3 januari 2023)
21
eveneens uitgesloten, aangezien gedurende de aanleg en het gebruik sprake is van een deugdelijke afvalverwerking. Gedurende de aanleg van het gebouw wordt bovendien geen gebruik gemaakt van significant giftige of schadelijke stoffen. Het huidige perceel ligt aan een drukke verkeersader (‘Droogsestraat’) met straatverlichting, waarmee reeds sprake is van een zekere mate van verstrooiing van licht in noordwestelijke richting. In combinatie met de gebruiksfase, zal deze verstrooiing enigszins toenemen door verlichting aan en in de woning, echter dit zal niet significant toenemen op grond van de beperkte lichtsterkte van verlichtingsarmaturen voor particulier gebruik. Daarmee is gedurende de gebruiksfase geen sprake van een verslechtering van de mate van donkerte in de betreffende GNN-gebieden. Aangezien gedurende de aanlegfase rekening dient te worden met de mogelijke aanwezigheid van vliegroutes van vleermuizen (zie paragraaf 6.3 ), zal verlichting gedurende de aanlegfase reeds gedimd ofwel afwezig zijn. Daarmee is gedurende de aanlegfase geen negatief effect op duisternis te verwachten. Op grond van de kleine schaal waarop de ingrepen worden uitgevoerd, is een verslechtering van de algemene, actuele geluidstoestand (‘stilte’) niet te verwachten. Tevens wijzigt de openheid, de landschapsstructuur en belevingswaarde van de nabijgelegen GNN-gebieden door de ingrepen niet.
De wezenlijke kenmerken en waarden van de actuele staat van het GNN zullen daarmee door de ingrepen redelijkerwijs niet worden aangetast.
6.1.3 Houtopstanden Aangezien zich binnen het plangebied geen beeldbepalende bomen bevinden, is de aanvraag van een gemeentelijke kapvergunning (‘Omgevingsvergunning Kap’) niet noodzakelijk.
6.2 Effectbeoordeling beschermde soorten en conclusies Uit het onderzoek blijkt dat de aanwezigheid van de volgende soorten en soortgroepen in het plangebied redelijkerwijs is uitgesloten: Europese eekhoorn, Europese bever, Europese hamster, slaapmuizen, grote bosmuis, molmuis, marterachtigen, grote roofdieren, veldspitsmuis, waterspitsmuis, hoefdieren, zeezoogdieren, reptielen, amfibieën, vissen, ongewervelden en vaatplanten. Daarmee is een negatief effect door de ingrepen op voornoemde soortgroepen en soorten uitgesloten. De ingrepen leveren voor deze soorten en soortgroepen geen overtreding van de Wet Natuurbescherming op. Ten aanzien van vleermuizen kan niet worden uitgesloten dat het schuurtje met de beregeningsinstallatie fungeert als paarverblijf voor gewone dwergvleermuis. Tevens fungeert de boomrijke, noordwestelijke grens van het plangebied mogelijk als vliegroute voor vleermuizen. De aanwezigheid van winterverblijfplaatsen, kraamverblijfplaatsen, zomerverblijfplaatsen en essentieel foerageergebied van alle in Nederland voorkomende vleermuissoorten kan in het plangebied redelijkerwijs worden uitgesloten, alsmede de aanwezigheid van paarverblijfplaatsen van alle in Nederland voorkomende vleermuissoorten, met uitzondering van de gewone dwergvleermuis.
Ten aanzien van de soortgroep vogels geldt dat de aanwezigheid van jaarrond beschermde vogelnesten redelijkerwijs kan worden uitgesloten, echter de aanwezigheid van nesten van algemeen voorkomende vogelsoorten van tuinen en parken kan niet geheel worden uitgesloten op grond van de aanwezigheid van een dicht begroeide laurierkershaag. In onderstaande tabel wordt ten aanzien van vleermuizen en vogels het negatieve effect kort benoemd, alsmede de verbodsbepaling uit de Wet Natuurbescherming die daarmee wordt overtreden. In de laatste
22
kolom wordt de vervolgmaatregel vermeld die dient te worden genomen om te voorkomen dat de Wet Natuurbescherming wordt overtreden. Indien door de werkzaamheden negatieve effecten te verwachten zijn op algemene, niet-streng beschermde soorten, dan geldt de algemene zorgplicht. Dit laatste is dan vermeld als vervolgmaatregel. Soortgroep/soort
Negatief effect
Overtreding verbodsbepaling Wet Natuurbescherming
Gewone dwergvleermuis
Verstoring en vernietiging van paarverblijfplaats door sloop van gebouwtje met beregeningsinstallatie en het doden van individuele dieren
• • •
Art. 3.5, lid 2 Art. 3.10, lid 1a Art. 1.11, lid 1, 2a, 2b, 2c
Soortgericht onderzoek
Vleermuizen
Verstoring van vliegroutes door nachtelijke verlichting van de bouwplaats
• • •
Art. 3.5, lid 2 Art. 3.10, lid 1b Art. 1.11, lid 1, 2a, 2b, 2c
Aangepast werken
Vogels – gehele soortgroep
Verstoring van broedgevallen en rustende vogels
•
Art 3.1, lid 1,2 en Algemene zorgplicht → Ecologische 4 begeleiding Art. 1.11, lid 1, 2a, 2b, 2c
•
Vervolgmaatregel
6.3 Vervolgmaatregelen en aanbevelingen Op grond van de bepalingen in de Wet Natuurbescherming en de effectbepaling van de behandelde soorten dient nader onderzoek (‘soortgericht onderzoek’) plaats te vinden naar de aanwezigheid van paarverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis in het betreffende gebouwtje. Daarmee kunnen de effecten van de ingreep exact worden bepaald en wordt duidelijk of de aanvraag van een ontheffing ten behoeve van het overtreden van de verbodsbepalingen noodzakelijk is.
6.3.1 Soortgericht onderzoek Voor de gewone dwergvleermuis is een soortgericht onderzoek noodzakelijk om de aanwezigheid van paarverblijven vast te stellen in het plangebied, alvorens de werkzaamheden kunnen beginnen. Door de voorgenomen werkzaamheden treedt mogelijk verstoring op van een paarverblijf in een klein gebouwtje in het plangebied. Geadviseerd wordt om conform de meest recente versie van het Vleermuisprotocol twee onderzoeksrondes in de paarperiode van vleermuizen uit te voeren. De te hanteren onderzoeksperiode loopt van 15 augustus t/m 1 oktober.
6.3.2 Aangepast werken Aangezien de aanwezigheid van vliegroutes van vleermuizen niet kan worden uitgesloten, dienen de verlichtingsarmaturen van de nachtelijke verlichting van de bouwplaats, zo laag mogelijk te worden geplaatst. Tevens dient de lichtbundel naar de grond te worden gericht.
23
6.3.3 Ecologische begeleiding Voor vogels is een ecologische begeleiding noodzakelijk alvorens de werkzaamheden starten. Voor vogels geldt dat broedgevallen gedurende de periode vanaf 15 maart t/m 15 oktober aanwezig kunnen zijn. Alvorens de werkzaamheden starten, dient het gebied te worden geïnspecteerd door een ecoloog die eventuele broedgevallen markeert. Het is niet mogelijk om een ontheffing aan te vragen voor het verstoren van een broedgeval.
6.4 Samenvatting De uitvoering van de voorgenomen ingrepen in het plangebied wordt in algemene zin niet verhinderd door de natuurwetgeving, mits; • • • • •
Onderzoek (middels het rekenmodel Aerius) wordt uitgevoerd naar stikstofdepositie door de ingrepen en gedurende de gebruiksfase; onderzoek wordt uitgevoerd naar de aanwezigheid van paarverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis; ecologische begeleiding wordt ingesteld ten aanzien van vogels; rekening wordt gehouden met mogelijk aanwezige vliegroutes van vleermuizen door de nachtelijke verlichting aan te passen; voldoende invulling wordt gegeven aan de algemene zorgplicht.
Door de ingreep treedt geen verslechtering op van natuurdoelen in beschermde gebieden, waarmee negatieve effecten redelijkerwijs uitgesloten zijn.
24
7 Bronnen 7.1 Literatuur Andrews, H., M. Gardener & J. Mulholland (2018). Bat Roosts in Trees – A Guide to Identification and Assessment for Tree-Care and Ecology Professionals. Bat Tree Habitat Key, Exeter: Pelagic Publishing Barataud, M, Y. Tupinier & H. Limpens (2020). Acoustic ecology of European Bats. Species identification, Study of their habitats and foraging behaviour. Inventaires & biodiversité series; Biotope – Muséum national d’Histoire naturelle (second edition) Bink, F.A. (1992). Ecologische atlas van de dagvlinders van Noordwest-Europa. Schuyt & Co., Haarlem Beintema, A., O. Moedt & D. Ellinger (1995). Ecologische Atlas van de Nederlandse Weidevogels. Schuyt & Co., Haarlem Bijlsma, R.G. (1993). Ecologische Atlas van de Nederlandse Roofvogels. Schuyt & Co. Uitgevers en Importeurs BV, Haarlem (1e druk) Broekhuizen, S. et al. (1992). Atlas van de Nederlandse zoogdieren. Stichting Uitgeverij Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging Creemers, R.C.M. & J.J.C.W. van Delft (2009). De amfibieën en reptielen van Nederland – Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden Dietz, C., O. von Helversen & D. Nill (2011). Vleermuizen. Alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika. Biologie, kenmerken en bedreigingen. Tirion Uitgevers, Baarn Dietz, C. & A. Kiefer (2017). Veldgids Vleermuizen van Europa.
KNNV Uitgeverij, Zeist Dijkstra, K.D.B. (2016). Libellen van Europa. Veldgids met alle libellen tussen Noordpool en Sahara. Kosmos Uitgevers, Utrecht/Antwerpen (derde druk) Floron (2011). Nieuwe Atlas van de Nederlandse Flora. KNNV Uitgeverij, Zeist Herder, P. et al. (2017). Handboek Natuurbeschermingsrecht. Berghauser Pont Publishing, Amsterdam (eerste druk) Heusden, W.R.M. & S.J. Vreugdenhil (2006). Handreiking Flora- en faunawet. Voor werkzaamheden en activiteiten in het kader van bestendig gebruik, bestendig beheer en onderhoud en ruimtelijke inrichting en ontwikkeling. Dienst Landelijk Gebied (DLG), Utrecht. Hoogenboom, H. (2018). Aquatische Ecologie. Functioneren en beheren van zoete en brakke aquatische ecosystemen. KNNV Uitgeverij, Zeist (derde druk) Huizinga, N. et al. (2010). Zoogdieren van Limburg. Verspreiding en ecologie in de periode 1980-2007. Stichting Natuurpublicaties Limburg (SNL), Natuurhistorisch Genootschap in Limburg, Maastricht (eerste druk) Hustings, F. et al. (2006). Avifauna van Limburg. Stichting Natuurpublicaties Limburg (SNL), Natuurhistorisch
25
Genootschap in Limburg, Maastricht (1e druk) Jalink, M.H. & A.J.M. Jansen (1995). Indicatorsoorten, Deel 2. Indicatorsoorten voor verdroging, verzuring en eutrofiëring van grondwater-afhankelijke beekdalgemeenschappen. Staatsbosbeheer, Driebergen (eerste druk) Janssen, J.A.M. & J.H.J. Schaminée (2003). Europese natuur in Nederland. Habitattypen. KNNV Uitgeverij, Utrecht Kleukers, R.M.J.C. et al. (2004). De sprinkhanen en krekels van Nederland (Orthoptera). Herkenning, verspreiding & leefwijze. Naturalis/KNNV/EIS, resp. Leiden, Zeist, Leiden Lafranchis, T. (2009). Dagvlinders van Europa. Veldgids dagvlinders met determinatiesleutels. KNNV Uitgeverij, Zeist Lange, R. et al (1994). Zoogdieren van West-Europa. Stichting Uitgeverij van de Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging/VZZ Limpens, H., K. Mostert & W. Bongers (1997). Atlas van de Nederlandse vleermuizen. KNNV Uitgeverij, Utrecht Limpens, H., J. Regelink & R. Koelman (2011). Cursus vleermuizen en planologie. Cursusmap, Zoogdiervereniging Londo, G. (1997). Bos- en Natuurbeheer in Nederland, deel 6. Natuurontwikkeling. Backhuys Publishers Leiden, 1997 Mebs, T. & W. Scherzinger (2004). Uilen van Europa. Biologie, kenmerken en populatie. Tirion Uitgevers, Baarn Ministerie van EL&I, 2010. Buiten aan het Werk. Houd tijdig rekening met beschermde planten en dieren! Brochure.
[http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/brochures/2010/03/01/buiten-aan-hetwerk-houd-tijdig-rekening-met-beschermde-dieren-en-planten.html (15-01-2016)]. Ottburg, F.G.W.A. en I. Roessink (2012). Europese rivierkreeften in Nederland; vaststellen, versterken en veilige leefgebieden. Alterra, Wageningen Peeters, H. & K. Wheeler (2008). Vogels en de Wet.nl. Vereniging Politie Dieren- en Milieubescherming Schaminée, J. et al. (2019). Veldgids Plantengemeenschappen van Nederland. KNNV Uitgeverij, Zeist. Schober, W. & E. Grimmberger (2001). Gids van de Vleermuizen van Europa, Azoren en Canarische Eilanden. Tirion Uitgevers, Baarn Van Diepenbeek, A. (2015). Veldgids Diersporen. KNNV Uitgeverij, Zeist Van Buggenum, H.J.M. et al. (2009). Herpetofauna van Limburg. Verspreiding en ecologie van amfibieën en reptielen in de periode 1980-2008. Stichting Natuurpublicaties Limburg (SNL), Natuurhistorisch Genootschap in Limburg, Maastricht (1e druk) Van der Werf, S. (1991). Bosgemeenschappen. Natuurbeheer in Nederland; dl. 5. Pudoc, Wageningen
26
Weeda, E.J. et al. (1999) Nederlandse oecologische flora. Wilde planten en hun relaties. Deel 1 t/m 5. IVN/KNNV Uitgeverij, Utrecht (2e druk)
7.2 Bronnen internet www.libellennet.nl www.netwerkgroenebureaus.nl/werken-aan-kwaliteit/vleermuisprotocol www.ravon.nl www.rijksoverheid.nl/ministeries/ez www.soortenbank.nl www.sovon.nl www.telmee.nl www.vogelbescherming.nl www.vlindernet.nl www.waarneming.nl
7.3 Bronnen Nationale- en Internationale wetgeving https://wetten.overheid.nl/BWBR0037552/2021-07-01 – Wetteksten Wet Natuurbescherming https://minlnv.nederlandsesoorten.nl/content/vogelrichtlijn – Informatie over de Vogelrichtlijn https://www.vogelbescherming.nl/bescherming/juridische-bescherming/wet-en-regelgeving – Informatie over Wet- en Regelgeving t.b.v. vogelbescherming https://minlnv.nederlandsesoorten.nl/content/habitatrichtlijn – Informatie over de Habitatrichtlijn https://www.bij12.nl/onderwerpen/natuur-en-landschap/kennisdocumenten-soorten-ontheffingen-wetnatuurbescherming/ – Kennisdocumenten BIJ12 https://www.netwerkgroenebureaus.nl/index.php?option=com_content&view=article&id=206&catid=27 – Soortinventarisatieprotocollen NGB
27
I.
Vogels met jaarrond beschermde nesten – Provincie Gelderland
In de provincie Gelderland worden alle vogels met jaarrond beschermde nesten bovendien nog beschermd onder vijf categorieën. Deze categorieën bestaan uit groepen vogels met specifieke voorkeuren voor de nestlocatie en de continuïteit waarmee dit gebruik gepaard gaat. Deze categorieën zijn als volgt: Categorie 1: jaarrond gebruikte nesten; Categorie 2: zeer honkvaste koloniebroedende soorten of afhankelijk van bebouwing; Categorie 3: zeer honkvaste broeders of afhankelijk van bebouwing (geen koloniebroeders); Categorie 4: vogels die ieder jaar terugkeren naar specifiek nest; Categorie 5: honkvaste broedvogels, maar met voldoende flexibiliteit. In onderstaande tabel worden de geselecteerde soorten vermeld in combinatie met het categorienummer.