CConstaterende datHeumen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage X Vraag en antwoord intern

Raad 15 december 2022, gemeente HeumenBij agendapunt: Zienswijzemogelijkheid concept-NRD Regionale Energiestrategie2.595 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Veel gestelde vragen planMER RES Groene Metropoolregio Arnhem-Nijmegen

PlanMER algemeen Wat is een m.e.r./MER? M.e.r. staat voor milieu effect rapportage en is de gebruikelijke term voor het proces om te komen tot deze rapportage. Het rapport zelf wordt aangeduid met hoofdletters: MER. In een m.e.r. worden de milieueffecten van een plan of project in beeld gebracht. Denk bijvoorbeeld aan geluid en veiligheid, maar ook aan landschap en natuur. Ook positieve milieueffecten zoals vermeden CO2-uitstoot en fijnstof worden in beeld gebracht. Een planMER onderzoekt milieueffecten op hoofdlijnen; zoals in dit geval op regioniveau. Een projectMER onderzoekt milieueffecten op detailniveau, namelijk per project. Via een MER krijgen milieueffecten een volwaardige plek bij het nemen van een besluit over een plan of project. Wat is een NRD? NRD staat voor Notitie Reikwijdte en Detailniveau. Een NRD gaat vooraf aan het planMER. In deze notitie staat welke alternatieven en milieuaspecten voor het rapport worden onderzocht (reikwijdte) en hoe uitgebreid en op welke manier die worden onderzocht (detailniveau). Waarom stellen de regionale overheden nu een planMER op? In de Groene Metropoolregio Arnhem-Nijmegen werken 16 gemeenten, de provincie, 3 waterschappen en netbeheerder Liander samen aan duurzame energie met een Regionale Energie Strategie (RES).

In de RES staat hoe we in onze regio van fossiele energie overschakelen op duurzame elektriciteit en duurzame warmte. Ook staat in de RES welke infrastructuur en opslag daarvoor nodig zijn. In de RES 1.0 hebben we afgesproken om in 2030 tenminste 1,62 TWh duurzame elektriciteit op te wekken. De volgende stap is het realiseren van de afspraken uit de RES 1.0 en het vertalen van de RES naar omgevingsbeleid. Hiervoor is verder onderzoek nodig: een Milieueffectrapportage (planMER). Dit onderzoek laat zien welke positieve en/of nadelige milieueffecten plaatsvinden wanneer de beoogde duurzame opwek uit het RES 1.0 wordt gerealiseerd. Zo kan zorgvuldig beargumenteerd worden waarom locaties voor duurzame energie opwek geschikt, geschikt te maken of ongeschikt zijn. Het startpunt van dit onderzoek is de RES 1.0. Het resultaat van het onderzoek komt in een rapport, de planMER. Dit rapport is geen besluit. Het is aan de colleges, gemeenteraden, provinciale staten en besturen om af te wegen wat zij met de uitkomsten van dit onderzoek gaan doen in de besluiten die zij nemen. Met de uitkomsten van het onderzoek kunnen zij de RES 1.0 aanscherpen en verrijken. Daarmee zorgen we voor nieuwe energie van, voor en door de Groene Metropoolregio Arnhem-Nijmegen! Is het verplicht een planMER op te stellen? Voor het opstellen van de RES 1.0 was een planMER niet verplicht.

Voor de RES 2.0 ligt dat anders. De RES 2.0 wordt op grond van de Omgevingswet in veel gevallen een programma. Dat programma is mer-plichtig als het een kader vormt voor vergunningverlening.

Wie gaat het planMER opstellen? De 16 gemeenten en provincie Gelderland zijn allemaal het bevoegd gezag voor het planMER. Er is een onderzoeksbureau gevraagd om de planMER op te stellen. Wie denkt wanneer mee in de NRD-fase en bij het planMER? Gemeenten en provincie werken intensief samen voor het opstellen van de NRD en de planMER. Gemeenteraden en Provinciale Staten worden in de gelegenheid gesteld om bij de NRD een zienswijze in te dienen en zij beslissen uiteindelijk over wat er gebeurt met de resultaten uit het onderzoek. Daarnaast wordt ook de samenleving betrokken bij de planMER: • Regionaal georganiseerde belanghebbenden, of stakeholders, nodigen we uit om met ons mee te denken over welke milieuaspecten we onderzoeken en op welk detailniveau. Ook tijdens het opstellen van de planMER raadplegen we hen over de te maken afwegingen in de planMER. • De regionale waterschappen en ook de commissie m.e.r. vragen we expliciet om te reageren op de NRD. • Daarnaast geldt voor iedereen de mogelijkheid om een reactie of zienswijze in te dienen op de NRD en op de planMER. Wie zijn Regionale Stakeholders? Regionaal georganiseerde partijen die met hun belang verbonden zijn aan de RES worden beschouwd als Regionale Stakeholders. Zij zijn actief in de Groene Metropoolregio Arnhem-Nijmegen en vertegenwoordigen een regionale of landelijke achterban. In de RES werken we samen.

Maar kijken ook slim naar wie waarvoor aan de lat staat. Zo kennen we het uitgangspunt uit de RES 1.0 ‘Lokale autonomie waar dat kan en benutten van de kracht van de regio waar dat moet’. Zo ook op gebied van participatie. Participatie over lokale gemeentelijke plannen vindt daarom lokaal plaats, waarbij lokale stakeholders worden betrokken. Participatie over regionale plannen vindt regionaal plaats waarbij regionale stakeholders worden betrokken. De planMER is een onderzoek op regioniveau, daarom worden regionale stakeholders uitgenodigd om deel te nemen in de dialogen om de NRD en de planMER te vormen. Voor iedereen is er de mogelijkheid tot het geven van reactie door middel van een zienswijze. Zie vraag 6. Hoe kunnen belanghebbenden de voortgang van het planMER volgen? De NRD wordt in oktober 2022 ter inzage gelegd door de zestien gemeenten en de provincie. Dan heeft iedereen de mogelijkheid om een reactie te geven via een zienswijze. De planMER wordt ter inzage gelegd. Daarnaast worden over het proces regelmatig updates gegeven in de nieuwsbrief van de Groene Metropoolregio. Mocht je deze updates willen volgen, dan kun je je hier aanmelden voor de nieuwsbrief: RES Regio Arnhem Nijmegen (list-manage.com) Worden in het planMER ook andere onderzoeken meegenomen? De planMER van de Groene Metropoolregio Arnhem Nijmegen wordt uitgevoerd voor het gehele RES gebied.

Tegelijkertijd worden er ook andere MER’en uitgevoerd. Sommigen op projectniveau, sommigen voor omgevingsvisies of andere gemeentelijke plannen en een aantal ook op provinciaal niveau. We werken hierin zoveel mogelijk samen en proberen zo dubbel werk te voorkomen. De onderzoeksresultaten van de andere MER’en worden gebruikt om de planMER van de RES aan te vullen en vice versa.

Regionale Energiestrategie Wat is een regionale energiestrategie? In Groene Metropoolregio Arnhem Nijmegen werken 16 gemeenten, de provincie, 3 waterschappen en netbeheerder Liander samen aan duurzame energie met een Regionale Energie Strategie (RES). In de RES staat hoe we in onze regio van fossiele energie overschakelen op duurzame elektriciteit en duurzame warmte. Ook staat in de RES welke infrastructuur en opslag daarvoor nodig zijn De energietransitie is een grote opgave. Daarom is de RES een meerjarig traject. We zijn in 2019 gestart met de RES 1.0. Deze is in 2021 door alle gemeenteraden, provincie en waterschappen vastgesteld. Op dit moment werken we aan de RES 2.0. In de RES 1.0 hebben we afgesproken om in 2030 tenminste 1,62 TWh duurzame elektriciteit op te wekken binnen de regio. Dat doen we met zon op dak, met al gerealiseerde en vergunde projecten en met duurzame projecten in zoekgebieden. Daarnaast hebben we met potlood extra verkenningsgebieden opgenomen voor met name windenergie. Dit met het oog op een betere balans tussen windenergie en zonne-energie. Verder maakt de RES 1.0 bovenlokale warmtebronnen inzichtelijk en de gevolgen hiervan voor de infrastructuur Wordt de keuze voor zoekgebieden in de RES 1.0 overnieuw gedaan door dit planMER? Nee.

De zoekgebieden (en met potlood ingetekende verkenningsgebieden) en het bij behorende RES bod van 1,62 TWh vormen de uitgangsposities van het planMER. Het planMER wordt uitgevoerd voor de gehele regio. Het is mogelijk dat er naar aanleiding van de uitkomsten in het planMER, vanuit milieuaspecten interessante gebieden naar voren komen die niet in de RES 1.0 staan. Dat wil niet zeggen dat deze gebieden dan worden opgenomen in de RES 2.0. Milieuaspecten vormen immers maar één onderdeel in deze complexe afweging. Het is aan de colleges, gemeenteraden, provinciale staten en besturen om af te wegen wat zij met de uitkomsten van het planMER doen in de besluiten die zij nemen.

Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) Welke vraag staat centraal in het planMER? De vraag die we in het planMER willen beantwoorden luidt “Welke gebieden zijn vanuit milieueffecten geschikt, geschikt te maken, of ongeschikt voor de ontwikkeling van tenminste 1,62 TWh duurzame elektriciteitsambitie, regionale warmtebronnen en de benodigde energieinfrastructuur binnen de Groene Metropoolregio, en hoe kan dit - naast de referentie RES 1.0 worden ingevuld aan de hand van 4 thematische alternatieven?” Daarbij is het goed om te weten dat het aandeel zon-op-dak – wat 0,49 van de 1,62 TWh vertegenwoordigd – niet in het planMER wordt getoetst op milieueffecten, omdat die niet of nauwelijks van toepassing zijn voor de plaatsing van zonnepanelen op (bedrijfs)daken. Hoe komen de afspraken uit de RES 1.0 terug in het planMER? In het planMER onderzoeken we – vanuit milieu-aspecten – de mogelijkheden voor wind- en zonprojecten in de gehele regio. De zoekgebieden voor wind en zon uit de RES 1.0 worden in het planMER opgenomen als 0-variant. We onderzoeken daarmee de zoekgebieden van de RES 1.0 op milieueffecten. Het planMER kijkt vervolgens breder, naar de hele regio en verdiept die analyses door binnen de regio vier thematische alternatieven te onderzoeken: natuur, landschap, leefomgeving en energiesysteem.

Wat zijn de alternatieven natuur, landschap, leefomgeving en energiesysteem en waarom die?

Naast gebieden waarin harde milieubelemmeringen gelden en gebieden waarin geen milieubelemmeringen gelden, zijn er gebieden met zachte milieubelemmeringen. Hier zijn grootschalige zon- en windenergieprojecten mogelijk, maar niet vanzelfsprekend. Door binnen de regio de ontwikkeling van energie te koppelen aan andere waarden, zoals natuur, landschap, leefomgeving of het energiesysteem, onderzoeken we een aantal alternatieven om het doel van 1,62 TWh energieopwek in 2030 te behalen. Deze alternatieven vormen een soort ‘hoeken van het speelveld’. Het voorstel voor deze vier alternatieven is tot stand gekomen door inbreng vanuit de zestien gemeenten, de provincie en regionale belanghebbenden. Worden in het planMER ook andere onderzoeken meegenomen? De planMER van de Groene Metropoolregio Arnhem Nijmegen wordt uitgevoerd voor het gehele RES gebied. Tegelijkertijd worden er ook andere MER’en uitgevoerd. Sommigen op projectniveau, sommigen voor omgevingsvisies of andere gemeentelijke plannen en een aantal ook op provinciaal niveau. Het gaat onder andere om MER’en omtrent de Wespendief op de Veluwe, herijking van de provinciale Windvisie en lokale MER’en omtrent de ontwikkelingen van zonne- en windenergieprojecten. We werken hierin zoveel mogelijk samen en proberen zo dubbel werk te voorkomen.

De onderzoeksresultaten van de andere MER’en worden gebruikt om de planMER van de RES aan te vullen en vice versa. Worden zonnethermie, energieopslag en -conversie onderzocht in het planMER? Ja en nee. Zonnethermie wordt niet expliciet onderzocht, maar kent min of meer dezelfde milieuaspecten als een zonneveld, dat wel wordt onderzocht. Energieopslag en -conversie worden niet meegenomen in het planMER omdat de milieueffecten te lokaal zijn voor een planMER. Waarom wordt waterkracht niet onderzocht in het planMER? In de RES 1.0 is 0,04 TWh uit waterkracht voorzien. De ontwikkeling van waterkracht kent aanzienlijke milieueffecten, bijvoorbeeld rond vissterfte. Tegelijkertijd zijn die milieueffecten zeer projectgebonden. Het detailniveau van het planMER leent zich daardoor niet voor een milieuanalyse van waterkracht. Deze milieuanalyse kan wel plaatsvinden als zich een project voor waterkracht aandient (projectMER). Welk detailniveau heeft de warmte-analyse in het planMER? De warmte-analyse is een analyse op hoofdlijnen voor de warmtebronnen geothermie, aquathermie, WKO’s en biomassa. Qua eindbeeld leidt dit tot kaarten die in lijn liggen met de milieubelemmeringenkaarten voor wind en zon, maar op een hoger abstractieniveau. Rond milieuaspecten van warmtebronnen bestaat nog veel leemte aan kennis.

Daarnaast zijn de milieueffecten van warmtebronnen vaak erg lokaal, waardoor een verdiepende analyse moet plaatsvinden op projectniveau (projectMER). Waarom worden in het planMER geen mogelijkheden voor solitaire windturbines onderzocht? In de RES 1.0 is afgesproken om windprojecten zoveel mogelijk in clusters te ontwikkelen. Solitaire windturbines leiden immers tot versplintering in het landschap. Wel zien we in de regio een aantal windprojecten van twee turbines. We sluiten daarom aan bij deze ontwikkelingen van twee turbines of meer. Dit ligt bovendien in lijn liggen met het provinciale beleid. Hoe zit het met solitaire windturbines als uitbreiding op een bestaand windpark? Solitaire windturbines als uitbreiding bij een bestaand windpark onderzoeken we wél. In dat geval is er namelijk geen sprake van versplintering in het landschap. In feite speelt de analyse hier al op in. Die geeft namelijk vanuit milieuaspecten de mogelijkheden weer voor de inpassing van twee windturbines of meer, ongeacht het feit of er op een locatie al een windpark is ontwikkeld. Bestaande windparken worden daarmee automatisch geïdentificeerd als mogelijke locaties voor de plaatsing van windturbines.

Waarom wordt in de NRD gesproken over een bandbreedte van 3,6 MW tot 7,0 MW windturbines? Op dit moment zijn 3,6 MW windturbines de kleinste turbines waarvoor SDE-subsidie beschikbaar is. Daarmee vormen ze een realistische ‘onderkant’ van het type turbines dat ontwikkeld kan worden in de regio. Daar tegenover staan relatief grote turbines van 7,0 MW die op dit moment op land worden ontwikkeld. Zij vormen dus een realistische ‘bovenkant’ van het type turbines dat ontwikkeld kan worden in de regio. Omdat we benieuwd zijn naar de mogelijkheden voor zowel de kleine- als de grote turbines, houden we beide type windmolens als bandbreedte. Daarmee krijgen we beide uitersten in beeld, waardoor we automatisch ook een beeld krijgen van de mogelijkheden voor turbines die binnen deze bandbreedte vallen. Hoe wordt omgegaan met de overbruggingsregeling voor geluid/slagschaduw/veiligheid van wind? Door het Nevele-arrest zijn de Nederlandse normen voor geluid/slagschaduw/veiligheid van windprojecten, zoals die staan beschreven in het Activiteitenbesluit, op dit moment buiten werking. In 2023 wordt hierop nieuw beleid verwacht. De kans is groot dat dezelfde normen dan opnieuw in werking treden, maar zeker weten we dat nog niet. We kiezen ervoor om aan te blijven sluiten bij de normen zoals die staan beschreven in het Activiteitenbesluit en geen andere of nieuwe normen te introduceren.

Voor andere of nieuwe normen bestaat namelijk geen juridische basis. Wel hanteren we in het alternatief ‘Leefomgeving’ een strengere geluidsnorm, om zo te zien welke impact dit heeft op de mogelijkheden voor windprojecten binnen de regio. Ook vragen we de commissie m.e.r. expliciet om advies op de vraag hoe om te gaan met deze overbruggingsregeling. Waarom wordt de 1 km-Wespendiefzone rond de Veluwe gezien als harde belemmering voor wind? De rechter heeft geoordeeld dat ontwikkelingen die de stand van de Wespendief op de Veluwe bedreigen geen doorgang kunnen vinden. In vaktermen wordt gesproken over de 1%-norm. De ontwikkeling van windprojecten geldt binnen een 1 kilometerzone buiten de Veluw als zo’n bedreiging. Windprojecten zijn binnen die zone simpelweg niet mogelijk, waardoor deze zone is opgenomen als harde milieubelemmering. Voor de 1-8 km zone vanaf de Veluwe is dit anders. Hier zijn door mitigerende maatregelen voor 2025 zeer waarschijnlijk wel mogelijkheden om windprojecten te ontwikkelingen. Daarom is de 1-8 km zone buiten de Veluwe opgenomen als zachte milieubelemmering. Waarom worden weidevogelgebieden gezien als harde milieubelemmering voor zowel zon als wind? Het is slecht gesteld met de stand van weidevogels in Nederland. De overheid heeft daarnaast een zorgplicht voor weidevogels, waar in lokaal- en regionaal beleid ook niet van kan worden afgeweken.

Dit betekent dat de ontwikkeling van zowel zon- als windprojecten juridisch niet mogelijk is in weidevogelgebieden. Deze gebieden worden daarom opgenomen als harde milieubelemmering. Waarom worden wintergansrustgebieden, het Gelders Natuurnetwerk en Natura 2000 gebieden gezien als zachte milieubelemmeringen? In al deze gebieden geldt dat de ontwikkeling van zon- en windprojecten onder voorwaarden mogelijk is. In veel gevallen gaat het om lokaal en regionaal beleid waarvan kan worden afgeweken, of waar mitigerende maatregelen kunnen worden genomen. Er gelden dus milieubelemmeringen, maar de ontwikkeling van zon- en windprojecten is niet onmogelijk. Deze gebieden worden daarom opgenomen als zachte milieubelemmeringen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12036672/1