Bijlage X Geuronderzoek Wet geurhinder en veehouderijbedrijven Molenstraat ong. Heumen
Tekst van het document
GEURONDERZOEK WET GEURHINDER EN VEEHOUDERIJ Gemeente Heumen
Molenstraat ong. Heumen Ontwikkelingsmogelijkneden ten behoeve van woningbouw
uy VAN DOORMAAL ADVIES
~ Z Bestemming & Milieu
VAN DOORMAAL ADVIES Bestemming & Milieu
COLOFON
opdrachtgever:
Dutchplanners
Van Doormaal Advies B.V
M:
E: Gl @vandoormaaladvies.nl
www.vandoormaaladvies.nl
Pagina 2 van 18
VAN DOORMAAL ADVIES Bestemming & Milieu
Inhoud
VA
OUG reece reste See cet cats cae
VEU SHUTS
sss ere cca ese RSE See
ates
ats ce es Neh Sia
SE
RE Te wd Caen ae
A
ate wed ed
eam, Uae
ata,
assbesusreesstaesee4
ACA lea abi poe eabbtbs esbegesvecbedesgetueesnsusveubrdisasenesuseseubsdesseuseyneseused
1.2 Vraagstelling wicciccicccessctesccssctcsssesscessencotesdsscouttcenccadecessesssecvsetescusshacoatescteshiesesterstcebeensssuaceadscessciestnadesvezszssecosene O
2.1 Wet geurhinder en VeChOUCENTT .......... ee ceescecesseeceeeeeceeseeeeaeceesaeeeeeaeeeesaeeeceaeeesseeesseesessseeesseeseessasesseeeeseees O
2.2 Wijziging Activiteitenbesluit met betrekking tot landbouwactiviteiten ..0..... ee reeset O ...............ceec 2.3 Ruimtelijke ordeningsplannen en geurhinder van veehouderijen eee eee cree ete tereeeeeeeeeeeeeees O 3 UITGANSPUNTEN EN ACHTERGRONDEN.........cccscccssssesssestsrscsesosecsesessneveccnscevsesesecessessnensrauanensaceracansanessresseee O
3.1 Uitgangspunten veehouderijen ..............ecscccseecseeeseeceseseeeceseeeeeenescensueeacescessaeseseneseeneseneeeteneesesenenetsonereesssees
3.2 Geuremissie en QeurimMMiSsie ............... cesses sees seeeeeessneeseeeseesenensensessseseassassonsensensseseetenesseasessasssassessenseessenes O 3:3: VeErschillGNde DEOOrdelINQeN vin: iscceccederesscasstvescdds cep iabeoscveracevcuadoceuenasbivestve anna ersiederies dtestidesdiniet sree eredied ae O 3.9: Voorgrondbelasting wiiciiesl tata iie iesidin en ia inte cndtieeuior teat nducrniceseute daneisievarenanrennnnine sO
atedsoeoensduocodusesbeeusdsrevaead sdenutsestenacenne
DO: 2APStANGOM 6 cscetecicsdestcscuacenctcesuedcedeacouctcniuorsctevatessccueuencocuoneundundosuddgpe
3:9:3 Achtergrondbelasting veri sessesssccasestetecvsasecieedet stiosevsetaceatenspeae psi seruastst eur eouanedaaenouseenentense 316 BEDOUWE KOM vite cheveve cee adestes les Gina Sakeentse loess Oh Ae ded eet
AS AIStANOON Sei eities ree atet a
11
ER
tee
edie
een reer
alae
10.
eth ae ace Scat esc De Jaana aca sesame oa seteeumeneanaaaumanear aaa coat aseT LD
tote cen Sore tutte ence tan Ratatat
cate amet leted nanan Reece g
Az2 AChtergrondbe lasting sc.scecvcstes iacadesicssccasdetecbssceccsvetehsavodesisccevusdelactattaassgesaxtetiavsnetectsexetabuacnnsscciesist nebo nce 1G
4:3 Voorgrondbelasting 2s...2c:cccsieeciiits doth testes tal Aneto ir ota tectani nian eed
1 ESE I
2
ceesceeeceo aa comcece rte ater ence
adenine IO
aa aetae caret ate da 15
1 resultaat berekening V-Stacks Vergunning.............cccescseeesesseeesssseseseesssseseneesesarsenesssasesseessansersersesssaneetsessaes 18
Pagina 3 van 18
VAN DOORMAAL BestemmingADVIES & Milieu Wy NI 1 INLEIDING 1.1 Situatie
De initiatiefnemer heeft het voornemen om aan de Molenstraat ong., tussen de [EEG en
21, buiten de bebouwde kom van Heumen twee burgerwoningen op te richten. Hierbij is de plangrens ruim aangehouden als worst-case scenario om in beeld te brengen tot waar eventuele realisatie en/of uitbreiding in het toekomstig gebruik mogelijk zijn.
Afbeelding 1 Planlocatie beoogde woningen
Nabij de te bestemmen woning liggen meerdere veehouderijen en agrarische bedrijven. Nagegaan moet worden of het aspect geur en het woon- en leefklimaat ten aanzien van de verschillende bedrijven van invloed is op het woon- en verblijfsklimaat ter plaatse van het plangebied. Verder moet nagegaan worden of de nieuwe woningen een belemmering vormen voor de ontwikkelingsmogelijkheden van de bedrijven. Op de afbeelding 2 is de planlocatie weergeven alsmede de omgeving en omliggende relevante bedrijven en activiteiten.
;
$
~ 6 $3
¢ ¥
‘
s
zg ‘
,
i
™
¢
B
mh 5
we
‘
ON
a
Afbeelding 2: planlocatie Molenstraat ong. Heumen
Pagina 4 van 18
VAN DOORMAAL ADVIES Bestemming & Milieu 1.2 Vraagstelling
Bij het beoordelen van een ruimtelijk plan spelen standaard de volgende vragen: 1.
Is ter plaatse van de gewenste ruimtelijke ontwikkeling een aanvaardbaar woon- en
2.
verblijfsklimaat gegarandeerd? Worden omliggende bedrijven (onevenredig) in hun belangen geschaad?
Het onderzoek dat in dit kader is uitgevoerd beperkt zich tot geur afkomstig van veehouderijbedrijven. In hoofdstuk 2 wordt het wettelijk kader toegelicht. Hoofdstuk 3 beschrijft de uitgangspunten en achtergronden die in dit onderzoek worden gebruikt volgens de Wgv. De beoordeling van de geursituatie wordt beschreven in hoofdstuk 4. Ten slotte volgt er een eindconclusie.
Pagina 5 van 18
VAN DOORMAAL ADVIES
Bestemming & Milieu
2 WETTELIJK KADER 2.1 Wet geurhinder en veehouderij
In de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) staan standaard, landelijk geldende, afstanden en normen waaraan de ligging en geurbelasting van dierenverblijven getoetst moeten worden, in het geval van een aanvraag om milieuvergunning. De Wegv is nader uitgewerkt in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv). De normen gelden ter plaatse van geurgevoelige objecten (bijvoorbeeld woningen) en de afstanden gelden tot deze geurgevoelige objecten. De geurbelasting wordt berekend en getoetst met het verspreidingsmodel V-Stacks Gebied. Dit verspreidingsmodel geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Rgv. Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. Enkele begrippen uit de Wgv die relevant zijn en gebruikt worden in dit rapport, zijn nader toegelicht in hoofdstuk 3. 2.2 Wijziging Activiteitenbesluit met betrekking tot landbouwactiviteiten
Op 1 januari 2013 is een grote wijziging van het Activiteitenbesluit en de bijbehorende regeling in werking getreden. Met de wijziging zijn meer veehouderijen onder de regels van het Activiteitenbesluit
komen te vallen. Daarbij is onder meer de beoordeling van geur conform de Wet geurhinder en veehouderij (zoals toegelicht in hoofdstuk 3 van dit rapport) meegenomen. De toetsing aan middels geurverordeningen aangepaste geurnormen en afstanden geldt ook voor veehouderijen die onder de regels van het Activiteitenbesluit vallen. 2.3 Ruimtelijke ordeningsplannen en geurhinder van veehouderijen
Bij het opstellen van ruimtelijke plannen moet worden gewaarborgd dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat op plaatsen waar het vestigen van een (geur)gevoelig object mogelijk wordt gemaakt. Verder moet worden voorkomen dat bestaande veehouderijen onevenredig in hun belangen worden geschaad. Om de milieucontouren te bepalen moet worden uitgegaan van de
‘omgekeerde werking’ van de milieuregelgeving. In de bestemmingsplantoets wordt daartoe getoetst of ter plaatse van de te bestemmen geurgevoelige objecten voldaan wordt aan de eisen die de milieuregelgeving stelt. Voor het aspect geur van veehouderijen moet een toets op grond van de Wgv worden uitgevoerd. De geplande geurgevoelige objecten moeten zijn gelegen buiten de wettelijk geldende geur- en afstandscontouren van de aanwezige veehouderijen. Bij de toets moet worden uitgegaan van de omvang van de veestapel volgens de verleende vergunning of ingediende melding. Uit jurisprudentie blijkt dat voor de geurcontouren of aan te houden afstanden in principe moet worden uitgegaan van de randen van het bouwvlak. De rand van het bouwvlak wordt aangehouden omdat de veehouderij in
principe het recht heeft om overal binnen het bouwvlak te bouwen. In sommige gevallen kan niet het volledige bouwvlak worden benut, vanwege de ligging ten opzichte van reeds bestaande geurgevoelige objecten. In dergelijke gevallen wordt uitgegaan van het reéel te benutten bouwvlak.
Alleen in het geval dat sprake is van een overbelaste situatie (in de betreffende richting), kan van deze werkwijze worden afgeweken. Van een overbelaste situatie is sprake als in de vergunde situatie niet wordt voldaan aan de geurnorm of afstand. In dat geval kan een veehouderij de ‘geurrechten’ in de betreffende richting niet anders gebruiken dan in de vergunde situatie het geval is (het gaat daarbij om stallen en emissiepunten). Voor het bepalen van de geur- en afstandscontouren kan dan worden uitgegaan van de ligging van de vergunde stallen en emissiepunten. Hiermee wordt invulling gegeven aan het uitgangspunt dat een bestaande veehouderij niet onevenredig in haar belangen mag worden geschaad. Deze werkwijze staat ook beschreven in de Handreiking bij de Wet geurhinder en veehouderij.
Een te bestemmen geurgevoelig object moet buiten de wettelijk geldende geurcontouren van de omliggende veehouderijen liggen, om niet blootgesteld te worden aan te veel geurhinder. Bij Pagina 6 van 18
VAN DOORMAAL ADVIES Bestemming & Milieu
veehouderijen met dieren waarvoor afstanden gelden moet het nieuwbouwplan buiten de wettelijk geldende minimale afstand plaatsvinden. Binnen de geur- en afstandscontouren rondom de (bouwvlakken van de) veehouderijen, is geen sprake van een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat. Dit houdt in dat binnen deze contouren geen nieuwe bestemming mag worden vastgelegd, die het realiseren van geurgevoelige objecten mogelijk maakt. Op die manier wordt een aanvaardbaar woonen verblijfsklimaat gewaarborgd en wordt voorkomen dat het veehouderijbedrijf in haar mogelijke ontwikkeling belemmerd wordt.
Het woon- en leefklimaat in een gebied wordt behalve door de geurbelasting per veehouderij (voorgrondbelasting) ook bepaald door de achtergrondbelasting, de geurbelasting ten gevolge van alle veehouderijen samen. Het is aan de gemeente om te beoordelen of de geurbelasting en geurhinder in een specifiek gebied acceptabel zijn.
Pagina 7 van 18
VAN DOORMAAL ADVIES
Bestemming & Milieu
3 UITGANSPUNTEN EN ACHTERGRONDEN 3.1 Uitgangspunten veehouderijen
Het onderzoek naar de geursituatie gaat uit van de aanwezige veehouderijen en de bestaande geurgevoelige objecten. In het onderzoek wordt zowel de vergunde geursituatie als de worst-case geursituatie beschouwd. De geurbelasting wordt bepaald op grond van geurberekeningen voor de
voor- en achtergrondbelasting. Aan de hand hiervan kan ook het woon- en verblijfsklimaat bepaald worden. Voor de huidige situatie worden de vergunde of gemelde bedrijfssituaties gehanteerd. In de worst-case situatie wordt aangehouden dat alle bestaande bebouwing wordt afgebroken en zodanig wordt teruggebouwd dat de geur- en afstandscontouren zo veel mogelijk richting het te bestemmen geurgevoelige object komen te liggen. 3.2 Geuremissie en geurimmissie
De geuremissies worden uitgedrukt in Europese odour units (Europese geureenheden) per tijdseenheid: ouE/s. Deze geuremissies zijn bepaald op basis van metingen aan de geurconcentraties uit stallen. De emissiefactoren per dier staan weergegeven in bijlage 1 van de Rev.
De geurbelastingen (geurimissies) worden uitgedrukt in odour units per kubieke meter lucht: ouE/m3. Hiermee wordt het 98-percentiel van de geurconcentratie bedoeld. Dat is de geurconcentratie, berekend met een verspreidingsmodel, welke gedurende 2 procent van een jaar wordt overschreden. 3.3 Verschillende beoordelingen 3.3.1 Voorgrondbelasting
Met behulp van verspreidingsmodellen kan de geurbelasting vanuit dierenverblijven op geurgevoelige
objecten
worden
berekend.
De _ geurbelasting
van
een _ individuele veehouderij
wordt
‘voorgrondbelasting’ genoemd. De geurbelasting is afkomstig van dieren waarvoor in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) een omrekeningsfactor is vastgesteld, zoals varkens, vleesvee, pluimvee, schapen en geiten. De maximaal toegestane geurbelasting van veehouderijen op
geurgevoelige objecten is afhankelijk van de ligging (concentratiegebied of geen concentratiegebied en binnen of buiten de bebouwde kom). De standaardnormen uit de Wgv zijn in tabel 1 opgenomen. Tabel 1: Geurnormen volgens de Wet geurhinder en veehouderij
De Wgv biedt gemeenten de mogelijkheid de standaardnormen aan te passen middels een gemeentelijke verordening. Het plangebied ligt in de gemeente Heumen en daarmee niet in een concentratiegebied. Bij het beoordelen van vergunningaanvragen is voor het bepalen van de geurbelasting het gebruik van
het verspreidingsmodel V-Stacks Vergunning 2010 voorgeschreven. Hiermee kan op vooraf ingegeven locaties de geurbelasting worden berekend. Om een goed beeld van de geurbelasting te verkrijgen is het wenselijk om geurcontouren te kunnen berekenen en tekenen. Dit is mogelijk met het verspreidingsmodel V-Stacks Gebied. De berekende waarden voor de geurbelasting zijn bij beide verspreidingsmodellen gelijk (sinds versie 2010). Hiertoe moeten alle parameters, inclusief de rekennauwkeurigheid (20%) en ruwheid in V-Stacks Gebied gelijk worden gesteld aan de parameters in V-Stacks Vergunning. 3.3.2 Afstanden
Naast geurnormen stelt de Wgv ook eisen aan de (vaste) afstanden van veehouderijen tot geurgevoelige objecten. De afstanden gelden voor dieren waarvoor in de Rgv_ geen Pagina 8 van 18
VAN DOORMAAL ADVIES
Bestemming & Milieu
omrekeningsfactoren zijn vastgesteld, zoals melkrundvee, vrouwelijk jongvee en paarden. De minimaal
aan te houden afstand bedraagt 50 meter tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom en 100 meter tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom. Deze afstanden gelden ongeacht het aantal dieren dat er gehouden wordt en worden gemeten vanaf het dichtstbijzijnde emissiepunt van een stal waarin de betreffende dieren worden gehouden. De Wegv biedt gemeenten de mogelijkheid de standaardnormen aan te passen middels een gemeentelijke verordening. Voor het plangebied is dit niet van toepassing.
Daarnaast moet de afstand van de buitenzijde van een dierenverblijf (onafhankelijk van de diersoort die er gehouden wordt) minimaal 25 meter bedragen tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom en 50 meter bedragen tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom (gevel-gevel afstand). De bedrijfswoning die tot dezelfde veehouderij behoort wordt overigens niet aangemerkt als geurgevoelig object. 3.3.3 Achtergrondbelasting
De normen op grond van de Wgev gelden voor de geurbelasting van een individuele veehouderij. De (hoogste) geurbelasting van een individuele veehouderij op een geurgevoelig object wordt ook wel ‘voorgrondbelasting’ genoemd. De geurbelasting van alle veehouderijen samen op enige locatie wordt ‘achtergrondbelasting’ genoemd. Dit is vergelijkbaar met het begrip cumulatieve stankhinder uit de ‘stankrichtlijnen’. De Wgv kent geen normen voor de achtergrondbelasting of de mogelijkheid dergelijke normen te stellen. De achtergrondbelasting die optreedt of op kan treden is dan ook een gevolg van de aanwezige veehouderijen en de individuele geurbelasting. De gemeenteraad beoordeelt of de milieukwaliteit (de mate van geurhinder) die behoort bij een bepaalde achtergrondbelasting acceptabel is en of deze past binnen de doelstellingen voor een gebied. 3.4 Geurbelasting versus geurhinder
In de Handreiking bij Wet geurhinder en veehouderij is beschreven hoe kan worden bepaald hoeveel geurhinder kan worden verwacht in een gebied, gelet op de geurbelasting die daar is berekend. Op grond van de berekende geurbelastingen wordt met behulp van de tabellen A (achtergrondbelasting) en B (voorgrondbelasting) uit bijlage 6 van de Handreiking de te verwachten geurhinderpercentages bepaald. Het hoogste geurhinderpercentage (voorgrondbelasting of achtergrondbelasting) is maatgevend voor de geursituatie. Deze percentages zijn bedoeld om een vertaalslag te maken tussen de waarden voor de geurbelasting en de milieukwaliteit. De percentages zijn afkomstig uit het ‘Geuronderzoek stallen intensieve veehouderij’ (PRA Odournet, 2001). De geursituatie wordt beschreven in termen van milieukwaliteit, onderverdeeld in acht categorieén van ‘zeer goed’ tot ‘extreem slecht’. Deze termen zijn afkomstig uit de ‘GGD-richtlijn geurhinder (oktober 2002)’. Dit is beschreven in bijlage 7 van de Handreiking. Een overzicht van de geurbelasting in relatie tot de geurhinderpercentages en de milieukwaliteit is te zien in tabel 2.
(oue/m?)
(oue/m?)
Tabel 2: relatie tussen voor- en achtergrondbelasting conform Wgv
Pagina 9 van 18
VAN DOORMAAL ADVIES
Bestemming & Milieu
De omschrijving van de milieukwaliteit kan niet op zichzelf worden gezien. De beleving van deze aanduidingen sluit het beste aan bij woongebieden. Ook dan is er in de beleving van geur een hele stap tussen de twee opeenvolgende categorieén, zoals ‘redelijk goed’ en ‘matig’. Het verschil in geur tussen twee klassen kan nabij de grens daartussen (op korte afstand) niet worden waargenomen. Het ‘gat’ bestaat alleen tekstueel, omdat de geurbelastingen en hinderpercentages op elkaar aansluiten. 3.5 Geurgevoelig object
Een geurgevoelig object is in de Wgv gedefinieerd als: 'gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt'. Alleen een gebouw kan een geurgevoelig object zijn. Duidelijk is dat een woning een geurgevoelig object is, mits deze een positieve planologische bestemming heeft en feitelijk geschikt is en gebruikt wordt om in te wonen. Of een ander gebouw (niet zijnde een woning), bijvoorbeeld een bedrijfsgebouw een geurgevoelig object is moet worden beoordeeld aan de hand van de criteria die in de definitie verder zijn opgenomen.
Het gebouw is bestemd voor menselijk verblijf. Gezien de toelichting op de Wgv betekent dit dat de locatie volgens een geschikte planologische bestemming een functie moet hebben voor menselijk verblijf. In een kantoorgebouw, werkruimte of expeditieruimte kunnen zich mensen ophouden. Het gebouw is blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk verblijf. Het gebouw moet zodanig zijn (aard, indeling en inrichting) dat het feitelijk gezien ook mogelijk is om in het gebouw te verblijven. Als aan het voorgaande wordt voldaan zal dit in de praktijk normaliter ook het geval zijn. Het gebouw wordt daarvoor (menselijk verblijf) permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, gebruikt. Onduidelijk is wat onder permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik wordt verstaan. Waar de grens ligt in de mate van gebruik zal uit de jurisprudentie moeten blijken. Gelet op de definitie wordt er van uitgegaan dat bedrijfsgebouwen, waarin zich gedurende langere tijd, vrijwel dagelijks (meerdere) mensen verblijven (in dit geval werken) aangemerkt worden als geurgevoelig object. Dit wordt bevestigd in jurisprudentie (onder andere ABRvS 200709155/1 van 24 december 2008, ABRvS 200801961/1 van 11 maart 2009, ABRvS 200902795/5/R3 van 14 oktober 2009 en ABRVS 201202274/1/A1 van 10 oktober 2012).
De te bestemmen woningen worden aangemerkt als een geurgevoelig object. 3.6 Bebouwde kom
Het begrip bebouwde kom is in de Wgv niet gedefinieerd, evenmin als in de Wet op de Ruimtelijke ordening (Wro). In de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel van de Wgv is aangegeven dat de grens van de bebouwde kom ‘niet wordt bepaald door de Wegenverkeerswetgeving, maar evenals in de ruimtelijke ordening door de aard van de omgeving’. Binnen een bebouwde kom is de op korte afstand van elkaar gelegen bebouwing geconcentreerd tot een samenhangende structuur. Als bebouwde kom wordt beschouwd: ‘het gebied dat door aaneengesloten bebouwing overwegend een woon- en verblijffunctie heeft’ en waarin (dus) veel mensen per opperviakteeenheid daadwerkelijk wonen of verblijven. InfoMil concludeert in haar handleiding behorend bij de Wgv dat het voor de hand ligt om voor de grenzen van de bebouwde kom aan te sluiten bij wat in de ruimtelijke ordening
(het plaatselijke bestemmingsplan) daaronder wordt verstaan.
Pagina 10 van 18
VAN DOORMAAL ADVIES
Bestemming & Milieu
Of een bepaalde omgeving een bebouwde kom is zal per geval moeten worden bepaald. Zoals gezegd is dit niet eenduidig gedefinieerd. De volgende zaken spelen in deze afweging en rol: - dichtheid bebouwing; - aard en structuur van de omgeving en bebouwing; - planologische karakter. Mogelijk dat ook de historische situatie een rol speelt. Voor woningen wordt uitgegaan van bebouwde kom, als deze in een woonwijk of woongebied zijn gelegen, waarbij de erven aan meerdere zijden aan elkaar aansluiten. Woningen die geconcentreerd zijn gelegen in een op zichzelf staande lintbebouwing worden niet beschouwd als bebouwde kom.
Deze opvatting sluit aan bij de jurisprudentie over het begrip bebouwde kom zoals dat werd gehanteerd in de brochure veehouderij en Hinderwet (één van de 'stankrichtlijnen’) en in de Stankwet. De te bestemmen woningen maken geen onderdeel uit van de bebouwde kom.
Pagina 11 van 18
VAN DOORMAAL ADVIES
Bestemming & Milieu
4 GEUR In de omgeving van de te bestemmen woning liggen twee veehouderijen. De voor het onderzoek
relevante veehouderijen binnen een straal van (minstens) 500 meter van het plangebied zijn weergegeven op onderstaande afbeeldingen. De veehouderij gelegen aan de is gelet op de grotere afstand, hoeveelheid geurimissie en identieke windrichting ondergeschikt aan
de veehouderij gelegen aan de |EREBEENEEN die in deze als dominante veehouderij fungeerd. Hier
wordt nog verder op in gegaan bij paragraaf 4.2 Achtergrondbelasting.
Adres
. HX
Molenstraat
Postcode en huisnummer
4
5
6582 AE 21
Woonplaats =|
a
Gemeente
Heumen
| Type bedrijf Datumvergunning/melding/besluit
:
Type vergunning/melding/besluit 5
Varkenshouderij 3-11-2005 (gedeeltelijk ingetrokken d.d. 22 mei 2012) Revisievergunning ingevolge de Wet milieubeheer
Emissies:
Ammoniak (NH3)
:
1800 (kg per jaar)
Geur
Ss
To
yf >
r\ \ ‘N
Geur
3.892,3 (ouE/s)
ES
eteeae &
ep = =
s
:
ens =
E-
Dies .a
D* aa
9200 (ouE/s)
a Fijn stof (PM10)
4
61.200 (kg per jaar)
oC”
a
‘.
'
fv
;
Z
=I
ne
.
iam
o
y ;:
of
‘
:
Afbeelding 3, omliggende veehouderijen, Bron: Publieke Geo-viewer (www.igoview.n!)
Voor de planontwikkeling is onderstaande veehouderij relevant ten aanzien van geur.
°
Varkenshouderij, dieren mét geuremissiefactor aanwezig (9.200 ouE/s)
4.1 Afstanden
De afstandsnorm voor de te bestemmen woning buiten de bebouwde kom bedraagt 50 meter voor stallen waarin dieren gehouden worden zonder geuremissiefactor (zie paragraaf 3.3.2). Daarnaast moet voor zowel veehouderijbedrijven mét als zonder dieren met een geuremissiefactor rekening gehouden worden met de gevel-gevel afstand van stallen tot geurgevoelige objecten van minimaal 25 meter (zie paragraaf 3.3.2). Voor de vaste afstanden dient rekening gehouden te worden met een worst-case situatie.
Binnen een straal van circa 50 m rondom het te onderzoeken plangebied voor woningbouw zijn geen veehouderijen aanwezig waar dieren zijn gemeld/vergund die geen emissiefactor hebben. Enkel de veehouderij op
is gelegen binnen 50 meter van het plangebied, hier worden alleen Pagina 12 van 18
VAN DOORMAAL BestemmingADVIES & Milieu Wy NZ varkens gehouden (mét geuremissiefactor). Daarbij is de gevel-gevel afstand van de varkensstal aldaar tot het plangebied groter dan 25 meter.
411 rT
Op locatic EEREisvolgens het gemeentelijke milieudossier, na een gedeeltelijke intrekking
voor het houden van paarden, sprake van een milieutoestemming (valt sinds 1 januari 2013 van rechtswege onder het Activiteitenbesluit met OBM) voor het houden van 400 stuks varkens. De varkens worden gehouden in stal A gelegen ten zuiden van het woonhuis op het achtererf overeenkomstig het milieudossier, zie tevens onderstaande uitsnede van de plattegrondtekening. De overige bedrijfsgebouwen zijn niet in gebruik voor het houden van vee (zie afbeelding 4 groen gearceerd).
ew
2 .
;
it |
>» Ly, 1<
ta)
:
acne ZN
4
:
aa fol : I
a
t
‘
ap
er,
il
l
L ! HATTINATTTAT aI AN ¥ §fake epee Sy
| ——e
:
Boe em ar ns
2) Pe,
{80 ptowesey rg |: ao
“
4
= Ba
Afbeelding 4 doorsnede milieutoestemming en afstand tot
iS
Het vee wordt derhalve op minimaal 110 m gehouden van de plangrens voor de beoogde nieuwe woningen. Uitgaande van mechanische ventilatie door middel van ventilatoren aan de rechter goot zijde, is het gemiddelde emissiepunt van de stal daarmee eveneens reeds verder gelegen dan 50 meter, zijnde de afstand indien in de varkensstal dieren gehouden zouden worden zonder geuremissiefactor. Hiermee wordt voldaan aan de afstand van 50 m.
4.2 Achtergrondbelasting
De achtergrondbelasting wordt gevormd door de geurbelasting van alle veehouderijen samen (zie paragraaf 3.3.3). De geuremissie is afkomstig van dieren waarvoor in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) een omrekeningsfactor is vastgesteld, zoals varkens, vieesvee, pluimvee, schapen en geiten.
Pagina 13 van 18
VAN DOORMAAL ADVIES
Bestemming & Milieu Bij een onderzoek naar de achtergrondbelasting worden alle veehouderijen in een ruime omgeving (afhankelijk van de gebiedstypering) rondom het plangebied betrokken. Bij het analyseren van de achtergrondbelasting is uitgegaan van de veehouderijgegevens uit de provinciale database I-GO view.
5 2 2
%
oe
H
/ /
i
yt Oe
wp miaon
equines
)
|
A
% %
5
e
:
Ng | 9
&
Sane ee
E
var al %
i:
\ \
Molenhoek
*
‘
*
AN 9" 1
Ma iat. \
P
yr ee
ry
1
‘
cy
E
o >
e
=
‘
H
Hoeveveld
=]
i
H
t
}
Korendal
/
¢ / ‘
/
g
% i
x wed 3 7 ,
\
op ye"
OS,
/4
ss "iv, vd
ae
aa
ei
ca
wo
+
&, x 7
S ™
Afbeelding 3 Aanwezigheid ‘actieve’ veehouderijbedrijven binnen een straal van 1 km
Alle veehouderijen binnen 1 km afstand van de planlocatie zijn in beeld gebracht, zie afbeelding 5. Hieruit blijkt dat er in totaal 2 veehouderijen aanwezig zijn, hierdoor valt het gebied te kwalificeren als zeer extensief gebied ten aanzien van de aanwezigheid van veehouderijbedrijven. Dit komt overeen met de kwalificatie van het gebied als zijnde niet-concentratiegebied. Gezien de lage dichtheid aan veehouderijbedrijven is het aannemelijk dat de voorgrondbelasting meer dan de helft van de achtergrondbelasting bedraagt. Derhalve zal de voorgrondbelasting bepalend zijn voor het woon- en leefklimaat. Gelet op de zeer geringe aanwezigheid van veehouderijbedrijven zijn cumulatieve effecten door achtergrondbelasting te verwaarlozen en is een specifieke geurberekening middels V-Stack gebied achterwegen gelaten. De achtergrondbelasting vormt middels bovenstaande analyse geen belemmering voor het plan. De omliggende veehouderijbedrijven worden niet geschaad in hun belangen aangaande de achtergrondbelasting. Tevens mag ten aanzien van de achtergrondbelasting worden aangenomen worden dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat binnen de planlocatie voor zover sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten aanzien van de voorgrondbelasting, e.e.a. verder uitgewerkt in paragraaf 4.3.
Pagina 14 van 18
VAN DOORMAAL ADVIES
Bestemming & Milieu 4.3 Voorgrondbelasting
Ten aanzien van veehouderijbedrijven waar dieren worden gehouden waarvan een geuremissiefactor is vastgesteld zijn onderstaande veehouderijen in de omgeving van de planlocatie relevant. e
Gelegen op circa 110 m van de planlocatie, geuremissiefactor aanwezig zijn (9.200 ouE/s)
waar 400 stuks varkens mét
Gezien de vergunde geuremissie op bedrijfsniveau en de afstanden tot de planlocatie is bepaald dat de veehouderij op de voor de voorgrondbelasting.
het meest dominant is om te berekenen ten aanzien van geur
431
Voor de veehouderij aan de EEEEEEEEEis uitgegaan van de volgende vergunde veebezetting: Aantal dieren
RAV-code vergund
@ | RAV-code actueel
Diercategorie omschriyving
Omschrijving RAV
400
D3.2.1.1/BWL 2001.22 | D3.2.1/BWL 2001.23 | vieesvarkens, opfokberen van circa 25) gedeeltelijk roostervioer gehele dierplaats onderkelderd zond
Afbeelding 4 Vergunde veebezetting [ERENCE 4.2.1.1 Aanvaardbaar woon- en leefklimaat
De voorgrondbelasting op basis van voornoemde veebezetting op de planlocatie is berekend op onderstaande immissiepunten.
Veer \" cn,e.\o. i ‘eBZ ,Sey tk‘esg S ; 3 oe sa.‘:€7<‘ey\3¢¥ * SeaTitas oea
\is) ~, =e y4 Y/NFou
ms 54 _Sf fae |a 4 se W f e Ke Referentie ees bebouwde % tel. Sea £ " ‘s kom
R
iad
y
Afbeelding 5 receptorpunten
4 '
\.
es
Referentie
hi Ps 4 : agy
"| buitengebied y
y
KS
:
=
5.1.2e y y
=
Y
JTS ay ole /
i
DE
ia
7
; Pts:
.
a ie7a10 | 419 630
|| tarea2 | 410608 | tavaea | 419618 6 |Moensi.t5 | | | tevana te7ars || 410570 419500 4 |Moensirpt3 5 |Molensir.pt4
| te7eas | 419 585 eo
ee
| 9 |Molenstrt7
10 | Afbeelding
we | [isco tsaa3 || 410502 10017
6 coérdinaten berekende receptorpunten
Pagina 15 van 18
VAN DOORMAAL ADVIES
Bestemming & Milieu
Tevens is uitgegaan van het vergunde emissiepunt van het bedrijf (middelpunt varkensstal) omdat de veehouderij reeds in de bestaande situatie zich in een overbelaste situatie bevindt ten aanzien van de
woning
welke als referentie is meegenomen in de geurberekening.
Uit de berekening blijkt dat er reeds sprake is van een overbelaste situatie van 4,6 ouE/m3 (toegestane norm 2,0 binnen de bebouwde kom) waardoor het bedrijf reeds beperkt wordt bij eventuele toekomstige ontwikkelingen.
Uit de berekening blijkt dat ter plaatse van de nieuwe woningen sprake is van een geurbelasting in de range van 2,1 tot 4,5 ouE/m3, zie bijlage 1. Hierdoor is sprake van een ‘goed’ tot ‘redelijk goed’ woonen leefklimaat op basis van de handreiking Wet geurhinder en veehouderij ter plaatse van de nieuwe woningen. Daarmee mag tevens worden aangenomen dat sprake is van een “aanvaardbaar” woon- en leefklimaat in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Tevens is geen sprake van een cumulatieve werking ten aanzien van de achtergrondbelasting. Ter plaatse van de beoogde woningen is dus geen onevenredige geurhinder te verwachten. 4.2.1.2 Ontwikkelingsmogelijkheden
Daarnaast moet worden beoordeeld of de veehouderij niet onevenredig in haar belangen wordt geschaad. Het planinitiatief voorziet in het bouwen van twee woningen buiten de bebouwde kom.
Het bedrijf op de EEE REEEEN in de bestaande situatie reeds gehinderd in haar bedrijfsvoering door
burgerwoningen binnen de bebouwde kom, waarvoor bijvoorbeeld een vaste afstand van 100 m geldt
en sprake is van een strengere geurnorm. Daarbij is de woning binnen de bebouwde kom dichter gelegen tot de varkensstal en zorgen de woningen in de bebouwde kom (0.a. Molenstraat 10 en
dat een deel van het bouwvlak niet benutbaar is voor het houden van vee ter
plaatse van de bestaande bedrijfsgebouwen (die zijn namelijk binnen 100 m gelegen).
Afhankelijk van de exacte situering van de nieuwe woningen is een gedeelte van het bouwvlak behorende bij niet meer geschikt voor het houden van dieren waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld. Echter een overgroot deel van het bouwvlak blijft nog benutbaar.
Voor een eventuele ontwikkeling van het bedrijf met dieren waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld dient reeds in de bestaande situatie rekening gehouden te worden met de 50/50-regeling ten aanzien van de woningen in de bebouwde kom. De beoogde ontwikkeling verandert dit niet.
De veehouderij wordt derhalve niet onevenredig in zijn ontwikkelingsmogelijknheden aangetast.
Pagina 16 van 18
VAN DOORMAAL ADVIES Bestemming & Milieu
CONCLUSIE In dit onderzoek is de geur afkomstig van veehouderijen op de te realiseren woningen aan de Molenstraat ong. te Heumen onderzocht.
In deze conclusie wordt antwoord gegeven op de onderzoeksvragen, zoals gesteld in paragraaf 1.2. In hoofdstuk 4 van dit rapport is toegelicht dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat en dat de omliggende veehouderijen niet in hun belangen worden geschaad door eventuele nieuwbouw van woningen ter plaatse van de onderzoekslocatie.
Concluderend vormen de onderzochte aspecten geen belemmering voor de realisatie van de nieuwe woningen.
Pagina 17 van 18
Bestemming & Milieu
1 resultaat berekening V-Stacks vergunning
Gegenereerd op: 6-06-2023
berekend met: V-Stacks Vergunning 2020 Release juli 2020 (c) DNV GL
Page
Naam van de berekening: Planlocatie Molenstraat ong. te Gemaakt op: 2023-06-06 15:17:24 Rekentijd: 0:00:19
Naam van het bedrijf: Molenstraat ong. te Heumen Berekende ruwheid: 0,537 m
Brongegevens:
Geur gevoelige locaties:
Molenstr. pt 1
187.910 | 419.630
Molenstr. 2 Molenstr. ptpt 43
187 962 | 419628 187 989 || 419618 187.975 419599
||_9| Motenstr pt 76
| 419585 | 187943 iszoz1 s19493 187 923 || 419592
Molenstr. pt
Molenstr. pt
6 |r
op: 6-06-2023
Gegenereerd
188060 | 419617
berekend met- V-Stacks Verqunning 2020 Release juli 2020 (c) DNV GL
Page 2
419680
Molenstraa'
3
419630
7
70
° .2
és
5
®
419530 Pf ft | 419480
187900
187950
188000 x
188050
188100
Pagina 18 van 18
Legenda toegepaste uitzonderingsgrondslagen In dit document zijn gedeeltes geanonimiseerd op grond van artikel 5 van de Wet open overheid: Art. 5.1 lid 2 onderdeel e
De eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, tenzij de betrokken persoon instemt met openbaarmaking Pagina('s):23
41213 15 16 18