Bijlage VIII Bijlage bij memo - Rapport aanvullend onderzoek Looistraat Heumen
Tekst van het document
RAPPORTAGE Aanvullend ecologisch onderzoek Locatie Looistraat Heumen
Rapport aanvullend ecologisch onderzoek Locatie Looistraat, Heumen Opdrachtgever
Gemeente Heumen Postbus 200 6580 AZ Malden
1
Rapportnummer
19811.005
Versienummer
D1
Status
Definitief
Datum
14 juli 2023
Opsteller1
Mevrouw J.J.R.M. van den Berg, BSc
Kwaliteitscontrole
De heer ir. B.H.H. Verdijck
AVG
In onze rapportages wordt niet gewerkt met handtekeningen en/of parafen. Conform protocol en eisen uit het kwaliteitssysteem wordt het rapport aantoonbaar vrijgegeven. In het kader van de AVG dient, voorafgaand aan publicatie of bij uitlevering aan derden, bijlagen met kadastrale uittreksels en namen van opdrachtgevers verwijderd dan wel zwart gelakt te worden.
KWALITEITSZORG Econsultancy is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is een vereniging van ecologische advies- en onderzoeksbureaus die werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en die de belangen behartigt van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. CERTIFICERING Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteits- en milieuhand-boek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NENEN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Daarnaast staat veilig werken bij Econsultancy voorop en zijn we gecertificeerd voor VCA*. BETROUWBAARHEID Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de planlocatie voor beschermde soorten en het al dan niet voorkomen van soorten. De gebruikte informatie omtrent verspreiding van soorten is deels afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.
Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde onderzoek neemt. Al onze rapportages worden opgesteld conform de ‘Handreiking omgaan met AVG in bodemonderzoeken’ opgesteld door de VKB (29 juni 2022). Hiermee voldoet de rapportage aan de eisen die de wet en NEN normen ons stellen en wordt tevens voldaan aan de AVG. GELDIGHEID ONDERZOEK In het algemeen kan gesteld worden dat een quickscan geldig is voor een periode van 2 tot 3 jaar, tenzij in deze periode de ecologische omstandigheden wezenlijk zijn veranderd en/of de Wet natuurbescherming, dan wel inzichten hieromtrent zijn gewijzigd. Bij uitstel van de uitvoering van een project met meer dan 3 jaar verdient het de aanbeveling de resultaten van de quickscan opnieuw te toetsen. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de rechthebbende.
INHOUDSOPGAVE 1
INLEIDING .................................................................................................................................................. 1
2
GEBIEDSBESCHRIJVING .............................................................................................................................. 2 2.1 2.2
Huidig gebruik planlocatie en omgeving ........................................................................................ 2 Toekomstig gebruik van de planlocatie ......................................................................................... 2
3
RESULTATEN VOORGAAND ONDERZOEK .................................................................................................. 4
4
ONDERZOEKSMETHODIEK ......................................................................................................................... 5 4.1 4.2 4.3 4.4
5
ONDERZOEKSRESULTATEN ........................................................................................................................ 9 5.1 5.2 5.3 5.4
6
Alpenwatersalamander .................................................................................................................. 9 Steenmarter en kleine marterachtigen .......................................................................................... 9 Boomholte-inspectie .................................................................................................................... 10 Das................................................................................................................................................ 11
TOETSING AAN WET- EN REGELGEVING.................................................................................................. 18 6.1 6.2 6.3
7
Vleermuizen ................................................................................................................................... 5 Alpenwatersalamander .................................................................................................................. 5 Steenmarter en kleine marterachtigen .......................................................................................... 5 Das.................................................................................................................................................. 6
Wezel............................................................................................................................................ 18 Vleermuizen ................................................................................................................................. 18 Das................................................................................................................................................ 19
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN........................................................................................................... 22 Functie planlocatie voor beschermde soorten ............................................................................ 22 Conclusie ...................................................................................................................................... 22
8
GERAADPLEEGDE BRONNEN ..................................................................................................................... 1
19811.005
1
INLEIDING
Econsultancy heeft van Gemeente Heumen opdracht gekregen voor het uitvoeren van een aanvullend ecologisch onderzoek aan de Looistraat te Heumen. Het aanvullend ecologisch onderzoek is uitgevoerd in het kader van de potentiële herontwikkeling (realisatie sportvelden) van de planlocatie. De onderzoeken zijn uitgevoerd naar aanleiding van de resultaten van het verkennend natuuronderzoek en het onderzoek naar de compensatieopgave van de das en de groene ontwikkelzone die Sweco in mei 2022 heeft uitgevoerd (rapport 51007211, d.d. 11 mei 2022 & rapport 51007211, d.d. 11 mei 2022). Uit het verkennend natuuronderzoek is gebleken dat, om de effecten van de ingreep volledig te kunnen toetsen aan de Wet natuurbescherming er meer informatie benodigd was. Het meest noordelijke deel van de planlocatie was niet meegenomen in het verkennend natuuronderzoek van Sweco. Hiervoor heeft Econsultancy gelijktijdig een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd (rapport 19811.006, d.d. 5 mei 2023). Voor de realisatie van de sportvelden zijn twee potentiële locaties beoogd, waarvan de locatie aan de Looistraat er één is. Econsultancy heeft tevens een aanvullend ecologisch onderzoek uitgevoerd aan de alternatieve locatie aan de Hatertseweg te Malden (project 19811.002).
Econsultancy is lid van de branchevereniging Netwerk Groene Bureaus en werkt volgens de door het Netwerk opgestelde gedragscode en protocollen.
19811.005 versie D1
1 / 23
2
GEBIEDSBESCHRIJVING
2.1 Huidig gebruik planlocatie en omgeving De planlocatie (± 12 ha) ligt aan de Looistraat te Heumen. In figuur 2.1 is de planlocatie weergegeven.
*
Figuur 2.1 Luchtfoto van de planlocatie (wit omlijnd) en directe omgeving. Het gedeelte wat gemarkeerd is met een sterretje geeft het gedeelte van de locatie aan waarvoor in april 2023 een quickscan wet natuurbescherming is uitgevoerd.
De planlocatie bestaat uit weiland en akkerland met watergangen en een rij struikgewas. Het perceel is omgeven door bomenrijen. Ten oosten is het Maas-Waalkanaal gelegen en ten westen loopt de Looistraat. Voor het noordelijke gedeelte (gemarkeerd met een sterretje) is een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd in april 2023 (rapport 19811.006, d.d. 5 mei 2023). De hieruit volgende benodigde aanvullende onderzoeken voor de bebouwing en bijbehorende grond aan de Looistraat 46 maken geen onderdeel uit van de onderhavige rapportage.
2.2 Toekomstig gebruik van de planlocatie De initiatiefnemer is voornemens om op de huidige locatie van SV Juliana ’31 woningen te bouwen. Om dit mogelijk te maken moet SV Juliana ’31 verplaatst worden. De planlocatie behoort tot één van de voorkeurslocaties voor het verplaatsten van het sportpark. Het voorlopige schetsontwerp voor het sportpark is weergegeven in figuur 2.2.
19811.005 versie D1
2 / 23
Figuur 2.2 Voorlopig schetsontwerp voor de realisatie van het sportpark binnen het plangebied.
19811.005 versie D1
3 / 23
3
RESULTATEN VOORGAAND ONDERZOEK
Onderhavig aanvullend ecologisch onderzoek is uitgevoerd op basis van de resultaten van het verkennend natuuronderzoek en het onderzoek naar de compensatieopgave van de das en de groene ontwikkelzone die Sweco in mei 2022 heeft uitgevoerd (rapport 51007211, d.d. 11 mei 2022 & rapport 51007211, d.d. 11 mei 2022). Hierin is de planlocatie getoetst op de aanwezigheid van geschikt habitat/geschikte verblijfplaatsen voor in de Wet natuurbescherming genoemde soorten. Op basis van deze onderzoeken is aanvullend ecologisch onderzoek geadviseerd naar de das, kleine marterachtigen, alpenwatersalamander en, indien werkzaamheden aan de watergangen plaatsvinden, de grote modderkruiper. Daarnaast was een aanvullende boomholte-inspectie benodigd ten behoeve van boombewonende vleermuizen.
19811.005 versie D1
4 / 23
4
ONDERZOEKSMETHODIEK
4.1 Vleermuizen De bomenrijen rondom de planlocatie kunnen dienen als vliegroute en/of verblijfplaatsen voor vleermuizen. Het is van belang dat de bomenrijen duurzaam behouden blijven bij de voorgenomen ingreep. Om gerichter rekening te kunnen houden met verlichting richting potentiële verblijfplaatsen is een inspectie uitgevoerd naar de aanwezigheid van geschikte boomholtes in de bladloze periode. Indien het niet mogelijk is om (potentiële) vliegroutes en verblijfplaatsen duurzaam te behouden dan is alsnog aanvullend ecologisch onderzoek naar vleermuizen benodigd.
4.2 Alpenwatersalamander Voor het onderzoek naar alpenwatersalamander zijn twee veldrondes uitgevoerd in de periode maart tot en met mei (30 maart en 13 april 2023). Hierbij is het open water op de planlocatie met behulp van een RAVONnet bemonsterd en aan de hand daarvan vastgesteld of beschermde amfibieën gebruik maken van het water. De inventarisatiemethode is als voorgeschreven door RAVON (Handleiding voor het monitoren van amfibieën in Nederland, herziene uitgave 2015), met de nadruk op geschikte perioden voor het waarnemen van alpenwatersalamander.
4.3 Steenmarter en kleine marterachtigen Voor het onderzoek naar steenmarter, bunzing, hermelijn en wezel is, conform de ‘handreiking kleine marterachtigen in relatie tot soortbescherming’ (Bouwens, 2017), in de periode van 30 maart tot en met 12 mei onderzoek gedaan met behulp van drie wildcamera’s (voor steenmarter en bunzing) en vier marterboxen (voor hermelijn en wezel) met lokstoffen (figuur 4.1). Tijdens het eerste veldbezoek zijn de wildcamera’s in combinatie met de jiggler en de marterboxen op de planlocatie gemonteerd aan de aanwezige begroeiing. Bij het plaatsen van de cameravallen is gelet op de geschiktheid van de locatie voor de mogelijke aanwezige marterachtigen. Vervolgens heeft om de 2 weken een veldbezoek plaatsgevonden om de SD-kaartjes en batterijen van de camera’s te vervangen.
19811.005 versie D1
5 / 23
Figuur 4.1 De locaties van de wildcamera’s (geel) en marterboxen (groen).
4.4 Das Ten aanzien van de das zijn twee veldinspecties uitgevoerd, op 4 en 5 april 2023. Bij deze veldinspecties zijn de planlocatie en de omgeving binnen 1,5 kilometer rondom de planlocatie onderzocht op de aanwezigheid van burchten en sporen die wijzen op het gebruik van het gebied door de das. Hierbij is gelet op aanwezigheid van burchten, dassenpijpen en sporen als wissels, prenten latrines, mest- en snuitputjes. Daarnaast is tijdens deze veldbezoeken in kaart gebracht welke waardes de percelen op en rondom de planlocatie hebben voor de das, zoals bijvoorbeeld geschikte foerageergebieden. Burchtlocaties waarvan tijdens de veldinspecties bleek dat ze nog actief zijn, zijn vervolgens verder onderzocht op hun functie. Dit is gedaan middels cameraonderzoek in de periode 7 april tot en met 12 juni, de periode waarin de jonge dassen voor het eerst naar buiten komen. In totaal zijn er 11 wildcamera’s opgehangen (figuur 4.2). De camera’s zijn gemonteerd aan de aanwezige begroeiing in de omgeving van de betreffende burcht. Tussentijds zijn de camera’s gecontroleerd om de twee weken.
19811.005 versie D1
6 / 23
Figuur 4.2 De locaties van de wildcamera’s (gele stippen).
Tabel 4.1 geeft een overzicht van de uitgevoerde veldbezoeken. Tabel 4.1 Uitgevoerde veldbezoeken voor de verschillende soortgroepen. maart Vleermuizen (hol- tijdstip teinspectie)
april
mei
juni
30 maart 2023 -
functie Alpenwatersalatijdstip mander (scheppen) functie
19811.005 versie D1
verblijfplaatsen 30 maart en 13 april 2023 -
voortplantingswater
7 / 23
Marterachtigen
tijdstip functie
Das (veldinspec- tijdstip ties) functie Das (camera’s)
30 maart t/m 12 mei 2023
verblijfplaatsen 4 en 5 april 2023 Verblijfplaatsen en leefgebied
tijdstip
7 april t/m 12 juni 2023 -
functie
19811.005 versie D1
-
-
Verblijfplaatsen en leefgebied
8 / 23
5
ONDERZOEKSRESULTATEN
5.1 Alpenwatersalamander Ten aanzien van de alpenwatersalamander zijn twee veldbezoeken uitgevoerd, op 30 maart en 13 april 2023. Gedurende beide veldbezoeken is de alpenwatersalamander niet aangetroffen, waardoor met voldoende zekerheid kan worden gesteld dat de alpenwatersalamander geen gebruik maakt van de watergangen die grenzen aan de planlocatie.
5.2 Steenmarter en kleine marterachtigen Het cameraonderzoek naar de steenmarter en kleine marterachtigen heeft plaatsgevonden van 30 maart tot en met 12 mei 2023. Hierbij is de wezel op vier verschillende dagen verspreid over deze periode waargenomen in het struweel ten noordoosten van het plangebied (figuur 5.1). Hieruit kan worden opgemaakt dat de wezel een verblijfplaats heeft in het struweel grenzend aan het plangebied of in de greppel met ruigte binnen het plangebied. De planlocatie behoort hiermee tevens tot het leefgebied van deze Figuur 5.1 Opname van de wezel in de marterbox. soort. In figuur 5.2 is aangegeven welke elementen een functie hebben voor de wezel. Het treffen van mitigerende maatregelen en een ontheffingsaanvraag ten aanzien van deze verblijfplaats zijn noodzakelijk (hoofdstuk 6).
19811.005 versie D1
9 / 23
Figuur 5.2
Elementen binnen en grenzend aan het plangebied met een functie voor de wezel.
5.3 Boomholte-inspectie De bomen rondom het plangebied zijn onderzocht op holtes, scheuren en loshangend schors, welke geschikt kunnen zijn als verblijfplaats voor boombewonende vleermuizen. Hierbij zijn zeven potentiële verblijfplaatsen aangetroffen (figuur 5.1). Aangezien de initiatiefnemer aanstuurt op behoud van de potentiële functies, zijn deze functies zijn niet nader onderzocht. Het is van belang dat deze potentiële verblijfplaatsen duurzaam behouden blijven bij de voorgenomen ingreep (paragraaf 6.2).
19811.005 versie D1
10 / 23
Figuur 5.3 Potentiële verblijfplaatsen voor boombewonende vleermuizen (roze stippen).
5.4 Das Uit het eerder uitgevoerde verkennend natuuronderzoek van Sweco (rapport 5100720, d.d. 11 mei 2022) is gebleken dat de planlocatie behoort tot het foerageergebied van de das. Ook tijdens het onderzoek naar de steenmarter en kleine marterachtigen op de planlocatie is de das meermaals waargenomen (figuur 5.4). Daarnaast zijn sporen zoals mestputjes en wissels waargenomen aan de rand van de planlocatie (figuur 5.5 en 5.6).
19811.005 versie D1
11 / 23
Figuur 5.4 Opname van de das binnen het plangebied.
Figuur 5.5 Mestputje aan de rand van het plangebied.
Figuur 5.6 Wissel die naar het plangebied loopt.
Om te onderzoeken in welke mate de das gebruik maakt van de planlocatie en om vast te stellen waar eventueel gecompenseerd kan worden ten aanzien van de das, zijn ook de dassenburchten in de omgeving van de planlocatie in kaart gebracht. Op 4 en 5 april 2023 zijn de voor de das interessante terreinen binnen 1,5 kilometer van de planlocatie onderzocht op de aanwezigheid van dassenburchten en is in kaart gebracht wat de status van de verschillende burchten was (actief/belopen/inactief; figuur 5.7). Actieve burchten worden veelvuldig gebruikt; belopen burchten slechts af en toe en inactieve burchten waren ten tijde van het veldbezoek niet in gebruik door de das.
Figuur 5.7 De bezochte burchten, onderverdeeld in actief/belopen (geel) en inactief (blauw).
19811.005 versie D1
12 / 23
Op de belopen/actieve burchten zijn vervolgens wildcamera’s geplaatst, om te onderzoeken welke burchten functioneren als kraamburcht. Jonge dassen verlaten de burcht voor het eerst eind april/begin mei. Het cameraonderzoek heeft plaatsgevonden van 7 april tot en met 12 juni 2023. Op basis van de verkregen beelden zijn drie kraamburchten waargenomen (figuur 5.8). Bij al deze burchten zijn opnames gemaakt van jonge dassen (figuur 5.9 t/m 5.11) en ouderdieren die hooi de gangen in slepen, wat duidt op een kraamfunctie. Bij de burcht op het perceel aan de Blankenbergseweg 3c (figuur 5.12) werd af en toe een volwassen das waargenomen op de camera. Op enkele beelden was te zien hoe de das nestmateriaal in de gangen sleepte. Hier zijn echter geen andere aanwijzingen aangetroffen die duiden op een kraamburcht.
Figuur 5.8 De drie burchten waarvan is vastgesteld dat het kraamburchten betreffen.
Figuur 5.9 Moederdas met twee jongen (burcht 1).
19811.005 versie D1
Figuur 5.10 Moederdas met één jong (burcht 2)
Figuur 5.11 Twee jonge dassen (burcht 3).
13 / 23
Figuur 5.12 Burchtlocatie waarbij enkel ingesleept hooi werd waargenomen (gele stip).
Tijdens de veldbezoeken is ook gelet op de aanwezige wissels vanuit de kraamburchten. Kraamburcht 1 is gelegen op circa 430 meter afstand van de planlocatie. Vanuit kraamburcht 1 lopen wissels door de houtwal en naar de grasvelden ten noorden en naar een aanwezige faunatunnel onder de weg door, waardoor de das ook gebruik kan maken van de gronden en het bosperceel ten zuidoosten (figuur 5.13). De wissels lopen echter niet door tot aan de planlocatie.
19811.005 versie D1
14 / 23
Figuur 5.13 De wissels (oranje) vanuit kraamburcht 1.
Vanaf kraamburcht 2, gelegen op circa 440 meter afstand van de planlocatie, lopen wissels naar de omliggende percelen. Daarnaast loopt een wissel langs de gehele houtwal ten oosten van de burcht. Deze wissel loopt verder aan de overzijde van de Looistraat, aan de oost- en zuidzijde van de planlocatie (figuur 5.14). Op basis hiervan kan worden gesteld dat de familie uit kraamburcht 2 gebruik maakt van de planlocatie om te foerageren.
19811.005 versie D1
15 / 23
Figuur 5.14 De wissels (oranje) vanuit kraamburcht 2.
Kraamburcht 3 is gelegen op circa 1.050 meter afstand van de planlocatie. De wissels vanuit kraamburcht 3 lopen richting de gronden ten oosten en westen van de burcht. Daarnaast loopt er verder ten noorden een wissel tussen een akker en de bosrand (figuur 5.15). Naar verwachting is deze wissel ook in gebruik door de familie uit kraamburcht 3. Deze dassenfamilie heeft hun foerageergebied voornamelijk ten westen van de A73 en zal geen gebruik maken van de planlocatie.
19811.005 versie D1
16 / 23
Figuur 5.15 De wissels (oranje) vanuit kraamburcht 3.
19811.005 versie D1
17 / 23
6
TOETSING AAN WET- EN REGELGEVING
6.1 Wezel De wezel behoort tot de beschermde inheemse diersoorten en is tevens opgenomen in onderdeel A, behorende bij artikel 3.10, eerste lid, van de nationaal beschermde dier- en plantensoorten volgens de Wet natuurbescherming. Bij de voorgenomen plannen gaat mogelijk een vaste rust- en/of voortplantingsplaats van de wezel verloren. Door het treffen van maatregelen zal de functionaliteit van een rust- en/of voortplantingsplaats behouden moeten worden en zal schade aan individuen moeten worden voorkomen. Deze maatregelen, omschreven in een activiteitenplan, dienen vervolgens ter goedkeuring worden voorgelegd aan de provincie Gelderland, middels een ontheffingsaanvraag. De wezel komt voor in kleinschalig cultuurlandschap en maakt daarmee gebruik van hetzelfde habitat als de das. Doordat beide soorten hetzelfde habitat nodig hebben kunnen de compensatiemaatregelen voor de wezel en das gecombineerd worden (paragraaf 6.3).
6.2 Vleermuizen Alle vleermuissoorten zijn opgenomen in bijlage IV van de EU-Habitatrichtlijn, dier- en plantensoorten van communautair belang die strikt moeten worden beschermd. Vleermuizen worden ook benoemd in Bijlage II van de conventie van Bonn. Grenzend aan de planlocatie zijn zeven potentiële verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen aangetroffen. Het is van belang dat deze potentiële verblijfplaatsen en eventuele vliegroutes in de directe omgeving duurzaam behouden blijven bij de voorgenomen ingreep. In het verkennend natuuronderzoek van Sweco (rapport 51007211, d.d. 11 mei 2022) worden de volgende richtlijnen aangehouden ten aanzien van verlichting (NSVV, 2020): -
(Bouw)verlichting niet richten op omliggende groenstructuren tussen één uur voor zonsondergang en één uur na zonsopkomst in de periode maart tot en met oktober. Bij de permanente verlichting dient er zo min mogelijk uitstraling te zijn naar de omgeving. Sweco adviseert in het verkennend natuuronderzoek een grenswaarde van maximaal 2,0 lux uitstraling tussen 07:00 – 23:00 uur en 1,0 lux tussen 23:00 – 07:00 uur. Deze grenswaarde is maximaal op de perceelsgrens.
Echter zijn deze richtlijnen alleen niet voldoende om negatieve effecten ten aanzien van beschermde functies (potentiële verblijfplaatsen en vliegroutes) van vleermuizen te voorkomen. De exacte grenswaarde voor uitstraling van licht richting beschermde functies is niet geheel duidelijk en varieert per soort. Geadviseerd wordt om de veilige waarde van een uitstraling van maximaal 0,1 lux voor beschermde functies voor vleermuizen aan te houden. Deze norm biedt voldoende veiligheid in het tegengaan van negatieve effecten door verlichting ten aanzien van potentiële verblijfplaatsen en vliegroutes van vleermuizen (Meijer, zd).
19811.005 versie D1
18 / 23
Hiervoor is het noodzakelijk om inrichtingsmaatregelen te treffen, zoals een extra bomenrij of houtwal ter afscherming. Daarnaast wordt geadviseerd om een lichtsimulatie op te laten stellen van de toekomstige situatie in het plangebied en deze te laten beoordelen door een deskundig ecoloog. Indien het niet mogelijk is om potentiële verblijfplaatsen duurzaam te behouden dan is alsnog aanvullend ecologisch onderzoek naar vleermuizen benodigd. Hetzelfde geldt voor de eventueel aanwezige vliegroutes.
6.3 Das De das is een beschermde inheemse diersoort en is tevens opgenomen in onderdeel A, behorende bij artikel 3.10, eerste lid, van de nationaal beschermde dier- en plantensoorten volgens de Wet natuurbescherming Bij de realisatie van het sportveld op de planlocatie gaat essentieel foerageergebied verloren voor de dassenfamilie uit kraamburcht 2. De planlocatie bestaat grotendeels uit blijvend grasland (circa 7 hectare). Twee percelen binnen de planlocatie hebben een wisselend gebruik. Voor beide percelen geldt echter dat het gebruik de afgelopen jaren grotendeels grasland betrof, afgewisseld met mais. Dassen vinden hun voedsel vooral op bemeste grasweiden en in het groei en oogstseizoen van de mais ook op maisakkers. De gehele planlocatie behoort dan ook tot het optimale foerageergebied van de das (exclusief bebouwing). Optimaal geschikt foerageergebied wat verloren gaat, dient met een factor 120% gecompenseerd te worden. De oppervlakte van het gehele plangebied minus de bebouwing betreft 11,7 hectare. Voor de huidige berekening wordt als uitgangspunt gebruikt dat de gehele planlocatie verloren gaat voor de das (worst-case scenario). 120% van 11,7 hectare komt neer op een compensatieopgave van 14,04 hectare. Indien binnen de planlocatie inrichtingsmaatregelen voor de das getroffen worden, zal de compensatieopgave lager uitvallen.
Afhankelijk van de mogelijkheden in het ontwerp wat betreft verlichting, inrichting en beheer, dient deze berekening aangepast te worden. In figuur 6.1 is het foerageergebied van de dassenfamilies in de omgeving weergegeven, onderverdeeld in optimaal foerageergebied (bemeste graslanden en kleinschalige (begraasde) graslanden en fruitboomgaarden) en in suboptimaal foerageergebied (akkers en bosgebied). Enkel voor de dassenfamilie uit kraamburcht 2 behoort de planlocatie tot het essentiële foerageergebied. De compensatie wordt bij voorkeur gerealiseerd op grond die nu suboptimaal geschikt is (akkers) en op gronden grenzend aan de burcht (binnen 500 meter). Indien het niet mogelijk is om de gehele compensatieopgave te realiseren in de directe omgeving van de burcht, kunnen ook andere gronden binnen het territorium van de betreffende burcht ingezet worden, mits er een goede verbinding bestaat of gerealiseerd wordt vanaf de burcht richting deze gronden. Daarnaast kan optimaal geschikt foerageergebied verder geoptimaliseerd worden door het toevoegen van landschapselementen zoals fruitbomen en houtwallen en zo een bijdrage leveren aan de compensatieopgave. Het zoekgebied voor de compensatieopgave is weergegeven in figuur 6.1.
19811.005 versie D1
19 / 23
Figuur 6.1 Optimaal geschikt (groen) en suboptimaal geschikt (oranje) foerageergebied voor de das. In rood is het zoekgebied voor de compensatieopgave weer gegeven binnen 500 meter. In zwart is het zoekgebied buiten 500 meter weergegeven.
Tijdig voorafgaand aan de werkzaamheden dient nieuw optimaal leefgebied van minimaal gelijke kwaliteit als hetgeen dat verloren gaat gerealiseerd te zijn. Het nieuwe leefgebied moet bij voorkeur: • jaarrond voldoende voedsel beschikbaar hebben; • meerdere plekken bevatten waar dassen hun burcht kunnen vestigen; • geen barrières bevatten zoals steile (bijvoorbeeld beschoeide) oevers of wegen; • voldoende (lijnvormige) beplantingen, hoogstamboomgaarden, overhoekjes en dergelijke bieden; • voldoende rust en stilte bieden. (Kennisdocument Das BIJ12, 2017)
19811.005 versie D1
20 / 23
Indien een deel van het plangebied gebruikt dient te worden als leefgebied voor de das en wezel dienen ook verlichtingseffecten binnen het terrein voorkomen te worden. Daarom wordt geadviseerd om inrichtingsmaatregelen direct rondom de velden te realiseren in de vorm van houtwallen of struweelhagen. Deze maatregelen, omschreven in een activiteitenplan, dienen vervolgens ter goedkeuring worden voorgelegd aan de provincie Gelderland, middels een ontheffingsaanvraag.
19811.005 versie D1
21 / 23
7
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN
Econsultancy heeft van Gemeente Heumen opdracht gekregen voor het uitvoeren van een aanvullend ecologisch onderzoek aan de Looistraat te Heumen. Het aanvullend ecologisch onderzoek is uitgevoerd in het kader van de potentiële herontwikkeling (realisatie sportvelden) van de planlocatie. De onderzoeken zijn uitgevoerd naar aanleiding van de resultaten van het verkennend natuuronderzoek en het onderzoek naar de compensatieopgave van de das en de groene ontwikkelzone die Sweco in mei 2022 heeft uitgevoerd (rapport 51007211, d.d. 11 mei 2022 & rapport 51007211, d.d. 11 mei 2022). Uit het verkennend natuuronderzoek is gebleken dat, om de effecten van de ingreep volledig te kunnen toetsen aan de Wet natuurbescherming er meer informatie benodigd was. Het meest noordelijke deel van de planlocatie was niet meegenomen in het verkennend natuuronderzoek van Sweco. Hiervoor heeft Econsultancy gelijktijdig een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd (rapport 19811.006, d.d. 5 mei 2023). Voor de realisatie van de sportvelden zijn twee potentiële locaties beoogd, waarvan de locatie aan de Looistraat er één is. Econsultancy heeft tevens een aanvullend ecologisch onderzoek uitgevoerd aan de alternatieve locatie aan de Hatertseweg te Malden (project 19811.002). Functie planlocatie voor beschermde soorten Op het plangebied zijn beschermde functies van de das, wezel en vleermuizen waargenomen.
De wezel maakt gebruik van het plangebied als verblijfplaats en leefgebied. Vleermuizen maken mogelijk gebruik van de omliggende bomenrijen als verblijfplaats en vliegroute. Het plangebied maakt daarnaast onderdeel uit van het essentiële foerageergebied van een kraamburcht van de das op 430 meter van het plangebied. Conclusie Ten aanzien van de dassenfamilie welke gebruik maakt van de planlocatie om te foerageren, dient compensatiegebied ingericht te worden, tegen een compensatiefactor van 120%. Dit komt neer op een compensatieopgave van 14,04 hectare, indien de gehele planlocatie verdwijnt en niet kan worden ingezet voor inrichting voor de das (worst-case scenario). De compensatie dient voornamelijk plaats te vinden op gronden die in de huidige situatie nog niet optimaal geschikt zijn voor de das, en in de directe omgeving van de dassenburcht liggen (binnen 500 meter). Daarnaast kan optimaal geschikt foerageergebied verder geoptimaliseerd worden door het toevoegen van landschapselementen zoals fruitbomen en houtwallen en zo een bijdrage leveren aan de compensatieopgave. Afhankelijk van de mogelijkheden in het ontwerp wat betreft verlichting, inrichting en beheer, dient de berekening van de compensatieopgave aangepast te worden en zal deze mogelijk lager uitvallen.
Voor de wezel dienen tevens mitigerende maatregelen genomen te worden, echter kunnen deze samen worden genomen met de maatregelen die voor de das gerealiseerd dienen te worden. Deze maatregelen, omschreven in een activiteitenplan, dienen ter goedkeuring worden voorgelegd aan de provincie Gelderland, middels een ontheffingsaanvraag. Ten aanzien van potentiële verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen en eventuele vliegroutes in de bomenrijen grenzend aan de planlocatie, dient voorkomen te worden dat de verlichting van de sportvelden uitstraalt naar deze omliggende bomenrijen. Hierbij is het noodzakelijk om afschermende maatregelen te
19811.005 versie D1
22 / 23
treffen, zoals een extra bomenrij of houtwal tussen de betreffende bomen en de planlocatie. Daarnaast wordt geadviseerd om een lichtsimulatie op te laten stellen van de toekomstige situatie, en deze door een deskundig ecoloog te laten beoordelen. Indien het niet mogelijk is om potentiële verblijfplaatsen duurzaam te behouden dan is alsnog aanvullend ecologisch onderzoek naar vleermuizen benodigd. Hetzelfde geldt voor de eventueel aanwezige vliegroutes.
Econsultancy 14 juli 2023
19811.005 versie D1
23 / 23
8
GERAADPLEEGDE BRONNEN
BIJ12 (2017). Kennisdocument das. Opgehaald van https://www.bij12.nl/assets/BIJ12-2017-003-Kennisdocument-Das-1.0.pdf. Limpens H. & Regelink J. (2017). Vleermuizen en planologie. Zoogdiervereniging, Nijmegen. Meijer, R. (zd) Strooiverlichting in natuurgebieden. Opgehaald van https://www.bugelhajema.nl/bestanden/downloads/20-24-Strooilicht-4-13.pdf. Ministerie van Economische Zaken (2016). Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Lees hier wat de Wet natuurbescherming daarover regelt. Versie 1.3, december 2016. Ministerie van Economische Zaken, Den Haag. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (z.d.). Natura 2000 gebieden. Geraadpleegd op 14 juli 2023. van https://www.natura2000.nl/gebieden. NSVV (2020). Richtlijn lichthinder. 978-90-76549-88-0. NSVV, Ede. Sweco (2022, 11 mei). Verkennend natuuronderzoek. 51007211. Sweco, Arnhem. Sweco (2022, 11 mei). Compensatieopgave das en GO. 51007211. Sweco, Arnhem. Wet natuurbescherming (2022, 8 maart). Opgehaald van: https://wetten.overheid.nl/BWBR0037552. Zoogdiervereniging (z.d.). Zoogdiersoorten. Geraadpleegd op 8 maart 2022 van: https://www.zoogdiervereniging.nl/zoogdiersoorten.
Verklarende woordenlijst Activiteitenplan Een activiteitenplan dient als begeleidend document voor een ontheffingsaanvraag. In het activiteitenplan zijn maatregelen verwoord waarmee de functionaliteit van een rust- of voortplantingsplaats van een beschermde soort behouden blijft en schade aan individuen wordt voorkomen. Broedseizoen Voor het broedseizoen staat in de wet geen vaste periode. De looptijd verschilt per soort en varieert per jaar. Veel vogelsoorten broeden ongeveer tussen 15 maart en 15 augustus. Expert Judgement Inschatting van een deskundige op grond van zijn kennis en ervaring. Externe werking Niet alleen activiteiten in een Natura 2000-gebied/NNN hebben invloed op de staat van instandhouding van het gebied, ook activiteiten buiten het gebied kunnen de natuurwaarden in een gebied beïnvloeden. Dit wordt "externe werking" genoemd. Er bestaat geen ruimtelijke grens voor externe werking: bepalend zijn de effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van de soorten en habitattypen in het Natura 2000-gebied/NNN, ongeacht de afstand tot het beschermde gebied. Foerageerhabitat Het gebied waarbinnen een soort voedsel zoekt. Foerageren Zoeken en vinden van voedsel door dieren (jachtgebied). Functioneel leefgebied Hiermee wordt het gebied dat is benodigd om de functionaliteit van een voortplantingsplaats of van een vaste- rust of voortplantingsplaats te behouden.
Een nestlocatie of voortplantingsplaats kan bijvoorbeeld alleen succesvol functioneren, wanneer er voldoende habitat (schuilgelegenheid, voedsel etc.) van voldoende kwaliteit aanwezig is om te kunnen paren, eieren te leggen en jongen groot te brengen. Gunstige staat van instandhouding Er is sprake van een gunstige staat van instandhouding van een soort of habitattype als de omstandigheden waarin de soort of het habitattype voorkomt perspectief bieden op een duurzaam voortbestaan van die soort of dat habitattype. Habitat Omvat de plaatsen waar een bepaald organisme voorkomt doordat de abiotische en biotische factoren (niet levende en levende natuur) van die plaatsen voldoen aan de eisen en toleranties die het organisme stelt om te kunnen overleven, groeien en zich voortplanten. Kraamverblijfplaats Voortplantingsplaats van vleermuizen. Het gaat hierbij vaak om de vrouwelijke exemplaren van een kolonie (ook wel kraamgroep genoemd) die gezamenlijk hun jongen grootbrengen. De aantallen vleermuizen in een kraamgroep kan oplopen tot meerdere honderden exemplaren. Landhabitat Amfibieën zijn voor de voortplanting afhankelijk van water. Buiten de voortplantingsperiode maakt de soortgroep gebruik van landhabitat als onderdeel van het leefgebied.
Landhabitat voor amfibieën omvat onder andere structuurrijke of opgaande vegetatie zoals (loof)bos, houtwallen, struikgewas, heide, ruigtekruiden, vegetaties en moeras. Landschappelijk inpassingsplan Het inpassen van ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied middels een ontwerp van de groenvoorziening, dat voldoet aan het beleid ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit. Hierdoor wordt zorg gedragen dat een ruimtelijke ontwikkeling past in het landschap.
Mitigerende maatregelen Maatregelen die negatieve effecten bij een ingreep voorkomen of reduceren. Omgevingscheck Een omgevingscheck wordt uitgevoerd bij verlies van leefgebied van een jaarrond beschermde functie van een soort die door een ingreep (tijdelijk) verloren gaat. De omgeving van de ingreep wordt door een ter zake deskundige beoordeeld op aanwezigheid van voldoende alternatief leefgebied en/of potentiële verblijfplaatsen. Ontheffing De Wet natuurbescherming is bedoeld om planten- en diersoorten die vrij in het wild leven te beschermen. Om deze kwetsbare soorten te beschermen bevat de Wet natuurbescherming een aantal verbodsbepalingen. Onder bepaalde voorwaarden mogen de activiteiten wel doorgaan, daarvoor kan een ontheffing benodigd zijn. Een ontheffing is een besluit waarbij in een individueel concreet geval een uitzondering op een wettelijk verbod wordt gemaakt. Paarverblijfplaats Dit is een verblijfplaats die hoofdzakelijk in het najaar (september/oktober) door vleermuizen worden gebruikt om te paren. Eén mannetje kan een dergelijke verblijfplaats met meerdere vrouwtjes delen. In de omgeving van de paarverblijfplaats wordt veelal door het territoriale mannetje middels baltsvluchten getracht vrouwtjes aan te lokken.
Populatie Een biologische populatie is een groep individuen van dezelfde soort die zich onderling voortplant en als zodanig geïsoleerd is van andere zulke groepen. Rode Lijst Rode Lijsten laten zien welke soorten zijn verdwenen en welke soorten in een gebied sterk zijn achteruitgegaan of zeldzaam zijn. Er bestaan verschillende Rode Lijsten. Voor vogels, voor zoogdieren, planten, paddenstoelen, insecten en voor allerlei andere soortgroepen. Rode Lijsten hebben geen officiële juridische status. Plaatsing op de lijst maakt een dier dus nog geen 'beschermde diersoort' in de zin van de Wet natuurbescherming. De Rode Lijsten hebben in de praktijk wel een belangrijke signaleringfunctie. Door de Rode Lijst te raadplegen, kunnen alle instellingen die met natuurbehoud te maken hebben rekening houden met bedreigde soorten. Significant negatief effect Een effect is in het kader van de Wet natuurbescherming significant als de instandhoudingsdoelen van het Natura 2000-gebied dreigen te worden aangetast. Het begrip 'significant' staat centraal in de toepassing van het beschermingsregime voor Natura 2000-gebieden bij zowel vaststelling van beheerplannen als de vergunningverlening. Het bepaalt of een uitvoerige toetsing, een zogenaamde passende beoordeling, moet worden uitgevoerd.
Indien als gevolg van een ingreep de toekomstige oppervlakte habitat of leefgebied, aantal van een soort of kwaliteit van een habitat lager zal worden dan zoals bedoeld in de instandhoudingsdoelstelling, dan kan sprake zijn van significante gevolgen. Voor het goede begrip, de soorten hoeven er niet te zitten, het gebied moet geschikt zijn voor de soorten. Voortplantingsplaats of rustplaats Een plek binnen het leefgebied van een soort die essentieel is voor de levenscyclus van een individu. De Wet natuurbescherming omschrijft niet exact wat een vaste rust- of voortplantingsplaats is. Dit is soortafhankelijk. Vliegroute Een vaste route die door vleermuizen wordt gebruikt tussen de verblijfplaatsen naar foerageergebieden. Winterverblijfplaats Verblijfplaats die gebruikt wordt om de periode van winterrust te overbruggen. Voor vleermuizen zijn dit vorstvrije, maar koele en vochtige plekken. Er kans sprake zijn van massaverblijfplaatsen, verblijfplaatsen van kleine groepen of één of enkele individuen. Zomerverblijfplaats Buiten de kraamperiode worden deze door groepjes vrouwtjes en jongen gebruikt, in de kraamperiode door individuele mannetjes.