CConstaterende datHeumen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage VII Quickscan Wet natuurbescherming Molenstraat (ong.) te Heumen

Raad 18 april 2024, gemeente HeumenBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Molenstraat ong. Heumen10.661 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

chao QR QUICKSCAN WET NATU RBESCHERMING MOLENSTRAAT (ONG.)

TE HEUMEN

Ecologie

yY“G

eo. a

Rapportage quickscan Wet natuurbescherming

Molenstraat (ong.) te Heumen Opdrachtgever

Rapportnummer

18436.001

Versienummer

D1

Status

Eindrapportage

Datum

15 maart 2022

Vestiging

Brabant

ER Wale econsultancy.nl Opsteller Paraaf

BSc 5.1. 2e

Kwaliteitscontrole | EES EEREPEEEE psc Paraaf

Kwaliteitszorg

5.1.

.

a

Econsultancy is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is een vereniging van ecologische advies- en onderzoeksbureaus die werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en die de belangen behartigt van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteits- en milieuhandboek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NEN-EN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Betrouwbaarheid

Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten en het al dan niet voorkomen van soorten. De gebruikte informatie omtrent verspreiding van soorten is deels afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden. Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde onderzoek neemt.

In het algemeen kan gesteld worden dat een quickscan geldig is voor een periode van 2 tot 3 jaar, tenzij in deze periode de

ecologische omstandigheden wezenlijk zijn veranderd en/of de Wet natuurbescherming, dan wel inzichten hieromtrent zijn gewijzigd. Bij uitstel van de uitvoering van een project met meer dan 3 jaar verdient het de aanbeveling de resultaten van de quickscan opnieuw te toetsen.

wer \ INHOUDSOPGAVE

2

545 succt fs seveseecheres tosarteed eaten ennis: (here adenine aeons 2

GEBIEDSBESGCHRIIVING

2.1.

Huidig gebruik onderzoekslocatie EN OMGEVING ...........ecccececeeeeeeeceeeeeeeseeteeeesettteessttteteeeee D

2.2 | Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen........... 3 3

ONDERZOEKSMETHODIER ............cecccccececeeceesceeeceeeeeenecnaeeneecaaeeaeneeeeeaeeseeeeneeeeeesneeeessisetetsesestee 4

4

OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING

....0...eeceecec sere ereeeeeetrettreeteetteeneee O

ASA) “PZONG PIC aes seat etches tect ons teceuirny oe Sows tute ce eectnys ede canteta tel ce sever tate t 4:2.“

easter

SOOrmenBESCHELMING sé: casisdieasetsiieeaial ivewsteissttisdaniwnc slednedieesstdevee named

benu esigne D)

4:3" * (GebIGEGENDESCHEMMNING cit Srsctiu sting Sate tele kts ances att Race te shee dteanceente kets AA. . THOULOPStANG CMs ssescaciesesccessusteeuseedseceessaacheseusseeesceaiaeceaasaactechsasettasersiaesonsatdeadoadtbesseiaeenadeaees: © 5

AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN ..........eceeseeeeeeeeteee 8

MOGEIS eiciscéscedzesat hea: Scat edscaneceesteca ede eesessazsscseeassstiausca utes soegcaesuresacaaseattesareaasessesuasseeerisaeea ee auO D2. - VICSIIMUIZON a vecedacees pecs eaediee fas mek te es wate Soeee ceaseeees uate adtch saiteact teaatesdss pease tasattavce resumen e ane) 523" - “OVETIGE: ZOOQCIGNCN tas.c6cteees ia: ees Fel ete esteaet ccc ielatacdeasiticsennmantectga means ea teeta agecdO O:4> Reptleleninceciiwil aca aviiedailee ae lan ide aoa ine Wea inal aaieende Ld B50, AAMMBICCN se tcts etch: leat hd hh hee te uh te etal he tak dette Gates ot betes| 9:6 --~ VISSON seeveves recs cavecs sy adndcbsteaeedesveedadouiidus ee iebde eas deseo duheeon detected muateeueeideteea aera AZ Dil, SONOCWEIVEIGCI secs tant crane teat tse s datas treet eles estuarine etter ae 5:8 -Vaaiplantens:.sccaits iia i ee TO Dilins

6

eerste eereeereeeeeeeeeeeneeeseeeneeeneeeneee 14

TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING .........eccecceseeeee

Gt = Steenuilsstesieinslece ieee a dele vee ee ee 14 6:2. : Algemene broedvogels a: fiutauaie iat ee ies ana aie a i ie utictels Bore a G3) = “WIGORITIUIZ OR ecisees Soe; ons cneszeeeSedc ac evauacestcecese caves canstnca ta deetseacauateatadeseicrahsnvauzcesGaueeactensircesiteel 6.4 Alpenwatersalamander en kamsalamandet .......0.....::ccccccceeeeeeeeeeeeeeeseeeeeessteeerteteeeeeeeee 1D 6.5 Algemene grondgebonden zoogdieren en amfiDiCGNn «0.0... cece eeeeeeeeseeeteeetteestteeseee 1D 6.6 - -Overige Soort(grOep)én jicircecic wien Aan elias ela nlevandeeadiar 1D 7

TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING .............0.ccceceeeceeceeeeeeeeeeeeeeeeeeaeeeeeeeeteeeeseeeteeeeees 16

fas

7.2

9

‘Natura: 2000 i244. 0 kane ae sn aed el el dd ea ee 16 Natuurnetwerk Nederland..........c..ccc: see ectececcceeesceeeseteesedeseetieecdeteesdenpbensetaneneteenenenteeee UD

SAMENVATATING EN: CONCLUSIES vii. cictetacte aided aie ani aeetaiiivs 19

Bijlage 1 Bijlage 2

toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming verklarende woordenlijst 18436.001

wer \ 1.

INLEIDING

Econsultancy heeft van opdracht gekregen voor het uitvoeren van een quickscan Wet natuurbescherming aan de Molenstraat (ong.) te Heumen. De quickscan Wet natuurbescherming is uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanwijziging en heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invioed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invioed kan hebben op Natura 2000-gebieden, houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland.

Econsultancy is lid van de branchevereniging Netwerk Groene Bureaus en werkt volgens de door het Netwerk opgestelde gedragscode en protocollen. In dat kader verklaart Econsultancy ten behoeve van de onderzoekslocatie niet eerder betrokken te zijn geweest voor ecologische advisering of ecologisch onderzoek.

R 18436.001 versie D1

Pagina 1 van 20

er \ 2

GEBIEDSBESCHRIJVING

2.1.

Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving

De onderzoekslocatie (+ 2.760 m7?) ligt aan de Molenstraat (ong.), te Heumen, circa 1,5 kilometer ten oosten van de kern van Heumen. De coédrdinaten van het midden van de onderzoekslocatie zijn X=652.830, Y=675.760. In figuur 1 is de topografische ligging van de onderzoekslocatie weergegeven.

aoe

Saale

5

Tee

ep

TY Cea aT

[Seer eGeeon te ce By Ge a)

a

ra enepay ee e

RES ‘ A

aoa ee

ada

Tee

= PmUBC 2 ee BEN aaa ol

Wee ee, ESO Ohne Dy eS : ae aS : fs ! a n) ees as fee. Oe ; ; Pr. me *vw: ERIE Va eef oa * ‘a2) bl ea tees\\Tus, \ Ve eA he kl pr bat ek 4 fePec feypmprfarie eapy aren Ptected a: Na pe ag ras Seon es AE : er = % jew ee Sec TER URGGT eae Ne ANalan) We \ < ater ee fags acd eee eee Ra Eager a ls RRR Srey sh Lea,

a aes ects aed(ER iam,a,aoe Qe OSB Maes ame eS ee”, 7 Pi yo LGN Ae eoeee osBe: ee re rg eee et ie Ae eee

—

ye Vv ee CMON

Er e

CMP

Qier

oe:

aa frat SN eh “4 . qa. Boe ah $a vet Cine

ica he 1g eee dante

Minae AvgsCL lark’ ay ee Y fal oe i Aco Soe ee

ek

4

PT eu

Som ey Datars

A ol page ee ag fat RCA a Ng ee aA | Ap O T ataseeSH bese \ See = Ewe ag ai SS Ps sites. A ceely teQP A ob. See Mina i peo

SUoer

belie

Pres

dari

e aa EI

| SN 2CSRE OAR aigakerhaide

Figuur 1. Topografische ligging van de onderzoekslocatie (rood viak bij gele pijl).

De onderzoekslocatie betreft een (voormalig) agrarisch perceel. In de directe omgeving liggen woonhuizen met tuinen, begraasde weides en agrarische percelen. Tegenover de noordwestelijke hoek van de onderzoekslocatie, aan de andere kant van de Molenstraat, ligt een kleine bosschage met een poel/vijver. Ten oosten, op circa één kilometer afstand, ligt natuurgebied de Mookerheide en ten zuiden, op circa 450 meter afstand, stroomt de Maas.

In figuur 2 is een luchtfoto van de onderzoekslocatie en de directe omgeving weergegeven. De figuren 3 en 4 geven een impressie van de onderzoekslocatie, middels foto’s die zijn genomen tijdens het veldbezoek.

R 18436.001 versie D1

Pagina2 van 20

ccofamr R 7

=

y=

“~~.

ra ‘

5

.

<

a

\

}

=

re

5

*

es

:

“ae

“ 4

’

=

+

a

gee

S

-

f

wa

« Pa

a

we a .

|

ea Wie Se Z ye we at

=e

=

-

‘

rns

vs wo gl 2

:

et

|

te

ry

ae

‘\

:

[

WS:

+

.

—_—

.

:

tpg ial

Pl

=.

fi

TRA

4

vw

rt >

.

<a

amie

et

y a

dat ’ ro

ca

eo: PH,

3

&P

,

*

fo f

-

~ Zz

7

7

/al

Figuur 2. Luchtfoto onderzoekslocatie (omkaderd met witte stippellijn) en directe omgeving.

>

,

ar Ete le WikesoN oe eee

| 3 te

meet

Pees WON

Oa a

Rex Boa HOReatae NE

ee

5

;

|

:

:

Figuur 3. Onderzoekslocatie, foto genomen vanuit noordwestelijke hoek.

apr

ten ee Rn REaes Me i ipa

Aa Oise

She ae

Sear AMG e Re Lat ame te = LSE May 2 eaaera Oa ee SERN Soret 9 (eemerase ter 38he eR NA ROP

PEA

ak

Seen

Be? VM eR

Ie

ae

Be

Se

ees

ES

Wire

aE

a NMhd Hare eo. OR

Bea aN Se ea eae a ieee BAPe Nea Ne ace ate He lt MN a NI Hee ee pe pe gers f

2.2.

‘

a ee

een MISE:

;

;

Bie

Re ee ee SoS ee oe EN

ea

ea

\ SIDES ae on eared

i Te 3 £3

PS fe

Bl

Figuur 4. Vegetatie aan de noordelijke rand van de onderzoekslocatie.

Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen

De initiatiefnemer is voornemens de bestemming van het landbouwperceel te wijzigen ten behoeve van de voorgenomen bouwplannen (woningbouw) op de onderzoekslocatie. Een ontwerp van de bouwplannen is tijdens het schrijven van de onderhavige rapportage niet bekend.

R 18436.001 versie D1

Pagina 3 van 20

er \ 3

ONDERZOEKSMETHODIEK

Het onderzoek is uitgevoerd middels het verrichten van een veldbezoek en een bureauonderzoek. Op deze wijze is inzicht verkregen in de aanwezigheid van geschikt habitat en de daarbij te verwachten beschermde soorten, gesitueerd op of nabij de onderzoekslocatie. Het veldbezoek is afgelegd op 17 februari 2022. Tijdens dit veldbezoek is de gehele onderzoekslocatie, alsmede de directe omgeving beoordeeld. Gedurende het veldbezoek is gelet op de mogelijke aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten op basis van het aanwezige habitat. Verder is aan de hand van verspreidingsatlassen, andere standaardwerken en op basis van “expert judgement” nagegaan welke bijzondere planten- en diersoorten er voor kunnen komen op de onderzoekslocatie en zijn omtrent gebiedsbescherming gegevens van de provincie Gelderland opgevraagd. Actuele verspreidingsgegevens van flora en fauna zijn uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) opgevraagd.

De quickscan Wet natuurbescherming is een toets van de ecologische potenties van de onderzoekslocatie en betreft geen volwaardig soort(en) specifiek onderzoek. Er zijn in het onderhavige onderzoek geen inventarisaties uitgevoerd van soorten en soortgroepen. Een ecologische inventarisatie beslaat meerdere veldbezoeken gedurende de voor de soortgroep meest gunstige periode van het jaar.

R 18436.001 versie D1

Pagina 4 van 20

er \ 4

OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING

Dit hoofdstuk geeft achtergrondinformatie over de natuurwetgeving waaraan de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie wordt getoetst. Er wordt een globale toelichting gegeven ten aanzien van potentiéle overtredingen van de Wet natuurbescherming bij de meest voorkomende soorten en soortgroepen. Dit hoofdstuk is niet toegespitst op de situatie op de onderzoekslocatie, maar geeft enkel een beschrijving van de vigerende wetgeving. De Wet natuurbescherming is gericht op: e e

e

het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit; het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur ter vervulling van maatschappelijke functies;

het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen, vanwege hun bijdrage aan de biologische diversiteit en hun cultuurhistorische betekenis, mede ter vervulling van maatschappelijke functies.

De bevoegdheid voor het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen bij soortenbescherming ligt grotendeels bij de provincies. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. 4.1.

Zorgplicht

Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd. Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden.

In bijlage 1 wordt dit artikel nader toegelicht. 4.2.

Soortenbescherming

Bij een quickscan wordt in beeld gebracht of er (potentiéle) vaste rust- of voortplantingsplaatsen aanwezig zijn van de soorten uit de verschillende beschermingsregimes. Vervolgens wordt beoordeeld of de voorgenomen ingreep verstorend kan zijn en of nader onderzoek noodzakelijk wordt geacht. De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; e

e e

soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtliin en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).

In bijlage 1 worden deze artikelen nader toegelicht.

R 18436.001 versie D1

Pagina 5 van 20

wer \ 4.3

Gebiedenbescherming

Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten. Het gaat daarbij om Natura 2000-gebieden en gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland.

4.3.1

Natura 2000

Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Met Natura 2000 wil men deze flora en fauna duurzaam beschermen. De staatssecretaris van Economische Zaken heeft voor Nederland

ruim 160 Natura 2000-gebieden aangewezen. Gezamenlijk hebben ze een opperviak van ruim 1,1 miljoen hectare. Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie die ziin aangewezen op grond van de vogelrichtlijn en habitatrichtlijn. Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit. Binnen een gebied kan spanning optreden tussen economie en ecologie. In een zogenaamd beheerplan leggen Rijk en provincies vast welke activiteiten, op welke wijze mogelijk zijn. Uitgangspunt is steeds het realiseren van ecologische doelen met respect voor en in een zorgvuldige balans met wat particulieren en ondernemers willen. Het opstellen gebeurt daarom in overleg met alle direct betrokkenen, zoals beheerders, gebruikers, omwonenden, gemeenten, natuurorganisaties en waterschappen. Samen geven ze invulling aan beleven, gebruiken en beschermen. Daar draait het om in de Nederlandse Natura 2000-gebieden (bron: Regiegroep Natura 2000).

Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000gebied. (artikel 2.7, lid 2). Handelingen die een negatieve invioed hebben op Natura 2000-gebieden, worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Een vergunning is vereist. Door middel van het Nederlandse vergunningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd. De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door de desbetreffende provincie. 4.3.2

Natuurnetwerk Nederland

Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit:

e e e e e

bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de Noordzee en de Waddenzee; alle Natura 2000-gebieden.

R 18436.001 versie D1

Pagina 6 van 20

wer \ Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren.

De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. 4.4

Houtopstanden

De bescherming van houtopstanden conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bos in Nederland te behouden. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een opperviakte van tien are of meer of rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat. In bijlage 1 (tabel VI) worden de regels nader toegelicht.

Wanneer houtopstanden geveld worden, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Op basis van deze melding wordt door de provincie beoordeeld of de voorgenomen velling aanvaardbaar is in het kader van natuur- en landschapswaarden. Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud.

Indien bij de voorgenomen ontwikkeling herplantplicht geldt, maar niet voldaan kan worden aan de herplantplicht op de projectlocatie zelf, dan dient een ontheffing aangevraagd te worden met betrekking tot de herplantplicht bij de desbetreffende provincie. De provincie toetst vervolgens of voldaan wordt aan de bij de provinciale verordening gestelde regels voor herbeplanting op andere perceelsgronden. Deze regels hebben onder andere betrekking op de kwaliteit, opperviakte en locatie van de andere grond en de natuurwaarde van de te vellen houtopstand. Tevens kan ontheffing verleend worden van herplantplicht ter plaatse, indien gewerkt wordt via een door het ministerie goedgekeurde gedragscode die gebruikt mag worden door een van de betrokken partijen voor een wijze van vellen en een wijze van herplanten.

R 18436.001 versie D1

Pagina 7 van 20

er \ 5

AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN

Het voorkomen van planten- en diersoorten in een gebied wordt mede bepaald door de aanwezigheid van geschikt leefgebied. Een soort kan in zijn leefgebied gebruik maken van verschillende plekken om te verblijven. Al deze plekken (biotopen) kunnen een bepaalde functie voor de soort vervullen. In dit hoofdstuk wordt op basis van het aanwezige habitat/ verblijfsmogelijkheden samen met verspreidingsgegevens beschreven welke beschermde soorten binnen de onderzoekslocatie kunnen voorkomen. Afhankelijk van de soort wordt ingegaan op de potentiéle aanwezigheid van vaste rust- of voortplantingsplaatsen, foerageergebied en verbindingsroutes. Tevens wordt beoordeeld of de voorgenomen plannen een negatief effect kunnen hebben op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. In hoofdstuk 6 wordt beschreven welke juridische implicaties dit voor het project heeft. 5.1.

Vogels

5.1.1.

Broedvogels (nesten jaarrond beschermd)

Er zijn broedvogels waarvan de nesten ook beschermd zijn op het moment dat ze niet voor de voortplanting in gebruik zijn. Aan de rand van de bebouwde kom en volgens verspreidingsgegevens van de NDFF kunnen dit zijn: boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil, ooievaar, ransuil, roek, slechtvalk, sperwer, steenuil en wespendief. Bomen, nestkasten, rivieren, beken en bebouwing ontbreken op de onderzoekslocatie, waardoor de aanwezigheid van een nestlocatie op de onderzoekslocatie van bovengenoemde soorten op voorhand kan worden uitgesloten. Steenuil

Op circa 80 meter afstand van de onderzoekslocatie is een potentiéle verblijf- of roestplaats voor steenuil aangetroffen. De onderzoekslocatie biedt marginaal geschikt foerageergebied voor de in de omgeving verblijvende steenuil(en). In de directe omgeving van de potentiéle verblijf- of roestplaats is geschikter foerageergebied aanwezig in de vorm van begraasde weiden met hagen en houtwallen. Beschadiging of vernietiging van een essentiéle functie ten aanzien van steenuil is bij de voorgenomen ingreep niet aan de orde. Eventuele verstoring kan worden voorkomen door verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren (hoofdstuk 6). Ransuil en kerkuil

De kerkuil heeft een voorkeur voor cultuurlandschappen met allerlei landschapselementen die voor afwisseling zorgen. Meestal broeden kerkuilen in speciale nestkasten, schuren en soms in boomholten. Ransuilen komen voor in agrarische gebieden, open bos, bosranden en parken en broeden voornamelijk in nesten in bomen. Geschikte nestgelegenheden voor de ransuil en kerkuil ontbreken in de nabijheid van de onderzoekslocatie. De onderzoekslocatie maakt mogelijk deel uit van het foerageergebied van een ransuil of kerkuil, echter is er in de omgeving van de onderzoekslocatie meer geschikt foerageergebied aanwezig in de vorm van begraasde weiden met hagen en houtwallen. Negatieve effecten ten aanzien van de ransuil en kerkuil zijn bij de voorgenomen plannen dan ook niet aan de orde.

Roofvogels, ooievaar en roek De bomen in de directe omgeving van de onderzoekslocatie zijn onderzocht op de aanwezigheid van nesten van roofvogels, ooievaar en roek. Deze nesten zijn niet aangetroffen. Ook zijn er op en rond de onderzoekslocatie geen sporen als krijtstrepen, prooiresten of ruiveren gevonden, die kunnen wijzen op aanwezigheid van nesten van deze soorten. Daarnaast hebben deze soorten een dusdanig groot foerageergebied dat de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie niet zullen leiden tot het verloren gaan van essentieel leefgebied. Voor deze soorten is in de omgeving voldoende geschikt

R 18436.001 versie D1

Pagina 8 van 20

wer \ foerageergebied aanwezig in de vorm van weides en akkers. Negatieve effecten ten aanzien van bovengenoemde soorten zijn bij de voorgenomen ingreep dan ook niet aan de orde.

5.1.2

Overige broedvogels

De onderzoekslocatie biedt vanwege de afwezigheid van bomen en struiken geen geschikte nestlocaties voor algemene vogelsoorten als spechten en mezen, of makers van grote nesten, zoals ekster en zwarte kraai. De onderzoekslocatie biedt wel potentieel geschikt habitat voor nestlocaties voor grondbroeders als kievit, patrijs en fazant. Kievit broedt voornamelijk in kort gras, afwisselend met kale plekken en soorten als fazant en patrijs zoeken doorgaans nestlocaties op terreinen met meer afwisseling en schuilmogelijkheden. De nesten van deze soorten zijn alleen beschermd op het moment dat ze als zodanig in gebruik zijn. Rekening houden met het broedseizoen is voldoende om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen (hoofdstuk 6). 5.2.

Vileermuizen

Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF en het curcusdictaat “Vleermuizen en Planologie” en Regelink, 2017) is de onderzoekslocatie gelegen in een deel van Nederland waar de volgende vieermuissoorten kunnen voorkomen: gewone dwergvieermuis, ruige dwergvieermuis, rosse vleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvieermuis, tweekleurige vleermuis, franjestaart, meervleermuis, Brandt's vieermuis, baardvleermuis, bosvieermuis en watervieermuis.

Verblijfplaatsen op de onderzoekslocatie

De onderzoekslocatie is geheel onbebouwd en er zijn geen bomen aanwezig, waardoor uitgesloten kan worden dat er verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn. Overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van vieermuizen is niet aan de orde. Verblijfolaatsen buiten de onderzoekslocatie

De bebouwing ten oosten en westen van de onderzoekslocatie is geschikt voor vieermuizen door de verschillende openingen in de buitenmuren en onder de daken. Potentiéle verblijfplaatsen in deze gebouwen ondervinden geen negatieve effecten door de voorgenomen ingreep, mits geen additionele (bouw)verlichting plaatsvindt richting deze verblijfolaatsen en de directe omgeving, zowel tij\dens de werkzaamheden als in de eindfase (hoofdstuk 6). Foerageerhabitat

De onderzoekslocatie zal, gelet op het aanwezige habitat gebruikt kunnen worden door in de omgeving verblijvende vleermuizen als foerageerhabitat. De plannen zullen echter geen aantasting van belangrijk foerageerhabitat vormen. Door de voorgenomen ingreep zal het aanbod van foerageermogelijkheden niet in het geding komen, in de directe omgeving is meer geschikt foerageerhabitat voor vieermuizen aanwezig in de vorm van waterlichamen, bosschages en tuinen. Vliegroutes Vleermuizen maken veelal gebruik van lijnvormige (donkere) landschapselementen als houtsingels, beken en lanen om zich te verplaatsen tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden. Doordat dergelijke liinvormige elementen ontbreken op en in de directe omgeving van de onderzoekslocatie, worden er geen potentiéle vliegroutes verstoord.

R 18436.001 versie D1

Pagina 9 van 20

wer \ 5.3

Overige zoogdieren

Alle zoogdieren in Nederland zijn beschermd. Voor sommige algemeen voorkomende soorten geldt een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. Op deze wijze is er onderscheid te maken in streng beschermde en licht beschermde soorten. 5.3.1.

Streng beschermde soorten

Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF en Broekhuizen ef a/. (2016) ligt de onderzoekslocatie binnen het verspreidingsgebied van de volgende streng beschermde grondgebonden zoogdieren: steenmarter, boommarter, bunzing, hermelijn, wezel, das, eekhoorn, bever, damhert en wild zwijn. Van deze soorten kan het voorkomen van boommarter, damhert, wild zwijn en bever op de onderzoekslocatie op voorhand worden uitgesloten. De bever heeft zijn leefgebied in en nabij waterlichamen. Een boommarter, damhert en wild zwijn heeft zijn leefgebied in en nabij bossen. Geschikt habitattype is voor deze soorten op en in de directe omgeving van de onderzoekslocatie niet aanwezig. Steenmarter, bunzing, hermelijn en wezel De steenmarter maakt gebruik van oude holen van onder andere konijnen, vossen en dassen, maar ook van hooizolders, loze ruimtes onder het dak, schuurtjes en dergelijke, als verblijfplaats. De kleine marterachtigen; bunzing, wezel en hermelijn, maken gebruik van oude holen van onder andere mollen en muizen, maar ook houtwallen, steenhopen en ruimtes onder boomwortels. Desbetreffende soorten hebben binnen hun territorium verscheidene verblijfolaatsen. Op de onderzoekslocatie is geen bebouwing of dekking/schuilmogelijkneid aanwezig, waardoor er geen geschikt habitat voor steenmarter, bunzing, hermelijn of wezel aanwezig is.

Tevens zijn tijdens het veldbezoek geen sporen zoals uitwerpselen of prooiresten, aangetroffen. Negatieve effecten ten aanzien van steenmarter, bunzing, hermelijn of wezel zijn op voorhand uit te sluiten. Eekhoorn

Door het ontbreken van bomen op de onderzoekslocatie kan uitgesloten worden dat er verblijfplaatsen van de eekhoorn aanwezig zijn. Overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van de eekhoorn is niet aan de orde.

Das

De das komt volgens de verspreidingsgegevens voor in de omgeving. Op circa 600 meter van de onderzoekslocatie is een waarneming van territoriumgedrag bekend. De onderzoekslocatie is door het ontbreken van reliéf en/of schuilmogelijkneden ongeschikt als vaste rust- of voortplantingsplaats door dassen. Tijdens het veldbezoek zijn op de onderzoekslocatie en de directe omgeving eveneens geen loop- of eetsporen, latrines en/of wissels aangetroffen die duiden op de aanwezigheid en/of het gebruik van de onderzoekslocatie door de das. Dassen zullen eerder hun leefgebied hebben in de omgeving gelegen weilanden. Negatieve effecten ten aanzien van de das als gevolg van de voorgenomen ingreep is niet aan de orde. Overige soorten Het voorkomen van overige grondgebonden zoogdieren waarvoor geen vrijstelling geldt, zoals de boommarter, het damhert, wild zwijn en de bever, is tij}dens het veldbezoek niet vastgesteld. Vanwege het ontbreken van geschikt habitat kan het voorkomen ervan redelijkerwijs worden uitgesloten.

R 18436.001 versie D1

Pagina 10 van 20

wer \ 5.3.2

Licht beschermde soorten

De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor een aantal soorten grondgebonden zoogdieren. Het gaat daarbij om algemene soorten als haas en diverse muissoorten. Door de voorgenomen werkzaamheden bestaat de kans dat holen van deze soorten worden vergraven (hoofdstuk 6). 5.4

Reptielen

Volgens gegevens van de NDFF zijn er in de afgelopen jaren in de directe omgeving van de onderzoekslocatie de volgende streng beschermde reptielen waargenomen: gladde slang, hazelworm, zandhagedis en levendbarende hagedis. Reptielen stellen specifieke eisen aan het habitat die betrekking hebben op verschillende factoren. De gladde slang en de hazelworm worden voornamelijk waargenomen op open bos- en heideterreinen. Het voorkeurshabitat voor de levendbarende hagedis is droge heide en hoogveen. De zandhagedis is sterk gebonden aan duin- en heidegebieden. Er is geen geschikt habitat voor reptielen aanwezig op de onderzoekslocatie, vanwege de agrarische aard ervan. De waarnemingen van de gladde slang, hazelworm en zandhagedis, die op circa 950 meter ten oosten van de onderzoekslocatie zijn gedaan, hebben naar verwachting betrekking op het nabijgelegen natuurgebied ‘Mookerheide’. De waarnemingen van de levendbarende hagedis, die circa 3,8 kilometer ten noordwesten van de onderzoekslocatie zijn gedaan, hebben naar verwachting betrekking op het nabijgelegen natuurgebied ‘Hatertse en Overasseltse Vennen’. Overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van reptielen is uit te sluiten.

5.5

Amfibieén

Volgens gegevens van de NDFF zijn binnen enkele kilometers rondom de onderzoekslocatie in de afgelopen 5 jaar de volgende soorten waargenomen: alpenwatersalamander, kamsalamander, poelkikker, heikikker, rugstreeppad, knoflookpad, bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander.

5.5.1.

Streng beschermde soorten

Alpenwatersalamander en kamsalamander Doordat wateropperviakten als poelen, sloten en plassen op de onderzoekslocatie ontbreken zijn voortplantingsmogelijkheden voor amfibieén op de onderzoekslocatie uitgesloten. Op circa 30 meter van de onderzoekslocatie is een klein waterlichaam (poel) aanwezig. De waarnemingen in de NDFF van de alpenwatersalamander zijn onder andere bij dit waterlichaam gedaan. Van de kamsalamander is er een waarneming op circa 300 meter ten oosten van de onderzoekslocatie bekend. Het landhabitat waarin alpenwatersalamanders en kamsalamanders voorkomen is kleinschalig en bevat struweel of bosschages en ligt in de directe omgeving van het voortplantingswater. De bosschage die ten noorden aan het waterlichaam ligt, biedt optimaal landhabitat voor deze salamanders. De onderzoekslocatie biedt daarnaast marginaal geschikt landhabitat voor de alpenwatersalamander en kamsalamander. Er is op de onderzoekslocatie geen vaste verblijfplaats aanwezig. Door de afstand tot geschikt voortplantingswater is het echter niet uit te sluiten dat een incidenteel zwervend individu van de alpenwatersalamander of kamsalamander zich op de onderzoekslocatie ophoud. Negatieve effecten ten aanzien van de alpenwatersalamander en kamsalamander zijn te voorkomen (hoofdstuk 6).

R 18436.001 versie D1

Pagina 11 van 20

wer \ Poelkikker, heikikker, rugstreeppad en knoflookpad De waarnemingen in de NDFF van de streng beschermde poelkikker, heikikker, rugstreeppad en knoflookpad zijn allemaal op meer dan drie kilometer afstand van de onderzoekslocatie gedaan in nabijgelegen natuurgebied ‘Hatertse en Overasseltse Vennen’. Negatieve effecten ten aanzien van poelkikker, heikikker, rugstreeppad en knoflookpad kunnen worden uitgesloten. 5.5.2

Licht beschermde soorten

Incidenteel kunnen algemene soorten als bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander beschutting vinden tussen de vegetatie aan de noordelijke rand van de onderzoekslocatie. Voor de mogelijk incidenteel te verwachten soorten geldt een algehele vrijstelling van de Wet natuurbescherming (hoofdstuk 6). 5.6

Vissen

Vanwege het ontbreken van opperviaktewater op de onderzoekslocatie kan deze soortgroep buiten beschouwing worden gelaten.

5.7.

Ongewervelden

Libellen

Er zijn slechts enkele libellensoorten die binnen de Wet natuurbescherming een strenge bescherming genieten. Deze zijn voor wat betreft hun verspreiding gebonden aan specifieke habitateisen, die veelal alleen in natuurgebieden zijn te vinden. Voor libellen geldt dat water nodig is ter voortplanting. Gezien het ontbreken hiervan kan gesteld worden dat deze soortgroep niet in staat is zich in de huidige situatie te vestigen. Beschermde soorten zijn op de onderzoekslocatie dan ook niet te verwachten. Vlinders

Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF is de aardbeivlinder, bruine eikenpage, grote vos, grote weerschijnvlinder, kleine ijsvogelvlinder, sleedoornpage, zilveren maan en teunisbloempijlstaart in de omgeving van de onderzoekslocatie waargenomen. Beschermde vlinders stellen specifieke eisen aan het voortplantingshabitat. Bij het habitat is het belangrijk dat aan de eisen van alle stadia van de vlindersoort wordt voldaan. Voor de beschermde soorten in Nederland geldt dat deze veelal gebonden zijn aan specifieke waardplanten. Geschikte waardplanten voor beschermde vlindersoorten als aardbeivlinder (tormentil), bruine eikenpage (eik), grote vos (iep, zoete kers en sommige wilgensoorten), grote weerschijnvlinder (grauwe wilg en boswilg), kleine ijsvogelvlinder (kamperfoelie), sleedoornpage (sleedoorn), zilveren maan (moerasviooltje) en teunisbloempijlstaart (teunisbloem, wilgenroosje, basterdwederik en kattenstaart) zijn op de onderzoekslocatie niet aanwezig. Het is daarmee uitgesloten dat er binnen de onderzoekslocatie geschikt habitat aanwezig is voor een (deel)populatie van een beschermde vlindersoort.

Overige soorten Overige beschermde soorten, zoals vliegend hert, Europese rivierkreeft en platte schijfhoren, zijn op de onderzoekslocatie uit te sluiten. Het vliegend hert is waargenomen op circa 1,5 kilometer van de onderzoekslocatie. Er is echter geen geschikt habitat voor dergelijke beschermde soorten op de onderzoekslocatie aanwezig.

R 18436.001 versie D1

Pagina 12 van 20

wer \ 5.8

Vaatplanten

De aanwezigheid van water, de zuurgraad van de bodem, de beschikbare hoeveelheid voedingsstoffen, de hoeveelheid zonlicht en de antropogene beinviloeding bepalen in hoeverre een groeiplaats voor een bepaalde plant geschikt is. Aangezien de locatie geheel bestaat uit een intensief beheerd agrarisch perceel (voormalige), is het niet te verwachten dat er beschermde of zeldzame plantensoorten op de locatie te vinden zijn. Tijdens het veldbezoek zijn dan ook geen beschermde planten waargenomen. Negatieve effecten op beschermde vaatplanten door de voorgenomen ingreep zijn hierdoor op voorhand uit te sluiten.

R 18436.001 versie D1

Pagina 13 van 20

wer \ 6

TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING

Als gevolg van de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie kunnen er overtredingen van verbodsbepalingen uit soortbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming optreden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke soorten er sprake is van dreigende overtreding van de Wet natuurbescherming en of met eenvoudige maatregelen overtreding is te voorkomen. Verder wordt beschreven voor welke soorten een vervolgtraject noodzakelijk is, bijvoorbeeld omdat toetsing van de ingreep aan de Wet natuurbescherming op basis van de huidige onderzoeksinspanning niet mogelijk is, en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van ontheffingen. 6.1

Steenuil

De steenuil en zijn leefgebied is beschermd volgens artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming. De soort staat tevens vermeld in de EU-vogelrichtliin. De nesten en rustplaatsen van steenuilen zijn het hele jaar beschermd en vallen onder categorie 1 van vogelnesten. De potentiéle nest- of rustplaats in de omgeving van de onderzoekslocatie valt buiten de verstoringsafstand van de werkzaamheden. De onderzoekslocatie biedt marginaal geschikt foerageergebied voor steenuil. Eventuele verstoring hiervan kan worden voorkomen door de verstorende werkzaamheden, bouwrijp maken en funderingen plaatsen, buiten het broedseizoen van de steenuil (februari t/m juli) uit te voeren.

6.2.

Algemene broedvogels

Voor de algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien werkzaamheden buiten het broedseizoen worden uitgevoerd, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. Artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming (Het is verboden nesten te verstoren, beschadigen, vernielen of weg te nemen) is van toepassing. De nesten van algemene broedvogels mogen echter wel worden weggenomen wanneer deze op dat moment niet in gebruik zijn. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Indien werkzaamheden niet buiten het broedseizoen kunnen plaatsvinden, dient voorafgaande aan de werkzaamheden een broedvogelinspectie uitgevoerd te worden door een ter zake kundige. Met betrekking tot het verwijderen van de aanwezige vegetatie buiten het broedseizoen wordt geadviseerd om ook het snoeiafval buiten het broedseizoen te verwijderen. Een grote stapel snoeiafval vormt namelijk een ideale broedlocatie voor kleine vogelsoorten als de winterkoning. Indien onverhoopt een dergelijke soort hierin tot broeden komt, mag het snoeiafval niet eerder worden verwijderd dan wanneer de jongen definitief zijn uitgevlogen. 6.3

Vieermuizen

Alle vieermuissoorten zijn opgenomen in bijlage IV van de EU-Habitatrichtlijn, dier- en plantensoorten van communautair belang die strikt moeten worden beschermd. Vleermuizen worden ook benoemd in Bijlage Il van de conventie van Bonn. De bebouwing ten oosten en westen van de onderzoekslocatie is geschikt voor vieermuizen. Potentiele verblijfplaatsen in deze woningen ondervinden geen negatieve effecten door de voorgenomen ingreep, mits geen additionele (bouw)verlichting plaatsvindt richting deze potentiéle verblijfplaatsen en de directe omgeving, zowel tijdens de werkzaamheden als in de eindfase. Indien een verlichtingstoename niet te voorkomen is, dienen maatregelen genomen te worden om de toename tot een mi-

R 18436.001 versie D1

Pagina 14 van 20

wer \ nimum te beperken door gebruik te maken van aangepaste armaturen, waaronder een aangepaste lampenkap, amberkleurig licht en een naar beneden gericht lichtpunt.

6.4

Alpenwatersalamander en kamsalamander

Incidenteel kan een zwervend individu van een alpenwatersalamander of kamsalamander op de onderzoekslocatie worden aangetroffen. Hierdoor bestaat de kans dat deze beschermde amfibieén tijdens de voorgenomen werkzaamheden verwond of gedood kunnen worden. Dit houdt een overtreding van lid 1 van artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming in. Echter, vanwege de marginale geschiktheid van de onderzoekslocatie als rust- en verblijfplaats, wordt nader onderzoek naar deze soorten niet benodigd geacht mits gegarandeerd kan worden dat ze geen toegang hebben tot de onderzoekslocatie tiidens de voorgenomen werkzaamheden. Daarom wordt geadviseerd om voorafgaand aan de werkzaamheden een amfibieénscherm te plaatsen waardoor het voor de betreffende soorten niet meer mogelijk is om de onderzoekslocatie te betreden. Eventueel ingesloten exemplaren worden weggevangen.

Aangezien een quickscan over het algemeen geen document is dat bij de uitvoering van de werkzaamheden wordt geraadpleegd, wordt aanbevolen om voor het plaatsen van een amfibieénscherm en het wegvangen van eventueel ingesloten exemplaren een separaat ecologisch werkprotocol op te laten stellen. In het werkprotocol worden de benodigde maatregelen verwoord en de verantwoordeliikheden van de betrokken partijen vastgelegd. 6.5

Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieén

Voor de te verwachten soorten geldt dat de werkzaamheden mogelijk verstorend kunnen werken. Als gevolg van graafwerkzaamheden kunnen dieren verwond of gedood worden en holen kunnen worden verwijderd. Dit houdt een overtreding van artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming in. Voor de te verwachten soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen echter een vrijstelling, waardoor geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Dieren die gedurende de werkzaamheden worden aangetroffen dienen de gelegenheid te krijgen om veilig weg te komen. 6.6

Overige soort(groep)en

Overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn wegens het ontbreken van geschikt habitat/verblijfsmogelijkneden, op basis van verspreidingsgegevens, de aanwezigheid van voldoende alternatieven en/of gezien de aard van de ingreep in dit geval niet aan de orde.

R 18436.001 versie D1

Pagina 15 van 20

er

7

TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING

In algemene zin kan er door een plan sprake zijn van negatieve gevolgen, op vanuit de Wet natuurbescherming aangewezen beschermde gebieden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke gebieden er mogelijk sprake is van negatieve effecten als gevolg van de voorgenomen ingrepen op de onderzoekslocatie. Verder wordt beschreven of een vervolgtraject noodzakelijk is en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van vergunningen. 7.1.

Natura 2000

De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, Sint Jansberg, bevindt zich op circa 3,7 kilometer afstand ten noordwesten van de onderzoekslocatie (figuur 5).

a

rt

aS

<

!

a

:

PaaS ke

\

“i Aa, 5.

g

‘

Oho {

ae

.* &+ i a peAP

é

ao

3

I

;

omy = : ee

s

e

DEEN

e,

! ry ee os ea 7s

ee

:

ee

,

é

er |

~"

}

;

SAE baie:

4 Ve %

iss al ee 5 ees ~

|

7

ea ‘

i,

cba

iy, 4 Re, Pn yx

a J

Figuur 5. Ligging onderzoekslocatie (rood viak) ten opzichte van Natura 2000 (geel viak).

De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zoals toenamen van geluid, trilling, licht of depositie van stikstof. Afhankelijk van het toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie kunnen externe effecten als een gevolg van een toename van stikstofdepositie mogelijk niet op voorhand uitgesloten worden. Geadviseerd wordt om, als het toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie definitief bekend is, te bepalen of een vervolgonderzoek in het kader van gebiedsbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van stikstof noodzakelijk is. Dit kan in eerste instantie worden onderzocht middels een modelberekening (AERIUS-calculator), mocht dit noodzakelijk zijn.

R 18436.001 versie D1

Pagina 16 van 20

ccofamn R 7.2.

Natuurnetwerk Nederland

De onderzoekslocatie maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk. Het meest nabijgelegen gebied bevindt zich circa 410 meter ten zuidwesten van de onderzoekslocatie. In figuur 6 is de ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland weergegeven.

aero | or. Se I a oe raga

s

oo - c

a

Tou

Seco Cake ig

See

er

Ne ak

Cus.

get

Ve

‘

ail =)

pee

Ass

iy

ae

:

‘i

Sen

2

es hig

Pk :

£

=

bo

eee,

Fah

ve,

he

f

eo

A

ae

Px nt

/

.

Si

t

ene

a Re

Sha aie te eee AT

ios

ae

“eed

3

ee

POS

ila WAS

aw 4 fay fee uh

eile | i

oO

Figuur 6. Ligging onderzoekslocatie (rood viak) ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland (groen vlak).

De onderzoekslocatie is gelegen op 410 meter afstand van een onderdeel van het Gelders Natuurnetwerk. Het Natuurnetwerk betreft in Gelderland een louter planologische bescherming van de aangewezen gebieden zelf. Aangezien het planvoornemen niet leidt tot een wijziging van de bestemming van het aangrenzende onderdeel van het Natuurnetwerk zijn aanvullende maatregelen of aanvullend advies ten aanzien van het GNN niet aan de orde.

R 18436.001 versie D1

Pagina 17 van 20

er \ 8

HOUTOPSTANDEN

De Wet natuurbescherming beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen, gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde ‘houtopstanden'). Het is verboden deze houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen zonder voorafgaande melding bij gedeputeerde staten. In dit hoofdstuk wordt beschreven of er bij de voorgenomen kap sprake is van meldingsplicht en herplantplicht conform artikel 4.2 en artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming. Verder wordt beschreven of er vervolgmaatregelen getroffen dienen te worden ten behoeve van de voorgenomen houtkap. Wegens het ontbreken van bomen op de onderzoekslocatie, kan het onderdeel houtopstanden als bedoeld in paragraaf 4.1 van de Wet natuurbescherming buiten beschouwing worden gelaten. Vervolgstappen zijn niet noodzakelijk.

R 18436.001 versie D1

Pagina 18 van 20

9

SAMENVATTING EN CONCLUSIES

Econsultancy heeft in opdracht van de Molenstraat (ong.) te Heumen.

een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd aan

De quickscan Wet natuurbescherming is uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanwijziging en heeft als doel om in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten, gebieden of houtopstanden aanwezig zijn die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve gevolgen kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. De initiatiefnemer is voornemens de bestemming van het landbouwperceel te wijzigen ten behoeve van de voorgenomen bouwplannen (woningbouw) op de onderzoekslocatie. Een ontwerp van de bouwplannen is tijdens het schrijven van de onderhavige rapportage niet bekend.

De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in tabel |. In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten. In de tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk ziin om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen. Tabel lI.

Overzicht geschiktheid onderzoekslocatie voor soortgroepen en te nemen vervolgstappen.

habitat

verstorend | onderzoek

Oe beschermd

aanvraag

steenuil

directe

fer zo gdieren

wESS erkza mheden broedvogelinspectie voorafgaand aan de

wing ten oosten en westen wordt voorkomen

feonemonee omgeving feesoiee [ef om fm | mm |

[me [me fm foe eet

| LL |

haas en diverse muissoorten

Eo mander en kam-

salamander

|

basta rdki ker, bruine ki ker, gewone pad en

tat: matig

maatregelen om overtreding te voorkomen

kleine watersalamander

a a a

Sc a aanwezig | verstorend | onderzoek

plicht

CS Cn

* Wijzigingen in het planvoornemen kunnen van invloed zijn op de uitkomst van het onderzoek.

R 18436.001 versie D1

Pagina 19 van 20

wer \ Conclusie

Ten aanzien van algemene broedvogels en steenuil kunnen overtredingen worden voorkomen door verstorende werkzaamheden uit te voeren buiten het broedseizoen. Globaal kan voor het broedsei-

zoen de periode begin februari tot eind augustus worden aangehouden.

Gelet op de bebouwing ten ocosten en westen van de onderzoekslocatie, zijn overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van vieermuizen te vermijden als mogelijke verblijfplaatsen functioneel en duurzaam behouden blijven. Additionele (bouw)verlichting richting deze bebouwing en directe omgeving dient te worden voorkomen. Indien verstoring door een toename van verlichting dreigt, zal een verlichtings-plan in samenwerking met een ter zake deskundige worden opgesteld, waar maatregelen in worden vastgelegd om verstoring door verlichting te voorkomen. Geadviseerd wordt gebruik te maken van een amfibieénscherm om mogelijke incidentele toetreding van de alpenwatersalamander en kamsalamander tot de onderzoekslocatie te voorkomen tijdens de werkzaamheden en vervolgens ingesloten individuen weg te vangen. Geadviseerd wordt de ecologische maatregelen op te laten nemen in een ecologisch werkprotocol en onder begeleiding van een ecoloog uit te laten voeren. Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming wegens het ontbreken van geschikt habitat, het ontbreken van sporen en/of vanwege een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling niet aan de orde.

Ten aanzien van algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieén is het in het kader van de zorgplicht noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient te worden gedaan om het doden van individuen te voorkomen. Met betrekking tot Natura 2000-gebieden kan, afhankelijk van de plannen, mogelijk niet worden uitgesloten dat er negatieve effecten worden veroorzaakt door een toename van stikstofdepositie op het Natura 2000-gebied, Sint Jansberg. Aangeraden wordt om een AERIUS-berekening uit te laten voeren wanneer de plannen definitief bekend zijn. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland en beschermde houtopstanden worden geen bezwaren voorzien in de uitvoering van de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie.

Econsultancy Boxmeer, 15 maart 2022

R 18436.001 versie D1

Pagina 20 van 20

wer \ GERAADPLEEGDE BRONNEN

&EEE] (2016). Atias van de Nederlandse zoogdieren -

Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere onge-

wervelden, Leiden.

BIJ12 (2017c). Kennisdocument steenuil. Opgehaald van https://www.bij12.nl/assets/BIJ12-2017-019Kennisdocument-Steenuil-1.0.pdf.

ERS «

(2017). Vieermuizen en planologie. Zoogdiervereniging, Nijmegen.

Ministerie van Economische Zaken (2016). Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Lees hier wat de Wet natuurbescherming daarover regelt. Versie 1.3, december 2016. Ministerie van Economische Zaken, Den Haag. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (z.d.). Natura 2000 gebieden. Geraadpleegd op 15 maart 2022 van https:/Avww.natura2000.nl/gebieden.

Nationale Database Flora en Fauna (z.d.). Uitvoerportaal; zoekgebied Heumen, periode 2017-2022. NDFF. Geraadpleegd op 15 maart 2022 van https://ndff-ecogrid.nl. Sovon (z.d.). Soortenoverzicht. Geraadpleegd op 15 maart 2022 van https://stats.sovon.nl/stats/soorten.

Verspreidingsatlas (z.d.). NDFF Verspreidingsatlas. Geraadpleegd op 15 maart 2022 van https://www.verspreidingsatlas.nl/. Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus (2021). Vieermuisprotocol 2021. Opgehaald van https://netwerkgroenebureaus.nl/vieermuisprotocol. Wet natuurbescherming (2015, 16 december). Opgehaald van: https://wetten.overheid.nl/BWBR0037552/202102-17.

Provinciale bronnen

Provincie Gelderland (2021, maart). Planoviewer - Geconsolideerde Omgevingsverordening Gelderland (maart 2021). Geraadpleegd op 15 maart 2022 van https://gldanders.planoview.nl/planoview/.

Provincie Gelderland (z.d.). Bijlage Kernkwaliteiten Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszone. Geraadpleegd op 15 maart 2022 van https:/Awww.ruimtelijkeplannen.nl/documents/NL.IMRO.9925.PVOmgverordeningGCgc08/b_NL.IMRO.9925.PVOmgverordeningGC-gc08_733.pdf.

Provincie Gelderland (z.d.). Natuurregels in Gelderland. Geraadpleegd op 15 maart 2022 van https://gelderland.maps.arcgis.com/apps/MapSeries/index.html?appid=38465e1 d8fec467ba027024c1e3 476d1.

R 18436.001 versie D1

wer \ Bijlage 1 toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming Zorgplicht

Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd (zie tabel Il). Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden.

Tabel Il. Zorgplicht

1.

Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De zorg houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a) dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b) indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te

2.

voorkomen, of

c)

voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt.

Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld; “de zorgplicht kan wel door toepassing van bestuursdwang worden gehandhaafd”. Deze formulering van de zorgplicht brengt met zich mee dat wanneer men een bepaalde handeling wilt verrichten die gevolgen voor natuurwaarden zou kunnen hebben, men zich daaraan voorafgaand op de hoogte stelt van de aanwezige natuurwaarden, de kwetsbaarheid ervan en de mogelijke gevolgen daarvoor van het voorgenomen handelen. De zorgplicht is te allen tijide van toepassing, ook al vindt er geen overtreding van een verbodsbepaling plaats. Indien er aanleiding is maatregelen te nemen ten aanzien van de zorgplicht, zal dat voor het betreffende beschermde natuurgebied en de betreffende soortgroep in deze rapportage worden aangegeven.

Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal cogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; e

soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1);

e e

soorten van de Habitatrichtliin en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).

In tabel III ttm V worden deze artikelen nader toegelicht.

R 18436.001 versie D1

wer \ Tabel Ill, Verbodsbepalingen en toelichting Artikel 3.1 Wet natuurbescherming Artikel 3.1. Soorten van de Vogelrichtlijn 1.

Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtliin te doden of te vangen. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen.

2.

ee

Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben.

4. 5.

Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invioed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.

Toelichting Alle inheemse vogelsoorten in Nederland vallen onder de Vogelrichtliin. De Vogelrichtlijn is een richtlijn vanuit de Europese Unie uit 1979 en heeft betrekking op de instandhouding van alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten op het Europese grondgebied van de Lidstaten waarop het Verdrag van toepassing is. De lijst met soorten is niet limitatief.

Tabel IV. Verbodsbepalingen en toelichting Artikel 3.5 Wet natuurbescherming Artikel 3.5. In het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage | bij het Verdrag van Bonn

1.

Het is verboden in het wild levende dieren van deze soorten in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen.

2. 3.

Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. Hetis verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen.

5.

Het is verboden planten van soorten uit de Habitatrichtliin of het Verdrag van Bern in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

4. — Hetis verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze dieren te beschadigen of te vernielen.

Toelichting Het gaat bij artikel 3.5 over in het wild levende dieren van verschillende soortgroepen. In de wet wordt voor vogelsoorten uit bijlage Il van het verdrag van Bern geen uitzondering gemaakt. Van de vogelsoorten die in Nederland voorkomen is hieronder een selectie gemaakt. Van de overige soortengroepen zijn alle soorten genoemd.

drijvende waterweegbree, groenknolorchis, kruipend moerasscherm, zomerschroeforchis

bever, hamster, hazelmuis, lynx, Noordse woelmuis, otter, wolf, wilde kat

Walvisachtigen

bruinvis, bultrug, butskop (hille), dwergpotvis, dwergvinvis, gestreepte dolfijn, gewone dolfijn, gewone spitsdolfijn, gewone vinvis, griend, grijze

dolfijn, kleine zwaardwalvis, narwal, Noordse vinvis, orka, potvis, spitsdolfiin van Gray, tuimelaar, walrus witflankdolfijn, witsnuitdolfijn, witte

dolfijn Vleermuizen

Bechsteins vieermuis, bosvleermuis, Brandts vieermuis, franjestaarl, gewone baardvleermuis, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, grijze grootoorvieermuis, grote hoefijzerneus, grote rosse vieermuis, ingekorven vieermuis, kleine dwergvleermuis, kleine hoefijzerneus, laatvlieger, meervieermuis, mopsvieermuis, Noordse vleermuis, rosse vieermuis, ruige dwergvleermuis, tweekleurige vleermuis, vale vleermuis, watervieermuis

boomkikker, geelbuikvuurpad, heikikker, kamsalamander, knoflookpad, poelkikker, rugstreeppad, vroedmeesterpad

Reptielen

dikkopschildpad, gladde slang, Kemps’ zeeschildpad, lederschildpad, muurhagedis, soepschildpad, zandhagedis

Vlinders

apollovlinder, boszandoog, donker pimpernelblauwtje, grote vuurvlinder, moerasparelmoervlinder, monarchvlinder, pimpernelblauwtje, teunis-

Libellen

bronslibel, gaffellibel, gevlekte witsnuitlibel, groene glazenmaker, mercuurwaterjuffer, Noordse winterjuffer, oostelijke witsnuitlibel, rivierrom-

bloempijlstaart, tiimblauwtje, zilverstreephooibeestje

bout, sierlijke witsnuitlibel

brede geelrandwaterroofkever, gestreepte waterroofkever, heldenbok, juchtleerkever, oeveraas, vermiljoenkever

Bataafse stroommossel, platte schijfhoren

ee

R 18436.001 versie D1

wer \ Artikel 3.5. In het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage | bij het Verdrag van Bonn

Vogels

appelvink, baardman, beflijster, bergeend, bergfluiter, bijeneter, blauwborst, blauwe kiekendief, boerenzwaluw, bontbekplevier, bonte strandlo-

per, bonte vliegenvanger, boomklever, boomkruiper, boompieper, boomvalk, bosrietzanger bosruiter, bosuil, braamsluiper, brandgans, bruine kiekendief, buizerd, casarca, Cetti’s zanger, draaihals, duinpieper, dwergmeeuw, dwergstern, Engelse kwikstaart, Europese kanarie, fitis, fluiter, geelgors, gekraagde roodstaart, gele kwikstaart, geoorde fuut, glanskop, goudhaan, grasmus, graspieper, graszanger, grauwe kiekendief, grauwe klauwier, grauwe vliegenvanger, griel, groene specht, groenling, grote bonte specht, grote gele kwikstaart, grote karekiet, grote stern, grote zilverreiger, havik, heggenmus, hop, huiszwaluw, ijsvogel, kerkuil, klapekster, klein waterhoen, kleine barmsijs, kleine bonte specht, kleine karekiet, kleine plevier, kleine zilverreiger, kleinst waterhoen, kluut, kneu, koolmees, koereiger, kraanvogel, krekelzanger,

kortsnavelboomkruiper, kruisbek, kuifmees, kwak, kwartelkoning, lepelaar, matkop, middelste bonte specht, nachtegaal, Noordse stern, oehoe, oeverloper, oeverpieper, oeverzwaluw, ooievaar, orpheusspotvogel, paapje, pestvogel, pimpelmees, poelruiter, porseleinhoen, purperreiger, putter, ransuil, rietgors, rietzanger, rode wouw, roerdomp, roodborst, roodborsttapuit, roodhalsfuut, rouwkwikstaart, sijs, slangenarend, slecht-

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13943182/1