Bijlage VII quick scan flora fauna
Tekst van het document
Quick Scan flora fauna Droogsestraat 13a en 13b Malden
Versie: 23 augustus 2021, gewijzigd 15 november 2023
Opgesteld door:
1
Aanleiding Initiatiefnemer is voornemens om op het perceel aan de Droogsestraat in Malden tussen de nummers 11a en 15, een 2-onder-1 kap woning te realiseren. Het perceel is kadastraal bekend als gemeente Heumen, sectie G, nummer 4088 Het perceel is 1.700 m2 groot.
Figuur: situering en kadastrale situatie 2
De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Middels voorliggend ecologisch oriënterend onderzoek is de (potentiële) aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de betekenis van de planlocatie voor deze soorten in kaart gebracht.
Onderzoeksdoelen Middels dit oriënterende onderzoek worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord: • • • •
• •
Is het bestemmingsplan dat wordt opgesteld voor het project zoals hiervoor omschreven uitvoerbaar zoals het bepaalde in de Wro (art. 3.1.6 Bro)? Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie? Welke negatieve effecten treden op voor (potentieel) aanwezige flora en fauna als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op het de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk? Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd? Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming te worden genomen, en zo ja, welke?
De planlocatie De planlocatie is gelegen binnen de bebouwde kom van Malden en bestaat uit een onbebouwd perceel grasland, dat in gebruik is als dierenweitje. Het is gelegen aan de Droogsestraat tussen de nummers 11a en 15. Het perceel is rechthoekig en circa 25 meter breed en 70 meter diep. Het is een open plek nabij de splitsing van de Droogsestraat met de Hatertseweg en de Broekkant. De omgeving van de planlocatie heeft geen specifieke groenstructuur. Het tegenover gelegen gebied heeft een redelijk open karakter, met weinig begroeiing, en vormt de overgang naar het agrarische buitengebied. Ten westen van de locatie ligt het bedrijventerrein De Hoge Brug. Dit lokale bedrijventerrein is ingericht voor bedrijven met een
3
beperkte milieu uitstraling (categorie 2 bedrijven). Ten zuidoosten ligt de woonbebouwing van de kern Malden.
Luchtfoto planlocatie Het perceel bezit geen eigen ontsluiting op de openbare weg. Ter weerszijden van het perceel liggen halfverharde inritten. Deze behoren echter tot de belendende percelen. Op de zandweg naar nummer 15 rechts van het perceel rust een recht van overpad. Via deze inrit wordt aangesloten op de Droogsestraat. Deze weg heeft een rijbaan met twee rijstroken en ter weerszijden vrij gelegen fietspaden. De fietspaden worden van de rijbaan gescheiden door een grasberm. Het perceel zelf is onbebouwd en in gebruik als dierenweitje. Het wordt intensief begraasd en gemaaid. Op het naastgelegen perceel bij nummer 11a is een kleine bloemisterij met bedrijfswoning gevestigd. Ook het westelijk naastgelegen perceel is in gebruik als dierenweitje dat begraasd en gemaaid wordt. Beide percelen worden van elkaar gescheiden door een halfverharde inrit. De percelen zijn omheind met een rasterhekwerk. Er is geen opgaande beplanting of oppervlaktewater aanwezig in de vorm van sloten of greppels. Ten westen is een dubbele woning in boerderijbebouwing aanwezig. Bij deze woning hoort een tweetal bijgebouwen die deels achter op het perceel staan. De achterzijde van het perceel wordt verder omsloten door het aan de Broekkant gevestigde tuincentrum met kwekerij.
4
Zicht vanaf de Droogsestraat
5
Functieverandering en effecten De beoogde ingrepen zijn permanent van karakter. De beoogde ontwikkeling ziet op het bouwen van een woning, waarbij het bestaande dierenweitje deels bebouwd wordt en ingericht als tuin. Het plan leidt niet tot sloop van bebouwing, aantasting van groenstructuren of demping van oppervlaktewater of sloten. Het perceel behoudt haar bestaande woonfunctie, maar kan op dit deel bebouwd worden met een dubbele woning.
Figuur: nieuwe situatie Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • • • •
verwijderen terreininrichting, waaronder graaf- en grondwerkzaamheden, transport (aan- en afvoer) van grond; egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; bouwwerkzaamheden ten behoeve van de bouw van de woning; inrichting terrein: diverse straat- en hovenierswerkzaamheden.
6
Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. Veldbezoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 20 augustus 2021. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, halfbewolkt, 18 graden Celsius en windkracht 2 (Bft). Externe bronnen Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF). Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.
Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 zijn drie voormalige wetten; de Flora- en faunawet samen met de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998, vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Bevoegdheden zijn met het ingaan van deze wet overgedragen van het rijk naar de provincie. Algemene zorgplicht In de Algemene zorgplicht (art. 1.11) wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moet worden. Het uitgangspunt van de Algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. (a) Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) en Andere soorten (art. 3.10). Hierin worden ook rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij negatieve effecten op soorten in de specifieke soortenbescherming geldt een ontheffingsplicht. 7
Van de verboden als bedoeld in Andere soorten art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen voor bepaalde soorten. (b) Gebiedsbescherming Naast de specifieke soortenbescherming kent Nederland ook gebiedsbescherming, waarbij bepaalde gebieden extra bescherming genieten. Het gaat hier hoofdzakelijk om Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk. In deze gebieden mogen in principe geen werkzaamheden binnen de grenzen uitgevoerd worden. Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist en binnen het Natuurnetwerk geldt het ‘nee, tenzij’-principe. In bepaalde gevallen dient er natuurcompensatie uitgevoerd te worden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Ten aanzien van het Natuurnetwerk geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden geldt een ontheffingsplicht. (c) Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen.
Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden. Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft: a) b) c) d) e) f) g) h)
houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; houtopstanden op erven of in tuinen; fruitbomen en windschermen om boomgaarden; naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; kweekgoed; uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden; het dunnen van een houtopstand; uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.
8
Beoordeling (a) soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ontwikkeling. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten (beschermingsregime ‘Andere soorten’) geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen (zie soortenbescherming). In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt c.q. soorten waarvoor een ontheffingsplicht noodzakelijk is.
Vaatplanten Uit de gegevens van het NDFF voor kilometerhok 186-422 blijkt dat er binnen dit kilometerhok waarnemingen zijn van beschermde vaatplanten (NDFF 2011-2021). De planlocatie betreft onbebouwd grasland dat in gebruik is als dierenweitje. In de directe omgeving zijn verder geen groenstroken aanwezig of bomen, struiken en hagen. Rondom de woning Droogsestraat 11a is een sterk gecultiveerde tuininrichting aanwezig. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. Beschermde planten stellen over het algemeen specifieke eisen aan hun milieu, zoals kalkhoudende schrale grond of stikstofarme blauwe graslanden. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek, waarmee negatieve effecten ten aanzien van beschermde vaatplanten derhalve kunnen worden uitgesloten. Grondgebonden zoogdieren Uit de gegevens van het NDFF voor kilometerhok 186-422 blijkt dat er binnen dit kilometerhok waarnemingen zijn van zoogdieren (NDFF 2011-2021). Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen aangetroffen van (beschermde) zoogdieren. De locatie is potentieel geschikt voor kleine marterachtigen en kleine zoogdieren als de veldmuis.
Deze komen voornamelijk voor in kleinschalige landschappen met voldoende afwisselende groenstructuren voor dekking en voedsel. Droge ruimtes als (oude) holen, houtstappels en hooimijten kunnen gebruikt worden als rust- en voortplantingsplaats. Op de planlocatie ontbreken deze biotopen. Ook de aanwezigheid van een rust- en voortplantingsplaats voor andere grondgebonden zoogdieren (bijvoorbeeld de das) op de planlocatie kan uitgesloten worden. Dit gelet op het ontbreken van geschikt leef- of verblijfgebied, de beperkte omvang en het intensieve gebruik 9
van het perceel, de situering in de bebouwde kom zonder verdere betekenis als verbindende schakel in een grotere structuur. Daarbij wordt het perceel van het omringende buitengebied gescheiden door een relatief drukke verkeersweg. De beoogde ontwikkeling geeft derhalve geen negatief effecten op kleine marterachtigen of andere grondgebonden zoogdieren. Door vorengenoemde is het uitgesloten dat de planlocatie een essentiële functie bevat voor soorten van de Habitatrichtlijn en niet vrijgestelde Andere soorten. De planlocatie heeft enkel mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name egel, konijn en veldmuis. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Op en rondom de planlocatie zijn geen holen, nesten of sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten. Effecten op beschermde zoogdieren zijn uitgesloten. Vleermuizen Uit de gegevens van het NDFF voor kilometerhok 186-422 blijkt dat er binnen dit kilometerhok waarnemingen zijn van vleermuizen (NDFF 2011-2021). Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd.
Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat. Op de planlocatie zijn geen bomen met boomholten welke kunnen dienen als rust- en/of verblijfplaats aanwezig, waardoor er geen sprake is van aantasting van verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen. De bijgebouwen achter op het perceel vormen potentiële verblijfplaatsen en beschikken over geschikte invliegopeningen. Een dergelijke verblijfplaats moet voldoen aan een geschikt microklimaat, met een constante (lage) temperatuur, een hoge luchtvochtigheid en weinig invloed van weersomstandigheden. Deze bijgebouwen blijven behouden. Hoewel het uitgesloten is dat vleermuizen de planlocatie zelf gebruiken als vaste rust- en/of verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. Mogelijk hebben de omliggende groenstructuren een belangrijke functie als foerageergebied of migratieroute, echter zullen deze behouden blijven waardoor ze niet worden aangetast. In de luwte van opgaande vegetatie kunnen vliegbewegingen en foerageeractiviteiten van vleermuizen plaatsvinden. Hierbij kan sprake zijn van tijdelijke verstoring van vleermuizen ten gevolge van werkzaamheden of lichtgebruik.
Vleermuizen jagen op insecten waarbij ze opportunistisch gebruik maken van een groot netwerk aan jachtgebieden. De omvang en het gebruik van een gebied alsmede de jachttechniek en prooien verschillen per soort. Gedurende het foerageren verspreiden vleermuizen zich diffuus over het landschap waarbij veelal gebruik wordt gemaakt van bosranden, bomenlanen, oeverzones of andere structuurrijke zones. Vleermuizen kunnen 10
verblind en daardoor gedesoriënteerd raken als gevolg van felle verlichting. Sterk verlichte locaties worden gemeden door vleermuizen. Tijdens en na de beoogde ontwikkeling dient bij voorkeur geen verlichting te worden toegepast. Bij voorkeur de werkzaamheden uitvoeren tussen zonsopkomst en zonsondergang. Mocht verlichting noodzakelijk zijn wordt vleermuisvriendelijke verlichting geadviseerd waarbij er geen lichtuitstraling plaats vindt in de richting van de groenstructuren. Amfibieën Uit de gegevens van het NDFF voor kilometerhok 186-422 blijkt dat er binnen dit kilometerhok waarnemingen zijn van amfibieën (NDFF 2011-2021). Amfibieën leven in zowel een aquatisch (m.n. lente/zomer) als een terrestrisch (m.n. herfst/winter) habitat. Beide habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. De planlocatie is gelegen in stedelijk gebied en wordt momenteel intensief gebruikt, waardoor veel verstoringen optreden. Tevens is er geen oppervlaktewater aanwezig op de planlocatie, waardoor er geen sprake is van geschikt voortplantingswater. Daarnaast ontbreekt het aan een bosrijke omgeving en struwelen. Hierdoor wordt de aanwezigheid van de habitatkritische soorten als de Alpenwatersalamander, boomkikker en kamsalamander niet verwacht.
Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad, gedurende de terrestrische (herfst/winter) periode voorkomen binnen de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen (zie Wet natuurbescherming). Negatieve effecten op beschermde amfibieën zijn derhalve uitgesloten. Reptielen Uit de gegevens van het NDFF voor kilometerhok 186-422 blijkt dat er binnen dit kilometerhok waarnemingen zijn van reptielen (NDFF 2011-2021). Reptielen zijn over het algemeen verbonden aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen als heidevelden, bosgebied en natuurlijke oevers. Gezien de afwezigheid van structuurrijke biotopen en de hoge mate van menselijke verstoring is het voorkomen van beschermde reptielen binnen het plangebied uitgesloten. Negatieve effecten op beschermde reptielen zijn derhalve uitgesloten. Vissen Uit de gegevens van het NDFF voor kilometerhok 186-422 blijkt dat er binnen dit kilometerhok geen waarnemingen zijn van vissen (NDFF 2011-2021). Op de planlocatie bevindt zich geen oppervlaktewater. Negatieve effecten op (beschermde) vissen zijn uitgesloten. Ongewervelden Uit de gegevens van het NDFF voor kilometerhok 186-422 blijkt dat er binnen dit kilometerhok waarnemingen zijn van vlinders en libellen (NDFF 2011-2021).
11
Op de planlocatie is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Negatieve effecten op de soortgroep zijn uitgesloten. Vogels Uit de gegevens van het NDFF voor kilometerhok 186-422 blijkt dat er binnen dit kilometerhok waarnemingen zijn van vogels (NDFF 2011-2021). Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: houtduif, huismus, kauw, koolmees, pimpelmees en merel. Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) De huismus broedt vrijwel altijd bij bebouwing en bouwt zijn nesten onder dakpannen, onder golfplaten, kieren/gaten in de muur en in spantconstructies. Vanuit de nestlocatie en/of vanaf een uitzichtpunt moet de huismus zijn omgeving kunnen zien. Hierbij moet er in de directe omgeving continu voedsel te vinden zijn in de vorm van zaden van grassen en onkruiden en larven van insecten. Daarnaast moet er beschutting nabij de foerageerlocaties, voldoende jaarrond groene struiken of heesters, plaatsen met stof en grind voor stofbaden en water voor waterbaden aanwezig zijn. Op de planlocatie zelf ontbreekt bebouwing. De woningen in de directe omgeving, welke behouden blijven, hebben pannendaken en aannemelijk geschikt als nestlocaties voor de huismus.
De gronden rondom deze woningen (waaronder de planlocatie) maken mogelijk deel uit ven het functioneel leefgebied van de huismus. Tevens maken de groenstructuren van het gemeentelijk groen en omliggende woningen in de wijdere omgeving deel uit van het functioneel leefgebied. Ondanks dat binnen de beoogde ontwikkeling geen sprake is van aantasting van nestlocaties en functioneel leefgebied dienen er maatregelen getroffen te worden om negatieve verstorende effecten te voorkomen. (zie Te treffen maatregelen). Op de planlocatie en directe omgeving zijn geen sporen van uilen met jaarrond beschermde nesten (kerkuil en steenuil) aangetroffen. Vanwege het ontbreken van bebouwing op de planlocatie zelf is er geen sprake van een rust- of nestplaats van uilen. De aanwezigheid van nesten van in bomen broedende soorten als buizerd, sperwer en ransuil kan uitgesloten worden. Mogelijk maakt het weiland deel uit van het foerageergebied van de buizerd. Dit is echter een zeer beperkt perceel qua omvang. Van overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van vogels met jaarrond beschermde nestlocaties en functioneel leefgebied is geen sprake. Vogels - Algemene broedvogels en categorie 5 (beschermde nestlocatie gedurende broedperiode en bij ecologisch zwaarwegende redenen) De planlocatie voorziet alleen in beperkt voedselaanbod voor vogels.
Vanwege het ontbreken van struiken, bomen en bebouwing biedt de locatie geen geschikte nestlocaties voor algemene broedvogels zoals merel, spreeuw, duiven en kleine zangvogels. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels 12
en categorie 5 soorten kunnen de werkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.
Beoordeling (b) gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000 en het Natuurnetwerk Gelderland. Op een afstand van circa 6 km ligt het Natura 2000-gebied ‘Sint Jansberg’ (figuur 5). Op een afstand van circa 130 m ligt het Natuurnetwerk (figuur 6).
Figuur: ligging t.o.v. Natura2000 gebieden
13
Figuur: ligging t.o.v. Natuur Netwerk Ondanks dat de beoogde ontwikkeling buiten een beschermd gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is. Ten aanzien van het Natuurnetwerk geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. Projecten die kunnen leiden tot een toename van stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden worden beoordeeld middels de AERIUS Calculator. Doel daarvan is vast te stellen of significante effecten kunnen worden uitgesloten. In sommige gevallen kan op voorhand negatieve effecten ten aanzien van stikstofdepositie worden uitgesloten, wegens de grote afstand tot stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden, een afname in stikstofemissie of een beperkte ingreep. De beoogde ontwikkeling betreft de bouw van een dubbele woning. Ten opzichte van de huidige situatie leidt de beoogde ingreep tot een toename in het aantal verkeersbewegingen. Gedurende de werkzaamheden kan er een beperkte en tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en transportbewegingen (het ‘projecteffect’).
Gezien er sprake is van een grote afstand (6 km) tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied wordt verwacht dat er geen sprake is van een verhoging van de 14
stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden. Met behulp van de Aerius calculator is een berekening gemaakt van de stikstofdepositie van dit initiatief (zie bijlage). Uit deze berekening volgt dat er geen significant effect is op Natura 2000gebieden.
Beoordeling (c) houtopstanden In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien. Het maken van een kapmelding in het kader van Wet natuurbescherming is niet van toepassing.
Conclusies Samenvatting (a) Soortenbescherming De planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. Wel dienen de werkzaamheden buiten het broedseizoen van vogels plaats te vinden om verstoring op de soort te voorkomen. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. (b) Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Brabant. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Uit de Aerius-berekening stikstof volgt dat geen sprake is van een significant effect. (c) Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen kapwerkzaamheden voorzien.
Tabel 1 Overzicht van de Soortenbescherming. Voor de benoemde soorten geldt dat aanvullend onderzoek benodigd is. Soortgroep Vaatplanten Grondgebonden zoogdieren Vleermuizen Amfibieën Reptielen Vissen Insecten/ongewervelden Vogels
Beschermingsregime Wet nb n.v.t. n.v.t. n.v.t. n.v.t. n.v.t. n.v.t. n.v.t. n.v.t.
Soortspecifiek onderzoek Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee
Mogelijke functie planlocatie 15
Tabel 2 Overzicht van Gebiedsbescherming Gebiedsbescherming
Afstand
Effecten
Nader onderzoek
Natura2000
6 kilometer
geen
n.v.t.
Natuur Netwerk Gelderland
130 meter
geen
n.v.t.
Tabel 3 Overzicht van Houtopstanden Houtopstanden
Aanwezig
Kap
Melding
Struiken
Nee
n.v.t.
n.v.t.
Bomen
nee
n.v.t.
n.v.t.
Uitvoerbaarheid De beoogde ontwikkeling leidt niet tot overtreding van soortenbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wnb. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen, huismussen en algemene broedvogels (in het kader van Algemene zorgplicht). Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. Conclusie Het bouwplan aan de Droogsestraat is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro).
16
Vervolgstappen De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van beschermde natuurwaarden (soortbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden). Derhalve is het uitvoeren van aanvullend onderzoek niet noodzakelijk. Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. •
•
•
•
Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te bieden in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten. Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen de huismus en algemene vogels (broedseizoen loopt van 1 maart t/m 1 september). Als de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van de algemene broedvogels buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden.
17
18
19
20
21