CConstaterende datHeumen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage VII Bijlage bij memo - aanvullend ecologisch onderzoek Hatertseweg Malden

Raad 14 december 2023, gemeente HeumenBij agendapunt: Nieuw plan Kanaalzone met herinrichting sportpark de Broekkant4.435 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

RAPPORTAGE Aanvullend ecologisch onderzoek Locatie Hatertseweg Malden

Rapport aanvullend ecologisch onderzoek Locatie Hatertseweg, Malden Opdrachtgever

Gemeente Heumen Postbus 200 6580 AZ Malden

1

Rapportnummer

19811.002

Versienummer

D1

Status

Definitief

Datum

14 juli 2023

Opsteller1

Mevrouw J.J.R.M. van den Berg, BSc

Kwaliteitscontrole

De heer ir. B.H.H. Verdijck

AVG

In onze rapportages wordt niet gewerkt met handtekeningen en/of parafen. Conform protocol en eisen uit het kwaliteitssysteem wordt het rapport aantoonbaar vrijgegeven. In het kader van de AVG dient, voorafgaand aan publicatie of bij uitlevering aan derden, bijlagen met kadastrale uittreksels en namen van opdrachtgevers verwijderd dan wel zwart gelakt te worden.

KWALITEITSZORG Econsultancy is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is een vereniging van ecologische advies- en onderzoeksbureaus die werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en die de belangen behartigt van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. CERTIFICERING Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteits- en milieuhand-boek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NENEN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Daarnaast staat veilig werken bij Econsultancy voorop en zijn we gecertificeerd voor VCA*. BETROUWBAARHEID Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de planlocatie voor beschermde soorten en het al dan niet voorkomen van soorten. De gebruikte informatie omtrent verspreiding van soorten is deels afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.

Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde onderzoek neemt. Al onze rapportages worden opgesteld conform de ‘Handreiking omgaan met AVG in bodemonderzoeken’ opgesteld door de VKB (29 juni 2022). Hiermee voldoet de rapportage aan de eisen die de wet en NEN normen ons stellen en wordt tevens voldaan aan de AVG. GELDIGHEID ONDERZOEK In het algemeen kan gesteld worden dat een quickscan geldig is voor een periode van 2 tot 3 jaar, tenzij in deze periode de ecologische omstandigheden wezenlijk zijn veranderd en/of de Wet natuurbescherming, dan wel inzichten hieromtrent zijn gewijzigd. Bij uitstel van de uitvoering van een project met meer dan 3 jaar verdient het de aanbeveling de resultaten van de quickscan opnieuw te toetsen. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de rechthebbende.

INHOUDSOPGAVE 1

INLEIDING .................................................................................................................................................. 1

2

GEBIEDSBESCHRIJVING .............................................................................................................................. 2 2.1 2.2

Huidig gebruik planlocatie en omgeving ........................................................................................ 2 Toekomstig gebruik van de planlocatie ......................................................................................... 2

3

RESULTATEN VOORGAAND ONDERZOEK .................................................................................................. 4

4

ONDERZOEKSMETHODIEK ......................................................................................................................... 5

5

ONDERZOEKSRESULTATEN ........................................................................................................................ 6

6

TOETSING AAN WET- EN REGELGEVING.................................................................................................. 12 6.1 6.2

7

Das................................................................................................................................................ 12 Vleermuizen ................................................................................................................................. 14

CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN........................................................................................................... 15 Functie planlocatie voor beschermde soorten ............................................................................ 15 Conclusie ...................................................................................................................................... 15

8

GERAADPLEEGDE BRONNEN ..................................................................................................................... 1

19811.002

1

INLEIDING

Econsultancy heeft van Gemeente Heumen opdracht gekregen voor het uitvoeren van een aanvullend ecologisch onderzoek aan de Hatertseweg te Malden. Het aanvullend ecologisch onderzoek is uitgevoerd in het kader van de potentiële herontwikkeling (realisatie sportvelden) van de planlocatie. De onderzoeken zijn uitgevoerd naar aanleiding van de resultaten van het verkennend natuuronderzoek en het onderzoek naar de compensatieopgave van de das en de groene ontwikkelzone die Sweco in mei 2022 heeft uitgevoerd (rapport 51007211, d.d. 11 mei 2022 & rapport 51007211, d.d. 11 mei 2022). Uit het verkennend natuuronderzoek is gebleken dat, om de effecten van de ingreep volledig te kunnen toetsen aan de Wet natuurbescherming er meer informatie benodigd was. Voor de realisatie van de sportvelden zijn twee potentiële locaties beoogd, waarvan de locatie aan de Hatertseweg er één is. Econsultancy heeft tevens een aanvullend ecologisch onderzoek uitgevoerd aan de alternatieve locatie aan de Looistraat te Heumen (project 19811.005). Econsultancy is lid van de branchevereniging Netwerk Groene Bureaus en werkt volgens de door het Netwerk opgestelde gedragscode en protocollen.

19811.002 versie D1

1 / 15

2

GEBIEDSBESCHRIJVING

2.1 Huidig gebruik planlocatie en omgeving Het plangebied (± 11,6 ha) ligt aan de Hatertseweg (ong.), circa 1 km ten noorden van de kern van Malden. In figuur 2.1 is de ligging van het plangebied weergegeven.

Figuur 2.1 Ligging planlocatie (wit omlijnd) en directe omgeving.

De planlocatie bestaat uit weilanden en wordt begrensd door de Haterseweg aan de westzijde, agrarische percelen aan de zuidoost- en noordwestzijde en een agrarisch bedrijf en een woning. Het zuidwestelijke deel van de planlocatie is in gebruik als camperplaats en vierdaagsecamping. Daarnaast is dit gedeelte van maart tot en met augustus 2021 in gebruik geweest als vaccinatielocatie van de GGD.

2.2 Toekomstig gebruik van de planlocatie De initiatiefnemer is voornemens om op de huidige locatie van SV Juliana ’31 woningen te bouwen. Om dit mogelijk te maken moet SV Juliana ’31 verplaatst worden. De planlocatie behoort tot één van de voorkeurslocaties voor het verplaatsten van het sportpark. Het voorlopige schetsontwerp voor het sportpark is weergegeven in figuur 2.2. Dit is echter een concept variant en deze zal nog verder uitgewerkt worden.

19811.002 versie D1

2 / 15

Figuur 2.2 Voorlopig schetsontwerp voor de realisatie van het sportpark binnen het plangebied.

19811.002 versie D1

3 / 15

3

RESULTATEN VOORGAAND ONDERZOEK

Onderhavig aanvullend ecologisch onderzoek is uitgevoerd op basis van de resultaten van het verkennend natuuronderzoek en het onderzoek naar de compensatieopgave van de das en de groene ontwikkelzone die Sweco in mei 2022 heeft uitgevoerd (rapport 51007211, d.d. 11 mei 2022 & rapport 51007211, d.d. 11 mei 2022). Hierin is de planlocatie getoetst op de aanwezigheid van geschikt habitat/geschikte verblijfplaatsen voor in de Wet natuurbescherming genoemde soorten. Op basis van deze onderzoeken is aanvullend ecologisch onderzoek geadviseerd naar de das. Daarnaast dienen verlichtingsmaatregelen genomen te worden ten aanzien van potentiele vliegroutes en verblijfplaatsen van vleermuizen in de directe omgeving van het plangebied.

19811.002 versie D1

4 / 15

4

ONDERZOEKSMETHODIEK

Ten aanzien van de das zijn twee veldinspecties uitgevoerd, op 1 en 14 december 2022. Bij deze veldinspecties zijn de planlocatie en de omgeving binnen 1,5 km rondom de planlocatie onderzocht op de aanwezigheid van burchten en sporen die wijzen op het gebruik van het gebied door de das. Hierbij is gelet op aanwezigheid van burchten, dassenpijpen en sporen als wissels, prenten latrines, mest- en snuitputjes. Daarnaast is tijdens deze veldbezoeken in kaart gebracht welke waardes de percelen op en rondom het plangebied hebben voor de das, zoals bijvoorbeeld geschikte foerageergebieden. De burchtlocaties waarvan tijdens de veldinspecties bleek dat ze nog actief zijn, zijn vervolgens verder onderzocht op hun functie. Dit is gedaan middels cameraonderzoek in de periode 24 april tot en met 12 juni, de periode waarin de jonge dassen voor het eerst naar buiten komen. In totaal zijn er 9 wildcamera’s opgehangen (figuur 4.1). De camera’s zijn gemonteerd aan de aanwezige begroeiing in de omgeving van de betreffende burcht. Tussentijds zijn de camera’s gecontroleerd om de twee weken.

Figuur 4.1 De locaties van de wildcamera’s (gele stippen).

19811.002 versie D1

5 / 15

5

ONDERZOEKSRESULTATEN

Uit het eerder uitgevoerde verkennend natuuronderzoek van Sweco (rapport 5100720, d.d. 11 mei 2022) is gebleken dat de planlocatie behoort tot het foerageergebied van de das. Ook tijdens de inspecties in december 2022 zijn foerageersporen zoals wissels en mest- en snuitputjes waargenomen binnen en aan de randen van het plangebied (figuur 5.1 & 5.2).

Figuur 5.1 Wissels die het plangebied op lopen.

Figuur 5.2 Mestputje binnen het plangebied.

Daarnaast zijn de voor de das interessante terreinen binnen 1,5 kilometer van de planlocatie onderzocht op de aanwezigheid van dassenburchten en is in kaart gebracht wat de status van de verschillende burchten was (actief/belopen/inactief; figuur 5.4). Actieve burchten worden veelvuldig gebruikt, belopen burchten slechts af en toe en inactieve burchten waren ten tijde van het veldbezoek niet in gebruik door de das.

19811.002 versie D1

6 / 15

Figuur 5.3 De bezochte burchten, onderverdeeld in actief/belopen (geel) en inactief (blauw).

Op belopen/actieve burchten zijn vervolgens wildcamera’s geplaatst, om te onderzoeken welke burchten functioneren als kraamburcht. Jonge dassen verlaten de burcht voor het eerst eind april/begin mei. Het cameraonderzoek heeft plaatsgevonden van 24 april tot en met 12 juni 2023. Op basis van de verkregen beelden zijn twee kraamburchten waargenomen (figuur 5.4). Bij de burcht in de tuin van de woning aan de Hatertseweg 9 (burcht 1) is tijdens het veldbezoek ingesleept nestmateriaal aangetroffen. Op de camerabeelden zijn daarnaast meermaals jongen waargenomen (figuur 5.5). Ook bij de burcht in de strook bos op circa 85 meter afstand ten zuidoosten van de planlocatie (burcht 2) is tijdens de inspectie ingesleept hooi waargenomen (figuur 5.6). Daarnaast werd een speelboom aangetroffen (figuur 5.7). Op de camerabeelden was veel activiteit van dassen te zien. Ook zijn er meermaals groepjes (spelende) dassen waargenomen (figuur 5.8). Hoewel er geen jonge dassen op de beelden zijn waargenomen, vormen de speelboom, het ingesleepte hooi en de veelvuldige aanwezigheid van (groepjes) dassen genoeg bewijs om aan te nemen dat de burcht een kraamburcht betreft. Vermoedelijk maakten de jonge dassen gebruik van een andere pijp als in- en uitgang, of was er sprake van een miskraam.

Bij de meest westelijke actieve burcht in de houtwal parallel aan het Brouwerijpad (figuur 5.9) werd af en toe een volwassen das waargenomen op de camera. Op enkele beelden was te zien hoe de das nestmateriaal in de gangen sleepte. Hier zijn echter geen andere aanwijzingen aangetroffen die duiden op een kraamburcht.

19811.002 versie D1

7 / 15

Figuur 5.4 De twee burchten waarvan is vastgesteld dat het kraamburchten betreffen.

Figuur 5.5 Jonge das (burcht 1).

19811.002 versie D1

Figuur 5.6 Ingesleept nestmateriaal bij kraamburcht 2.

8 / 15

Figuur 5.7 Aangetroffen speelboom bij kraamburcht 2.

Figuur 5.8 Groepje van 3 dassen bij de burcht (burcht 2).

Figuur 5.9 Burchtlocatie waarbij enkel ingesleept hooi werd waargenomen (gele stip).

Tijdens de veldbezoeken is ook gelet op de aanwezige wissels vanuit de kraamburchten. Vanuit kraamburcht 1, gelegen op circa 125 meter van de planlocatie, lopen wissels naar de weilanden ten noordwesten (figuur 5.10). Verderop ten noordwesten zijn ook wissels waargenomen, welke vermoedelijk ook afkomstig zijn van de dassen uit kraamburcht 1. Daarnaast loopt een wissel door de tuin van de woning aan de Hatertseweg 9 naar voren. Er zijn echter geen duidelijke sporen in de richting van de aanwezige faunatunnel onder de Hatertseweg

19811.002 versie D1

9 / 15

waargenomen. Verwacht wordt dat deze dassenfamilie vooral gebruik maakt van de weilanden ten noordwesten van de planlocatie om te foerageren en niet van de planlocatie zelf.

Figuur 5.10 De wissels vanuit kraamburcht 1.

Vanuit kraamburcht 2, gelegen op circa 85 meter afstand van de planlocatie lopen wissels door de houtwal en naar de weilanden ten zuidoosten en noordwesten, waaronder de planlocatie (figuur 5.11). Van de dassenfamilie uit kraamburcht 2 kan met zekerheid worden gesteld dat zij gebruik maken van de planlocatie om te foerageren.

19811.002 versie D1

10 / 15

Figuur 5.11 De wissels vanuit kraamburcht 2.

19811.002 versie D1

11 / 15

6

TOETSING AAN WET- EN REGELGEVING

6.1 Das De das is een beschermde inheemse diersoort en is tevens opgenomen in onderdeel A, behorende bij artikel 3.10, eerste lid van de nationaal beschermde dier- en plantensoorten volgens de Wet natuurbescherming. Bij de realisatie van het sportveld op de planlocatie gaat essentieel foerageergebied verloren voor de dassenfamilie uit kraamburcht 2. Dassen vinden hun voedsel vooral op bemeste grasweiden. De planlocatie bestaat grotendeels uit bemest grasland (circa 9,5 ha) en hier zijn tevens wissels, mestputjes en snuitputjes aangetroffen. Het zuidwestelijke deel van het plangebied (circa 2,1 ha), is in gebruik als camperplaats en vierdaagsecamping. Daarnaast is dit gedeelte van maart tot en met augustus 2021 in gebruik geweest als vaccinatielocatie van de GGD, waarvoor een grote tent en een verharde parkeerplaats op het perceel aanwezig waren. Ook zijn hier tijdens het veldbezoek geen sporen aangetroffen, waardoor deze oppervlakte wordt gezien als suboptimaal foerageergebied. Conform het kennisdocument voor de das dient optimaal foerageergebied bij aantasting voor 120% gecompenseerd te worden door vervangend leefgebied te realiseren. Suboptimaal foerageergebied dient bij aantasting met een oppervlakte van tenminste 50% te worden gecompenseerd. De berekening van de compensatieopgave is weergegeven in tabel 6.1.

Voor de huidige berekening wordt als uitgangspunt gebruikt dat de gehele planlocatie verloren gaat voor de das (worst-case scenario). De totale compensatieopgave komt dan neer op 12,45 hectare. Indien binnen de planlocatie inrichtingsmaatregelen voor de das getroffen worden, zal de compensatieopgave lager uitvallen. Afhankelijk van de mogelijkheden in het ontwerp wat betreft verlichting, inrichting en beheer, dient deze berekening aangepast te worden. Tabel 6.1 Overzicht van de benodigde compensatie Type foerageergebied Primair Secundair

Oppervlakte 9,5 ha 2,1 ha

Compensatie opgave 120 % 50 %

Oppervlakte compensatie 11,4 ha 1,05 ha

Totaal 12,45 ha

In figuur 5.12 is het foerageergebied van de dassenfamilies in de omgeving weergegeven, onderverdeeld in optimaal foerageergebied (bemeste graslanden en kleinschalige (begraasde) graslanden en fruitboomgaarden) en in suboptimaal foerageergebied (akkers en bosgebied). Enkel voor de dassenfamilie uit kraamburcht 2 behoort de planlocatie tot het essentiële foerageergebied. De compensatie wordt bij voorkeur gerealiseerd op grond die nu suboptimaal geschikt is (akkers) en op gronden grenzend aan de burcht (binnen 500 meter). Indien het niet mogelijk is om de gehele compensatieopgave te realiseren in de directe omgeving van de burcht, kunnen ook andere gronden binnen het territorium van de betreffende burcht ingezet worden, mits er een goede verbinding bestaat of gerealiseerd wordt vanaf de burcht richting deze gronden. Daarnaast kan optimaal geschikt foerageergebied verder geoptimaliseerd worden door het toevoegen van landschapselementen zoals fruitbomen en houtwallen en zo een bijdrage leveren aan de compensatieopgave. In figuur 6.1 is het zoekgebied voor de compensatieopgave ten aanzien van de dassenfamilie weergegeven.

19811.002 versie D1

12 / 15

Figuur 6.1 Optimaal geschikt (groen) en suboptimaal geschikt (oranje) foerageergebied voor de das. In rood is het zoekgebied voor de compensatieopgave weer gegeven binnen 500 meter. In zwart is het zoekgebied buiten 500 meter weergegeven.

Tijdig voorafgaand aan de werkzaamheden dient nieuw optimaal leefgebied van minimaal gelijke kwaliteit als hetgeen dat verloren gaat gerealiseerd te zijn. Het nieuwe leefgebied moet bij voorkeur: • jaarrond voldoende voedsel beschikbaar hebben; • meerdere plekken bevatten waar dassen hun burcht kunnen vestigen; • geen barrières bevatten zoals steile (bijvoorbeeld beschoeide) oevers of wegen; • voldoende (lijnvormige) beplantingen, hoogstamboomgaarden, overhoekjes en dergelijke bieden; • voldoende rust en stilte bieden. (Kennisdocument Das BIJ12, 2017)

19811.002 versie D1

13 / 15

Indien een deel van het plangebied gebruikt dient te worden als leefgebied voor de das, dienen ook verlichtingseffecten binnen het terrein voorkomen te worden. Daarom wordt geadviseerd om inrichtingsmaatregelen direct rondom de velden te realiseren in de vorm van houtwallen of struweelhagen. Deze maatregelen, omschreven in een activiteitenplan, dienen vervolgens ter goedkeuring worden voorgelegd aan de provincie Gelderland, middels een ontheffingsaanvraag.

6.2 Vleermuizen Alle vleermuissoorten zijn opgenomen in bijlage IV van de EU-Habitatrichtlijn, dier- en plantensoorten van communautair belang die strikt moeten worden beschermd. Vleermuizen worden ook benoemd in Bijlage II van de conventie van Bonn. In de directe omgeving van het plangebied zijn mogelijk vliegroutes en verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig. Deze potentiële verblijfplaatsen en vliegroutes dienen duurzaam behouden te blijven bij de voorgenomen ingreep. In het verkennend natuuronderzoek van Sweco (rapport 51007211, d.d. 11 mei 2022) worden de volgende richtlijnen aangehouden ten aanzien van verlichting (NSVV, 2020): -

(Bouw)verlichting niet richten op omliggende groenstructuren tussen één uur voor zonsondergang en één uur na zonsopkomst in de periode maart tot en met oktober. Bij de permanente verlichting dient er zo min mogelijk uitstraling te zijn naar de omgeving. Sweco adviseert in het verkennend natuuronderzoek een grenswaarde van maximaal 2,0 lux uitstraling tussen 07:00 – 23:00 uur en 1,0 lux tussen 23:00 – 07:00 uur. Deze grenswaarde is maximaal op de perceelsgrens.

Echter zijn deze richtlijnen alleen niet voldoende om negatieve effecten ten aanzien van beschermde functies (potentiële verblijfplaatsen en vliegroutes) van vleermuizen te voorkomen. De exacte grenswaarde voor uitstraling van licht richting beschermde functies is niet geheel duidelijk en varieert per soort. Geadviseerd wordt om de veilige waarde van een uitstraling van maximaal 0,1 lux voor beschermde functies voor vleermuizen aan te houden. Deze norm biedt voldoende veiligheid in het tegengaan van negatieve effecten door verlichting ten aanzien van potentiële verblijfplaatsen en vliegroutes van vleermuizen (Meijer, zd). Hiervoor is het noodzakelijk om inrichtingsmaatregelen te treffen, zoals een extra bomenrij of houtwal ter afscherming. Daarnaast wordt geadviseerd om een lichtsimulatie op te laten stellen van de toekomstige situatie in het plangebied en deze te laten beoordelen door een deskundig ecoloog. Indien het niet mogelijk is om potentiële verblijfplaatsen en vliegroutes duurzaam te behouden dan is alsnog aanvullend ecologisch onderzoek naar vleermuizen benodigd.

19811.002 versie D1

14 / 15

7

CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN

Econsultancy heeft van Gemeente Heumen opdracht gekregen voor het uitvoeren van een aanvullend ecologisch onderzoek aan de Hatertseweg te Malden. Het aanvullend ecologisch onderzoek is uitgevoerd in het kader van de potentiële herontwikkeling (realisatie sportvelden) van de planlocatie. De onderzoeken zijn uitgevoerd naar aanleiding van de resultaten van het verkennend natuuronderzoek en het onderzoek naar de compensatieopgave van de das en de groene ontwikkelzone die Sweco in mei 2022 heeft uitgevoerd (rapport 51007211, d.d. 11 mei 2022 & rapport 51007211, d.d. 11 mei 2022). Uit het verkennend natuuronderzoek is gebleken dat, om de effecten van de ingreep volledig te kunnen toetsen aan de Wet natuurbescherming er meer informatie benodigd was ten aanzien van de das. Functie planlocatie voor beschermde soorten Op 80 meter afstand van de planlocatie is een kraamburcht van de das gelegen. De planlocatie behoort tot het essentiële foerageergebied van de dassenfamilie die deze burcht bewoont. Daarnaast zijn in de directe omgeving van de planlocatie mogelijk vliegroutes en verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig. Conclusie Ten aanzien van de dassenfamilie welke gebruik maakt van de planlocatie om te foerageren, dient compensatiegebied ingericht te worden.

Van de 11,6 hectare bestaat 9,5 hectare van het plangebied in de huidige situatie uit optimaal geschikt foerageergebied voor de das. De overige 2,1 hectare omvat suboptimaal geschikt foerageergebied. Voor het verwijderen van optimaal geschikt foerageergebied geldt een compensatiefactor van 120%; voor het verwijderen van suboptimaal geschikt foerageergebied een compensatiefactor van 50%. Dit komt neer op een totale compensatieopgave van 12,45 hectare, indien de gehele planlocatie verdwijnt en niet kan worden ingezet voor inrichting voor de das (worst-case scenario). De compensatie dient voornamelijk plaats te vinden op gronden die in de huidige situatie nog niet optimaal geschikt zijn voor de das, en in de directe omgeving van de dassenburcht liggen (binnen 500 meter). Daarnaast kan optimaal geschikt foerageergebied verder geoptimaliseerd worden door het toevoegen van landschapselementen zoals fruitbomen en houtwallen en zo een bijdrage leveren aan de compensatieopgave. Afhankelijk van de mogelijkheden in het ontwerp wat betreft verlichting, inrichting en beheer, dient de berekening van de compensatieopgave aangepast te worden en zal deze mogelijk lager uitvallen. Deze maatregelen, omschreven in een activiteitenplan, dienen ter goedkeuring te worden voorgelegd aan de provincie Gelderland, middels een ontheffingsaanvraag.

Ten aanzien van potentiële vliegroutes en verblijfplaatsen van vleermuizen, dient een verlichtingstoename te worden voorkomen. Hierbij is het noodzakelijk om afschermende maatregelen te treffen, zoals een extra bomenrij of houtwal tussen de betreffende bomen en de planlocatie. Daarnaast wordt geadviseerd om een lichtsimulatie op te laten stellen van de toekomstige situatie, en deze door een deskundig ecoloog te laten beoordelen. Indien het niet mogelijk is om potentiële verblijfplaatsen en vliegroutes voor vleermuizen duurzaam te behouden dan is alsnog aanvullend ecologisch onderzoek naar vleermuizen benodigd. Econsultancy 14 juli 2023

19811.002 versie D1

15 / 15

8

GERAADPLEEGDE BRONNEN

BIJ12 (2017). Kennisdocument das. Opgehaald van https://www.bij12.nl/assets/BIJ12-2017-003-Kennisdocument-Das-1.0.pdf. Limpens H. & Regelink J. (2017). Vleermuizen en planologie. Zoogdiervereniging, Nijmegen. Meijer, R. (zd) Strooiverlichting in natuurgebieden. Opgehaald van https://www.bugelhajema.nl/bestanden/downloads/20-24-Strooilicht-4-13.pdf. Ministerie van Economische Zaken (2016). Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Lees hier wat de Wet natuurbescherming daarover regelt. Versie 1.3, december 2016. Ministerie van Economische Zaken, Den Haag. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (z.d.). Natura 2000 gebieden. Geraadpleegd op 14 juli 2023. van https://www.natura2000.nl/gebieden. Sweco (2022, 11 mei). Verkennend natuuronderzoek. 51007211. Sweco, Arnhem Sweco (2022, 11 mei). Compensatieopgave das en GO. 51007211. Sweco, Arnhem. Wet natuurbescherming (2022, 8 maart). Opgehaald van: https://wetten.overheid.nl/BWBR0037552. Zoogdiervereniging (z.d.). Zoogdiersoorten. Geraadpleegd op 8 maart 2022 van: https://www.zoogdiervereniging.nl/zoogdiersoorten.

Verklarende woordenlijst Activiteitenplan Een activiteitenplan dient als begeleidend document voor een ontheffingsaanvraag. In het activiteitenplan zijn maatregelen verwoord waarmee de functionaliteit van een rust- of voortplantingsplaats van een beschermde soort behouden blijft en schade aan individuen wordt voorkomen. Broedseizoen Voor het broedseizoen staat in de wet geen vaste periode. De looptijd verschilt per soort en varieert per jaar. Veel vogelsoorten broeden ongeveer tussen 15 maart en 15 augustus. Expert Judgement Inschatting van een deskundige op grond van zijn kennis en ervaring. Externe werking Niet alleen activiteiten in een Natura 2000-gebied/NNN hebben invloed op de staat van instandhouding van het gebied, ook activiteiten buiten het gebied kunnen de natuurwaarden in een gebied beïnvloeden. Dit wordt "externe werking" genoemd. Er bestaat geen ruimtelijke grens voor externe werking: bepalend zijn de effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van de soorten en habitattypen in het Natura 2000-gebied/NNN, ongeacht de afstand tot het beschermde gebied. Foerageerhabitat Het gebied waarbinnen een soort voedsel zoekt. Foerageren Zoeken en vinden van voedsel door dieren (jachtgebied). Functioneel leefgebied Hiermee wordt het gebied dat is benodigd om de functionaliteit van een voortplantingsplaats of van een vaste- rust of voortplantingsplaats te behouden.

Een nestlocatie of voortplantingsplaats kan bijvoorbeeld alleen succesvol functioneren, wanneer er voldoende habitat (schuilgelegenheid, voedsel etc.) van voldoende kwaliteit aanwezig is om te kunnen paren, eieren te leggen en jongen groot te brengen. Gunstige staat van instandhouding Er is sprake van een gunstige staat van instandhouding van een soort of habitattype als de omstandigheden waarin de soort of het habitattype voorkomt perspectief bieden op een duurzaam voortbestaan van die soort of dat habitattype. Habitat Omvat de plaatsen waar een bepaald organisme voorkomt doordat de abiotische en biotische factoren (niet levende en levende natuur) van die plaatsen voldoen aan de eisen en toleranties die het organisme stelt om te kunnen overleven, groeien en zich voortplanten. Kraamverblijfplaats Voortplantingsplaats van vleermuizen. Het gaat hierbij vaak om de vrouwelijke exemplaren van een kolonie (ook wel kraamgroep genoemd) die gezamenlijk hun jongen grootbrengen. De aantallen vleermuizen in een kraamgroep kan oplopen tot meerdere honderden exemplaren. Landhabitat Amfibieën zijn voor de voortplanting afhankelijk van water. Buiten de voortplantingsperiode maakt de soortgroep gebruik van landhabitat als onderdeel van het leefgebied.

Landhabitat voor amfibieën omvat onder andere structuurrijke of opgaande vegetatie zoals (loof)bos, houtwallen, struikgewas, heide, ruigtekruiden, vegetaties en moeras. Landschappelijk inpassingsplan Het inpassen van ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied middels een ontwerp van de groenvoorziening, dat voldoet aan het beleid ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit. Hierdoor wordt zorg gedragen dat een ruimtelijke ontwikkeling past in het landschap.

Mitigerende maatregelen Maatregelen die negatieve effecten bij een ingreep voorkomen of reduceren. Omgevingscheck Een omgevingscheck wordt uitgevoerd bij verlies van leefgebied van een jaarrond beschermde functie van een soort die door een ingreep (tijdelijk) verloren gaat. De omgeving van de ingreep wordt door een ter zake deskundige beoordeeld op aanwezigheid van voldoende alternatief leefgebied en/of potentiële verblijfplaatsen. Ontheffing De Wet natuurbescherming is bedoeld om planten- en diersoorten die vrij in het wild leven te beschermen. Om deze kwetsbare soorten te beschermen bevat de Wet natuurbescherming een aantal verbodsbepalingen. Onder bepaalde voorwaarden mogen de activiteiten wel doorgaan, daarvoor kan een ontheffing benodigd zijn. Een ontheffing is een besluit waarbij in een individueel concreet geval een uitzondering op een wettelijk verbod wordt gemaakt. Paarverblijfplaats Dit is een verblijfplaats die hoofdzakelijk in het najaar (september/oktober) door vleermuizen worden gebruikt om te paren. Eén mannetje kan een dergelijke verblijfplaats met meerdere vrouwtjes delen. In de omgeving van de paarverblijfplaats wordt veelal door het territoriale mannetje middels baltsvluchten getracht vrouwtjes aan te lokken.

Populatie Een biologische populatie is een groep individuen van dezelfde soort die zich onderling voortplant en als zodanig geïsoleerd is van andere zulke groepen. Rode Lijst Rode Lijsten laten zien welke soorten zijn verdwenen en welke soorten in een gebied sterk zijn achteruitgegaan of zeldzaam zijn. Er bestaan verschillende Rode Lijsten. Voor vogels, voor zoogdieren, planten, paddenstoelen, insecten en voor allerlei andere soortgroepen. Rode Lijsten hebben geen officiële juridische status. Plaatsing op de lijst maakt een dier dus nog geen 'beschermde diersoort' in de zin van de Wet natuurbescherming. De Rode Lijsten hebben in de praktijk wel een belangrijke signaleringfunctie. Door de Rode Lijst te raadplegen, kunnen alle instellingen die met natuurbehoud te maken hebben rekening houden met bedreigde soorten. Significant negatief effect Een effect is in het kader van de Wet natuurbescherming significant als de instandhoudingsdoelen van het Natura 2000-gebied dreigen te worden aangetast. Het begrip 'significant' staat centraal in de toepassing van het beschermingsregime voor Natura 2000-gebieden bij zowel vaststelling van beheerplannen als de vergunningverlening. Het bepaalt of een uitvoerige toetsing, een zogenaamde passende beoordeling, moet worden uitgevoerd.

Indien als gevolg van een ingreep de toekomstige oppervlakte habitat of leefgebied, aantal van een soort of kwaliteit van een habitat lager zal worden dan zoals bedoeld in de instandhoudingsdoelstelling, dan kan sprake zijn van significante gevolgen. Voor het goede begrip, de soorten hoeven er niet te zitten, het gebied moet geschikt zijn voor de soorten. Voortplantingsplaats of rustplaats Een plek binnen het leefgebied van een soort die essentieel is voor de levenscyclus van een individu. De Wet natuurbescherming omschrijft niet exact wat een vaste rust- of voortplantingsplaats is. Dit is soortafhankelijk. Vliegroute Een vaste route die door vleermuizen wordt gebruikt tussen de verblijfplaatsen naar foerageergebieden. Winterverblijfplaats Verblijfplaats die gebruikt wordt om de periode van winterrust te overbruggen. Voor vleermuizen zijn dit vorstvrije, maar koele en vochtige plekken. Er kans sprake zijn van massaverblijfplaatsen, verblijfplaatsen van kleine groepen of één of enkele individuen. Zomerverblijfplaats Buiten de kraamperiode worden deze door groepjes vrouwtjes en jongen gebruikt, in de kraamperiode door individuele mannetjes.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13475082/1