Bijlage VI Quickscan Wnb
Tekst van het document
O BLOM eye) ele] 2
— awe
Quickscan Wet natuurbescherming Oude Kleefsebaan 1-3 te Overasselt
—_—>
O}ar=Yaresla=yaremelatel-e-4el-1,q-Toxe) (ele][=mlam al=)mse-\e[-1mnvz-]anel-m i\A-vemare1a0l0 ls ox-s<volal-Yaaaliare)
blomecologie.nl
ae
ee
rs
Colofon
Status:
Definitief
Project:
2023-0529
Datum:
2 juni 2023
Samensteller:
Projectleider:
Opdrachtgever:
ManRo Adviesbureau Ruimtelijke Ordening
Contactpersoon:
Disclaimer
Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V. Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld.
i
C)
=
BLOM
i
) ECOLOGIE
Inhoud 1 Inleiding
&
1.1
Planlocatie
5
1.2
Beoogde ruimtelijke ingreep
7
2 Methode
8
2.1
Uitvoering onderzoek
8
2.2
Soortenbescherming
8
2.3
Gebiedsbescherming
10
2.4
Houtopstanden
11
2.5
Houdbaarheid en toepassing
1
3 Beoordeling
12
3.1
Soortenbescherming
12
3.2
Gebiedsbescherming
20
5:3
Houtopstanden
21
4 Samenvatting
22
4.1
Soortenbescherming
22
4.2
Gebiedsbescherming
22
4.3
Houtopstanden
22
5 Conclusie
23
5.1 5.2
Conclusie Uitvoerbaarheid
23 23
5.3
Vervolgstappen
23
5.4
Te treffen maatregelen
23
===
OW BLOM ECOLOGIE
1 Inleiding Aan de Oude Kleefsebaan 1-3 te Overasselt is een perceel gelegen waarop twee woning, een bedrijfspand en een aangelegde tuin zijn gesitueerd. De initiatiefnemer is voornemens het bedrijfspand op de planlocatie te slopen ten behoeve van de realisatie van 3 nieuwbouwwoningen. De groenstructuren zullen zo veel mogelijk behouden blijven, maar kap kan op voorhand niet volledig worden uitgesloten. Het bestemmingsplan voorziet niet in de beoogde ruimtelijke ingreep en dient derhalve te worden gewijzigd van ‘Bedrijf’ naar ‘Wonen’. De beoogde ruimtelijke ingreep heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna
(soortenbescherming),
beschermde
natuurgebieden
(gebiedsbescherming) en/of
beschermde
houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ruimtelijke ingreep geldt de wettelijke verplichting
onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten
van de ruimtelijke ingreep daarop.
ManRo Adviesbureau Ruimtelijke Ordening begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde soorten, gebieden en houtopstanden. Vervolgens wordt getoetst of de beoogde ruimtelijke ingreep uitvoerbaar is in het kader van de Wet natuurbescherming en/of provinciaal beleid. Onderzoeksdoelen
e
e
e
e e
ls het bestemmingsplan dat wordt opgesteld voor het project zoals hiervoor omschreven
uitvoerbaar zoals het bepaalde in de Wro (art. 3.1.6 Bro)? Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie en welke negatieve effecten kunnen optreden als gevolg van de
beoogde ruimtelijke ingreep?
Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van provinciaal aangewezen beschermde gebieden? Leidt de beoogde ruimtelijke ingreep tot kap van houtopstanden zoals bedoeld in de Wet natuurbescherming? Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming en/of provinciaal aangewezen beschermde gebieden te worden genomen, en Zoja, welke?
hag
ag
= ——
|
]
Figuur1.1
~
\ \E
|
[
NE.
DK
i wet
——_—_}
i—__
ee
XN =
j
1
we
xe
< j
|
De pianlocatie is gelegen aan de Oude Kleefsebaan 3 te Overasselt.
a
OO ECOLOGIE BLOM
1.1.
Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Oude Kleefsebaan 1-3 te Overasselt (figuur 1.2). Er zijn twee woningen op het perceel aanwezig: een aan de noordwestelijke kant en een aan de zuidoostelijke kant van het perceel. Hiertussen ligt een bedrijfspand welke momenteel als fotostudio in gebruik is. De fotostudio is opgetrokken uit gemetselde muren en een dak bedekt met golfplaten in Mansarde-stijl. Eris een glazen serre aangebouwd aan de noordzijde van het pand. De planlocatie bestaat verder uit twee verharde
opritten en een aangelegde en goed onderhouden (moes)tuin met aangelegde vijver. In figuur 1.3 en bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan. Legenda
Valkstraat
[J Planiocatie
:
(HE) Slopen
use
\
| Figuur 1.2
A De planilocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Oude Kleefsebaan 1-3 te Overasselt.
De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door woningen, groenstructuren en agrarische percelen. Op circa 340 m ten zuiden van de planlocatie is rivier de Maas gelegen. Snelweg de A73 ligt circa 3 km ten oosten van de planlocatie. Natuurgebied de Hatertse en Overasseltse Vennen ligt op circa 2,1 km ten noorden van planlocatie.
en oe BLOM ECOLOGIE
BG ea
it
he
Se oe
4
le as
£ ay 3
y
» a
c
(8.
- |AllytH i {
\
Qe ae eee
| \S =
on J ae ee iad
’
4
Fy
iy
=
Cy
My
;
bie
.
Be a Fe
eo
ie Soe
Figuur 1.4
as
oy
re.
i
ae
es.
A
pee
sh; ne
:
pe ie rae
ee
Bee RS, our Ley
a
=
é
yak oe
Pr ie om opp RO eae x aNwe
:
=
ef ’
we
a
pa ee xX: :
Le
Pe Me
Op de planiocatie is men voornemens om het bedrijfspand te slopen.
a
=
a
|
oe
x
—
|
Zs
i
Figuur 1.3
iGo iy
ge
ai}
eee
oe
d
eee
7
|
:
A
ea
See
; ls
kek a
j
“2
;
§
5
:
er
‘ —— ie: ie was
4
: Py: o
=a 7
Ree
an
ee
$ ge
io ee eS
L,
;
Sos
ae " .
:
:
Sa Sey SS
*
2
sos
Se.
Fotografische indruk van de omgeving van de planlocatie.
6
RSs
1.2
Beoogde ruimtelijke ingreep
De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de sloop van een bedrijfspand ten behoeve van de realisatie van
drie woningen. Defunctie van het perceel dient te wijzigen van ‘Bedrijf’ naar ’Wonen’. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: e e e e e
slopen van bebouwing: algemene sloopwerkzaamheden en afvoer sloopmateriaal; kappen van bomen: kapwerkzaamheden en afvoer hout; verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden;
e revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden. (Nieuwe woning voor eigen bewoning
Bestaande bebouwing behouden Bestaande begrosiing behouden
ae
\
j ©)
;
—¥
{ ~) ,Vaan
O
4 ve
IpipiL__
iPiPy
~
x
\
a
>
| am i vs J
tf, C
:
@
a
\
ipl vis Seg:
PIPI ol
;
or ae
= ——t 4 =
-cee ] | 3 W\ 5 Sen y ( } Terug te brengen straat
Nieuwe woning senioren
Figuur1.5
an
—
get ;| To
‘
poe allel [| 7ioole |S
( Sewa|/>
we
¥
Nieuwe woning jong gezin
=
x
Bestaande inrit behouden
Visuele representatie van de beoogde situatie (bron: ManRo Adviesbureau Ruimtelijke Ordening).
DW BLOM
Dit oriénterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. De reikwijdte bestaat uit de Wet natuurbescherming en de provinciale omgevingsverordening.
2.1
Uitvoering onderzoek
Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Op basis van dit veldbezoek wordt een inschatting gemaakt omtrent de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 16 mei 2023 en is
uitgevoerd door
EEE EE MSc en
De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek
waren; droog, 6/8 bewolkt, 14° Celsius en windkracht 4 (Bft).
Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Databank Flora en
Fauna (NDFF). In NDFF wordt normaliter hierbij een straal van 2 km aangehouden rondom de
planiocatie. Afhankelijk van het karakter en ligging van de planlocatie kan een afwijkende afstand aangehouden worden. Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op
en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.
2.2
Soortenbescherming
De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten
(Wnb art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (Wnb art. 3.5) en Andere soorten (Wnb art. 3.10). Hierin worden
rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij overtreding van een verbodsbepaling geldt een ontheffingsplicht.
Vogelrichtlijn (Wnb art. 3.1) 1.
Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eijeren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben.
4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.
Habitatrichtlijn (Wnb art. 3.5) 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage | bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen.
Ov ied
BLOM ECOLOGIE
5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage | bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Andere soorten (Wnb art. 3.10)
1.
Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. inhet wild levende zoogdieren, amfibieén, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Vogelrichtlijn Onder de Vogelrichtlijn zijn alle in gebruik ziinde nesten en broedgevallen van vogels beschermd. Het is van alle vogelsoorten verboden om nesten te beschadigen of te vernielen. Daarnaast gelden onder provinciale aanwijzingen categorieén waarin de nesten en rustplaatsen van specifieke vogelsoorten jaarrond bescherming genieten, dus ook in de periode dat deze niet in gebruik zijn. Rustplaatsen zijn conform de Richtsnoeren van de Europese Commissie gedefinieerd als zijnde essentiéle zones voor het bestaan van een dier of groep van dieren wanneer ze niet-actief zijn. Tabel 2.1
Vogelsoorten onder categorie 1 t/m 4: nesten en rustplaatsen jaarrond beschermd. Vogelsoorten onder categorie 5: nesten enrustplaatsen jaarrond beschermd, indien er sprake is van ecologisch zwaarwegende redenen.
Boomvalk Buizerd Gierzwaluw
Grote gele kwikstaart
Havik Huismus Kerkuil
Oehoe
Ooievaar Ransuil Roek
Sperwer Steenuil Wespendief
Blauwe reiger Boerenzwaluw Bonte vliegenvanger
Ekster Gekraagde roodstaart Glanskop
Kleine bonte specht Kleine vliegenvanger Koolmees
Tapuit Torenvalk Zeearend
Raaf Ruigpootuil Spreeuw
Zwarte specht
Boomklever Boomkruiper Bosuil
Brilduiker Draaihals Eider
Grauwe vliegenvanger Groene Specht Grote bonte specht Hop Huiszwaluw lJsvogel
Slechtvalk
Kortsnavelboomkruiper Oeverzwaluw Pimpelmees
Zwarte wouw
Zwarte kraai Zwarte mees Zwarte roodstaart
Provinciale vrijstelling Van de verboden als bedoeld in Andere soorten Wnb art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of vaste rustplaatsen voor bepaalde soorten.
Voor alle soorten in Nederland geldt dat er sprake is van een algemene zorgplicht (Wnb art. 1.11). Hierin
wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moeten worden. Het uitgangspunt van de algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen.
9
EEE
OW BLOM ECOLOGIE
In de Omgevingsverordening van de Provincie Gelderland is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel2.2
Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Gelderland.
Aardmuis
Gewone bosspitsmuis
Ondergrondse woelmuis
Bastaardkikker
Gewone pad
Ree
Bosmuis
Haas
Rosse woelmuis
Bruine kikker
Huisspitsmuis
Tweekleurige bosspitsmuis
Dwergmuis
Kleine watersalamander
Veldmuis
Egel
Meerkikker
Woelrat
Dwergspitsmuis
2.5
Konijn
Vos
Gebiedsbescherming
In Nederland zijn natuurgebieden aangewezen met een beschermde status. Deze natuurgebieden betreffen hoofdzakelijk Natura 2000-gebieden en provinciaal beschermde gebieden. Natura 2000-gebieden Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist. Met de Voortoets wordt bepaald of de plannen mogelijk negatieve effecten hebben op de doelstellingen van Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden dient een vergunning voorhanden te zijn. Provinciaal beleid
Onderstaande teksten zijn gebaseerd op de meest recente versie van de Omgevingsverordening. Gelders Natuurnetwerk
Binnen het Gelders Natuurnetwerk geldt het ‘nee, tenzij’-principe. Het uitgangspunt is dat een bestemmingsplan geen nieuwe activiteiten mogelijk maakt die de kernkwaliteiten, oppervlakte of samenhang van het Gelders Natuurnetwerk aantasten. Uitzonderingen hierop betreffen ruimtelijke ontwikkelingen met een groot openbaar belang waarbij er geen reéle alternatieven zijn. Bij aantasting van de kernkwaliteiten, opperviakte of samenhang geldt een compensatieplicht. Groene Ontwikkelingszone Een nieuwe ontwikkeling in de Groene Ontwikkelingszone is toegestaan als uit onderzoek blijkt dat de kernkwaliteiten of ontwikkelingsdoelen per saldo en naar rato van de ingreep worden versterkt en de samenhang niet verloren gaat. Deze onderbouwing dient te worden vastgelegd in een versterkingsplan. Weidevogelgebied Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op weidevogelgebied laat de realisatie van een nieuwe windturbine of nieuw zonneveld niet toe. Een andere nieuwe activiteit of ontwikkeling is enkel toegestaan als deze geen nadelige gevolgen heeft voor de functie als broedgebied voor weidevogels.
Ganzenrustgebied Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een ganzenrustgebied laat een nieuwe activiteit of ontwikkeling alleen toe als uit onderzoek blijkt dat deze activiteit of ontwikkeling wordt uitgevoerd op een locatie waar de nadelige gevolgen voor de functie als rustgebied voor overwinterende ganzen zoveel mogelijk worden beperkt, en na uitvoering minimaal 500 hectare in het betreffende ganzenrustgebied overbiijft.
10
aa
ot BLOM ECOLOGIE
Beschermingszone natte landnatuur Natte landnatuur is natuur die direct afhankelijk is van de grondwatersituatie ter plaatse. Een bestemmingsplan voor gronden gelegen in een beschermingszone natte landnatuur maakt geen functies mogelijk die significant nadelige effecten kunnen hebben op de instandhouding van de natte landnatuur. Uitzonderingen hierop betreffen ruimtelijke ontwikkelingen met een groot openbaar belang waarbij er geen reéle alternatieven zijn.
2.4
Houtopstanden
Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken,
hakhout of griend, met een opperviakte van 1000 m? of meer, of een rijoeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant teworden.
Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft (Wnb art. 4.1):
a) houtopstanden binnen de door gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden;
d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, niet ouder dan twintig jaar;
e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en(3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.
2.0
Houdbaarheid en toepassing
De beoogde ruimtelijke ingreep wordt getoetst aan de actuele wetgeving en provinciale verordening. Over het algemeen heeft een quickscan Wet natuurbescherming een houdbaarheid van 3 jaar, mits binnen deze periode de omstandigheden op de planlocatie, de wetgeving en de provinciale verordening niet wezenlijk veranderen.
11
en ECOLOGIE BLOM
35 Beoordeling 3.1
Soortenbescherming
Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ruimtelijke ingreep. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiéle aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt. Planten
Binnen een straal van 2 km van de planlocatie is het voorkomen van beschermde planten niet bekend (NDFF 2013-2023). De planlocatie bestaat uit bebouwing, verharding en een aangelegde, goed onderhouden tuin die gedeeltelijk is ingericht als moestuin. Ter plaatse van de planlocatie is slechts sprake van inheemse of aangeplante planten zonder beschermde status. Enkele waargenomen soorten betreffen: blauwe regen, doorgroeide duizendknoop, druif, hulst, judaspenning, margriet, paardenbloem, reuzenberenklauw, stinkende gouwe, vergeet-mij-nietje en vingerhoedskruid. Rondom de bebouwing en op beide inritten op het perceel is verharding in de vorm van klinkers aanwezig. Op de muren van de
bebouwing is geen (beschermde) muurvegetatie aangetroffen. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek, voor zover deze zichtbaar zijn gedurende de winterperiode. Hiermee kan worden uitgesloten dat er sprake is van het opzettelijk vernielen van beschermde planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied. Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende zoogdieren: aardmuis, bever, bosmuis, bruine rat, bunzing, das, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, haas, hermelijn, huismuis, huisspitsmuis, konijn, mol, ree, rode eekhoorn, rosse woelmuis, steenmarter, veldmuis, vos, wezel, wild
zwijn, woelrat en wolf (NDFF 2013-2023). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: bever, bunzing, das, hermelijn, rode eekhoorn, steenmarter, wezel, wild zwijn en wolf.
Bevers leven in het overgangsgebied tussen water en land: moerassen, langs beken, rivieren, meren en kanalen. De aanwezigheid van goed bereikbare bomen en struiken op de oever is een vereiste. Op de planlocatie ontbreekt het aan een dergelijk geschikte combinatie van habitat. Aanwezigheid van de bever op de planlocatie wordt derhalve uitgesloten. De bunzing, hermelijn en wezel behoren tot de kleine marterachtigen. Gezien deze soorten kwetsbaar zijn tijdens het foerageren maken ze veel gebruik van elementen die de soort dekking geven. Voorbeelden hiervan zijn laanvormige bosschages, braamstruwelen, ruige vegetatie, takkenhopen en stenenstapels. Op de planlocatie is aan de oostzijde een verharde oprit aanwezig met aan weerskanten een bomenrij en onderbegroeiing, welke dekking bieden aan kleine marterachtigen. Deze elementen blijven zoveel mogelijk behouden in de beoogde ingreep. Het voorkomen en passeren van kleine marterachtigen op de planlocatie is niet uitgesloten. Echter, er zijn diverse uitwijkmogelijkheden in de directe omgeving en daarnaast zal in de beoogde ingreep zo min mogelijk wordt ingegrepen in de bestaande groenstructuren, Er zijn verder geen verblijfplaatsen van kleine marterachtigen, zoals steenhopen of konijnenholen, in het plangebied aangetroffen.
Van aantasting van essentieel leefgebied of nestplaatsen van de bunzing, hermelijn en wezel worden daarom uitgesloten. Mogelijk is er wel sprake van tijdelijke verstoring tijdens de bouwfase. 12
y
eee
C)
BLOM
A ECOLOGIE
De das leeft in gegraven holenstelsels in bosranden, houtwallen, brede heggen of op hellingen. Daarbij is het belangrijk dat er gras- en akkerland en water in de buurt aanwezig zijn. Daarnaast heeft de das een voorkeur voor gebieden die weinig verstoor worden. De planlocatie bestaat uit twee woningen, een bedrijfspand en een aangelegde tuin. Voor deze soort ontbreekt het aan geschikt habitat en treedt er te veel verstoring op. Aanwezigheid van de das op de planlocatie kan daarom worden uitgesloten. De rode eekhoorn heeft een voorkeur voor loofbos en naaldbos, maar komt ook voor in parken,
houtwallen en in de buurt van bos (Zoogdiervereniging eekhoorn, 2023). De soort kan ook voorkomen in bebouwd gebied, mits er voldoende voedsel aanwezig is in de vorm van eikels, noten en zaden. De rode eekhoorn maakt zijn nest in hoge bomen of in boomholtes. Op de planlocatie zijn diverse bomen aanwezig. Deze zullen zo min mogelijk worden aangetast, al is kap niet volledig uit te sluiten op voorhand. In de bomen zijn geen nesten van rode eekhoorns of holtes aangetroffen. De planlocatie staat in verbinding met een bomenrijk gebied aan de oost- en Zuidzijde waardoor diverse uitwijkmogelijkheden zijn. Het is dan ook niet uit te sluiten dat rode eekhoorns de planlocatie incidenteel passeren. Echter, van aantasting van essentieel leefgebied van de rode eekhoorn is in de beoogde ingreep geen sprake. De steenmarter heeft een voorkeur voor een kleinschalig parklandschap. De soort wordt met name aangetroffen in en nabij steden en dorpen. Steenmarters hebben een voorkeur voor steenachtige biotopen en schuilplaatsen, zoals rotsige hellingen en gebouwen. De aanwezigheid van elementen zoals groenstroken, heggen, greppels en bermen zijn van belang omdat ze dienen als foerageer- en jachtgebied. Dergelijke elementen zijn aanwezig rondom de oprit aan de oostzijde van het perceel, maar zullen in de beoogde ingreep zoveel mogelijk behouden blijven.
Rondom het bedrijfspand zijn geen prooiresten of uitwerpselen aangetroffen van de steenmarter. Daarnaast is de bebouwing zelf ook niet toegankelijk voor steenmarters, door het ontbreken van geschikte openingen. De aanwezigheid van verblijfplaatsen van de steenmarter op de planlocatie is derhalve uit te sluiten. Het is niet uit te sluiten dat steenmarters incidenteel de planlocatie passeren. Echter, van aantasting van essentieel leefgebied van de steenmarter is in de beoogde ingreep geen sprake.
Wilde zwijnen hebben een duidelijke voorkeur voor eiken- en beukenbossen, omdat hier voldoende voedsel te vinden is. Een voorwaarde die de soort stelt, is de aanwezigheid van natte/moerassige
plaatsen, waar ze in zogenaamde ‘zoelen’ modderbaden kunnen nemen. Op de planlocatie ontbreekt het
aan dergelijk geschikt habitat, waardoor aanwezigheid van het wild zwijn wordt uitgesloten.
Wolven in een roedel hebben een territorium van 150 tot 350 vierkante kilometer, waar zij jagen op voornamelijk herten en reeén. Als wolven jongen hebben verblijven zij vaak in een hol onder boomwortels. Wolven zijn zeer gevoelig voor verstoring. Door de afwezigheid van geschikt en onverstoord leefgebied is het voorkomen van de wolf op de planlocatie uitgesloten.
Tijdens
het
veldbezoek
zijn
geen
sporen
aangetroffen
van
(beschermde)
zoogdieren.
Door vorengenoemde is het uitgesloten dat er sprake is van een essentiéle functie op de planlocatie voor soorten van de Habitatrichtlijn en niet vrijgestelde andere soorten. De planlocatie heeft enkel mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name bosmuis, bruine rat, egel, huismuis, huisspitsmuis en mol. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Op en rondom de planlocatie zijn geen holen, nesten of sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de Omgevingsverordening van de
provincie vallen (zie Wnb art. 3.10). Er is ten aanzien van grondgebonden zoogdieren geen sprake van
overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming.
13
)
ee
BLOM
ey
on ECOLOGIE
Vieermuizen
Binnen een straal van 2 km is het voorkomen bekend van de volgende vleermuissoorten: gewone
dwergvleermuis, gewone grootoorvieermuis, laatvlieger en meervieermuis (NDFF 2013-2023). Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vieermuizen als Habitatrichtliinsoorten
beschermd (Wnb art. 3.5). Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude)
gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vieermuishabitat. Ongeacht de mogelijke aanwezigheid van vieermuisverblijfplaatsen kunnen vleermuizen gebruikmaken van de_ planlocatie tijdens vliegbewegingen en foerageeractiviteiten. Hier dienen in het kader van de algemene zorgplicht
mogelijk maatregelen genomen te worden (zie H5.4).
Op de planlocatie zijn alle bomen geinspecteerd op de aanwezigheid van boomholten, loshangende bastdelen, scheuren, spleten of andere openingen welke kunnen dienen als verblijfplaats. In de bomen op en nabij de planlocatie zijn geen boomholten of andere potentiéle verblijfplaatsen aangetroffen. Daarnaast blijven de bestaande groenstructuren zo veel mogelijk behouden in de beoogde ruimtelijke ingreep, al is kap niet volledig uit te sluiten op voorhand. De ontwikkeling resulteert derhalve niet in het wegnemen van verblijfplaatsen van boombewonende vieermuizen. De te slopen bebouwing is nauwkeurig geinspecteerd op de aan- dan wel afwezigheid van potentiéle verblijfplaatsen en geschikte invliegopeningen. Alle gevels en daken van de betreffende bebouwing zijn gecontroleerd op eventuele openingen als open stootvoegen, kierende daklijsten, scheefliggende dakpannen, ontbrekende specie en overige gevelafwerkingen die vieermuizen toegang kunnen verlenen tot een open dakruimte en/of spouwmuur. Een dergelijke verblijfplaats moet voldoen aan een
geschikt microklimaat, met een constante (lage) temperatuur, een hoge luchtvochtigheid en weinig
invioed van weersomstandigheden. Het bedrijfspand bestaat uit gemetselde muren met open luchtspouw en lage open stootvoegen. Het dak bestaat uit golfplaten in Mansarde-stijl met daaronder dakbeschot. Rondom het dak is een overstek aangebracht. Via diverse openingen in de overstek kunnen
vleermuizen toegang krijgen tot de dakruimte danwel luchtspouw (figuur 3.1).
a\ . = a
\
q
q
S \ \
Figuur 3.1
A\
Wh,
Openingen rondom de overstek bieden vieermuizen openingen die leiden kunnen leiden naar de luchtspouw en/of dakruimte.
14
ee:
OW ECOLOGIE BLOM
Door bovengenoemde is het mogelijk dat de beoogde ruimtelijke ingreep resulteert in het wegnemen van vileermuisverblijfplaatsen. Gebaseerd op de bekende verspreidingsgegevens, de ligging van de
planlocatie (stedelijk gebied) en de type bebouwing is potentie voor verblijfplaatsen van de volgende
vieermuissoorten:
gewone
dwergvleermuis,
ruige
dwergvleermuis,
laatvlieger
en
gewone
grootoorvleermuis (tabel 3.1). Om aan- of afwezigheid van vleermuizen vast te stellen dient aanvullend onderzoek plaats te vinden middels veldbezoeken in de periode april-september (zie H5.3).
Naast de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of viiegroute. Ten gevolge van de beoogde ruimtelijke ingreep worden deze structuren niet aangetast.
Tabel 3.1
Samenvatting van de beoordeling van verblijfplaatsen, foerageergebied voor verschillende vieermuissoorten.
essentiéle
vliegroute
en
Vleermuissoort Gewone dwergvleermuis
Potentie Ja
Onderbouwing Geschikte openingen in bebouwing
Ruige dwergvleermuis
Ja
Geschikte openingen in bebouwing
Laatvlieger
Ja
Geschikte openingen van voldoende grootte in bebouwing
Gewone grootoorvleermuis
Ja
Planlocatie ligt aan de rand van een woonwijk en agrarisch gebied
Meervieermuis
Nee
Afwezigheid groot oppervlaktewater in de omgeving
Watervleermuis
Nee
Geen geschikte verblijfplaatsen
Rosse vieermuis
Nee
Geen geschikte verblijfplaatsen
Tweekleurige vieermuis
Nee
Buiten bekende verspreiding en afwezigheid van zeer hoge bebouwing voor paarverblijfplaatsen
Vleermuizen algemeen Massawinterverblijfplaats
Potentie Nee
Onderbouwing Geen hoge bebouwing met bufferende vermogen
Essentiele vliegroute
Nee
Geen aantasting van lijnvormige structuren
Essentieel foerageergebied
Nee
Geen aantasting van houtopstanden opperviaktewater
(gewone dwergvleermuis)
Tabel 3.2
met struweel en
Samenvatting van de potentie voor vieermuissoorten op de planiocatie.
Vleermuissoort
Zomer
Kraam
Paar
Massawinter
Gewone dwergvleermuis
Ja
Ja
Ja
Nee
Ruige dwergvleermuis
Ja
Nee
Ja
Nee
Laatvlieger
Ja
Ja
Ja
Nee
Gewone grootoorvleermuis
Ja
Ja
Ja
Nee
Amfibieén
Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieénsoorten: Alpenwatersalamander, bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, heikikker, kamsalamander, kleine
watersalamander, knoflookpad en poelkikker (NDFF 2013-2023). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Alpenwatersalamander, heikikker, kamsalamander, knoflookpad en poelkikker.
15
Se
ss
YW ECOLOGIE BLOM
De Alpenwatersalamander komt vooral voor in heidegebieden, bossen, agrarisch gebied op zandgrond, maar wordt ook aangetroffen in steden en dorpen. De soort is weinig kritisch en wordt ook aangetroffen in wateren zonder onderwatervegetatie en veel bladinval. Overwintering vindt veelal plaats op het land onder stronken, houtstappels en kleine holen. Het voortplantingswater dient vanaf de overwinterplaats goed bereikbaar te zijn. De Alpenwatersalamander is enkele malen ten zuiden van de Maas waargenomen. Daarnaast hebben er enkele waarnemingen op circa 2 km ten noordoosten van de
planlocatie plaatsgevonden (NDFF 2013-2023). Tussen de locaties van de waarnemingen en de
planlocatie bevinden zich bebouwing, wegen en rivier de Maas. Dit vorm een barriére voor de Alpenwatersalamander. Op de planlocatie wordt de tuin goed onderhouden en treden er door betreding veel verstoringen op. Geschikte vorstvrije overwinteringsstructuren zijn daardoor niet voorhanden. Wegens het ontbreken van voldoende geschikte habitatelementen kan het voorkomen van de Alpenwatersalamander op de planlocatie worden uitgesloten. Op circa 2 km ten noordoosten van de planlocatie zijn de afgelopen tien jaar meerdere heikikkers
waargenomen (NDFF 2013-2023). De heikikker is kritisch ten aanzien van het leefgebied. De drie habitattypen waar de soort gebruik van maakt (ondiep, relatief zuur, zon beschenen en voedselarm voortplantingswater; vochtige plekken in schraal, ruig gebied zoals heide, hoogveen, laagveen en
natuurlijk grasland voor in de actieve periode en vochtvrije plaatsen voor overwintering) dienen op zeer korte afstand tezamen voor te komen. Op de planlocatie is slechts sprake van een voedselrijke en
schaduwrijke vijver (figuur 3.2). Daarnaast ligt de vijver in een aangelegde en goed onderhouden tuin,
waardoor van schrale, ruige gebieden of natuurlijk grasland geen sprake is. Derhalve wordt aanwezigheid van de heikikker op de planlocatie uitgesloten. De kamsalamander is diverse malen waargenomen op circa 2 km ten noordoosten van de planlocatie
(NDFF 2013-2023). De soort wordt waargenomen in bosrijk gebied met houtwallen of struweel, parken
en landgoederen. Essentieel is daarbij de samenhang van geschikte landhabitats en geschikte watersystemen. Zo dient het voortplantingswater licht voedselrijk en beperkt beschaduwd te zijn en dienen holen, stronken en takkenstapels als verblijfplaats in de winter. Door de lage dispersierange van de kamsalamander is een netwerk van poelen en bosjes op korte afstand van belang. Op de planlocatie is een sterk voedselrijke en beschaduwde vijver aanwezig, waardoor deze ongeschikt is als
voorplantingswater voor de kamsalamander (figuur 3.2). Door de aangelegde en goed onderhouden
tuin, is er geen geschikt landhabitat aanwezig. Daarnaast is de kamsalamander op 2 km afstand van de planilocatie waargenomen, en ontbreekt het aan een geschikt netwerk van poelen en bosjes. De aanwezigheid van de kamsalamander op de planlocatie kan dan ook worden uitgesloten.
Circa 2 km ten noordoosten van de planlocatie is een populatie knoflookpadden waargenomen (NDFF 2013-2023). Het leefgebied van de knoflookpad bestaat uit rivierduinen en kleinschalig agrarisch landschap. Een absolute voorwaarde voor deze, grotendeels ondergronds levende, soort is de
aanwezigheid van open vergraafbare zandplekken omring door vegetatie (Ravon knoflookpad, 2022). Op de planlocatie is hier geen sprake van: naast bebouwing bestaat het perceel uit verharding in de vorm van klinkers en een goed onderhouden, aangelegde tuin zonder vergraafbare zandplekken. Aanwezigheid van de knoflookpad op de planlocatie wordt daarom uitgesloten. De poelkikker is in de afgelopen jaren meermaals waargenomen in de regio circa 1,8 km ten noorden van
de planlocatie (NDFF 2013-2023). Poelkikkers leven in kleinschalige, stilstaande wateren met schoon,
matig voedselrijke en zwak zure wateren. Daarbij is het van belang dat het wateren niet te sterk geéutrofieerd is en er goede verbindingszones aanwezig zijn naar andere watersystemen. Door de algengroei in de vijver op de planiocatie kan geconcludeerd worden dat er sprake is van sterke
eutrofiering (figuur 3.2). Daarnaast staat de vijver niet in verbinding met andere watersystemen. Er liggen diverse obstakels tussen de locatie waar de poelkikker is waargenomen en de planlocatie, waaronder de N846. Hierdoor, en het feit dat de poelkikker is waargenomen op een afstand van > 1 km van de planlocatie, wordt de aanwezigheid van deze soort op de planlocatie uitgesloten.
16
ee
ee
)
BLOM
on ECOLOGIE
*.
7
WP Ves eer
eae p
DN
;
Rigen VANE areas , EReee Oe
LyteatCoaty et SG: a By) .
a ants Ay
sie Pie leg Se Ss = a end aeSee Gf 4.C8 E044 SO VS te aeenee aed ee de ec a
| Vee
eer
ateel
east
ie ae gree
Po oe
oe
WA Wie| ae
= Le ile ieLS= EROS.et eee a en adie+ asae ens era reer eg tT.BaBf7 SaDy AnS
BsaeBENIN AS AP Oe hae a oe aene cee LE MK, nO gi Mr NR htUw is
Oh
ar Sia
a
RE
IS ey
ee
My
Mo
Ee
eeeh cet ae mal
i=
CE
Ae
e
Gs UR
re
e
ee
Figuur 3.2 Aangelegde vijver met overmatige algengroei aan de noordoosizijde van het perceel.
Amfibieén leven zowel in een aquatisch als terrestrische omgeving. Deze omgevingen betreffen voortplantingswater, foerageergebieden en overwinteringsstructuren. Deze habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. De planlocatie is deels verhard en bestaat deels uit een aangelegde en goed onderhouden tuin. Deze wordt intensief gebruikt, waardoor veel verstoringen optreden. Beoordeling ten aanzien van voortplantingswater, overwinteringsstructuren en foerageergebied op planlocatie. Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad voorkomen op de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen op basis van de vastgestelde provinciale verordeningen. Er is ten aanzien van amfibieén geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming.
Reptielen
Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van inheemse reptielen niet bekend (NDFF 2013-2023).
Voor alle inheemse reptielen geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Reptielen zijn over het algemeen verbonden aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen als heidevelden, bosgebied en natuurlijke oevers. Door de afwezigheid van structuurrijke biotopen en de hoge mate van menselijke verstoring is het voorkomen van beschermde reptielen binnen het plangebied uitgesloten. Er is ten aanzien van reptielen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Vissen
Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van beschermde vissoorten niet bekend (NDFF 2013-
2023).
Op de planlocatie van bevindt zich een aangelegde vijver welke naar alle waarschijnlijkheid gedempt wordt. Deze vijver is niet verbonden met externe watergangen. Hierdoor worden er geen andere vissoorten in verwacht dan mogelijke huisdieren zoals goudvissen. Er is ten aanzien van vissen derhalve geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de teunisbloempijlstaart. De
teunisbloempijlstaart is eenmaal waargenomen in 2017, circa 2 km ten zuiden van de planlocatie (NDFF 2013-2023). Het is een zwervende soort met een voorkeur voor open plekken in vochtige bossen, bosranden en warme open plaatsen.
17
Fe
On BLOM ECOLOGIE
Waardplanten zijn onder andere wilgenroosje, teunisbloem en basterdwederik. Op de planlocatie zijn geen waardplanten van teunisbloempijlstaart aangetroffen. Daarnaast worden de groenstructuren zo min mogelijk aangetast in de beoogde ruimtelijke ingreep. Derhalve zijn negatieve effecten ten aanzien van de teunisbloempijlstaart uitgesloten.
Op de planlocatie zijn gedurende het veldbezoek geen (sporen en/of delen van) beschermde vlinders, libellen of andere ongewervelden aangetroffen. Op de planlocatie zijn geen plantensoorten aangetroffen die specifiek voor een beschermde ongewervelde een waardplant vormen. Ook is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Er is ten aanzien van insecten en andere ongewervelden geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: houtduif, kauw, koolmees, merel, roodborstje, tjiftjaf en vink. Gedurende het veldbezoek zijn individuen, nesten en/of sporen niet aangetroffen van vogelsoorten met een jaarrond beschermde nestlocatie en/of leefgebied. Binnen een straal van 100 meter van de planlocatie is
vastgestelde aanwezigheid van nestlocaties van jaarrond beschermde vogels niet bekend (NDFF 20132023).
Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1t/m 4) Huismussen zijn sterk geassocieerd met mensen. De nestplaats is in de regel gebonden aan bebouwing. De huismus heeft een sterke binding met mensen en komt tot broeden in of tegen gebouwen in dorpen en steden, in en bij boerderijen, maneges, kinderboerderijen en andere vormen van bebouwing in het landelijk gebied (BIJ12 kennisdocument Huismus, 2023). De gierzwaluw heeft als oorspronkelijk rotsbewoner de rotsen ingeruild voor bebouwing. De soort broedt daardoor hoofdzakelijk in stedelijk gebied in donkere holtes van ventilatieschachten, spleten in muren en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017).
Het dak van het bedrijfspand bestaat uit golfplaten in Mansarde-stijl met daaronder dakbeschot. Door de overstek die rondom het dak is aangebracht, zijn er geen geschikte openingen voor huismussen of
gierzwaluwen aanwezig (figuur 3.3).
yy
iy
‘4
Y
4
,
y f
r
—
i)
—— =
i. 9
:
/
|! | ,
a
7,
Y
MEA LY,
Wi d Ny
-
i
Z
a
Ys, ths
Figuur 3.3 Het dak van het bedrijfspand biedt geen geschikte openingen voor huismussen of gierzwaluwen.
18
OA ECOLOGIE BLOM
Het voorkomen van nestlocaties van huismus en gierzwaluw op de planlocatie kan derhalve uitgesloten worden. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt tot zeer beperkte aantasting van groene delen en resulteert niet in afname van essentieel leefgebied van de huismus. De bebouwing is niet toegankelijk voor uilen. In en rondom de bebouwing zijn geen sporen van uilen met
jaarrond beschermde nesten (kerkuil en steenuil) aangetroffen. Er zijn geen grote nesten of horsten
aangetroffen in de bomen op en rondom de planlocatie. De aanwezigheid van in bebouwing en bomen broedende soorten als buizerd, kerkuil, steenuil, sperwer en ransuil kan uitgesloten worden. De planlocatie bestaat uit bebouwing, verharding en een aangelegde tuin. De groenstructuren zullen zo min mogelijk worden aangetast en daarnaast zijn er diverse alternatieven in de directe omgeving aanwezig. Op de planlocatie is derhalve geen sprake van functioneel leefgebied van uilen en roofvogelsoorten. Er is wat betreft vogels met jaarrond beschermde nesten geen sprake van het vangen of doden van individuen, het wegnemen van rust- of nestplaatsen, of het wegnemen van structuren die essentieel zijn in het functioneren van rust- of nestplaatsen.
Vogels - Algemene broedvogels en cat. 5 De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De struiken, bomen en bebouwing vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Aan de oostzijde van het bedrijfspand hangt een nestkastje waar ten tijden van het veldbezoek koolmezen in broeden. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de kap- en sloopwerkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geinspecteerd te worden door een ter zake deskundige.
19
re
en ECOLOGIE BLOM
5.2
Gebiedsbescherming Natura 2000
De planlocatie maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Op een afstand van circa 8,2 km ligt
het Natura 2000-gebied ‘Sint Jansberg (figuur 3.4).
Legenda
vo <a
HB Natura 2000-gebied |_--———=Wijchen
fener
-
9
Velp
horst
a
Nederassett Grave
i
Overasselt
eee ;
Malden
'
i
FT > ’
f-
ihe 2
321
Beers
a
wet
el
oad
De Horst De Horst
PV.
Sint Jansberg
ah \
I=
X = Groesbeek
y he \
pee | PR lip
Reek
bs
; :
SA
Balgoij
Overiangel
ASO Schaijk
ek came
4
|
Middelaar.
=
4
Milsbeek
A \ Sing Agatha ® A.. N
Figuur 3.4 De planiocatie ligt op een afstand van circa 8,2 km tot het Natura 2000-gebied ‘Sint Jansberg’
(bron: nationaal Georegister PDOK).
De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de sloop van een bedrijfspand en realisatie van drie nieuwbouwwoningen. Ondanks dat deze buiten een Natura 2000-gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is om te resulteren in negatieve effecten. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden. Ten opzichte van de huidige situatie leidt de beoogde ruimtelijke ingreep in de gebruiksfase tot een beperkte toename in het aantal verkeersbewegingen. De nieuwbouw zal zonder gasaansluiting in de gebruiksfase geen stikstofuitstoot hebben. Gedurende de aanlegfase kan er een beperkte en tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en bijbehorende verkeersbewegingen. Per 2 november 2022 geldt dat de algemene bouwvrijstelling onbruikbaar is en dat activiteiten van de bouwsector onderdeel moeten zijn van de beoordeling.
Gezien er sprake is van een grote afstand (8,2 km) tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura
2000-gebied en er sprake is van een ontwikkeling van beperkte omvang wordt op voorhand uitgesloten dat er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden binnen Natura 2000-gebieden. Een stikstofonderzoek middels de AERIUS Calculator kan derhalve achterwege blijven. Provinciaal aangewezen gebieden De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied betreffende het Gelders Natuurnetwerk, Groene Ontwikkelingszone, Weidevogelgebied, Ganzenrustgebied of Beschermingszone natte landnatuur. Op een afstand van circa 300 m ligt het Gelders Natuurnetwerk, de planlocatie ligt naast de
Groene Ontwikkelingszone (figuur 3.5). Op een afstand van circa 18 km ligt Weidevogelkerngebied (geen kaartmateriaal vervaardigd). Ganzenrustgebied is gelegen op een afstand van circa 12 km van de planlocatie (geen kaartmateriaal vervaardigd). Op een afstand van circa 2 km ligt de Beschermingszone
natte landnatuur (geen kaartmateriaal vervaardigd). Ten aanzien van provinciaal aangewezen gebieden geldt dat externe werking geen toetsingskader is.
20
a. BLOM ‘Y
ECOLOGIE
Legenda ——
See 8 lM Gelders NatuurnetwerkSE fans < ge & }SY H
+
MH Groene Ontwikkelingszone SPA 8 A}a “ok g be) \e..002 Ss 3
Lag
ae 99,0 ee 9= 8 a ow OS ® a ee Fi re 2 \oF & a : 1 Baas SP \ Sods b || Sa“on, EL= eee Oe 5 ont ee ate
=) oO
e
eg
=
;
og GE"
eS
ee
.
,
Lelperrust
a.
—. aia
]
a
39°
oF
a
3 Bl
ra)
7]
:
a
300m
a =
=
ZL
Figuur 3.5 De planlocatie ligt op een afstand van circa 300 m tot het Gelders Natuurnetwerk en ligt naast
de Groene Ontwikkelingszone (bron: www.glanders.planoview.nl).
3.5
Houtopstanden Wet natuurbescherming In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien aan(i) zelfstandige eenheden van bomen,
boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een opperviakte van 1000 m2 of meer of (ii) een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Een meldingsplicht in het kader van Wnb is niet noodzakelijk.
Algemene Plaatselijke Verordening Naast het landelijk en provinciaal beleid waar deze beoordeling op wordt getoetst hebben gemeenten echter vaak een eigen beleid omtrent het kappen dan wel vellen van bomen en struiken. Dit is vaak opgenomen in een Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Gemeentelijke Verordeningen mogen niet strijdig zijn met landelijk/provinciaal beleid. Het is derhalve aanbevelingswaardig om in de voorbereidende fase de bepalingen in de APV af te stemmen met de gemeente om conflicterende situaties in een later stadium te voorkomen.
:
:
m8
21
;
:
;
.
OW BLOM ECOLOGIE
4 Samenvatting 4.1
Soortenbescherming
Er dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar vieermuizen. De planlocatie is mogelijk
geschikt leefgebied voor soorten welke niet beschermd zijn (behoudens de algemene zorgplicht) en/of waarvoor een vrijstelling geldt. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn
tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart - 15 juli). Tabel 4.1
Overzicht van de Soortenbescherming. Wnb
onderzoek
art. 3.5
Ja
Planten
Grondgebonden zoogdieren
Vleermuizen
Verblijfplaats
Amfibieén
Reptielen Vissen
Insecten en andere ongewervelden
Vogels (cat. 1t/m 4) Vogels (Algemeen en cat. 5)
4.2
Gebiedsbescherming
De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of provinciaal aangewezen beschermde gebieden. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets is niet noodzakelijk. Tabel 4.2
Overzicht van beschermde gebieden in het kader van gebiedsbescherming.
Natura 2000
8,2km
Geen
Nwv.t.
Gelders Natuurnetwerk
300m
Geen
N.v.t.
Groene ontwikkelingszone
0km
Geen
N.v.t.
Weidevogelkerngebied
18 km
Geen
N.v.t.
Ganzenrustgebied Beschermingszone nattelandnatuur
4.5
12 km 2km
Geen Geen
N.v.t. N.v.t.
Houtopstanden
Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming.
|
Sue
YW BLOM ECOLOGIE
5 Conclusie 5.1
Conclusie De beoogde sloop van het bedrijfspand aan de Oude Kleefsebaan 1-3 te Overhasselt en de realisatie van drie nieuwbouwwoningen is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro).
5.2
Uitvoerbaarheid De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Er dienen enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van de algemene zorgplicht, foeragerende vieermuizen en algemene broedvogels. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient met aanvullend onderzoek te worden vastgesteld of de te slopen bebouwing een relevante functie heeft voor vleermuizen (soortenbescherming). Indien er sprake is van overtreding van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming kan bevoegd gezag onder voorwaarden een ontheffing verlenen. De voorwaarden betreffen: er is geen andere bevredigende oplossing, er is sprake van een wettelijk belang (vleermuizen: er is sprake van een reden van sociale of economische aard) en er wordt geen afbreuk gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort (een robuust en ruim maatregelenpakket van tijdelijke en permanente voorzieningen wordt hiertoe voorgesteld en uitgevoerd). Wegens het voorgaande onderzoek is er geen reden om aan te nemen dat eventueel benodigde ontheffingen, mits de juiste maatregelen worden getroffen, er sprake is van een gedegen alternatievenafweging en een wettelijk belang kan worden aangevoerd, niet verkregen zouden kunnen worden.
5.5
Vervolgstappen Voor de beoogde de sloop van de bedrijfsloods dient aanvullend onderzoek naar vieermuizen uitgevoerd te worden. Een aanvullend onderzoek naar vieermuizen wordt uitgevoerd middels minimaal vijf gerichte veldbezoeken in de periode 15 april t/m 30 september, conform het meest actuele Vieermuisprotocol
(NGB). Hiervan dienen drie rondes in het voorjaar en twee rondes in het najaar plaats te vinden. De potentie van de planlocatie voor verschillende typen verblijfplaatsen en vieermuissoorten wordt in tabel 3.1 en 3.2 uiteengezet. Er is geen sprake van aantasting van een mogelijk essentieel foerageergebied of essentiéle viiegroute.
5.4
Tetreffen maatregelen e e
e
Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en
fauna (algemene zorgplicht).
Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige.
Eventueel aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) voorafgaand aan de werkzaamheden gefaseerd verwijderen. Dit om grondgebonden dieren de kans te bieden zelfstandig de planlocatie te verlaten.
e
Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tiidens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden.
23
Ov eeepee BLOM ECOLOGIE
e
De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren
(buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vieermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtoundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). e
De kap- en sloopwerkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels
(indicatief medio maart t/m medio juli). Als dit niet mogelijk is dienen de potentiéle nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn.
24
TR
en ECOLOGIE BLOM
Bronvermelding Bouwens, 8S, 2017. Handreiking kleine marters in relatie tot soortbescherming. Zoogdiervereniging in opdracht van de provincie Noord-Brabant.
&
(RAVON) (redactie), 2009. De amfibieén en reptielen van
Nederland. -Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden.
Geraadpleegde documenten (BIJ12, 2017) Kennisdocument Das (Meles meles)
Kennisdocument Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus)
Kennisdocument Gierzwaluw (Apus apus) Kennisdocument Heikikker (fig orvalis) Kennisdocument Huismus (Passer domesticus) (2023) Kennisdocument Kamsalamander (Triturus cristatus)
Kennisdocument Poelkikker (Pelophylax lessonae) Kennisdocument Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii) Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.gelderland.maps.arcgis.com www.gldanders.planoview.nl www.nationaalgeoregister.nl www.ndff.nl www.ravon.nl
www.ruimtelijkeplannen.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuisprotocol.nl www.vlinderstichting.nl www.zoogdiervereniging.nl
Bijlage1
Bijlage2
Fotografische impressie
Vervolgstappen Wet natuurbescherming soortenbescherming
25
Ov ECOLOGIE BLOM
Bijlage 1
Fotografische impressie
eae
me
ie x
og ze
wr ys 4
P a
ye More aa. etceS Ae
4
| iy
ws aa DS flee ae
)||edt] | i|eet |i||
SAIN
Fs alae
* oa
~
Lt
~
REee
5
—
Se
sr
eee
ee
re Wig eee th
rr
Lili
ae
eee
3 oe, = Wess a =
:
-
|
3
ei eh N
Let
F
{
a ie snare
ai
~—"
ieee ae
ee
&
2
ee
Sc
s
FS
fe oS
eae
eae
7Sy
=
*
~
ete ee Re ae
Vy aR eee
ee
Fae
ee
a
a8
Z
So
J
ee
i
ge
——
2SR ee
ms Se ee oF oete ce TRS. ere =. eee pies a ae een ees eS Se e
Figuur!
De planiocatie is gelegen aan de Oude Kleefsebaan 1-3 te Overasselt en bestaat uit twee
woningen en een beadrijfspand (boven: zicht op de westzijde van het bedrijfspand met aangebouwae serre). De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de sloop van het bedrijfspand ten behoeve van de realisatie van drie woningen.
ee
e
:
:
ets 8 pet
Ps
:
sd
cones
Fai
ee be
ina SR ee
Be
:
:
>
“
;
a
:
9
SR Seo: Re ei os: oo Te
nee
—
Ae
ee ee ele Rater kt,WatebieWe: ee iey Py. : ae ae& ai ~~ =. ah ae =~ '
:
.
N ies
be ge
eee
_
9 Se
3 See saat =
Figuur2
a
ae
x
Se)0S. eee a ne? eee : ee See
os, Seee
to
‘
cdetliegh Maas SEI ec
:
or 2
haa
i
:
an
a
eal
ale
-
] a
a
OE aler
3
s ae ca
PP She
hare
“=
2
tiie eee es
—‘_Zicht op inrit aan de Valkstraat aan de oostzijde van het perceel. Deze blijft bij de huidige ingreep behouden.
26
ee ay
ee no be; a 5 » ce ta
re A
f
be Lvs oo i pa
a4
A
As
Mt. 3 ae
SEO
aM
,
rime
Ee Py Gat ee si By
.
,
: BR;
ri
Bla
a
My A
j
Rees | ARES wit {eae
Ee a
x
a
SER REV hy ig he wus
,
Figuur3
4
it
ea
~
535 a
z
SS Ye Se ee
;
Agee Conn 2—apamint
~ chee tiec AT a eels
re
Oa
Rape nN
Tee inelea
ade
2
DO
~—i
oi
|
(aSS
=
|
i
DS |sees aa]aes
icache ca
:
:
.
OE ace one Se pice
im ct eee “ie erates
a 5 e Saag
Q
oasisse
g
=
——
4
4
Bee
Sey ReAngWe
mn=
vss ae
ee
}
le
ce
ae"
SHA 8
‘ie a
pee AT SAU Ws
E 1.
Aan de oostzijde van het perceel is een goed onderhouden tuin gelegen.
y
Aas ye
WUT
—
LM
ea
mag SSta
Lighe
iar Re Soc # cates: ; : PAGE el hier RYre
Es ee
2
RRS<" ie wy TT ce.oigt 2cre mera re ea Sra
Ss
rf
a HL
a
a LLL! =
4 4
ae‘“
oS
pas eee Tmektee ge,> staging sf Sac PM NE
i fFie 5 es
Yh EMERate INC ROOOS Foor ee SSYY AIL LIE Eg
De ae
—
:
prs is
game ee Pe ne ee ere ITT] oes 5 Meh 5g emcee? oe‘a PeeWile y////!)i,! yi AIT BSA ee
acy
a? a
te ae
cane
Ai; Nin, as Sei eat Seargsspeed oor onell? oe , » ‘Spatadt gts: ARO iy 3 emia Ee rn: Cae
;
fs
eg
eee enBE eee at ta Og onght i ek a SeeaSae sem NE Mi gre s,Zoe ea
‘
my
an
= ee
r
na ee oS
ND
5
‘a eee
; se 1 bs ak .
ugha stihl Ua. 6>.1/
Se ead
b
ip
EE Bees ts MNae ae
;
SSP a ee Ete — . —t
hoe 5 y a4PS Bal ee SRSews Lrg = ae =eh y Rs a = ee =< ee Seee aie A ace a Pit nt
:=Ss
ee aa ia | oN a Feet Sore NE R ae Bae aei e| to
panne
Rts eal | ie ne it A} hs ep a ee eeee ee eA
aN
LAS
Se
PTE
WR,
bad!
Ug
ie po aa
1
i
say
2a
la
Lg
i
ee
eee
ee
ee
aia
Se
RRR tags 3 OT eee aa ge TOYS Seei aera eee eee i Ee ee ie aOe id SUES ei IM Sei 8 EE eS ea rae | oe as Bi a f i ie FN eee er Bie ke Poe pe A oe Race |Se ee fe =SOEs 3 eee Sa a eee WAG oe Bh Nice aete an SES ait hy CAT RTM SE yn Tig, 2 ET = es Ua ee OEaSayeee + ts be eiaeoo Ree nape a ea oe ee eae : ee=5 et eee ey teete Se WAN Big Oe aera Be 2oer oe ee sth Ba cg te Oe ong ene ee
be WAS ae alo / ekaQS eeRR cen ee San te. a ee Paton hime red ecgeisha a es sage ease
‘s
aS
ee ie i a aaa i
e
2
ee
=
i
a gs ear eee Oe A I ee fee eget LS ee ae — Bir gC NR ge = JS Ee oP Ss a ll ae ohOS aele Re ce Ree ates a ee A ae Oe aay Re Se
Re
Ae ee
Figuur4 = Inde tuin is een aangelegde vijver aanwezig.
27
Cs oy
ee
Bijlage2
Vervolgstappen Wnb
Als uit het oriénterend onderzoek is gebleken dat effecten op beschermde soorten naar aanleiding van de beoogde ingreep niet uitgesloten zijn, dient een vervolgonderzoek te worden uitgevoerd. Uit dit vervolgonderzoek blijkt of desbetreffende soort aanwezig is en welke functie de planlocatie al dan niet heeft voor de soort. Met onderstaand stappenplan, overgenomen uit ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’ van het Ministerie van Economische Zaken, wordt inzichtelijk gemaakt welke consequenties dit heeft voor het project.
| im
Komen er beschermde soorten voor in het gebied?
soorten. Zie paragraaf 3.1 en de bijlagen.
Geen ontheffing nodig
ja
fa ya
Let op, er zijn drie categorieén beschermde
ca A real hainells
\Vorden de verbodsbepalingen i overtreden?iP
tiger tha aersqrnat Let op,elseselkeYerbeevecelinseh categorie beschermde soorten
y= 4Let). op, elke afhankelijk van het type handeling Geen ontheffing nodig
oa 3
Vallen de handelingen onder een vrijstelling? ~
7
en de
5
Geen ontheffing nodig
A
if)
aangetroffen soorten kunnen
verschillende _—vrijstellingen gelden via bijvoorbeeld een gedragscode of provinciale
nee
verordening. Zie hoofdstuk 5.
ee fm is er een alternatieve oplossing mogelijk?
Doorloop het stappenplan ni» QE met het alternatief
a 4>
nee
Sele sprake vaneen wettelijk belang? =
Zie paragraaf soorten 6.2.b. heeft Let op,eigenelkelijstbelangen. categorie beschermde
y= G e n o n t h e f i n g m o g e l i j k ion um is er een effect op de staat van instandhouding? Geenontheffingmogelijk CX nee
Ontheffing kan onder voorwaarden worden verleend
:
Pa
28
ae
OW ECOLOGIE BLOM
Vogelrichtlijnsoort In het kader van de Vogelrichtlijn zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ruimtelijke ingreep dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De voorwaarden zijn onderstaand weergeven(conform Wet natuurbescherming art. 3.3, lid 4). Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden:
a) er bestaat geen andere bevredigende oplossing; b) zij is nodig: 1. 2. 3. 4. 5.
in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; ter bescherming van flora of fauna; voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt, of 6. om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan;