Bijlage VI bijlage toelichting flora en Fauna
Tekst van het document
BURO WAALBRUG T.a.v. dhr. R. van den Oetelaar Schoenaker 10 6641 SZ Beuningen
Datum
22 januari 2021
Kenmerk
BE/2021/010/r
Uw kenmerk
Email d.d. 6 januari 2021
Auteur(s)
ir. ing. D. de Boer
Collegiale toets
ir. ing. K.J. Rebergen
Revisie
23 februari 2021
Quickscan Wet natuurbescherming Oude Rijksweg 1 te Nederasselt Aan de Oude Rijksweg 1 te Nederasselt is een voormalig agrarisch bedrijfsperceel met woning, schuur en kas gesitueerd. De initiatiefnemer is voornemens de schuur en kas te saneren en een nieuwe woning op het perceel te realiseren. De bestaande woning blijft in de huidige staat behouden. Ten behoeve van deze realisatie dient het bouwvlak te worden uitgebreid. Het bestemmingsplan voorziet niet in de beoogde ontwikkeling en dient derhalve te worden gewijzigd. De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Middels voorliggend ecologisch oriënterend onderzoek is de (potentiële) aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de betekenis van de planlocatie voor deze soorten in kaart gebracht. Buro Waalbrug begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie B.V. verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde flora en fauna en deze vervolgens te toetsen aan de effecten van de werkzaamheden en het geldende bestemmingsplan.
Onderzoeksdoelen Middels dit oriënterende onderzoek worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord: • Is het bestemmingsplan dat wordt opgesteld voor het project zoals hiervoor omschreven uitvoerbaar zoals het bepaalde in de Wro (art. 3.1.6 Bro)? • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie? • Welke negatieve effecten treden op voor (potentieel) aanwezige flora en fauna als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op het de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van het Gelders Natuurnetwerk? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd? • Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming te worden genomen, en zo ja, welke?
Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Oude Rijksweg 1 te Nederasselt. De bebouwing op de planlocatie betreft een vrijstaande woning, een schuur en een kas. De bebouwing ziet er als volgt uit: • Vrijstaande woning: de woning is opgebouwd uit stenen muren en bevat een dak met dakpannen. • Schuur: De schuur is opgebouwd uit een dubbele stenen muur met een open luchtspouw. Het dak betreft een golfplaten dak. • Kas: de kas is opgebouwd uit glazen platen en een aluminium constructie. Een klein gedeelte van de kas is momenteel ingericht met paardenstallen. De planlocatie is gedeeltelijk verhard. Niet verharde delen worden gekenmerkt door een weiland, paardenzandbak en een tuin met hoog onderhoudsbeeld (recent gemaaid gras). Op de planlocatie is geen oppervlaktewater aanwezig. In figuur 2 en bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan. De planlocatie is gelegen in het buitengebied van Nederasselt. De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door akkers, weilanden, bedrijfspercelen en vrijstaande woningen. De N835 en N324 zijn ten noorden en oosten van de planlocatie gelegen op respectievelijk 170 en 300 meter van de planlocatie. Op 440 meter ten zuiden van de planlocatie stroomt de Maas.
2
Figuur 1
De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Oude Rijksweg 1 te Nederasselt. De nieuwe woning wordt hoogstwaarschijnlijk ter plaatse van de groene cirkel gerealiseerd. Er bestaat tevens de mogelijkheid dat de woning ter plaatse van de bestaande kas en schuur gerealiseerd zal worden. De bestaande woning blijft behouden (bron kaartmateriaal: arcgis.com).
Figuur 2
Fotografische indruk van de planlocatie en de directe omgeving hiervan. Links; de te behouden woning. Rechts; de te saneren schuur.
Functieverandering en effecten De beoogde ingrepen zijn permanent van karakter. De beoogde ontwikkeling betreft het saneren van de schuur en kas en de realisatie van een vrijstaande woning. Tevens zal een overkapping welke de schuur en de kas met elkaar verbindt gesaneerd worden. Hoogstwaarschijnlijk zal de nieuwe woning gerealiseerd worden ter hoogte van de groene cirkel (zoals aangegeven in figuur 1). Deze locatie betreft een paardenweide. Er bestaat tevens de mogelijkheid dat de woning ter hoogte van de bestaande schuur en kas gerealiseerd zal worden. De bestaande woning blijft in de huidige staat behouden. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling dient het bouwvlak uitgebreid te worden. Derhalve dient een bestemmingsplanwijziging op het perceel plaats te vinden. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • • • •
saneren van de schuur en kas: algemene sloopwerkzaamheden en afvoer sloopmateriaal; egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; realisatie woning: algemene bouwwerkzaamheden; revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.
Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. Veldbezoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 13 januari 2021 en is uitgevoerd door ir. ing. D. de Boer. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 4/8 bewolkt, 5 Celsius en windkracht 1-2 (Bft). Externe bronnen Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF). Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.
Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 zijn drie voormalige wetten; de Flora- en faunawet samen met de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998, vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Bevoegdheden zijn met het ingaan van deze wet overgedragen van het rijk naar de provincie. Algemene zorgplicht In de Algemene zorgplicht (art. 1.11) wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moet worden. Het uitgangspunt van de Algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. (a) Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) en Andere soorten (art. 3.10). Hierin worden ook rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij negatieve effecten op soorten in de specifieke soortenbescherming geldt een ontheffingsplicht. Van de verboden als bedoeld in Andere soorten art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen voor bepaalde soorten.
3
In de Omgevingsverordening Provincie Gelderland is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 1 Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Gelderland. Aardmuis Gewone bosspitsmuis Ondergrondse woelmuis Bastaardkikker
Gewone pad
Ree
Bosmuis
Haas
Rosse woelmuis
Bruine kikker Dwergmuis Dwergspitsmuis
Huisspitsmuis Kleine watersalamander Konijn
Tweekleurige bosspitsmuis Veldmuis Vos
Egel
Meerkikker
Woelrat
(b) Gebiedsbescherming Naast de specifieke soortenbescherming kent Nederland ook gebiedsbescherming, waarbij bepaalde gebieden extra bescherming genieten. Het gaat hier hoofdzakelijk om Natura 2000gebieden en het Gelders Natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone. In deze gebieden mogen in principe geen werkzaamheden binnen de grenzen uitgevoerd worden. Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist en binnen het Gelders Natuurnetwerk geldt het ‘nee, tenzij’-principe. In bepaalde gevallen dient er natuurcompensatie uitgevoerd te worden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Ten aanzien van het Gelders Natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden geldt een ontheffingsplicht. (c) Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten.
Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden. Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft: a) houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.
Beoordeling (a) soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ontwikkeling. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten (beschermingsregime ‘Andere soorten’) geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen (zie soortenbescherming).
4
In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt c.q. soorten waarvoor een ontheffingsplicht noodzakelijk is. Vaatplanten Binnen een straal van 2 km van de planlocatie is het voorkomen van de volgende beschermde vaatplanten bekend: drijvende waterweegbree en korensla (NDFF 2011-2021). Op de planlocatie is geen oppervlaktewater aanwezig. Derhalve is het voorkomen van drijvende waterweegbree op voorhand uitgesloten. De voorkeursbiotoop van korensla is ‘kalkarme akkers’. Tevens groeit de soort ook op graanakers, in moestuinen, bermen, braakliggende grond, rozenperken, heide en waterkanten (FLORON verspreidingsatlas, 2021). Van de vorengenoemde biotopen is op de planlocatie geen sprake. Onverharde delen worden gekenmerkt door een paardenzandbak en een weiland welke begraasd wordt door paarden. Slechts een klein gedeelte van de planlocatie is ingericht als tuin. De tuin wordt gekenmerkt door een hoog onderhoudsbeeld en gras dat recent gemaaid is. Wegens het ontbreken van geschikt habitat is het voorkomen van korensla op de planlocatie uitgesloten. Ter plaatse van de planlocatie is slechts sprake van inheemse of aangeplante vaatplanten zonder beschermde status. Enkele waargenomen soorten betreffen: conifeer, Engels raaigras, grote brandnetel en paardenbloem.
Op de muren van de kas en schuur is geen (beschermde) muurvegetatie aangetroffen. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. Beschermde planten stellen over het algemeen specifieke eisen aan hun milieu, zoals kalkhoudende schrale grond of stikstofarme blauwe graslanden. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Negatieve effecten ten aanzien van beschermde vaatplanten kunnen derhalve worden uitgesloten. Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende zoogdieren: aardmuis, bever, bosmuis, bruine rat, bunzing, das, egel, gewone bosspitsmuis, haas, hermelijn, huisspitsmuis, konijn, mol, ree rode eekhoorn, rosse woelmuis, steenmarter, veldmuis, vos en wezel (NDFF 2011-2021). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: bever, bunzing, das, hermelijn, rode eekhoorn, steenmarter en wezel. De rode eekhoorn leeft in boomrijke gebieden. Op de planlocatie zijn slechts enkele bomen aanwezig. Deze maken geen onderdeel uit van een bomenrij (c.q. migratieroute). Tevens blijven deze bomen behouden binnen de beoogde ontwikkeling.
Een negatieve invloed van de beoogde ontwikkeling op de rode eekhoorn is derhalve uitgesloten. De das leeft meestal in kleinschalige akker- en weidelandschappen met voldoende bosjes, houtwallen singels en heggen. Belangrijke kenmerken voor het dassenhabitat zijn: een groot voedselaanbod, goed vergraafbare grond, voldoende dekking en weinig verstoring (BIJ12 kennisdocument Das, 2017). Op de planlocatie is geen sprake van kleinschalige landschappen en groenrijke structuren zijn slechts in zeer beperkte mate aanwezig. Tevens is er onvoldoende voedselaanbod, onvoldoende dekking en veel verstoring op de planlocatie aanwezig. Het is derhalve uitgesloten dat de das gebruik maakt van de planlocatie. Een negatieve invloed van de beoogde ontwikkeling op de das is uitgesloten. De bever leeft in het overgangsgebied van zoete wateren en land, zoals moerassen, langs beken, rivieren, meren en kanalen (BIJ12 kennisdocument Bever, 2017). Op de planlocatie is geen oppervlaktewater aanwezig en de planlocatie voorziet niet in essentiële habitatonderdelen van de bever. De dichtstbijzijnde waarneming van de soort is afkomstig van een gebied ten noorden van de Drutenseweg (circa 200 meter ten noorden van de planlocatie). De planlocatie is gelegen ten zuiden van de Drutenseweg. De Drutenseweg betreft een zeer grote weg (snelheid 100 km/h) en vormt derhalve een grote barrière voor de bever.
Derhalve is het uitgesloten dat de planlocatie behoort tot het functioneel leefgebied van de bever. Een negatieve invloed op de soort is uitgesloten.
5
Kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel) hebben veelal een voorkeur voor kleinschalige (cultuur-)landschappen met voldoende dekking. De hermelijn, en in mindere mate ook de bunzing, prefereren daarnaast een waterrijke omgeving. Als jachtgebied wordt gebruik gemaakt van landschapselementen zoals oeverhoekjes, bosjes en hagen. Kleine marterachtigen begeven zich voornamelijk in dichte vegetatie. Buiten de dekking van de vegetatie zijn kleine marterachtigen namelijk kwetsbaar voor predatoren, zoals roofvogels, vossen of huiskatten (Bouwens, handreiking kleine marters, 2017). De planlocatie en de directe omgeving kunnen niet omschreven worden als ‘waterrijk’ en zijn derhalve bij voorbaat minder geschikt voor de hermelijn en bunzing. Onverharde delen van de planlocatie zijn in gebruik als paardenweide en als tuin, waardoor veel verstoring optreedt. De perceelgrenzen worden veelal aangegeven door middel van hekwerk, en groene hagen zijn slechts in zeer beperkte mate aanwezig. Derhalve voorziet de planlocatie niet in jachtgebied en voldoende dekking. De planlocatie heeft een open structuur, waardoor de kleine marterachtigen hier erg kwetsbaar zijn voor predatoren. Tevens zijn er geen sporen van kleine marterachtigen in en rondom de te saneren bebouwing aangetroffen. Het is uitgesloten dat de planlocatie behoort tot het functioneel leefgebied van kleine marterachtigen.
Een negatieve invloed van de beoogde ontwikkeling op kleine marterachtigen is derhalve uitgesloten. Steenmarters worden regelmatig in bebouwing aangetroffen. Deze soort komt vooral voor in parklandschappen, steengroeven en rotsige hellingen. De voorkeur gaat uit naar gebieden met kleinschalige landbouw, oude schuren, heggen en geriefhoutbosjes. Elementen zoals groenstroken, bosjes, greppels en bermen worden gebruikt om te foerageren (zoogdiervereniging.nl). De planlocatie betreft geen gebied met kleinschalige landbouw en groene hagen en struiken zijn slechts in zeer beperkte mate aanwezig. De planlocatie heeft een open structuur en belangrijke elementen die gebruikt worden om te foerageren zijn veelal afwezig. In de bebouwing zijn geen sporen aangetroffen van steenmarters. Wegens het ontbreken van een geschikte, en tevens kleinschalige, leefomgeving en het ontbreken van sporen, is het uitgesloten dat de schuur en de kas behoren tot het functioneel leefgebied van de steenmarter. De beoogde ontwikkeling heeft derhalve geen negatieve invloed op de steenmarter. Op basis van de eigenschappen van de planlocatie is het niet aannemelijk dat (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van soorten van de Habitatrichtlijn en niet vrijgestelde Andere soorten op de planlocatie voorkomen. De planlocatie heeft mogelijk een functie voor algemene soorten.
Dit betreft met name egel, konijn, mol en veldmuis. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Effecten op beschermde zoogdieren zijn uitgesloten. Vleermuizen Binnen een straal van 2 km is het voorkomen bekend van de volgende vleermuissoorten: gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis (NDFF 2011-2021). Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd. Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat (BIJ12 kennisdocument Gewone dwergvleermuis, 2017; Limpens et al., 1997; Dietz et al., 2011). Binnen de beoogde ontwikkeling zullen geen bomen gekapt worden. Derhalve is het uitgesloten dat de beoogde ontwikkeling leidt tot aantasting van rust- en/of verblijfplaatsen van vleermuizen in bomen. De te slopen kas en schuur zijn nauwkeurig geïnspecteerd op de aan- dan wel afwezigheid van potentiële verblijfplaatsen en geschikte invliegopeningen.
Alle gevels en daken van de betreffende bebouwing zijn gecontroleerd op eventuele openingen als open stootvoegen, kierende daklijsten, ontbrekende/scheefliggende dakpannen, ontbrekende specie en overige gevelafwerkingen die vleermuizen toegang kunnen verlenen tot een open dakruimte en/of spouwmuur waar ze een verblijfplaats zouden kunnen vinden. Een dergelijke verblijfplaats moet voldoen aan een geschikt microklimaat, met een constante (lage) temperatuur, een hoge luchtvochtigheid en weinig invloed van weersomstandigheden.
6
De kas is opgebouwd uit een aluminium constructie en glazen platen. Er zijn derhalve geen geschikte ruimtes aanwezig in de muren of het dak waar vleermuizen een verblijfplaats kunnen vinden. Een gedeelte van de kas wordt gebruikt als paardenstal. De paardenstal bestaat uit een vrijstaande houten constructie in een klein gedeelte van de kas. Deze constructie bevat geen geschikte verblijfplaatsen voor vleermuizen en is tevens niet vanaf de buitenzijde toegankelijk. Het is uitgesloten dat de kas gebruikt wordt als verblijfplaats door vleermuizen. De schuur is opgebouwd uit een dubbele stenen muur met een open luchtspouw. De kopgevels zijn voorzien van een strak aansluitende gevelomlijsting, waardoor er geen toegang is tot de open luchtspouw. Aan de zijgevels zijn de muren aan de bovenzijde afgedekt met een houten lat, waardoor de open spouw niet bereikbaar is. Deze houten lat ligt aan de aan de noordelijke zijde van de oostgevel lichtelijk schuin, waardoor er een kleine kier aanwezig is (figuur 3). Deze kier is smaller dan 1 cm en nog geen 3 bakstenen (60 cm) lang (persoonlijke communicatie opdrachtgever). Gebouwbewonende vleermuizen, zoals de gewone dwergvleermuis, maken gebruik van openingen van 1,5 cm of groter (BIJ12 Kennisdocument gewone dwergvleermuis, 2017). Aangezien deze kier nog geen 1 cm breed is, is deze ongeschikt als invliegopening voor gebouwbewonende vleermuizen.
Tevens voorziet de schuur niet in andere geschikte invliegopeningen zoals open stootvoegen of gaten in de muur. Derhalve is het uitgesloten dat de schuur gebruikt wordt als verblijfplaats door vleermuizen.
Figuur 3
Fotografische indruk van de oostelijke muur van de schuur. (A) De locatie van foto B en C is aangegeven in foto A. (B) de houten lat aan de bovenzijde van de spouwmuur ligt lichtelijk schuin, waardoor er een kier aanwezig is. De kier is kleiner dan 1 cm. (C) bij het grootste gedeelte van de muur ligt de houten lat wel op de gehele open luchtspouw, waardoor deze volledig afgesloten is.
Hoewel het uitgesloten is dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als vaste rust- en/of verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. De te saneren bebouwing vervult geen essentiële verbinding als oriëntatiestructuur tussen gebieden. De beoogde ontwikkeling leidt derhalve niet tot aantasting van essentiële vliegroutes of foerageergebieden. In de luwte van opgaande vegetatie of bebouwing kunnen vliegbewegingen en foerageeractiviteiten van vleermuizen plaatsvinden. Hierbij kan sprake zijn van tijdelijke verstoring van vleermuizen ten gevolge van werkzaamheden of lichtgebruik. Vleermuizen jagen op insecten waarbij ze opportunistisch gebruik maken van een groot netwerk aan jachtgebieden. De omvang en het gebruik van een gebied alsmede de jachttechniek en prooien verschillen per soort. Gedurende het foerageren verspreiden vleermuizen zich diffuus over het landschap waarbij veelal gebruik wordt gemaakt van bosranden, bomenlanen, oeverzones of andere structuurrijke zones. Vleermuizen kunnen verblind en daardoor gedesoriënteerd raken als gevolg van felle verlichting. Sterk verlichte locaties worden gemeden door vleermuizen. Tijdens en na de beoogde ontwikkeling dient bij voorkeur geen verlichting te worden toegepast. Bij voorkeur de werkzaamheden uitvoeren tussen zonsopkomst en zonsondergang.
Mocht verlichting noodzakelijk zijn wordt vleermuisvriendelijke verlichting geadviseerd. Amfibieën Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieënsoorten: Alpenwatersalamander, bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, heikikker, kleine watersalamander, poelkikker, vinpootsalamander en vuursalamander (NDFF 2011-2021).
7
Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Alpenwatersalamander, heikikker, poelkikker, vinpootsalamander en vuursalamander. Amfibieën leven in zowel een aquatisch (m.n. lente/zomer) als een terrestrisch (m.n. herfst/winter) habitat. Beide habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. Op de planlocatie is geen oppervlaktewater aanwezig, waarmee de aanwezigheid van aquatisch habitat van amfibieën op de planlocatie is uitgesloten. Veel van de bovengenoemde beschermde amfibieën stellen kritische eisen aan het leefgebied. De planlocatie voldoet niet aan deze kritische eisen. De onverharde delen zijn onderhevig aan veel verstoring en begrazing. Tevens bevinden zich geen typische overwinteringsstructuren (zoals houtstapels, stenenstapels etc.) op de planlocatie. Tevens zijn de bovengenoemde beschermde soorten niet binnen een straal van 1 km van de planlocatie waargenomen. Op basis van de vorengenoemde argumenten is het voorkomen van functioneel leefgebied van beschermde amfibieën op de planlocatie uitgesloten. Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad zich, gedurende de terrestrische (herfst/winter) periode, op de planlocatie begeven.
Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen (zie Wet natuurbescherming). Negatieve effecten op beschermde amfibieën zijn derhalve uitgesloten. Reptielen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van inheemse reptielen niet bekend (NDFF 20112021). Reptielen zijn over het algemeen verbonden aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen als heidevelden, bosgebied en natuurlijke oevers. Gezien de afwezigheid van structuurrijke biotopen en de hoge mate van verstoring (door mensen, honden en paarden) is het voorkomen van beschermde reptielen binnen het plangebied uitgesloten. Negatieve effecten op beschermde reptielen zijn derhalve uitgesloten. Vissen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van beschermde vissoorten niet bekend (NDFF 2011-2021). Op de planlocatie en binnen de invloedssfeer van de beoogde ontwikkeling bevindt zich geen oppervlaktewater. Negatieve effecten op (beschermde) vissen zijn uitgesloten. Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende beschermde insecten of ongewervelden: beekrombout, teunisbloempijlstaart en grote vos (NDFF 2011-2021). De beekrombout leeft langs grote beken, kleine rivieren en kanalen. Op en rondom de planlocatie zijn dergelijke wateren niet aanwezig (Vlinderstichting.nl).
Derhalve is uitgesloten dat de planlocatie behoort tot het functioneel leefgebied van de beekrombout. Negatieve effecten van de beoogde ontwikkeling op deze soort zijn uitgesloten. De teunisbloempijlstaart komt voor in open plekken in vochtige bossen, bosranden warme open plaatsen. Waardplanten van de soort zijn wilgenroosje, teunisbloem, basterdwerik en kattenstaart. De soort overwinterd als pop in de stooisellaag (Vlinderstichting.nl). Op de planlocatie zijn geen bosachtige gebieden aanwezig en derhalve ook geen strooisellaag. Ook zijn de waardplanten van de soort niet aanwezig. Derhalve is het uitgesloten dat functioneel leefgebied van de teunisbloempijlstaart zich bevindt op de planlocatie. Een negatieve invloed van de beoogde ontwikkeling op de teunisbloempijlstaart is derhalve uitgesloten. De grote vos komt voor in gebieden met boomgaarden, langs bosranden, bossen en solitaire bomen. Op de planlocatie zijn slechts enkele bomen aanwezig. De planlocatie kan derhalve niet worden aangemerkt als bosrijk. Tevens zijn er geen holle bomen of stapels hout aanwezig (c.q. overwinteringsstructuren), en ontbreekt de waardplant. Derhalve is het uitgesloten dat functioneel leefgebied van de grote vos op de planlocatie voorkomt. Een negatieve invloed van de beoogde ontwikkeling op de grote vos is derhalve uitgesloten.
Op de planlocatie is geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Negatieve effecten op de soortgroep zijn uitgesloten.
8
Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: houtduif, vink en koolmees. Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) Gedurende het veldbezoek zijn geen individuen, nesten en/of sporen aangetroffen van vogelsoorten met een jaarrond beschermd nestlocatie en/of leefgebied. De huismus broedt vrijwel altijd bij bebouwing en bouwt zijn nesten onder dakpannen, onder golfplaten, kieren/gaten in de muur en in spantconstructies. Vanuit de nestlocatie en/of vanaf een uitzichtpunt moet de huismus zijn omgeving kunnen zien. Hierbij moet er in de directe omgeving continu voedsel te vinden zijn in de vorm van zaden van grassen en onkruiden en larven van insecten. Daarnaast moet er beschutting nabij de foerageerlocaties, voldoende jaarrond groene struiken of heesters, plaatsen met stof en grind voor stofbaden en water voor waterbaden aanwezig zijn (BIJ12 kennisdocument Huismus, 2017). Op basis van een ongeschikte constructie (glasplaten en een aluminium constructie) kan de aanwezigheid van huismusnesten in de kas bij voorbaat uitgesloten worden. Het dak van de schuur is opgebouwd uit golfplaten. Aan de onderzijde van de golfplaten zijn voorgeïsoleerde platen bevestigd. Tussen de golfplaten en de voorgeïsoleerde platen is een ruimte aanwezig.
Het is onwaarschijnlijk dat deze ruimte, of een dergelijke ruimte, gebruikt wordt als nestlocatie van huismussen om de volgende redenen: (1) golfplaten worden erg heet in de zomer. In combinatie met de voorgeïsoleerde platen zorgt dit voor een zeer hoge temperatuur in de dakruimte, (2) functionele onderdelen van het leefgebied van de huismus (c.q. groenblijvende hagen/struiken en ander inheems groen) zijn slechts in zeer beperkte mate aanwezig en (3) er zijn voldoende optimalere nestlocaties aanwezig in omliggende bebouwing. Derhalve is het uitgesloten dat de schuur gebruikt wordt als nestlocatie door huismussen. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van de beperkt aanwezige groene delen en resulteert niet in afname van essentieel leefgebied van huismussen die mogelijk een verblijfplaats hebben in omliggende bebouwing. Van aantasting van nestlocaties en functioneel leefgebied van de huismus is derhalve geen sprake. De gierzwaluw leeft evenals de huismus in de directe omgeving van mensen en broedt tevens als koloniebroeder in gevels en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017). De kas en schuur voorzien niet in geschikte invliegopeningen en nestlocaties voor de gierzwaluw. Tevens is de planlocatie gelegen in landelijk gebied, en prefereren gierzwaluwen het stedelijk gebied.
Aanwezigheid van nestlocaties van de gierzwaluw kan in de kas en schuur uitgesloten worden. Tevens voorzien de kas en schuur niet in geschikte nestlocaties voor in bebouwing broedende uilen, zoals kerkuil en steenuil. De woning zal waarschijnlijk gerealiseerd worden ten westen van de bestaande woning. Deze locatie betreft een paardenweide. De weide kan mogelijk incidenteel gebruikt worden door roofvogels of uilen als foerageergebied. Op en rondom de planlocatie zijn weilanden ruimschoots aanwezig waardoor het bouwen van een huis op een relatief klein oppervlak geen significante afbreuk doet aan het foerageergebied van uilen en roofvogels. Er bestaat tevens de mogelijkheid dat de woning gerealiseerd wordt op de locatie van de huidige kas en schuur. Hierbij is het uitgesloten dat de beoogde realisatie leidt tot afname van foerageergebied van uilen en roofvogels. Van overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van vogels met jaarrond beschermde nestlocaties en functioneel leefgebied is geen sprake. Vogels - Algemene broedvogels en categorie 5 (beschermde nestlocatie gedurende broedperiode en bij ecologisch zwaarwegende redenen) De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De struiken, bomen en bebouwing vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties.
Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli.
9
Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de werkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige. Beoordeling (b) gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000 en het Gelders Natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone. Op een afstand van circa 11,4 km ligt het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ (figuur 4). Op een afstand van circa 160 m ligt het Gelders Natuurnetwerk en op een afstand van circa 240 m ligt de Groene ontwikkelingszone (figuur 5).
10
Figuur 4
De planlocatie ligt op een afstand van circa 11,4 km tot het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ (bron: nationaal Georegister PDOK).
Figuur 5
De planlocatie ligt op een afstand van circa 160 m tot het Gelders Natuurnetwerk en op een afstand van circa 240 m tot de Groene ontwikkelingszone (bron: gelderland.maps.arcgis.com).
Ondanks dat de beoogde ontwikkeling buiten een beschermd gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is. Ten aanzien van het Gelders Natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone dat externe werking geen toetsingskader is. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. Blom Ecologie B.V. adviseert om projecten die kunnen leiden tot een toename van stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden te beoordelen middels de AERIUS Calculator. Doel daarvan is vast te stellen of significante effecten kunnen worden uitgesloten. In sommige gevallen kan op voorhand negatieve effecten ten aanzien van stikstofdepositie worden uitgesloten, wegens de grote afstand tot stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden, een afname in stikstofemissie of een beperkte ingreep. De beoogde ontwikkeling betreft het saneren van de schuur en kas en de realisatie van een vrijstaande woning. Ten opzichte de huidige situatie leidt de beoogde ingreep tot een beperkte toename in het aantal verkeersbewegingen. De nieuwbouw zal zonder gasaansluiting in de gebruiksfase geen stikstofuitstoot hebben.
Gedurende de aanlegfase kan er een beperkte en tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en transportbewegingen (het ‘projecteffect’). Gezien er sprake is van een grote afstand (11,4 km) tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied en de beoogde ontwikkeling de realisatie van één woning betreft, wordt op voorhand uitgesloten dat er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden. Een berekening middels de AERIUS Calculator kan derhalve achterwege blijven.
Beoordeling (c) houtopstanden In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien. Een meldingsplicht in het kader van Wnb is derhalve niet van toepassing.
11
Conclusies Samenvatting (a) Soortenbescherming De planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. (b) Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of het Gelders Natuurnetwerk. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een AERIUS-berekening, Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets zijn niet noodzakelijk. (c) Houtopstanden In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien. Een meldingsplicht in het kader van Wnb is derhalve niet van toepassing. Tabel 2
Overzicht van de Soortenbescherming. Voor de benoemde soorten geldt dat aanvullend onderzoek benodigd is. Soortenbescherming Soortgroep BeschermingsSoortspecifiek Mogelijk functie regime Wet nb onderzoek plangebied Vaatplanten Grondgebonden zoogdieren Vleermuizen Amfibieën Reptielen Vissen Insecten en andere ongewervelden Vogels
Tabel 3
-
Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee
-
Overzicht van de Gebiedsbescherming.
Gebiedsbescherming
afstand
effecten
nader onderzoek
Natura 2000
11,4 km
geen
n.v.t.
Gelders Natuurnetwerk
160 m
geen
n.v.t.
Groene ontwikkelingszone
240 m
geen
n.v.t.
Tabel 4
Overzicht van de Houtopstanden.
Houtopstanden
aanwezig
kap
melding
Struiken
ja
nee
N.v.t.
Bomen
ja
nee
N.v.t.
Uitvoerbaarheid De beoogde ontwikkeling leidt niet tot overtreding van soortenbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wnb. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels (in het kader van Algemene zorgplicht). Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen.
Conclusie Het saneren van de kas en schuur en de realisatie van een vrijstaande woning aan de Oude Rijksweg 1 te Nederasselt is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro).
12
Vervolgstappen • De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van beschermde natuurwaarden (soortbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden). Derhalve is het uitvoeren van aanvullend onderzoek niet noodzakelijk.
Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (medio maart t/m medio juli). Als de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden.
13
Literatuur BIJ12, 2017. Kennisdocument Bever Castor fiber, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Das Meles meles, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gierzwaluw Apus apus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Huismus Passer domesticus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Heikikker Rana arvalis, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Poelkikker Rana lessonae, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Ruige dwergvleermuis Pipistrellus nathusii, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. Dietz, C., O. von Helversen, D. Nill & P.H.C. Lina, 2011. Vleermuizen: alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika: biologie, kenmerken en bedreigingen. Tirion Natuur, Utrecht. Limpens, H., K. Mostert & W. Bongers, 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen. Onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht. Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.gelderland.maps.arcgis.com www.natura2000.eea.europa.eu www.ndff.nl www.ravon.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuisprotocol.nl www.vlinderstichting.nl www.zoogdiervereniging.nl
14
We hopen u met deze rapportage voldoende te hebben geïnformeerd. Mochten er desondanks vragen zijn kunt u vrijblijvend contact opnemen. Met vriendelijke groet,
Blom Ecologie B.V., ir. ing. D. de Boer Auteur
Blom Ecologie B.V., ir. ing. K.J. Rebergen Collegiale toets
Bijlage 1 Fotografische impressie
© BLOM ECOLOGIE B.V. ZANDWEG 46A - 4181 PM WAARDENBURG Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld. Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V.
15
Bijlage 1 Fotografische impressie
16
Figuur 1
De kas op de planlocatie welke gesloopt zal worden.
Figuur 2
De te saneren schuur (links) en de woning welke behouden blijft (rechts).
17
Figuur 3
De locatie ten westen van de bestaande woning waar (waarschijnlijk) de nieuwe woning gerealiseerd zal worden.
Figuur 4
De paardenzandbak.