Bijlage IX Vraag & Antwoord raadswebinars NRD en planMER
Tekst van het document
Vraag & Antwoord keuzes NRD en planMER 1. Welke vraag staat centraal in het planMER? De vraag die we in het planMER willen beantwoorden luidt “Welke gebieden zijn vanuit milieueffecten geschikt, geschikt te maken, of ongeschikt voor de ontwikkeling van 1,62 TWh duurzame elektriciteitsambitie, regionale warmtebronnen en de benodigde energie-infrastructuur binnen de Groene Metropoolregio, en hoe kan dit - naast de referentie RES 1.0 - worden ingevuld aan de hand van 4 thematische alternatieven?” Daarbij is het goed om te weten dat het aandeel zonop-dak – wat 0,49 van de 1,62 TWh vertegenwoordigt – niet in het planMER wordt getoetst op milieueffecten, omdat die niet of nauwelijks van toepassing zijn voor de plaatsing van zonnepanelen op (bedrijfs)daken. 2. Hoe komen de afspraken uit de RES 1.0 terug in het planMER? In het planMER onderzoeken we – vanuit milieu-aspecten – de mogelijkheden voor wind- en zonprojecten in de gehele regio. De zoekgebieden voor wind en zon uit de RES 1.0 worden in het planMER opgenomen als 0-variant. We onderzoeken daarmee de zoekgebieden van de RES 1.0 op milieueffecten. Het planMER kijkt vervolgens breder, naar de hele regio en verdiept die analyses door binnen de regio vier thematische alternatieven te onderzoeken: natuur, landschap, leefomgeving en energiesysteem. 3.
Wat zijn de alternatieven natuur, landschap, leefomgeving en energiesysteem en waarom die? Naast gebieden waarin harde milieubelemmeringen gelden en gebieden waarin geen milieubelemmeringen gelden, zijn er gebieden met zachte milieubelemmeringen. Hier zijn grootschalige zon- en windenergieprojecten mogelijk, maar niet vanzelfsprekend. Door binnen de regio de ontwikkeling van energie te koppelen aan andere waarden, zoals natuur, landschap, leefomgeving of het energiesysteem, onderzoeken we een aantal alternatieven om het doel van 1,62 TWh energieopwek in 2030 te behalen. Deze alternatieven vormen een soort ‘hoeken van het speelveld’. Het voorstel voor deze vier alternatieven is tot stand gekomen door inbreng vanuit de zestien gemeenten, de provincie en regionale belanghebbenden. 4. Worden in het planMER ook andere onderzoeken meegenomen? De planMER van de Groene Metropoolregio Arnhem Nijmegen wordt uitgevoerd voor het gehele RES gebied. Tegelijkertijd worden er ook andere MER’en uitgevoerd. Sommigen op projectniveau, sommigen voor omgevingsvisies of andere gemeentelijke plannen en een aantal ook op provinciaal niveau. Het gaat onder andere om MER’en omtrent de Wespendief op de Veluwe, herijking van de provinciale Windvisie en lokale MER’en omtrent de ontwikkelingen van zonne- en windenergieprojecten.
We werken hierin zoveel mogelijk samen en proberen zo dubbel werk te voorkomen. De onderzoeksresultaten van de andere MER’en worden gebruikt om de planMER van de RES aan te vullen en vice versa. 5. Worden zonnethermie, energieopslag en -conversie onderzocht in het planMER? Ja en nee. Zonnethermie wordt niet expliciet onderzocht, maar kent min of meer dezelfde milieuaspecten als een zonneveld, dat wel wordt onderzocht. Energieopslag en -conversie worden niet meegenomen in het planMER omdat de milieueffecten te lokaal zijn voor een planMER. 6. Waarom wordt waterkracht niet onderzocht in het planMER? In de RES 1.0 is 0,04 TWh uit waterkracht voorzien. De ontwikkeling van waterkracht kent aanzienlijke milieueffecten, bijvoorbeeld rond vissterfte. Tegelijkertijd zijn die milieueffecten zeer projectgebonden. Het detailniveau van het planMER leent zich daardoor niet voor een milieuanalyse van waterkracht. Deze milieuanalyse kan wel plaatsvinden als zich een project voor waterkracht aandient (projectMER).
7. Welk detailniveau heeft de warmte-analyse in het planMER? De warmte-analyse is een analyse op hoofdlijnen voor de warmtebronnen geothermie, aquathermie, WKO’s en biomassa. Qua eindbeeld leidt dit tot kaarten die in lijn liggen met de milieubelemmeringenkaarten voor wind en zon. Rond milieuaspecten van warmtebronnen bestaat nog veel leemte aan kennis. Daarnaast zijn de milieueffecten van warmtebronnen vaak erg lokaal, waardoor een verdiepende analyse moet plaatsvinden op projectniveau (projectMER). 8. Waarom worden in het planMER geen mogelijkheden voor solitaire windturbines onderzocht? In de RES 1.0 is afgesproken om windprojecten zoveel mogelijk in clusters te ontwikkelen. Solitaire windturbines leiden immers tot versplintering in het landschap. Wel zien we in de regio een aantal windprojecten van twee turbines. We sluiten daarom aan bij deze ontwikkelingen van twee turbines of meer. Dit ligt bovendien in lijn liggen met het provinciale beleid. 9. Hoe zit het met solitaire windturbines als uitbreiding op een bestaand windpark? Solitaire windturbines als uitbreiding bij een bestaand windpark onderzoeken we wél. In dat geval is er namelijk geen sprake van versplintering in het landschap. In feite speelt de analyse hier al op in.
Die geeft namelijk vanuit milieuaspecten de mogelijkheden weer voor de inpassing van twee windturbines of meer, ongeacht het feit of er op een locatie al een windpark is ontwikkeld. Bestaande windparken worden daarmee automatisch geïdentificeerd als mogelijke locaties voor de plaatsing van windturbines. 10. Waarom wordt in de NRD gesproken over een bandbreedte van 3,6 MW tot 7,0 MW windturbines? Op dit moment zijn 3,6 MW windturbines de kleinste turbines waarvoor SDE-subsidie beschikbaar is. Daarmee vormen ze een realistische ‘onderkant’ van het type turbines dat ontwikkeld kan worden in de regio. Daar tegenover staan relatief grote turbines van 7,0 MW die op dit moment op land worden ontwikkeld. Zij vormen dus een realistische ‘bovenkant’ van het type turbines dat ontwikkeld kan worden in de regio. Omdat we benieuwd zijn naar de mogelijkheden voor zowel de kleine- als de grote turbines, houden we beide type windmolens als bandbreedte. Daarmee krijgen we beide uitersten in beeld, waardoor we automatisch ook een beeld krijgen van de mogelijkheden voor turbines die binnen deze bandbreedte vallen. 11. Hoe wordt omgegaan met de overbruggingsregeling voor geluid/slagschaduw/veiligheid van wind? Door het Nevele-arrest zijn de Nederlandse normen voor geluid/slagschaduw/veiligheid van windprojecten, zoals die staan beschreven in het Activiteitenbesluit, op dit moment buiten werking.
In 2023 wordt hierop nieuw beleid verwacht. De kans is groot dat dezelfde normen dan opnieuw in werking treden, maar zeker weten we dat nog niet. We kiezen ervoor om aan te blijven sluiten bij de normen zoals die staan beschreven in het Activiteitenbesluit en geen andere of nieuwe normen te introduceren. Voor andere of nieuwe normen bestaat er namelijk geen enkele juridische basis. 12. Waarom wordt de 1 km-Wespendiefzone rond de Veluwe gezien als harde belemmering voor wind? De rechter heeft geoordeeld dat ontwikkelingen die de stand van de Wespendief op de Veluwe bedreigen geen doorgang kunnen vinden. In vaktermen wordt gesproken over de 1%-norm. De ontwikkeling van windprojecten geldt binnen een 1 kilometerzone buiten de Veluw als zo’n bedreiging. Windprojecten zijn binnen die zone simpelweg niet mogelijk, waardoor deze zone is opgenomen als harde milieubelemmering. Voor de 1-8 km zone vanaf de Veluwe is dit anders. Hier zijn door mitigerende maatregelen voor 2025 zeer waarschijnlijk wel mogelijkheden om windprojecten te ontwikkelingen. Daarom is de 1-8 km zone buiten de Veluwe opgenomen als zachte milieubelemmering.
13. Waarom worden weidevogelgebieden gezien als harde milieubelemmering voor zowel zon als wind? Het is slecht gesteld met de stand van weidevogels in Nederland. De overheid heeft daarnaast een zorgplicht voor weidevogels, waar in lokaal- en regionaal beleid ook niet van kan worden afgeweken. Dit betekent dat de ontwikkeling van zowel zon- als windprojecten juridisch niet mogelijk is in weidevogelgebieden. Deze gebieden worden daarom opgenomen als harde milieubelemmering. 14. Waarom worden wintergansrustgebieden, het Gelders Natuurnetwerk en Natura 2000 gebieden gezien als zachte milieubelemmeringen? In al deze gebieden geldt dat de ontwikkeling van zon- en windprojecten onder voorwaarden mogelijk is. In veel gevallen gaat het om lokaal en regionaal beleid waarvan kan worden afgeweken, of waar mitigerende maatregelen kunnen worden genomen. Er gelden dus milieubelemmeringen, maar de ontwikkeling van zon- en windprojecten is niet onmogelijk. Deze gebieden worden daarom opgenomen als zachte milieubelemmeringen.