Bijlage IX archeologischonderzoek
Tekst van het document
RAPPORT Archeologisch bureau- en verkennend veldonderzoek door middel van boringen Droogsestraat (ong.) te Malden (gemeente Heumen)
AM21520
RAPPORT Archeologisch bureau- en verkennend veldonderzoek door middel van boringen Droogsestraat (ong.) te Malden (gemeente Heumen) Aeres Milieu Projectnummer Status rapport ISSN Nummer Datum
: AM21520 : Definitief (versie 2) : 2214-5656 : 27 oktober 2022
Opdrachtgever
: Derks Advies Boxmeerseweg 9 5835 AB Beugen
Opsteller rapport Paraaf
: L. Kruithof MSc. | drs. D. Hagens | drs. ing. N.J.W. van der Feest :
Redactie Paraaf
: drs. ing. N.J.W. van der Feest :
Vrijgave Paraaf
: drs. ing. N.J.W. van der Feest :
Aeres Milieu B.V. Noordhoven 4 6042 NW ROERMOND (t) 0475 – 320 000 e-mail: info@aeres-milieu.nl www.aeres-milieu.nl
4002 + 4003
Disclaimer Het onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd volgens de algemeen gebruikelijke inzichten en methoden (opzet conform de geldende richtlijnen en protocollen). Aeres Milieu accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid voor maatregelen of mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Aeres Milieu uitgevoerde onderzoek neemt. Tevens wordt opgemerkt dat Aeres Milieu voor het verkrijgen van de voor het bureau onderzoek noodzakelijke informatie (mede) afhankelijk is van externe bronnen. Voor Aeres Milieu is niet te verifiëren of deze bronnen altijd volledig en zonder fouten zijn. Hierdoor kan Aeres Milieu niet instaan voor de juistheid en volledigheid van de verzamelde historische informatie.
Pagina | 2
AM21520
INHOUDSOPGAVE SAMENVATTING ..................................................................................................................................................................................................................... 4 ADMINISTRATIEVE GEGEVENS ......................................................................................................................................................................................... 6 1. INLEIDING ........................................................................................................................................................................................................................... 7 2. 2.1 2.2
WERKWIJZE .............................................................................................................................................................................................................. 9 Inleiding ............................................................................................................................................................................................................... 9 Verkennend veldonderzoek door middel van boringen ..................................................................................................................... 9
3.1 3.2 3.3 3.4 3.5
BUREAU-ONDERZOEK ....................................................................................................................................................................................... 11 landschappelijke situatie - geomorfologie ........................................................................................................................................... 11 Landschappelijke situatie - bodem .......................................................................................................................................................... 12 Bewoningsgeschiedenis – historisch overzicht .................................................................................................................................. 12 Bewoningsgeschiedenis – archeologische waarden......................................................................................................................... 14 Bewoningsgeschiedenis – historisch kaartmateriaal ....................................................................................................................... 16
3.
4.
VERWACHTINGSMODEL .................................................................................................................................................................................... 19
5. 5.1 5.2 5.3 5.4
VELDWERKZAAMHEDEN ................................................................................................................................................................................... 21 Algemeen .......................................................................................................................................................................................................... 21 Fysisch geografische beschrijving van de bodemopbouw .............................................................................................................. 22 Interpretatie ..................................................................................................................................................................................................... 22 Archeologische indicatoren ........................................................................................................................................................................ 23
6. CONCLUSIE ....................................................................................................................................................................................................................... 24 6.1 Algemeen .......................................................................................................................................................................................................... 24 6.2 Beantwoording onderzoeksvragen .......................................................................................................................................................... 24 7.
AANBEVELINGEN ................................................................................................................................................................................................. 25
Bijlagen: 1 2 3 4 5 5b 6 7 8
Topografische ligging onderzoeksgebied Boorpuntenkaart Archeologische gegevens cf. Archis 3 Archeologische Beleidskaart gemeente Heumen Overzicht geomorfologische kaart Stroomgordelkaart Limburg Overzicht bodemkaart Reliëfkaart Boorkernbeschrijvingen
Pagina | 3
AM21520
SAMENVATTING Op 18 januari 2022 is door Aeres Milieu een archeologisch bureau- en verkennend booronderzoek uitgevoerd aan de Droogsestraat (ong.) te Malden (gemeente Heumen). De aanleiding voor het laten uitvoeren van dit bodemonderzoek is de (her)ontwikkeling van de locatie. De diepte van de toekomstige verstoring is ten tijde van dit onderzoek niet bekend, maar uitgaande van een standaard funderingsdiepte naar verwachting tot ten minste 0,8-1,0 meter beneden maaiveld reiken. De onderzoekslocatie ligt volgens de Archeologische Beleidskaart van de gemeente Heumen (2013) in een zone met een hoge archeologische verwachting, waarschijnlijk goede conservering. Het ligt volgens de kaart tevens in een zone van oude woongrond waarbij sprake is van een ondiepe verstoring (tot 40 centimeter onder maaiveld). Binnen het bestemmingsplan Kern Malden (2017) geldt de dubbelbestemming Waarde - Archeologische verwachting 1. Voor deze zone geldt een onderzoeksplicht bij bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 200 m2 en een verstoringsdiepte vanaf 40 centimeter onder maaiveld. De gemeente heeft middels deze kaart aangegeven dat er een archeologische onderzoeksplicht geldt. De omgeving van het plangebied ligt op de overgang van de hoger gelegen stuwwal van Nijmegen naar de lagergelegen terrasvlakte.
Het plangebied zelf ligt op een glooiing van sneeuwsmeltwaterafzettingen mogelijk bedekt met dekzand. De terrasvlakte ten westen van het plangebied vormde ten tijde van het laat-paleolithicum de actieve riviervlakte. Binnen het plangebied is er dan sprake van een gradiëntzone. Hierdoor is het plangebied een aantrekkelijke vestigingslocatie. Om deze redenen wordt een hoge verwachting toegekend voor vindplaatsen uit het laat-paleolithicum. Op circa 780 meter ten westen ligt een restgeul van de Maas. Er is geen informatie bekend wanneer deze geul actief was. Indien deze geul watervoerend was ten tijde van het mesolithicum, dan maakt dit de omgeving van het plangebied aantrekkelijk als vestigingslocatie. Echter, de relatief grote afstand tot de watervoorziening maakt het plangebied minder aantrekkelijk als vestigingslocatie. Op basis hiervan geldt een middelhoge verwachting voor de periode mesolithicum In de directe omgeving van het plangebied, met een vergelijkbare landschappelijke ligging, zijn tot op heden geen vondsten bekend uit deze periode. Mogelijk heeft ook dit te maken te weinige archeologische onderzoeken die hebben plaatsgevonden in de directe omgeving van het plangebied. Voor de latere landbouwende samenleving zal het plangebied vanwege de relatief hoge ligging in het landschap en enigszins nabij watervoorzieningen een aantrekkelijke vestigingslocatie zijn geweest.
Op basis hiervan geldt een hoge verwachting voor deze perioden. De Droogsestraat vormde een kleine verbindingsweg tussen de uitvalswegen rijksweg en de Hatertseweg. De zone tussen de Hatertseweg en de rijksweg had een grote open structuur en fungeerde als eng (gemeenschappelijke bouwlandveld). Ter plaatse van de Droogsestraat zijn nog structuren zichtbaar van een open ruimte die dienst deed als schaapsdrift. Deze drift staat nog aangegeven op het minuutplan uit het begin van de 19e eeuw. Het is niet uit te sluiten dat binnen het plangebied historische bebouwing aanwezig was uit de periode vóórdat het de functie van schaapsdrift kreeg, al dan niet bestaande uit bijgebouwen (schuur, stal) van de omringende bebouwing. Op basis van deze gegevens geldt voor het plangebied een hoge verwachting voor de periode late middeleeuwen en nieuwe tijd.
Pagina | 4
AM21520
Wat betreft de conservering en gaafheid van eventuele archeologische resten kan het volgende gesteld worden: Wegens de aanwezigheid van een mogelijke eerdlaag waren archeologische resten beschermd tegen latere invloeden. Over het algemeen kunnen vondsten en sporen onder zo’n dek in goede toestand worden aangetroffen. Wat betreft de organische resten zijn de omstandigheden minder goed: het grootste deel van het plangebied heeft op de bodemkaart een relatief lage grondwaterstand (GWT VII) waardoor organische resten vaak enkel in diepere, waterhoudende sporen zoals waterputten bewaard kunnen blijven. Op basis van het uitgevoerd verkennend veldonderzoek middels boringen kan worden gesteld dat de in het bureauonderzoek omschreven verwachte hoge bruine enkeerdgronden in het plangebied zijn aangetroffen. Er zijn geen resten van een E- en/of B-horizont waargenomen in de boringen. Dit is mogelijk het gevolg van een egalisatie en/of opname in het bovenliggend dek door ploegen. Tussen de natuurlijke ondergrond en de humeuze bovengrond is in een groot deel van het plangebied een BChorizont aangetroffen. Op basis van deze gegevens blijft de archeologische verwachting voor het aantreffen van archeologische resten gehandhaafd als zijnde hoog voor het laat-paleolithicum, middelhoog voor het mesolithicum en hoog voor het neolithicum tot en met de nieuwe tijd.
De graafwerkzaamheden bij de voorgenomen planontwikkeling kunnen een negatieve impact hebben op het verwachte aanwezige archeologische niveau. Op basis van de bodemkundige gesteldheid kunnen op circa 30 centimeter beneden maaiveld archeologische resten aanwezig zijn. Op basis hiervan wordt voor het plangebied een vervolgonderzoek geadviseerd. Dit vervolgonderzoek vindt bij voorkeur in de vorm van een proefsleuvenonderzoek plaats. Hiervoor dient voorafgaand een Programma van Eisen (PvE) ter toetsing te worden voorgelegd te worden aan de bevoegde overheid (gemeente Heumen). De resultaten van dit onderzoek zijn getoetst en akkoord bevonden door de bevoegde overheid (gemeente Heumen), dat op basis van het uitgebrachte advies een besluit zal nemen.1 Wij willen de opdrachtgever erop wijzen dat dit selectieadvies nog niet betekent dat al bodemverstorende activiteiten of daarop voorbereidende activiteiten kunnen worden ondernomen. Het uitgevoerde onderzoek is verricht conform de gestelde eisen en gebruikelijke methoden. Het onderzoek is gericht op het inzichtelijk maken van de toestand van het aanwezige bodemarchief. Hiermee kan de beschadiging dan wel vernietiging als gevolg van de voorgenomen verstoring van een mogelijk aanwezig bodemarchief tot een minimum worden beperkt.
Echter kan door de aard van het onderzoek, steekproefsgewijs, niet volledig worden uitgesloten dat er archeologische resten aan- of afwezig zullen zijn. Als gevolg hiervan is bij het aantreffen van archeologische resten het, conform de Erfgoedwet van 2016, artikel 5.10 (Archeologische toevalsvondst) en 5.11 (Waarneming), een meldingsplicht van toepassing.
1 Gemeente Heumen, selectiebesluit 31-08-2022. Pagina | 5
AM21520
ADMINISTRATIEVE GEGEVENS Projectnummer
: AM21520
OM-nummer
: 5151805100
Soort onderzoek
: Bureau- en verkennend veldonderzoek d.m.v. boringen
Adres onderzoekslocatie
: Droogsestraat (ong.) te Malden
Toponiem
: Droogsestraat (ong.)
Gemeente
: Heumen
Provincie
: Gelderland
Kadastrale registratie
: Heumen, sectie G, nummer, 4088
Coördinaten
: Centraal
186.508; 422.443
NW:
186.481; 422.471
NO:
186.503; 422.481
ZW:
186.516; 422.408
ZO:
186.536; 422.419
Oppervlakte
: Circa 1.700 m2
Huidig locatie gebruik
: Akkerland en deels bebouwd
Aanleiding onderzoek
: Bestemmingsplanwijziging
Opdrachtgever
: Derks Advies
Bevoegde overheid
: Gemeente Heumen, contactpersoon: Timon van Merriënboer: tvmerrienboer@heumen.nl 06-29662644
Archeologisch adviseur
: Esther Mietes: esther@d7archeologie.nl 06-21651844
Opslag documentatie en materiaal
: Noordhoven 4 te Roermond tot deponering bij provinciaal depot te Nijmegen/E-depot
Datum uitvoering veldwerk
: 18 januari 2022
Pagina | 6
AM21520
1. INLEIDING In opdracht van Derks Advies heeft Aeres Milieu een archeologisch bureau- en verkennend veldonderzoek, d.m.v. boringen uitgevoerd op de locatie: Adres onderzoekslocatie
: Droogsestraat (ong.) te Malden
Gemeente
: Heumen
Oppervlakte
: Circa 1.700 m2
Huidig gebruik van de locatie
: Akkerland en deels bebouwd
Toekomstig gebruik
: (her)ontwikkeling van de locatie
Dit archeologisch onderzoek is uitgevoerd conform de richtlijnen van de BRL SIKB 4000 (protocol 4002 en 4003), KNA 4.1. Het archeologische onderzoek bestaat uit een bureauonderzoek naar de historie en bodemgesteldheid van de onderzoekslocatie. Aanvullend hierop is een verkennend veldonderzoek d.m.v. boringen op het perceel uitgevoerd. De werkzaamheden in het veld zijn uitgevoerd onder leiding van een senior KNA-prospector.
Aanleiding De aanleiding voor het laten uitvoeren van dit bodemonderzoek is de (her)ontwikkeling van de locatie ten behoeve van 2-onder1-kapwoning. De diepte van de toekomstige verstoring is ten tijde van dit onderzoek niet bekend, maar uitgaande van een standaard funderingsdiepte naar verwachting tot ten minste 0,8-1,0 meter beneden maaiveld reiken. De onderzoekslocatie ligt volgens de Archeologische Beleidskaart van de gemeente Heumen (2013) in een zone met een hoge archeologische verwachting, waarschijnlijk goede conservering. Het ligt volgens de kaart tevens in een zone van oude woongrond waarbij sprake is van een ondiepe verstoring (tot 40 centimeter onder maaiveld).2 Binnen het bestemmingsplan Kern Malden (2017) geldt de dubbelbestemming Waarde - Archeologische verwachting 1. Voor deze zone geldt een onderzoeksplicht bij bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 200 m2 en een verstoringsdiepte vanaf 40 centimeter onder maaiveld. De gemeente heeft middels deze kaart aangegeven dat er een archeologische onderzoeksplicht geldt (Bijlage 4).3
Doel Het doel van het archeologisch bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel voor de locatie. Dit verwachtingsmodel wordt op basis van historische kaarten en bekende landschappelijke en archeologische gegevens gevormd. Dit verwachtingsmodel zal vervolgens leiden tot een aanbeveling over het behoud in-situ of eventueel vervolgonderzoek. Het doel van het aansluitende verkennend booronderzoek is het toetsen van het in het bureauonderzoek opgestelde verwachtingsmodel.
2 Keunen, Van der Veen en Willemse 2013. 3 Keunen, Van der Veen en Willemse 2013; Keunen en Jansen 2017. Pagina | 7
AM21520
Specifiek voor de onderzoekslocatie Droogsestraat (ong.) te Malden zijn de volgende onderzoeksvragen geformuleerd:
Is er sprake van stratigrafische lagen die potentieel archeologische waarden kunnen bevatten?
In hoeverre zijn deze lagen intact en hoe reflecteert dit de kwaliteit van de mogelijk aanwezige archeologische resten?
Wat is de diepteligging van mogelijke archeologische resten en wat is de daadwerkelijke bedreiging van deze resten door de voorgenomen bodemingrepen?
Plangebied Het plangebied ligt aan de Droogsestraat, ten noorden van de historische dorpskern van Malden. De ligging van het plangebied is weergegeven in Figuur 1. Momenteel is het plangebied grotendeels in gebruik als akkerland en deels bebouwd (bijgebouw). In het noorden wordt het plangebied begrensd door de Droogsestraat, in het oosten door bebouwing aan de Droogsestraat (nummer 11-A), in het zuiden door bebouwing aan de Broekkant (nummer 90) en in het westen door weiland.
Figuur 1. Topografische ligging van het plangebied. Het plangebied is aangegeven met het rode kader. (Bron: PDOK-viewer)
Pagina | 8
AM21520
2. WERKWIJZE 2.1
Inleiding
Bij het uitvoeren van het bureauonderzoek is gebruik gemaakt van verschillende bronnen. Deze bronnen geven inzicht in bekende, of te verwachten archeologische resten binnen het onderzoeksgebied. Daarnaast zijn deze bronnen van belang voor het opstellen van de landschapsgenese.
Archeologische bronnen
Archeologische Monumentenkaart (AMK)
Archeologisch Informatiesysteem (Archis3)
Archeologische Beleidskaart van de gemeente Heumen
Specifieke lokale informatie (heemkundekring, amateurarcheologen)
Bodem- en geomorfologische kaarten
Bodemkaart (Alterra)
Geomorfologische kaart (Alterra, uit Archis3)
Stroomgordelkaart Limburg (Woolderink 2019)
Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN3)
Historische kaarten
Historisch kadastraal minuutplan (1800-1832)
Historische topografische en militaire kaarten (1830 tot 1978)
Moderne topografische kaart (tot 2020)
De bovenstaande bronnen worden aangevuld door mogelijke informatie afkomstig van lokale archeologische verenigingen en werkgroepen. De overige aanvullende informatie is terug te vinden in de literatuurlijst. Stichting Heemkunde Malden, is op 14 januari 2022 per e-mail gecontacteerd met de vraag met de vraag om aanvullende informatie betreffende het plangebied. Tot op heden is hierop nog geen reactie ontvangen.
2.2
Verkennend veldonderzoek door middel van boringen
Aan de hand van het Plan van Aanpak (PvA) en de Leidraad Inventariserend Veldonderzoek 4 wordt een verkennend booronderzoek met een boordichtheid van 6 boringen per hectare uitgevoerd. Het onderzoek is hiermee verkennend voor alle perioden. Het plangebied heeft een oppervlakte van 1.700 m2. Bij het verkennend veldonderzoek zal daarom uitgegaan worden van 6 boringen welke gelijkmatig over het plangebied worden verdeeld, zie Bijlage 2. De boorlocaties worden uitgezet ten opzichte van hoekpunten van de perceelsgrenzen, straten en bebouwing. De hoogte zal worden bepaald met het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN). De boringen worden gezet met een Edelmanboor met een boorkop van 7 centimeter.
4 Tol et al. 2012. Pagina | 9
AM21520
De boorkernen worden conform de ASB (Archeologische Standaard Boorbeschrijving 5.2) beschreven, zie Bijlage 8. Gelet zal worden op de aanwezigheid van archeologische indicatoren als fragmenten keramiek, fosfaatvlekken en brokjes houtskool en verbrande leem. Daartoe worden de opgeboorde monsters verbrokkeld waar nodig.
Pagina | 10
AM21520
3. BUREAUONDERZOEK 3.1
Landschappelijke situatie - geomorfologie
Het plangebied ligt op de stuwwal van Nijmegen.5 De omgeving van het plangebied ligt op de overgang van de stuwwal naar het rivierenlandschap. Het landschap ter plaatse van de omgeving van het plangebied is grotendeels ontstaan in de voorlaatste ijstijd, het Saalien (circa 380.000 - 130.000 jaar geleden). Het landijs kwam rond 170.000 à 160.000 jaar geleden vanuit het noordoosten Nederland binnen. Midden Nederland was bijna volledig ingesloten door ijstongen. 6 Aan de randen van dit landijs werden oude zandige afzettingen van Rijn en Maas opgestuwd.7 Het gestuwde materiaal bestaat voornamelijk uit grindrijk, fijn en grof zand. Op de flanken van de stuwwal werd door smeltwater zand en grind afgezet in een waaivormige structuur. Deze fluvioglaciale sandr-afzettingen bestaan uit matig fijn tot zeer grind, grindhoudend zand en behoren tot de Formatie van Drenthe. Ten westen van de stuwwal van de Nijmegen ligt een strook van fluvioglaciale afzettingen die verder naar het zuiden en noorden toe geleidelijk onder jongere afzettingen wegduiken. Tijdens het Eemien (circa 130.000 – 115.000 jaar geleden) steeg de temperatuur snel, tot net iets boven de huidige waarde.8 De in het Saalien gevormde ijskappen smolten af. In het Weichselien (circa 115.000 – 11.700 jaar geleden), laatste ijstijd, breidden de Scandinavische en Britse ijskappen flink uit maar bereikte Nederland niet.
Tijdens het optimum stond de zeespiegel 120 meter lager dan tegenwoordig. Door het droogvallen van de Noordzee kreeg het klimaat in het Midden-Weichselien (circa 73.000 - 14.700 jaar geleden) een steeds continentaler karakter (koud en droog). In de koudste periode was de vegetatie vrijwel verdwenen zodat het losse materiaal aan het oppervlak gemakkelijk kon verstuiven, waarbij dekzand werd afgezet. Dit dekzand wordt gerekend tot het Laagpakket van Wierden van de Formatie van Boxtel. Dit zand is kalkloos, fijnkorrelig en arm aan grind. Het klimaat werd tijdens het Holoceen (circa 11.700 jaar geleden tot nu) warmer en vochtiger. Het landschap is door geologische processen sindsdien weinig meer veranderd. Het dekzand werd door de toenemende vegetatie vastgelegd en de beken sneden zich in, waarbij ze de natuurlijke laagten volgden, zoals de eerder gevormde dalen.
Volgens de geologische kaart komen ter plaatse van het plangebied in de bodem glaciofluviale afzettingen (grof zand en grind) (Dr5) 9 voor. Deze afzettingen zijn onderdeel van het laagpakket van Schaarsbergen onderdeel van de Formatie van Drenthe. Volgens de geomorfologische kaart (Bijlage 5) ligt het plangebied op een glooiing van sneeuwsmeltwaterafzettingen bedekt of opgevuld met dekzand en/of met (zandige) löss (code 5H21ydl). Direct ten zuiden van deze glooiing ligt een terrasvlakte (code 2M42). Volgens de Stroomgordelkaart Limburg (Bijlage 5B, nummer 838), dateert dit Maas terras uit het Pleniglaciaal (circa 20.100 tot 12.450 jaar geleden). Het plangebied zelf ligt op een Laat Midden Pleniglaciaal Maasterras (nummer 708). Dit terras is circa 40.000 tot 20.000 jaar geleden gevormd. Op het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN3, Bijlage 7) ligt de omgeving van het plangebied op de overgang van de hoger gelegen stuwwal (Nijmegen) naar het lager gelegen en nu droog liggende dalen in het landschap ten westen van het plangebied.
5 Rensink e.a. 2016, 69. 6 Stouthamer 2015, 181. 7 Berendsen 47, 2008. 8 Stouthamer 2015, 201. 9 Geologische overzichtskaart van Nederland, 2010. Pagina | 11
AM21520
Op het AHN is te zien dat het plangebied in een lagergelegen zone van droog dalen ligt. Op de uitgezoomde kaart is de stuwwal van Nijmegen te herkennen als hoger gelegen zone. De maaiveldhoogte in het plangebied varieert tussen de 9,98 en 10,42 meter +NAP. Het plangebied loopt globaal gezien in noordwestelijke richting af.
3.2
Landschappelijke situatie - bodem
Volgens de bodemkaart (Bijlage 6) worden in het plangebied loopodzolgronden in grof zand (code cY30) verwacht. Loopodzolgronden zijn gronden die behoren tot de moderpodzolen. Deze gronden komen doorgaans voor in lemig fijn zand in goed ontwaterde gebieden met een dichte vegetatie. Vooral in de omgeving van nederzettingen zijn op de vlakke delen oude bouwlanden ontstaan, zoals ook hier op de eng in Malden.10 Het gaat om vrij oude cultuurgronden met een opgebracht dek dat afkomstig is van materiaal uit een potstal. Ze bevatten een humushoudende bovengrond met een dikte van 30-50 centimeter, waarvan de bovenste 20-25 centimeter donker grijsbruin van kleur is. De rest van het humushoudende dek heeft een grijsbruine kleur. De B-horizont is geelbruin en gaat geleidelijk over in een gele of lichtgele C-horizont. Deze C-horizont bevat soms roetsbandjes en/of roestvlekjes.11 De loopodzolgronden in de omgeving van het plangebied worden gekenmerkt door grind, beginnend ondieper dan 40 centimeter. Grondwatertrap De mogelijk aanwezige gronden worden gekenmerkt door een gemiddeld lage grondwaterstand, te weten grondwatertrap VII. Dit zijn de gemiddelde grondwaterstanden die op de bodemkaart staan aangegeven. Dit betekent dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand tussen de 80 en 140 centimeter beneden maaiveld ligt.
De gemiddeld laagste grondwaterstand ligt dieper dan 160 centimeter beneden maaiveld. Deze lage grondwaterstand zorgt voor slechte bewaringsomstandigheden voor eventuele organische resten.
3.3
Bewoningsgeschiedenis – historisch overzicht
De bestudeerde en beschikbare bronnen hebben het volgende beeld kunnen schetsen over de geschiedenis van Malden. Het plangebied ligt aan de Droogsestraat in Malden. De historische kern van Malden was lange tijd bescheiden van omvang en bevindt zich aan de huidige Rijksweg rondom de dorpskerk aan het Kerkplein op circa 1 kilometer ten zuidoosten van het plangebied. Deze rijksweg (huidige N844) vormde deels een historische verbindingsweg en liep vanuit Nijmegen via Malden en verder zuidelijk richting Molenhoek en Mook. De naam van de nederzetting Malden wordt voor het eerst in de schriftelijke bronnen vermeld als in een akte uit 1247 sprake is van een kapel te Malden en wordt het de Maldene genoemd. In 1268 is sprake van in malden. De naam is waarschijnlijk afgeleid van het Germaanse mathla, mathal dat te vertalen is als ‘volksvergadering’ of ‘gerechtsplaats’.12 In de 13e eeuw werd het kasteel de Malderburcht gebouwd bij deze kapel, op 1 kilometer ten zuiden van het plangebied.
10 Stiboka 1968, 58. 11 Stiboka 1968, 56. 12 Van Berkel en Samplonius 2006, 284. Pagina | 12
AM21520
De oudste vermelding van een motte stamt uit het begin van de 14e eeuw. In de 15e eeuw raakt de burcht in verval en in de 17e eeuw resteerde er niets meer van het kasteel. Tot in 1348 was Malden een leen van het graafschap Kleef. Daarna werd het een heerlijkheid. In 1769 werd de heerlijkheid aan Nijmegen verkocht. De Droogsestraat vormde een kleine verbindingsweg tussen deze doorgaande weg en de Hatertseweg. De Hatertseweg liep naar het voormalige dorp Hatert (tegenwoordig een wijk in Nijmegen). Aan en bij de Hatertseweg bevonden zich enkele kleine buurtschappen, zoals ook De Drooge aan de Droogsestraat. De zone tussen de Hatertseweg en de rijksweg had een grote open structuur en fungeerde als eng. Een eng is gemeenschappelijk bouwland van een dorp. In de loop van de 19e eeuw ontstond er steeds meer bebouwing binnen deze eng te Malden. Ter plaatse van de Droogsestraat zijn nog structuren zichtbaar van een brink, een (publieke) open ruimte die dienst deed als veedrift en een agrarische functie hadden. In de eerste helft van de 19e eeuw was de onbebouwde ruimte tussen de Hatertseweg en de rijksweg breder en kende bij de Droogsestraat en het noordelijker gelegen Jufferstraat een soort driehoekige of trechtervorm. Van hieruit konden de schapen naar de heidegronden worden geleid.
Deze schaapsdriften begonnen bij de boerderijen, waarna ze in dit geval richting het zuiden verder uiteenliepen.13 In de Tweede Wereldoorlog bevond zich langs het Maas-Waalkanaal, van Weurt tot Heumen, een Nederlandse verdedigingslinie met kazematten.14 Ter plaatse zijn geen grote oorlogshandelingen bekend. Wel richtte de Duitse overtocht over het MaasWaalkanaal zich op de verkeersbruggen bij Heumen, Malden en Hatert. Zo werd de brug bij Malden (Maldense brug of Hoge brug) tijdens de terugtocht opgeblazen door de Nederlandse troepen op 10 mei 1940.15 Tijdens Operatie Market Garden in 1944 vonden veel gevechten plaats in de omgeving, zoals bij Nijmegen, Grave en Groesbeek. In de omgeving (Overasselt en Groesbeek) werden parachutisten gedropt. Ook vonden zware gevechten plaats bij de sluisbrug bij Heumen tussen de geallieerden en de Duitse troepen. Op 18 september 1944 werd Malden bevrijdt. Ten oosten van Malden lag het militaire vliegveld “De Kluis”. Deze werd in 1945 aangelegd. De hier gestationeerde vliegtuigen hadden feitelijk de taak om het Duitse afweergeschut uit te schakelen. Er zijn geen concrete gegevens dat in het plangebied of onmiddellijke omgeving oorlogshandelingen hebben plaatsgevonden.
13 Keunen, Van der Veen en Willemse 2013, 60. 14 www.erfgoedheumen.nl/mediabank. 15 Van Blankenstein 2006, 136. Pagina | 13
AM21520
3.4
Bewoningsgeschiedenis – archeologische waarden
Op de leidende Archeologische Beleidskaart van de gemeente Heumen geldt voor het plangebied een hoge archeologische verwachting (Bijlage 4).16 In de omgeving van het plangebied (binnen een straal van circa 1 kilometer) zijn volgens de gegevens uit Archis3 geen archeologische monumenten aanwezig en zijn meerdere archeologische waarnemingen en onderzoeksmeldingen bekend (Bijlage 3 en Tabel 1). In onderstaande tabel worden binnen de genoemde straal alle vindplaatsen en de relevante archeologische onderzoeken beschreven. Zaakidentificatie 3987456100/
Afstand Circa 170 m ten NW
Soort onderzoek IVO-o door Econsultancy BV
Omschrijving Het onderzoek bestaat uit 4 percelen. In perceel 1 is de
3987464100
van het plangebied
in 2016
bodem tot 60-140 cm -mv verstoord. De verwachting voor dit perceel wordt voor alle periodes bijgesteld naar laag. Op de percelen 2 en 3 worden archeologische waarde verwacht. Voor perceel 4 wordt de dubbelbestemming archeologie gehandhaafd.
4761978100
Circa 80 m ten W van
IVO-p door Laagland
Tijdens het onderzoek is aardewerk (industrieel wit), metaal
het plangebied
Archeologie BV in 2020
en greppel/sloot aangetroffen uit de nieuwe tijd laat tot recent. Er is geen archeologische vindplaats aangetroffen. Er is geen vervolgonderzoek geadviseerd.
4704134100
Circa 85 m ten W van
IVO-o door Laagland
De bodem bestaat uit een AC-profiel waarbij geen tekenen
het plangebied
Archeologie BV in 2019
van verstoring zijn aangetroffen. Op basis hiervan kunnen er archeologische resten vanaf het neolithicum verwacht worden. Er is een vervolgonderzoek in de vorm van een proefsleuvenonderzoek geadviseerd.
4561145100
Vanaf circa 420 m ten
BO door Antea Group
Het onderzoek betreft de vaargeul Boven-Rijn en Waal,
W van het plangebied
Archeologie in 2017
Nederrijn en Lek en Maas-Waalkanaal. De vergraven oevers en vaargeul worden vrijgegeven. Wanneer in de vaste bodem van de rivier wordt gegraven is er een vervolgonderzoek geadviseerd in vorm van een archeologische begeleiding.
4745907100
Circa 1 km ten W van
BO door Archeopro in 2019
het plangebied
Voor het onderzoeksgebied geldt een hoge verwachting voor resten uit de periode neolithicum – Romeinse tijd. Voor de lagergelegen zones geldt een middelhoge verwachting. Er is een vervolgonderzoek geadviseerd in de vorm van een verkennend booronderzoek.
2220269100
Circa 600 m ten Z van
IVO-o door ADC
Het aangetroffen bodemprofiel bestaat uit een AC-profiel
het plangebied
ArcheoProjecten in 2008
waarbij in bijna alle boringen sprake is van een plaggendek of een restant ervan. Er is een vervolgonderzoek geadviseerd in de vorm van een proefsleuvenonderzoek.
2310738100
Circa 600 m ten Z van
IVO-p door ADC
Er zijn 8 proefsleuven aangelegd waaruit blijkt dat het
het plangebied
ArcheoProjecten in 2010
onderzoeksgebied verstoord is geraakt als gevolg van woningbouw met kelders. De kelder reiken tot in de Chorizont. Er zijn nauwelijks sporen van archeologische
16 Keunen, Van der Veen en Willemse 2013, 59-60. Pagina | 14
AM21520
Zaakidentificatie
Afstand
Soort onderzoek
Omschrijving waarde aangetroffen. Op basis hiervan is er geen vervolgonderzoek geadviseerd.
2725483100
Circa 650 m ten O van
Registratie archeologische vondstmelding in 1974 van
het plangebied
keramiek
(knikwandpot/biconisch,
glad-/ruwwandig)
en
grafveld uit de vroege middeleeuwen B. Er zijn geen verdere gegevens bekend in Archis en DansEasy. 4992763100
Circa 660 m ten O van
IVO-o door Econsultancy BV
De bodem bestaat uit een licht geroerd eerddek. Hieronder
het plangebied
in 2021
zijn
sandr-afzettingen
vervolgonderzoek
aangetroffen.
geadviseerd
in
de
Er
is
een
vorm
van
een
proefsleuvenonderzoek. 4544654100
Circa 420 m ten O van
IVO-o door BAAC BV in 2017
het plangebied
Tijdens het onderzoek zijn artefacten uit de 19e eeuw aangetroffen maar deze duiden niet op een in-situ vindplaats. In het zuidelijk deel van de onderzoekslocatie is een podzolbodem aangetroffen. Er is een vervolgonderzoek geadviseerd in de vorm van een proefsleuvenonderzoek.
2268895100
Circa 460 m ten NO
IVO-o door RAAP in 2009
van het plangebied
Er zijn geen aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van een intacte archeologische vindplaats. Er is geen vervolgonderzoek geadviseerd.
4662396100
Circa 560 m ten NO
IVO-o door Salisbury
De bodemopbouw bestaat uit een bouwvoor/verstoorde laag
van het plangebied
Archeologie b.v. in 2019
op een 20 – 65 cm dik esdek/cultuurdek. Hieronder zijn Pleistocene smeltwaterafzettingen aangetroffen. De top van deze afzettingen zijn intact. Er is een proefsleuvenonderzoek geadviseerd.
2179924100
4000105100
Circa 250 m ten NO
IVO-o door ArcheoPro in
van het plangebied
2007
Circa 770 m ten Z van
IVO-p door RAAP in 2016
het plangebied
Er zijn geen verdere gegevens bekend in Archis en DansEasy.
In een proefsleuf werd een cluster paalkuilen gevonden. De gecoupeerde sporen lagen op een diepte tussen 10 en 30 cm. De enige vondst uit deze put (uit een grondspoor) is een fragment handgevormd aardewerk. Mogelijk gaat het om sporen van opslagschuren/platforms (spiekers) uit de ijzertijd
4547262100
Circa 850 m ten Z van
IVO-p door RAAP in 2017
het plangebied
Tijdens het onderzoek werden 34 sporen aangetroffen. Het vondstmateriaal dateert een deel van de sporen in de late bronstijd en de vroege ijzertijd. In het zuiden van het plangebied
is
een
deel
van
een
gebouwstructuur
aangetroffen. Het lijkt hierbij te gaan om een ijzertijd huisplattegrond. 4016825100
Circa 880 m ten Z van het plangebied
DO door RAAP in 2016
De opgraving (terrein voormalige St. Jozefschool, net als de hierboven genoemde proefsleuvenonderzoeken in 2016 en 2017 door RAAP) heeft echter uitgewezen dat hier in de Merovingische tijd gebouwen, waterputten en bijgebouwen stonden.
Tijdens
gebouwplattegronden,
de twee
opgraving hutkommen
zijn
twee
en
twee
waterputten gevonden. De dakpanfragmenten uit de Romeinse tijd die in de sporen van de driebeukige gebouwplattegrond zijn gevonden, moeten gezien de Pagina | 15
AM21520
Zaakidentificatie
Afstand
Soort onderzoek
Omschrijving datering van het aardewerk (500-700 na Chr.) en een 14C datering van een waterput (in de periode 474-646 na Chr.) als hergebruikt Romeins bouwmateriaal worden gezien. Ouder is een kuil met fragmenten aardewerk uit het eind van de vroege of uit de midden-bronstijd. De kuil is mogelijk als opslagkuil (silo) voor voedsel gebruikt. Het enige fragment vuursteen dat gevonden is dateert mogelijk uit dezelfde periode. Tijdens de archeologische begeleiding zijn een groot aantal kuilen gevonden met WO2 materiaal die te maken hebben met militaire inkwartiering in de periode 1944/1945
3151997100
Circa 980 m ten Z van
AB door SOB Research in
Het in het noordwestelijk deel van het vlak aangetroffen
2082091100
het plangebied
2003
cluster van sporen kan op grond van het aangetroffen aardewerk in de vroege ijzertijd worden gedateerd. De hier aangetroffen plattegrond van een zespalige structuur is waarschijnlijk
een
spieker
of
schuur.
Tijdens
een
booronderzoek in 2001 werd aardewerk (en houtskool) aangetroffen uit de late bronstijd of de vroege ijzertijd aangetroffen. 2837141100
Circa 1000 m ten Z van het plangebied
Opgraving Renaud in 1960
Tijdens een opgraving bij de voormalige kerk werd een laatmiddeleeuwse paalkuilen van een ‘houten heiligdom’ gevonden
en
funderingsresten
van
de
afgebroken
middeleeuwse tufstenen Romaanse kerk Tabel 1. Overzicht van Archismeldingen binnen een straal van 1 kilometer rond het plangebied.
3.5
Bewoningsgeschiedenis – historisch kaartmateriaal
In het kader van het bureauonderzoek is historisch kaartmateriaal bestudeerd. Op het minuutplan uit het begin van de 19e eeuw (Figuur 2)17 is de situatie op kadastraal niveau te zien. Op de kaart is heel duidelijk de trechterachtige vorm van de veedrift te zien van waaruit het vee (schapen) richting de heidegronden werden geleid. Deze zone is dan ook onbebouwd. De bebouwing ligt kenmerkend aan de randen van deze veedrift. Volgens de Oorspronkelijke Aanwijzende Tafels (OAT)18 behorende bij het minuutplan, is het perceel als weiland in gebruik en in gemeentelijk bezit (brink). De bebouwing staat vermeld als huis en erf en de omliggende, vaak blokvormige percelen zijn als bouwland in gebruik. De oorspronkelijke uitloper van de Droogsestraat lijkt direct ten zuiden en noorden van het plangebied te lopen en begrensd hiermee de veedrift. Op de kaarten uit 1880 en 1920 (Figuur 3) is de veedrift verdwenen en is de Droogsestraat recht tot aan de Hatertseweg doorgetrokken. Deze voormalige ligging van de straat loopt door het plangebied. Het plangebied is verder onbebouwd en naast weg als bouwland in gebruik. Direct ten oosten van het plangebied is, aan de Droogsestraat, en ook direct ten noordoosten van het plangebied is de bebouwing te herkennen die oorspronkelijk langs de randen van de veedrift lagen. Ook aan de Hatertseweg en de rijksweg is meerdere bebouwing aanwezig.
Duidelijk is de ligging van de genoemde weg te herkennen die verder noordelijk steeds verder uit elkaar gaan lopen. Op de kaarten uit 1950 en 1975 is de huidige ligging van de Droogsestraat te zien.
17 www.beeldbank.cultureelerfgoed.nl Gemeente Heumen, sectie G blad 2. Minuutplans zijn de oorspronkelijke kadastrale kaarten die zijn vervaardigd vanaf 1811 en 1812 in navolging van de Fransen o.l.v. Napoleon Bonaparte. Het zijn grondbeschrijvingen (kadasters) van de gemeenten met hierop aangegeven de percelen, perceelnummers en gebouwen. 18 OAT = Oorspronkelijke Aanwijzende Tafel. Dit is een register uit 1832 waarin diverse gegevens in vermeld staan die betrekking hebben op de betreffende percelen, zoals de eigenaar, beroep en woonplaats, alsmede het grondgebruik en de oppervlakte. Pagina | 16
AM21520
Op de kaart uit 1975 is nu ook de huidige bebouwing in het zuidelijke deel van het plangebied aanwezig evenals de omliggende gebouwen. Het plangebied is verder als weiland in gebruik. Volgens de gegevens uit de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG) stamt de huidige bebouwing (stallen) uit of kort na 1947 en 1978.19
Figuur 2. Uitsnede van het kadastraal minuutplan uit 1811-1832, met in het rood bij benadering het plangebied aangegeven (Bron: www.beeldbank.cultureelerfgoed.nl).
19 www.bagviewer.kadaster.nl. Pagina | 17
AM21520
Figuur 3. Uitsneden van historische kaarten uit de perioden 1880, 1920, 1950 en 1975. Het plangebied is aangegeven met het rode kader (Bron: www.topotijdreis.nl).
Pagina | 18
AM21520
4. VERWACHTINGSMODEL Jager-verzamelaars uit het paleolithicum en mesolithicum hebben als woon- en verblijfplaats vaak voor de flanken van hoger liggende terreingedeelten in het landschap gekozen. Bij voorkeur in de buurt van (open) water. Nabijgelegen watervoorzieningen waren belangrijk voor drinkwater en de aanwezige biodiversiteit. Dit vergemakkelijkt de jacht en het verzamelen van plantaardig voedsel. De omgeving van het plangebied ligt op de overgang van de hoger gelegen stuwwal van Nijmegen naar de lagergelegen terrasvlakte. Het plangebied zelf ligt op een glooiing van sneeuwsmeltwaterafzettingen mogelijk bedekt met dekzand. De terrasvlakte ten westen van het plangebied vormde ten tijde van het laat-paleolithicum de actieve riviervlakte. Binnen het plangebied is er dan sprake van een gradiëntzone. Hierdoor is het plangebied een aantrekkelijke vestigingslocatie. Echter, in de directe en wijde omgeving van het plangebied zijn tot op heden geen vuursteenvondsten bekend. Mogelijk heeft dit te maken te weinige archeologische onderzoeken die hebben plaatsgevonden in de directe omgeving van het plangebied. Toch kan zeker niet uitgesloten worden dat het plangebied als vestigingslocatie is gekozen. Om deze redenen wordt een hoge verwachting toegekend voor vindplaatsen uit het laat-paleolithicum. Op circa 780 meter ten westen ligt een restgeul van de Maas.
Er is geen informatie bekend wanneer deze geul actief was. Indien deze geul watervoerend was ten tijde van het mesolithicum, dan maakt dit de omgeving van het plangebied aantrekkelijk als vestigingslocatie. Echter, de relatief grote afstand tot de watervoorziening maakt het plangebied minder aantrekkelijk als vestigingslocatie. Op basis hiervan geldt een middelhoge verwachting voor de periode mesolithicum. Eventueel aanwezige resten uit de periode laat-paleolithicum en mesolithicum worden onder de bouwvoor of in de oorspronkelijke bodem verwacht en kunnen onder andere bestaan uit tijdelijke bewoningssporen, haardkuilen, vuursteenstrooiingen. Vanaf het (laat-)neolithicum ontstaan de eerste landbouwculturen die gekenmerkt worden door meer sedentaire nederzettingen. De nederzettingen worden gekenmerkt door permanente woningen die soms diep in de grond gefundeerd waren. Vanaf deze perioden heeft men nog steeds een voorkeur voor hoger en droger gelegen gebieden. In de directe omgeving van het plangebied, met een vergelijkbare landschappelijke ligging, zijn tot op heden geen vondsten bekend uit deze periode. Mogelijk heeft ook dit te maken te weinige archeologische onderzoeken die hebben plaatsgevonden in de directe omgeving van het plangebied.
Voor de latere landbouwende samenleving zal het plangebied vanwege de relatief hoge ligging in het landschap en enigszins nabij watervoorzieningen een aantrekkelijke vestigingslocatie zijn geweest. Op basis hiervan geldt een hoge verwachting voor deze perioden. Resten worden onder de bouwvoor of in de oorspronkelijke bodem verwacht en kunnen onder andere bestaan uit cultuurlagen, paalkuilen/-gaten, afvalkuilen, fragmenten aardewerk, natuursteen of gebruiksvoorwerpen. Het plangebied ligt aan de Droogsestraat op circa 1 kilometer ten noordwesten van de laatmiddeleeuwse dorpskern van Malden. De Droogsestraat vormde een kleine verbindingsweg tussen de huidige rijksweg en de Hatertseweg, de uitvalswegen naar respectievelijk Nijmegen en Hatert. De zone tussen de Hatertseweg en de rijksweg had een grote open structuur en fungeerde als eng, een gemeenschappelijk bouwlandveld. Ter plaatse van de Droogsestraat zijn nog structuren zichtbaar van een open ruimte die dienstdeed als schaapsdrift. Deze drift staat nog aangegeven op het minuutplan uit het begin van de 19e eeuw. Deze drift wordt in het noorden en zuiden begrensd door de oorspronkelijke loop van de Droogsestraat. Eind 19e eeuw – begin 20e eeuw loopt de Droogsestraat door het plangebied. In de tweede helft van de 20e eeuw wordt de Droogsestraat rechtgetrokken en vormt het de noordelijke begrenzing van het plangebied.
Het plangebied blijft onbebouwd tot circa 1950, al de huidige stallen in het zuidelijke deel van het plangebied worden gebouwd. Pagina | 19
AM21520
Er is in de directe omgeving wel meerdere bebouwing aanwezig aan zowel de Droogsestraat als de Hatertseweg. Het is niet uit te sluiten dat binnen het plangebied historische bebouwing aanwezig was uit de periode vóórdat het de functie van schaapsdrift kreeg, al dan niet bestaande uit bijgebouwen (schuur, stal) van de omringende bebouwing. Ook kunnen binnen het plangebied resten aanwezig zijn van de voormalige (laat 19e -eeuwse) loop van de Droogsestraat. Op basis van deze gegevens geldt voor het plangebied een hoge verwachting voor de periode late middeleeuwen en nieuwe tijd. Archeologische resten worden vanaf het maaiveld verwacht en kunnen onder andere bestaan uit onder andere cultuurlagen, paalkuilen/-gaten, afvalkuilen, gebruiksvoorwerpen van bijvoorbeeld natuursteen, fragmenten aardewerk, restanten van wegen en sporen van agrarische activiteiten. Wat betreft de conservering en gaafheid van eventuele archeologische resten kan het volgende gesteld worden: Wegens de aanwezigheid van een mogelijke eerdlaag waren archeologische resten beschermd tegen latere invloeden. Over het algemeen kunnen vondsten en sporen onder zo’n dek in goede toestand worden aangetroffen.
Wat betreft de organische resten zijn de omstandigheden minder goed: het grootste deel van het plangebied heeft op de bodemkaart een relatief lage grondwaterstand (GWT VII) waardoor organische resten vaak enkel in diepere, waterhoudende sporen zoals waterputten bewaard kunnen blijven. Periode Laat-paleolithicum
Mesolithicum
Verwachting Hoog
Middelhoog
Verwachte kenmerken vindplaats
Diepteligging sporen
Resten van kampementen, fragmenten
Onder de bouwvoor of in de oorspronkelijke
vuursteen, natuursteen,
bodem
gebruiksvoorwerpen
(laat)-neolithicum –
Hoog
vroege
Nederzettingsresten, fragmenten aardewerk,
Onder de bouwvoor of in de oorspronkelijke
natuursteen, gebruiksvoorwerpen
bodem
Cultuurlaag, funderingsresten, natuursteen,
Vanaf het maaiveld
middeleeuwen Volle middeleeuwen – nieuwe tijd
Hoog
fragmenten aardewerk, gebruiksvoorwerpen, sporen van agrarische activiteiten, restanten wegen/paden (vml. Droogsestraat)
Tabel 2. Archeologische verwachting per periode.
Bodemverstoring Ter plaatse van de huidige bebouwing (stallen, schuren) in het zuidelijke deel van het plangebied is de bodem tot zekere diepte verstoord zijn geraakt. Er zijn geen gegevens van bodemverstoringen binnen het plangebied bekend. Mogelijk is verstoring opgetreden als gevolg van het gebruik als akkerland (diepploegen) en/of de voormalige loop van de Droogsestraat die vermoedelijk door het plangebied liep in de late 19e -vroege 20e eeuw. Op basis van de KLIC-melding (uitgevoerd op 13 januari 2022) zijn binnen het plangebied geen kabels/leidingen gegraven die voor een verstoring van de bodem kunnen hebben gezorgd.
Pagina | 20
AM21520
5. VELDWERKZAAMHEDEN 5.1
Algemeen
Het doel van het verkennend veldonderzoek door middel van boringen is het toetsen van de opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied (Hoofdstuk 4). Hiertoe zijn op 18 januari 2022 in totaal 6 boringen gezet (zie Bijlage 2 en 8). De boringen zijn uitgevoerd met een Edelmanboor met een diameter van 7 centimeter. De boordiepte varieerde van 70 tot 120 centimeter –maaiveld. De boorkernen zijn conform ASB (Archeologische Standaard Boorbeschrijving 5.2) beschreven, zie Bijlage 8. De hoogteligging van de boorpunten ten opzichte van NAP is afgeleid van het AHN3 (www.ahn.nl). De maaiveldhoogte in het plangebied varieert tussen de 9,98 en 10,42 meter +NAP. Het plangebied loopt globaal gezien in noordwestelijke richting af. Er is geen oppervlakte kartering uitgevoerd in verband met de aanwezige begroeiing en verharding.
Figuur 4. Foto plangebied, kijkende in zuidelijke richting. (Foto: 18 januari 2022)
Pagina | 21
AM21520
5.2
Fysisch geografische beschrijving van de bodemopbouw
De top van de bodem wordt gevormd door een pakket matig humeus matig fijn zand. Dit pakket heeft en donker grijsbruine kleur en heeft dikte van circa 30 centimeter. In boringen 5 en 6 is dit pakket dikker, circa 50 tot 60 centimeter. Kenmerkend voor dit pakket is het voorkomen van grind. In boring 5 bevat dit pakket sporen plastic. De natuurlijke ondergrond bestaat uit een pakket matig fijn tot matig grof grindrijk zand. De kleur varieert van grijsbeige tot neutraal beige. In boringen 2 en 6 is onder dit pakket een laag sterk zandig grind aangetroffen. In boring 3 is op circa 70 centimeter onder maaiveld spikkels houtskool waargenomen. De top van de natuurlijke ondergrond varieert van circa 30 tot 60 centimeter onder maaiveld. Dit komt overeen met circa 9,74 tot 9,98 meter +NAP. Ter hoogte van boringen 1, 3, 5 en 6 wordt de top van de natuurlijke ondergrond gevormd door een matig fijn tot matig grof grindrijk zandpakket. De kleur van dit pakket is donkerbeige tot bruinbeige en heeft een dikte van circa 5 tot 15 centimeter.
Ap-hor
BC-hor
C-hor
0 cm -mv
80 cm -mv
Figuur 5. Foto van boring 3. De leesrichting is van links naar rechts (0 – 80 centimeter).
5.3
Interpretatie
Uit het verkennend booronderzoek blijkt dat de natuurlijke ondergrond bestaat uit glaciofluviale afzettingen van het Laagpakket van Schaarsbergen (Formatie van Drenthe). De glaciofluviale afzettingen (dalopvulling) bestaan uit grindrijk matig fijn tot matig grof zand en sterk zandig grind. Deze afzettingen zijn afgezet tijdens het Saalien (voorlaatste ijstijd, circa 380.000 – 130.000 jaar geleden). De natuurlijke ondergrond bevindt zich op een diepte van circa 30 tot 60 centimeter onder maaiveld. Dit komt neer op een gemiddelde diepte van circa 9,74 tot 9,98 meter +NAP. De top van de bodem wordt in het grootste deel van het plangebied gevormd door een circa 30 tot 45 centimeter dikke moderne ploeglaag (Ap-horizont). Hieronder volgt in boringen 5 en 6 een circa 20 tot 30 centimeter dikke antropogeen opgebracht pakket (Aa-horizont). In boringen 1, 3 en 5 volgt onder de Ap- en/of Aa-horizont een circa 5 tot 15 centimeter dunne laag bruinbeige tot donker beige zand aangetroffen. De laag is geïnterpreteerd als een BC-horizont. In boringen 4 en 6 ontbreekt deze laag. Hier gaat het humeuze toppakket (Ap- en/of Aa-horizont) scherp over in de natuurlijke ondergrond. Dit is mogelijk als gevolg van moderne grondbewerking en ploegactiviteiten.
Pagina | 22
AM21520
5.4
Archeologische indicatoren
Alhoewel geen doel van een verkennend veldonderzoek met boringen, is gelet op de aanwezigheid van archeologische indicatoren die kunnen wijzen op archeologische waarden in de ondergrond. Tijdens het onderzoek zijn dergelijke indicatoren echter niet aangetroffen.
Pagina | 23
AM21520
6. CONCLUSIE 6.1
Algemeen
Op basis van het uitgevoerd verkennend veldonderzoek middels boringen kan worden gesteld dat in een groot deel van het plangebied een deels intact bodemprofiel aanwezig is. De natuurlijke ondergrond bestaat uit glaciofluviale afzettingen van het Laagpakket van Schaarsbergen (Formatie van Drenthe). Deze afzettingen bestaan uit grindrijk matig fijn tot matig grof zand en sterk zandig grind. De natuurlijke ondergrond bevindt zich op een diepte van circa 30 tot 60 centimeter onder maaiveld. Dit komt neer op een gemiddelde diepte van circa 9,74 tot 9,98 meter +NAP.
Er is tijdens het veldonderzoek ook vastgesteld dat de bodem in meer of mindere mate verstoord is. Er is tijdens het veldonderzoek ook vastgesteld dat de bodem in meer of mindere mate verstoord is. In boringen 1, 3, 5 en 6 is een BC-horizont aangetroffen. In de overige boringen (nummers 2 en 4) zijn geen sporen van een E- en/of B-horizont waargenomen. Aangenomen wordt dat een eventueel aanwezige podzolbodem door bewerking van het land geheel is opgenomen in de Ap-horizont. Het podzolprofiel is dus afgetopt maar de aanwezigheid van de BC-horizont kunnen voor de daaropvolgende periode van meer sedentaire bewoningsvormen met robuustere sporen nog in goede staat aangetroffen worden. Om deze redenen blijft de archeologische verwachting uit het bureauonderzoek voor het plangebied gehandhaafd (hoog voor het laat-paleolithicum, middelhoog voor het mesolithicum en hoog voor het neolithicum tot en met de nieuwe tijd).
6.2
Beantwoording onderzoeksvragen
Is er sprake van stratigrafische lagen die potentieel archeologische waarden kunnen bevatten? Ja. In boringen 1, 3, 5 en 6 is een deels intact podzolprofiel aangetroffen. Het gaat hierbij om de BC-horizont. De bovenliggende horizonten zijn door jarenlange bewerking van het land opgenomen in het bovenliggende pakket. Het opgebrachte dek heeft een conserverende werking op de eventueel aanwezige archeologische resten.
In hoeverre zijn deze lagen intact en hoe reflecteert dit de kwaliteit van de mogelijk aanwezige archeologische resten? In het grootste deel van het plangebied is de podzolbodem deels intact. De afwezigheid van een E- en B-horizont kan duiden op een recentere bewerking van de bodem. Het podzolprofiel is dus afgetopt maar de aanwezigheid van de BC-horizont kunnen voor de daaropvolgende periode van meer sedentaire bewoningsvormen met robuustere sporen nog in goede staat aangetroffen worden.
Wat is de diepteligging van mogelijke archeologische resten en wat is de daadwerkelijke bedreiging van deze resten door de voorgenomen bodemingrepen? Eventuele archeologische resten kunnen aangetroffen worden onder A-horizont. De onderkant van de A-horizont en de begraven geploegde horizont bevindt zich op een diepte van circa 30 centimeter onder maaiveld. Ten tijde van dit onderzoek is de precieze einddiepte en locatie van de toekomstige ingrepen niet bekend. De graafwerkzaamheden bij de voorgenomen plantontwikkeling kunnen een negatieve impact hebben en resulteren in de aantasting van eventueel aanwezige archeologische resten.
Pagina | 24
AM21520
7. AANBEVELINGEN Op basis van het uitgevoerd verkennend veldonderzoek middels boringen kan worden gesteld dat de in het bureauonderzoek omschreven verwachte hoge bruine enkeerdgronden in het plangebied zijn aangetroffen. Er zijn geen resten van een E- en/of B-horizont waargenomen in de boringen. Dit is mogelijk het gevolg van een egalisatie en/of opname in het bovenliggend dek door ploegen. Tussen de natuurlijke ondergrond en de humeuze bovengrond is in een groot deel van het plangebied een BChorizont aangetroffen. Op basis van deze gegevens blijft de archeologische verwachting voor het aantreffen van archeologische resten gehandhaafd als zijnde hoog voor het laat-paleolithicum, middelhoog voor het mesolithicum en hoog voor het neolithicum tot en met de nieuwe tijd. De graafwerkzaamheden bij de voorgenomen planontwikkeling kunnen een negatieve impact hebben op het verwachte aanwezige archeologische niveau. Op basis van de bodemkundige gesteldheid kunnen op circa 30 centimeter beneden maaiveld archeologische resten aanwezig zijn. Op basis hiervan wordt voor het plangebied een vervolgonderzoek geadviseerd. Dit vervolgonderzoek vindt bij voorkeur in de vorm van een proefsleuvenonderzoek plaats. Hiervoor dient voorafgaand een Programma van Eisen (PvE) ter toetsing te worden voorgelegd te worden aan de bevoegde overheid (gemeente Heumen).
De resultaten van dit onderzoek zijn getoetst en akkoord bevonden door de bevoegde overheid (gemeente Heumen), dat op basis van het uitgebrachte advies een besluit zal nemen.20 Wij willen de opdrachtgever erop wijzen dat dit selectieadvies nog niet betekent dat al bodemverstorende activiteiten of daarop voorbereidende activiteiten kunnen worden ondernomen. Het uitgevoerde onderzoek is verricht conform de gestelde eisen en gebruikelijke methoden. Het onderzoek is gericht op het inzichtelijk maken van de toestand van het aanwezige bodemarchief. Hiermee kan de beschadiging dan wel vernietiging als gevolg van de voorgenomen verstoring van een mogelijk aanwezig bodemarchief tot een minimum worden beperkt. Echter kan door de aard van het onderzoek, steekproefsgewijs, niet volledig worden uitgesloten dat er archeologische resten aan- of afwezig zullen zijn. Als gevolg hiervan is bij het aantreffen van archeologische resten het, conform de Erfgoedwet van 2016, artikel 5.10 (Archeologische toevalsvondst) en 5.11 (Waarneming), een meldingsplicht van toepassing.
20 Gemeente Heumen, selectiebesluit 31-08-2022. Pagina | 25
AM21520
LITERATUURLIJST Auwerda, F./ P. Grimm, 2008: Verliesregister 1939-1945, Alle militaire vliegtuigverliezen in Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog, Den Haag. Bakker, de, H., 1966: ‘De subgroepen van het systeem van bodemclassificatie voor Nederland’, in Boor en spade: verspreide bijdragen tot de kennis van de bodem van Nederland, Wageningen. Bakker, de, H./ J. Schelling, 1989: Systeem van bodemclassificatie voor Nederland, de hogere niveaus. Staring Centrum, Wageningen. Berendsen, H.J.A., 2010: Fysisch-geografisch onderzoek, Assen. Berendsen, H.J.A., 2011: De vorming van het land. Inleiding in de geologie en Geomorfologie, Assen. Berendsen, H.J.A., 2005: Landschappelijk Nederland, Assen. Berendsen, H.J.A./E. Stouthamer/K.M. Cohen/W.Z. Hoek, 2019: Landschap in delen. De fysisch-geografische regio’s, Utrecht. Berkel, G. van/ K. Samplonius, 2006: Nederlandse plaatsnamen. Herkomst en Historie, Utrecht (Prisma). Blankenstein, van, E., 2006: Defensie- en oorlogsschade in kaart gebracht (1939 – 1945), Zeist. Cate, ten, J. A. M./ A. F. van Holst/ H. Kleijer/ J. Stolp, 1995: Handleiding bodemgeografisch onderzoek, richtlijnen en voorschriften. Deel A: Bodem, Wageningen, DLO-Staring Centrum. Technisch Document 19A. Keunen, L.J./ D. Jansen, 2017: Samen in verscheidenheid: beleidsnota cultuurhistorie voor de gemeenten Beuningen, Wijchen, Heumen en Druten, Weesp. Keunen, L.J./ S.
van der Veen/ N.W. Willemse, 2013: Een verscheidenheid aan landschappen tussen Maas en Nederrijkswald. Actualisatie archeologische waarden- en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Heumen, Weesp (RAAP rapport 2739). Mulder, de, E.J.F./ M.C. Geluk/ I. Ritsema/ W.E. Westerhoff/ T.E. Wong, 2003: De ondergrond van Nederland. Utrecht. Rensink, E./ H.J.T. Smeets/ M. Kosian/ H. Feiken/ B.I. Smit, 2019: Archeologische Landschappenkaart van Nederland, versie 3.0, Amersfoort. SIKB, 2006: Leidraad inventariserend veldonderzoek, Deel: karterend booronderzoek, Gouda. Stiboka (Stichting voor Bodemkartering), 1985: Toelichting bij de kaartbladen 45 Oost ’s-Hertogenbosch en 46 West-46 Oost Vierlingsbeek, Wageningen. Stouthamer, E./ K.M. Cohen/ W.Z. Hoek, 2020: De vorming van het land. Geologie en Geomorfologie, Utrecht. TNO, 2010: Geologische overzichtskaart van Nederland, Den Haag (www.dinoloket.nl). Zonneveld, J.I.S., 1981: Vormen in het landschap, hoofdlijnen van de geomorfologie, Utrecht.
Pagina | 26
AM21520
Digitale bronnen: www.archis.cultureelerfgoed.nl
RCE, Archis3, zoeken & vinden)
www.bagviewer.kadaster.nl
Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG)
www.beeldbank.cultureelerfgoed.nl
Kadastraal minuutplan
www.cultureelerfgoed.nl
Bronnen en kaarten
www.erfgoedheumen.nl/mediabank
Erfgoedplatform Heumen
www.pdok.nl
Basisregistratie Grootschalige Topografie (2019), kadaster.
www.ruimtelijkeplannen.nl
Bestemmingsplan
www.topotijdreis.nl
Bonnebladen en Topografische kaarten van Nederland
Archeologische kaarten en databestanden: Actueel Hoogtebestand van Nederland (2008-2019). AHN2 en AHN3 (Geraadpleegd via www.arcgis.com, bijlage in QGIS vervaardigd op basis van digitale data). Alterra 2009: Bodemkaart van Nederland, schaal 1:50.000, blad 46 West, Wageningen UR (Geraadpleegd via https://zoeken.cultureelerfgoed.nl, bijlage in QGIS vervaardigd op basis van digitale data Alterra). Alterra
2019:
Geomorfologische
kaart
van
Nederland,
schaal
1:50.000,
Wageningen
UR
(Geraadpleegd
via
https://zoeken.cultureelerfgoed.nl, bijlage in QGIS vervaardigd op basis van digitale data Alterra). Archeologische Monumenten Kaart (AMK), Rijksdienst voor Cultureel erfgoed (RCE), Amersfoort, 2007 (Geraadpleegd via https://zoeken.cultureelerfgoed.nl). Archeologisch Informatie Systeem II (Archis3), Rijksdienst voor Cultureel erfgoed (RCE), Amersfoort, 2015 (Geraadpleegd via https://zoeken.cultureelerfgoed.nl). Keunen, L.J./ S. van der Veen/ N.W. Willemse, 2013: Een verscheidenheid aan landschappen tussen Maas en Nederrijkswald. Actualisatie archeologische waarden- en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Heumen, Kaartbijlage 1: Archeologische waarden- en verwachtingskaart, Weesp (RAAP rapport 2739). Maas, G. J./ W.M. van der Meij/ S. P. J. v. Delft/ A. H. Heidema, 2019. Toelichting bij de legenda Geomorfologische kaart van Nederland, schaal
1:
1:50
000
(2019).
Wageningen,