Bijlage IV Quickscan flora en fauna geanonimiseerd
Tekst van het document
O BLOM eye) ele] 2
7 oe
Quickscan Wet natuurbescherming
—_—
Oriénterend onderzoek ecologie in het kader van de Wet py eee ae 7 ; :
:
blomecologie.nl
ee
ee ee
Colofon
Status:
Definitief
Project:
2023-1121
Datum:
29 september 2023
Samensteller:
Collegiale toets: Opdrachtgever:
Buro SRO Oost B.V.
Contactpersoon:
Disclaimer
Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V. Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld.
ss
C)
ha
BLOM
> ECOLOGIE
Inhoud 1 Inleiding
&
1.1
Planlocatie
5
1.2
Beoogde ruimtelijke ingreep
6
2 Methode
7
2.1
Uitvoering onderzoek
7
2.2
Soortenbescherming
7
2.3
Gebiedsbescherming
9
2.4
Houtopstanden
11
2.5
Houdbaarheid en toepassing
1
3 Beoordeling
12
3.1
Soortenbescherming
12
3.2
Gebiedsbescherming
18
5:3
Houtopstanden
19
4 Samenvatting
20
4.1
Soortenbescherming
20
4.2
Gebiedsbescherming
20
4.3
Houtopstanden
20
5 Conclusie
21
5.1 5.2
Conclusie Uitvoerbaarheid
2] 21
5.3
Vervolgstappen
21
5.4
Te treffen maatregelen
21
==
OA BLOM ECOLOGIE
1 Inleiding
Aan de Ee Eee is een woonperceel met een woning, drie schuren en een omheinde tuin
gesitueerd. In de tuin worden kippen gehouden en er staan enkele bomen. De initiatiefnemer is voornemens op dit deel van de tuin een woning te realiseren. Hiervoor dienen meerdere bomen gekapt te worden. Het bestemmingsplan voorziet reeds in de beoogde ruimtelijke ingreep en hoeft derhalve niet te worden gewijzigd. De beoogde ruimtelijke ingreep heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna
(soortenbescherming),
beschermde
natuurgebieden
(gebiedsbescherming) en/of
beschermde
houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ruimtelijke ingreep geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop.
Buro SRO Oost B.V. begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft [EER REMEEE verzocht de planlocatie
te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde soorten, gebieden en houtopstanden. Vervolgens wordt getoetst of de beoogde ruimtelijke ingreep uitvoerbaar is in het kader van de Wet natuurbescherming en/of provinciaal beleid. Onderzoeksdoelen
e
e
e e
Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie en welke negatieve effecten kunnen optreden als gevolg van de
beoogde ruimtelijke ingreep?
Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van provinciaal aangewezen beschermde gebieden? Leidt de beoogde ruimtelijke ingreep tot kap van houtopstanden zoals bedoeld in de Wet natuurbescherming? Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming en/of provinciaal aangewezen beschermde gebieden te worden genomen, en Zoja, welke?
.
se
é =
3 = cau a8 oe
f
eo
ae
% = ws
P
Ss
|.
=
1s
r
MA ;
'
3
Figuur1.1 De planilocatie is gelegen aan de EC ERTrS.
4
aay
OA BLOM ECOLOGIE
1.1.
Planlocatie
De planlocatie is gelegen aan de [EERE ERE (figuur 1.2). Op de planlocatie zijn een woning en
drie schuren gesitueerd. De woning is opgetrokken uit bakstenen muren en heeft een dakpannen dak. De schuren zijn opgetrokken uit bakstenen muren zonder spouw en hebben een golfplaten dak, zonder dakbeschot. Ten zuiden van de woning is een verharde oprit aanwezig. Aan de zuidrand van de planlocatie bevindt zich een omheinde tuin met vele bomen, waaronder okkernoot, ruwe berk, tamme kastanje en zomereik. Deze worden gekapt in de beoogde ingreep. In deze tuin worden kippen gehouden, vandaar de omheining met kippengaas. In figuur 1.3, figuur 1.4 en bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen welke een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan.
liegenda bs ie CE JPlantocatie
xy
[2] Te kappen bomen RX
3 >
i So
u y Ss
a & YQ .
Ee)
ft. ay
a
3
”
re
ee)
Pe
:
by =
a if
* t , Ve CS¥
rr
<f
tesy
fa
j
i
7 be ¥,
Fa
|: an
|
Ye.; 4i PN oO> oe
. XN >
hey
Se
Ot ‘
sy
-
.
re
:
;
N Fh
ASS
7
am
%
,
4 a
ee
~~.
*
a
oe
oo
>?
>
7
= i.
‘y
re
Figuur 1.2 De plantocatie (rood omkaderd)is gelegen aan de EEE EEE.
\
t
*
N
les
De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door woonwijken van de plaats Malden. Aan de zuidzijde van de planlocatie grenst een vijver. Verder wordt de planlocatie omringd door wegen en bebouwing. Op circa 350 m ten westen is het Maas-Waalkanaal gesitueerd. Op circa 1km ten oosten is bomenrijk gebied Mookerheide gelegen en op circa 600 m ten zuiden is de N271 gesitueerd. De A73 is gesitueerd op circa 1 km ten westen en de Maas is gelegen op circa 1,8 km ten zuiden. op 2,4 km ten westen zijn de Hatertse en Overasseltse Vennen gelegen.
5
Ee
On BLOM ECOLOGIE
Do, Cala. & ah a ee . leon
eS
hos
meee
;
‘
’
ay a
rr
ai
pe, aii
;
‘
Me Seas
eS Sa
=
.
ee
, Figuur 1.3
ha Ae “Cm
>. Sa .
= =
~
wa=
—
:
i. _ See
Rae
eh
fag
¥
ine
ess IY
EY
ee
SF: eS “Egigh art NE we eh et es ST ee
-
aces
E
ast
“ps
Ran
se
%
A
oo ons
<a bh Bs
"a
Ft
7
‘
i
ce ;
3
a
ee
.
A
Hon Weigel
.
i a
fe
pol eater
:
aaa 1 Te 28 PE ee Tg ¢
a ae
em Pain ee > gyal , (Me tia oe
at =
EM
ig fee
hans
:
3
aes Se
ue |a”ehumeten 3°
—— . ailee —— ae
fe A
7. See
al
Op de planiocatie is men voornemens om onder andere deze bomen te kappen. i. 1 ore
4
; Berk BES
"
4
Ea 64
=Sa,
=
’ Sy
pee
|
ee‘£2 > le
f aay |=. els* Gm—_ LEie nv ieee , aaah Ee Wy pices) ei
| EN ee = agOT ReeA ONA see ea Sy ge ae
pe
ee
Bes Ey
ma
Gees { 3. eae te
elie RA oe Si Bs hi Uae et 15 ae uy “ mt a a OS ea i eS 5 j be ied ee fit Sensi Vas
eee ieee f
a os im ig re 4
Ke ‘ i ies hy ¥ 4 : ese ats 4 f ¥ 4 j Ae
‘ fixe > 7 sat | ZL pe pee exh
y
\
ayaa Sy
Figuur 1.4
1.2.
.
*
“6
me
Cees; ines 4 uh oH HY SERRA
eee ie: rae} yey UY i
“¢ Poth i v4)
ja a my Po leah:
i
i i! é
tas
a AN
an hs te
e
a
Y
Fotografische indruk van de omgeving van de planiocatie.
Beoogde ruimtelijke ingreep
De beoogde ruimtelijke ingreep betreft het kappen van bomen (onder andere okkernoot, ruwe berk, tamme kastanje en zomereik) ten behoeve van de realisatie van een woning. Het vigerende bestemmingsplan voorziet in deze beoogderuimtelijke ingreep, waardoor een bestemmingsplanwijziging niet benodigd is. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten:
e e e e
kappen van bomen de bomen in de tuin: kapwerkzaamheden en afvoer hout; verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; realisatie nieuwbouw woning: algemene bouwwerkzaamheden;
e revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.
6
ea
ECOLOGIE +4 BLOM
Dit oriénterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. De reikwijdte bestaat uit de Wet natuurbescherming en de provinciale omgevingsverordening.
2.1
Uitvoering onderzoek
Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Op basis van dit veldbezoek wordt een inschatting gemaakt omtrent de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 29 september 2023 en is uitgevoerd door De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 5/8 bewolkt, 21° Celsius en windkracht 3-4 (Bft). Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Databank Flora en
Fauna (NDFF). In NDFF wordt normaliter hierbij een straal van 2 km aangehouden rondom de
planiocatie. Afhankelijk van het karakter en ligging van de planlocatie kan een afwijkende afstand aangehouden worden. Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op
en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.
2.2
Soortenbescherming
De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten
(Wnb art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (Wnb art. 3.5) en Andere soorten (Wnb art. 3.10). Hierin worden
rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Opzettelijk verstoren als bedoeld in Wnb art. 3.5 lid 2 wordt gedefinieerd als: “elke opzettelijke verstoring die van invioed kan zijn op de overlevingskansen, het voortplantingssucces of het voortplantingsvermogen van een beschermde soort, of die Jeidt tot een verkleining van het leefgebied of tot verplaatsing of verdringing van de soort”. Bij overtreding van een verbodsbepaling geldt een ontheffingsplicht.
Vogelrichtlijn (Wnb art. 3.1) ].
Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eijeren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben.
4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.
+4 ia
BLOM
ECOLOGIE
Habitatrichtlijn (Wnb art. 3.5) |.
2. 3. 4. 5.
Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage | bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage | bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Andere soorten (Wnb art. 3.10)
1.
Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieén, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeela opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Natuurlijk verspreidingsgebied Individuen, populaties en groeiplaatsen die zich buiten het natuurlijk verspreidingsgebied bevinden, vallen buiten het beschermingsregime van soortenbescherming. Het natuurlijk verspreidingsgebied wordt gedefinieerd als het gebied welke een soort op eigen kracht heeft bezet of waarin deze is geherintroduceerd binnen het verspreidingsgebied waar de soort van nature voorkwam. Het beschermingsregime geldt dus niet voor ingezaaide planten of dieren welke zijn losgelaten, ontsnapt of vanuit elders zijn meegelift. Om te bepalen of een plant of dier voorkomt binnen zijn natuurlijke verspreidingsgebied wordt gebruik gemaakt van de Verspreidingsatlas en naslagwerken. Wel geldt onverminderd de Algemene zorgplicht. Vogelrichtlijn Onder de Vogelrichtlijn zijn alle in gebruik zijnde nesten en broedgevallen van vogels beschermd. Het is van alle vogelsoorten verboden om nesten te beschadigen of te vernielen. Daarnaast gelden onder provinciale aanwijzingen categorieén waarin de nesten en rustplaatsen van specifieke vogelsoorten jaarrond bescherming genieten, dus ook in de periode dat deze niet in gebruik zijn. Rustplaatsen zijn conform de Richtsnoeren van de Europese Commissie gedefinieerd als zijnde essentiéle zones voor het bestaan van een dier of groep van dieren wanneer ze niet-actief zijn.
8
a
OA BLOM ECOLOGIE
Tabel 2.1
Vogelsoorten onder categorie 1 t/m 4: nesten en rustplaatsen jaarrond beschermd. Vogelsoorten onder categorie 5: nesten en rustplaatsen jaarrond beschermd, indien er sprake is van ecologisch zwaarwegende redenen.
Boomvalk Buizerd Gierzwaluw
Grote gele kwikstaart
Havik Huismus Kerkuil
Oehoe
Ooievaar Ransuil Roek
Sperwer Steenuil Wespendief
Blauwe reiger Boerenzwaluw Bonte vliegenvanger
Ekster Gekraagde roodstaart Glanskop
Kleine bonte specht Kleine vliegenvanger Koolmees
Tapuit Torenvalk Zeearend
Boomklever Boomkruiper Bosuil Brilduiker Draaihals Eider
Slechtvalk
Grauwe vliegenvanger Groene Specht Grote bonte specht Hop Huiszwaluw lUsvogel
Zwarte wouw
Kortsnavelboomkruiper Oeverzwaluw Pimpelmees Raaf Ruigpootuil Spreeuw
Zwarte kraai Zwarte mees Zwarte roodstaart Zwarte specht
Provinciale vrijstelling Van de verboden als bedoeld in Andere soorten Wnb art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of vaste rustplaatsen voor bepaalde soorten.
Voor alle soorten in Nederland geldt dat er sprake is van een algemene zorgplicht (Wnb art. 1.11). Hierin wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moeten worden. Het uitgangspunt van de algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen.
In de Omgevingsverordening van de Provincie Gelderland is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 2.2
2.5
Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Gelderland.
Aardmuis
Gewone bosspitsmuis
Ondergrondse woelmuis
Bastaardkikker
Gewone pad
Ree
Bosmuis Bruine kikker Dwergmuis Dwergspitsmuis Egel
Haas Huisspitsmuis Kleine watersalamander Konijn Meerkikker
Rosse woelmuis Tweekleurige bosspitsmuis Veldmuis Vos Woelrat
Gebiedsbescherming
In Nederland zijn natuurgebieden aangewezen met een beschermde status. Deze natuurgebieden betreffen hoofdzakelijk Natura 2000-gebieden en provinciaal beschermde gebieden. Natura 2000-gebieden Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist. Met de Voortoets wordt bepaald of de plannen mogelijk negatieve effecten hebben op de doelstellingen van Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden dient een vergunning voorhanden te zijn. 9
ee
OW BLOM ECOLOGIE
Provinciaal beleid
Onderstaande teksten zijn gebaseerd op de meest recente versie van de Omgevingsverordening. Gelders Natuurnetwerk
Binnen het Gelders Natuurnetwerk geldt het ‘nee, tenzij’-principe. Het uitgangspunt is dat een bestemmingsplan geen nieuwe activiteiten mogelijk maakt die de kernkwaliteiten, oppervlakte of samenhang van het Gelders Natuurnetwerk aantasten. Uitzonderingen hierop betreffen ruimtelijke ontwikkelingen met een groot openbaar belang waarbij er geen reéle alternatieven zijn. Bij aantasting van de kernkwaliteiten, opperviakte of samenhang geldt een compensatieplicht. Groene Ontwikkelingszone Een nieuwe ontwikkeling in de Groene Ontwikkelingszone is toegestaan als uit onderzoek blijkt dat de kernkwaliteiten of ontwikkelingsdoelen per saldo en naar rato van de ingreep worden versterkt en de samenhang niet verloren gaat. Deze onderbouwing dient te worden vastgelegd in een versterkingsplan.
Weidevogelgebied Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op weidevogelgebied laat de realisatie van een nieuwe windturbine of nieuw zonneveld niet toe. Een andere nieuwe activiteit of ontwikkeling is enkel toegestaan als deze geen nadelige gevolgen heeft voor de functie als broedgebied voor weidevogels. Ganzenrustgebied Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een ganzenrustgebied laat een nieuwe activiteit of ontwikkeling alleen toe als uit onderzoek blijkt dat deze activiteit of ontwikkeling wordt uitgevoerd op een locatie waar de nadelige gevolgen voor de functie als rustgebied voor overwinterende ganzen zoveel mogelijk worden beperkt, en na uitvoering minimaal 500 hectare in het betreffende ganzenrustgebied overbilijft.
Beschermingszone natte landnatuur Natte landnatuur is natuur die direct afhankelijk is van de grondwatersituatie ter plaatse. Een bestemmingsplan voor gronden gelegen in een beschermingszone natte landnatuur maakt geen functies mogelijk die significant nadelige effecten kunnen hebben op de instandhouding van de natte landnatuur. Uitzonderingen hierop betreffen ruimtelijke ontwikkelingen met een groot openbaar belang waarbij er geen reéle alternatieven zijn.
10
a
+4 BLOM ECOLOGIE
2.4
Houtopstanden
Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een opperviakte van 1000 m? of meer, of een rijoeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden. Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de
volgende typen houtopstanden betreft (Wnb art. 4.1):
a) houtopstanden binnen de door gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden;
d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, niet ouder dan twintig jaar;
e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee
meter, en(3)zijn aangelegd na 1 januari 2013.
2.5
Houdbaarheid en toepassing
De beoogde ruimtelijke ingreep wordt getoetst aan de actuele wetgeving en provinciale verordening. Over het algemeen heeft een quickscan Wet natuurbescherming een houdbaarheid van 3 jaar, mits binnen deze periode de omstandigheden op de planlocatie, de wetgeving en de provinciale verordening niet wezenlijk veranderen.
OA eee | ae BLOM
ECOLOGIE
35 Beoordeling 3.1
Soortenbescherming
Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ruimtelijke ingreep. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiéle aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt. Planten
Binnen een straal van 2 km van de planlocatie is het voorkomen van de volgende beschermde planten bekend: akkerogentroost, dreps, glad biggenkruid, groot spiegelklokje, grote leeuwenklauw, korensla,
ruw parelzaad, wilde averuit en wilde weit (NDFF 2013-2023).
De planlocatie betreft een woonperceel met een woning, drie schuren, een verharde oprit en een tuin waarin kippen worden gehouden. De bovengenoemde beschermde plantensoorten hebben allen een voorkeur voor zonnige groeiplaatsen. Vanwege de aanwezigheid van veel bomen valt er een groot deel van de dag schaduw op de planlocatie, waardoor er geen geschikte groeiplaatsen zijn. Verder is een groot deel van de planlocatie verhard, alleen de tuin niet. In de tuin lopen echter kippen. Deze zorgen ervoor dat kruidige soorten geen kans krijgen om te groeien. Derhalve kan de aanwezigheid van beschermde vegetatie in de tuin op de planlocatie worden uitgesloten. Ter plaatse van de planlocatie is slechts sprake van inheemse of aangeplante planten zonder beschermde status. Enkele waargenomen soorten betreffen: boerenwormkruid, grote brandnetel, haagwinde, hartgespan, klimop en riet. Op de muren van de bebouwing is geen (beschermde) muurvegetatie aangetroffen. Bomen en struiken op de planlocatie betreffen onder andere buxuskamperfoelie, hulst, laurierkers, okkernoot, robinia, ruwe berk, sering, Spaanse aak, tamme kastanje, taxus en zomereik. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie.
Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek. Hiermee kan worden uitgesloten dat er sprake is van het opzettelijk vernielen van beschermde planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied. Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende zoogdieren: bever, bosmuis, bruine rat, bunzing, das, dwergmuis, egel, gewone bosspitsmuis, haas, hermelijn, huismuis, huisspitsmuis, konijn, mol, ree rode eekhoorn, rosse woelmuis, steenmarter, veldmuis, vos. wezel en woelrat (NDFF 2013-2023). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: bever, bunzing, das, hermelijn, rode eekhoorn, steenmarter en wezel. De bever komt voor in en rondom grote opperviaktewateren, zoals beken, meren en rivieren. De soort verblijft in burchten in het water en voedt zich met vegetatie op de oever. Naast de planlocatie is een vijver gelegen welke niet in verbinding staat met andere wateren en de vijver is omringd door wegen die voor de bever een barriére vormen om de vijver te bereiken.
Daarnaast is de tuin omheind met kippengaas, waardoor de bever de planlocatie niet vanuit het water kan betreden. Vanwege de aanwezigheid van barriéres tussen groot opperviaktewater en de planlocatie en de aanwezigheid van kippengaas op de planlocatie kan worden uitgesloten dat de bever op de planlocatie voorkomt.
12
a
C)
BLOM
‘YN ECOLOGIE
De bunzing, de hermelijn en de wezel zijn allen kleine marterachtigen die voorkomen in habitats met veel dekking. Verblijfplaatsen worden onder andere gevonden in holtes, onder takkenstapels en in holen. De planlocatie betreft een woonperceel met een woning, drie schuren, een verharde oprit en een tuin waarin kippen worden gehouden. In en rondom de tuin is een kleine hoeveelheid lage, dichte vegetatie die dekking kan bieden, echter zijn er geen mogelijke verblijfplaatsen aanwezig. Van de waarnemingen van de soorten binnen 2 km is er slechts één van de 26 gedaan in woonwijken, de overige waarnemingen zij allen gedaan in minder verstoorde terreinen. De planlocatie is gelegen binnen bebouwd gebied en wordt dagelijks betreden door mensen, waardoor er veel verstoring is. Er is derhalve veel verstoring aanwezig en er zijn barrigres aanwezig in de vorm van wegen. Tevens zijn er geen sporen aangetroffen welke duiden op de aanwezigheid van kleine marterachtigen. Derhalve is het uitgesloten dat er een vaste rust- of verblijfplaats aanwezig is op de planlocatie en dat de planlocatie een functie heeft als essentieel leefgebied voor de bunzing, de hermelijn en de wezel. De das komt voor in verschillende type habitats, zoals bossen en heideterreinen. Belangrijk voor de soort is de aanwezigheid van vergraafbare grond, de aanwezigheid van dekking en de afwezigheid van verstoring.
De planlocatie betreft een woonperceel met een woning, drie schuren, een verharde oprit en een tuin waarin kippen worden gehouden. Voor de das is er weinig dekking aanwezig en tevens is er veel verstoring. Daarnaast is er beter habitat aanwezig binnen 1 km van de planlocatie, in de vorm van bosgebied van de Mookerheide. Rondom de planlocatie liggen meerdere wegen die als barriére kunnen dienen om de planlocatie te bereiken. Vanwege de afwezigheid van bepaalde habitateisen en de
aanwezigheid van meerdere barriéres tussen geschikt habitat (bos en heide) en de planlocatie kan de aanwezigheid van de das worden uitgesloten.
De rode eekhoorn komt voor in bomenrijke gebieden. Verblijfplaatsen worden gevonden in nesten of holtes hoog in bomen. In de bomen op de planlocatie zijn geen mogelijke verblijfplaatsen aanwezig. Op de planlocatie zelf zijn wel een groot aantal bomen aanwezig, echter geldt dit niet voor de omgeving van de planlocatie. Er is geen sprake van een bomenrijk gebied, waardoor er geen geschikt habitat is voor de rode eekhoorn. Gezien dat er in de nabije omgeving geen bomenrijke gebieden aanwezig zijn, is er op de planlocatie ook geen sprake van een migratieroute. Vanwege vorengenoemde kan de aanwezigheid van de rode eekhoorn op de planlocatie worden uitgesloten. De steenmarter komt voor in habitats met voldoende dekking. Verblijfplaatsen worden onder andere gevonden in holtes, onder stenenstapels en in spouwmuren. In en rondom de tuin is een kleine hoeveelheid lage, dichte vegetatie die dekking kan bieden, echter zijn er geen mogelijke verblijfplaatsen aanwezig. Tevens zijn er geen sporen gevonden die duiden op de aanwezigheid van de steenmarter en vindt er veel verstopring plaats op de planlocatie. Indien er een verblijfplaats van de steenmarter aanwezig zou zijn, zouden er wel sporen verwacht worden vanwege de aanwezigheid van kippen. Deze zouden goed als prooi gezien kunnen worden, waardoor er prooiresten te zien zouden moeten zijn.
Het is mogelijk dat de steenmarter de planlocatie sporadisch passeert, echter kan worden uitgesloten dat er verblijfplaatsen aanwezig zijn of dat er sprake is van essentieel leefgebied.
Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen aangetroffen van (beschermde) zoogdieren. Door vorengenoemde is het uitgesloten dat er sprake is van een essentiéle functie op de planlocatie voor soorten van de Habitatrichtlijn en niet vrijgestelde andere soorten. De planlocatie heeft enkel mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name bosmuis, bruine rat, egel en huismuis. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Op en rondom de planlocatie zijn geen holen, nesten of sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde
zoogdiersoorten die buiten de Omgevingsverordening van de provincie vallen (zie Wnb art. 3.10). Er is ten aanzien van grondgebonden zoogdieren geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming.
13
ey
es
C)
BLOM
A ECOLOGIE
Vleermuizen
Binnen een straal van 2 km is het voorkomen bekend van de volgende vieermuissoorten: gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvieermuis, kleine dwergvieermuis, laatvlieger, meervieermuis, rosse
vieermuis,
tweekleurige
vieermuis
en
watervleermuis
(NDFF
2013-2023).
Onder
de
Wet
natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten
beschermd (Wnb art. 3.5). Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vieermuishabitat. Ongeacht de mogelijke aanwezigheid van vieermuisverblijfplaatsen kunnen vieermuizen gebruikmaken van de planlocatie tijdens vliegbewegingen en foerageeractiviteiten. Hier dienen in het kader van de
algemene zorgplicht mogelijk maatregelen genomen te worden (zie H5.4).
Op en rondom de planlocatie zijn alle bomen geinspecteerd op de aanwezigheid van boomholten, loshangende bastdelen, scheuren, spleten of andere openingen welke kunnen dienen als verblijfplaats. In de bomen op en nabij de planlocatie zijn geen boomholten of andere potentiéle verblijfplaatsen aangetroffen. De ontwikkeling resulteert derhalve niet in het wegnemen van verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen.
Op de planlocatie vindt geen aantasting plaats aan bebouwing. Derhalve kan worden uitgesloten dat er verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen worden aangetast. Hoewel het uitgesloten is dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. Vliegroutes en foerageergebieden worden vaak gevonden rondom structuren als bomen(rijen) en water(gangen). Op de planlocatie zijn bomen aanwezig en er is een vijver naastgelegen. De bomen en de vijver zouden een functie kunnen hebben voor vieermuizen als foerageergebied. De bomen Zullen gekapt worden, echter is in de omgeving nog voldoende alternatief, gelijkwaardig leefgebied aanwezig (zoals de Mookerheide of de begraafplaats ten noordoosten van de planlocatie), waardoor kan worden uitgesloten dat de bomen van essentieel belang zijn voor vileermuizen. Vanwege het ontbreken van liinvormige elementen kan worden uitgesloten dat er een viiegroute aanwezig is op de planlocatie. Er kan worden uitgesloten dat er negatieve effecten ontstaan op vleermuizen. Amfibieén
Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieénsoorten: Alpenwatersalamander, bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kamsalamander, kleine
watersalamander en poelkikker (NDFF 2013-2023). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd
zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Alpenwatersalamander, kamsalamander en poelkikker. Amfibieén leven zowel in een aquatisch als terrestrische omgeving. Deze omgevingen betreffen voortplantingswater, foerageergebieden en overwinteringsstructuren. Deze habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen.
De Alpenwatersalamander en de kamsalamander hebben een voorkeur voor beboste gebieden of kleinschalige landschappen met houtwallen en struwelen. Voortplantingswater dient niet snelstromend en visrijk te ziin en moet een grote hoeveelheid onderwatervegetatie bevatten. De planlocatie betreft een woonperceel met een woning, drie schuren, een verharde oprit en een tuin waarin kippen worden gehouden. Ten zuiden van de planlocatie is een vijver aanwezig die niet verbonden is met andere wateren en stilstaand water bevat. Deze vijver is mogelijk geschikt als voortplantingswater. De vijver wordt niet aangetast bij de ruimtelijke ingreep. Ook zijn er een aantal structuren die kunnen dienen als overwinteringsplek, zoals gestapelde stenen en dakpannen. Alle waarnemingen van de soorten zijn gedaan aan de oostzijde van de Rijksweg (minimaal op 700 m) die door Malden loopt (NDFF 2013-2023). Deze kan gezien worden als barriére voor de soorten om de planlocatie te bereiken. Op de planlocatie lopen kippen, welke zorgen voor verstoring.
14
De
C)
BLOM
\A\ ECOLOGIE
Tevens zorgen de kippen ervoor dat de bodem in de tuin grotendeels kaal is. Hierdoor is er bijna geen beschutting aanwezig. Vanwege vorengenoemde redenen kan worden uitgesloten dat de Alpenwatersalamander en de kamsalamander op de planlocatie voorkomen. De poelkikker heeft een voorkeur voor bos- en heidegebieden op de hogere zandgronden. Voortplantingswater is onbeschaduwd, voedselarm en schoon en heeft een sterk begroeide oever. Ten zuiden van de planlocatie is een vijver aanwezig met sterk begroeide oevers en die stilstaand water bevat. Deze vijver is mogelijk geschikt als voortplantingswater. De vijver wordt niet aangetast bij de ruimtelijke ingreep. De planlocatie betreft een woonperceel met woning, drie schuren, een verharde oprit en een tuin waarin kippen worden gehouden. De kippen op de planlocatie zorgen voor verstoring en ze zorgen ervoor dat de bodem kaal is, waardoor er weinig beschutting aanwezig is. De enige bekende waarnemingen van de poelkikker binnen 2 km komen allen van één poel naast een bos op circa
1,6 km ten noordoosten van de planlocatie (NDFF 2013-2023).
Tussen deze waarnemingen en de planlocatie is zijn meerdere wegen gesitueerd welke kunnen dienen als barriére om de planlocatie te bereiken. Vanwege vorengenoemde kan worden uitgesloten dat de poelkikker op de planlocatie voorkomt.
Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieén aangetroffen op de planlocatie. De planlocatie is deels verhard en wordt intensief gebruikt, waardoor veel verstoringen optreden. Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad voorkomen op de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen op basis van de vastgestelde provinciale verordeningen. Er is ten aanzien van amfibieén geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Reptielen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende inheemse reptielen: gladde
slang, hazelworm, muurhagedis en zandhagedis (NDFF 2013-2023). Voor alle inneemse reptielen geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen.
Reptielen zijn over het algemeen verbonden aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen als heidevelden, bosgebied en natuurlijke oevers. Bovengenoemde soorten hebben alle een voorkeur voor habitats met veel dekking. Het overgrote deel van de waarnemingen is afkomstig van de Mookerheide, waarbij de dichtstbijziinde op circa 800 m van de planlocatie is gedaan. Dit is een groot gebied met onder andere veel heide en bos. De planlocatie betreft een woonperceel met een woning, drie schuren, een verharde oprit en een tuin waarin kippen worden gehouden. Door de afwezigheid van structuurrijke biotopen en de hoge mate van (menselijke) verstoring is het voorkomen van beschermde reptielen binnen het plangebied uitgesloten. Er is ten aanzien van reptielen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Vissen
Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van beschermde vissoorten niet bekend (NDFF 20132023).
Mogelijk leiden de beoogde werkzaamheden (tijdelijk) tot verstoringen (geluid/trillingen), echter zijn er in de watergangen voldoende uitwijkmogelijkheden voorhanden buiten de verstoringszone. Er is ten aanzien van vissen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende beschermde insecten of ongewervelden: beekrombout, bruine eikenpage, grote vos, grote weerschijnvlinder, kleine ijsvogelvlinder, teunisbloempijlstaart en vliegend hert (NDFF 2013-2023). De beekrombout komt vooral voor rond grotere beken en kleine rivieren. Belangrijk voor de soort is de aanwezigheid van stromend water. Aan de zuidzijde van de planlocatie is een vijver met stilstaand water gesitueerd.
15
Da
C)
BLOM
\A\ ECOLOGIE
Deze vijver vormt geen geschikt water voor de larven, gezien het ontbreken van stroming. Binnen de beoogde ingreep worden geen stromende wateren aangetast. Derhalve kan er worden uitgesloten dat er negatieve effecten op de beekrombout ontstaan. De bruine eikenpage, de grote vos, de grote weerschijnvlinder, de kleine ijsvogelvlinder, de
teunisbloempijlstaart en het vliegend hert hebben allen een voorkeur voor (open plekken in) bosgebieden. De soorten hebben verschillende waardplanten, waaronder wilde kamperfoelie, boswilg, zomereik, teunisbloem en iep. De enige waardplanten die op de planlocatie aanwezig zijn, zijn drie zomereiken. Dit is een waardplant voor de eikenpage. De zomereik is echter zo algemeen, dat er geen negatieve effecten ontstaan op de eikenpage als er drie zomereiken worden weggenomen. Er worden bij de ruimtelijke ingreep tevens geen bosgebieden aangetast. Derhalve kunnen negatieve effecten op de bruine eikenpage, de grote vos, de grote weerschijnvlinder, de kleine ijsvogelvlinder, de teunisbloempijlstaart en het vliegend hert worden uitgesloten.
Op de planlocatie zijn gedurende het veldbezoek geen (sporen en/of delen van) beschermde vlinders, libellen of andere ongewervelden aangetroffen. Op de planlocatie zijn geen plantensoorten aangetroffen die specifiek voor een beschermde ongewervelde een waardplant vormen. Ook is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Er is ten aanzien van insecten en andere ongewervelden geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: houtduif, kauw, merel en zwarte kraai. Gedurende het veldbezoek zijn geen individuen, nesten en/of sporen aangetroffen van vogelsoorten met een jaarrond beschermde nestlocatie en/of leefgebied. Binnen een straal van 100 meter van de planlocatie is vastgestelde aanwezigheid van nestlocaties van jaarrond beschermde vogels niet bekend (NDFF 2013-2023).
Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1t/m 4) Huismussen zijn sterk geassocieerd met mensen. De nestplaats is in de regel gebonden aan bebouwing. Voor zijn voedsel is de huismus sterk afhankelijk van wat de mens hem al dan niet bewust biedt. Deze voedselbron moet continu aanwezig zijn. De huismus heeft een sterke binding met mensen en komt tot broeden in of tegen gebouwen in dorpen en steden, in en bij boerderijen, maneges, kinderboerderijen en andere vormen van bebouwing in het landelijk gebied. Op plekken waar menselijke bebouwing wordt afgewisseld met groenvoorzieningen zijn meer huismussen dan op plekken waar geen groen aanwezig is (BIU12 kennisdocument Huismus, 2023). Bij de ruimtelijke ingreep worden geen aantastingen aan bebouwing gedaan, waardoor er geen effecten op mogelijke nestlocaties ontstaan. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt wel tot aantasting van groene delen, echter blijft er nog voldoende groen over in de nabije omgeving, waardoor het weghalen niet resultaat in afname van essentieel leefgebied. Van aantasting van nestlocaties en functioneel leefgebied van de huismus is derhalve geen sprake. De naastgelegen schuren hebben geen potentie voor huismusnesten vanwege het ontbreken van een toegankelijke spouw en dakbeschot. Derhalve kan ook worden uitgesloten dat er negatieve effecten op huismusnesten ontstaan.
De gierzwaluw heeft als oorspronkelijk rotsbewoner de rotsen ingeruild voor bebouwing. De soort broedt daardoor hoofdzakelijk in stedelijk gebied in donkere holtes van ventilatieschachten, spleten in
muren en onder (pannen)daken (BlJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017). Doordat de soort niet direct
vanuit zijn nest kan opstijgen, moet hij zich naar beneden kunnen laten vallen. Het nest dient hierdoor een vrije aanvliegroute van minimaal 1 meter breed, en minimaal 3 meter onder de nestopening te bevatten. Hierbij dienen zo min mogelijk belemmerende elementen, zoals bomen, aanwezig te zijn. Voedselviuchten kunnen op vele kilometers (tot wel 1000 km) van het nest plaatsvinden, waardoor het foerageergebied niet nader te definiéren is. Er wordt bij de ruimtelijke ingreep geen bebouwing aangetast, waardoor kan worden uitgesloten dat er nestlocaties van de gierzwaluw verloren zullen gaan.
16
yaa
C)
BLOM
a ECOLOGIE
De naastgelegen schuren zijn daarnaast minder dan 3 m hoog en hebben geen spouwmuur of dakbeschot, waardoor kan worden uitgesloten dat er nestlocaties van de gierzwaluw aanwezig kunnen zijn. De steenuil en de kerkuil zijn soorten die nestlocaties in bebouwing hebben. Op de planlocatie zijn drie schuren aanwezig die aan één zijde open zijn en derhalve betreden kunnen worden door uilen. De schuren zijn echter zo open dat er veel verstoring plaatsvindt van mensen die dagelijks bij de kippen komen. Tevens zijn er geen sporen aangetroffen van uilen in de schuren. Derhalve kan worden uitgesloten dat er een nestlocatie of een vaste rustplaats aanwezig is. In de bomen op en rondom de planlocatie zijn geen nesten aanwezig. Tevens zijn er geen sporen aangetroffen die duiden op een nest of een vaste rustplaats. Het kan derhalve worden uitgesloten dat er nesten of rustplaatsen van soorten als de buizerd, sperwer of ransuil aanwezig zijn op de planlocatie. Op de planlocatie is vanwege de ligging midden in bebouwd gebied en de hoge mate van verstoring geen sprake van essentieel leefgebied van uilen en roofvogelsoorten. Er is wat betreft vogels met jaarrond beschermde nesten geen sprake van het vangen of doden van individuen, het wegnemen van rust- of nestplaatsen, of het wegnemen van structuren die essentieel zijn in het functioneren van rust- of nestplaatsen.
Vogels - Algemene broedvogels en cat. 5 De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De struiken, bomen en bebouwing vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Tijdens het veldbezoek zijn geen nesten aangetroffen.
Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de kap- en realisatie werkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geinspecteerd te worden door een ter zake deskundige.
17
+4 De ey ECOLOGIE BLOM
5.2
Gebiedsbescherming Natura 2000
De planlocatie maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Op een afstand van circa 5,3 km ligt
het Natura 2000-gebied ‘Sint Jansberg '(figuur 3.1).
| MILegenda a, natura 2000-gebied
NijmSmee egen: Zuid
ae c
rl
;
ae
Fichter
Figuur 3.1
,
Wome AI
Ys :
: we rsnCtON ra
ee
eat Soret= .oie
hiungeonrat’, NEP RN AL
BS
’
5 ei
B 0
ae
ona
=
E i
y
tees
‘
ie
\ - ue? 7
sal
int Jansberg
ri : A
De planlocatie ligt op een afstand van circa 5,3 km tot het Natura 2000-gebied ‘Sint Jansberg’
(bron: nationaal Georegister PDOK).
De beoogde ruimtelijke ingreep betreft het kappen van meerdere bomen ten behoeve van de realisatie van 6én woning. Ondanks dat deze buiten een Natura 2000-gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is om te resulteren in negatieve effecten. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden. Ten opzichte van de huidige situatie leidt de beoogde ruimtelijke ingreep in de gebruiksfase tot een beperkte toename in het aantal verkeersbewegingen. Gedurende de aanlegfase kan er een tijdelijke verhoogde stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en bijoehorende verkeersbewegingen. Per 2 november 2022 geldt dat de algemene bouwvrijstelling onbruikbaar is en dat activiteiten van de bouwsector onderdeel moeten zijn van de beoordeling.
Gezien er sprake is van een grote afstand (5,3 km) tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura
2000-gebied en er sprake is van een ontwikkeling van beperkte omvang wordt op voorhand uitgesloten dat er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden binnen Natura 2000-gebieden. Een stikstofonderzoek middels de AERIUS Calculator kan derhalve achterwege blijven. Provinciaal aangewezen gebieden De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied betreffende het Gelders Natuurnetwerk, Groene Ontwikkelingszone, Weidevogelgebied, Ganzenrustgebied of Beschermingszone natte landnatuur. Op een afstand van circa 450 m ligt het Gelders Natuurnetwerk en op een afstand van circa
300 m ligt de Groene Ontwikkelingszone (figuur 3.2). Op een afstand van circa 16,5 km ligt Weidevogelgebied (geen kaartweergave). Ganzenrustgebied is gelegen op een afstand van circa 8,2 km van de planlocatie (geen kaartweergave). Op een afstand van circa 2,2 km ligt de Beschermingszone natte landnatuur (geen kaartweergave). Ten aanzien van provinciaal aangewezen gebieden geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Derhalve is toetsing aan het provinciaal niet benodigd.
18
C.
BLOM
{YY ECOLOGIE
ee : nS sa ws :
‘SahAkopalydy oii = ay DIOS oY), 3 Caeorl ar\ae| nS, “SoaO28 * Th Ney <4] i Sauk f a ee o OF y aA. Bs i \ =
iBUD
& ERT Bintan’
Sem. Slee "\/g|S gee
ce ,7 / ly iiPima é, ° 9 RS:eS (a? aah Se GG
NeaBo, *.%
"AB oDtaRr]e Se WAR
Qs. A BTW WE s ie
"ya SHITE ig Ra Pye DRS ee NN O K pees Py WY FQ OG PK ho Be Vase a4
od y Oo 3 > 6 ° i > ae) 4 4 4 S\—9o © Oats 0" aN4° Sel| (Sac = = 2‘a Ae ee a “m2 4 OS ares a
i
ee
Wa
7
Big
2
Ss
FP
¢
a>
je rage! Site? So CH 2 Tei] i? FEos ShaySRS:By)|b{Jsweerentey” a
|) 2s .Se hy BRR "i ~L) prchso.w. ap elf or eS
FOr hd-Qe®3> © Sa ere oya
EL @y. = aWaa, Saike °° tm a 4 OG Oe, 88) 2 to) Of
Fp
A 5 SeoS 3 | <5
athe >
&
Ss Re aul
<n ROY) janPay| We. NSSe eae GP
of ofS Fh i Men Ne eat Rae Ce ee af Pais xu . mee WO fod!) 32%, a Neeee A &%ge ) Jy° r.,newx | UA 3 \\Peewe?+2 4?"'yrg43&SN WAAC oh 6oeBe A
Legenda
EERE
Groene
atuurnetwerk i Ontwikkelingszone
is ji
ASQ
1)
SN
>
os
.
om
>
&ee Tre? Cig ZA OA NY Kap (nea @ Ps qu, oo, S e Wee ~ SPS _ . e 3 a Se DS, JS Py ¥, ora 39a ae 7) [mo fs Ree, OS NO. CsY % 9 rs. \e Bey Hoes Kc ey C
3
FPr e
Pee
<g iy hay LAS j.2° Poe ee Ay 6D ae SS gd i ay ro ars ee A ‘ Wek rs ser ae d\ Se, Vili i
ye
oN
o
oS.
on 1 el a akg
we3 °
N A
Figuur 3.2 De planlocatie ligt op een afstand van circa 450 m tot het Gelders Natuurnetwerk en circa 300
m tot de Groene Ontwikkelingszone (bron: www.gidanders. planoview.nl).
35.5
Houtopstanden Wet natuurbescherming
In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien aan(i)zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een opperviakte van 1000 m2 of meer of (ii) een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Een meldingsplicht in het kader van Wnb is niet noodzakelijk.
Algemene Plaatselijke Verordening Naast het landelijk en provinciaal beleid waar deze beoordeling op wordt getoetst hebben gemeenten echter vaak een eigen beleid omtrent het kappen dan wel vellen van bomen en struiken. Dit is vaak
opgenomen in een Algemene Plaatselijke Verordening(APV). Gemeentelijke Verordeningen mogen niet strijdig zijn met landelijk/provinciaal beleid. Het is derhalve aanbevelingswaardig om in de voorbereidende fase de bepalingen in de APV af te stemmen met de gemeente om conflicterende situaties in een later stadium te voorkomen.
19
a
ON BLOM ECOLOGIE
4 Samenvatting 4.1
Soortenbescherming
De planlocatie heeft geen essentiéle betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk
geschikt leefgebied voor soorten welke niet beschermd zijn (behoudens de algemene zorgplicht) en/of waarvoor een vrijstelling geldt. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn
tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart - 15 juli). Tabel 4.1
Overzicht van de Soortenbescherming. Wnb
4.2
Planten
Nee
Grondgebonden zoogdieren
Nee
Vleermuizen Amfibieén Reptielen
Nee Nee Nee
Vissen
Nee
Insecten en andere ongewervelden
Nee
Vogels (cat. 1t/m 4) Vogels (Algemeen en cat. 5)
Nee Nee
Gebiedsbescherming
De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of provinciaal aangewezen beschermde gebieden. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een stistofberekening en/of ‘nee, tenzij’-toets is niet noodzakelijk. Tabel4.2
4.3
onderzoek
Overzicht van beschermde gebieden in het kader van gebiedsbescherming.
Natura 2000
5,35 km
Geen
N.v.t.
Gelders Natuurnetwerk
450 m
Geen
N.v.t.
Groene Ontwikkelingszone
300m
Geen
N.v.t.
Belangrijk weidevogelgebied
16,5 km
Geen
N.v.t.
Ganzenrustgebied
8,2km
Geen
N.v.t.
Heenenmincezene belts
2,2 km
Geen
Net
Houtopstanden
Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming.
|
—
ON BLOM ECOLOGIE
5 Conclusie 5.1
Conclusie De beoogde realisatie van 6én woning aan de Wet natuurbescherming.
5.2
is uitvoerbaar in het kader van de
Uitvoerbaarheid De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent soortenbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden
met de (mogelijke) aanwezigheid van zoogdieren, en algemene broedvogels. Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen.
5.5
Vervolgstappen De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot aantasting van beschermde natuurwaarden (soortbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden). Derhalve is het uitvoeren van aanvullend onderzoek niet noodzakelijk.
5.4
Tetreffen maatregelen e
Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en
fauna (algemene zorgplicht). e
Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige.
e
Eventueel aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) voorafgaand aan de werkzaamheden gefaseerd verwijderen. Dit om grondgebonden dieren de kans te bieden zelfstandig de planlocatie te verlaten.
e
Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te viuchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden.
e De planlocatie en de zuidelijk gelegen vijver tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel).
e
e
Mogelijke overwinteringslocaties van algemene amfibieén (vorstvrije structuren als stenenstapels, houtwallen, dichte struwelen etc.) dienen verwijderd of ongeschikt gemaakt te worden buiten de overwinteringsperiode oktober - april. De kap- en realisatiewerkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels
(indicatief medio maart t/m medio juli). Als dit niet mogelijk is dienen de potentiéle nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn.
21
C
BLOM
YY ECOLOGIE
Bronvermelding Geraadpleegde documenten (BIJ12, 2017) Kennisdocument Das (Meles meles)
Kennisdocument Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus)
Kennisdocument Gierzwaluw (Apus apus)
Kennisdocument Huismus (Passer domesticus)(2023)
Kennisdocument Poelkikker (Pelophylax lessonae)
Kennisdocument Ruige dwergvieermuis (Pipistrellus nathusii) Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.gelderland.maps.arcgis.com www.gldanders.planoview.nl www.nationaalgeoregister.nl www.ndff.nl www.ravon.nl
www.ruimtelijkeplannen.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuisprotocol.nl www.vlinderstichting.nl www.wilde-planten.nl www.zoogdiervereniging.nl
Bijlage1
Fotografische impressie
22
YW BLOM ECOLOGIE
ee
e
Bijlage1 | oe
oe
a
4
ASet
a
=
Son we
A
:
aie
ina a) Sah ee alan er e AS o5 ad
| Wt.
Brg
Pe
ey
mast
f i
WAR
Bie
A
i
ie
Ie
a
a Wee
a
abe Pha
ie a
8
LE Aa
ou Set
Ge.
Re Oe Sa Be
yr
areata
Pea
te Ge
Pale hee” eee =
Stra
ty
aes
eeGey a ea ee
:
FF 6a
Vg
*s, Samme
eis, eal
in
ee
hy
aa
See
SE okt
eae
=
se
=
|
53, see = <
ae poe ae aah | 4 hanes) ;
=
ae
a
2 Miter sy , fal
BR
\
>
NGS
ZONE OER
Figuur2
al!
be | saa” Baoan Me SY ¥,
net
one
0). Wye
og
- ‘ Se Fp. ay M ie tat Y wg J ‘ eB 5g! eh ‘ OR. Sr Sg : =
Ge ea
OWA wy? Ve fog AN/& SVKtig mhee RIAN ae NS, &Bred. mY) a PA Jae Boa YIM NSTI K yeas \ ge tBe Sp Sg sea)hyAy f{ ier, < f on Se
Vsa. +, * PS see 4
a Ao: J ,en Satay Aree jieet os ad StA rl : fy.
ay re Pea Teee RP ee vee tela
Z
di
PIG
i Se a
7
ee
Wey
:
‘In de tuin is onder andere een kippenhok aanwezig, net als een aantal grove dennen en ruwe berken. Deze zullen allen verwijderd worden.
— PRP 3) "Ay eee =a. mk ae SyLoraaed ee ‘asst iy ae il xe — AS AY. Ys ras ee = ~oase <r apyeOd oe "a ‘shate.s- cS a Ds fa Piece a? M 4 '. t a) \s —i et22 Lees odeee eae U Les - Sealey< a, i)0 ae F |oeaeSas 2 ‘. eed Cf 3 <i we Po BS Re *A) ao
poe
| i ee
1 ON a Bi
Pee ig UN ee eo a ee Be (NOIRE 0)
4
ne
iar
oy ie ERE: See id
a4 P
j
r
4
ents oa.
e
Ge ee
Z
Figuur1!
Se
a ae aN { Pe ben
. Ls
Papin
de.
Sa NP iF Se rR aay ce : PGs ey RR + Mes : Cees 4, ah (ee Late BB ei in , ta a ie mE ae “4 ‘, se al a > (a)ha Le Ai
. =a Reet
see . Pie ee FS ‘Rae7% >
—el
a
|.be? . eae ae
es
Fotografische impressie
ae on on Pa Ss4 wt
SS
e
*
ipsa }
De vijver ten zuiden van de planiocatie heeft een sterk begroeide oever.
23
eae
a
WY
a
DNR
‘See
Se wie
be :.
‘s
ae
:
\
:
f
_
7?
Saar
vi
7
Une
»
Bod gale)
>
:
PRRs
me
j
;
aa Veen See By ss
Bay
;
OTS
eS
:
|
a
Gas aa = =e OFS 5: as
aeBcfSSE ape, ne Ee Se ee eS, Ree pte oo ‘Spceae eee Rc ae re re ae ee ens, Paw oe See a oo ae os SS Pree Tet Mal hr ee eager Vitae.
-
SO ee eee ee a” a a Se ey” Si jeer ahs ere AE ot 8 ee ee : <nPO aeee een ae YE FS 2 attics eee=< Sie ee aessoe PS ers ge x oe a eee Smarts aie Poa Se Ne Oe eee ee tod & Eee St ee Pa ae ee ae ee PN, asNGse OSs SP Net ANS icite Bae A | Grit Mean ee ee agi Sen Uaea Co ee Soe ie = et ee ed . OE an ee Pome ee ae Poe et are Meee wom ren Se RR ins RRPSRE oe FE ee he RC ES <je oe ~ pe a eee NY th ar Oa Geo ceaee Se oar got aS ENED ber eo . , 4a4 NE i) A ABS ORR aI pene (ies ME Oy oe Fink oyBaoRee EeeRgee em Se eee ae ,
:
Mag
aoe
:
2
IP
is,
Te
ne 5
ae
as
RR eae eS wip 7s oe See en
ee as
eae Sire Sn a i a yl te eG ee ea ae ae Y ighGee. Pe RieEss OT a are YM GN ess Ba By eee a's 7p eee Nev B A cyeee ta. Dae a en ed Lg NiegeLapaeeree aSih Weta, Rigitees eeecelta none PES ans SRS PEI Mee OED OI ASen MR ge = ee & ZA ee) pe i e Ea oo Bd IN Bg, oI fa ees ee er PS Pefr RE Sh pS be rast Pe ad PEN aN TD OYRh CoN HEEFoR APN SaERRONSAREe oleSRO a OL See aea Fe Se a RO OA TAINS ce ep NS a cai MLS, SOOT JO ie Sp SS ENERGY ON ee AE ‘ik cee a
WL
.
Fg ee 5| we. ee Si [oebeaiiceNE Now SWAG LSeH, Ser oe PFED EO eee TEeS Qe EEE ataen’ ee MG
OME a
fs
Figuur3
SL
Fa
De begrazing door kippenzorgt ervoor dat de bodem grotendeels kaal biijft. ee. a
fs
:
‘
“
oF
as
‘
‘
4
¥w
y
4
¢.
Bat
Pi J
a
4
tan
Rie ¢
a a
ad
a t Nope 4
o>
: Pais
2
?
i ra
1!
"
z;
Nj of a
r
bo te i Se he De
Par
a:
¥ 4d
;
oy
~
eee ¥
4
_
:
:
aS
a,
eae
Bee
SB a ee
whe 3 ei 3
‘ Sage gee aes a5
:
7,
hee
se aa
4-7,
A
a
gate
~~ 4 ar el Se e
ae oe
ya
: ne & € Pi i Sis
>
i
=
%
f
:
.
«
~
eee ce Oe
a“ edi gga ae thee a Me gd Bee br: ae Sia — ad
4
—
ee
¥
3 JES p eS OT ROS aan
>
-
2%
» oe Kage See > Ohya
eta a Mi
“Le
.
J
aoa * =
eS
a
Sey Rae aay aN ei ue dae € tporte eee. ae ms e | “XK Pe Se § pis “tes ee ee eel
SHE ‘Rae
He
*¢
a
:
:
oe
y
“6
=
Eee
Ae
>
Ss
Go
a, &
IS ah
,
a
ae
2 Sa
oe
om A r
~
> a
i
7
Anee teh =
Beg.
>
%
;
SS
7
ae
ow psBy =
i
ye
-
at PARR
he
a
ar
ee
bay,= bey=\ eats oth ee 1m te. oe aeeeeFes NS me daDer es es
ed be Fic
x
s
“
Vp
BNwaliect tae ci 2
ay
Fe
aN ig OS she eeSer SYee
ts fe 6 eer RES 3s Bee
PeDOR ke Ah NACE ete Ne mee ah an ae eh
»
8
Maer S Wes ons Sa x _ 4 Mian ACY ee SinGhe
Nia CEs
Figuur 4 Op de planlocatie zijn enkele opgestapelde stenen aanwezig.
.
.
24
aT
ee) ele) 3 en samenleving Verbindt natuur
:
ia
5.1.2e 5.1.2e
0418 820.288
blomecologie.nl
|
en . na oe eae ee ae
-
as
7
7
o,
ia
a
a
oe
Baas
ee
er
F
eS
oe
ac
Legenda toegepaste uitzonderingsgrondslagen In dit document zijn gedeeltes geanonimiseerd op grond van artikel 5 van de Wet open overheid: Art. 5.1 lid 2 onderdeel e
De eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, tenzij de betrokken persoon instemt met openbaarmaking Pagina('s):
12457 19 21 25