CConstaterende datHeumen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage III Toelichting ontwerp bestemmingsplan

Raad 14 maart 2024, gemeente HeumenBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Looistraat 32 te Heumen12.119 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

meetvoorschrift geluidhinder 2012), overschreden wordt op alle gevels van het nieuwe woonzorggebouw. De maximale grenswaarde (inclusief aftrek, Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2012) wordt nergens overschreden, door de toepassing van een dove gevels ter plaatse van de voorgevel, rechter zijgevel, voorste deel linker zijgevel en voorste gedeelte achtergevel. De hoogste geluidsbelasting op de gevels bedraagt 53 dB op het achterste gedeelte van de linker zijgevel. De geluidsbelastingen zijn inclusief de wettelijke correctie conform artikel 3.4 van het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2012. Aangezien zowel het toepassen van bronmaatregelen als geluidbeperkende maatregelen in het overdrachtsgebied voor deze situatie als niet doelmatig c.q. niet haalbaar worden aangemerkt, dient in het kader van de procedure voor de nieuwbouw woongebouw een hogere waarde procedure te worden gevolgd. Voor de linker zijgevel en achtergevel dienen hogere waarden te worden aangevraagd, conform tabel 5.2. Bij de indeling van het woonzorggebouw dienen de geluidgevoelige vertrekken zoveel mogelijk aan de minst geluidbelaste zijde gesitueerd te worden (aan de zijde van de binnenplaats). In voorliggend plan heeft het woonzorggebouw geluidsluwe gevels (geluidbelasting lager dan 48 dB). Verder dient bij het ontwerp van het gebouw, rekening te worden gehouden met de locatie van de buitenruimte.

Deze dient ter plaatse van de meest geluidluwe zijde te worden gepositioneerd (binnenplaats). De gecumuleerde geluidsbelasting van alle relevante wegen is maximaal 62 dB ter plaatse van de achtergevel. Als er een gevelwering van 29 dB wordt gerealiseerd is het binnenniveau in de woning maximaal 33 dB. Er wordt voldaan aan de voorwaarden gesteld in zowel de Wet/Besluit geluidhinder (o.a. indelingseisen en geluidluwe gevels). Hierdoor kan worden gesteld dat uit oogpunt van de ruimtelijke ordening het akoestisch klimaat ten gevolge van het wegverkeer, zowel binnen als buiten het nieuwe woonzorggebouw als goed betiteld kan worden.

5.3

Luchtkwaliteit en fijn stof

Sinds 15 november 2007 zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen in de Wet milieubeheer (paragraaf 5.2). De Wet introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in de algemene maatregel van bestuur "Niet in betekenende mate bijdragen" (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 procent bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof en stikstofdioxide (1,2 microgram per m3) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 procent bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een toevoeging van minder dan 1.500 huizen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit, omdat een dergelijk project per definitie niet boven de 3%-norm komt. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de Regeling 'niet in betekenende mate bijdragen'.

Pagina 30 van 47

Voor het vaststellen of de grenzen voor het ‘niet in betekenende mate’ worden overschreden, is gebruikgemaakt van de NIBM-tool (bron: voormalig Ministerie VROM en InfoMil). De tool is geactualiseerd op basis van de NIBM-grens van 3%. In de navolgende tabel is de uitkomst van deze berekening opgenomen. Daarbij is uitgegaan van een worst case scenario van 100 voertuigbewegingen.

Figuur 5.1: Worst-case berekening voor de bijdrage van extra verkeer [Infomil]

Hieruit blijkt dat het woonzorgcomplex niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. De uitvoering van een onderzoek naar de luchtkwaliteit is daarom niet noodzakelijk.

5.4

Externe veiligheid

Externe veiligheid beschrijft de externe risico's met een externe werking, die ontstaan door het transport van, de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op risicovolle inrichtingen, relevante transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen of relevante buisleidingen. Toetsingskaders zijn onder andere het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' (Bevi), het 'Besluit externe veiligheid transportroutes' (Bevt) en het 'Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Daarnaast zijn in het Activiteitenbesluit milieubeheer en het Vuurwerkbesluit veiligheidsafstanden genoemd die rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting, moeten worden aangehouden. Binnen het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico (PR) van 10-6 per jaar en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandscontouren tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het groepsrisico is een maat die aangeeft hoe groot de kans is op een ongeval met gevaarlijke stoffen met een bepaalde groep slachtoffers. Hoe hoger het groepsrisico, hoe groter deze kans. Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen de PR en/of de invloedsgebieden van het GR.

Voor inrichtingen geldt daarnaast dat verantwoording van het groepsrisico verplicht is wanneer binnen het Pagina 31 van 47

invloedsgebied van een risicobron nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten worden toegelaten. Voor transportassen (weg, spoor en water) geldt dat de verantwoording van het groepsrisico verplicht is wanneer sprake is van toename van het aantal personen (en daarmee een toename van het groepsrisico) of overschrijding van de oriëntatiewaarde. Met behulp van de Risicokaart kan voor de locatie worden vastgesteld of er in de directe omgeving inrichtingen, buisleidingen en / of belangrijke transportroutes aanwezig zijn die in het kader van de externe veiligheid van belang zijn. Onderstaand een uitsnede van die kaart voor de omgeving van het plangebied.

Figuur 5.2: gevaaraspecten met bijbehorende risicocontouren [risicokaart.nl]

Uit de kaart blijkt dat er in of nabij het plangebied geen risicovolle activiteiten plaatsvinden. Wel ligt het plangebied nabij de autosnelweg A73. Over de snelweg A73 vindt het transport van gevaarlijke stoffen plaats. De A73 heeft, conform het Basisnet Wegen, een veiligheidszone en een Plasbrandaandachtsgebied (PAG). De veiligheidszone bedraagt 15 m gemeten van het midden van de weg (A73, afrit 1a Wijchen – afrit 3 Malden). Het PAG bedraagt 25 m uit de rand van de dichtstbijzijnd gelegen rijstrook. Het plangebied ligt op circa 150 m van de rand van de dichtstbij gelegen rijstrook. Er bestaat geen overlap met de veiligheidszone en het PAG. Er kan dan ook worden geconcludeerd dat externe veiligheid voor de voorgenomen ontwikkeling geen belemmeringen oplevert.

Pagina 32 van 47

5.5

Bedrijven en milieuzonering

Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van al aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functies krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit.

In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen: • het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen; • het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen. Het woonzorgcomplex kan op grond van de VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering' als een categorie 2 activiteit aangemerkt worden. Dit type heeft een maximale richtafstand van 30 meter tot gevoelige functies in verband met geluid. Binnen een straal van 30 meter van de locatie bevinden zich geen woningen van derden. Hiermee wordt voldaan aan de richtafstand tot milieugevoelige locaties in de omgeving. Andersom is een woonzorgcomplex zelf ook een milieugevoelige functie. In de omgeving bevinden zich de volgende activiteiten en bedrijven:

Pagina 33 van 47

type

adres

Afstand benodigd VNG brochure Museum Looistraat 57 10 m Dierenbegraafplaats Nabij Looistraat 57 10 m Grondverzetbedrijf Looistraat 61 50 m Veehouderij schapen Looistraat 63 50 m Groenten en fruit Looistraat 34 30 m Melkveehouderij Monumentweg 6 50 m

Afstand feitelijk 140 m 120 m 240 m 370 m 280 m 320 m

Uit dit overzicht blijkt dat het woonzorgcomplex niet gesitueerd is binnen de richtafstand van activiteiten en bedrijven. Geconcludeerd kan worden dat milieuzonering geen belemmering vormt voor het plan.

Pagina 34 van 47

6. Waterparagraaf 6.1

Inleiding

Sinds 1 november 2003 is de zogenaamde Watertoets verplicht. Dat wil zeggen dat in elk ruimtelijk plan gemotiveerd moet worden aangegeven hoe met het water in het gebied wordt omgegaan en wat de ruimtelijke veranderingen voor het water betekenen. Het waterkwaliteitsbeheer en het waterkwantiteitsbeheer in Heumen is in handen van het Waterschap Rivierenland. Tevens dienen voor alle waterhuishoudkundige werken waarvoor op grond van de Keur ontheffing noodzakelijk is, dit aangevraagd te worden bij het Waterschap. De uitvoering van het plan dient te gebeuren binnen de kaders van het duurzaam omgaan met water en de beleidsuitgangspunten van het waterschap.

6.2

Beleid waterschap

Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 ‘Versterken, Verbinden, Vergroenen’ beschrijft wat Waterschap Rivierenland in de planperiode 2022-2027 wil bereiken, met wie, hoe men dat wil gaan doen en waarom. In het waterbeheerprogramma zijn voor het waterbeheer de kaders gegeven en de opgaven gedefinieerd. De visie van Waterschap Rivierenland is vertaald in 8 hoofdthema’s: beschermen tegen overstromingen; water eerlijk verdelen; voorbereiden op extreem weer; streven naar schoon water van een goede biologische kwaliteit; bijdragen aan een fijne leefomgeving voor mens en natuur; kwaliteitsverbetering zwemwater; toewerken naar klimaat- en energieneutraliteit; toewerken naar circulariteit. Daarnaast beschikt het Waterschap Rivierenland over een verordening: de Keur voor waterkeringen en wateren. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels.

6.3

Gemeentelijk waterbeleid

De gemeente Heumen heeft in samenwerking met het Waterschap Rivierenland het Waterplan Heumen opgesteld. Het doel van dit plan is het creëren van een duurzaam, veilig en robuust watersysteem. Een van de hoofddoelstellingen van het waterplan is: “Water tot een van de mede ordenende principes maken in de ruimtelijke ordening.” De gemeente Heumen en het Waterschap Rivierenland hebben als beleid dat de hemelwaterafvoer van nieuwbouw niet op het riool wordt geloosd. Gemeenten zijn op waterhuishoudkundig gebied onder andere verantwoordelijk voor de zorg voor het inzamelen en transporteren van afvalwater naar het overnamepunt van de Rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI), (gedeeltelijk) onderhoud van wateren en ontwatering (grondwater). Daarnaast is de gemeente verantwoordelijk voor de verlening en handhaving van vergunningen in het kader van de Wet milieubeheer (Wm).

Pagina 35 van 47

Op grond van de Waterwet (artikel 3.5 en 3.6) heeft de gemeente een zorgplicht bij inzameling en verwerking van overtollig hemel- en grondwater, voor zover dit niet ter plaatse te verwerken is. Perceeleigenaren dienen hemelwater op eigen perceel te verwerken. Indien dit redelijkerwijs niet kan worden gevergd, treedt de gemeentelijke zorgplicht in werking. Daarnaast heeft de gemeente een zorgplicht bij het treffen van maatregelen in openbaar gebied om structureel de gevolgen van niet passende grondwaterstanden voor de aan de grond gegeven bestemming te voorkomen c.q. beperken.

6.4

Waterhuishoudkundige situatie

Het plangebied ligt binnen het stroomgebied van de Maas. In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich geen waterwingebieden of grondwaterbeschermingsgebieden (Omgevingsverordening Gelderland). Het plangebied is gesitueerd in het landelijk gebied. Het maaiveld ligt op ca. 9 m boven NAP. De bodem bestaat hoofdzakelijk uit zandgrond en deels opgehoogde jonge rivierklei. Het plangebied ligt in grondwatertrap VII. De gemiddelde hoogste grondwaterstand ligt op 1,1 m beneden maaiveld en de gemiddeld laagste grondwaterstand ligt op circa 1,9 m beneden maaiveld. Ten zuiden en ten oosten van het plangebied ligt een A-watergang die zorgt voor de afwatering van het gebied. Op grond van de Keur dient een strook van 5 meter vanuit de insteek vrijgehouden te worden voor onderhoud en beheer. In het plan is hier rekening mee gehouden door het plangebied buiten de onderhoudszone van de watergang te houden.

Figuur 6.1: uitsnede Legger [Waterschap Rivierenland]

6.5

Uitwerking waterparagraaf

Het plan ziet op de transformatie van een agrarische bedrijfslocatie naar een kleinschalig woonzorgcomplex. Relevant daarbij is de vraag of er sprake is van toename van verhard oppervlak. Op de bedrijfslocatie wordt de bestaande bebouwing en verharding grotendeels gesloopt c.q verwijderd. In totaal betreft dit circa 1.375 m2 bebouwing en 1.280 m2 erfverharding, totaal circa 2.655 m2. Pagina 36 van 47

In de nieuwe situatie wordt er een woonzorgcomplex gebouwd met een footprint van circa 1.150 m2, 300 m2 overige gebouwen en circa 1.000 m2 erf aangelegd (parkeren, paden), totaal circa 2.450 m2. Het plan leidt derhalve niet tot een toename van verhard oppervlak. Er hoeft derhalve geen compenserende waterberging gerealiseerd te worden.

Figuur 6.2: te verwijderen gebouwen en verharding

Hemelwater In de huidige situatie wordt bijna al het water via oppervlakkige lozing op de rijbaan geloosd. En deels op het naastgelegen bouwland perceel. Via een aantal kolkjes in de berm wordt het nu indirect in de watergang geloosd. In de nieuwe situatie zal het hemelwater op het eigen terrein verwerkt moeten worden. Ook het oppervlakkig lozen naar de openbare ruimte is niet toegestaan. Het hemelwater wordt daartoe afgekoppeld en verwerkt op het eigen perceel. Daarbij lijkt een infiltratiesysteem in de grond op deze locatie niet mogelijk aangezien de meeste infiltratiesystemen zoals kratten 50 cm boven de GHG moeten komen te liggen, doorgaans 40 cm hoog zijn en de GHG hier op -1,10 –MV ligt. Alternatief is de aanleg van één of meer wadi’s of een bergingssloot op de oostelijke perceelsgrens, waar het hemelwater naar toe geleid wordt en ter plaats kan infiltreren. Deze mogen niet rechtstreeks afwateren op de naastgelegen watergang. Het waterhuishoudkundig plan zal aan de T=100+10% worden getoetst (66,4 mm/m2 verhard oppervlak). Dit betekent dat voorzien moet worden in een bergingscapaciteit van 2450 x 66,4 = 164 m3. Op eigen terrein is hiervoor voldoende ruimte, zoals bijvoorbeeld tussen de parkeervoorzieningen, als onderdeel van de landschappelijke Pagina 37 van 47

inpassing of op de onbebouwde gronden van het perceel. Dit wordt verder uitgewerkt bij de aanvraag omgevingsvergunning. Huishoudelijk afvalwater Het huishoudelijk afvalwater van het complex wordt in de huidige situatie afgevoerd op het drukriool dat aan de voorzijde van de locatie loopt. Het bestaande gemaaltje waar nu de 2 woonhuizen op zijn aangesloten is niet geschikt en bedoeld om de verhoogde hoeveelheid van afvalwater van het woonzorgcomplex weg te pompen. Dit blijkt uit de berekeningen van de gemeente. Het gemaaltje zal moeten worden vervangen door een gemaal met voldoende capaciteit en aansluiting op de riolering in het dorp. Dit is een uitvoeringsaspect dat door initiatiefnemer zelf uitgevoerd wordt. Daarbij dient de aanleg en installatie conform specifieke voorwaarden van de gemeente, uitgevoerd te worden. De kosten voor de aanpassing zijn voor rekening van initiatiefnemer. In de anterieure overeenkomst tussen gemeente en initiatiefnemer worden hiertoe aanvullende afspraken vastgelegd over de aanleg en de kosten van deze voorziening. De gemeente streeft naar een goede waterkwaliteit, die voldoet aan de gestelde eisen. Van belang is dat zo min mogelijk vervuilende stoffen worden toegevoegd aan het grond- en oppervlaktewatersysteem. Alleen schoon hemelwater wordt direct afgevoerd naar de bodem of het oppervlaktewater.

Binnen het plangebied, wordt geen gebruik gemaakt van uitlogende materialen. Het plan voldoet daarmee aan het gestelde in het Waterplan Heumen. Het aspect water vormt geen belemmering voor de onderhavige ontwikkeling. Overleg Waterschap Het plan is ingevoerd in de digitale watertoets. Uit deze toets volgt dat voor dit plan de normale procedure gevolgd moet worden.

Pagina 38 van 47

7. Uitvoerbaarheid 7.1

Economische uitvoerbaarheid

Het plan zal geheel in particuliere handen uitgevoerd worden. Voor de gemeente zijn er geen financiële consequenties aan verbonden. De verrekening van de plankosten vindt plaats via leges. Anterieure overeenkomst Daarnaast wordt tussen initiatiefnemer en de gemeente een zogenaamde anterieure overeenkomst afgesloten. In deze overeenkomst zijn bepalingen over onder meer de plankosten, grondexploitatie, civieltechnische kosten en planschade tussen gemeente en initiatiefnemer opgenomen. Met deze overeenkomst is het verhaal van de kosten van grondexploitatie voldoende verzekerd en hoeft er geen exploitatieplan vastgesteld te worden. Planschade De bestemmingswijziging kan mogelijk leiden tot planologisch nadelige consequenties voor belanghebbenden. Hierbij kan er sprake zijn van planschade. Tussen gemeente en initiatiefnemer is een planschade overeenkomst afgesloten waarbij initiatiefnemer zich borg stelt voor eventuele planschade.

Conclusie Er is sprake van een uitvoerbaar plan omwille van de volgende redenen: • tussen gemeente en initiatiefnemer is een planschade overeenkomst afgesloten, waarin door initiatiefnemer eventuele planschade voor zijn rekening zal worden genomen; • de kosten voor uitvoering van het plan komen voor rekening van de initiatiefnemer; • de gronden waarop de bestemmingswijziging ziet zijn in eigendom van initiatiefnemer; • er is geen sprake van grote financiële, planologische of maatschappelijke belemmeringen.

7.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

In het kader van de openbare voorbereidingsprocedure wordt het plan in procedure gebracht en is er voor eenieder de gelegenheid om kennis te nemen van het plan. In het kader van deze procedure bestaat er de mogelijkheid om op de plannen te reageren via de gangbare bezwaaren beroepsprocedures.

7.3

Omgevingsdialoog

Teneinde de directe omgeving op voorhand te informeren over en te betrekken bij het plan, is door initiatiefnemer een dialoog met de omgeving gevoerd over de beoogde ontwikkeling en de opzet van het plan. Initiatiefnemer heeft daartoe direct belanghebbenden benaderd en het plan toegelicht. Dit betreft de adressen Looistraat 34 en Looistraat 55. Pagina 39 van 47

Bewoner Looistraat 34 heeft het plan voor kennisgeving aangenomen en verder geen reactie gegeven. Met bewoners Looistraat 55 is eveneens het plan besproken en toegelicht. Hier speelde de optie om een deel van de gronden hiervan te verwerven waarop de landschappelijke inpassing gerealiseerd kon worden. Door Looistraat 55 is aangegeven deze gronden niet af te willen staan. Hierdoor is het oorspronkelijke plan qua opzet op detailniveau aangepast. Met het plan om de varkenshouderij om te zetten naar een woonzorgcomplex kon ingestemd worden door Looistraat 55.

Pagina 40 van 47

8. Afwegingen Met betrekking tot het voornemen om de agrarische bedrijfslocatie aan de Looistraat 32 en 32a in Heumen om te zetten in een kleinschalig woonzorgcomplex, kan de volgende afweging gemaakt worden: • Het plan betreft de effectuering van de overeenkomst uit 2012 tussen gemeente en initiatiefnemer, waarbij de beoogde ontwikkeling planologisch geborgd wordt in dit plan door het toekennen van de juiste bestemming aan de gronden; • Het plan past binnen de kaders van het provinciaal en gemeentelijke beleid. Het plan voorziet namelijk in een passende herbestemming van een voormalige agrarische bedrijfslocatie waarmee bijgedragen wordt aan nieuwe vormen van plattelandsverbreding en verbetering van de ruimtelijke kwaliteit; • Het gemeentelijk woonbeleid stimuleert en ondersteunt initiatieven voor nieuwe woonconcepten. Met dit plan wordt bijgedragen aan de behoefte voor ouderen of vergelijkbare zorgbehoevende die in een woonzorgplex willen wonen in een landelijke omgeving. Kwantitatief past het plan binnen de afspraken van de Regionale Woonagenda.

• In deze ruimtelijke onderbouwing is gebleken dat het voorliggend plan voldoet aan de uitgangspunten van een goede ruimtelijke ordening; • vanuit de omgeving zijn er geen belemmeringen vanuit natuur, landschap, cultuurhistorie, waterhuishouding of milieu die het realiseren van het initiatief op deze locatie in de weg staan; • Het plan leidt niet tot relevante waterhuishoudkundige effecten. Uitvoering vindt plaats binnen de uitgangspunten van het duurzaam waterbeheer van het Waterschap Rivierenland en gemeente Heumen; • ook kan gesteld worden dat er geen onevenredige negatieve effecten zullen optreden naar de omgeving; • de te verwachten verkeerseffecten zijn verwaarloosbaar en passen in het lokale verkeersbeeld. Er wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen erf. Geconcludeerd kan worden dat het plan ruimtelijk inpasbaar is in de omgeving.

Pagina 41 van 47

9. Juridische regeling 9.1

De uitgangspunten

Het bestemmingsplan kan, afhankelijk van het gevoerde beleid van de gemeente een meer of minder globaal karakter dragen. Met voorliggend bestemmingsplan wordt een planologischjuridische regeling gegeven voor de te ontwikkelen gronden binnen het plangebied. Daarbij wordt aansluiting gezocht bij de regeling van het bestemmingsplan Buitengebied van de gemeente Heumen. De planregels sluiten verder aan bij de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen (SVBP) 2012.

9.2

De bestemmingsregeling

Met het voorliggende plan wordt de agrarische bestemming van de locatie omgezet naar een woonbestemming. Deze bestemming beslaat grotendeels het oorspronkelijke agrarische bouwvlak. Met dit bestemmingsplan komt de agrarische bestemming van het perceel te vervallen waar de woonbestemming gerealiseerd gaat worden. Het achterste deel van het bouwvlak behoudt haar agrarische bestemming, maar de bouwmogelijkheden komen te vervallen. Binnen de woonbestemming is de realisering van het woon zorg complex mogelijk. Aan de hand van het stedenbouwkundig plan is de contour van het bouwvlak voor dit complex bepaald en vastgelegd op de verbeelding. Binnen dit bouwvlak geldt een maximaal bebouwingspercentage en maximale bouwhoogtes. Hiermee wordt het planologisch kader voor dit complex in het bestemmingsplan geborgd. Buiten het bouwvlak waar het hoofdgebouw komt, mogen bijgebouwen opgericht worden tot maximaal 300 m2. De bestaande bedrijfswoning wordt omgezet naar een woonbestemming. Hiervoor gelden de bouwregels zoals die voor woningen in het buitengebied gehanteerd worden. De onbebouwde gronden krijgen een functie als tuin en erf. Op deze terreingedeeltes mogen de bijbehorende voorzieningen als ontsluiting, parkeren, tuin en landschappelijke inpassing gerealiseerd worden. Ten behoeve van de aanleg van een voetpad is een functie-aanduiding opgenomen.

In de regels is een voorwaardelijke bepaling opgenomen die planologisch de sloop van bebouwing en de landschappelijke inpassing borgt. Verder ligt over de gronden de dubbelbestemming Waarde-Archeologische verwachting 1. Dit ter bescherming van het archeologisch belang bij bouwwerkzaamheden en bodemingrepen. De juridische regeling hiervoor is overgenomen uit het geldende bestemmingsplan Buitengebied. Verder voorzien de regels in de gebruikelijke inleidende regels, algemene regels en overgangsen slotbepalingen. Deze zijn overgenomen uit het geldende bestemmingsplan Buitengebied. Pagina 42 van 47

10. De procedure 10.1 Vooroverleg In het kader van het wettelijk vooroverleg is het plan aangeboden aan de Provincie Gelderland. De Provincie heeft bij brief van 22 juli 2022 een reactie gegeven op het voorontwerp bestemmingsplan: ‘In het plan speelt het provinciale belang ‘stedelijke ontwikkeling’ een rol. U heeft dit belang goed meegewogen in het plan. Als het plan niet wijzigt, rakend aan provinciale belangen, hoeft u het ons in ontwerp niet toe te sturen.’ Het advies is als bijlage bijgevoegd.

10.2 Ontwerp bestemmingsplan Het ontwerpbesluit voor het bestemmingsplan, zal door het college van B & W genomen worden. Daarna komt het plan ter inzage. Omwonenden en belanghebbenden worden hierbij in de gelegenheid gesteld hun zienswijzen op het plan te geven. Op basis van de eventueel ingediende zienswijzen zal een afweging gemaakt worden of het plan al dan niet gewijzigd door het college van B & W wordt vastgesteld. Het definitieve plan zal ter inzage gelegd worden met de mogelijkheid tot het instellen van beroep.

10.3 Zienswijzen PM

Pagina 43 van 47

Pagina 44 van 47

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13844619/1