Bijlage III redactiestatuut GL8 geanonimiseerd
Tekst van het document
Redactiestatuut
Inleiding Programma’s maken (de Mediawet spreekt van: media-aanbod verzorgen) voor een lokale omroep betekent meer dan het correct opstellen van een draaiboek, het hanteren van de juiste cameratechniek of een goede presentatie. Het in de praktijk goed functioneren van de lokale omroep hangt in hoge mate af van de wijze waarop de tot de totstandkoming en de inhoud van het media-aanbod is geregeld. Het is van belang dat is vastgesteld wat de verantwoordelijkheden zijn van de bestuursorganen en de programmamedewerkers (waaronder redactieleden). Aan wie zijn de programmamedewerkers verantwoording verschuldigd en op welke waarborgen kunnen zij bij de uitoefening van hun werkzaamheden aanspraak maken? Het voorhanden hebben van een redactiestatuut, ook wel programmastatuut genoemd, is niet alleen voor het beantwoorden van deze vragen een vereiste, maar is bovenal een door de Mediawet opgelegde verplichting. De lokale omroep (de Mediawet spreekt van de lokale publieke mediainstelling) is op grond van artikel 2.88 van die wet verplicht een redactiestatuut tot stand te brengen waarin de redactionele onafhankelijkheid van de programmamedewerkers is vastgelegd.
Artikel 2.88 van de Mediawet In het eerste lid van dit artikel is opgenomen dat de publieke media-instellingen, waaronder de lokale omroepen, de vorm en de inhoud van het door hen verzorgde media-aanbod bepalen en daarvoor verantwoordelijk zijn. Een en ander onverminderd het bepaalde bij of krachtens de Mediawet zelf. Vervolgens is in het tweede lid van dit artikel voorgeschreven dat zij in overeenstemming met hun werknemers die zijn belast met de verzorging en de samenstelling van het media-aanbod een redactiestatuut tot stand brengen. Op grond van het derde lid van dit artikel bevat het redactiestatuut de journalistieke rechten en plichten van die werknemers, waaronder in elk geval - waarborgen dat normen inzake journalistieke deontologie en kwaliteit worden gehanteerd en - waarborgen voor redactionele onafhankelijkheid ten opzichte van adverteerders, sponsors en anderen die bijdragen hebben verstrekt voor de totstandkoming van het media-aanbod. Met journalistieke deontologie is bedoeld de geschreven en ongeschreven fatsoensregels die binnen de journalistiek zijn geaccepteerd: de journalistieke beroepsethiek. Hoewel de Mediawet alleen spreekt van werknemers, geldt het redactiestatuut ook voor onbezoldigde programmamedewerkers zonder arbeidscontract.
1
Rechtspositie programmamedewerkers Programmamedewerkers bij een lokale omroep hebben ten opzichte van het bestuur van de lokale omroep een vergelijkbare positie als werknemers ten opzichte van hun werkgever, maar bij een lokale omroep heeft men vaker te doen met vrijwilligers. Vrijwilligers genieten geen wettelijk geregelde rechtspositie zoals werknemers met een arbeidsovereenkomst. De vrijwilligers hebben geen ontslagregeling en zij kunnen geen aanspraak maken op salaris of sociale voorzieningen. Daar staat tegenover dat het bestuur in beginsel geen afdwingbare afspraken met en aanspraken op de medewerker kan maken. Daarenboven is voor medewerkers die belast zijn met de verzorging en de samenstelling van het omroepprogramma/media-aanbod – de programmamedewerkers – niet alleen hun rechtspositie van belang maar ook hun redactionele onafhankelijkheid. Ten behoeve hiervan is de lokale omroep verplicht een redactiestatuut op te stellen opdat het bestuur en de programmamedewerkers de bevoegdheden ten opzichte van elkaar zorgvuldig uitoefenen. Scheiding van verantwoordelijkheden Voor een goede gang van de dagelijkse werkzaamheden binnen de lokale omroep is de scheiding van de bestuurlijke verantwoordelijkheden en de verantwoordelijkheden voor de vorm en de inhoud van het omroepprogramma/media-aanbod onontbeerlijk.
De scheiding van deze verantwoordelijkheden is neergelegd in het redactiestatuut. Op grond van het redactiestatuut zijn de programmatische taken en verantwoordelijkheden binnen de lokale omroep toebedeeld aan de programmamedewerkers. Het bestuur delegeert zijn programmatische taken en verantwoordelijkheden aldus aan de programmamedewerkers. Deze delegatie houdt in dat het bestuur niet zelf de bevoegdheid heeft om op te treden in aangelegenheden die de vorm en de inhoud van het media-aanbod betreffen. Maar het bestuur is wel verantwoordelijk voor het functioneren van alle medewerkers van de lokale omroep: het bestuur is belast met het bestuur van de stichting. Deze bepaling staat in de statuten van elke stichting. De gescheiden verantwoordelijkheden en de daarmee gepaard gaande nader omschreven bevoegdheden, betekenen voor de programmamedewerker een begrenzing van de vrijheid van handelen. Het recht van vrije meningsuiting is nimmer een vrijheid zonder grenzen. Los van de strafrechtelijke beperkingen liggen de grenzen in het gebruik van verzinsels in plaats van feiten. Bovendien is deze vrijheid begrensd door het door het programmabeleid bepalende orgaan (PBO) vastgestelde (algemene) programmabeleid/media-aanbodbeleid en de mede door de hoofdredacteur vastgestelde regels met betrekking tot de uitvoering daarvan.
Daarbij moet niet worden vergeten dat het algemene programmabeleid en de daarop gebaseerde uitvoeringsregelingen hun beperkingen hebben in de Mediawet. Voor het bestuur is, zoals gezegd, in deze geen rol weggelegd, anders dan achteraf in het kader van het beoordelen van het functioneren van de programmamedewerker.
2
Vermijden van belangenconflicten Artikel 2.1, tweede lid, van de Mediawet bepaalt onder meer dat het media-aanbod van de publieke media-instellingen, dus ook van de lokale omroep, onafhankelijk is van commerciële en overheidsinvloeden. Het tot stand brengen van een redactiestatuut staat mede hiermee in verband. Zoals gezegd houdt een programmamedewerker bij het samenstellen van het omroepprogramma/media-aanbod rekening met het door het PBO vastgestelde programmabeleid en de door de hoofdredacteur vastgestelde kaders van de programmering. Daarnaast kunnen er belangen van derden een rol spelen. Te denken valt aan adverteerders, sponsors, (lokale) overheden en andere derden die een financiële bijdrage leveren aan de productiekosten van het programma. Met name het mediawettelijke uitgangspunt: de publieke media-instellingen zijn met al hun activiteiten niet dienstbaar aan het maken van winst door derden (artikel 2.141, eerste lid, van de Mediawet), speelt hierbij een doorslaggevende rol. In het geval dat de programmamedewerker klem komt te zitten tussen het bestuur dat verantwoordelijk is voor de financiële basis van de lokale omroep en de redactionele onafhankelijkheid van het omroepprogramma/media-aanbod van de lokale omroep dan biedt een beroep op het redactiestatuut uitkomst.
Vaststelling en wijziging van het redactiestatuut Zoals gezegd schrijft de Mediawet voor dat de lokale omroep in overeenstemming met de werknemers die zijn belast met de verzorging en samenstelling van het media-aanbod een redactiestatuut tot stand brengt. Het bestuur van de lokale omroep stelt het redactiestatuut vast. In het geval de statuten hierover niets voorschrijven dan stelt het bestuur het redactiestatuut vast met instemming van de voltallige redactieraad. Wijzigingen van het redactiestatuut geschiedt ook met instemming van de voltallige redactieraad. Het modelredactiestatuut is een richtsnoer bij het door het bestuur van de lokale omroep op te stellen definitief redactiestatuut.
3
Redactiestatuut Doelstelling lokale publieke media-instelling Artikel 1 De lokale publieke media-instelling (hierna: lokale omroep) stelt zich volgens de statuten uitsluitend of hoofdzakelijk ten doel het op lokaal niveau uitvoeren van de publieke media-opdracht door het verzorgen van media-aanbod dat gericht is op de bevrediging van maatschappelijke behoeften die in het verzorgingsgebied waarop de instelling zich richt leven, en het verrichten van alle activiteiten die nodig zijn om daarmee een publieke taak te vervullen. Beginselverklaring Artikel 2 1. De uitgangspunten die betrekking hebben op het samenstellen van het omroepprogramma/media-aanbod van de lokale omroep zijn neergelegd in de Mediawet, in de statuten van die instelling, in het door het programmabeleid bepalend orgaan (PBO) vastgestelde programmabeleid en in de door de lokale omroep vastgestelde regelingen. De hoofdredacteur en de programmastaf zijn aan deze uitgangspunten gebonden. De desbetreffende stukken worden geacht bij hen bekend te zijn. 2. Dit redactiestatuut beoogt de programmamedewerkers waarborgen te bieden voor het onafhankelijk uitoefenen van de uit het redactiestatuut voortvloeiende taken, zonder rechtstreekse beïnvloeding door of van wie dan ook anders dan op de wijze als in dit redactiestatuut is voorzien. 3.
Deze onafhankelijke taakuitoefening houdt in dat de programmamedewerkers bij de samenstelling van het omroepprogramma/media-aanbod: -
zonder vooroordelen te werk gaan en streven naar een zo nauwgezet mogelijke weergave van de werkelijkheid; de informatievoorziening en de uitwisseling van verschillende meningen vooropstellen; zorgvuldige verificatie betrachten van hetgeen zij voornemens zijn te publiceren; een zo herkenbaar mogelijk onderscheid maken tussen feiten, analyses en meningen; betrokkenen de gelegenheid geven tot hoor en wederhoor in die zin dat zij een eerlijke kans krijgen, in tijd en in informatie, om te reageren; zich niet dienstbaar maken aan winst van derden, sluikreclame weren en zich terughoudend opstellen tegenover sponsoractiviteiten; geen (neven)activiteiten verrichten die met hun onafhankelijke taakuitvoering strijdig zijn.
Bevoegdheden/verplichtingen betrokken organen De lokale omroep Artikel 3 Het bestuur van de lokale omroep is verantwoordelijk voor de vorm en de inhoud van het door de lokale omroep verzorgde omroepprogramma/media-aanbod. De samenstelling van het omroepprogramma/media-aanbod is opgedragen aan de hoofdredacteur met inachtneming van het door het PBO vastgestelde programmabeleid. Het bestuur van de lokale omroep oefent achteraf en met terughoudendheid toezicht uit op de naleving van de statuten, de naleving van het door het PBO vastgestelde programmabeleid en de naleving van de uit de statuten en het programmabeleid voortvloeiende regelingen.
4
De programmamedewerker Artikel 4 De programmamedewerker is de medewerker van de lokale omroep die is belast met werkzaamheden in het kader van de samenstelling van het omroepprogramma/media-aanbod, voor zover deze een arbeidscontract of medewerker-overeenkomst heeft gesloten. Uitgangspunten voor het beleid bij benoeming, schorsing of ontslag van de programmamedewerker is vastgelegd in door het bestuur en medewerker ondertekende medewerker-overeenkomst. De hoofdredacteur Artikel 5 De hoofdredacteur is degene aan wie op grond van het bepaalde in de statuten de samenstelling van het omroepprogramma/media-aanbod van de lokale omroep is opgedragen. Uitgangspunten voor het beleid bij benoeming, schorsing of ontslag van de hoofdredacteur zijn vastgelegd in de statuten van de lokale omroep. Artikel 6 1. Bij voorziening in een vacature voor de functie van hoofdredacteur wordt, met inachtneming van hetgeen hierover is opgenomen in de statuten, door het bestuur een sollicitatie- en selectiecommissie ingesteld. 2. In de sollicitatie- en selectiecommissie hebben zitting: -
twee leden van het bestuur, waaronder het bestuurslid belast met het personeelsbeleid; een lid, aangewezen door de medewerkers.
3. Het bestuurslid belast met het personeelsbeleid zit de vergaderingen van de sollicitatie- en selectiecommissie voor. 4. De sollicitatie- en selectiecommissie stelt een voordracht op en legt deze, vergezeld van een verslag van haar werkzaamheden, voor aan het bestuur. Artikel 7 1. De hoofdredacteur kan worden ontslagen overeenkomstig de betreffende bepalingen in de statuten van de lokale omroep. 2. De medewerkers zijn bevoegd een voorstel tot ontslag of schorsing van de hoofdredacteur in te dienen bij het bestuur. Een dergelijk voorstel vereist de instemming van twee-derde van de medewerkers. Artikel 8 1. De hoofdredacteur is verantwoordelijk voor de samenstelling van het omroepprogramma/media-aanbod van de lokale omroep, waaronder begrepen: - hij/zij is met betrekking tot het omroepprogramma/media-aanbod verantwoordelijk voor de naleving van statuten, programmabeleid en regelingen; - hij/zij draagt binnen dit kader de verantwoordelijkheid voor de inhoud van het omroepprogramma/media-aanbod; - hij/zij heeft de dagelijkse leiding over de medewerkers; - hij/zij bepaalt de inzet van menskracht en budget en bindt hieraan eventueel nadere instructies.
5
2. De hoofdredacteur woont de vergaderingen van het bestuur bij. Hij/zij heeft bij die gelegenheid een adviserende stem. De programmastaf Artikel 9 1. De gezamenlijke programmamedewerkers vormen de programmastaf. 2. De programmastaf kiest periodiek uit zijn midden een afvaardiging voor de redactieraad, zodanig dat deze een afspiegeling vormt van de diverse bij de samenstelling van het omroepprogramma/media-aanbod betrokken geledingen van de programmastaf. 3. De programmastaf vergadert tenminste éénmaal per jaar. Voorts vergadert hij telkenmale wanneer de hoofdredacteur dit wenselijk acht of wanneer tenminste één vijfde van de leden van de programmastaf daartoe de hoofdredacteur verzoekt. 4. De oproeping tot de vergadering geschiedt door de hoofdredacteur, die ook de vergadering voorzit en zorgdraagt voor de verslaglegging. De redactieraad Artikel 10 1. De redactieraad is door de programmastaf uit zijn midden aangewezen vertegenwoordiging die bestaat uit minimaal drie personen. 2. De redactieraad ondersteunt de hoofdredacteur bij de vormgeving van de uitgangspunten van het te voeren redactioneel beleid. De redactieraad beziet in het kader daarvan onder meer: - de coördinatie van het omroepprogramma/media-aanbod; - de bewaking van de interne en externe communicatie; - de technische kwaliteit van het omroepprogramma/media-aanbod. 3.
De redactieraad kiest uit zijn midden een voorzitter en een secretaris; de secretaris draagt zorg voor de verslaglegging van de vergaderingen van de redactieraad in de vorm van ten minste een besluitenlijst. 4. De hoofdredacteur kan de vergaderingen van de redactieraad bijwonen; de hoofdredacteur heeft in die vergadering geen stemrecht. 5. De redactieraad kan besluiten vertegenwoordigers van andere geledingen binnen de lokale omroep aan zijn vergaderingen deel te laten nemen. Zij hebben een adviserende stem. Verhouding/samenwerking bestuur, hoofdredacteur en redactieraad Artikel 11 1. Alvorens het bestuur en/of de hoofdredacteur een beslissing neemt/nemen over zaken die van wezenlijk belang zijn voor de werkzaamheden van de programmastaf, wordt de redactieraad zo tijdig mogelijk geïnformeerd en gehoord. 2. Zaken van wezenlijk belang zijn in ieder geval: a. ingrijpende wijzigingen in statuten, programmabeleid en regelingen, voor zover deze wijzigingen betrekking hebben op het voorbereiden en samenstellen van het omroepprogramma/media-aanbod; b. ingrijpende wijzigingen in het uitzendschema van het omroepprogramma/media-aanbod; c. ingrijpende wijzigingen in de huisvestingssituatie;
6
d. overeenkomsten voor programmatische samenwerking met derden voor zover deze een ander dan incidenteel karakter hebben; e. de benoeming van de hoofdredacteur, met inachtneming van het bepaalde daaromtrent in de statuten en in het redactiestatuut; f. ingrijpende wijziging in de samenstelling van de programmastaf; g. wijzigingen in het redactiestatuut, met inachtneming van het daaromtrent in het redactiestatuut bepaalde; h. wijzigingen in de techniek, voor zover deze ingrijpende gevolgen hebben voor de werkzaamheden van de programmastaf; i.
disciplinaire maatregelen ten aanzien van medewerkers van de lokale omroep, voor zover deze ingrijpende gevolgen hebben voor de werkzaamheden van de programmastaf.
3. Tijdig voordat het bestuur van de lokale omroep de begroting vaststelt, legt het bestuur deze voor aan de redactieraad en wel in ieder geval voor wat betreft de posten die rechtstreeks betrekking hebben op de werkzaamheden van de programmastaf. De redactieraad brengt zijn opmerkingen bij de begroting ter kennis van het bestuur. Persoonlijke verantwoordelijkheid programmamedewerker Artikel 12 1. Wanneer een programmamedewerker ernstige (gewetens)bezwaren heeft tegen een aan hem/haar verstrekte opdracht met betrekking tot een omroepprogramma en hij/zij zich niet kan neerleggen bij een door de hoofdredacteur ter zake te nemen of genomen beslissing, dan kan hij/zij zich wenden tot de redactieraad met het verzoek om een uitspraak. 2. Wanneer de hoofdredacteur besluit ingrijpende wijzigingen aan te brengen of te doen aanbrengen in een omroepprogramma, dan kan de betrokken programmamedewerker verzoeken om het omroepprogramma niet uit te zenden. Als de hoofdredacteur niettemin besluit tot uitzending, dan zal het omroepprogramma niet van de naam van de betrokken programmamedewerker worden voorzien. Als de betrokken programmamedewerker het niet met deze beslissing eens is, dan kan hij/zij zich achteraf wenden tot de redactieraad met het verzoek om een uitspraak. 3.
Als de hoofdredacteur een uitspraak van de redactieraad, zoals hierboven in het eerste en het tweede lid bedoeld, niet aanvaardt, dan maakt hij zijn/haar standpunt gemotiveerd kenbaar aan de redactieraad. 4. Als het bestuur van de lokale omroep ernstige klachten heeft over het gevoerde redactioneel beleid of over een uitgezonden omroepprogramma, dan dienen de hoofdredacteur en de betrokken leden van de programmastaf ter zake te worden gehoord. Als het bestuur daarna de klacht handhaaft, kan het maatregelen ten aanzien van de hoofdredacteur treffen zoals in de statuten voorzien.
7
Geschillen Artikel 13 Geschillen omtrent dit redactiestatuut of het redactioneel beleid worden voorgelegd aan een geschillencommissie. Artikel 14 Deze geschillencommissie bestaat uit drie leden: een lid aan te wijzen door de redactieraad, een lid aan te wijzen door het bestuur en een lid aan te wijzen door redactieraad en bestuur gezamenlijk. Artikel 15 De uitspraken van de geschillencommissie zijn voor alle betrokkenen bindend. Wijziging redactiestatuut Artikel 16 Met inachtneming van het bepaalde daaromtrent in de Mediawet kan het bestuur het redactiestatuut wijzigen met instemming de voltallige redactieraad.
8
Toelichting Model redactiestatuut Algemene toelichting De respectievelijk in artikel 1 en in artikel 2 verwoorde doelstelling en beginselverklaring vormen het mediawettelijke kader waarbinnen de lokale omroep functioneert. De rechten en plichten van de programmamedewerkers vormen de kern van het redactiestatuut. Voorgeschreven is dat enkel het redactiestatuut beperkingen kan opleggen aan de onafhankelijkheid van de programmamedewerkers. In de beginselverklaring (artikel 2, derde lid) zijn de in acht te nemen algemene journalistieke normen opgenomen. Vervolgens zijn de diverse organen en hun bevoegdheden beschreven. De in dit document genoemde hoofdredacteur is programmatisch gezien de eerstverantwoordelijke. Hij/zij neemt de finale beslissingen daarover en is de intermediair tussen de bestuurlijke organen en de programmamedewerkers. Bij het ontbreken van een hoofdredacteur kan ook de hoogst leidinggevende worden bedoeld, zoals een directeur (station manager) of eindredacteur. In artikel 3 is, overeenkomstig artikel 2.88, eerste lid van de Mediawet, buiten twijfel gesteld dat (het bestuur van) de lokale omroep verantwoordelijk is voor de vorm en inhoud van het omroepprogramma/media-aanbod van de lokale omroep. Tegelijkertijd is verzekerd dat de samenstelling van het omroepprogramma/media-aanbod is gedelegeerd/opgedragen aan de hoofdredacteur.
Het bestuur van de lokale omroep kan achteraf en met terughoudendheid toezicht uitoefenen, conform hetgeen daaromtrent in de statuten of anderszins is geregeld. Programmamedewerkers zijn alle met redactionele en programma-inhoudelijke taken belaste personen. Om een zo ruim mogelijk bescherming te bieden is bewust niet gekozen voor een functiecriterium maar een taakinhoudelijke afbakening. De gezamenlijke programmamedewerkers vormen de programmastaf. De hoofdredacteur heeft bij de concretisering van het redactionele beleid de steun van de redactieraad, een vertegenwoordiging uit de programmastaf. Aan de vergaderingen van de redactieraad kunnen in voorkomende gevallen ook niet-leden van de programmastaf deelnemen, bijvoorbeeld het hoofd van de technische dienst. Met betrekking tot de inrichting van de redactionele organisatie is in dit statuut geen bepaling opgenomen. Dat is de verantwoordelijkheid van de directeur (station manager) of de hoofdredacteur/eindredacteur. Om een goede verstandhouding tussen bestuur, hoofdredacteur en de overige programmamedewerkers te verzekeren, is communicatie in de vorm van (structureel) overleg noodzakelijk. Wanneer het bestuur en/of de hoofdredacteur voornemens is/zijn een beslissing te nemen die van wezenlijk belang is voor het functioneren van de programmastaf, dan ligt overleg daarover met de redactieraad voor de hand.
De programmastaf is immers vertegenwoordigd in de redactieraad. Ter afronding is in dit statuut ingegaan op de persoonlijke verantwoordelijkheid van de programmamedewerker. Wat kan hij/zij doen als de hoofdredacteur een opdracht geeft of een beslissing neemt met betrekking tot een door hem/haar gemaakt programma waar hij/zij het niet mee eens is? En welke procedure moet worden gevolgd bij ernstige klachten over een programma? Geschillen (niet klachten), die ontstaan naar aanleiding van het redactiestatuut of een andere regeling met programmatische implicaties, worden voorgelegd aan een geschillencommissie van drie leden, waarvan een benoemd door het bestuur, een door de redactieraad en een door bestuur en redactieraad gezamenlijk.
9
Artikelsgewijze toelichting Artikel 1 Het eerste artikel van het model redactiestatuut is een weergave van de wettelijk voorgeschreven doelstelling van een lokale omroep (artikel 2.61, tweede lid, onder b van de Mediawet). Om in aanmerking te komen voor een aanwijzing dient dit doel in de statuten te zijn opgenomen. Artikel 2, lid 1 De eerste zinsnede is bedoeld om duidelijk te stellen dat het uitgangspunt voor het samenstellen van het omroepprogramma/media-aanbod een gegeven is voor de programmamedewerkers van de lokale omroep. Ingevolge artikel 2.61, tweede lid, onder c van de Mediawet kent elke lokale omroep een representatief samengesteld orgaan dat belast is met het vaststellen van het programmabeleid: het programmabeleid bepalende orgaan (PBO). Dit programmabeleid is daarom niet door het bestuur, de hoofdredacteur of de programmastaf bepaald. Artikel 2, lid 2 Dit artikellid is een beknopte weergave van de redenen waarom een redactiestatuut noodzakelijk is. De programmamedewerkers kunnen hun taken alleen dan onafhankelijk uitoefenen wanneer zij niet blootgesteld zijn aan druk van binnen of buiten de lokale omroep. Artikel 2, lid 3 In dit artikellid is aangegeven waaraan de programmamedewerkers zich bij hun onafhankelijke taakuitoefening dienen te houden.
De opsomming is weliswaar niet uitputtend, maar geeft een aantal belangrijke journalistieke principes weer die de kern vormen van het redactiestatuut. Als evidente voorbeelden van strijdigheid met deze principes kan worden gedacht aan het overnemen zonder bronvermelding (plagiaat), het verzinnen/vervalsen van feiten dan wel het manipuleren van beeld- of geluidsmateriaal. Overigens zij voor de duidelijkheid erop gewezen dat de mogelijkheid van hoor en wederhoor niet betekent dat betrokkenen in hetzelfde programma op elkaar moeten reageren. Programmamedewerkers worden geacht geen nevenactiviteiten te verrichten die op gespannen voet staan met hun onafhankelijke taakuitoefening. In het bijzonder moet de programmamedewerker zich terughoudend opstellen tegenover sponsoractiviteiten. Deze bepaling heeft raakvlakken met de bepalingen van de Mediawet inzake het dienstbaarheidsverbod (artikel 2.141 van de Mediawet) en nevenactiviteiten (2.132 e.v. van de Mediawet). Die richten zich weliswaar tot de lokale omroep, maar de (programma)medewerkers van de lokale omroep hebben in deze een eigen verantwoordelijkheid. Artikel 3 De in de tweede volzin genoemde delegatie impliceert dat niet het bestuur maar de hoofdredacteur beslist over de samenstelling van het omroepprogramma/media-aanbod.
Het bestuur kan de delegatie wijzigen of intrekken, dit is maatregelen treffen jegens de hoofdredacteur, binnen de daarvoor geldende statutaire bepalingen. Artikel 4 en artikel 5 Zie voor de desbetreffende uitgangspunten onder meer de statuten.
10
Artikel 6, lid 2 Het lid van de sollicitatie- en selectiecommissie dat wordt aangewezen door de redactieraad kan zijn een lid van die raad, iemand van de programmastaf dan wel een derde. Artikel 6, lid 4 Het bestuur zal zonder gegronde redenen niet van deze voordracht afwijken. Artikel 7, lid 1 Het orgaan dat de hoofdredacteur benoemt, kan hem/haar ook schorsen of ontslaan. Artikel 7, lid 2 Een redactieraad die om wat voor reden dan ook niet overweg kan met de hoofdredacteur zal niet goed functioneren en moet dit aan het bestuur duidelijk kunnen maken. Het bestuur kan reageren met bemiddeling, schorsing of ontslag op de wijze zoals in de statuten voorzien. Artikel 8, lid 1 Op grond van artikel 3 van het redactiestatuut is de samenstelling van het omroepprogramma/media-aanbod aan de hoofdredacteur gedelegeerd, dit artikel omschrijft in dat kader de taken en verantwoordelijkheden van de hoofdredacteur. Artikel 8, lid 2 De aanwezigheid van de hoofdredacteur bij de bestuursvergaderingen is noodzakelijk om de hierna in artikel 11 bedoelde verhouding tussen het bestuur, de hoofdredacteur en de redactieraad te bewerkstelligen. Artikel 9, lid 1 De uitgangspunten van het te voeren redactioneel beleid zijn niet de uitgangspunten van het programmabeleid. Immers, laatstgenoemde uitgangspunten zijn vastgesteld door het PBO.
De uitgangspunten van het te voeren redactioneel beleid zijn de uitgangspunten met betrekking tot de wijze waarop de hoofdredacteur zijn verantwoordelijkheid inzake de samenstelling van het omroepprogramma/media-aanbod invult. Artikel 9, lid 2 Elke geleding moet om te kunnen meebeslissen over de programmering vertegenwoordigd zijn in de redactieraad. Bij geledingen moet worden gedacht aan redactiestaven, productiegroepen, etc. Bij periodiek is jaarlijks de voorkeur. Artikel 9, lid 4 Er is gekozen voor een verslag en niet voor enkel een besluitenlijst omdat bij gelegenheid van dergelijke vergaderingen uitgebreid discussiepunten naar voren worden gebracht die nadere bestudering vergen. Dergelijke punten dienen dan goed gedocumenteerd te zijn waarvan ook de andere organen van de lokale omroep kennis kunnen nemen.
11
Artikel 10, lid 1 De redactieraad is met name verantwoordelijk voor de totstandkoming van het omroepprogramma/media-aanbod. Een drietal centrale taken zijn expliciet geformuleerd. Een daarvan, de bewaking van de interne en externe communicatie, houdt onder meer in: -
het voorkomen van dubbele afspraken naar buiten; het voorkomen van overlappingen in de programmering; onderlinge uitwisseling van informatie; onderlinge afstemming van techniek en programmering.
Artikel 10, lid 2 Een besluitenlijst moet als minimumvorm van verslaglegging van de vergaderingen van de redactieraad voldoende worden geacht. Grotendeels zijn de besluiten immers van feitelijke aard. Artikel 10, lid 4 In de redactieraad kunnen ook anderen dan (vertegenwoordigers van) programmamedewerkers zitting hebben. Het is evenwel aan de redactieraad om te beoordelen of het wenselijk is dat bijvoorbeeld (vertegenwoordigers van) technische medewerkers en/of medewerkers van de huishoudelijke dienst deelnemen aan de vergaderingen van de redactieraad. Artikel 11, lid 1 Besluiten van het bestuur en/of de hoofdredacteur die in belangrijke mate de programmastaf raken, behoren tenminste onderwerp van overleg te zijn tussen hoofdredacteur en redactieraad. Artikel 11, lid 2 Hierin is een – niet uitputtende – opsomming opgenomen van de onderwerpen (“zaken van wezenlijk belang”) die tenminste overleg behoeven. Artikel 11, lid 3 Omdat de financiële positie van de lokale omroep onlosmakelijk verbonden is met de mogelijkheid een omroepprogramma/media-aanbod tot stand te brengen, is om het belang daarvan te benadrukken een afzonderlijke bepaling opgenomen. Artikel 12 De individuele verantwoordelijkheid van de afzonderlijke medewerkers is al benadrukt. Dit artikel geeft aan hoe met deze individuele verantwoordelijkheid in probleemgevallen moet worden omgegaan.
Artikelen 13 t/m 15 De geschillenregeling, waarbij is voorzien in een geschillencommissie, kan een overhaaste gang naar het bestuur of de rechter voorkomen. Artikel 16 Met instemming van de voltallige redactieraad bewerkstelligt dat ook de hoofdredacteur moet instemmen met de wijziging.
12
Vastgesteld door Bestuur en MT, op ………………………………………………………………….
Voorzitter: (Ferdinand van Wijk) ………………………………………………………………………
Hoofdredacteur (Ronald Peters) ………………………………………………………………………
13