CConstaterende datHeumen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage II - Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Heumen 2022

Raad 16 december 2021, gemeente HeumenBij agendapunt: Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp 202235.734 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

De Zorgaanbieder beschikt over aantoonbaar bekwaam en gekwalificeerd personeel (betaald en onbetaald) voor het uitvoeren van de dienstverlening. De benodigde deskundigheid is vastgesteld per ondersteuningsvorm. Zorgaanbieder voldoet aan deze aanvullende kwalificatie-eisen. Zorgaanbieder moet dit kunnen aantonen. Minimumeisen personeel Wmo De voorziening Dagbesteding wordt uitgevoerd door een Professional met een afgeronde zorggerelateerde mbo-opleiding op niveau 3 gekoppeld aan het gevraagde deskundigheidsgebied. Voor het opstellen van het hulpverleningsplan en het realiseren en monitoren van de resultaten die in dit plan opgenomen zijn, dient een Professional ingezet te worden met een afgeronde zorggerelateerde mbo-opleiding op niveau 4 gekoppeld aan het gevraagde deskundigheidsgebied. De voorziening Reguliere Begeleiding (in een groep) wordt uitgevoerd door een Professional met een afgeronde zorggerelateerde mbo-opleiding op niveau 3 gekoppeld aan het gevraagde deskundigheidsgebied. Voor het opstellen van het begeleidingsplan en het realiseren en monitoren van de resultaten die in dit plan opgenomen zijn, dient een Professional ingezet te worden met een afgeronde zorggerelateerde mbo-opleiding op niveau 4 gekoppeld aan het gevraagde deskundigheidsgebied.

De voorziening Specialistische Begeleiding (in een groep) wordt uitgevoerd door een Professional met een afgeronde zorggerelateerde hbo-opleiding gekoppeld aan het gevraagde deskundigheidsgebied. Het toezicht tijdens het Kortdurend Verblijf wordt uitgevoerd door een Professional met een afgeronde zorggerelateerde mbo-opleiding op niveau 3 gekoppeld aan het gevraagde deskundigheidsgebied. De voorziening Persoonlijke Verzorging wordt uitgevoerd door een Professional met een afgeronde zorggerelateerde mbo-opleiding gekoppeld aan het gevraagde deskundigheidsgebied. Wanneer de cliënt de behoefte heeft aan begeleiding bij persoonlijke verzorging of gebaat is bij een combinatie van beide producten, dan valt de begeleiding onder de Bouwsteen ‘begeleiding’. Hierbij gaat de voorkeur uit naar het laten uitvoeren van de ondersteuning door dezelfde Professional. Indien deze voorziening wordt uitgevoerd in combinatie met reguliere/specialistische begeleiding, door dezelfde Professional, gelden de minimum personeelseisen genoemd bij reguliere/specialistische begeleiding.

Minimumeisen personeel Jeugd (algemeen) Het in te zetten hbo en wo geschoold personeel van Zorgaanbieder, welke beroepsmatig in contact kan komen met Jeugdigen of verzorgers aan wie Jeugdhulp is geboden, is geregistreerd in het ´Stichting Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ)´ of ´Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg (BIG)´ register. Het in te zetten ondersteunend mbo-geschoold personeel werkt altijd onder verantwoordelijkheid van een geregistreerde Professional. Het in te zetten personeel van Zorgaanbieder dat de mogelijkheid heeft om zich te registeren in het BIG- of SKJ-register, registreert zich zo snel mogelijk. 35

49.2

49.3

49.4 49.5

50*

51*

52*

LET OP: Vanaf 1 januari 2018 (naar verwachting) is een vooraanmelding in het SKJ-register niet langer gelijk aan een registratie in het SKJ-register. De Professionals die vooraangemeld zijn kunnen dan niet langer worden ingezet als geregistreerde Professionals. Uiterlijk 1 januari 2018 (naar verwachting) is voor een groot deel van de Professionals die zich nu enkel kunnen voor-aanmelden volwaardige registratie in het SKJ mogelijk. Zorgaanbieder die Professionals wil inzetten die op het moment van inschrijving enkel vooraangemeld kunnen zijn in het SKJ-register, meldt Zorgaanbieder na bekendmaking van de eisen voor registratie zo spoedig mogelijk aan Gemeente of deze Professionals wel of niet in aanmerking komen voor registratie in het SKJ-register en meldt wanneer deze registratie naar verwachting is geregeld. Zorgaanbieder is verplicht deze registratie binnen redelijke termijn tot stand te brengen. De voorzieningen Ambulante (groepsgerichte) Behandeling J&O, J-LVG en vaktherapie en Dagbehandeling kunnen alleen worden uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van een regiebehandelaar.

Onder regiebehandelaar verstaat Gemeente (conform de brieven van Schippers respectievelijk van 2 juli en 2 september 2013 met kenmerk 129353-106301-CZ / 134895-107364-CZ): Psychiater Klinisch psycholoog Klinisch neuropsycholoog Psychotherapeut Verslavingsarts in profielregister KNMG Verpleegkundig specialist GGZ Gz-psycholoog Kinder- en Jeugdpsycholoog NIP (alleen in de GBGGZ) Orthopedagoog-generalist NVO (alleen in de GBGZZ) De regiebehandelaar is een zorgverlener die bij de patiënt de diagnose stelt en door wie of onder wiens verantwoordelijkheid de behandeling plaatsvindt. Dit houdt in dat de regiebehandelaar verantwoordelijk is voor alle acties die in het kader van de behandeling van een patiënt gedurende het traject plaatsvinden. De regiebehandelaar heeft een afgeronde ggz-specifieke opleiding en is, met uitzondering van de orthopedagoog-generalist en kinder- en jeugdpsycholoog, BIG-geregistreerd. De orthopedagoog generalist is ingeschreven in het SKJ- en ´Nederlandse vereniging van pedagogen en onderwijskundigen (NVO)´-register. De kinder- en jeugdpsycholoog is ingeschreven in het register van het SKJ en ´Nederlands Instituut van Psychologen (NIP)´register. Er wordt van de beroepsgroepen kinder- en jeugdpsycholoog NIP en orthopedagoog-generalist NVO verwacht dat zij zich register in het BIG, zodra de mogelijkheid hiertoe ontstaat.

De regiebehandelaar is in ieder geval aanwezig bij de diagnostiek, het maken van de behandelovereenkomst en de evaluatiegesprekken met de cliënt. De regiebehandelaar kan ondersteund worden door medebehandelaars. De medebehandelaar verricht, in het kader van een behandeltraject, zorgactiviteiten onder verantwoordelijkheid van de regiebehandelaar. De medebehandelaar is geregistreerd in het BIG en/of in het SKJ-register. Minimumeisen personeel jeugd Reguliere Begeleiding (in een groep) De voorziening Reguliere Begeleiding wordt uitgevoerd door een Professional met een afgeronde zorggerelateerde mbo-opleiding op niveau 3 gekoppeld aan het gevraagde deskundigheidsgebied. Voor het opstellen van het ondersteuningsplan en het realiseren en monitoren van de resultaten die in dit plan opgenomen zijn, dient een SKJ-geregistreerde Professional ingezet te worden met een afgeronde zorggerelateerde hbo-opleiding gekoppeld aan het gevraagde deskundigheidsgebied. Minimumeisen personeel jeugd Specialistische Begeleiding (in een groep) De voorziening Specialistische Begeleiding wordt uitgevoerd door een SKJgeregistreerde Professional met een afgeronde zorggerelateerde hbo-opleiding gekoppeld aan het gevraagde deskundigheidsgebied.

Minimumeisen personeel jeugd Dagbesteding De voorziening Dagbesteding wordt uitgevoerd door een Professional met een afgeronde zorggerelateerde mbo-opleiding op niveau 3 gekoppeld aan het gevraagde deskundigheidsgebied. De voorziening wordt uitgevoerd onder de verantwoordelijkheid van een SKJ-geregistreerde Professional met een afgeronde zorggerelateerde hbo-opleiding gekoppeld aan het gevraagde deskundigheidsgebied. 36

53*

54*

Minimumeisen personeel jeugd dagbehandeling De voorziening Dagbehandeling wordt uitgevoerd door een SKJ-geregistreerde Professional met een afgeronde zorggerelateerde hbo-opleiding gekoppeld aan het gevraagde deskundigheidsgebied. Deze voorziening wordt uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van een BIG-geregistreerde regiebehandelaar. Minimumeisen personeel jeugd Ambulante (Groepsgerichte) Behandeling J&O, J-LVG en vaktherapie De voorziening Ambulante (Groepsgerichte) Behandeling wordt uitgevoerd door een SKJ-geregistreerde Professional met een afgeronde zorggerelateerde hbo-opleiding gekoppeld aan het gevraagde deskundigheidsgebied. De voorziening Ambulante (Groepsgerichte) Behandeling J&O, J-LVG wordt uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van een de BIG-geregistreerde Gezondheidspsycholoog (GZ) of Arts Verstandelijke Gehandicapte (AVG) (conform beleidsregels NZA, richtlijnen NJI).

55*

56*

57* 57.1

57.2

De voorziening Ambulante (Groepsgerichte) Behandeling vaktherapie wordt uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van een BIG/NVO/NIP-geregistreerde regiebehandelaar of, in die gevallen waarin er sprake is van J&O of LVG-problematiek en geen sprake is van een psychische stoornis, een BIG-geregistreerde Arts Verstandelijke Gehandicapte. Minimumeisen personeel jeugd Verzorging en Begeleiding De voorziening Verzorging en Begeleiding wordt uitgevoerd door een Professional met een afgeronde zorggerelateerde mbo-opleiding op niveau 3 gekoppeld aan het gevraagde deskundigheidsgebied. De voorziening wordt uitgevoerd onder de verantwoordelijkheid van een SKJ-geregistreerde Professional met een afgeronde zorggerelateerde hbo-opleiding gekoppeld aan het gevraagde deskundigheidsgebied. Minimumeisen personeel jeugd Kortdurend Verblijf Het toezicht tijdens het Kortdurend Verblijf wordt uitgevoerd door een Professional met een afgeronde zorggerelateerde mbo-opleiding op niveau 3 gekoppeld aan het gevraagde deskundigheidsgebied. De voorziening wordt uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van een SKJ-geregistreerde Professional met een afgeronde zorggerelateerde hbo-opleiding gekoppeld aan het gevraagde deskundigheidsgebied.

Minimumeisen vervoer van/naar Dagbesteding (Wmo en jeugd), Kortdurend Verblijf (Wmo en jeugd) en Dagbehandeling (jeugd) Voor de voertuigen die worden ingezet voor het Vervoer gelden de volgende eisen: dienen te voldoen aan alle relevante bepalingen en door de Rijksdienst door het Wegverkeer te zijn goedgekeurd voor taxivervoer; dienen te zijn voorzien van een verbandtrommel, brandblusser, noodhamer en gordelsnijder; zijn dusdanig ingericht dat de chauffeur vanuit zijn/haar zitplaats altijd alle inzittenden tijdens de rit kan zien; dienen elke klant zicht naar buiten te bieden; zijn voorzien van een kinderslot; alle zitplaatsen zijn voorzien van veiligheidsgordels die geschikt zijn voor alle reizigersgroepen waaronder ook kinderen; zijn rookvrij. Bij rolstoelplaatsen: zijn voorzien van een voor alle rolstoeltypen veilige bevestiging van de rolstoel en zijn voorzien van een voor alle rolstoeltypen veilige bevestiging van de reiziger.

Voor de chauffeurs die worden ingezet voor het Vervoer gelden de volgende kwaliteitseisen: heeft kennis van en affiniteit met de doelgroep; herkent en kan omgaan met de diverse beperkingen en ziektebeelden van de doelgroep; is verantwoordelijk voor veilig vervoer en past de rijstijl aan de weersomstandigheden aan; heeft een servicegerichte en reizigersvriendelijke instelling; past goede sociale vaardigheden toe; is vakkundig, klantvriendelijk, servicegericht, behulpzaam en heeft correcte omgangsvormen gebruikt geen verbaal of fysiek geweld tegen reizigers om welke reden dan ook; verwijdert geen reizigers uit het voertuig tijdens de rit om welke reden dan ook met uitzondering van situaties waarin de veiligheid van chauffeur en/of medereizigers in gevaar is; is in bezit van een EHBO-certificaat.

37

57.3

58*

59 59.1

59.2

60 60.1

60.2

60.3

60.4

Indien van belang voor de cliënt moet de vervoerder daarnaast voldoen aan de volgende kwaliteitseisen: het bieden van vastigheid (chauffeurs en route) aan de cliënt; de chauffeur moet in bezit zijn van een certificaat voor omgaan met epilepsie de chauffeur moet weten om te gaan met cliënten met gedragsproblemen Voor iedere chauffeur die ingezet wordt voor het vervoer van rolstoelafhankelijke reizigers gelden de volgende aanvullende eisen; heeft ervaring in de omgang met de doelgroep en haar beperkingen bezit praktische vaardigheden betreffende het vervoeren van rolstoelreizigers; beheerst de zit- en til-technieken ten behoeve van passagiers met een fysieke beperking. Voor de ritten die worden gemaakt in het kader van het Vervoer gelden de volgende eisen: de maximale duur van de rit voor een cliënt, van thuissituatie naar de voorziening, bedraagt één uur; het op tijd vertrekken van het voertuig en het op tijd aankomen op de bestemming: maximaal een half uur voor afgesproken vertrektijd en half uur na afgesproken aankomsttijd. Minimumeisen casemanagement De voorziening casemanagement wordt uitgevoerd door een SKJ-geregistreerde Professional met een afgeronde zorggerelateerde hbo-opleiding gekoppeld aan het gevraagde deskundigheidsgebied.

communicatie, controle en handhaving Medewerking aan onderzoek Zorgaanbieder verleent volledige medewerking aan toezicht en aangekondigd en onaangekondigd onderzoek door de Gemeente (of door ons daartoe aangewezen derden) op de naleving van de contracteisen, inhoudelijke kwaliteit en op presentie- en financiële administratie waaronder begrepen: formele- en materiële onderzoeken, kwaliteitsonderzoeken, rechtmatigheid- en doelmatigheid onderzoeken, onderzoeken n.a.v. calamiteiten/geweldsincidenten, detailcontroles, fysieke controles op locatie en fraudeonderzoeken. Voor zover bij een controle of onderzoek op persoonsniveau een voorafgaande toestemmingverklaring is vereist, is Zorgaanbieder gehouden om deze te vragen aan de betreffende cliënten. Meldplicht Zorgaanbieder is bekend met en handelt conform de vigerende calamiteitenprotocollen van de Inspectie voor de Gezondheidszorg en de Inspectie Jeugdzorg. Dit betekent in ieder geval dat Zorgaanbieder calamiteiten en geweldsincidenten zo spoedig mogelijk (uiterlijk binnen drie werkdagen) meldt bij de Inspectie Jeugdzorg of Inspectie voor de Gezondheidszorg. Zorgaanbieder is bekend met en handelt conform de Leidraad Meldingen van de Wmotoezichthouder GGD Gelderland-Zuid.

Dit betekent in ieder geval dat Zorgaanbieder calamiteiten en geweldsincidenten die plaatsvinden bij de verstrekking van een voorziening in het kader van de Wmo 2015 zo spoedig mogelijk (uiterlijk binnen drie werkdagen) meldt aan aangewezen toezichthouder Wmo GGD Gelderland-Zuid. Zorgaanbieder is bekend en handelt, wanneer er sprake is van (dreigende) maatschappelijke onrust en/of (verwachte) media-aandacht, conform het ‘Sociaal Calamiteitenprotocol Regio Nijmegen 2015’. Maatschappelijke onrust staat hierbij voor ‘het verschijnsel waarbij één of enkele incidenten plaatsvinden die leiden tot subjectieve en/of objectieve problemen op het gebied van openbare orde en veiligheid’. De Gemeenten zijn verantwoordelijk en aanspreekbaar voor de kwaliteit van de zorg.

Daarom, doet Zorgaanbieder, aanvullend op de wettelijke meldingsplicht aan de met toezicht belaste ambtenaren en de Inspectie voor de Gezondheidszorg en de Inspectie Jeugdzorg, zo spoedig mogelijk melding aan Gemeente van: Iedere calamiteit en ieder ernstig incident (met grote impact op de maatschappij, de cliënt, zijn/haar omgeving en/of andere betrokkenen); Ieder geweldsincident dat plaatsvindt bij de verstrekking van een voorziening; Elke melding aan of verscherpt toezicht door de Inspectie Jeugdzorg en Inspectie voor de Gezondheidszorg; Elk onderzoek dat door een gemeente, Justitie, de Inspectie Jeugdzorg, de Inspectie voor de Gezondheidszorg of de Inspectie SZW wordt gestart; Elk definitief rapport dat door een gemeente, Justitie, de Inspectie Jeugdzorg, de Inspectie voor de Gezondheidszorg of de Inspectie SZW is uitgebracht; 38

62 62.1

63* 63.1

63.2

63.3

63.4

Feiten en omstandigheden die tot een afwijking van de bepalingen uit de Raamovereenkomst of tot (gedeeltelijke) niet nakoming van de Raamovereenkomst zouden kunnen leiden; Fraude of oneigenlijk gebruik van voorzieningen. Communicatie naar personeel Zorgaanbieder informeert zijn personeel over het Regionaal Meldpunt Signalen Zorg 9, een regionaal initiatief van de Gemeente in het kader van kwaliteitsmonitoring. Bij het Regionaal Meldpunt Signalen Zorg worden alle signalen rondom de zorgverlening verzameld. Ook worden er, in samenwerking met alle partijen die betrokken zijn bij kwaliteit, toezicht en handhaving, waar nodig vervolgstappen genomen. Het Meldpunt is toegankelijk voor Cliënten en hun sociale netwerk, Verwijzers en toeleiders (inclusief de Gemeentelijke Toegang), en zorgaanbieders. Onder andere vermoedens van fraude, onrechtmatigheid, onheuse bejegening, onvoldoende kwaliteit, onvoldoende samenwerking en niet kantelingsgericht werken, kunnen (anoniem) bij dit Meldpunt worden gemeld. Overige eisen Woonplaatsbeginsel Gemeente verwacht van de Zorgaanbieder te werken met de definitie in de Jeugdwet of deze verordening en zich tijdig aan te sluiten bij wijzigingen (Factsheet Woonplaatsbeginsel). Zorgaanbieder schat voor aanvang van zorg het woonplaatsbeginsel in en communiceert deze inschatting aan Gemeente.

Gemeente stelt vast bij welke gemeente het woonplaatsbeginsel rust. Bij verhuizing van de gezagsdrager of een Jeugdige onder voogdij naar een Gemeente, vertegenwoordigd door Gemeente, waarbij Jeugdige en gezagsdrager de dienstverlening door Zorgaanbieder willen continueren, honoreert Gemeente de oorspronkelijk afgegeven beslissing, beschikking of toewijzing van zorg voor de duur waarvoor deze is afgegeven, met een maximum van één jaar. De gezagsdrager bepaalt in bovengenoemde situatie of de hulp bij de Zorgaanbieder wordt gecontinueerd, of dat een nieuwe hulpverlener wordt gezocht. Alleen in het geval dat de gezagsdrager dit wenst wordt de behandeling bij Zorgaanbieder binnen redelijke termijn stopgezet.

BIJLAGE 4: Verordening in gewone taal Dit document heet een ‘verordening’. In een verordening staan regels die de gemeente moet of mag bepalen. De regels die in deze verordening staan, gaan over hulp aan volwassenen en hulp aan jeugdigen. Iedereen die jonger is dan 18 jaar, noemen we een ‘jeugdige’. In deze bijlage leggen we in ‘gewone taal’ uit wat er in de verordening staat. Deze tekst is niet zo compleet als de verordening zelf. U kunt hieraan geen rechten ontlenen. Wilt u meer juridische uitleg, dan kunt u de uitgebreide toelichting lezen. Deze is te vinden na deze uitleg in gewone taal. Vanzelfsprekend kunt u altijd uw vragen stellen of een gesprek aanvragen bij een van de consulenten van Vraagwijzer of het Kernteam in onze gemeente. Opbouw van de verordening  Verordening: opsomming per artikel  Bijlage 1: Vormen van maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp  Bijlage 2: Financiële bijlage  Bijlage 3: Criteria voor zorgaanbieders en onderaannemers  Bijlage 4: Verordening in gewone taal  Toelichting verordening: algemene informatie + uitleg per artikel Wmo 2015 Als we het hebben over hulp aan volwassenen, dan treft u vaak de woorden ‘Wmo 2015’ aan. Hiermee bedoelen we de wet waarin staat dat de gemeente hulp aan inwoners moet bieden. Jeugdwet Als we het hebben over hulp aan jeugdigen, dan komt u het woord ‘Jeugdwet’ tegen.

9 https://robregionijmegen.nl/wordpress/contact/meldpunt-signalen-zorg-in-het-sociaal-domein/

39

Hiermee bedoelen we de wet waarin staat dat de gemeente hulp aan jeugdigen moeten bieden. Hoe kom ik aan hulp? Heeft iemand hulp nodig, dan kan hij contact zoeken met de gemeente. Een consulent van Vraagwijzer of van het Kernteam komt dan op gesprek. Samen wordt bekeken welke hulp nodig is. De consulent van Vraagwijzer of van het Kernteam besluit uiteindelijke welke hulp er nodig is. Dit geldt voor hulp aan volwassenen en voor hulp aan jeugdigen. Ook een aantal anderen mogen hulp aan jeugdigen toekennen: huisartsen, jeugdartsen en medisch specialisten. Heeft een jeugdige hele zware hulp nodig, bijvoorbeeld dat hij gedwongen bepaalde hulp moet ontvangen of dat hij op een gesloten afdeling opgenomen moet worden, dan mag alleen de kinderrechter dat besluit nemen. Per artikel: wat staat er? Artikel 1. Begripsbepalingen Van een aantal woorden is het belangrijk om precies te begrijpen wat ze betekenen. Die woorden worden in dit artikel beschreven. Artikel 2. Melding hulpvraag Heeft u hulp nodig, dan kunt u dit aan de gemeente vragen. De hulp die u vraagt, noemen we de ‘hulpvraag’. Dat u hulp vraagt aan de gemeente, noemen we een ‘melding’. De gemeente laat dan schriftelijk (per brief of per mail) weten dat de aan is ontvangen. Binnen 6 weken nadat u om hulp gevraagd heeft, onderzoeken we welke hulp u nodig heeft. U kunt ook een melding doen namens degene die hulp nodig heeft.

Bijvoorbeeld omdat u zijn vertegenwoordiger, mantelzorger, familie, partner, buurman of op een andere manier betrokken bent. Artikel 3. Clientondersteuning en vertrouwenspersoon Weet u niet goed hoe u om hulp moet vragen, of ziet u op tegen en gesprek met de gemeente? Dan kunt u hulp krijgen om samen te bespreken wat uw vraag precies is en bij wie u moet zijn met uw vraag. Die hulp is gratis en heet ‘onafhankelijke cliëntondersteuning’. U kunt de hulp aanvragen bij MEE Gelderse Poort, via telefoonnummer 088-6330000 of per email info@meegeldersepoort.nl Heeft u vragen, problemen of klachten over de hulp die u ontvangt? Dan kunt u hulp krijgen om die vragen, problemen of klachten duidelijke te verwoorden en te bespreken met de gemeente of zorgaanbieder. Die hulp is gratis en heet ‘vertrouwenspersoon’. Artikel 4. Vooronderzoek Heeft u hulp gevraagd aan de gemeente, dan komt iemand van Vraagwijzer of van het Kernteam bij u op gesprek. Om dit gesprek zo goed mogelijk met u te voeren, zorgt diegene voor een goede voorbereiding. Heeft hij daarvoor meer informatie van u nodig, dan kan hij u daarom vragen. U zult sowieso een identificatiebewijs moeten laten zien aan de gemeente. Zo weten we zeker dat u hulp aanvraagt voor u zelf en niet voor iemand anders.

Weet u zelf heel goed welke hulp u nodig heeft? Dan kunt u dit opschrijven en aan de consulent van Vraagwijzer of van het Kernteam laten weten. Geef daarbij ook aan waarom die hulp een oplossing is voor uw probleem. Artikel 5. Gesprek Om een zo goed mogelijk beeld van uw situatie te krijgen, komt een consulent van Vraagwijzer of van het Kernteam bij u op gesprek. Het liefst voeren we dit gesprek bij u thuis. We bespreken met u wat uw vraag is. Ook bespreken we wat u zelf kunt doen om de vraag op te lossen. En of uw netwerk daarbij kan helpen. Is uw vraag daarna nog niet (helemaal) opgelost, dan bespreken we welke hulp u van de gemeente nodig heeft. U mag natuurlijk iemand meenemen naar het gesprek, bijvoorbeeld iemand die u op dit moment soms al helpt. Dit kan heel handig zijn. Diegene kan dan direct met u en ons meedenken. Artikel 6. Verslag We maken een verslag van wat er in het gesprek met u besproken is. In dat verslag staat ook welke hulp u van de gemeente krijgt. Vindt u dat het verslag niet goed is of dat er iets mist, dan kunt u dat tegen ons zeggen. Wij zetten dat dan in het verslag. Bent u het niet eens met de hulp die in het verslag staat, dan mag u op het verslag schrijven. Artikel 7. Aanvraag

40

Om te zorgen dat u de hulp krijgt, hebben we een handtekening van u nodig. Bijvoorbeeld doordat u het verslag ondertekent. Met die handtekening geeft u aan dat u graag gebruik wilt maken van de hulp die wij u aanbieden. Dat heet dan de ‘aanvraag’. Als wij uw handtekening (de aanvraag) ontvangen hebben, dan sturen we nog een officiële brief waarin staat welke hulp u krijgt en tot wanneer u de die hulp krijgt. Dit document heet de ‘beschikking’. Daarmee is alles definitief. Artikel 8. Criteria voor een maatwerkvoorziening De hulp die u van ons krijgt noemen we een ‘maatwerkvoorziening’. Dit betekent dat u hulp krijgt die bij u past. We vinden het wel belangrijk dat u alleen hulp ontvangt die u écht nodig heeft. Daarom bespreken we eerst wat u zelf kunt doen en wat uw netwerk kan doen om u te helpen. Ook kijken we of er andere manieren zijn om u te helpen. Alleen als u dan nog steeds niet genoeg geholpen bent, krijgt u hulp van de gemeente. Artikel 9. Afwijzingsgronden Het kan zijn dat u hulp aan ons vraagt en dat wij u die hulp niet geven. Dat is dan bijvoorbeeld omdat u die hulp kunt krijgen van de zorgverzekeraar. Of omdat uw netwerk al zoveel hulp biedt, dat u geen hulp via ons meer nodig heeft. Ook kan het zijn dat u niet in onze gemeente woont. Of dat u zelf had kunnen meewerken om het probleem op te lossen, maar dat u niet wilde meewerken. Artikel 9a.

Wonen en zorg De gemeente of u moeten de aanbieder of de derde (in geval van een pgb) kunnen aanspreken op de geleverde ondersteuning, zonder te moeten vrezen voor verlies van de huisvesting van de cliënt. Ook moet het u vrij blijven staan te wisselen van aanbieder dan wel derde aan wie hij zijn pgb wenst te besteden. Het is daarom niet toegestaan een overeenkomst af te sluiten met een aanbieder dan wel een derde waarin het bieden van de ondersteuning mede afhankelijk is van de woonruimte die door de organisatie wordt geboden, tenzij het verblijf onderdeel is van de indicatie. Artikel 10. Inhoud beschikking In artikel 7 werd al gezegd dat u een officieel document van ons krijgt, als we besluiten dat u hulp van ons krijgt. In dat document staat onder andere welke hulp u krijgt en ook op welke manier u die hulp krijgt. Hulp in de vorm van ‘Zorg in Natura’, afgekort ‘ZIN’, betekent dat de gemeente alles voor u regelt. Bij hulp in de vorm van een ‘persoonsgebonden budget’, afgekort ‘pgb’, zoekt u zelf een aanbieder uit en sluit daar een contract mee. Artikel 11. Regels voor pgb algemeen Een persoonsgebonden budget is alleen mogelijk als u 18 jaar of ouder bent. Bij de keuze voor een pgb is het belangrijk dat u goed om kunt gaan met verantwoordelijkheden. U wordt dan namelijk zelf werkgever van de zorgaanbieder.

Dit betekent dat u een aanbieder moet zoeken die de juiste hulp levert en die daar het juist tarief voor vraagt. U bent ook zelf verantwoordelijk voor de kwaliteit van de hulp en voor het betalen van de aanbieder. Dit betekent dat u ook een administratie bij moet houden. Om zeker te weten dat dit alles u lukt, moet u opschrijven hoe u hiervoor gaat zorgen. U kunt bijvoorbeeld opschrijven dat u iemand anders inschakelt om de administratie voor u bij te houden. U mag het persoonsgebonden budget alleen gebruiken voor de hulp die wij aan u toegekend hebben. Artikel 12. Regels voor pgb professional De aanbieder die u vanuit het persoonsgebonden budget inhuurt, moet goede hulp leveren. De aanbieder moet daarom aan allerlei eisen voldoen. U hoeft de meeste eisen niet zelf te controleren, dat doet de gemeente voor u. Wel moet u zelf controleren dat de aanbieder een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) heeft. Dit hoeft alleen als in uw gezin een jeugdige aanwezig is. Met de VOG bewijst de hulpverlener dat zijn gedrag in het verleden geen belemmering is om in contact te zijn met een jeugdige. Artikel 13. Regels voor pgb sociaal netwerk Vanuit het persoonsgebonden budget kunt u ook iemand uit uw netwerk betalen om de hulp aan u te leveren. U moet wel een goede reden hebben om niet een zorgaanbieder te vragen maar in plaats daarvan iemand uit uw netwerk te betalen.

De hulp moet bijvoorbeeld beter en efficiënter zijn. Of hulp vanuit uw netwerk de beste oplossing is, hangt af van de hulp die u nodig heeft en wat het netwerk u daarin kan bieden. Als het gaat om hulp waar een diploma voor nodig is, dan zal diegene uit uw

41

netwerk dat diploma moeten hebben . Ook moet duidelijk zijn waarom diegene betaald moet worden voor de hulp die hij/zij biedt. U kunt dit aangeven bij uw contactpersoon bij Vraagwijzer of bij het Kernteam. Zij kijken dan met u of dit de beste oplossing is. Artikel 13a. Tegemoetkoming voor hulp uit het sociaal netwerk Het is mogelijk om een vergoeding voor onverplichte hulp te betalen vanuit een pgb. Aan de hand van een verklaring is het dan mogelijk voor een jeugdige of ouder om aan een hulp uit het sociaal netwerk te betalen. Er wordt maximaal € 141 per kalendermaand beschikbaar gesteld in verband met hulp uit het sociaal netwerk. De budgethouder krijgt dit in de vorm van een pgb van waaruit hij tegemoetkomingen kan betalen. Artikel 14. Regels voor pgb-beheer Lukt het u niet om zelf alle rondom het persoonsgebonden budget te regelen, dan kunt u iemand uit uw netwerk vragen om dat van u over te nemen. Dit mag alleen als het voor die persoon niet tot overbelasting leidt. Ook kunt u niemand inhuren om alles voor u te regelen. U zult die persoon zelf moeten betalen. U mag die persoon niet vanuit het persoonsgebonden budget betalen. In elk geval voor begeleiding, dagbesteding en beschermd wonen geldt dat u wel zelf in staat moet zijn om op te komen voor uw belangen. U moet zelf de zorgverleners kunnen aansturen.

Kunt u dit niet, dan mag een wettelijke vertegenwoordiger, zoals uw vader of moeder of broer of zus, dit van u overnemen. Is dit niet mogelijk, dan ontvangt u geen pgb. We vinden het belangrijk dat degene die voor u alles regelt rondom het persoonsgebonden budget, iedere maand contact heeft met u en de zorgaanbieder. Hij/zij moet u ondersteunen en opkomen voor wat u belangrijk vindt. Artikel 15. Controle Ontvangt u hulp vanuit de gemeente, dan kan de gemeente controleren of de hulp ook echt door u wordt gebruikt. De hulp kan bijvoorbeeld ook zijn dat u een scootmobiel of traplift ontvangen heeft. De gemeente kan dan controleren of de geleverde voorziening op de juiste manier wordt gebruikt. Zo is het bijvoorbeeld niet de bedoeling dat u de traplift gebruikt om een kast naar boven te tillen. Of dat u een aanhangwagentje achter uw scootmobiel hangt. De gemeente wijst personen (of een instelling) aan die toezicht houden op de kwaliteit en rechtmatigheid. Artikel 16. Bijdrage in de kosten Het kan zijn dat u moet meebetalen aan de hulp die u ontvangt. Dit heet de ‘bijdrage in de kosten’ of ook wel ‘eigen bijdrage’. Bent u volwassenen, dan moet u meestal wel meebetalen. Bent u volwassen maar is de hulp bedoeld voor uw kind, dan hoeft u meestal niet mee te betalen.

In geval van een woningaanpassing voor uw minderjarig kind geldt een uitzondering, in dat geval moet u wel een bijdrage in de kosten betalen. Artikel 17. Kwaliteitseisen Zorgaanbieders moeten goede zorg leveren. Dit betekent bijvoorbeeld dat ze de goede diploma’s hebben en dat ze goed met u communiceren. Ook moeten ze goed communiceren met anderen waar u hulp van krijgt. Om te controleren of zorgaanbieders dit goed doen, doet de gemeente ieder jaar een onderzoek. In dat onderzoek vragen we u wat u van de hulp vindt en ook wat u van de zorgaanbieder vindt. Op dit manier weten we wat uw ervaringen zijn en waar verbetering nodig is. Artikel 18. Meldingsregeling calamiteiten en geweld Als u of uw hulpverlener te maken krijgt met geweld tijdens het ontvangen van de hulp, dan wordt er onderzoek gedaan naar wat er gebeurd is. Dit geldt ook voor andere ‘incidenten’ of ‘calamiteiten’ die gebeuren tijdens het ontvangen van de hulp. Vermoedt de gemeente dat u of een gezinslid te maken heeft met geweld, dan wordt ook daar onderzoek naar gedaan. Artikel 19. Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering Verandert er iets in uw situatie waardoor u geen hulp meer nodig heeft? Of waardoor u andere hulp nodig heeft? Dan moet u dit melden bij Vraagwijzer of het Kernteam. Een consulent gaat dan opnieuw met u kijken welke hulp nodig is en past bij uw situatie.

Blijkt dat u bewust belangrijke informatie niet aan ons heeft verteld? Dan kan de gemeente de hulp stoppen en dan kan het zijn dat u moet betalen voor de hulp die u ten onrechte gekregen heeft.

42

Artikel 20. Jaarlijkse waardering mantelzorgers en pleeggezinnen Mantelzorgers en pleeggezinnen doen belangrijk en zwaar werk. Mantelzorgers en pleeggezinnen willen wij waarderen voor hun werk. De regels en voorwaarden om hiervoor in aanmerking te komen worden door het college vastgesteld. Artikel 21. Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische problemen Inwoners die te maken hebben met extra kosten vanwege hun beperking of chronische ziekte en daarnaast een laag inkomen (tot 110% van het sociaal minimum) hebben, kunnen jaarlijks een tegemoetkoming via de gemeente ontvangen. Het college heeft hiervoor aanvullende regels gemaakt. Artikel 22. Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden Het is belangrijk dat we aanbieders genoeg betalen voor de hulp die zij leveren, ook als het gaat om materiële hulp zoals bijvoorbeeld een scootmobiel of woningaanpassing. Artikel 23. Klachtregeling 1. Vindt u dat er niet goed is omgegaan met u en uw vraag om hulp? Dan kunt u een klacht 2. indienen bij de gemeente. U kunt dat doen bij de klachtencoördinator Maarten van den Heuvel. Het telefoonnummer is 14 024 of mail naar heumen@heumen.nl 3. Vindt u dat de gemeente uw klacht nog niet goed heeft afgehandeld? Dan kunt u uw klacht voorleggen aan een onafhankelijke ombudsman. De gemeente Heumen heeft een gemeentelijke ombudsman.

De ombudsman is onafhankelijk van de gemeente. 4. Dat is mevrouw mr. M.J. van Dasselaar. Zij is te bereiken via: degemeentelijkeombudsman@gmail.com 5. Vindt u dat de zorgaanbieder of leverancier niet goed is omgegaan met u en uw vraag om hulp? Dan kunt u een klacht indienen bij de betreffende zorgaanbieder of leverancier. Artikel 24. Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning We vinden het belangrijk dat aanbieders bij belangrijke beslissingen ervoor zorgen dat er mensen meedenken die ervaring hebben met het krijgen van die hulp. Artikel 25. Betrekken van ingezetenen bij het beleid Ook voor de gemeente geldt dat we bij het maken van regels zorgen dat er mensen meedenken en die in de meeste gevallen ervaring hebben met het krijgen van die hulp. De BurgerAdviesRaad, ook wel de BAR, genoemd, geeft advies over nieuw beleid in onze gemeente. Artikel 26. Intrekking oude verordening en overgangsrecht Deze verordening komt in plaats van de vorige verordening. Krijgt u op dit m oment hulp van de gemeente dan verandert daar niets aan. Pas als uw indicatie afloopt en u opnieuw hulp nodig heeft dan gelden de nieuwe regels ook voor u. Ook als u in de tussentijd andere hulp nodig heeft, gelden de nieuwe regels voor u. Artikel 27.

Nadere regels en hardheidsclausule Heeft u dringend andere hulp nodig dan in deze verordening geregeld wordt? Of zorgt u situatie ervoor dat het niet past bij deze verordening en is er geen andere oplossing mogelijk? Dan kunnen de burgemeester en wethouders bij hoge uitzondering besluiten om af te wijken van de regels die in deze verordening staan. Dit om ervoor te zorgen dat u toch de hulp krijgt die u nodig heeft. In deze verordening staan regels die nog niet heel concreet en praktisch zijn. De gemeente mag daarom aanvullende regels maken als zij dat wil. Artikel 28. Inwerkingtreding en citeertitel Hier staat vanaf wanneer de verordening geldig is en hoe de verordening heet.

43

Toelichting verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Heumen 2022 Algemeen Deze verordening geeft uitvoering aan de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, hierna Wmo 2015 en de Jeugdwet. Sinds 2015 zijn de taken van de gemeente uitgebreid met een aantal nieuwe ondersteuningsvormen onder de Wmo en veel nieuwe ondersteuningsvormen onder de Jeugdwet. Bij al deze taken staat centraal dat er eerst bekeken wordt wat er mag en kan worden verwacht van de cliënt en zijn sociaal netwerk. Als het nodig is kan het college de cliënt de mogelijkheid bieden om gebruik te maken van een algemene voorziening. Volstaat dat niet, dan kan het college een maatwerkvoorziening toekennen. Dit met als doel dat de cliënt beter in staat is om deel te nemen aan de maatschappij en hierin zelfstandig te functioneren. De Wmo taken komen uit de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (hierna AWBZ). In de Jeugdwet zijn de taken opgenomen uit de Wet op de Jeugdzorg, een aantal taken uit de Zorgverzekeringswet (Jeugd-ggz) en de AWBZ (zorg voor jeugdigen met een licht verstandelijke beperking). Voor het werkproces voor de beoordeling van de behoefte aan jeugdhulp is aansluiting gezocht bij de dat uit de Wmo 2015.

Er dient telkens een zorgvuldige toegangsprocedure doorlopen te worden om de hulpvraag van de cliënt, zijn behoeften en de gewenste resultaten helder te krijgen, om te achterhalen wat de cliënt op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, mantelzorg of met hulp van zijn sociaal netwerk dan wel door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten kan doen om zijn zelfredzaamheid en participatie te handhaven of verbeteren, om te bepalen of zo nodig met gebruikmaking van een algemene voorziening kan worden volstaan, of dat een maatwerkvoorziening nodig is, en of sprake is van een voorliggende voorziening die niet onder de reikwijdte van de Wmo 2015 of de Jeugdwet valt. De Wmo 2015 en deze verordening leggen deze toegangsprocedure daarom vast. Want waar het recht op compensatie dat bestond onder de oude Wet maatschappelijke ondersteuning is komen te vervallen, wordt een recht op een zorgvuldige, tweezijdige procedure daartegenover gesteld. In de Jeugdwet is een omslag gemaakt van een stelsel gebaseerd op een wettelijk recht op zorg naar een stelsel op basis van een voorzieningenplicht voor gemeenten, op een wijze zoals eerder is gebeurd in de Wmo.

Het doel van het jeugdhulpstelsel blijft echter overeind: jeugdigen en hun ouders krijgen waar nodig tijdig bij hun situatie passende hulp met als beoogd doel ervoor te zorgen de eigen kracht van de jeugdige en het zorgend en probleemoplossend vermogen van het gezin te versterken. De toeleiding naar jeugdhulp kan op verschillende manieren plaatsvinden. Toegankelijkheid ondersteuning Ondersteuning vanuit de Wmo en de Jeugdwet kan ‘vrij-toegankelijk’ of ‘niet vrij-toegankelijk’ zijn. Voor vrij-toegankelijke ondersteuning is geen verwijzing of besluit van het college nodig. Cliënten zijn vrij om hier gebruik van te maken en kunnen rechtstreeks contact opnemen met de aanbieder. Voor niet-vrij-toegankelijke ondersteuning is wel een verwijzing of besluit van het college nodig. Er wordt dan onderzoek gedaan naar de situatie van de aanvrager, onder andere door een gesprek met hem te voeren. Er wordt dan ook beoordeeld of een vrij-toegankelijke ondersteuning past bij de situatie van de cliënt. Zo ja, dan wordt eerst verkend of de vrij-toegankelijke ondersteuning de hulpvraag van de cliënt voldoende wegneemt. Als het college besluit dat niet vrij-toegankelijke ondersteuning noodzakelijk is dan volgt er een formeel besluit. Daarna kan de cliënt van deze ondersteuning gebruik maken. Ondersteuning vanuit de Wmo wordt door het college toegekend aan de cliënt.

Het college neemt een besluit en verwijst de cliënt naar de aangewezen aanbieder. Voor ondersteuning vanuit de Jeugdwet geldt dit ook, maar is het college niet de enige toeleider. Naast het college kunnen ook de volgende partijen doorverwijzen naar ondersteuning vanuit de Jeugdwet: Toegang via huisartsen, jeugdartsen en medisch specialisten: Deze verwijzers kunnen bepalen dat de cliënt ondersteuning nodig heeft en verwijzen naar een aanbieder, die door de gemeente is gecontracteerd. Deze verwijzers bepalen echter niet welke ondersteuning de cliënt nodig heeft. Het is dan vaak de aanbieder die bepaalt welke voorziening nodig is (de behandelvorm), hoe vaak iemand moet komen (de omvang) en hoe lang (de duur). De aanbieder moet zich houden aan de afspraken die hij hierover gemaakt heeft met de gemeente. Deze afspraken gaan vooral over afstemming met elkaar zodat het principe van ‘één gezin, één regisseur, 44

één plan’ wordt geborgd. Ook moet de aanbieder rekening houden met de regels die de gemeente in de verordening heeft gesteld. De gemeente speelt geen nadrukkelijke rol in de toeleiding door huisartsen, jeugdartsen en medisch specialisten. Toegang via de gecertifieerde instelling (GI), de kinderrechter, Openbaar Ministerie (OM) en de directeur of selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting: Kinderrechters kunnen kinderbeschermingsmaatregelen en maatregelen tot jeugdreclassering nemen. De GI’s voeren dit vervolgens uit, maar moeten hierover verplicht overleg voeren met de gemeente. De gemeente moet de jeugdhulp inzetten die de GI’s nodig vinden om de kinderbeschermingsmaatregel of de jeugdreclassering uit te voeren. Het gaat immers om een besluit dat door de rechter genomen is. Als de kinderrechter een ondertoezichtstelling of gezag beëindiging uitspreekt, dan wijst hij in de beschikking aan welke GI die maatregel moet uitvoeren. De rechter kan dit omdat de Raad van de Kinderbescherming hierover adviseert, na overleg te hebben gevoerd met de gemeente. De toegang door deze verwijzers is geregeld in de Jeugdwet en komt daarom verder niet terug in deze verordening. Toegang via het advies-en meldpunt Huiselijk geweld en Kindermishandeling (AMHK): Het AMHK heeft in de praktijk de naam Veilig Thuis gekregen.

Veilig Thuis geeft advies over vermoedens en gevallen van huiselijk geweld en kindermishandeling, onderzoekt indien nodig op basis van een melding of er sprake is van kindermishandeling, motiveert zo nodig ouders tot accepteren van jeugdhulp en legt daartoe contacten met de hulpverlening. Ook deze vorm van verwijzing is al geregeld in de Jeugdwet en komt verder niet terug in deze verordening. De Wmo 2015, de Jeugdwet en deze verordening leggen veel bevoegdheden bij het college. De uitvoering hiervan zal echter in de regel namens het college gedaan worden (in mandaat) door deskundige consulenten, ambtenaren of bijvoorbeeld aanbieders. Waar in deze verordening en in de wet dus ‘het college’ staat, kan het college deze bevoegdheid mandateren aan ondergeschikten dan wel niet-ondergeschikten, op grond van de Awb. Op grond van artikel 2.6.3 van de Wmo 2015 kan het college de vaststelling van rechten en plichten van de client echter alleen mandateren aan een aanbieder. De toelichting bij artikel 2.11, eerste lid van de Jeugdwet spreekt ook van mandaat aan een aanbieder. Zie voor de definitie van ‘aanbieder’ de toelichting onder artikel 1. Deze beperking geldt alleen voor mandatering aan niet-ondergeschikten. Het college kan de vaststelling van rechten en plichten ook aan ondergeschikten mandateren.

Wettelijke kaders De Wmo 2015 schrijft in artikel 2.1.3, eerste lid, voor dat de gemeente per verordening de regels dient vast te stellen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het verplichte gemeentelijk beleidsplan met betrekking tot maatschappelijke ondersteuning. In de verordening dient overeenkomstig de artikelen 2.1.3, tweede tot en met vierde lid, 2.1.4, derde en zevende lid, en 2.1.6 van de Wmo 2015 in ieder geval bepaald te worden: -op welke wijze en op basis van welk criteria wordt vastgesteld of een cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt; -op welke wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld; welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, inclusief eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten; ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor de afhandeling van klachten van cliënten vereist is; -ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor de gebruikers van belang zijn vereist is; -op welke wijze ingezetenen, waaronder cliënten of hun vertegenwoordigers, worden betrokken bij uitvoering van de wet, voorstellen voor beleid kunnen doen, gevraagd en ongevraagd advies kunnen uitbrengen over verordeningen en beleidsvoorstellen, worden voorzien van ondersteuning

en deel kunnen nemen aan periodiek overleg; -op welke wijze de kostprijs van een maatwerkvoorziening wordt berekend; en -op welke wijze het college zorg draagt voor een jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers en pleeggezinnen van cliënten in de gemeente. Ook dient de gemeente overeenkomstig de artikelen 2.1.3, derde lid, en 2.6.6, eerste lid, van de Wmo 2015 per verordening regels te stellen:  voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een pgb, en van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet;  ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van de voorziening, waar het college ten aanzien daarvan de uitvoering van de Wmo 2015 door derden laat verrichten. Hierbij dient rekening gehouden te 45

worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de toepasselijke arbeidsvoorwaarden. Daarnaast kan de gemeente op grond van de artikelen 2.1.4, eerste en tweede lid, 2.1.4a, 2.1.5, eerste lid, 2.1.7 en 2.3.6, derde lid, van de Wmo 2015: bepalen dat cliënten voor algemene voorzieningen, niet zijnde cliëntondersteuning, en maatwerkvoorzieningen een bijdrage verschuldigd zullen zijn; de hoogte van de bijdrage voor de verschillende soorten van voorzieningen, ook wanneer de cliënt de ondersteuning zelf inkoopt met een pgb, in de verordening verschillend vaststellen. Hierbij kan tevens worden bepaald dat op de bijdrage een korting wordt gegeven voor personen die behoren tot daarbij aan te wijzen groepen;  bepalen dat de bijdragen voor opvangvoorzieningen door een andere instantie dan het CAK wordt vastgesteld en geïnd;  bepalen dat in geval van een minderjarige cliënt die niet zelf de eigenaar is van de woning, een bijdrage wordt opgelegd aan diens onderhoudsplichtige ouders en degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag over de cliënt uitoefent;  bepalen dat aan personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben, een tegemoetkoming wordt verstrekt ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie, en vaststellen welke de toepasselijke grenzen zijn met

betrekking tot de financiële draagkracht;  bepalen onder welke voorwaarden betreffende het tarief de persoon aan wie een pgb wordt verstrekt, de ondersteuning kan inkopen van een persoon die behoort tot het sociale netwerk. De Jeugdwet schrijft in de artikelen 2.9, 2.10 en 2.12 voor dat de gemeenteraad per verordening in ieder geval regels opstelt:  over de door het college te verlenen maatwerkvoorzieningen en overige (jeugdhulp)voorzieningen;  met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning, de wijze van beoordeling van en de afwegingsfactoren bij een maatwerkvoorziening;  over de wijze waarop de toegang tot en de toekenning van een maatwerkvoorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen;  over de wijze waarop de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt vastgesteld;  voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget, alsmede van misbruik of oneigenlijke gebruik van de Jeugdwet;  over de wijze waarop ingezetenen worden betrokken bij de uitvoering van de Jeugdwet, en  ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, waar het college ten aanzien daarvan de uitvoering van de Jeugdwet door

derden laat verrichten. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de toepasselijke arbeidsvoorwaarden. Daarnaast kan op grond van artikel 8.1.1, vierde lid, van de Jeugdwet bij verordening bepaald worden onder welke voorwaarden de persoon aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot zijn sociale netwerk. Artikel 2.1.3, tweede lid, van de Wmo 2015 en artikel 2.9 van de Jeugdwet bieden verder ruimte om met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Wmo 2015, en de Jeugdwet andere regels te stellen. Deze verordening maakt hier spaarzaam gebruik van om een meer compleet beeld te geven van de rechten en plichten van ingezetenen en de gemeente. Deze verordening kan niet los worden gezien van het beleidsplan, dat de raad op grond van artikel 2.1.2 van de Wmo 2015 en artikel 2.2 van de Jeugdwet eveneens dient vast te stellen. In dit beleidsplan wordt het door het gemeentebestuur te voeren beleid met betrekking tot maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp vastgelegd.

Artikelsgewijze toelichting Artikel 1. Begripsbepalingen Niet iedere bepaling behoeft toelichting, vandaar een beperkte toelichting op enkele begrippen. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: b. algemeen gebruikelijke voorziening

46

Het is niet de bedoeling dat het college voorzieningen verstrekt, waarvan gelet op de omstandigheden van de cliënt, aannemelijk is te achten dat deze cliënt daarover, ook als hij of zij geen beperkingen had, zou (hebben kunnen) beschikken. Het college moet steeds onderzoeken of een voorziening ook algemeen gebruikelijk is voor deze specifieke cliënt. De beoordeling of sprake is van een algemeen gebruikelijke voorziening voor de cliënt ziet op het beantwoorden van de vraag of de cliënt over de voorziening zou (hebben kunnen) beschikken als hij geen beperkingen zou hebben gehad. Bij die beoordeling kunnen, zo blijkt uit de jurisprudentie, de volgende criteria een rol spelen:  Is de voorziening gewoon te koop?  Is de prijs van de voorziening vergelijkbaar met soortgelijke producten die algemeen gebruikelijk worden geacht?  Is de voorziening specifiek voor personen met een beperking ontworpen? g. gebruikelijke hulp in relatie tot jeugdhulp Gebruikelijke hulp is gedefinieerd in de Wmo 2015. Het idee achter het begrip is dat de gemeente geen ondersteuning hoeft te bieden als de bewuste ondersteuning normaal gesproken binnen de huiselijke kring wordt opgelost. Er is geen reden waarom deze logica niet ook zou opgaan voor jeugdhulp. Omdat het begrip in de Jeugdwet niet voorkomt, is het in deze verordening opgenomen. i.

gesprek Het gesprek is het contact na een melding waarin het college met degene die maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp vraagt zijn gehele situatie inventariseert ten aanzien van zijn mogelijkheden om op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociaal netwerk dan wel met gebruikmaking van voorliggende voorzieningen, algemeen gebruikelijke voorzieningen, algemene voorzieningen of maatwerkvoorzieningen zijn beperkingen of hulpvraag te verminderen of weg te nemen. j. hulpvraag De hulpvraag is de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp. Als iemand die behoefte heeft aan maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp zich tot het college of de andere organisatie wendt, is het van belang dat allereerst wordt onderzocht wat de hulpvraag van betrokkene is. Wanneer de betrokkene zich voor het eerst meldt, is in veel gevallen niet op voorhand duidelijk of en in welke vorm het college in actie moet komen. Een zorgvuldig onderzoek is noodzakelijk. l. ingezetene De cliënt kan als hij ingezetene is van een gemeente in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening in het kader van de Wmo 2015 gericht op zelfredzaamheid en participatie (artikel 1.2.1 Wmo).

Om voor een maatwerkvoorziening gericht op beschermd wonen en opvang in aanmerking te komen moet de cliënt in ieder geval ingezetene van Nederland zijn, maar niet perse van de gemeente. Uit de Memorie van Toelichting volgt dat een ingezetene zich, voor een maatwerkvoorziening, moet wenden tot het college van de gemeente waar hij woont. De term 'wonen' is niet verder uitgelegd. Uit de jurisprudentie bij de (oude) Wmo (CRvB 22-09-2010, nr. 09/1743 WMO) volgt dat het gaat om de feitelijke verblijfplaats, waarbij een inschrijving de Basisregistratie personen (Brp) een belangrijke aanwijzing is, maar niet doorslaggevend. De definitie maakt duidelijk dat het begrip ingezetene hier wordt gebruikt in relatie tot maatschappelijke ondersteuning. De Jeugdwet kent zijn eigen woonplaatsbeginsel. o. melding Een ieder kan zich melden bij zijn gemeente met een hulpvraag. Door het melden maakt de cliënt de hulpvraag aan het college kenbaar. In vervolg op deze melding zal het college in samenspraak met de cliënt zo spoedig mogelijk een onderzoek (laten) instellen. Als een ingezetene alleen informeert naar bijvoorbeeld de beschikbaarheid van een algemene voorziening of kenbaar maakt gebruik te willen maken van een algemene voorziening, is er geen aanleiding om een onderzoek in te stellen.

Ook de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kent een aantal (definitie)bepalingen die voor deze verordening van belang zijn, zoals: ‘aanvraag’ (artikel 1:3, derde lid, van de Awb): een verzoek van een belanghebbende om een besluit te nemen, en ‘beschikking’ (artikel 1:2 van de Awb): een besluit dat niet van algemene strekking is, met inbegrip van de afwijzing van de aanvraag daarvan. Artikel 2. Melding hulpvraag Deze bepaling is opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen en kan worden gezien als een uitwerking van de verplichte delegatiebepaling van artikel 2.1.3, eerste lid en tweede lid, onder a, 47

van de Wmo 2015 en artikel 2.9, aanhef en onder a van de Jeugdwet. Daarbij is onder meer bepaald dat de gemeente bij verordening in ieder geval bepaalt op welke wijze een cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening. In artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wmo 2015 wordt al bepaald dat als bij het college melding wordt gedaan van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, het college deze melding onderzoekt. De opdracht aan het college in artikel 2.3, eerste lid van de Jeugdwet om voorzieningen op het gebied van jeugdhulp te treffen indien naar zijn oordeel een jeugdige of ouder jeugdhulp nodig heeft in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen en voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn, betekent eveneens dat het college de melding van de behoefte aan jeugdhulp onderzoekt. Deze bepaling verankert ook in de verordening dat bij het college een melding kan worden gedaan en door wie. In artikel 2.3.2, negende lid, van de Wmo 2015 is bepaald dat een aanvraag niet kan worden gedaan dan nadat (naar aanleiding van de melding) onderzoek is uitgevoerd, tenzij het onderzoek niet is uitgevoerd binnen de termijn van zes weken. Het eerste lid bevat regels voor de verplichte meldingsprocedure. De melding is vormvrij en kan schriftelijk, mondeling of telefonisch bij het college worden gedaan.

In de praktijk zal het college de procedure betreffende melding, onderzoek en verslag laten uitvoeren door daartoe door het college aangewezen deskundigen. Ook op andere plaatsen in deze verordening en in de wet waar staat “het college”, kan het college deze bevoegdheid mandateren naar ondergeschikten dan wel niet-ondergeschikten op grond van de algemene regels van de Awb. In Heumen kan de melding worden gedaan bij Vraagwijzer, het KCC of het Kernteam. In artikel 2:15 van de Awb is bepaald dat een aanvraag elektronisch (onder meer per email) kan worden gedaan als het bestuursorgaan kenbaar heeft gemaakt dat deze weg geopend is. Dit is in de gemeente Heumen (nog) niet het geval. De melding kan ‘door of namens de cliënt’ worden gedaan. Dit kan ruim worden opgevat. Naast de cliënt kan bijvoorbeeld diens vertegenwoordiger, mantelzorger, partner, familielid, buurman of andere betrokkene de melding doen. In het eerste lid is met gebruik van de in artikel 1 gedefinieerde term ‘hulpvraag’ een afbakeningsbepaling gegeven. Een persoon met een hulpvraag die op grond van een andere wet kan worden beantwoord, kan direct en gericht worden doorverwezen. Te denken valt hier bijvoorbeeld aan de Zorgverzekeringswet, de Participatiewet en de Leerplichtwet. Zie ook de tekst en toelichting van artikel 8, tweede lid.

In het tweede lid is de verplichte schriftelijke ontvangstbevestiging verankerd (artikel 2.3.2, eerste lid, slotzin, van de Wmo 2015). Conform artikel 4:3a van de Awb is het bestuursorgaan gehouden een elektronisch ingediende aanvraag te bevestigen. Dat kan dan – en ligt voor de hand – ook elektronisch. Als de melding mondeling of telefonisch is gedaan, kan dit ook worden afgesproken. Aangezien het onderzoek na een melding maximaal zes weken mag beslaan (zie artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wmo 2015), is registratie en ontvangstbevestiging van de melding ook in het kader van deze termijn van belang. In voorkomende gevallen kan de beslistermijn worden opgeschort. De bepalingen van de Awb zijn hier van toepassing. In de Jeugdwet is niet de procedure beschreven zoals de Wmo 2015 die beschrijft. Omdat het gewenst is om hetzelfde werkproces en dezelfde termijnen voor de afhandeling van meldingen jeugdhulp te hanteren als voor de afhandeling van meldingen maatschappelijke ondersteuning, is in het derde lid de termijn van 6 weken uitdrukkelijk genoemd. In het vierde lid is overeenkomstig artikel 2.3.3 van de Wmo 2015 en ter uitvoering van artikel 2.6, eerste lid onder b van de Jeugdwet een uitzondering vervat voor spoedeisende gevallen.

Het college of de andere organisatie is op grond van de wet verplicht in dergelijke gevallen een passende tijdelijke maatwerkvoorziening te verstrekken in afwachting van de uitkomsten van het onderzoek dat volgt na de melding. In het vijfde lid is overeenkomstig artikel 2.6, eerste lid, onderdeel g, van de Jeugdwet opgenomen dat, naast de gemeentelijk georganiseerde toegang tot jeugdhulp, ook de directe verwijzingsmogelijkheid door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts naar de jeugdhulp blijft bestaan. Dit laatste geldt zowel voor de vrij-toegankelijke (overige) voorzieningen als de niet vrijtoegankelijke (individuele) voorzieningen. Met een dergelijke verwijzing kan de jeugdige rechtstreeks aankloppen bij de jeugdhulpaanbieder. In de praktijk zal het de jeugdhulpaanbieder (bijvoorbeeld de jeugdpsychiater, de gezinswerker of orthopedagoog) zijn die na de verwijzing (stap 1) beoordeelt welke jeugdhulp precies nodig is. Deze jeugdhulpaanbieder bepaalt in overleg met de jeugdige of ouder daadwerkelijk de concrete inhoud, vorm, omvang en duur van de benodigde jeugdhulp. Deze aanbieder stelt dus feitelijk vast wat naar zijn oordeel de inhoud van de benodigde voorziening dient te zijn en hij zal zijn oordeel mede baseren op de protocollen en richtlijnen die voor een professional de basis van zijn handelen vormen (stap 2). Zie ook de algemene toelichting.

48

Het college legt de te verlenen maatwerkvoorziening, dan wel het afwijzen daarvan, in alle gevallen vast in een beschikking aan de jeugdige en/of zijn ouders. Dit tenzij de verwijzing gedaan is door een huisarts, medisch specialist of jeugdarts. Een beschikking wordt dan niet afgegeven. Artikel 3. Cliëntondersteuning Het eerste lid is een uitwerking van de wettelijke verplichting van het college in artikel 2.2.4, eerste lid, onder a, en tweede lid, van de Wmo 2015. Deze verplichting geldt ook voor cliënten die onder de Jeugdwet vallen. De Wmo 2015 adresseert het college rechtstreeks en vraagt niet om hierover bij verordening een regeling op te stellen. De bepaling uit de Wmo 2015 is toch in de verordening opgenomen vanwege het belang om in de verordening een compleet overzicht van rechten en plichten van cliënten te geven. Hierbij is benadrukt dat de cliëntondersteuning op grond van de wet voor de cliënt kosteloos is. In de memorie van toelichting bij artikel 2.2.4 van de Wmo 2015 (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3) is vermeld dat gemeenten hiermee de opdracht hebben in ieder geval een algemene voorziening voor cliëntondersteuning te realiseren, waar burgers informatie en advies over vraagstukken van maatschappelijke ondersteuning en hulp bij het verkrijgen daarvan kunnen krijgen.

Ook uitgebreide vraagverheldering alsmede kortdurende en kortcyclische ondersteuning bij het maken van keuzes op diverse levensterreinen maken daarvan deel uit. Het tweede lid is de uitwerking van artikel 2.6, eerste lid, onder f, van de Jeugdwet, waarin is bepaald dat het college ervoor verantwoordelijk is dat jeugdigen, hun ouders of pleegouders een beroep kunnen doen op een vertrouwenspersoon. Met de vertrouwenspersoon wordt een functionaris bedoeld zoals deze voor 2015 werkzaam was binnen de jeugdzorg. Onafhankelijkheid, beschikbaarheid en toegankelijkheid zijn belangrijke factoren (wettelijke vereisten) voor een goede invulling van deze functie. Er is een regionale vertrouwenspersoon ingesteld. Het Advies- en Klachtenbureau Jeugdzorg (AKJ) en de Zorgbelangorganisaties voeren de functie van vertrouwenspersoon in samenwerking met elkaar uit. De Jeugdwet adresseert het college rechtstreeks en vraagt niet om hierover bij verordening een regeling op te stellen. De bepaling uit de wet is toch in de verordening opgenomen vanwege het in het belang om in de verordening een compleet overzicht van rechten en plichten van jeugdigen en ouders te geven. Bij algemene maatregel van bestuur (het Besluit Jeugdwet) is een nadere uitwerking gegeven van de taken en bevoegdheden van de vertrouwenspersoon.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10853045/1