CConstaterende datHeumen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage II Onderbouwing van de wijzigingen

Raad 1 februari 2024, gemeente HeumenBij agendapunt: Zienswijze ontwerp wijzigingsbesluit gemeenschappelijke regeling Instituut Bijzonder Onderzoek3.820 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Onderbouwing wijzigingen IBO Oud Artikel

Nieuw artikel

Onderbouwing

Artikel 2 De behartiging van de in artikel 3 omschreven taak wordt opgedragen aan de centrumgemeente.

Artikel 2 Centrumgemeente 1. De gemeente Wijchen wordt aangewezen als centrumgemeente, bedoeld in artikel 8, lid 4 van de Wet gemeenschappelijke regelingen. 2. De behartiging van de in artikel 3 omschreven belangen wordt opgedragen aan de centrumgemeente.

Verduidelijking dat gemeente Wijchen centrumgemeente is.

Artikel 4 De zorg voor de archieven wordt uitgevoerd in overeenstemming met artikel 40, eerste lid van de Archiefwet 1995.

Artikel 4 Archief 1. Het college van de gemeente Wijchen draagt zorg voor de archiefbescheiden ten behoeve van de uitvoering van deze centrumregeling. 2. De aangewezen archivaris van de gemeente Wijchen is belast met het toezicht op het beheer van de archiefbescheiden voor zover deze archiefbescheiden niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats. 3. Bij opheffing van de gemeenschappelijke regeling wordt ten aanzien van de archiefbescheiden een voorziening getroffen conform artikel 4, lid 1 van de Archiefwet 1995. 4. Voor de bewaring van de op grond van artikel 12, lid 1 en

Betreft een aanpassing aan de Archiefwet.

artikel 13 van de Archiefwet 1995 over te brengen archiefbescheiden van de in deze regeling genoemde bestuursorganen is aangewezen de archiefbewaarplaats van de gemeente Wijchen. Artikel 4A Commissie van Advies 1. Er is een commissie van advies, die is gevestigd in de gemeente Wijchen. 2. De colleges van elk der deelnemende gemeenten wijzen uit hun midden één lid en een plaatsvervangend lid aan van de commissie van advies. 3. De colleges van twee of meer der deelnemende gemeenten kunnen besluiten tot het gezamenlijk aanwijzen van één lid. 4. De leden van de commissie van advies hebben zitting gedurende de zittingsduur van de gemeenteraad. De aftredende leden blijven hun functie evenwel waarnemen tot het tijdstip waarop de onderscheidene colleges der deelnemende gemeenten de nieuwe leden van de commissie van advies hebben aangewezen. 5. De aanwijzing van de leden vindt zo mogelijk plaats in –doch uiterlijk een maand – na de eerste vergadering van de colleges van de deelnemende gemeenten. 6. Het door de centrumgemeente aangewezen lid is voorzitter van de commissie van advies. De

Artikel 5 Commissie van Advies 1. Er is een commissie van advies, die is gevestigd in de gemeente Wijchen. 2. De colleges van elk van de deelnemende gemeenten wijzen uit hun midden één lid en een plaatsvervangend lid aan voor de commissie van advies. 3. De colleges van twee of meer van de deelnemende gemeenten kunnen besluiten tot het gezamenlijk aanwijzen van één lid. 4. De leden van de commissie van advies hebben zitting gedurende de zittingsduur van de gemeenteraad. De aftredende leden blijven hun functie evenwel waarnemen tot het tijdstip waarop de colleges van de deelnemende gemeenten de nieuwe leden van de commissie van advies hebben aangewezen. 5. De aanwijzing van de leden vindt zo mogelijk plaats in –doch uiterlijk een maand na- de eerste vergadering van de colleges van de deelnemende gemeenten. 6. Het door de centrumgemeente aangewezen lid is voorzitter van de commissie van advies. De plaatsvervangend voorzitter wordt

Verduidelijking van de rol en taken van de secretaris en het vastleggen van het 2 x per jaar vergaderen door de commissie.

plaatsvervangend voorzitter wordt door en uit de leden van de commissie van advies gekozen voor de zittingsduur als bedoeld in artikel 4 lid 5. 7. Door het college van de centrumgemeente wordt een secretaris aan de commissie van advies toegevoegd. 8. De Officier van Justitie neemt op uitnodiging, afhankelijk van de onderwerpen, als adviseur deel aan het overleg. 9. Een door het college van de centrumgemeente aangewezen functionaris in dienst van de gemeente Wijchen oefent de functie van secretaris uit en woont de vergadering van de commissie van advies bij; verstrekt inlichtingen over de uitvoering en adviseert desgevraagd de commissie van advies.

door en uit de leden van de commissie van advies gekozen voor de zittingsduur als bedoeld in lid 4. 7. Door het college van de centrumgemeente wordt een secretaris aan de commissie van advies toegevoegd. Deze secretaris is in dienst bij de centrumgemeente en wordt door het college van de centrumgemeente aangewezen. 8. De secretaris woont de vergaderingen van de commissie van advies bij, verstrekt inlichtingen over de uitvoering en adviseert desgevraagd de commissie van advies. 9. De commissie van advies vergadert 2 keer per jaar. Een keer in het voorjaar, waar de jaarrekening en begroting worden behandeld. Een keer in het najaar, waar de kaderbrief en beleidsuitgangspunten worden behandeld. 10. De Officier van Justitie neemt op uitnodiging, afhankelijk van de onderwerpen, als adviseur deel aan de vergadering van de commissie van advies.

Artikel 7 Personeel 1. Voor de uitvoering van de in artikel 3 omschreven taak stelt het college van burgemeester en wethouders van de centrumgemeente het nodige personeel aan. 2. Voor dat tot benoeming, schorsing

Artikel 8 Personeel 1. Voor de uitvoering van de in artikel 3 van deze regeling omschreven taken zorgt het college van de centrumgemeente dat er voldoende personeel is. 2. De dagelijkse leiding van het

Aanpassing aan de Wnra (Wet normalisering rechtspositie ambtenaren)

of ontslag wordt overgegaan van het in het eerste lid bedoelde personeel, dan wel tot het vaststellen van instructies of dienstvoorschriften voor dat personeel wint het college van de centrumgemeente het advies in van de commissie van advies als bedoeld in artikel 4. 3. Voor zover niet anders bepaald, zijn het algemene ambtenarenreglement, de daarin voorgeschreven verordeningen, alsmede andere algemene voorschriften en bepalingen, die zijn of zullen worden vastgesteld voor het personeel in dienst van de gemeente Wijchen, van toepassing op het personeel. 4. De dagelijkse leiding van het personeel berust bij een door het college van de centrumgemeente aangewezen functionaris in dienst van de gemeente Wijchen. Artikel 8 Begrotingsprocedure 1. Het college van de centrumgemeente maakt jaarlijks een ontwerp-begroting op van de kosten van de uitvoering van de artikel 3 omschreven taak met daarbij een behoorlijke toelichting en een becijfering van het kostenaandeel van elk der deelnemende gemeente. Het begrotingsjaar is gelijk aan een kalenderjaar. 2. De ontwerp-begroting wordt

personeel berust bij de door het college van de centrumgemeente aangewezen secretaris.

Artikel 9 Begrotingsprocedure 1. Het college van de centrumgemeente maakt jaarlijks een ontwerp-begroting op van de kosten van de uitvoering van de artikel 3 van deze regeling omschreven taken met daarbij een behoorlijke toelichting en een becijfering van het kostenaandeel van elk van de deelnemende gemeenten. Het begrotingsjaar is gelijk aan een kalenderjaar. 2. De ontwerp-begroting wordt

Toezending van de begroting aan Gedeputeerde Staten is bij een centrumgemeente niet aan de orde. Gebeurde ook niet in de praktijk. Daarom artikellid laten vervallen. Verder de term ‘gevoelens’ gewijzigd in ‘zienswijzen’.

jaarlijks voor 1 april voorafgaande aan het dienstjaar waarvoor deze moet dienen door de centrumgemeente toegezonden aan de colleges van deelnemende gemeenten. 3. Deze colleges kunnen binnen twee maanden na datum van toezending van de ontwerp-begroting het college van de centrumgemeente van hun gevoelens doen blijken. 4. Het college van de centrumgemeente zendt de ontwerp-begroting met de commentaren, waarin deze gevoelens zijn verwoord, voor 1 juni voorafgaande aan het dienstjaar, waarvoor de begroting moet dienen, toe aan de commissie van advies als bedoeld in artikel 4. 5. De Commissie van advies brengt voor 15 juli van het jaar, voorafgaande aan dat, waarvoor de begroting moet dienen advies uit aan het college van de centrumgemeente. Het advies is voor het college van de centrumgemeente bindend, indien dit tot stand gekomen is bij meerderheid van stemmen van het aantal in de commissie van advies zitting hebbende leden. 6. Het college van de centrumgemeente stelt de begroting met in achtneming van het advies van de commissie van advies als bedoeld in artikel 4, vast voor 15 augustus van het jaar,

3.

4.

5.

6.

jaarlijks voor 1 april voorafgaande aan het dienstjaar waarvoor deze moet dienen door de centrumgemeente toegezonden aan de colleges van deelnemende gemeenten. Deze colleges kunnen binnen twee maanden na datum van toezending van de ontwerp-begroting zienswijzen kenbaar maken aan het college van de centrumgemeente. Het college van de centrumgemeente zendt de ontwerp-begroting met de commentaren, waarin deze zienswijzen zijn verwoord, voor 1 juni voorafgaande aan het dienstjaar, waarvoor de begroting moet dienen, toe aan de commissie van advies als bedoeld in artikel 5. De Commissie van advies brengt voor 15 juli van het jaar, voorafgaande aan dat, waarvoor de begroting moet dienen advies uit aan het college van de centrumgemeente. Het advies is voor het college van de centrumgemeente bindend, indien dit tot stand gekomen is bij meerderheid van stemmen van het aantal in de commissie van advies zitting hebbende leden. Het college van de centrumgemeente stelt de begroting met in achtneming van het advies van de commissie van advies als bedoeld in artikel 5, vast voor 15

voorafgaande aan dat, waarvoor de begroting moet dienen. 7. Terstond na de vaststelling zendt het college van de centrumgemeente de begroting met de becijfering van het kostenaandeel van elk der deelnemende gemeenten en het advies van de commissie van advies als bedoeld in artikel 4, toe aan de deelnemende gemeenten. 8. Het college van de centrumgemeente zendt de begroting terstond na de vaststelling aan Gedeputeerde Staten ter goedkeuring/kennisgeving. Van de beslissing van Gedeputeerde Staten doen zij mededeling aan de deelnemende gemeenten. 9. Het bepaalde van dit artikel is van overeenkomstige toepassing op besluiten tot wijziging van de begroting. Artikel 12 Wijziging 1. De regeling kan worden gewijzigd bij daartoe strekkend besluit van de colleges van tenminste tweederde der deelnemende gemeenten. 2. Voorstellen tot wijziging van de regeling kunnen uitgaan van een of meer van de colleges van de deelnemende gemeenten. Het college van de centrumgemeente doet het betreffende daartoe strekkend voorstel binnen een maand na ontvangst toekomen aan de andere colleges van de

7.

8.

augustus van het jaar, voorafgaande aan dat, waarvoor de begroting moet dienen. Direct na de vaststelling zendt het college van de centrumgemeente de begroting met de becijfering van het kostenaandeel van elk van de deelnemende gemeenten en het advies van de commissie van advies als bedoeld in artikel 5, toe aan de deelnemende gemeenten. Het bepaalde in dit artikel is van overeenkomstige toepassing op besluiten tot wijziging van de begroting.

Artikel 12 Wijziging 1. Iedere deelnemer kan een voorstel doen tot een wijziging van deze regeling. 2. De wijziging komt tot stand, indien twee derde van de deelnemende colleges aan deze regeling met de wijziging van de regeling akkoord zijn gegaan. 3. De wijziging van deze regeling wordt als voorgenomen besluit voorgelegd aan de gemeenteraden van de deelnemers, die binnen 8 weken

Artikel aangepast aan de gangbare praktijk en de stappen tot wijziging beschreven.

deelnemende gemeenten. 4.

5.

6.

Artikel 11 Toetreding en uittreding 1. Een deelnemende gemeente kan uittreden na afloop van de vijfjaarlijkse periode als bedoeld in artikel 16. Hiervan dient twaalf maanden tevoren mededeling te worden gedaan aan het college van de centrumgemeente. 2. Aan de uittreding als bedoeld in lid 1 kunnen door het college van de centrumgemeente, gehoord de commissie van advies, als bedoeld in artikel 4, voorwaarden worden verbonden. Betreft het de uittreding van de centrumgemeente, dan is vorenbedoeld advies voor het college van de centrumgemeente bindend, indien dit is tot stand

na ontvangst van het ontwerp van de wijzing hun zienswijze hierover kunnen uitbrengen. De deelnemers gaan pas over tot een definitieve wijziging van deze regeling dan na verkregen toestemming van de gemeenteraden van de deelnemers. De wijziging van deze regeling treedt in werking op de eerste dag van de maand, volgend op de dag van de bekendmaking ervan in het Gemeenteblad door de centrumgemeente. Op de wijziging van deze regeling is artikel 17, lid 2 en 3 van deze regeling van overeenkomstige toepassing.

Artikel 13 Toetreding 1. Een college, niet zijnde een college van de deelnemende gemeenten, kan een verzoek tot toetreding richten aan het college van de centrumgemeente. 2. Het college van de centrumgemeente zendt het verzoek, als bedoeld in het eerste lid, aan de colleges van de deelnemende gemeenten. 3. Toetreding geschiedt nadat de colleges van de deelnemende gemeenten met het verzoekende college, bedoeld in het eerste lid, overeenstemming hebben bereikt over de voorwaarden

Artikel gesplitst in een apart artikel over toetreding en een apart artikel over uittreding. In artikel over toetreding de stappen duidelijker omschreven. Artikel over uittreding aangepast conform artikel 9 van de gewijzigde Wet gemeenschappelijke regelingen.

gekomen bij meerderheid van stemmen van het aantal in de commissie zitting hebbende leden. 3. Een uittreding als bedoeld in lid 1 gaat in met ingang van een vijfjaarlijkse periode, als omschreven in artikel 16 en mits door de uittredende gemeente schriftelijk is verklaard, dat bewilligd wordt in de gestelde voorwaarden als bedoeld in lid 2 en voldaan is aan de vereisten genoemd in artikel 27, eerste en tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen. 4. Het college van een gemeente die tussentijds- wenst toe te treden of tussentijds wenst uit te treden, richt een verzoek terzake aan college van de centrumgemeente. 5. Een verzoek tot tussentijdse uittreding dient tenminste twaalf maanden voor de aanvang van het eerstvolgende begrotingsjaar bij het college van de centrumgemeente te zijn ingekomen. 6. Het college van de centrumgemeente zendt het verzoek als bedoeld in het vierde lid binnen een maand na ontvangst door aan de colleges van de deelnemende gemeenten onder overlegging van hun advies omtrent de toetreding respectievelijk tussentijdse uittreding en de eventueel daaraan te verbinden voorwaarden. 7. Toetreding respectievelijk tussentijdse uittreding vindt plaats indien de colleges van tenminste

4.

5.

6.

7.

voor toetreding. De toetreding, zoals bedoeld in het vorige lid, wordt pas voorgelegd aan de gemeenteraden van de deelnemers, indien alle deelnemers met de toetreding akkoord zijn. De toetreding vindt niet eerder plaats dan na verkregen toestemming van de gemeenteraden van de deelnemers en de gemeenteraad van het toetredende college. De toetreding tot de regeling geschiedt, tenzij anders bepaald, per 1 januari van het kalenderjaar volgend op het besluit tot toetreding en de bekendmaking daarvan door de colleges van deelnemende gemeenten en de verzoekende gemeente. Op de toetreding van een deelnemer aan deze regeling is artikel 17, lid 2 en 3 van deze regeling van overeenkomstige toepassing.

Artikel 14 Uittreding 1. Een college van een deelnemende gemeente kan een verzoek tot uittreding uit de regeling indienen bij het college van de centrumgemeente. 2. Het college van de centrumgemeente zendt het verzoek, als bedoeld in het

tweederde van het aantal deelnemende gemeenten daarin toestemmen. 8. Aan de toetreding respectievelijk tussentijdse uittreding kunnen bij de in het zevende lid bedoelde besluiten voorwaarden worden verbonden. 9. De toetreding gaat in op 1 januari van het jaar, volgende op het jaar waarin is voldaan aan de vereisten genoemd in artikel 27, eerste en tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen. 10. Een tussentijdse uittreding gaat in op het tijdstip als bepaald overeenkomstig de leden 6 en 7 mits voldaan is aan de vereisten, genoemd in artikel 27, eerste en tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen.

3.

4.

5.

6.

7.

8.

eerste lid, aan de colleges van de deelnemende gemeenten. Het college van de centrumgemeente inventariseert de gevolgen van de uittreding, de wijze waarop met deze gevolgen kan of moet worden omgegaan en de voorwaarden voor uittreding en legt deze vast in het uittredingsplan. Met het oog op het bepalen van de inhoud van het uittredingsplan wijst het college van de centrumgemeente een onafhankelijke externe deskundige aan die in opdracht van dit college het uittredingsplan voorbereidt. De kosten voor het inschakelen van een onafhankelijke externe deskundige komen voor rekening van de uittredende deelnemer. Het uittredingsplan wordt voorgelegd aan de commissie van advies, die vervolgens het college van de centrumgemeente adviseert. Onder de gevolgen van de uittreding worden verstaan de financiële, juridische, personele en organisatorische consequenties die het directe gevolg zijn van de uittreding. Het uittredingsplan bepaalt de wijze van berekening van de financiële gevolgen van de uittreding. Het uittredingsplan bevat een

berekening van de financiële gevolgen van de uittreding te betalen door de uittredende deelnemer, hierna te noemen de uittreedsom. 9. De uittreedsom bestaat uitsluitend uit een vergoeding ter compensatie van frictiekosten en desintegratiekosten, onder aftrek van eventuele baten. 10. Onder frictiekosten worden verstaan alle incidentele kosten te maken door de centrumgemeente die het directe gevolg van de beslissing tot uittreding van een deelnemer zijn. 11. Onder desintegratiekosten worden verstaan alle kosten direct dan wel toekomstig te maken dan wel te dragen door de centrumgemeente die samenhangen met de afbouw van overcapaciteit in personele en materiële sfeer en andere verplichtingen, de afbouw van risico’s daarbij inbegrepen, ontstaan als direct gevolg van de uittreding. 12. De centrumgemeente brengt de uittreedsom in rekening bij de uittredende deelnemer. De uittredende deelnemer is verplicht tot betaling van deze uittreedsom. 13. De centrumgemeente is gehouden redelijkerwijs al het

mogelijke te doen om de uittredingskosten zo laag mogelijk te houden. 14. De uittreding uit de regeling geschiedt, tenzij anders bepaald, per 1 januari van het kalenderjaar volgend op het besluit tot uittreding en de bekendmaking daarvan door de colleges van de deelnemende gemeenten. Tussen het besluit tot uittreding en de feitelijke uittreding moeten ten minste 2 jaren gelegen zijn 15. Een college dat voornemens is uit te treden kan het college van de centrumgemeente vragen een indicatie te geven van de gevolgen van de uittreding, overeenkomstig hetgeen in deze regeling bepaald. De indicatie wordt binnen zes maanden opgeleverd, tenzij het betreffende uittredende college en het college van de centrumgemeente anders overeenkomen. De kosten voor het opstellen van de indicatie komen voor rekening van het college dat om de indicatie heeft verzocht. De indicatie bindt de gemeenten geenszins wanneer definitief tot uittreding wordt besloten. 16. Kosten die de uittredende deelnemer maakt ter voorbereiding op of als gevolg van de beslissing tot uittreding

komen voor rekening van de deelnemer. 17. Op de uittreding van een deelnemer aan deze regeling is artikel 19, lid 2 en 3 van deze regeling van overeenkomstige toepassing. Artikel 13 Opheffing 1. De regeling kan worden opgeheven bij daar toe strekkend besluit van de colleges van tenminste tweederde van het aantal deelnemende gemeenten. 2. De opheffing gaat niet eerder in dan na afloop van een vijfjaarlijkse periode als bedoeld in artikel 16. 3. Tenzij de colleges van de deelnemende gemeenten bij een daartoe strekkend besluit van tenminste tweederde van het aantal deelnemende gemeenten anders besluiten, kan de regeling niet worden opgeheven dan wel worden opgezegd tijdens een vijfjaarlijkse periode als bedoeld in artikel 16. 4. Een voorstel tot opheffing van de regeling kan uitgaan van een of meer van de colleges van de deelnemende gemeenten. Het college van de centrumgemeente doet het betreffende daartoe strekkende voorstel binnen een maand na ontvangst toekomen aan de andere colleges van de deelnemende gemeenten.

Artikel 16 Opheffing 1. De regeling kan worden opgeheven bij daartoe strekkend besluit van de colleges van tenminste tweederde van het aantal deelnemende gemeenten. Een verzoek tot uittreding van minimaal twee derde van de deelnemers wordt beschouwd als een verzoek tot opheffing. 2. Indien een besluit tot opheffing, als bedoeld in het vorige lid, wordt genomen, geven de deelnemers een onafhankelijke registeraccountant de opdracht om een opheffingsplan op te stellen. 3. Het opheffingsplan, bedoeld in het tweede lid, voorziet in ieder geval in de verplichting van de deelnemende gemeenten tot deelneming in de financiële gevolgen van de opheffing en de personele gevolgen hiervan. Het opheffingsplan voorziet ook in de gevolgen die de beëindiging voor de centrumgemeente heeft verband houdende met het personeel als bedoeld in artikel 8 van deze regeling.

Artikel over opheffing en liquidatie samengevoegd tot één artikel waarin de stappen tot opheffing van de regeling worden beschreven.

4.

5.

6.

Artikel 14 Liquidatie 1. Ingeval van opheffing van de regeling besluit het college van de centrumgemeente tot liquidatie en stellen daarvoor de nodige regels. Hierbij kan van de bepalingen van de regeling worden afgeweken. 2. Het liquidatieplan wordt door het college van de centrumgemeente, gehoord de commissie van advies, als bedoeld in artikel 4, vastgesteld. Het advies is voor het college van de centrumgemeente bindend, indien dit is totstandgekomen bij besluit van tenminste tweederde van het aantal in de commissie van

Het opheffingsplan wordt door het college van de centrumgemeente, gehoord de commissie van advies, als bedoeld in artikel 5 van deze regeling, vastgesteld. Het advies is voor het college van de centrumgemeente bindend, indien dit is tot stand gekomen bij besluit van tenminste twee derde van het aantal in de commissie van advies zitting hebbende leden. Het college van de centrumgemeente is belast met de uitvoering van het opheffingsplan. Op de opheffing van deze regeling is artikel 17, lid 2 en 3 van deze regeling van overeenkomstige toepassing. Samengevoegd met artikel over opheffing.

advies zitting hebbende leden. 3. Het liquidatieplan voorziet ook in de gevolgen die de beëindiging voor de centrumgemeente heeft verband houdende met het personeel als bedoeld in artikel 7. 4. Het college van de centrumgemeente is belast met de uitvoering van de liquidatie.

Artikel 15 Inwerkingtreding 1. De gewijzigde regeling treedt in werking met ingang van de eerste dag van de maand volgende op de maand waarin voldaan is aan de vereisten genoemd in artikel 27, eerste en tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen.

Artikel 17 evaluatie Eenmaal in de drie jaar wordt de gemeenschappelijke regeling geëvalueerd, tenzij anders door het college van de centrumgemeente, gehoord de commissie van advies, wordt besproken.

Betreft nieuw artikel. Conform artikel 11a van de gewijzigde Wet gemeenschappelijke regelingen moet de regeling bepalingen inhouden omtrent de evaluatie van de regeling.

Artikel 18 Verslag van bevindingen 1. Jaarlijks wordt door alle deelnemers gezamenlijk een verslag van bevindingen van het functioneren van de gemeenschappelijke regeling opgesteld. 2. Dit verslag wordt, gehoord de commissie van advies, aan het college van de centrumgemeente aangeboden.

Betreft nieuw artikel. Vastleggen van bestaande afspraken/werkwijze.

Artikel 19 Inwerkingtreding 1. Deze regeling treedt in werking op 1 juli 2024. 2. Het college van de centrumgemeente draagt zorg voor de in artikel 26, lid 1 van de Wet gemeenschappelijke regelingen bedoelde

Artikel aangepast aan het bepaalde in de wet elektronische bekendmaking.

2. Burgemeester en wethouders van de centrumgemeente dragen zorg voor de in artikel 26 van de Wet gemeenschappelijke regelingen bedoelde toezending.

Artikel 16 Duur van de regeling 1. De (gewijzigde) regeling wordt aangegaan voor de thans lopende vijfjaarlijkse periode. Na afloop van deze periode wordt zij geacht telkens met een tijdvak van vijf jaren te zijn verlengd, tenzij een voorstel tot opheffing als bedoeld in artikel 13, lid 4, uiterlijk twaalf maanden voor afloop van de vijfjaarlijkse periode is ingediend.

3.

bekendmaking. Het college van de centrumgemeente voegt, conform het bepaalde in artikel 26, lid 2 van de Wet gemeenschappelijke regelingen, de gegevens toe in het register.

Artikel 20 Duur van de regeling De regeling wordt aangegaan voor onbepaalde tijd.

Regeling loopt al heel wat jaren en deelnemers kunnen uittreden of verzoeken de regeling op te heffen. Dat hoeft niet gekoppeld te worden aan een 5 jaarlijkse periode. In de praktijk werd niet gedaan met deze vijfjaarlijkse periode.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13622662/1