Bijlage I Wijzigingsbesluit gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Regio Nijmegen
Tekst van het document
Wijziging Gemeenschappelijke
regeling Omgevingsdienst Regio Nijmegen
College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Heumen Gelet op de uitgebrachte zienswijzen Gelet op het bepaalde in artikel 51 van de Wet gemeenschappelijke regelingen, de verkregen toestemming van de raad van de gemeente Heumen BESLUITEN vast te stellen de navolgende wijziging tot aanpassing van de Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Regio Nijmegen.
Artikel I
Wijziging regeling
De Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Regio Nijmegen wordt als volgt gewijzigd:
Algemeen: In de gehele regeling wordt de tekst “Groesbeek (na 1 januari 2016 Berg en Dal geheten)” vervangen door “Berg en Dal”. A. Onder het kopje “Overwogen hebbende dat” wordt de tekst onder het eerste streepje (-) gewijzigd in: De deelnemers bevoegdheden uitoefenen op grond van onder andere de Omgevingswet, waaronder bevoegdheden tot het beslissen op aanvragen om omgevingsvergunningen, het houden van toezicht en het beslissen over bestuursrechtelijke handhaving van wettelijke voorschriften.
B.
Artikel 1, eerste lid, onder a, komt te luiden: basistaken: taken als bedoeld in artikel 13.12 van het Omgevingsbesluit;
C. Artikel 1, eerste lid, onder b, komt te luiden: bovenregionale taken: taken die ten behoeve van de deelnemers en van deelnemers aan andere omgevingsdiensten in Gelderland worden verricht, niet zijnde complexe taken;
D. Artikel 1, eerste lid, onder d, komt te luiden: Complexe taken: basistaken ten aanzien van complexe activiteiten zijnde: •
vergunningplichtige milieubelastende activiteiten die worden ingedeeld in milieucategorie 4.2 en hoger als bedoeld in de VNG-uitgave Bedrijven en milieuzonering, editie 2009; of
•
milieubelastende activiteiten waarop de Richtlijn industriële emissies van toepassing is;
•
overige milieubelastende activiteiten die vallen onder provinciaal bevoegd
gezag;
E. Artikel 1, eerste lid, onder n komt te vervallen, onder verlettering van sub o. naar sub n.
F. Na artikel 1, eerste lid, sub n (nieuw) wordt een nieuw sub o. toegevoegd, luidende:
Gelders stelsel: samenwerking van alle Gelderse omgevingsdiensten in de provincie Gelderland waarbij onderlinge afspraken worden gemaakt over het beleggen van taken.
G. Artikel 1, vierde lid, komt te luiden: Uitgezonderd van de complexe taken zijn de volgende vergunningplichtige milieubelastende activiteiten die worden ingedeeld in milieucategorie 4.2 en hoger als bedoeld in de VNG-uitgave Bedrijven en milieuzonering, editie 2009: •
het exploiteren van een ippc-installatie voor het houden van pluimvee of varkens als bedoeld in de Richtlijn industriële emissies categorie 6.6;
•
activiteiten ten behoeve van cultuur, sport en recreatie (SBI 9321, 931.1 t/m 931.10, 931.B t/m 931.D en 93299);
•
het exploiteren van een rangeerterrein (SBI 491, 492.2);
•
activiteiten ten behoeve van trafostations (SBI 35.C4 en 35.C5) en de schakelstations van het 380 KV hoogspanningsnet;
•
agrarische activiteiten waarbij mest wordt verwerkt als nevenactiviteit, waarbij die mest uitsluitend afkomstig is uit de eigen activiteiten;
•
activiteiten met een helikopterstandplaats als nevenactiviteit (SBI 5223.B);
•
activiteiten met betrekking tot betonmortel en -waren (SBI 23611, 2363, 2364, 2365 en 2369), voor zover er geen sprake is van een ippc-installatie;
•
activiteiten met betrekking tot rioolwaterzuiveringen (SBI 3700), voor zover er geen sprake is van een ippc-installatie.
H. Artikel 4, eerste lid, komt te luiden:
Ter behartiging van het belang genoemd in artikel 2 brengen de deelnemers de uitvoering van de basistaken onder bij het openbaar lichaam, met dien verstande dat provincie Gelderland de uitvoering van de taken bedoeld in artikel 13.12, eerste lid, onder a, b en c van het Omgevingsbesluit onderbrengt bij de Omgevingsdienst Regio Nijmegen.
I. Artikel 5, eerste lid komt te luiden: Ter behartiging van het belang genoemd in artikel 2 kunnen de deelnemers de uitvoering van overige taken in het omgevingsrecht onderbrengen bij het openbaar lichaam. Overige taken zijn in ieder geval de Omgevingswet-taken voor zover niet behorend tot de in artikel 4 genoemde basistaken, taken betreffende de Huisvestingswet, de Leegstandswet, de Algemene Plaatselijke Verordening dan wel de daarvoor in de plaats getreden regelgeving.
J. Artikel 16, vierde lid komt te vervallen, onder vernummering van de leden 5 tot en met 8 naar 4 tot en met 7.
K. Artikel 16, zevende lid (nieuw) komt te luiden: Het algemeen bestuur kan een lid van het dagelijks bestuur, niet zijnde de voorzitter, ontslag verlenen of schorsen als dat lid het vertrouwen van het algemeen bestuur niet meer bezit. Het ontslag gaat onmiddellijk in.
L. Artikel 18, tweede lid, komt te luiden:
Het dagelijks bestuur is belast met het aangaan van arbeidsovereenkomsten naar burgerlijk recht, het ontslaan en schorsen van het personeel, waaronder begrepen de directeur.
M. Artikel 18, derde lid, komt te luiden: Het dagelijks bestuur stelt de arbeidsvoorwaardenregelingen voor de directeur alsmede het overige personeel van het openbaar lichaam vast.
N. Na artikel 20 wordt hoofdstuk 6 ingevoegd: “Hoofdstuk 6 Informatie en verantwoording”
O. Artikel 21 komt te luiden: Artikel 21 Openbaar lichaam ten opzichte van deelnemers 1.
Het openbaar lichaam zorgt ervoor dat de deelnemers steeds kunnen beschikken over informatie met betrekking tot de in hoofdstuk twee van deze regeling genoemde taken waarvoor zij het bevoegde bestuursorgaan zijn.
2.
Het algemeen bestuur stelt hiertoe een informatieprotocol op waarin opgenomen wordt op welke wijze en hoe frequent bepaalde informatie ter beschikking wordt gesteld.
P. Vóór artikel 22 wordt “Hoofdstuk 6 Informatie en verantwoording” verwijderd.
Q.
Na Artikel 24 wordt een nieuw Artikel 24A ingevoegd dat komt te luiden: Artikel 24A Uitbrengen van zienswijzen 1.
Voorafgaand aan het nemen van de in het derde lid van dit artikel genoemde besluiten door het bestuur worden de raden en staten van de deelnemers gedurende 8 weken in de gelegenheid gesteld om schriftelijk een zienswijze naar voren brengen.
2.
Als op grond van het eerste lid zienswijzen naar voren zijn gebracht, dan stelt het dagelijks bestuur voorafgaand aan het nemen van een besluit, de raden en staten en, indien het een besluit van het algemeen bestuur betreft, het algemeen bestuur van het openbaar lichaam schriftelijk en gemotiveerd in kennis van het oordeel over de zienswijze, alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt.
3.
De raden en staten worden in de gelegenheid gesteld om zienswijzen in te dienen over besluiten – naast de wettelijke verplichte - van groot financieel en politiek belang waaronder in ieder geval begrepen de kadernota, het conceptjaarverslag (waaronder de jaarrekening), het informatieprotocol, de periodieke evaluatie en een van de regeling afwijkende uittredingsregeling.
R. Na Artikel 24A (nieuw) wordt een nieuw Artikel 24B ingevoegd dat komt te luiden: Artikel 24B Participatie ingezetenen en belanghebbenden 1.
Ingezetenen van de deelnemers en belanghebbenden worden bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid betrokken op een bij de deelnemers gebruikelijke wijze.
2.
Het algemeen bestuur kan besluiten hiervan af te wijken.
S. Na Artikel 24B (nieuw) wordt een nieuw Artikel 24C ingevoegd dat komt te luiden:
Artikel 24C Evaluatie 1.
Het algemeen bestuur draagt zorg voor de evaluatie van in ieder geval het algemeen functioneren en de werkwijze van het openbaar lichaam.
2.
De evaluatie vindt eenmaal in de vier jaar plaats en is afgerond twaalf maanden voorafgaand aan de reguliere gemeenteraadsverkiezingen.
3.
Het algemeen bestuur bepaalt de wijze waarop de evaluatie plaatsvindt.
4.
Het algemeen bestuur kan bepalen dat een aanvullende (tussentijdse) evaluatie plaatsvindt die afwijkt van de in het tweede lid genoemde termijnen.
T. Na artikel 25 wordt een nieuw Hoofdstuk ingevoegd, dat komt te luiden: “Hoofdstuk 7A Samenwerking Gelders stelsel”
U. Artikel 26 komt te luiden: Artikel 26. Samenwerking tussen omgevingsdiensten 1.
De voorzitter heeft regelmatig overleg met de voorzitters van de besturen van de andere omgevingsdiensten in Gelderland.
2.
De directeur heeft regelmatig overleg met de directeuren van de andere omgevingsdiensten in Gelderland.
3.
De overleggen hebben als doel het bevorderen van een goede samenwerking tussen de omgevingsdiensten.
V. Artikel 27 komt te luiden: Artikel 27 Inhoud Begroting
1.
De begroting heeft betrekking op een boekjaar dat gelijk is aan een
kalenderjaar. 2.
Het dagelijks bestuur houdt bij het opstellen van de ontwerpbegroting rekening met de door de deelnemers opgestelde begrotingsrichtlijnen.
3.
De ontwerpbegroting wordt opgesteld volgens de daarvoor geldende wet- en regelgeving en geeft tenminste inzicht in: a.
de programma’s;
b.
de formatie, die nodig is om deze programma’s uit te voeren;
c.
de kosten van de uitvoering van deze programma’s;
d.
de financiële bijdragen van de deelnemers aan het openbaar lichaam over het begrotingsjaar;
e.
het overzicht van algemene dekkingsmiddelen en het overzicht van de overhead.
W. Na Artikel 27 wordt een nieuw Artikel 27A ingevoegd, dat komt te luiden: Artikel 27A Procedure Begroting 1.
Onverminderd het bepaalde in artikel 59, eerste lid, van de Wet zorgt het dagelijks bestuur vóór 15 april van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor zij dient de in dat lid bedoelde toezending van de ontwerpbegroting vergezeld van een behoorlijke toelichting.
2.
De deelnemers kunnen bij het dagelijks bestuur hun zienswijze over de ontwerpbegroting naar voren brengen. Het dagelijks bestuur voegt deze zienswijzen, voorzien van zijn reactie, toe aan de ontwerpbegroting zoals deze aan het algemeen bestuur wordt aangeboden onder gelijktijdige verzending van de reactie op de zienswijzen aan de deelnemers.
3.
De vaststelling van de begroting door het algemeen bestuur, zoals bedoeld in artikel 58, eerste lid, van de Wet geschiedt niet eerder dan 12 weken nadat
deze aan de raden en Staten van de deelnemers is verzonden in het jaar voorafgaande aan dat waarvoor zij dient. 4.
Uiterlijk 10 september van elk jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting geldt stelt het algemeen bestuur de begroting met inachtneming van de uitgebrachte zienswijzen vast.
5.
Het besluit tot vaststelling van de begroting behoeft tweederde meerderheid van de uitgebrachte stemmen.
6.
Terstond na de vaststelling van de begroting zendt het algemeen bestuur de begroting aan de raden en staten van de deelnemers, die terzake bij de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties hun zienswijze naar voren kunnen brengen.
7.
Het dagelijks bestuur zendt de begroting binnen twee weken na de vaststelling, doch uiterlijk 15 september voorafgaande aan het jaar waar de begroting voor dient aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
8.
Artikel 27 de leden 1 tot en met 9 zijn overeenkomstige toepassing op besluiten tot wijziging van de begroting met uitzondering van de in de leden vermelde data.
9.
Een actualisatie van de begroting wordt door het algemeen bestuur vastgesteld zonder de toepassing van de procedure, genoemd in het eerste tot en met zevende lid.
X. Artikel 28 komt te luiden: Artikel 28 Jaarverslag (inclusief Jaarrekening) 1.
De vaststelling van de jaarrekening als bedoeld in artikel 58, derde lid, van de Wet geschiedt vóór 15 juli volgend op het jaar waarop deze betrekking heeft.
2.
Artikel 27A leden 1, 2, 5 en 6 van de regeling zijn van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat er geen zienswijzen over de Jaarrekening
kunnen worden ingediend bij de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. 3.
Het dagelijks bestuur zendt de vastgestelde jaarrekening binnen twee weken na de vaststelling doch in ieder geval vóór 15 juli aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. .
4.
Vaststelling van de rekening strekt het dagelijks bestuur tot decharge, behoudens later in rechte gebleken valsheid in geschrifte of andere onregelmatigheden.
5.
In de rekening wordt het door elk van de deelnemers over het desbetreffende jaar werkelijk verschuldigde bedrag opgenomen.
6.
Verrekening van het verschil tussen hetgeen op grond van artikel 10 van deze regeling is bepaald enerzijds en hetgeen op basis van de rekening is verschuldigd anderzijds vindt plaats zo spoedig mogelijk na de vaststelling van de rekening met inachtneming van artikel 29.
Y. Artikel 33 komt te luiden: Artikel 33 Uittreding 1.
Een deelnemer kan uittreden uit de regeling na een daartoe strekkend besluit van de deelnemer.
2.
Voor uittreding geldt een opzeggingstermijn van anderhalf jaar voorafgaand aan de datum waarop de uittreding plaatsvindt. Uittreding is slechts mogelijk met ingang van 1 januari.
3.
Het algemeen bestuur inventariseert binnen zes maanden na de opzegging de gevolgen van uittreding na overleg met de deelnemers in een uittredingsplan waartoe in ieder geval behoren: a.
de gevolgen voor het personeel zoals de toewijzing, terugname of overname van medewerkers;
b.
juridische en organisatorische consequenties;
c. 4.
de financiële gevolgen van de uittreding.
Bij de bepaling van uittreedsom worden zowel variabele, vaste kosten alsmede het aan de uittredende deelnemer toe te rekenen aandeel in reserves en voorzieningen in aanmerking genomen. Bij de bepaling van de vergoeding voor vaste kosten wordt een termijn van vijf jaar vanaf datum uittreding in acht genomen.
5.
De raming en berekening van de financiële gevolgen worden gebaseerd op de feiten en omstandigheden die bekend waren op het moment van de daadwerkelijke uittreding. Beleidswijzigingen, wijziging van economische omstandigheden en wijziging van inzichten die zich voordoen of opkomen na het moment van de daadwerkelijke uittreding kunnen niet worden betrokken bij de bepaling van de hoogte van de uittreedsom.
6.
Het openbaar lichaam is gehouden redelijkerwijs al het mogelijke te doen om (direct nadat de opzegbrief is ontvangen) de uittredingskosten zo laag mogelijk te houden. Het voorgaande behoeft niet te leiden tot wijziging van overeenkomsten met en verplichtingen jegens derden die zijn aangegaan respectievelijk bepaald voorafgaand aan het tijdstip van ontvangst door het algemeen bestuur van het besluit tot uittreding van de deelnemer.
7.
Het algemeen bestuur wijst een onafhankelijke externe deskundige aan op basis van een gezamenlijke voordracht van de uittredende deelnemer en het dagelijks bestuur. De kosten voor het inschakelen van een onafhankelijke externe deskundige komen voor rekening van de uittredende deelnemer.
8.
De onafhankelijke externe deskundige stelt de uittreedsom vast. Het algemeen bestuur en de uittredende deelnemer komen tot een akkoord op basis van dit vastgestelde bedrag.
9.
Indien het algemeen bestuur en de uittredende deelnemer niet tot een akkoord kunnen komen op basis van het in lid 8 vastgestelde bedrag, dan zal een andere onafhankelijke externe deskundige (aangewezen op de in lid 7 van dit artikel bedoelde wijze) een voor betrokkenen bindend besluit nemen.
10. De financiële gevolgen die het gevolg zijn van de uittreding, de uittreedsom, worden door de uittredende deelnemer gedragen.
11. De uittredende deelnemer is verplicht tot betaling van de definitieve uittreedsom binnen een jaar nadat de definitieve uittreedsom is vastgesteld. 12. Het dagelijks bestuur ziet toe op de uittreding en de vereffening van de financiële verplichtingen. 13. Het algemeen bestuur kan besluiten tot een afwijkende uittredingsregeling. Artikel 24A van deze regeling is van toepassing op een dergelijk besluit.
Z. Artikel 38 komt te luiden: 1.
De regeling treedt in werking een dag nadat deze op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt.
2.
Gedeputeerde staten dragen zorg voor de in artikel 26, lid 1 van de Wet gemeenschappelijke regelingen bedoelde bekendmaking.
3.
Gedeputeerde staten voegen, conform het bepaalde in artikel 26, lid 2 van de Wet gemeenschappelijke regelingen, de gegevens toe in het register.
Artikel II
Inwerkingtreding
A. Deze wijziging treedt in werking met ingang van 1 juli 2024.
Aldus besloten door het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Heumen op <DATUM>, met toestemming van de raad van de gemeente Heumen gegeven op 6 juni 2024.