Bijlage I Verordening rechtspositie raads- en commissieleden gemeente Heumen 2026
Tekst van het document
Besluit van de raad van de
gemeente Heumen houdende
bepalingen inzake de rechtspositie van raads- en commissieleden
(Verordening rechtspositie raadsen commissieleden gemeente Heumen 2026) De raad van de gemeente Heumen;
gelezen het voorstel van het presidium van 18 november 2025; gelet op: -
hoofdstuk VI van de Gemeentewet;
hoofdstuk 3, de afdelingen 3.0, 3.1 en 3.4, van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers, en
de artikelen 1.2, 3.1 en 3.9 van de Regeling rechtspositie decentrale politieke ambtsdragers;
besluit: vast te stellen de: Verordening rechtspositie raads- en commissieleden gemeente Heumen 2026
Artikel 1. Begripsomschrijvingen
In deze verordening wordt verstaan onder: a. commissielid: lid van een commissie als bedoeld in de artikelen 82, 83 en 84 van de Gemeentewet, dat niet tevens raadslid is of ambtenaar die als zodanig tot lid van een commissie is benoemd; b. griffier: de griffier als bedoeld in artikel 107 van de Gemeentewet; c. raadslid: lid van de raad van de gemeente Heumen;
d. Rechtspositiebesluit: Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers; e. Rechtspositieregeling: Regeling rechtspositie decentrale politieke ambtsdragers.
Artikel 2. Toelage raadslid voor lidmaatschap onderzoekscommissie
1. Een raadslid dat lid is van een onderzoekscommissie als bedoeld in artikel 155a, derde lid, van de Gemeentewet, wordt voor de duur van de activiteiten van die commissie ten laste van de gemeente per maand een toelage toegekend. 2. De hoogte van de toelage als bedoeld in het eerste lid wordt vastgesteld in de verordening, zoals bedoeld in artikel 155a, achtste lid, van de Gemeentewet.
Artikel 3. Informatie- en communicatievoorzieningen
1. Een raads- of commissielid tekent een bruikleenovereenkomst wanneer hem ten laste van de gemeente voor de duur van de uitoefening van zijn functie informatie- en communicatievoorzieningen ter beschikking worden gesteld als bedoeld in artikel 3.3.2 van het Rechtspositiebesluit. 2. Als een raads- of commissielid stopt, levert hij de ter beschikking gestelde informatie- en communicatievoorzieningen in bij de gemeente.
Artikel 4. Nadere regels niet-partijpolitiek georiënteerde scholing
1. Een raads- of commissielid dat wil deelnemen aan niet-partijpolitiek georiënteerde scholing als bedoeld in artikel 3.3.3 van het Rechtspositiebesluit in verband met de vervulling van zijn functie, dient daartoe vooraf een gemotiveerde aanvraag in bij de griffier. 2. De aanvraag als bedoeld in het eerste lid gaat vergezeld van stukken met inhoudelijke informatie en een kostenspecificatie. 3. De griffier beslist op de aanvraag op basis van de overgelegde stukken. Bij onvoldoende budget raadpleegt de griffier eerst het presidium alvorens een beslissing te nemen.
Artikel 5. Aanwijzing als eindheffingsbestanddeel
1. Als eindheffingsbestanddeel als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 worden aangewezen de vergoedingen, tegemoetkomingen en verstrekkingen, genoemd in artikel 3.3.8 van het Rechtspositiebesluit. 2. Als eindheffingsbestanddeel als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 worden verder aangewezen de vergoedingen, tegemoetkomingen en verstrekkingen, genoemd in deze verordening, voor zover deze worden gerekend tot een vergoeding, tegemoetkoming of verstrekking als bedoeld in artikel 31a, tweede lid, onderdelen a tot en met h, van de Wet op de Loonbelasting 1964.
Artikel 6. Betaling vaste vergoedingen commissieleden
1. Tenzij het Rechtspositiebesluit of de Rechtspositieregeling anders bepalen, vindt de betaling van de vergoeding van commissieleden als bedoeld in artikel 3.4.1 van het Rechtspositiebesluit twee keer per jaar plaats met inachtneming van een vergoeding per bijgewoonde vergadering. 2. Voor een commissielid is sprake van een bijgewoonde vergadering, zoals bedoeld in artikel 3.4.1, eerste lid, van het Rechtspositiebesluit, wanneer hij de presentielijst heeft getekend als bedoeld in artikel 12 van de Verordening op de raadscommissies gemeente Heumen 2024.
Artikel 7. Betaling en declaratie van onkosten
1. Tenzij het Rechtspositiebesluit of de Rechtspositieregeling anders bepalen, vindt de betaling van kosten die op grond van deze verordening voor vergoeding of tegemoetkoming in aanmerking komen plaats door: a. betaling uit gemeentelijke middelen, op basis van een rechtstreeks aan de gemeente toegezonden factuur, of
b. betaling vooruit uit eigen middelen. 2. Een aanvraag om een vergoeding van de onkosten als bedoeld in dit artikel gaat vergezeld van een declaratieformulier en één of meer bewijsstukken. 3. Het declaratieformulier en de bewijsstukken als bedoeld in het tweede lid worden zo spoedig mogelijk en uiterlijk binnen twee maanden na factuurdatum of betaling door raads- of commissieleden ingediend bij de griffier. 4. Het vereiste om een bewijsstuk te overleggen als bedoeld in het tweede lid geldt niet wanneer de vergoeding een forfaitair bedrag betreft. 5. Voor zover van toepassing draagt de gemeente er zorg voor dat de betaling aan een raads- of commissielid binnen een maand na het ontvangen van een complete aanvraag plaatsvindt.
Artikel 8. Citeertitel, inwerkingtreding en intrekking oude verordening
1. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening rechtspositie raads- en commissieleden gemeente Heumen 2026. 2. Deze verordening treedt een dag na bekendmaking in werking. 3. De Verordening rechtspositie raads- en commissieleden gemeente Heumen 2019 wordt ingetrokken.
Aldus besloten door de raad van de gemeente Heumen in zijn openbare vergadering van 11 december 2025.
De griffier,
De voorzitter,
drs. M.J.H.N. Collombon
mr. J.W.M.S. Minses
Toelichting Algemeen deel
Wettelijke regelingen In de wet en nadere regelgeving zijn alle van belang zijnde onderwerpen geregeld betreffende de rechtspositie van gemeentelijke politieke ambtsdragers. In de Gemeentewet is aangegeven dat de nadere invulling van de rechtspositie van raads- en commissieleden alsmede de financiële voorzieningen moet worden geregeld bij of krachtens de wet (AMvB en ministeriële regeling). Deze nader regeling is vastgelegd in het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers. In de Rechtspositieregeling decentrale politieke ambtsdragers zijn de (onkosten)vergoedingen nader uitgewerkt.
Hoofdlijnen gemeentelijke verordening In deze verordening zijn alleen bepalingen opgenomen inzake de rechtspositie van raads- en commissieleden voor zover die niet dwingend geregeld zijn in hogere wet- en regelgeving. De grondslag hiervoor is te vinden in de Gemeentewet en het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers en de Rechtspositieregeling decentrale politieke ambtsdragers. Bij de laatste moderniserings- en harmoniseringsoperaties, betreffende de rechtspositiebesluiten voor decentrale politieke ambtsdragers, zijn er telkens een aantal bepalingen imperatief in hogere wet- en regelgeving vastgelegd. De overweging hierbij is dat het bestuurlijk wenselijk is om de voorzieningen, zoals vergoedingen, tegemoetkomingen en andere rechtspositionele aanspraken, voor decentrale politieke ambtsdragers dwingendrechtelijk in hogere wet- en regelgeving vast te leggen om politieke discussies te voorkomen. Dit betekent dat er voor gemeenten minder ruimte is om lokaal bij verordening van wettelijke regelingen af te wijken. Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties publiceert jaarlijks circulaires, waarin artikelen uit het Rechtspositiebesluit en de onderliggende Regeling
wijzigen. Deze wijzigingen kunnen van invloed zijn op de gemeentelijke verordening. Indien een gemeente besluit om bij verordening voorzieningen voor politieke ambtsdragers te regelen, zijn een aantal regels van belang. Zo is in artikel 99 Gemeentewet bepaald dat ’buiten hetgeen hun bij of krachtens de wet is toegekend’, de leden van de raad en/of door de raad ingestelde commissie (in de zin van de artikelen 82, 83 of 84 van de Gemeentewet) als zodanig geen andere vergoedingen en tegemoetkomingen ten laste van de gemeente ontvangen. Deze verordening vormt een (nadere) uitwerking van de bij of krachtens de wet toegekende vergoedingen en tegemoetkomingen.
De arbeidsverhoudingen en fiscale positie Raads- en commissieleden hebben geen dienstbetrekking bij de gemeente. De gemeente is dus niet de werkgever. Dat betekent bijvoorbeeld dat zij voor zover het betreft het raadslidmaatschap niet vallen onder de werknemersverzekeringen, zoals de Werkloosheidswet (WW), Ziektewet (ZW) en de Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (WIA). Omdat er geen sprake is van een dienstbetrekking, vallen raads- en commissieleden niet onder de Wet op de loonbelasting 1964. Hun inkomsten worden belast in de Wet inkomstenbelasting 2001. Wel kunnen raads- en commissieleden opteren voor de loonbelasting als voorheffing door samen met de gemeente te kiezen voor het fictief werknemerschap, het zogenaamde opting-in. Het fictief werknemerschap kan worden aangevraagd met behulp van een optingin verklaring bij de Belastingdienst. Als raads- en commissieleden en de gemeente niet kiezen voor het fictief werknemerschap, dan geldt dat de onkostenvergoedingen en raadsvergoeding als inkomsten moeten worden verantwoord en mogen de (beroeps)kosten die worden gemaakt worden afgetrokken. Het resultaat zal het raads- of commissielid moeten verantwoorden in de aangifte inkomstenbelasting, onder de post inkomsten uit overige werkzaamheden.
De gemeente dient jaarlijks alle betalingen en verstrekkingen voor de raadsen commissieleden, die niet als fictief werknemerschap te kwalificeren zijn,
op grond van deze verordening aan de Belastingdienst doorgeven middels een formulier IB-47. Daar raads- en commissieleden op persoonlijke titel worden gekozen, zijn zij niet aan te merken als (fiscaal) ondernemer. Er hoeft dan ook geen VARverklaring / Modelovereenkomst ZZP overgelegd te worden aan de gemeente. De Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (Appa) is niet van toepassing op raads- en commissieleden.
Artikelgewijze toelichting
Artikel 1 Begripsomschrijvingen Dit artikel spreekt voor zich.
Artikel 2 Toelage raadslid voor lidmaatschap onderzoekscommissie Dit artikel ziet op de toelage voor een raadslid die lid is van een zogenaamde ‘zware commissie’. Hiermee wordt in dit geval gedoeld op de onderzoekscommissie als bedoeld in artikel 155a, derde lid van de Gemeentewet. Een voorbeeld van een andere ‘zware commissie’ is de vertrouwenscommissie. De vaststelling dat er sprake is van een dergelijke bijzondere commissie, met deze financiële gevolgen, moet bij verordening plaatsvinden. Daarbij moet gemotiveerd worden dat het lidmaatschap van deze commissies duidelijk meerwerk is naast het reguliere lidmaatschap van de gemeenteraad. Voor de hoogte van de toelage voor het werk in zware commissies wordt onderscheid gemaakt tussen de verschillende commissies. In het geval van de onderzoekscommissie bepaalt artikel 3.1.3 van het Rechtspositiebesluit dat aan een raadslid dat lid is van een dergelijke commissie voor de duur van de activiteiten van die commissie ten laste van de gemeente een toelage wordt toegekend, waarvan de hoogte bij verordening wordt bepaald, maar die per jaar ten hoogste driemaal de maandelijkse vergoeding voor de werkzaamheden, bedoeld in artikel 3.1.1,
eerste lid, van het Rechtspositiebesluit bedraagt. Daarbij stelt de burgemeester de duur van de activiteiten vast. Een lid ontvangt derhalve niet voor de duur van het lidmaatschap, maar voor de duur van de activiteiten een toelage.
Artikel 3 Informatie- en communicatievoorzieningen Het college van burgemeester en wethouders stelt ten laste van de gemeente aan een raads- en commissielid, voor de duur van de uitoefening van zijn functie, de noodzakelijke informatie- en communicatievoorzieningen ter beschikking. Onder informatie- en communicatievoorzieningen wordt ook verstaan een smartphone, een computer en de daarbij behorende (internet)abonnementen. Er mag slechts één computer verstrekt worden. Een computer is een desktop, laptop, tablet- of minicomputer. Een smartphone is niet te kwalificeren als computer. De gemeente verstrekt informatie- en communicatievoorzieningen in bruikleen aan de politieke ambtsdrager, omdat dit noodzakelijk gereedschap is voor het vervullen van de politieke functie. Het fiscale noodzakelijkheidscriterium vereist dat dit digitale gereedschap bij aftreden of ontslag weer door de ambtsdrager wordt ingeleverd bij de gemeente. Dit geeft de gemeente ook de mogelijkheid om dit ICT-middel te schonen. Als het middel is geschoond, dan is het aan de gemeente of het dit desbetreffende ICT-middel wil hergebruiken. Politieke ambtsdragers wordt door de gemeente niet de mogelijkheid geboden om het ICT-middel over te nemen.
Artikel 4 Nadere regels niet-partijpolitiek georiënteerde scholing Voor raads- en commissieleden is expliciet bepaald dat de kosten voor nietpartijpolitiek georiënteerde functionele scholing, zoals deelname aan congressen en opleidingen, ten laste kunnen worden gebracht van de gemeente. Partijpolitieke scholing komt niet voor vergoeding door de gemeente in aanmerking. De inhoud van de scholing is bepalend of deze al
dan niet partijpolitiek georiënteerd is. Wanneer scholing verzorgd wordt door een politieke partij betekent dat niet automatisch dat die scholing partijpolitiek georiënteerd is. Om in aanmerking te komen voor vergoeding van de scholingskosten, moet gemotiveerd worden dat het gaat om functiegerichte scholing. Scholing is functiegericht als zij beoogt de voor de functie benodigde vakkennis en vaardigheden te verwerven dan wel actueel te houden. Scholing is partijpolitiek georiënteerd als zij geheel of gedeeltelijk tot doel heeft betrokkene op te leiden in het gedachtegoed van de desbetreffende partij. Overigens kan de gemeente ook zelf dit soort scholing (laten) verzorgen. Ook die kosten komen ten laste van de gemeente. Het beoordelen en fiatteren van scholingsaanvragen wordt gemandateerd aan de griffier.
Artikel 5 Aanwijzing als eindheffingsbestanddeel In het kader van de werkkostenregeling op grond van artikel 31 van de Wet op de Loonbelasting 1964 zijn een aantal vergoedingen in het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers en de verordening aangewezen als eindheffingsbestanddeel. De gemeente draagt in dat geval de loonbelasting, waardoor de vergoeding belastingvrij (netto) aan de politieke ambtsdrager kan worden overgemaakt. Anders worden deze door de Belastingdienst als loon gezien en moet hierover bij de politieke ambtsdragers loonbelasting worden ingehouden. In het kader van de werkkostenregeling kan in de financiële administratie worden aangegeven of een verstrekking of vergoeding onder de gerichte vrijstellingen, intermediaire kosten of onder de nihil-waarderingen valt. Gemeenten mogen daarnaast een verstrekking of vergoeding in de vrije ruimte - tot 1,2% fiscale loonsom - onderbrengen zonder fiscale consequenties. Indien de grens van 1,2% wordt overschreden, zal de gemeente 80% eindheffing moeten betalen.
Artikel 6 Betaling vaste vergoedingen commissieleden
Het Rechtspositiebesluit en de Rechtspositieregeling regelen wanneer vergoedingen betaald moeten worden aan commissieleden. Daar waar geen expliciete termijn is genoemd, kan dit artikel uitkomst bieden. Het tweede lid is bedoeld om onduidelijkheid over wat onder het bijwonen van een vergadering moet worden verstaan te voorkomen.
Artikel 7 Betaling en declaratie van onkosten De betaling van onkosten kan worden voorgeschoten uit eigen middelen, later gedeclareerd worden of de factuur wordt rechtstreeks naar de gemeente verstuurd. Hierbij gaat de voorkeur uit naar rechtstreeks facturering bij de gemeente. Een factuur moet daarbij wel aan de gemeente geadresseerd zijn. Het verdient aanbeveling dat het college een formulier vaststelt, waarmee raads- en commissieleden gemaakte onkosten kunnen verantwoorden. Raads- en commissieleden declareren in beginsel hun kosten bij de griffier. Het vereiste om bewijsstukken te overleggen geldt niet wanneer de vergoeding een forfaitair bedrag betreft.
Artikel 8 Citeertitel, inwerkingtreding en intrekking oude verordening Dit artikel spreekt voor zich.