CConstaterende datHeumen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage I Verordening onroerende-zaakbelasting 2024

Raad 14 december 2023, gemeente HeumenBij agendapunt: Vaststellen belastingverordeningen 20241.548 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Verordening onroerende-

zaakbelasting gemeente Heumen 2024

Verordening onroerende-zaakbelastingen De raad van de gemeente Heumen;

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 7 november 2023; gelet op de artikelen 220 tot en met 220h van de Gemeentewet;

gezien het advies van de commissie Bestuur en Samenleving van 7 december 2023; besluit vast te stellen de volgende verordening:

Verordening op de heffing en de invordering van onroerende-zaakbelastingen gemeente Heumen 2024 (Verordening onroerende-zaakbelastingen gemeente Heumen 2024).

Artikel 1 Belastbaar feit en belastingplicht 1

Onder de naam 'onroerende-zaakbelastingen' worden voor binnen de

gemeente gelegen onroerende zaken twee directe belastingen geheven: a

een belasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar een onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot woning dient, al dan niet

krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt, b

2

verder te noemen: gebruikersbelasting;

een belasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar van een onroerende zaak het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, verder te noemen: eigenarenbelasting.

Bij de gebruikersbelasting wordt: a

gebruik door degene aan wie een deel van een onroerende zaak in gebruik is gegeven (verder: de gebruiker), aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven (verder: de

gebruikgever); de gebruikgever is bevoegd de belasting als zodanig te b

verhalen op de gebruiker;

het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor volgtijdig

gebruik aangemerkt als gebruik door degene die die onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld; degene die de onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld is bevoegd de belasting als zodanig te

3

verhalen op degene aan wie die zaak ter beschikking is gesteld.

Met betrekking tot de eigenarenbelasting wordt als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het kalenderjaar als zodanig in de kadastrale registratie is vermeld, tenzij

blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.

Artikel 2 Voorwerp van de belasting 1 2 3

Voorwerp van de belasting is een onroerende zaak.

Als onroerende zaak wordt aangemerkt de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken.

Een onroerende zaak dient in hoofdzaak tot woning indien de waarde die op grond van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken is

vastgesteld voor die onroerende zaak in hoofdzaak kan worden toegerekend aan delen van die onroerende zaak die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden. Artikel 3 Maatstaf van heffing 1

2

De heffingsmaatstaf is de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor de onroerende zaak vastgestelde waarde voor het kalenderjaar bedoeld in artikel 1.

Als voor een onroerende zaak geen waarde is vastgesteld op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken wordt de

heffingsmaatstaf van die onroerende zaak bepaald met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18 en 20, tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken. Artikel 4 Vrijstellingen 1

In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de

heffingsmaatstaf buiten aanmerking gelaten, voor zover dit niet reeds is

geschied bij de bepaling van de in dat artikel bedoelde waarde, de waarde van:

a

ten behoeve van de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde

cultuurgrond, daaronder mede begrepen de open grond, alsmede de ondergrond van glasopstanden, die bedrijfsmatig aangewend wordt

voor de kweek of teelt van gewassen, zonder daarbij de ondergrond b

c

als voedingsbodem te gebruiken;

glasopstanden, die bedrijfsmatig worden aangewend voor de kweek of teelt van gewassen, voor zover de ondergrond daarvan bestaat uit de in onderdeel a bedoelde grond;

onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare

eredienst of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard, een en ander met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning;

d

één of meer onroerende zaken die deel uitmaken van een op de voet

van de Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed dat voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikel 8 van het Rangschikkingsbesluit

Natuurschoonwet 1928, met uitzondering van de daarop voorkomende e

gebouwde eigendommen;

natuurterreinen, waaronder mede worden verstaan duinen,

heidevelden, zandverstuivingen, moerassen en plassen, die door rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid welke zich

uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het behoud van natuurschoon ten f g

doel stellen, beheerd worden;

openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per rail, een en ander met inbegrip van kunstwerken;

waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke

rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken h

die dienen als woning;

werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander

afvalwater en die worden beheerd door organen, instellingen of

diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van i

de delen van zodanige werken die dienen als woning;

werktuigen die van een onroerende zaak kunnen worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis aan die werktuigen wordt

toegebracht en die niet op zichzelf als gebouwde eigendommen zijn j

aan te merken;

onroerende zaken voor zover die bestemd zijn te worden gebruikt

voor de publieke dienst van de gemeente, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die bestemd zijn te worden gebruikt

k

voor het geven van onderwijs;

straatmeubilair, waaronder begrepen alle zodanige gebouwde

eigendommen - niet zijnde gebouwen - welke zijn geplaatst voor het belang van het publiek, ten dienste van het verkeer of ter verfraaiing van de gemeente, zoals lichtmasten, verkeersinstallaties,

standbeelden, monumenten, fonteinen, banken, abri's, hekken en l

palen;

plantsoenen, parken en waterpartijen, die bij de gemeente in beheer zijn of waarvan de gemeente het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning;

m begraafplaatsen, urnentuinen en crematoria, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning.

2

De vrijstelling met betrekking tot de in onderdeel j van het eerste lid

bedoelde onroerende zaken voor de eigenarenbelasting geldt niet voor zover

de gemeente van die zaken niet het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht.

3

In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de

heffingsmaatstaf voor de gebruikersbelasting buiten aanmerking gelaten de waarde van gedeelten van de onroerende zaak die in hoofdzaak tot woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden.

Artikel 5 Belastingtarieven 1

Het tarief van de belasting bedraagt een percentage van de heffingsmaatstaf.

a

b

Het percentage bedraagt voor:

de gebruikersbelasting: 0,2854%;

1 2

2

de eigenarenbelasting:

voor onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen 0,1195%

voor onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen 0,3704%

Voor belastingbedragen tot € 5,00 wordt geen belasting geheven. Voor de toepassing van de vorige volzin wordt het totaal van op een aanslagbiljet

verenigde verschuldigde bedragen onroerende-zaakbelastingen of andere heffingen aangemerkt als één belastingbedrag. Artikel 6 Wijze van heffing

De belastingen worden bij wege van aanslag geheven.

Artikel 7 Termijnen van betaling 1

2

In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald uiterlijk twee maanden na de dagtekening van het aanslagbiljet.

In afwijking van het eerste lid geldt, -in geval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen meer bedraagt dan € 45,00 met een maximum van € 3.000,00 en een machtiging is afgegeven voor het automatisch incasseren van het verschuldigde bedrag-, dat: a

aanslagen, waarvan de dagtekening ligt tussen 1 januari en 1 oktober van het belastingjaar waarop ze betrekking hebben, worden

geïncasseerd in zoveel gelijke termijnen als er na de maand van

dagtekening van het aanslagbiljet nog maanden in het belastingjaar b

overblijven met een maximum van acht;

aanslagen, waarvan de dagtekening ligt na 30 september van het

belastingjaar waarop ze betrekking hebben worden geïncasseerd in drie gelijke termijnen.

Bij het van toepassing zijn van het vorenstaande vervalt de eerste

incassotermijn een maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en 3

elk van de volgende termijnen telkens een maand later.

In afwijking van het eerste lid geldt, voor aanslagen waarvan het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen €45,00 of minder bedraagt en een machtiging is afgegeven voor het automatisch incasseren van het

verschuldigde bedrag, dat het totaalbedrag van de aanslag in één keer wordt 4

5

geïncasseerd twee maanden na de dagtekening van het aanslagbiljet.

Voor aanslagen, waarvan het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet

verenigde aanslagen meer bedraagt dan € 3.000,00 is geen automatische incasso mogelijk en is de betalingstermijn als onder lid 1 van toepassing.

De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in voorgaande leden gestelde termijnen.

Artikel 8 Overgangsrecht

De Verordening onroerende zaakbelastingen 2023 van 15 december 2022, wordt

ingetrokken met ingang van de in artikel 9, tweede lid, genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. Artikel 9 Inwerkingtreding 1

Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van

2

De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2024.

de bekendmaking.

Artikel 10 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als 'Verordening onroerende-zaakbelastingen gemeente Heumen 2024'.

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 14 december 2023

drs. M.J.H.N. Collombon Griffier

mr. J.W.M.S. Minses Voorzitter

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13603989/1