Bijlage I vast te stellen bestemmingsplan - toelichting
Tekst van het document
Inrichting natuur op eigen grond Natuurontwikkeling Worsumsche Broek Toelichting
Opdrachtgever Staatsbosbeheer Provincie Gelderland Augustus 2022
Titel
:
Inrichting natuur op eigen grond
Subtitel
:
Natuurontwikkeling Worsumsche Broek Ruimtelijke onderbouwing
IMRO-identificatiecode
:
NL.IMRO.0252.BUbpWorsumscheBroek-OW01
Versie
:
0.7
Status
:
Concept
Datum uitgave
:
22 augustus 2022
Opdrachtgever
:
Provincie Gelderland - de heer J. Kroon Staatsbosbeheer – de heer T. Wijers
Samensteller
:
Ing. J. (José) ten Ham
Akkoord voor uitgave
:
Ing. J. (Jan) Heinen, projectleider
Paraaf
:
Kantoorboerderij Rustenburg Lekdijk 15 | 4121 KG Everdingen www.bwz-ingenieurs.nl
Ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel te Tiel onder nr. 30232690
Inhoud Inhoud ........................................................................................................................... 2 1
Inleiding ............................................................................................................... 3
2
Beschrijving van het plangebied ............................................................................ 4 2.1 Ligging en begrenzing ........................................................................................... 4 2.2 Vigerend planologisch regime .............................................................................. 4 2.3 Toekomstige situatie ............................................................................................ 6 2.4 Ruimtelijke en stedenbouwkundige effecten....................................................... 7
3
Beleidskader......................................................................................................... 9 3.1 Rijksbeleid ............................................................................................................. 9 3.2 Provinciaal beleid................................................................................................ 10 3.3 Gemeentelijk beleid............................................................................................ 13
4
Onderzoek .......................................................................................................... 16 4.1 Bodem................................................................................................................. 16 4.2 Archeologie en cultuurhistorie ........................................................................... 18 4.3 Ecologie............................................................................................................... 20 4.4 Geluid.................................................................................................................. 22 4.5 Luchtkwaliteit ..................................................................................................... 22 4.6 Externe veiligheid ............................................................................................... 22 4.7 Verkeer en parkeren ........................................................................................... 23 4.8 Leidingen en infrastructuur ................................................................................ 23 4.9 Bedrijven en milieuzonering ............................................................................... 23 4.10 Water ................................................................................................................
24 4.11 Vormvrije m.e.r.-beoordeling ........................................................................... 28
5
Juridische aspecten............................................................................................. 30 5.1 Inleidende regels ................................................................................................ 30 5.2 Bestemmingsregels............................................................................................. 30 5.3 Algemene regels ................................................................................................. 31 5.4 Overgangs- en slotregels .................................................................................... 32
6
Uitvoerbaarheid ................................................................................................. 33 6.1 Economische uitvoerbaarheid ............................................................................ 33 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ..................................................................... 33
Bijlagen........................................................................................................................ 35 2
1
Inleiding Staatsbosbeheer en Provincie Gelderland hebben het voornemen een aantal percelen in de Worsumsche Broek, gemeente Heumen, om te vormen naar natuur. Het plangebied vormt een schakel in de EVZ tussen het Vennengebied (zuid) en de stuwwal (noord). Met het beheer en de aanleg van nieuwe natuur zorgen Provincie en Staatsbosbeheer voor het versterken van de bestaande natuurwaarden. De meeste percelen binnen het plangebied hebben binnen het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied Heumen’ de bestemming Agrarisch met waarden – Landschap en natuur. De ontwikkelingen passen binnen deze bestemming. Om de natuurwaarden in de toekomst zeker te stellen is wijziging naar de bestemming Natuur door middel van een nieuw postzegelbestemmingsplan gewenst. Voorliggende rapportage dient ter onderbouwing voor de bestemmingsplanwijziging. De Worsumsche Broek, een open en laag gelegen graslandgebied op Oude maasklei, ligt ten noordoosten van Overasselt, naast de A73. In totaal omvat het plangebied circa 30 hectare. Figuur 1-1 geeft de ligging van het plangebied weer.
Figuur 1-1 Ligging plangebied
3
2 2.1
Beschrijving van het plangebied Ligging en begrenzing
Het plangebied bestaat uit gras- en akkerland met een totale oppervlakte van 29,9 hectare. De percelen zijn grotendeels in eigendom van Staatsbosbeheer en de provincie Gelderland. Het plangebied ligt in kleinschalig agrarisch gebied met verspreid liggende boerderijen, akkers, buurtschappen, houtsingels en bosschages. Dwars door het plangebied loopt een hoogspanningsleiding. Alle percelen liggen binnen het Gelders Natuurnetwerk. Ten westen van het plangebied ligt het natuurgebied Hatertse en Overasseltse Vennen. De percelen ten zuiden van de A73 worden begrensd door de Parksesteeg, het perceel ten noorden van de A73 door de Burchtselaan. Het plangebied wordt verder begrensd door particuliere percelen, op een aantal percelen zijn woonhuizen aanwezig. In Figuur 2-1 is de begrenzing van het plangebied weergegeven.
Figuur 2-1 Begrenzing plangebied
2.2
Vigerend planologisch regime
De bestemmingen van de percelen zijn planologisch geregeld in het Bestemmingsplan Buitengebied Heumen 2009 (vastgesteld 2010-12-16). Met uitzondering van perceel G69 hebben de percelen de bestemming Agrarisch met waarden – Landschap en natuur. 4
Perceel G69 heeft reeds de bestemming Natuur. Daarnaast gelden er binnen het plangebied de dubbelbestemmingen Waarde – Actiegebied vennen, Waarde – Archeologische verwachting 1 en 2, Leiding – Hoogspanningsverbinding. Voor de percelen ten zuiden van de A73 geldt de Gebiedsaanduiding ehs natuur, thans Gelders Natuurnetwerk. De bestemmingen zijn weergegeven in Figuur 2-2. De voorgenomen ontwikkelingen passen binnen de huidige bestemming Agrarisch met waarden. Om de natuurwaarden in de toekomst zeker te stellen is wijziging naar de bestemming Natuur door middel van een nieuw postzegelbestemmingsplan gewenst.
Figuur 2-2 Uitsnede uit bestemmingsplan Buitengebied Heumen 2009
5
2.3
Toekomstige situatie
Bij de herinrichting van het plangebied zijn de volgende doelen en randvoorwaarden als uitgangspunt gehanteerd: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9.
Creëren van natuurtypen van hoge waarde; Een gunstig effect op de waterhuishouding in het naastgelegen Vennengebied; Creëren van leefgebieden of ecologische verbindingen voor zeldzame soorten; Aanleg van nieuw bos; In harmonie met cultuurhistorie qua historisch landgebruik en lijnen; Attractief natuur & landschap met mogelijkheden om te wandelen; Geluidwering van snelweg A73 richting van het Vennengebied; Inpassing cultuur- en civieltechnische aspecten; Goede beheerbaarheid.
In het ontwerp is rekening gehouden met de geohydrologische kenmerken van het gebied, de maaiveldhoogtes en de bestaande infrastructuur. Door het slootpeil te verhogen in het winterhalfjaar, het aanleggen, verondiepen en/of dempen van watergangen vernat het gebied. Om de groei van grondwater gevoede vegetatie (N10.02 Vochtig hooiland) te stimuleren worden een aantal vlakken ontdaan van de onder maaiveld gelegen scheidende kleilaag. Naast deze hydrologische maatregelen worden landschapsversterkende maatregelen ingezet. Deze maatregelen bestaan uit het aanplanten van nieuwe bossen op de laaggelegen delen en het omvormen van het grasland naar Kruiden- en faunarijk grasland op de hoger gelegen delen. Hierbij wordt gestreefd naar de natuurdoeltypen N14.03 Haagbeuken-essenbos en N12.02 – Kruiden- en faunarijk grasland. De grond die vrijkomt bij het afgraven van het maaiveld wordt binnen het gebied verwerkt als geluidswerende aarden boswal langs de A73. Deze wal heeft een hoogte van gemiddeld 1 meter en volgt de natuurlijke, noordwest georiënteerde hoogteligging van het plangebied. Met de herinrichting ontstaat een aantrekkelijk mozaïek van vochtige bossen en bloemrijk grasland met Glanshaververbond-kenmerken (Arhenaterion) ( (Smeding Advies, 2021). De graslanden worden deels beheerd door schapenbegrazing en het gebied wordt beperkt opengesteld voor wandelaars.
In Figuur 2-3 is het ontwerp weergegeven.
6
Figuur 2-3 Inrichting plangebied met natuurdoeltypen
2.4
Ruimtelijke en stedenbouwkundige effecten
De percelen maken deel uit van het Gelders Natuurnetwerk. Een deel van de percelen valt binnen de dubbelbestemming Waarde – Actiegebied Vennen en zijn mede bestemd voor water voor landbouw en kwelafhankelijke landnatuur. Binnen het plangebied en haar hydrologische beïnvloedingsgebied bevindt zich geen hoogproductieve landbouw. Voor zover er een relatie is met landbouw, wordt er in het projectgebied in het winterhalfjaar water vastgehouden waar agrarische productie geen profijt van heeft. Het water dat relevant is voor landbouw bevindt zich in het eerste watervoerende pakket, onder de bovenop gelegen kleilaag. Dit pakket wordt door het waterschap geïnfiltreerd met water uit het Maas-Waal kanaal. Het regenwateroverschot vanuit het projectgebied heeft in de zomer geen toegevoegde waarde en optimaliseren van deze betekenis is niet zinvol. Er is in beperkte mate gekozen voor kwelafhankelijke landnatuur. Om de bestemming ‘kwelafhankelijke natuur’ te realiseren moet de bovenste meter kleigrond van het onderliggende zand worden afgegraven. Door het verwijderen van de klei en het verlagen van het maaiveld kan kwel het maaiveld bereiken. De stijghoogte van het eerste watervoerende pakket bereikt dan de oppervlakte op goede momenten in het jaar. Het wegnemen van de kleilaag om deze kwel te realiseren zou echter leiden tot een verdroging van het naastliggende Vennengebied.
Ook brengt het verwijderen van deze toplaag grote kosten met zich mee en wordt de oorspronkelijke geomorfologie aangetast. Op basis van deze argumenten is ervoor gekozen om op een gericht gekozen, relatief kleine oppervlakte kwelafhankelijke natuur te creëren. Deze oppervlakte ligt op ‘veilige’ c.q. ruime afstand van het Vennengebied; Naast de A73, waar de afdekkende kleilaag 7
reeds doorbroken is, wordt op een selectief gekozen oppervlakte de kleilaag verwijderd zodat hier kwelnatuur kan ontwikkelen. Nabijgelegen woningen en (agrarische) bedrijven worden door de natuurontwikkeling niet belemmerd in hun bedrijfsvoerings- en ontwikkelingsmogelijkheden. Nadelige effecten worden voorkomen door het waarborgen van voldoende drooglegging en behoud van de waterafvoerfunctie van de watergangen. Conclusie Het plan heeft zowel op korte als op (middel)lange termijn positieve ruimtelijke effecten voor de omgeving.
8
3
Beleidskader
3.1
Rijksbeleid
3.1.1
Nationale Omgevingsvisie (vastgesteld 2020-09-11) Ter voorbereiding op de nieuwe Omgevingswet (verwachte inwerkingtreding 1 januari 2023) heeft de Rijksoverheid de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) uitgewerkt. Met de NOVI geeft het kabinet richting aan grote opgaven waardoor Nederland de komende 30 jaar verandert. In de Novi zijn de maatschappelijke opgaven samengevat in 4 prioriteiten: 1. 2. 3. 4.
ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio’s; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
De ontwikkeling van het plangebied naar natuur geeft invulling aan de 4e prioriteit: een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De percelen ten zuiden van de A73 maken reeds deel uit van het Gelders Natuurnetwerk en aangrenzende percelen zijn reeds natuurlijk ingericht. Conclusie Door de omvorming van het plangebied naar nieuwe natuur worden leefgebieden voor flora- en faunasoorten uitgebreid en verbonden, waardoor de mogelijkheden voor floraen faunasoorten om zich te kunnen verplaatsen worden vergroot. De herinrichting voldoet hiermee aan de 4e prioriteit binnen de NOVI. 3.1.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) (2011) Het Barro omvat alle ruimtelijke rijksbelangen die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, nationale landschappen, het Natuurnetwerk Nederland, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee. Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen. In het Barro is onder andere bepaald dat bij provinciale verordening de gebieden worden aangewezen die het Natuurnetwerk Nederland (NNN) vormen. De provincie Gelderland heeft hieraan gevolg gegeven in de Omgevingsverordening Gelderland, waarin het grootste deel van het plangebied deel uitmaakt van het Gelders Natuurnetwerk. Conclusie Ontwikkeling naar natuur versterkt de aanwezige natuurwaarden en is niet in strijd met de beleidsregels.
9
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1
Omgevingsvisie Gaaf Gelderland/Omgevingsverordening Gelderland In de Omgevingswet staat dat provincies en gemeenten een kijk en mening moeten hebben over de manier waarop ze de ruimte en omgeving willen gebruiken en beschermen: een omgevingsvisie. De provincie Gelderland heeft dit gedaan in de omgevingsvisie Gaaf Gelderland. De onderwerpen uit deze visie zijn vastgelegd in de Omgevingsverordening Gelderland (maart 2021). In de Omgevingsverordening is vastgelegd welke gebieden vanuit Nederlandse wetgeving worden beschermd. Gelders Natuurnetwerk Onderdeel van de beschermde gebieden in de Omgevingsverordening is het Gelders Natuurnetwerk (GNN). Het GNN betreft een netwerk aan gebieden en verbindingszones die samen één geheel vormen en de Gelderse natuurgebieden verbinden. Het GNN is verankerd in de bestemmingsplannen waarin de regels uit de provinciale Omgevingsverordening Gelderland zijn verwerkt. In Figuur 3-1 is de ligging van het plangebied binnen het GNN weergegeven.
Figuur 3-1 Ligging plangebied (rood omlijnd) ten opzichte van Gelders Natuurnetwerk (dondergroen) en Groene Ontwikkelingszone (lichtgroen). Weidevogelgebieden liggen buiten de kaart. (bron: Omgevingsverordening Gelderland, februari 2022)
Het ruimtelijke beleid voor het GNN kent het “nee, tenzij” principe wat inhoudt dat ruimtelijke ontwikkelingen binnen het GNN niet zijn toegestaan tenzij deze geen schadelijke effecten op de aanwezige (natuur)waarden hebben. Deze waarden zijn vastgelegd als de “wezenlijke kenmerken en waarden” van het GNN. Conclusie 10
Door het plangebied van agrarisch grasland om te vormen naar natuur wordt invulling gegeven aan het GNN waardoor kernkwaliteiten, oppervlakte en samenhang van het netwerk worden versterkt. De omvorming van de percelen in combinatie met de eerdere omvorming van nabijgelegen percelen geven inhoud aan de bufferzone aan de noordkant van de Hatertse en Overasseltse Vennen. Natuurbeheerplan 2022 In het Natuurbeheerplan 2022 heeft de provincie haar ambities vastgelegd voor bestaande en nieuw te ontwikkelen natuur binnen het GNN. In Figuur 3-2 is de ligging van het plangebied binnen het Natuurbeheerplan weergegeven. De plannen voor het gebied van de broeken, waaronder de Worsumsche broek, zijn tot dusver sterk gericht op het handhaven van het open landschap met als doelstelling daarin vooral waardevolle graslandtypen te ontwikkelen. Daarnaast zijn de plannen gericht op het creëren van een ecologische verbinding (EVZ) tussen het Vennengebied en de stuwwal als onderdeel van de EVZ Heumen-Horssen. Vanuit deze wens spelen biotopen als hagen en kleine bossen een rol, onder andere voor dieren als de Das, die dekking behoeven. Het plangebied ligt in de zone van de geplande EVZ.
Figuur 3-2 Natuurbeheerplan 2022 (Bron: Natuurbeheerplan Provincie Gelderland)
11
Uit de analyse van het plangebied in samenhang met de hydrologie van het Vennengebied, blijkt dat het creëren van grote oppervlakten kwelafhankelijke vegetaties (N10.02 Vochtig hooiland of N10.01 Nat schraalland) niet wenselijk is. Dit zou de Vennen uitdrogen. De hydrologische onderbouwing hiervoor is verder uitgewerkt in paragraaf 4.10. Een ander relatief waardevol type grasland is N12.03 Glanshaverhooiland. Indicatoren van dit type komen in de Worsumsche broek verspreid voor. De potentie voor N12.03 is echter niet hoog omdat de Oude rivierklei meestal weinig kalkrijk is. Daarnaast is het landschap van nature vrij vlak en vertoont weinig gradiënten. Ook is de ontwikkeltijd van N12.03 relatief lang als gevolg van langdurig gebruik als bouwland en (vrij) hoge bemesting door het agrarische gebruik. Op basis van het bovenstaande is in het ontwerp voor de Worsumsche broek de keuze gemaakt voor een mix van bos en open landschap. Het patroon van vochtig bos (N14.03) en gras (N12.02) houdt rekening met verschillen in reliëf en ondergrond. Grasland komt op de relatief hoge delen, bos op de relatief lage delen. Het toepassen van dit patroon leidt tot een gevarieerde indeling van de percelen. Voor het perceel aan de overzijde van de A73 is in het Natuurbeheerplan het natuurtype N16.03 Droog bos met productie opgenomen. Deze keuze is echter pragmatisch ingegeven.
Zonder de geplande herinrichting zou het perceel de huidige agrarisch gerichte ontwatering behouden en is droog bos te verwachten. Herinrichting en toekomstig beheer zorgen voor enige vernatting, waardoor een vochtig bos (N14.03) passend en mogelijk is. Dit natuurdoeltype is waardevoller dan het doeltype N16.03. Conclusie Met de herinrichting worden de bestaande natuurwaarden binnen het plangebied verhoogd en wordt nieuwe natuur ontwikkeld. De bosontwikkeling draagt bij aan de ecologische verbinding Vennen-stuwwal. Hiermee wordt voldaan aan de doelstelling van het Natuurbeheerplan. Groene ontwikkelingszone en Weidevogelgebieden Naast het GNN kunnen provincies gebieden planologisch beschermen. In de provincie Gelderland betreft dit Weidevogelgebieden en Groene ontwikkelingszones (GO). Het dichtstbijzijnde Weidevogelgebied de Meilanden bevindt zich op een afstand van 14 kilometer ten noorden van het plangebied. Conclusie Het plangebied ligt niet binnen de GO. Op basis van de ruime afstand van het plangebied tot aangewezen Weidevogelgebieden vallen negatieve effecten als gevolg van de herinrichting op dergelijke gebieden op voorhand uit te sluiten. Afwijkruimte bij windturbines Naast onderdeel van het Gelders Natuurnetwerk is het plangebied in de Omgevingsverordening aangewezen als afwijkruimte windturbines (Figuur 3-3).
Binnen deze zone kan een bestemmingsplan het bouwen van windturbines onder voorwaarden toestaan. In het plangebied is echter een bovengrondse hoogspanningsleiding aanwezig, 12
waardoor plaatsing van windturbines in de directe nabijheid van het plangebied niet logisch en wenselijk is.
Figuur 3-3 Ligging plangebied (rood omlijnd) binnen de afwijkruimte bij windturbines (Bron: Omgevingsverordening provincie Gelderland, februari 2022)
Conclusie Door de aanwezigheid van een bovengrondse hoogspanningsleiding is het niet mogelijk windturbines in het plangebied te realiseren. De voorgenomen ontwikkelingen staan de mogelijke plaatsing van windturbines in de wijdere omgeving niet in de weg.
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1
Structuurvisie Heumen 2025 De Structuurvisie Heumen 2025 geeft een beeld hoe de gemeente zich in de toekomst (tot 2025) ruimtelijk denkt te ontwikkelen. De Structuurvisie geeft het kader aan waarbinnen deze ontwikkeling plaats dient te vinden. Nieuwe bestemmingsplannen moeten inhoudelijk passen binnen de visie van de Structuurvisie. Het gebied ligt binnen de Structuurvisie in de Teerse Sluispolder. Het is een overwegend agrarisch gebied dat een schakel vormt tussen de natuur- en recreatiegebieden van de stuwwal en de vennen. Landbouw en ontwikkeling van natuur en landschap in de ecologische verbindingszone behoren tot de belangrijkste waarden voor het gebied. De gemeente heeft voor het gebied onder andere de ambitie invulling te geven aan de landelijke en groene uitstraling van de gemeente. Het versterken van de ecologische 13
structuur ten westen van de A73 draagt bij aan de ecologische verbinding tussen vennengebied en Heumensoord. Omgevingsvisie – Ansichtkaart van Heumen (2020) Als onderdeel van de nieuwe Omgevingswet (geplande inwerkingtreding 1 januari 2023) werkt de gemeente Heumen aan een Omgevingsvisie. Ter voorbereiding hierop heeft de gemeente een ‘Ansichtkaart’ uitgewerkt, die laat zien welke elementen in de fysieke leefomgeving de gemeente haar huidige identiteit en karakter geven. Hieruit ontstaan mogelijke opgaven voor de toekomst. Binnen de Teerse Sluispolder is voor het plangebied het beleid gericht op natuur- en landschapsontwikkeling ten behoeve van de ontwikkeling en versterking van de ecologische verbindingszone. In Figuur 3-4 is de Ansichtkaart weergegeven.
Figuur 3-4 Ansichtkaart van Heumen
Koersdocument Ruimtelijke visie Duurzame Energie – Gebiedsplan Energielandschap A73 Om de inhoudelijke koers voor de Omgevingsvisie te bepalen heeft de gemeente Heumen onder andere het Koersdocument Ruimtelijke visie Duurzame Energie opgesteld. Binnen dit koersdocument is in het Gebiedsplan Energielandschap A73 het gebied tussen het Maas-Waalkanaal en de A73, op de Ansichtkaart aangegeven als ‘vergeten landschap’ aangewezen als geschikte locatie voor het opwekken van duurzame energie in de vorm van een zonnepark. In Figuur 3-5 is de ligging van het Energielandschap weergegeven. 14
Figuur 3-5 Begrenzing Energielandschap A73 (groen omlijnd) en ligging van het plangebied (rood omlijnd)
Conclusie De ontwikkeling van het plangebied draagt bij aan het versterken van de ecologische structuur en de landelijke en groene uitstraling van de gemeente Heumen. Het door de gemeente Heumen beoogde Energielandschap valt buiten het plangebied en is niet van invloed op de natuurontwikkeling in de Worsumsche Broek. Voor wat betreft gemeentelijk beleid zijn er geen belemmeringen voor de realisatie van het plan.
15
4
Onderzoek Bij de realisatie van de voorgenomen ontwikkeling dient rekening te worden gehouden met (milieu-)invloeden vanuit de omgeving op de ontwikkeling zelf en met invloeden vanuit de ontwikkeling op de omgeving. De milieuaspecten bodem, geluid, lucht, externe veiligheid en milieuzonering worden hieronder beschreven. Ook wordt ingegaan op de aspecten archeologie en cultuurhistorie, ecologie, waterhuishouding en verkeer.
4.1
Bodem
Bij een bestemmingswijziging dient aangetoond te worden dat de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik. Het gaat er dan vooral om gevoelige bestemmingen (zoals woningen) niet te vestigen op verontreinigde grond. Natuurdoeltypen Met de ontwikkeling naar natuur is er geen sprake van gevoelige bestemmingen. Wel is het van belang dat de voorgestelde natuurontwikkeling op de gronden mogelijk is. Het betreft een agrarisch gebied dat wordt ingericht naar nieuwe natuur. In het ontwerp is rekening gehouden met de bodemgesteldheid door bossen te situeren in relatief vochtige kommen (N14.03) en de graslanden op de relatief droge stroomgordels (N12.02). Lokaal wordt maaiveld afgegraven ten behoeve van grondwater gevoede vegetaties (N10.02). Een onderbouwing voor de keuze voor deze natuurtypen is gegeven in bijlage 1 (Smeding Advies, 2021) Bodemonderzoek Het plangebied van de herinrichting en bestemmingswijziging omvat circa 30 hectare, waarbij op circa 2 tot 3 hectare afgraving zal plaatsvinden met een dikte variërend van circa 0,9 tot circa 1,2 meter. De totale hoeveelheid af te graven grond bedraagt circa 14400 m3 en bestaat uit zand en klei. De grond die wordt afgegraven, wordt binnen het plangebied weer verwerkt voor beleming/verondieping/demping van watergangen en aanleg van een boswal. Om inzicht te krijgen in de huidige bodemkwaliteit is door bodemkwaliteitsbureau Grondslag B.V.
is een vooronderzoek uitgevoerd (Grondslag B.V., 2021). Op basis van de beschikbare bodemkwaliteitskaarten (bkk) kan verwacht worden dat de bovengrond voldoet als klasse ‘Landbouw/natuur’ volgens de toetsnormen van het Besluit bodemkwaliteit. De gemiddelde gehaltes van de PFAS verbindingen volgens de bkk zijn lager dan de landelijke achtergrondwaarden. Uit historische kaarten van het plangebied kan echter herleid worden dat binnen het plangebied in het verleden watergangen (kleine sloten/greppels) aanwezig zijn geweest. Om uit te sluiten dat deze watergangen gedempt zijn met bodemvreemd materiaal is veldonderzoek uitgevoerd. De resultaten geven geen aanleiding tot aanvullend onderzoek. In verband met geplande verondieping van vijf watergangen is tevens waterbodemonderzoek uitgevoerd. Op basis van de resultaten is het slib uit alle watergangen verspreidbaar op aangrenzende percelen, met uitzondering van het slib uit watergang 2 (Figuur 4-1). Dit slib is niet verspreidbaar en niet toepasbaar en dient afgevoerd te worden naar een reiniger of stort.
16
Conclusie Bij de keuze voor natuurdoeltypen is rekening gehouden met de bodemgesteldheid. De bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor voorliggend plan.
Figuur 4-1 Watergangen waterbodemonderzoek (bron: Grondslag, 2021)
17
4.2
Archeologie en cultuurhistorie
Op de gemeentelijke archeologische waarden- en verwachtingskaart (2013) heeft de gemeente Heumen de verwachte archeologische resten binnen landschappelijke eenheden vastgelegd (Figuur 4-2). Op deze kaart heeft het grootste deel van het plangebied een lage archeologische verwachting. Verspreid door het gebied liggen een aantal zones met middelmatige verwachting. Langs de zuidwest rand ligt een zone met een ‘hoge verwachting mogelijk goede conservering’.
Figuur 4-2 Archeologische waarden-en verwachtingskaart gemeente Heumen
De gemeente Heumen heeft haar beleid omtrent de archeologische waarden vastgelegd in het bestemmingsplan Buitengebied Heumen 2009. De gebiedsdelen met een hoge verwachting hebben hierin de dubbelbestemming Waarde – Archeologische verwachting 1. De gebiedsdelen met een middelmatige verwachting hebben de dubbelbestemming Waarde – Archeologische verwachting 2. De ontwikkeling van het plangebied valt buiten 18
de in het bestemmingsplan gestelde vrijstellingen, reden waarom door Bureau voor Archeologie (BvA) een bureauonderzoek en vervolgens een verkennend booronderzoek is uitgevoerd (Bureau voor Archeologie, 2022) (bijlage 2). De conclusie uit het bureauonderzoek is dat er in het plangebied archeologische resten aanwezig kunnen zijn van bewoning uit de periode van jager-verzamelaars in de vlaktes tussen de geulen en op de rivierduinafzettingen langs de zuidrand. Archeologische bewoningsresten uit de periode van landbouwsamenlevingen en staatssamenlevingen zijn mogelijk aanwezig langs de zuidrand van het plangebied waar uitlopers van het rivierduincomplex tot in het plangebied doorlopen. In het hele plangebied kunnen archeologische resten aanwezig zijn gerelateerd aan infrastructuur, economie, infrastructuur, rituelen en begravingen. Archeologische resten kunnen direct aan het maaiveld liggen (losse vondsten). Het sporen niveau ligt onder de geploegde toplaag van circa 30 cm dik. De boringen laten zien dat het onderste pakket in het hele plangebied bestaat uit grof zand met grind. Dit zijn beddingafzettingen uit het Laat Glaciaal (Formatie van Kreftenheye). De top van deze afzettingen vormt Terras X. De top van het pakket ligt tussen 45 en 130 cm-mv, en in absolute zin tussen 835 en 671 cm NAP. Hierop ligt zandige en siltige stugge klei van de Laag van Wijchen.
In de top van de Laag van Wijchen is een bouwvoor van 20 tot 50 cm dik ontwikkeld. Ter hoogte van twee boorpunten is de bodem verstoord tot 70 cm -mv. In de hoogste delen van de riviervlakte is de kans op archeologische resten het grootst. Hierin liggen de te ontgraven vlakken 2 en 5 (Figuur 4-3). Het advies van BvA is de werkzaamheden in de vlakken 2 en 5 archeologisch te laten begeleiden en de overige vlakken vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling. De gemeente Heumen onderschrijft dit advies middels een selectiebesluit. Omdat toevalsvondsten niet uitgesloten kunnen worden dient tijdens de uitvoering voldaan te worden aan de wettelijke meldingsplicht van een archeologische toevalsvondst of waarneming, die conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet 2016 geldt. 9
6 5 4 3 2
1
Figuur 4-3 Onderzochte vlakken geprojecteerd op de archeologische waarden- en verwachtingskaart gemeente Heumen
19
Conclusie Indien de werkzaamheden worden uitgevoerd conform het selectiebesluit van de gemeente Heumen vormt het aspect archeologie geen belemmering voor voorliggend plan.
4.3
Ecologie
4.3.1
Wet natuurbescherming De Wet Natuurbescherming (Wnb) regelt de bescherming van beschermde natuurgebieden (Natura 2000) en de soortbescherming. De Wnb schrijft voor dat bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen beschreven moet worden wat de gevolgen zijn voor flora en fauna. Door Ecoresult B.V. is een quickscan uitgevoerd voor het plangebied (Ecoresult B.V., 2021). De quickscan is als bijlage 3 bij deze onderbouwing gevoegd. De conclusie uit de quickscan is hieronder samengevat. De bescherming van de Wnb is grofweg op te delen in 3 categorieën: bescherming van gebieden, bescherming van soorten en bescherming van houtopstanden. Bescherming van gebieden Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Sint Jansberg op circa 7 kilometer ten zuidoosten van het plangebied (Figuur 4-4). Dit Natura 2000-gebied kent verschillende stikstofgevoelige habitats.
Figuur 4-4 Plangebied (rode cirkel) en de nabijgelegen Natura 2000 gebieden (geel, lichtgroen en lichtblauw) en stikstofgevoelige habitats (paars) (bron: AERIUS 2021)
20
Binnen het plangebied wordt agrarisch grasland omgevormd naar natuur. De werkzaamheden bestaan voornamelijk uit diverse graafwerkzaamheden en de aanplant van bos. Met de omvorming naar natuur is er in de gebruiksfase geen structureel hogere stikstofdepositie te verwachten. Vanwege de afstand en de aard van de werkzaamheden hebben de werkzaamheden geen effect op de geldende instandhoudingsdoelstellingen voor het Natura 2000-gebied. Voor de aanlegfase geldt sinds 1 juli 2021 een partiële vrijstelling voor tijdelijke stikstofemissies die tijdens de bouw- en aanlegfase veroorzaakt worden. Natuurbouwprojecten zijn niet expliciet benoemd in de partiële vrijstelling. Gelet op het feit dat het aanleggen, veranderen en verwijderen van een werk alsmede grond-, weg- en waterbouwprojecten in de aanlegsituatie zijn vrijgesteld van stikstofvergunningplicht, kan worden afgeleid dat natuurbouw onder de partiële vrijstelling valt. Een nadere toetsing door middel van een AERIUS-berekening is dan niet noodzakelijk. Bescherming van soorten Potentieel geschikte voortplantingsplaatsen of vaste rust- en verblijfplaatsen en essentieel leefgebied van soorten met jaarrond beschermde nesten zijn in het plangebied afwezig. Het plangebied is ongeschikt voor vaste rust- en verblijfplaatsen van vogels met niet-jaarrond beschermde nesten.
Aanwezigheid van Habitatrichtlijnsoorten in het plangebied kan door de afwezigheid van geschikt habitat redelijkerwijs worden uitgesloten. Het plangebied is potentieel geschikt voor Nationaal beschermde faunasoorten die vrijgesteld zijn van een ontheffing in de provincie Gelderland. Voor deze soorten is er geen ontheffing vereist en aanvullend onderzoek is niet noodzakelijk. Wel geldt voor deze soorten de algemene zorgplicht. Bescherming van houtopstanden Er zijn geen werkzaamheden gepland waarbij houtopstanden groter dan 10 are of 20 bomen in een rij of een deel ervan verwijderd worden. In dit geval is de Wet natuurbescherming, onderdeel houtopstanden niet van toepassing. Conclusie Wet natuurbescherming Geconcludeerd wordt dat de Wet natuurbescherming niet wordt overtreden, niet ten aanzien van soorten en niet ten aanzien van beschermde gebieden. Flora en fauna vormen geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van het plan. 4.3.2
Leef- en foerageergebied dassen Door Smeding Advies is geanalyseerd of de herinrichting (negatieve) gevolgen kan hebben op het leef- en foerageergebied voor de das (Smeding Advies, 2022). Deze analyse is als bijlage 4 bij deze onderbouwing gevoegd. De conclusie uit de analyse is dat het foerageergebied toeneemt door de ontwikkeling van grasland en bos op percelen die momenteel in gebruik zijn of waren als bouwland. De nieuwe inrichting biedt een kleinschalig landschap met veel dekking, waardoor het gebied aantrekkelijk is voor de Das.
21
4.4
Geluid
Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de realisatie van geluidsgevoelige objecten dient te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In deze wet wordt aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer, industrie en spoorwegen. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidsgevoelige objecten binnen een geluidszone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen. Conclusie Met de voorgenomen ontwikkeling worden geen geluidsgevoelige objecten gerealiseerd en er is ook geen sprake van geluidsuitstraling vanaf het plangebied naar nabijgelegen functies. De voorgenomen ontwikkeling hoeft niet aan de Wet geluidhinder getoetst te worden.
4.5
Luchtkwaliteit
Een onderdeel van de Wet milieubeheer betreft de luchtkwaliteit. De wet is enerzijds bedoeld om de negatieve effecten op de volksgezondheid aan te pakken als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging. Anderzijds heeft de wet tot doel mogelijkheden te creëren voor ruimtelijke ontwikkelingen, ondanks overschrijdingen van de Europese grenswaarden voor luchtkwaliteit. De luchtkwaliteitseisen uit deze wet en onderliggende algemene maatregelen van bestuur en ministeriële regelingen vormen geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkelingen indien een ontwikkeling ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan luchtverontreiniging. Conclusie Het project gaat in de gebruiksfase niet gepaard met verbranding van (fossiele) brandstoffen. Ook is er geen sprake van een significante verkeersaantrekkende werking. Er vinden enkel verkeersbewegingen plaats in de aanlegfase en daarnaast alleen op heel beperkte schaal ten behoeve van het beheer. De voorgenomen ontwikkeling leidt daarom niet tot verslechtering van de luchtkwaliteit, waardoor een goed woon- en leefklimaat is gewaarborgd.
4.6
Externe veiligheid
Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico's in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico's dienen te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Er moet worden getoetst aan het Bevi, het Bevt en het Bevb wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan. Conclusie 22
Met de voorgenomen ontwikkeling worden geen kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten gerealiseerd. Verdere toetsing aan de externe veiligheid is dan ook niet noodzakelijk.
4.7
4.8
Verkeer en parkeren
Het plangebied wordt ingericht als natuur en wordt beperkt opengesteld voor wandelaars. De mogelijkheid tot wandelen bestaat reeds in de huidige situatie, er is geen sprake van een extra verkeersaantrekkende werking of parkeerbehoefte.
Leidingen en infrastructuur
Op 14 september 2021 is een oriëntatieverzoek gedaan naar de aanwezigheid en ligging van kabels en leidingen binnen het plangebied. Binnen het plangebied is een landelijk hoogspanningsnet van Tennet Tso aanwezig, waarvoor een beschermingszone geldt. In het ontwerp is hier rekening mee gehouden door binnen vijf meter rondom de hoogspanningsmasten geen opgaande beplanting aan te brengen. Verder zijn er naast de Parksesteeg richting de woonhuizen diverse kabels en leidingen aanwezig. Op deze locatie vinden geen werkzaamheden plaats. Conclusie Met de beschermingszone van het hoogspanningsnet is rekening gehouden in het ontwerp. Kabels en leidingen vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
4.9
Bedrijven en milieuzonering
In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient in ruimtelijke plannen rekening te worden gehouden met afstemming tussen gevoelige functies en milieuhinderlijke functies. Uitgangspunt daarbij is dat nieuwe en bestaande bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt en dat ter plaatse van woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In het algemeen wordt voor de afstemming gebruik gemaakt van de VNG-brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’. Deze publicatie is bedoeld voor het ruimtelijk scheiden van bedrijven in relatie tot woningen en omgekeerd, zodat in geen van beide situaties een belemmering voor een van beide optreedt. In de publicatie staan richtafstanden vermeld voor geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die mogelijk is. Conclusie Natuurontwikkeling vormt geen milieubelastende en geen gevoelige functie. Er gelden geen richtafstanden waar bij de ontwikkeling rekening mee moet worden gehouden.
23
4.10
Water
4.10.1
Grondwater Het grondwatersysteem in de omgeving van het projectgebied hangt samen met de ontstaansgeschiedenis van het gebied en de verschillende bodemlagen die hierbij zijn afgezet. In Figuur 4-5 is een schematisch dwarsprofiel gegeven van de geohydrologische bodemopbouw en het principe van de grondwaterstroming.
Figuur 4-5: Doorsnede van bodem en grondwater (Bron: Wit+Bo, 2018). Het projectgebied bevindt zich bij de blauwe pijl aan de voet van de rivierduinen.
De Hatertse - Overasseltse Vennen vormen een stuifzandcomplex, waaronder een slechtdoorlatende rivierleemlaag aanwezig is. De rivierleemlaag loopt in het weergegeven profiel van de Maas (zuidwestelijk van projectgebied) door tot het Maas-Waalkanaal (noordoostelijk van projectgebied). Buiten het stuifzandcomplex is de rivierleemlaag onderdeel van de zogenoemde deklaag. Het grondwater in het stuifzandcomplex en in de deklaag wordt aangemerkt als het oppervlakkige, ‘freatische’ grondwater. Onder de rivierleemlaag bevindt zich een pakket van grove grindhoudende zanden, het zogenoemde eerste watervoerende pakket. Het grondwater in dit pakket wordt aangeduid als het ‘regionale’ grondwater. Dit grondwater wordt sterk beïnvloed door de Maas en het Maas-Waalkanaal dat in open verbinding met de Maas staat. Ter hoogte van het projectgebied fluctueert de waterstand van de Maas en het Maas-Waalkanaal in het algemeen tussen circa 7,5 en 8 mNAP. Dit peil wordt bepaald door het stuwbeheer van de stuw in de Maas ter hoogte van Grave. Benedenstrooms van deze stuw is het peil van de Maas lager, waardoor de stijghoogte van het regionale grondwater hier ook lager wordt. In het Vennengebied is sprake van ‘opbolling’ van de freatische grondwaterstand. Dit komt door voortdurende aanvulling met neerslagwater en de slechte doorlatendheid van de onderliggende rivierleemlaag.
Wanneer de grondwaterstand in het Vennengebied stijgt, dan kan dit freatische water langs de flanken van het gebied afstromen naar de naastliggende gebieden, waaronder het Worsumsche Broek. Dit gebeurt zowel via de aanwezige greppels, als door oppervlakkige afstroming over maaiveld bij hevige neerslag. Hiervan zijn sporen te zien op de percelen die in 2013 zijn ingericht. Bij het Worsumsche Broek is de deklaag doorsneden ter plaatse van de aanwezige watergangen. Deze watergangen staan dus in direct contact met het onderliggende watervoerende pakket. Als afstromend freatisch water uit het Vennengebied in deze 24
watergangen terecht komt, dan kan dit, afhankelijk van de waterstand in de watergang/stijghoogte van het grondwater wegzakken naar het onderliggende eerste watervoerende pakket. In het inrichtingsplan wordt één watergang in het zuidelijke deel gedempt en worden vier watergangen verondiept en beleemd. Hiermee wordt in de nieuwe situatie weglekken van afstromend freatisch water uit het Vennengebied naar de ondergrond tegengegaan. Op een aantal locaties wordt de aanwezige kleilaag afgegraven tot de zandondergrond. De verwachting is dat de stijghoogte van het regionale grondwater periodiek voldoende hoog zal zijn om op deze plekken kwel uit de ondergrond te realiseren. De oppervlakte hiervan is beperkt gehouden om te voorkomen dat dit zou kunnen leiden tot verdroging van het Vennengebied. Conclusie De inrichtingsmaatregelen van het inrichtingsplan sluiten aan op de geohydrologische situatie van het gebied en zijn gericht op het benutten van afstromend water uit het Vennengebied, het benutten van kwelpotenties en het tegengaan van verdroging van het Vennengebied. Er is geen negatief effect op het grondwater te verwachten. 4.10.2
Oppervlaktewatersysteem Het plangebied is gelegen in peilgebied BLM019, waarvoor een waterpeil geldt van +7,35 m NAP. De waterafvoer is noordwest gericht. Water wordt ingelaten in het gebied vanuit het Maas-Waalkanaal via de Teersesluis. Het afvoeren van water uit het gebied wordt geregeld door stuw Diervoort, ten noorden van de A73. Het water uit het plangebied stroomt via twee onderdoorgangen onder de A73 richting stuw Diervoort.
Figuur 4-6: Peilgebied en watergangen huidig watersysteem (bron: Legger Waterschap Rivierenland)
25
De huidige drooglegging in het plangebied en de omgeving is weergegeven in Figuur 4-7. Deze ligt tussen circa 0,70 tot 1 meter in de percelen ten noorden van de A73 en tussen circa 0,9 en 1,6 meter in de percelen ten zuiden hiervan. In het inrichtingsplan wordt in het zuidelijk deel van het plangebied het peil in een aantal watergangen verhoogd tot maximaal +8,0 mNAP. Dit is weergegeven in Figuur 4-8. De peilverhoging vindt plaats door het plaatsen van een aantal eenvoudige (schotbalk)stuwen. In droge perioden zal het waterpeil op natuurlijke wijze kunnen uitzakken. Ook wordt in het inrichtingsplan een watergang gedempt en wordt een aantal andere watergangen verondiept en beleemd. Door het dempen van de watergang vervalt de huidige waterafvoer van deze watergang (onder de A73 door). Om de waterafvoer van het achterliggende gebied van deze watergang te waarborgen, wordt de waterafvoer via een nieuw aan te leggen duiker afgeleid in westelijke richting. Deze aanpassingen zullen leiden tot een leggerwijziging.
Figuur 4-7: Drooglegging plangebied en omgeving bij huidig peil van +7,35 mNAP (gebaseerd op AHN3)
26
Figuur 4-8: Inrichtingsmaatregelen waterhuishouding (peilverhoging en dempen/verondiepen watergangen)
De waterhuishoudkundige aanpassingen in het plangebied zijn gericht op het realiseren van de gewenste wateromstandigheden voor de beschreven natuurdoelen. Van de waterhuishoudkundige veranderingen zijn geen ongewenste invloeden op de omgeving te verwachten. Ter onderbouwing hiervan is een hydrologisch modelonderzoek uitgevoerd (bijlage 5): Effectberekeningen natuurinrichting Worsumsche Broek (Witteveen en Bos, 2022). Bij de particuliere opstallen aan de Parksteeg 2 blijft de drooglegging ook na peilopzet ruim voldoende (circa 1,5 tot 2 meter) en de waterafvoer van deze percelen blijft gewaarborgd. Ten opzichte van de huidige situatie worden geen ongewenste effecten verwacht. Bij de overige bebouwing in de omgeving blijft de huidige drooglegging ongewijzigd. Uit een aanvullende analyse (bijlage 6): Beoordeling hydrologische effecten natuurinrichting Worsumsche Broek op de wegen in de omgeving (BWZ Ingenieurs, 2022) blijkt dat er ook voor de omliggende wegen (Parksesteeg en A73) na inrichting wordt voldaan aan de minimaal gewenste drooglegging. Er zijn geen negatieve effecten ten opzichte van de huidige situatie te verwachten. De mogelijke grondwatereffecten op omliggende agrarische percelen zijn beperkt van omvang en betreffen alleen de directe randzone van een perceel aan de westzijde van het plangebied. De eigenaar van dit perceel heeft aangegeven hiermee akkoord te gaan.
Met de eigenaar van het aan de oostzijde van het plangebied grenzende perceel is afgestemd dat de watergang tussen plangebied en het oostelijke perceel alleen aan de zijde van het plangebied zelf wordt beleemd. Hierdoor zijn er geen significant negatieve effecten te verwachten. 27
Ook voor het zuidwestelijk gelegen vennengebied worden geen ongewenste effecten verwacht. Conclusie. De aanpassingen in de waterhuishouding zijn gericht op het realiseren van de gewenste natuurdoelen. Er worden geen negatieve effecten voor de omgeving en omliggende wegen verwacht. 4.10.3
Compensatie verlies waterberging De peilverhoging in een deel van het plangebied en het dempen van één van de watergangen (zie Figuur 4-8) zorgt voor een afname van de waterbergingscapaciteit in het watersysteem. Volgens de regels van de Keur van het waterschap, dient dit verlies aan waterberging gecompenseerd te worden. Deze compensatie vindt plaats doordat in het inrichtingsplan op een aantal locaties het maaiveld wordt afgegraven. Bij verhoogde peilen zullen deze delen inunderen en zal water worden vastgehouden. Hiermee blijft de waterbergingscapaciteit minimaal gelijk aan de huidige situatie. Conclusie Bij uitvoering van het natuurinrichtingsplan zijn er geen negatieve effecten op de waterbergingscapaciteit van het watersysteem.
4.11
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
Om het milieubelang bij de voorbereiding en vaststelling van plannen en besluiten volwaardig mee te laten wegen, is in Nederland het instrument milieueffectrapportage (m.e.r.) ontwikkeld. Het wettelijk kader hiervoor is vastgelegd in de Wet Milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). In de bijlagen C en D van het Besluit m.e.r. is opgenomen voor welke activiteiten het instrument milieueffectrapportage van toepassing is. Voor de activiteiten die zijn opgenomen in bijlage C is het opstellen van een Milieu-effectrapport (MER) verplicht. Voor de activiteiten die zijn opgenomen in bijlage D geldt geen directe m.e.r.-plicht maar wel een m.e.r.-beoordelingsplicht, tenzij de activiteit (kolom 1) aan de drempelwaarde uit kolom 2 voldoet en sprake is van een kaderstellend plan (kolom 3) in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. De herinrichting van het plangebied naar natuur is aan te merken als een activiteit die is opgenomen in bijlage D9 van het Besluit m.e.r.: Activiteit D9
Kolom 1 Activiteiten Een landinrichtings project dan wel een wijziging of uitbreiding daarvan.
Kolom 2 Gevallen In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1°. een functiewijziging met een oppervlakte van 125 hectare of meer van water, natuur, recreatie of landbouw of 2°. vestiging van een glastuinbouwgebied of bloembollenteelt-
Kolom 3 Plannen De structuurvisie, bedoeld in de artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en de plannen, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van die wet, de vaststelling van het inrichtingsplan, bedoeld in artikel 17 van de Wet inrichting landelijk gebied, het plan, bedoeld in artikel 11 van de Reconstructiewet
Kolom 4 Besluiten De vaststelling van het inrichtingsplan, bedoeld in artikel 17 van de Wet inrichting landelijk gebied dan wel een plan bedoeld in artikel 18 van de Reconstructiewet concentratiegebieden dan wel bij het ontbreken daarvan het plan bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet ruimtelijke ordening dan wel bij het ontbreken daarvan van het
28
gebied van 50 hectare of meer.
concentratiegebieden en het plan, bedoeld in artikel 3.1, plan bedoeld in artikel 18 van eerste lid, van die wet. de Reconstructiewet concentratiegebieden.
Voor activiteit D9 is in Kolom 2 Gevallen een ondergrens aangegeven van 125 hectare. De totale oppervlakte van het plangebied bedraagt 29,9 hectare en valt hiermee ruimschoots onder de drempelwaarde. Er is geen sprake van directe m.e.r.-(beoordelings)plicht. In het Besluit m.e.r. is echter aangegeven dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen m.e.r.(-beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde blijft, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben voor bijvoorbeeld nabijgelegen kwetsbaar natuurgebied. Gemeenten en provincies moeten daarom ook bij kleinere projecten beoordelen of een m.e.r. nodig is. Concreet betekent dit dat het bevoegd gezag moet beoordelen of er daadwerkelijk geen belangrijke nadelige milieugevolgen zijn aan de hand van de wettelijke criteria (artikel 7.16 Wet Milieubeheer), met in achtneming van de criteria die zijn genoemd in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Het gaat hierbij om de volgende criteria: 1. De kenmerken van het project; 2. De plaats van het project; 3. De kenmerken van het potentiële effect.
Ten behoeve van het verkrijgen van een ontgrondingsvergunning voor het realiseren van het ontwerp is een m.e.r.-aanmeldnotitie opgesteld, waarin is getoetst of op basis van de criteria uit bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling een m.e.r.-beoordeling moet worden uitgevoerd. Deze toetsing is als bijlage 7 bij deze onderbouwing gevoegd. Uit de toetsing blijkt dat de potentiële effecten van het plan, in relatie tot de kenmerken en de plaats van het plan, naar aard en omvang beperkt zijn. De effecten hebben geen belangrijke nadelige milieugevolgen die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken. Conclusie De voorgenomen herinrichting heeft geen belangrijke negatieve gevolgen voor het milieu na uitvoering van de werkzaamheden. Tijdens de uitvoering treden slechts zeer beperkte tijdelijke effecten op. Daarnaast zijn in de omgeving geen andere activiteiten bekend of gepland die kunnen leiden tot cumulerende effecten.
29
5
Juridische aspecten Toelichting op het juridisch systeem
Het bestemmingsplan bestaat ten minste uit drie delen: de verbeelding en regels, vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De regels regelen de gebruiksmogelijkheden van de gronden, de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels. In dit hoofdstuk wordt de systematiek van de regels uiteengezet en wordt een uitleg per bestemming gegeven. De systematiek van het bestemmingsplan sluit aan bij de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP 2012). Het voorliggende bestemmingsplan is conform de landelijke RO-standaarden (2012) opgesteld. Het plan voldoet daarmee aan de digitale verplichting. Voor de regels is aansluiting gezocht bij het vigerende bestemmingsplan Buitengebied Heumen 2009. De regels bepalen de gebruiksmogelijkheden van de gronden binnen het plangebied en geven tevens de bouw- en gebruiksmogelijkheden met betrekking tot bouwwerken aan.
De regels van het bestemmingsplan ‘Natuurinrichting Worsumsche Broek’ zijn opgebouwd conform de door de SVBP 2012 voorgeschreven systematiek en omvatten inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels en overgangs- en slotregels.
5.1
Inleidende regels
De inleidende regels bestaan uit de begrippen en wijze van meten.
5.1.1
Begrippen In de begripsregels worden omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Alleen die begripsregels worden opgenomen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn.
5.1.2
Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden en oppervlakten te bepalen, wordt in de 'wijze van meten' uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Dit artikel geeft aan hoe de lengte, breedte, hoogte, diepte en oppervlakte e.d. van gronden en bouwwerken wordt gemeten of berekend. Alle begrippen waarin maten en waarden voorkomen worden in dit artikel verklaard. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. Ook voor de 'wijze van meten' worden in de SVBP 2012 richtlijnen gegeven.
5.2
Bestemmingsregels
5.2.1
Opbouw bestemmingen De opbouw van de bestemmingen ziet er in beginsel als volgt uit: 30
• • • • 5.2.2
Bestemmingsomschrijving; Bouwregels; Afwijken van de bouwregels; Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden.
De bestemmingen In het bestemmingsplan worden de volgende bestemmingen, dubbelbestemmingen en gebiedsaanduidingen gehanteerd. Enkelbestemming Natuur De voor Natuur aangewezen gronden zijn bestemd voor het behoud en ontwikkeling van de ecologische waarden van het Natuurnetwerk Nederland, waaronder tevens bos wordt verstaan, en voor waterhuishoudkundige doeleinden, waterberging en waterlopen. De gronden mogen tevens gebruikt worden voor extensieve vormen van openluchtrecreatie, zoals wandelen, picknicken en fietsen. Bebouwing is alleen toegestaan als het ten dienste staat van doelmatig beheer en onderhoud van de natuur. Verder is een omgevingsvergunning verplicht voor diverse werkzaamheden. Dubbelbestemming Waarde – Archeologische verwachting 1 en 2 De dubbelbestemming voor archeologie is gericht op de bescherming en veiligstelling van archeologische (verwachtings)waarden. Voor het uitvoeren van werkzaamheden is archeologisch onderzoek nodig als er dieper wordt gegraven dan 40 cm vanaf maaiveld over een groter oppervlak dan 2500 m2 (Archeologie 2) of over een groter oppervlak dan 500 m2 (Archeologie 1). Ook voor het aanbrengen of verwijderen van diepwortelende beplantingen is archeologisch onderzoek noodzakelijk. Dubbelbestemming Waarde – Actiegebied Vennen Een deel van het plangebied heeft de dubbelbestemming Actiegebied Vennen.
Deze gronden zijn mede bestemd voor landbouw en kwelafhankelijke landnatuur. Voor diverse werkzaamheden is een omgevingsvergunning verplicht. Dubbelbestemming Leiding – Hoogspanningsverbinding De gronden met de bestemming Leiding – Hoogspanningsverbinding zijn bestemd voor de door het plangebied lopende bovengrondse hoogspanningsleiding. De met deze bestemming aangewezen gronden zijn mede bestemd voor de bescherming van het woon- en leefklimaat in verband met de leiding. Gebiedsaanduiding Overige zone - Gelders Natuurnetwerk De gronden behorend tot het Gelders Natuurnetwerk zijn tevens bestemd voor bescherming, behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken van het gebied.
5.3
Algemene regels
5.3.1
Anti-dubbeltelregel Een anti-dubbeltelregel wordt opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein ook nog eens meetelt bij het 31
toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. De opgenomen anti-dubbeltelregel is gelijkluidend aan de in het Besluit ruimtelijke ordening voorgeschreven formulering. 5.3.2
Overige algemene regels Voor het hele plangebied geldt een aantal algemene regels. Het gaat hier om algemene bouw- en gebruiksregels, mogelijkheden om af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen, en procedureregels worden behandeld.
5.4
Overgangs- en slotregels
5.4.1
Overgangsregel In deze regels wordt het overgangsrecht, zoals voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening en de Wabo, overgenomen.
5.4.2
Slotregel Als laatste wordt de slotregel opgenomen, ook zoals voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening. Deze regel geeft aan hoe het plan kan worden aangehaald.
32
6 6.1
Uitvoerbaarheid Economische uitvoerbaarheid
In artikel 6.12, lid 1 en 2 van de Wro is bepaald dat de gemeente bij een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan een exploitatieplan vaststelt voor gronden waarop een bouwplan is voorgenomen als bedoeld in artikel 6.2.1. Bro. Met de realisatie van het plangebied naar nieuwe natuur is geen sprake van een bouwplan in de zin van artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Om die reden hoeft er geen exploitatieplan te worden vastgesteld. Tussen de gemeente Heumen en de provincie Gelderland wordt een anterieure overeenkomst ex artikel 6.24, lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening gesloten voor het realiseren van voorliggend plan in combinatie met een bestemmingsplanwijziging. Deze overeenkomst wordt als bijlage bij dit rapport opgenomen. De anterieure overeenkomst heeft tot doel het verzekeren van het verhaal van kosten door de gemeente Heumen. De kosten en risico’s die voortvloeien uit het plan komen geheel voor rekening van initiatiefnemer. Ook zal de initiatiefnemer eventuele planschade als gevolg van het besluit aan de gemeente compenseren zodra dergelijke planschade onherroepelijk voor tegemoetkoming door de gemeente in aanmerking komt. Conclusie De gronden in het plangebied zijn in eigendom van Staatsbosbeheer en Provincie Gelderland en zullen ook door deze partijen worden ontwikkeld en beheerd.
De eventuele kosten en risico’s die voortvloeien uit het initiatief komen geheel voor rekening van initiatiefnemer. Dit is vastgelegd in een anterieure overeenkomst. Met het initiatief zijn geen kosten voor de gemeente gemoeid, anders dan kosten die op basis van de gemeentelijke legesverordening in rekening zullen worden gebracht. De economische uitvoerbaarheid is hiermee voldoende aangetoond.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
6.2.1
Omgeving Eind 2021 zijn gesprekken gevoerd met de bewoners Parksesteeg 2, 2a, 2b en 4 waarin de inrichtingsmaatregelen zijn besproken. In mei 2022 heeft Staatsbosbeheer een nieuwsbrief verzonden aan de omwonenden van het plangebied. In deze nieuwsbrief is ingegaan op het hoe en waarom van de herinrichting en is een planning weergegeven van de uitvoeringswerkzaamheden. Ook zijn belangstellenden en belanghebbenden uitgenodigd voor een veldbezoek. Deze nieuwsbrief is aan de gemeente verzonden met het verzoek de nieuwsbrief op de gemeentelijke website te plaatsen. Op 31 mei 2022 heeft er een veldbezoek plaatsgevonden onder leiding van Staatsbosbeheer. Bij dit veldbezoek waren vanuit de omgeving 7 personen aanwezig. De plannen zijn over het algemeen goed ontvangen. Wel bestaan er bij een aantal belanghebbenden zorgen over verstoring van het wild als gevolg van loslopende honden. 33
Ook wordt gevreesd voor stroperij en motorcrossen. Een aantal belanghebbenden ziet daarom liever geen recreatieve openstelling van het plangebied. Deze zorgen zijn echter niet specifiek voor het plangebied maar betreffen ook de omliggende gebieden. In het definitieve ontwerp wordt nagegaan of er op een aantal locaties slagbomen en/of hekken geplaatst kunnen worden. Met de eigenaren van de agrarische percelen ten oosten en westen van het plangebied is in juli en augustus 2022 contact geweest over de herinrichting van het plangebied. De eigenaar van het westelijke perceel heeft aangegeven akkoord te zijn met de herinrichting en het belemen van de watergang die de percelen scheidt. Met de eigenaar van het oostelijke perceel is overeengekomen dat de scheidende watergang alleen aan de zijde van het plangebied wordt beleemd om zodoende mogelijk negatieve effecten op zijn perceel te beperken. 6.2.2