CConstaterende datHeumen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage I Ruimtelijke onderbouwing

Raad 28 januari 2021, gemeente HeumenBij agendapunt: Ontwerp verklaring van geen bedenkingen puinbreker Morssinkhof BV te Malden3.690 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Morssinkhof Groep te Malden Ruimtelijke onderbouwing in verband met het afwijken van het bestemmingsplan

Rapportnummer F 20641-2-RA-002 d.d. 12 februari 2018

Morssinkhof Groep te Malden Ruimtelijke onderbouwing in verband met het afwijken van het bestemmingsplan

opdrachtgever

M o r s s i n k h o f G r o e p B . V.

rapportnummer

F 20641-2-RA-002

datum

12 februari 2018

referentie

EB/TKe//F 20641-2-RA-002

verantwoordelijke ir. H. Buikema opsteller

ir. A.C.R. Kessen +31 24 3570794 t.kessen@peutz.nl

peutz bv, postbus 66, 6585 zh mook, +31 24 357 07 07, mook@peutz.nl, www.peutz.nl kvk 12028033, opdrachten volgens DNR 2011, lid NLingenieurs, btw NL.004933837B01, ISO-9001:2008 mook – zoetermeer – groningen – düsseldorf – dortmund – berlijn – leuven – parijs – lyon

F 20641-2-RA-002 2

Inhoudsopgave 1

Inleiding

4

1.1 Aanleiding

4

1.2 Afwijking van het bestemmingsplan

4

1.3 Samenhang met andere documenten

4

2

Plangebied: bestaand en beoogd gebruik

5

2.1 Situering van het plangebied

5

2.2 Bestaand gebruik van het plangebied

6

2.3 Vigerend bestemmingsplan

6

2.4 Beoogd gebruik van het plangebied

8

2.5 Strijd met het bestemmingsplan

8

3

Ruimtelijk beleidskader

9

3.1 Rijksbeleid

9

3.2 Provinciaal beleid

10

3.3 Gemeentelijk beleid

11

3.4 Conclusie ruimtelijk beleid

11

4

Omgevingsaspecten

12

4.1 Milieueffectrapportage

12

4.2 Bedrijven en milieuzonering

12

4.3 Geluid en trillingen

13

4.4 Luchtk waliteit / stof

13

4.5 Natuur

14

4 . 6 W a t e r, b o d e m , g e u r, e x t e r n e v e i l i g h e i d , a r c h e o l o g i e

14

5

Uitvoerbaarheid

15

5.1 Economische uitvoerbaarheid

15

5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

15

6

Conclusie

16

F 20641-2-RA-002 3

1

Inleiding

1.1 A a n l e i d i n g

De inrichting van Morssinkhof Groep Malden B.V. is gelegen op het industrieterrein “Taaiendijk” te Malden. Op het industrieterrein was sprake van twee inrichtingen, te weten de inrichting van Morssinkhof Groep en de inrichting van “De Hamer”. Morssinkhof Groep heeft de inrichting van “De Hamer” overgenomen, waardoor thans sprake is van één inrichting op het gezoneerde industrieterrein. Morssinkhof is voornemens om puinbreekactiviteiten uit te gaan voeren op het industrieterrein. Deze activiteiten zijn in strijd met het vigerende bestemmingsplan. 1.2 A f w i j k i n g v a n h e t b e s t e m m i n g s p l a n

De voorgenomen ontwikkelingen passen niet binnen het vigerende bestemmingsplan “Bedrijventerreinen De Hoge Brug, Taaiendijk en Sluisweg.” van de gemeente Heumen, dat dateert uit 2014. Om het plan te kunnen realiseren, wordt daarom een omgevingsvergunning voor (onder andere) het afwijken van het vigerende bestemmingsplan aangevraagd conform artikel 2.12, lid 1, sub a onder 3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Voorliggende ruimtelijke onderbouwing bevat een opsomming van de van toepassing zijnde beleidsuitgangspunten, een beschrijving van het bestaande en beoogde gebruik van het plangebied en een integraal overzicht van de (milieu)planologische aspecten die van belang zijn om middels een omgevingsvergunning toestemming te verkrijgen om af te wijken van het vigerende bestemmingsplan. 1.3 S a m e n h a n g m e t a n d e r e d o c u m e n t e n

De omgevingsvergunningaanvraag bestaat uit de volgende activiteiten: – afwijken van het bestemmingsplan; – milieu; – beperkte milieutoets (OBM). Daarnaast wordt tegelijkertijd een aanmeldingsnotitie m.e.r.-beoordeling ingediend en een melding onder het PAS (in het kader van de Wet natuurbescherming) verricht.

F 20641-2-RA-002 4

2

Plangebied: bestaand en beoogd gebruik

2.1 S i t u e r i n g v a n h e t p l a n g e b i e d

Morssinkhof is gesitueerd aan de Hoge Brug 30 te Malden. In figuur 2.1 en 2.2 is de ligging van het bedrijf ten opzichte van de omgeving weergegeven. f2.1 Globale situering Morssinkhof te Malden.

f2.2 Ligging Morssinkhof.

F 20641-2-RA-002 5

Morssinkhof ligt op het gezoneerde industrieterrein Taaiendijk. Aan de westzijde wordt het terrein begrensd door het Maas-Waalkanaal, met aan de overzijde van het kanaal veelal agrarische gronden. Aan de noordzijde bevindt zich de Blankenbergseweg, met daarachter bedrijventerrein De Hoge Brug. Ten oosten van de inrichting liggen de voetbalvelden van Juliana '31 en de bedrijven langs de Ambachtsweg. Woonbebouwing is aanwezig aansluitend aan deze bedrijvigheid, langs de Broekkant. Aan de zuidzijde van Morssinkhof is langs de Eendenpoelseweg eveneens sprake van woonbebouwing. 2.2 B e s t a a n d g e b r u i k v a n h e t p l a n g e b i e d

Het plangebied omvat globaal ca. 7,5 hectare, die sinds de jaren '60 gebruikt worden voor de productie van betonwaren. Morssinkhof produceert in Malden betonwaren zoals betonstraatstenen en betontegels. Op het terrein staan 4 productiehallen waar de betonwaren worden geproduceerd. De productiecapaciteit bedraagt ca. 300.000 ton per jaar. De grondstoffen voor de productie van de betonwaren zijn zand, grind, cement en kleurstoffen. In de huidige situatie worden deze stoffen per as aangeleverd. In productiehal 1 en 2 vindt productie plaats met behulp van steenmachines. Het gereed product wordt tijdelijk opgeslagen in uithardkamers en vervolgens tot pakketten gebundeld en uitgereden naar het tasveld, alwaar verdere uitharding van het product plaatsvindt. De halffabricaat stenen (Cobble stones) worden in productiehal 3 met een verouderingsmachine nabehandeld. In productiehal 4 staan ten behoeve van de productie twee tegelpersen opgesteld. Het halvolume van de productiehal wordt voornamelijk gebruikt als “droogkamer”. Daarin vindt de eerste verhardingsfase van het beton plaats. Wanneer voldoende stevigheid is bereikt worden de betonwaren tot pakketten gebundeld en uitgereden naar het tasveld, alwaar verdere uitharding van het product plaatsvindt. De betonwaren kunnen op het gehele bedrijfsterrein worden opgeslagen. De producten worden in de huidige situatie afgevoerd per as.

2.3 V i g e r e n d b e s t e m m i n g s p l a n

Ter plaatse van het plangebied vigeert het bestemmingsplan “Bedrijventerreinen De Hoge Brug, Taaiendijk en Sluisweg”, vastgesteld d.d. 28 mei 2014 door de gemeenteraad van Heumen. In figuur 2.3 is een uitsnede van de verbeelding van het bestemmingsplan weergegeven. Het plangebied heeft de bestemming “Bedrijventerrein” met de functieaanduiding “betonfabriek 1”. Ter plaatse van deze aanduiding is uitsluitend een betonfabriek toegestaan. Het gehele plangebied behoort tot het geluidzoneerde industrieterrein. F 20641-2-RA-002 6

De bouwvlakken binnen het plangebied kennen een maximale bouwhoogte van 10 en 15 meter. Een deel van het plangebied kent tevens de dubbelbestemming “Waterstaat” en/of de gebiedsaanduiding “Vrijwaringszone vaarweg”. Deze gronden zijn mede bestemd voor de bescherming, het onderhoud en de verbetering van de waterkering en voor de bescherming van de veiligheid van het vaarverkeer. Concreet betekent dit dat er beperkingen gesteld worden inzake het bouwen van gebouwen en bouwwerken. Een deel van het plangebied kent de dubbelbestemming “Archeologie”. Deze gronden zijn mede bestemd voor bescherming en veiligstelling van de te verwachten archeologische waarden. Concreet betekent dit dat er beperkingen gesteld worden inzake het bouwen van gebouwen en het uitvoeren van (grond)werkzaamheden. f2.3 Uitsnede verbeelding bestemmingsplan Bedrijventerreinen De Hoge Brug, Taaiendijk en Sluisweg.

F 20641-2-RA-002 7

2.4 B e o o g d g e b r u i k v a n h e t p l a n g e b i e d

In de beoogde situatie zullen de bedrijfsactiviteiten van de bestaande betonfabriek uitgebreid worden: er zal (maximaal 12 dagen per jaar) een mobiele puinbreker ingezet worden voor het breken van eigen restproducten. De capaciteit van de puinbreker bedraagt maximaal 400 ton per uur en de inzet wordt beperkt tot maximaal 10 uur per dag. Er is derhalve sprake van een dagcapaciteit van 4000 ton per dag en een (theoretische) jaarcapaciteit van 48.000 ton. Aangevraagd wordt echter een jaarcapaciteit van 36.000 ton. De beoogde locatie van de nieuwe activiteiten zijn weergegeven in figuur 2.4. f2.4 Beoogde locatie puinbreker (rood) op het terrein van Morssinkhof.

2.5 S t r i j d m e t h e t b e s t e m m i n g s p l a n

Het bestemmingsplan staat ter plaatse uitsluitend bedrijvigheid in de vorm van een betonfabriek toe. Puinbreekactiviteiten zijn geen intrinsiek onderdeel van een betonfabriek, maar dienen als een nevenactiviteit beschouwd te worden die thans nog niet toegestaan is op grond van het bestemmingsplan.

F 20641-2-RA-002 8

3

Ruimtelijk beleidskader

3.1 R i j k s b e l e i d

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) staan de plannen van de Rijksoverheid voor ruimte en mobiliteit. De SVIR schetst hoe Nederland er in 2040 uit moet zien: concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Tot 2028 heeft het kabinet in de SVIR 3 Rijksdoelen geformuleerd: – de concurrentiekracht vergroten door de ruimtelijk-economische structuur van Nederland te versterken. Dit betekent bijvoorbeeld een aantrekkelijk (internationaal) vestigingsklimaat; – de bereikbaarheid verbeteren; – zorgen voor een leefbare en veilige omgeving met unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden. Om deze doelen te bereiken heeft het Rijk 13 nationale belangen geformuleerd. De juridische verankering van deze nationale belangen vindt plaats in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Het Barro voorziet in de juridische borging van het nationaal ruimtelijk beleid. Het bevat regels die de beleidsruimte van andere overheden ten aanzien van de inhoud van ruimtelijke plannen inperken, daar waar nationale belangen (zoals gedefinieerd in de SVIR) dat noodzakelijk maken.

De onderwerpen in het Barro betreffen: Rijksvaarwegen, Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, Grote rivieren, Waddenzee en waddengebied, Defensie, Hoofdwegen en landelijke spoorwegen, Elektriciteitsvoorziening, Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, Ecologische hoofdstructuur, Primaire waterkeringen buiten het kustfundament, IJsselmeergebied en Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde. Met het rijksbeleid legt het kabinet grotere verantwoordelijkheid bij decentrale overheden. De uitvoering van het beleid ligt primair bij gemeenten, terwijl voor provincies een belangrijke kaderstellende, coördinerende en controlerende taak is weggelegd. Ladder voor duurzame verstedelijking In oktober 2012 is ‘de ladder voor duurzame verstedelijking’ toegevoegd aan het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). De ladder ondersteunt gemeenten en provincies in vraaggerichte programmering van hun grondgebied, het voorkomen van overprogrammering en de keuzes die daaruit volgen. F 20641-2-RA-002 9

Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Het Rijk wil met de introductie van de ladder vraaggerichte programmering bevorderen. De ladder beoogt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Overheden dienen nieuwe stedelijke ontwikkeling te motiveren met drie opeenvolgende stappen, teneinde te borgen dat zorgvuldig met ruimtegebruik wordt omgegaan. De stappen bewerkstelligen dat de wens om een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk te maken, nadrukkelijk wordt gemotiveerd en afgewogen met oog voor (1) de ruimtevraag, (2) de beschikbare ruimte en (3) de ontwikkeling van de omgeving waarin het gebied ligt. In voorliggende situatie is geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling en is de ladder derhalve niet van toepassing. 3.2 P r o v i n c i a a l b e l e i d

Omgevingsvisie Gelderland In de Omgevingsvisie kiest de provincie Gelderland ervoor om vanuit twee hoofddoelen bij te dragen aan gemeenschappelijke maatschappelijke opgaven. Deze zijn: – een duurzame economische structuur; – het borgen van de kwaliteit en veiligheid van onze leefomgeving. Een gezonde economie met een aantrekkelijk vestigingsklimaat vraagt om krachtige steden en vitale dorpen met voldoende werkgelegenheid. Het verbeteren van de economische structuur is een belangrijke opgave voor de Gelderse samenleving. Er zijn veel kansen om de economische structuur te verbeteren. De provincie wil deze kansen benutten, met oog voor de unieke kwaliteiten van Gelderland. Het streven is om de concurrentiekracht van Gelderland te vergroten door een duurzame versterking van de ruimtelijk-economische structuur. Een aantrekkelijke leefomgeving vergt een goede kwaliteit en beleving van natuur en landschap in Gelderland, een gezonde en veilige leefomgeving en een robuust bodem- en watersysteem. De provincie zet daarom in op het waarborgen en op het verder ontwikkelen van die kwaliteiten van Gelderland. De onderwerpen die in de Omgevingsvisie aan de orde worden gesteld, komen terug in de Omgevingsverordening. De verordening vormt de leidraad voor het provinciaal ruimtelijk kader bij het opstellen van bestemmingsplannen.

Omgevingsverordening Gelderland De Omgevingsverordening Gelderland (2014) bevat algemene regels die gemeenten in acht moeten nemen bij het opstellen van hun ruimtelijke plannen. In de Verordening zijn alleen de algemene regels opgenomen, die noodzakelijk zijn voor het waarborgen van de provinciale belangen. F 20641-2-RA-002 10

Voor het plangebied en de omgeving wordt in de verordening gesignaleerd dat nabij het plangebied (Maas-Waalkanaal) sprake is van beschermde natuur behorend tot het Gelders Natuurnetwerk (GNN). Op gronden gelegen binnen de Groene Ontwikkelingszone (GO) worden in principe geen nieuwe grootschalige ontwikkelingen mogelijk gemaakt die leiden tot een significante aantasting van de kernkwaliteiten van het betreffende gebied. 3.3 G e m e e n t e l i j k b e l e i d

Structuurvisie Heumen 2025 In de 'Structuurvisie Heumen 2025' wordt de visie van de gemeente op het ruimtelijk beleid tot 2025 neergelegd. In de visie wordt ten aanzien van de verschillende ruimtelijke ontwikkelingen een toekomstbeeld gegeven tot het jaar 2025. Het geeft het kader aan waarbinnen ontwikkelingen plaats dienen te vinden. Voor wat betreft het bedrijventerrein (en het Maas-Waalkanaal) wordt de volgende ruimtelijke visie gegeven: – de bedrijventerreinen zijn primair bestemd voor industrie, handel en ambachtelijke bedrijvigheid; – op de bedrijventerreinen wordt geen detailhandel gevestigd, tenzij sprake is van grootschalige detailhandel; – watergebonden bedrijvigheid op de bedrijventerreinen langs het Maas-Waalkanaal is mogelijk; – zware industrie is beperkt tot de betonfabrieken. Mochten deze in de toekomst hun werkzaamheden stopzetten of naar buiten de gemeente verplaatsen, dan wordt geen nieuwe zware industrie (categorie 5 en hoger) toegestaan. Bij de betonfabrieken in de De Kanaalzone wordt niet ingezet op nieuwe bedrijvigheid, maar op een verkleuring van het gebied naar wonen. 3.4 C o n c l u s i e r u i m t e l i j k b e l e i d

Het plan is in lijn met het ruimtelijk beleid op Rijks-, provinciaal en gemeentelijk niveau.

F 20641-2-RA-002 11

4

Omgevingsaspecten

4.1 M i l i e u e f f e c t r a p p o r t a g e

Om vorm te geven aan het voorkomen van verontreiniging en aantasting van het milieu bij de realisatie van “grotere” plannen, is het instrument milieueffectrapportage (m.e.r.) ontwikkeld. M.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of een activiteit belangrijke nadelige milieugevolgen kan hebben. Als dat zo is moet een m.e.r.procedure worden doorlopen. In het Besluit milieu-effectrapportage 1994 is omschreven wanneer een m.e.r.–procedure of een m.e.r.-beoordelingsprocedure doorlopen moet worden. In onderdeel C en D van de bijlagen bij het Besluit m.e.r. (de ‘C- en D-lijst’) is per categorie van activiteiten een drempelwaarde gegeven. Als de activiteit groter is dan de drempelwaarde in de C-lijst moet er altijd een m.e.r.-procedure doorlopen worden. De activiteit is dan direct m.e.r.-plichtig. Boven de drempelwaarde in de D-lijst is sprake van een m.e.r.-beoordelingsplicht. Onder de D-drempel moet het bevoegd gezag motiveren of een MER al dan niet nodig is (de zogenaamde “vormvrije m.e.r.-beoordeling”). Puinbreekactiviteiten vallen onder categorie D 18.1 zoals opgenomen in het Besluit milieueffectrapportage (“de oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie bestemd voor de verwijdering van afval”). Hieraan is een drempelwaarde gekoppeld van 50 ton per dag (capaciteit van de installatie).

Gegeven de capaciteit van de puinbreker bij Morssinkhof (4000 ton per dag, 36.000 ton per jaar) is in het kader van de aanvraag om een omgevingsvergunning een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd. De aanmeldingsnotitie is opgenomen in de bijlage [m.e.r.-beoordeling]. Uit de aanmeldingsnotitie blijkt dat de nieuwe puinbreekactiviteiten niet leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Op basis van deze notitie wordt dan ook geconcludeerd dat het opstellen van een MER niet benodigd is. 4.2 B e d r i j v e n e n m i l i e u z o n e r i n g

Milieuzonering is een hulpmiddel om ervoor te zorgen dat gevoelige bestemmingen en bedrijven op een verantwoorde afstand van elkaar gesitueerd worden, zodat onderlinge hinder zoveel mogelijk vermeden wordt. De VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering geeft hiertoe richtafstanden tussen bedrijven en gevoelige bestemmingen vanwege geluid, geur, stof en gevaar voor een scala aan typen bedrijvigheid. Met behulp van deze richtafstanden kan een eerste indicatie verkregen worden van de inpasbaarheid van een initiatief op een bepaalde locatie.

F 20641-2-RA-002 12

In tabel 4.1 zijn de richtafstanden weergegeven per milieuaspect voor de bestaande en planologisch toegestane bedrijfsactiviteiten alsook de nieuwe puinbreekactiviteiten t4.1 Milieucategorie en richtafstanden. Activiteit

Milieu-

Geur

Stof

Geluid

Gevaar

5.2

30

200

700

30

Betonmortelcentrale – productiecapaciteit > 100 ton per uur

4.2

30

200

300

10

Puinbrekerijen en -malerijen – verwerkingscapaciteit < 100.000 ton/jaar

4.2

30

100

300

10

categorie Betonwarenfabrieken – met persen, triltafels of bekistingstrillers, productiecapaciteit > 100 ton per dag

De bestaande activiteiten van Morssinkhof worden in de VNG-brochure ingeschaald als bedrijvigheid van milieucategorie 5.2. De puinbreekactiviteiten vallen in milieucategorie 4.2, en hebben per milieucompartiment geen hogere richtafstand dan de reeds planologisch toegestane en vergunde activiteiten ter plaatse. Uit de richtafstanden blijkt dat de milieuaspecten stof en geluid bepalend zijn voor de milieubelasting van de puinbreekactiviteiten. Deze aspecten worden in het navolgende nader toegelicht. 4.3 G e l u i d e n t r i l l i n g e n

De geluidbelasting die in de omgeving optreedt vanwege de activiteiten van Morssinkhof (inclusief puinbreker) is inzichtelijk gemaakt in het akoestisch onderzoek dat als bijlage bij de omgevingsvergunningaanvraag gevoegd is. Uit het onderzoek blijkt dat de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus ter plaatse van woningen binnen de geluidzone tot 58 dB(A) bedragen gedurende bedrijfsvoering met de breekinstallatie en tot 55 dB(A) indien een stille(re) puinbreker wordt ingezet. Gezien het incidentele karakter van de inzet van de puinbreker (ten hoogste 12 maal per jaar) in relatie tot de berekende geluidniveaus wordt één en ander inpasbaar geacht. Een puinbreker is een mogelijke bron van trillingen. De afstand van de breekinstallatie tot de dichtstbij gelegen gevoelige bestemmingen bedraagt circa 180-200 meter (woonwagens Eendenpoelseweg). Mede op basis van trillingmetingen aan verschillende puinbrekers elders kan gesteld worden dat op een afstand van 180-200 meter normaliter geen sprake zal zijn van trillinghinder vanwege de puinbreker c.q. geen sprake zal zijn van overschrijding van trillinggrenswaarden op grond van de SBR-B richtlijn “Hinder voor personen in gebouwen”. 4.4 L u c h t k w a l i t e i t / s t o f

De effecten op de luchtkwaliteit in de omgeving vanwege de activiteiten van Morssinkhof zijn inzichtelijk gemaakt in het luchtkwaliteitsonderzoek dat als bijlage bij de omgevingsvergunningaanvraag gevoegd is. Uit het onderzoek blijkt dat de concentraties

F 20641-2-RA-002 13

verontreinigende stoffen in de lucht in de omgeving van Morssinkhof ruimschoots voldoen aan de grenswaarden. De bijdrage van de puinbreker aan deze concentraties is beperkt. 4.5 N a t u u r

De inzet van de puinbreker leidt tot een toename van de uitstoot van stikstof naar de omgeving. Gezien de beperkte emissie op jaarbasis (ca. 144 kg NO X) en de grote afstand tot Natura2000-gebieden (ca. 4 kilometer) zijn relevante effecten op de natuurgebieden uitgesloten. Voor de inrichting als geheel wordt een melding onder het PAS (in het kader van de Wet natuurbescherming) verricht. 4.6 W a t e r , b o d e m , g e u r , e x t e r n e v e i l i g h e i d , a r c h e o l o g i e

De inzet van een puinbreker leidt niet tot relevante effecten met betrekking tot bodem, geur, externe veiligheid of archeologie.

F 20641-2-RA-002 14

5

Uitvoerbaarheid

5.1 E c o n o m i s c h e u i t v o e r b a a r h e i d

Tussen de gemeente en de initiatiefnemer wordt een anterieure overeenkomst gesloten, op basis waarvan het project geheel voor rekening en risico van de initiatiefnemer wordt gerealiseerd. In deze overeenkomst zijn afspraken gemaakt over de uit te voeren werkzaamheden ten behoeve van het project en het kostenverhaal met betrekking tot planschade. Daarmee is het verhaal van de kosten van de grondexploitatie voor dit gebied verzekerd en is de economische uitvoerbaarheid van het plan gegarandeerd. 5.2 M a a t s c h a p p e l i j k e u i t v o e r b a a r h e i d

De omgevingsvergunning die voor het voorgenomen initiatief wordt verleend, doorloopt de wettelijke voorbereidingsprocedure. De ontwerp-vergunning zal gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. In deze periode kan een ieder zijn of haar zienswijze kenbaar maken, alvorens een definitief besluit genomen wordt.

F 20641-2-RA-002 15

6

Conclusie Op basis van het vigerende bestemmingsplan “Bedrijventerreinen De Hoge Brug, Taaiendijk en Sluisweg” zijn de voorgenomen puinbreekactiviteiten niet toegestaan. Zoals uit voorliggende ruimtelijke onderbouwing blijkt, bestaan tegen de voorgenomen ontwikkelingen echter geen stedenbouwkundige, planologische of milieuhygiënische bezwaren; er is sprake van “goede ruimtelijke ordening”. Er kan derhalve middels de afgifte van een omgevingsvergunning medewerking verleend worden aan het verzoek tot afwijking van het bestemmingsplan.

Mook, Dit rapport bevat: 16 pagina's.

F 20641-2-RA-002 16

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9545000/1