CConstaterende datHeumen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage I Planregels Omgevingsplan Gemeente Heumen, deel t.g.v. wijzigingsbesluit Werklandschap Overasselt

Raad 5 juni 2025, gemeente HeumenBij agendapunt: Vaststellen wijzigingsbesluit Omgevingsplan Werklandschap Overasselt (deelgebied fase 1)32.129 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Omgevingsplan gemeente Heumen Regeling

Hoofdstuk 1 ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

1.

Bijlage I bij dit omgevingsplan bevat begripsbepalingen voor de toepassing van dit omgevingsplan.

2.

Artikel 1.1 van het Omgevingsbesluit, artikel 1.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, artikel 1.1 van

󰇙

het Besluit activiteiten leefomgeving en artikel 1.1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving, zijn van overeenkomstige toepassing op dit omgevingsplan, tenzij in bijlage I daarvan is afgeweken.

Artikel 1.2 Meet- en rekenbepalingen Bijlage II bij dit omgevingsplan bevat meet- en rekenbepalingen voor de toepassing van dit omgevingsplan.

Artikel 1.3 Geometrische begrenzingen Bijlage III bij dit omgevingsplan bevat de geometrische begrenzingen voor de toepassing van dit omgevingsplan.

Hoofdstuk 2 Doelen

Afdeling 2.1 Doelen omgevingsplan

Artikel 2.1 Doelen omgevingsplan Dit omgevingsplan is, met het oog op de doelen van artikel 1.3 Omgevingswet, gericht op: a. het waarborgen van de veiligheid; b. het beschermen van de gezondheid; c. het waarborgen van een goed woon- en leefklimaat; d. het bevorderen van de verkeersveiligheid; e. het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen; f. het beperken van hinder; g. het beschermen van het uiterlijk aanzien van de openbare ruimte; h. het voorkomen van hinder en gevaar voor het wegverkeer; i. het beschermen van het openbaar groen;

j. het versterken van een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat; k. het stimuleren van een toekomstbestendige economische ontwikkeling; l. het kunnen benutten van de openbare ruimte; m. het bieden van ruimte voor beheer en onderhoud; n. het voorkomen of beëindigen van overlast; o. het bereiken van een hoge kwaliteit van het openbaar gebied; en p. het beschermen van het milieu.

Hoofdstuk 3 Programma's

󰆉

Hoofdstuk 4 Aanwijzingen in de fysieke leefomgeving

Afdeling 4.1 Algemene bepalingen

Artikel 4.1 Toepassingsbereik Een paragraaf in hoofdstuk 5 is alleen van toepassing voor zover dat in Hoofdstuk 4 is bepaald.

Artikel 4.2 Normadressaat Aan de hoofdstukken 4 tot en met 8 wordt voldaan door degene die de activiteit verricht, tenzij anders is bepaald. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.

Artikel 4.3 Specifieke zorgplicht Degene die een activiteit als bedoeld in dit hoofdstuk verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de oogmerken, met het oog waarop de regels in de betreffende titel, afdeling of paragraaf zijn gesteld, is verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover deze niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten, voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

Artikel 4.4 Algemene gegevens bij een melding Een melding wordt ondertekend en bevat ten minste: a. de aanduiding van de activiteit; b. de naam en het adres van degene die de activiteit verricht; c. het adres waarop de activiteit wordt verricht; en

d. de dagtekening.

Artikel 4.5 Algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden Als gegevens en bescheiden worden verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders, worden die ondertekend en voorzien van: a. de aanduiding van de activiteit; b. de naam en het adres van degene die de activiteit verricht; c. het adres waarop de activiteit wordt verricht; en d. de dagtekening.

Artikel 4.6 Gegevens bij het wijzigen van naam, adres of normadressaat

1.

Voordat de naam of het adres, bedoeld in de artikelen 4.4 of 4.5, wijzigen, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

2.

Ten minste vier weken voor de activiteit door een ander zal gaan worden verricht, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 4.7

1.

Gegevens en bescheiden op verzoek van het college van burgemeester en wethouders

Op verzoek van het college van burgemeester en wethouders worden de gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn om te bezien of de algemene regels in dit hoofdstuk en maatwerkvoorschriften op grond van dit hoofdstuk voor de activiteit toereikend zijn, gezien de ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van de fysieke leefomgevingen de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van de fysieke leefomgeving.

2.

Gegevens en bescheiden worden verstrekt voor zover degene die de activiteit verricht er redelijkerwijs de beschikking over kan krijgen.

Artikel 4.8 Gegevens en bescheiden bij een ongewoon voorval

1.

Zodra de volgende gegevens en bescheiden bekend zijn, worden ze verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders: a. informatie over de oorzaken van het ongewoon voorval en de omstandigheden waaronder het ongewoon voorval zich heeft voorgedaan; b. informatie over de vrijgekomen stoffen en hun eigenschappen; c. andere gegevens die nodig zijn om de aard en de ernst van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving te kunnen inschatten; en

d. informatie over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om de nadelige gevolgen van het ongewoon voorval te voorkomen als bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet.

2.

Het eerste lid geldt niet voor milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Afdeling 4.2 Thema's

Afdeling 4.3 Gebiedstypen

Paragraaf 4.3.1 Algemeen

Artikel 4.9 Toepassingsbereik

1.

Deze afdeling gaat over de volgende activiteiten met gebruiksruimte: a. agrarische activiteiten; b. bedrijfsactiviteiten; c. detailhandelsactiviteiten; d. dienstverleningsactiviteiten; e. horeca-activiteiten; f. infrastructuuractiviteiten; g. kantooractiviteiten; h. maatschappelijke activiteiten; i. recreatie-activiteiten; j. sportactiviteiten; en k. woonactiviteiten.

2.

Deze afdeling gaat niet over het verrichten van activiteiten met gebruiksruimte binnen openbaar toegankelijk gebied.

Paragraaf 4.3.2 Bedrijventerrein

Artikel 4.10 Aanwijzing gebiedstype Er is een gebiedstype 'bedrijventerrein'.

Artikel 4.11 Doelen

Binnen het bedrijventerrein gelden de volgende doelen, bedoeld in artikel 2.1: a. het waarborgen van een gezonde fysieke leefomgeving en een aantrekkelijk woon- en leefklimaat; b. het bevorderen van een goede bereikbaarheid; c. het waarborgen van de veiligheid; d. het beperken van hinder; e. het kunnen benutten van de openbare ruimte; f. het stimuleren van een toekomstbestendige economische ontwikkeling; en g. het versterken van een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat.

Artikel 4.12 Insluiten activiteiten met gebruiksruimte

󰆉

Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties worden binnen het bedrijventerrein, voor zover het gaat om activiteiten met gebruiksruimte als bedoeld in artikel 4.9, alleen de volgende activiteiten verricht: a. bedrijfsactiviteiten; b. detailhandelsactiviteiten; c. dienstverleningsactiviteiten; d. kantooractiviteiten; e. sportactiviteiten; en f. woonactiviteiten.

Artikel 4.13 Bedrijfsactiviteiten

1.

Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties worden de volgende bedrijfsactiviteiten niet verricht: a. Seveso-inrichtingen; b. activiteiten met betrekking tot een ippc-installatie; c. activiteiten die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken als bedoeld in artikel 5.78b van het Besluit kwaliteit leefomgeving; d. mer-plichtige of mer-beoordelingsplichtige activiteiten als bedoeld in afdeling 11.2 van het Omgevingsbesluit; en e. activiteiten met externe veiligheidsrisico's als bedoeld in bijlage VII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving.

2.

Bij het verrichten van bedrijfsactiviteiten wordt voldaan aan: a. paragraaf 5.2.1 Geluidveroorzakende activiteit verrichten - bedrijventerrein; b. paragraaf 5.2.2 Geluidveroorzakende activiteit verrichten - milieuzonering; c. paragraaf 5.2.5 Gebouw met parkeerbehoefte toevoegen - bedrijventerrein; en d. paragraaf 5.4.1 Bedrijfsactiviteit verrichten - bedrijventerrein.

Artikel 4.14 Detailhandelsactiviteiten

󰆉

1.

Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties worden detailhandelsactiviteiten alleen verricht als deze productiegebonden zijn en functioneel ondersteunend zijn aan een andere activiteit met gebruiksruimte die op grond van artikel 4.12 is ingesloten binnen het bedrijventerrein.

2.

Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bij detailhandelsactiviteiten voldaan aan: a. paragraaf 5.2.1 Geluidveroorzakende activiteit verrichten - bedrijventerrein; b. paragraaf 5.2.5 Gebouw met parkeerbehoefte toevoegen - bedrijventerrein; en c. paragraaf 5.5.1 Detailhandelsactiviteiten - bedrijventerrein.

Artikel 4.15 Dienstverleningsactiviteiten

1.

Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties worden

󰆉

dienstverleningsactiviteiten alleen verricht als deze functioneel ondersteunend zijn aan het verrichten van een sportactiviteit. 2.

Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bij detailhandelsactiviteiten voldaan aan: a. paragraaf 5.2.1 Geluidveroorzakende activiteit verrichten - bedrijventerrein; en b. paragraaf 5.2.5 Gebouw met parkeerbehoefte toevoegen - bedrijventerrein.

Artikel 4.16 Kantooractiviteiten Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bij kantooractiviteiten voldaan aan: a. paragraaf 5.2.1 Geluidveroorzakende activiteit verrichten - bedrijventerrein; b. paragraaf 5.2.5 Gebouw met parkeerbehoefte toevoegen - bedrijventerrein; en c. paragraaf 5.9.1 Kantooractiviteit verrichten - bedrijventerrein.

Artikel 4.17 Sportactiviteiten Bij het verrichten van bedrijfsactiviteiten wordt voldaan aan: a. paragraaf 5.2.1 Geluidveroorzakende activiteit verrichten - bedrijventerrein; b. paragraaf 5.2.2 Geluidveroorzakende activiteit verrichten - milieuzonering; c. paragraaf 5.2.5 Gebouw met parkeerbehoefte toevoegen - bedrijventerrein; en d. paragraaf 5.12.1 Sportactiviteit verrichten - bedrijventerrein.

Artikel 4.18 Woonactiviteiten Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bij woonactiviteiten voldaan aan: a. paragraaf 5.2.3 Geluidgevoelig gebouw toevoegen - bedrijventerrein; b. paragraaf 5.2.4 Geluidgevoelig gebouw toevoegen binnen een aandachtsgebied - bedrijventerrein;

c. paragraaf 5.2.5 Gebouw met parkeerbehoefte toevoegen - bedrijventerrein; d. paragraaf 5.13.1 Wonen - bedrijventerrein; en e. paragraaf 5.13.2 Beroep of bedrijf aan huis uitoefenen - bedrijventerrein.

Hoofdstuk 5 Activiteiten met gebruiksruimte

Afdeling 5.1 Algemene bepalingen

Afdeling 5.2 Gebruiksruimte: activiteitoverstijgend

Paragraaf 5.2.1 Geluidveroorzakende activiteit verrichten - bedrijventerrein

Artikel 5.1 Toepassingsbereik

1. 2.

Deze paragraaf gaat over het verrichten van activiteiten met gebruiksruimte die geluid veroorzaken.

Deze paragraaf gaat niet over: a. evenementen die niet plaatsvinden op een locatie voor evenementen; b. windturbines en windparken; c. civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen; d. spoorvoertuigen op spoorwegemplacementen die onderdeel zijn van een hoofdspoorweg of een bij omgevingsverordening aangewezen lokale spoorweg; e. doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen; f. de inzet van motorvoertuigen of helikopters voor spoedeisende medische hulpverlening, ongevallenbestrijding, brandbestrijding, gladheidbestrijding en het vrijmaken van de weg na een ongeval; g. onversterkt menselijk stemgeluid, tenzij het muziekgeluid is of daarmee vermengd is; en h. festiviteiten als bedoeld in de artikelen 4:2 en 4:3 van de Algemene plaatselijke verordening.

Artikel 5.2 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het realiseren van een aanvaardbaar akoestisch klimaat; en b. het beschermen tegen geluidhinder.

󰆉

Artikel 5.3 Waar waarden gelden

1.

De waarden in deze paragraaf voor het geluid door een activiteit gelden, tenzij anders bepaald: a. op een geluidgevoelig gebouw dat op grond van dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is toegelaten, anders dan een woonschip of woonwagen: 1. als het gaat om een geluidgevoelig gebouw: op de gevel; of 2. als het gaat om een nieuw te bouwen geluidgevoelig gebouw: op de locatie waar een gevel mag komen; en b. op een woonschip of woonwagen: op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van dat woonschip of die woonwagen.

2.

De waarden in deze paragraaf voor het geluid door een activiteit gelden niet voor: a. het geluid op een niet-geluidgevoelige gevel; en b. het geluid van een activiteit op geluidgevoelige gebouwen met een functionele binding of voormalige functionele binding met die activiteit.

Artikel 5.4 Samenhangende activiteiten In deze paragraaf worden voor de regels over geluid als één activiteit beschouwd: a. activiteiten als bedoeld in de afdelingen 3.3 tot en met 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving; of b. als het gaat om andere activiteiten dan bedoeld onder a, meerdere activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die: 1. rechtstreeks met elkaar samenhangen en met elkaar in technisch verband staan; of 2. elkaar functioneel ondersteunen.

Artikel 5.5 Geluid op een geluidgevoelig gebouw

1.

Bij het verrichten van de activiteit is het geluid op geluidgevoelige gebouwen voor zover deze zijn gelegen binnen het bedrijventerrein niet meer dan de waarden, bedoeld in tabel 5.5a.

Tabel 5.5a

Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door aandrijfgeluid van transportmiddelen

07.00-

19.00-

23.00-

19.00 uur

23.00 uur

07.00 uur

55 dB (A)

50 dB (A)

45 dB (A)

-

75 dB (A)

75 dB (A)

Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door andere piekgeluiden

2.

-

70 dB (A)

70 dB (A)

Bij het verrichten van de activiteit is het geluid op geluidgevoelige gebouwen voor zover deze zijn gelegen buiten het bedrijventerrein niet meer dan de waarden, bedoeld in tabel 5.5b.

Tabel 5.5b

07.00-

19.00-

23.00-

19.00 uur

23.00 uur

07.00 uur

50 dB (A)

45 dB (A)

40 dB (A)

-

70 dB (A)

70 dB (A)

-

65 dB (A)

65 dB (A)

Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door aandrijfgeluid van transportmiddelen Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door andere piekgeluiden

󰆉

Artikel 5.6 Geluid binnen een aanpandig gebouw Bij het verrichten van de activiteit is het geluid in geluidgevoelige ruimten binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen niet meer dan de waarden, bedoeld in tabel 5.6.

Tabel 5.6

Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door aandrijfgeluid van transportmiddelen Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door andere piekgeluiden

07.00-19.00

19.00-23.00

23.00-07.00

uur

uur

uur

35 dB (A)

30 dB (A)

25 dB (A)

-

55 dB (A)

55 dB (A)

-

45 dB (A)

45 dB (A)

Paragraaf 5.2.2 Geluidveroorzakende activiteit verrichten - milieuzonering

Artikel 5.7 Toepassingsbereik De regels in deze paragraaf zijn van toepassing op het verrichten van een geluidveroorzakende activiteit, met uitzondering van geluid door: a. civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen; b. windturbines en windparken; en c. civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen.

Artikel 5.8 Oogmerken De regels in deze paragraaf worden gesteld met het oog op: a. het bieden van voldoende ruimte voor activiteiten met gebruiksruimte; en b. het beschermen tegen geluidhinder.

󰆉

Artikel 5.9 Samenhangende activiteiten In deze paragraaf worden voor de regels over geluid als één activiteit beschouwd:

a. activiteiten als bedoeld in de afdelingen 3.3 tot en met 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving; of b. als het gaat om andere activiteiten dan bedoeld onder a, meerdere activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die: 1. rechtstreeks met elkaar samenhangen en met elkaar in technisch verband staan; of 2. elkaar functioneel ondersteunen.

Artikel 5.10 Geluidruimte

1.

Bij het verrichten van een activiteit binnen een zone ‘geluid basis’ is het geluid niet meer dan de waarden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT, in tabel 5.10. De waarden gelden op de in de tabel aangegeven afstand van de grens van de locatie waar de activiteit wordt verricht.

Tabel 5.10

2.

Zone

Afstand

07.00-19.00 uur 19.00-23.00 uur 23.00-07.00 uur

'geluid basis'

50 meter 50 dB(A)

45 dB(A)

40 dB(A)

󰆉

Voor zover de in het eerste lid bedoelde activiteit is gelegen binnen een afstand van 50 meter van een woongebied gelden de in tabel 5.10 gegeven geluidwaarden op de grens met dat woongebied. 3.

Bij de toepassing van dit artikel wordt geen rekening gehouden met het effect van bebouwing die aanwezig is in het gebied buiten de grens van de locatie waar de activiteit wordt verricht.

4.

De geluidwaarden in dit artikel gelden op een hoogte van 5, 10 en 30 meter boven het plaatselijk maaiveld. Als voor een activiteit op een andere hoogte een hogere geluidbelasting optreedt, gelden de waarden ook op de voor de activiteit maatgevende rekenhoogte.

Artikel 5.11 Vergunningplicht afwijken van waarden met een omgevingsvergunning Het is verboden zonder omgevingsvergunning af te wijken van de waarden, bedoeld in artikel 5.10.

󰆉

Artikel 5.12 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

a. een akoestisch rapport, waaruit blijkt hoe hoog de geluidbelasting op de op grond van artikel 5.10 geldende afstanden en geluidgevoelige gebouwen is; en b. een rapport, waarin inzicht wordt gegeven in de haalbaarheid van bron- en overdrachtsmaatregelen ter beperking van het geluid op de op grond van artikel 5.10 geldende afstanden en de geluidgevoelige gebouwen.

Artikel 5.13 Beoordelingsregels omgevingsvergunning

1.

De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als: a. onevenredig ingrijpende maatregelen nodig zijn om te voldoen aan de waarden; b. alle maatregelen die redelijkerwijs mogelijk zijn om de geluidsbelasting zoveel mogelijk te verminderen worden getroffen; en c. de geluidbelasting op geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar is.

2.

Van een aanvaardbare geluidbelasting als bedoeld in het eerste lid, onder c, is alleen sprake als de geluidbelasting: a. niet meer dan 10 dB hoger is dan de waarden, bedoeld in artikel 5.10; en b. niet leidt tot overschrijding van de waarden voor geluidgevoelige ruimten binnen geluidgevoelige gebouwen, bedoeld in tabel 5.13.

Tabel 5.13

Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten

07.00-

19.00-

23.00-

19.00 uur

23.00 uur

07.00 uur

35 dB (A)

30 dB (A)

25 dB (A)

Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door aandrijfgeluid van transportmiddelen Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door andere piekgeluiden

3.

-

55 dB (A)

55 dB (A)

-

45 dB (A)

45 dB (A)

Het tweede lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op aanwezige geluidgevoelige gebouwen, als: a. maatregelen aan de gevel om voor dat gebouw te voldoen aan de waarden, bedoeld in tabel 5.13, leiden tot zwaarwegende bezwaren van bouwkundige aard; b. de eigenaar weigert mee te werken aan het onderzoek naar het geluid in zijn gebouw door activiteiten en naar de noodzakelijke geluidwerende maatregelen; of c. de eigenaar weigert geluidwerende maatregelen te laten aanbrengen.

Paragraaf 5.2.3 Geluidgevoelig gebouw toevoegen

Artikel 5.14 Toepassingsbereik

󰆉

Deze paragraaf gaat over het toevoegen van een geluidgevoelig gebouw.

Artikel 5.15 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. een aanvaardbaar akoestisch klimaat; en b. het beschermen tegen geluidhinder.

Artikel 5.16 Waar waarden gelden

1.

De waarden in deze paragraaf voor het geluid door een activiteit gelden, tenzij anders bepaald: a. Op een geluidgevoelig gebouw dat op grond van dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is toegelaten, anders dan een woonschip of woonwagen: 1. als het gaat om een geluidgevoelig gebouw: op de gevel; of 2. als het gaat om een nieuw te bouwen geluidgevoelig gebouw: op de locatie waar een gevel mag komen; en b. op een woonschip of woonwagen: op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van dat woonschip of die woonwagen.

2.

De waarden in deze paragraaf voor het geluid door een activiteit gelden niet voor:

a. het geluid op een niet-geluidgevoelige gevel; en b. het geluid van een activiteit op geluidgevoelige gebouwen met een functionele binding of voormalige functionele binding met die activiteit.

Artikel 5.17 Geluid op een geluidgevoelig gebouw Bij het toevoegen van een geluidgevoelig gebouw is het geluid door activiteiten niet meer dan de waarden, bedoeld in de tabellen 5.17a en 5.17b.

Tabel 5.17a

Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door aandrijfgeluid van transportmiddelen Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door andere piekgeluiden

07.00-19.00

19.00-23.00

23.00-07.00

uur

uur

uur

55 dB (A)

50 dB (A)

45 dB (A)

-

75 dB (A)

75 dB (A)

-

70 dB (A)

70 dB (A)

07.00-19.00

19.00-23.00

23.00-07.00

uur

uur

uur

35 dB (A)

30 dB (A)

25 dB (A)

-

55 dB (A)

55 dB (A)

-

45 dB (A)

45 dB (A)

Tabel 5.17b

Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door aandrijfgeluid van transportmiddelen Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door andere piekgeluiden

Artikel 5.18 Meldingsplicht

1.

Het is verboden een geluidgevoelig gebouw toe te voegen zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden. 2.

Een melding bevat een akoestisch rapport waaruit blijkt dat wordt voldaan aan de waarden, bedoeld in tabel 5.17.

Paragraaf 5.2.4 Geluidgevoelig gebouw toevoegen binnen een geluidaandachtsgebied

Artikel 5.19 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over het toevoegen van een geluidgevoelig gebouw binnen een geluidaandachtsgebied van een weg.

Artikel 5.20 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. een aanvaardbaar akoestisch klimaat; en b. het beschermen tegen geluidhinder.

Artikel 5.21 Waar waarden gelden De waarden in deze paragraaf voor het geluid door een activiteit gelden, tenzij anders bepaald: a. Op een geluidgevoelig gebouw dat op grond van dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is toegelaten, anders dan een woonschip of woonwagen: 1. als het gaat om een geluidgevoelig gebouw: op de gevel; of 2. als het gaat om een nieuw te bouwen geluidgevoelig gebouw: op de locatie waar een gevel mag komen; en b. op een woonschip of woonwagen: op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van dat woonschip of die woonwagen.

Artikel 5.22 Standaardwaarde geluid op een geluidgevoelig gebouw

1.

Bij het toevoegen van een geluidgevoelig gebouw is het geluid niet meer dan de waarde, bedoeld in tabel 5.22.

Tabel 5.22

Geluidbronsoort Provinciale wegen Rijkswegen

Waarde 50 Lden

Gemeentewegen 53 Lden Waterschapswegen

2.

Voor een geluidgevoelig gebouw als bedoeld in artikel 3.21, eerste lid, onder b of d, van het Besluit kwaliteit leefomgeving waarvan het gebruik in de nachtperiode in het omgevingsplan is uitgesloten: a. gelden de waarden in Lnight niet; en b. wordt in tabel 5.22 gelezen voor «Lden»: »Lde».

3.

Voor een geluidgevoelig gebouw als bedoeld in artikel 3.21, eerste lid, onder b of d, van het Besluit kwaliteit leefomgeving waarvan het gebruik in de avondperiode en de nachtperiode in het omgevingsplan is uitgesloten: a. gelden de waarden in Lnight niet; en b. wordt in tabel 5.22 gelezen voor «Lden»: «Lday».

Artikel 5.23 Eisen aan geluidgevoelig gebouw

1.

󰆉

Het geluidgevoelige gebouw heeft ten minste één geluidluwe zijde met de waarde, bedoeld in tabel 5.22.

2.

Ten minste één slaapvertrek grenst aan een geluidluwe zijde als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 5.24 Meldingsplicht

1.

Het is verboden een geluidgevoelig gebouw toe te voegen waarbij voldaan wordt aan de waarde, bedoeld in tabel 5.22, zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Een melding bevat een akoestisch rapport waaruit blijkt dat wordt voldaan aan de waarden, bedoeld in tabel 5.22.

Artikel 5.25 Aanwijzing vergunningplichtige gebouwen Het is verboden zonder omgevingsvergunning een geluidgevoelig gebouw toe te voegen binnen een geluidaandachtsgebied, als daarbij niet wordt voldaan aan de waarde, bedoeld in tabel 5.22.

Artikel 5.26 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een akoestisch rapport waaruit blijkt: 1. dat wordt voldaan aan de waarde, bedoeld in tabel 5.27; en 2. wat het gezamenlijke geluid op de gevel van het geluidgevoelige gebouw is; b. het beoogde gebruik van het bouwwerk en de bijbehorende gronden waarop de aanvraag betrekking heeft; c. bij grondgebonden woningen: het geluid op de gevel van de begane grond; d. bij gestapelde woningen: het geluid op de gevel ter plaatse van te openen delen; en

e. het aantal woningen of de bruto vloeroppervlak in m2 van de activiteit.

Artikel 5.27 Beoordelingsregels omgevingsvergunning

1.

De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als: a. geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de waarde, bedoeld in tabel 5.22 te voldoen; b. de overschrijding van de waarde, bedoeld in tabel 5.22 door het treffen van geluidbeperkende maatregelen zoveel mogelijk wordt beperkt; c. het geluid niet meer is dan de grenswaarden, bedoeld in tabel 5.27; en d. het gecumuleerde geluid, bedoeld in artikel 3.38 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, op het geluidgevoelige gebouw aanvaardbaar is.

Tabel 5.27

Geluidbron soort

Waarde

Provinciale wegen Rijkswege

60 Lden

n Gemeente wegen Waterscha

70 Lden

pswegen

2.

Bij de toepassing van het eerste lid wordt het belang van het beschermen van de gezondheid door een geluidluwe gevel betrokken.

Artikel 5.28 Voorschrift omgevingsvergunning Aan een omgevingsvergunning wordt in ieder geval een voorschrift verbonden waarin het gezamenlijke geluid, bedoeld in artikel 3.39, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, op de gevel van het geluidgevoelige gebouw wordt vastgelegd.

Paragraaf 5.2.5

Gebouw of terrein met parkeerbehoefte toevoegen en in stand houden bedrijventerrein

Artikel 5.29 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het toevoegen en in stand houden van een gebouw of terrein met parkeerbehoefte.

Artikel 5.30 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het realiseren en in stand houden van voldoende parkeergelegenheid; b. het behoeden van de staat en werking van de openbare weg voor nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die weg; c. het bevorderen van de verkeersveiligheid; d. het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte; e. het beperken van hinder; en f. het beschermen van het uiterlijk aanzien van het openbaar toegankelijk gebied.

Artikel 5.31 Algemene regels

1.

Bij het toevoegen of instandhouden van een gebouw of terrein met parkeerbehoefte wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein.

2.

Er is sprake van voldoende parkeergelegenheid als wordt vandaan aan de parkeernormen, bedoeld in bijlage IV.

Artikel 5.32 Meldingsplicht

1.

Het is verboden een gebouw of terrein met een parkeerbehoefte toe te voegen zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan van te melden.

2.

Een melding bevat: a. een beschrijving van de voorgenomen activiteit; en b. een onderbouwing dat kan worden voldaan aan artikel 5.31.

Afdeling 5.3 Agrarische activiteiten

Afdeling 5.4 Bedrijfsactiviteiten

Paragraaf 5.4.1 Bedrijfsactiviteit verrichten - bedrijventerrein

Artikel 5.33 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het verrichten van een bedrijfsactiviteit.

Artikel 5.34 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het waarborgen van een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat; b. het stimuleren van een duurzame economische ontwikkeling; c. het beperken van hinder; en d. het beschermen van het uiterlijk aanzien van de openbare ruimte;

Artikel 5.35 Verbod

󰆉

Het is verboden bedrijfsactiviteiten te verrichten: a. die uitsluitend of hoofdzakelijk bestaan uit het opslaan van goederen; of b. waardoor aanzienlijke geurhinder wordt veroorzaakt.

Artikel 5.36 Algemene regels

1.

Er worden alleen bedrijfsactiviteiten verricht voor zover het gaat om een aan bouw- en nijverheid gerelateerde bedrijfsactiviteit.

2.

Een bedrijfsactiviteit wordt verricht binnen ten hoogste één in de locatie 'bedrijfskavels'

󰆉

opgenomen vlak. 3.

Het laden en lossen dat wordt verricht in het kader van de bedrijfsactiviteit vindt alleen plaats op eigen terrein.

4.

De opslag van goederen die worden gebruikt voor de bedrijfsactiviteit ter plaatse vindt uitsluitend plaats achter de achtergevel van de bedrijfsgebouwen.

Artikel 5.37 Meldingsplicht

1.

Het is verboden een bedrijfsactiviteit te starten of te wijzigen zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Een melding bevat: a. een beschrijving van de voorgenomen activiteit; b. de omvang van de voorgenomen activiteit; en c. een onderbouwing dat kan worden voldaan aan de regels in artikel 5.36.

Afdeling 5.5 Detailhandelsactiviteiten

Paragraaf 5.5.1 Detailhandelsactiviteit verrichten - bedrijventerrein

Artikel 5.38 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over het verrichten van een detailhandelsactiviteit.

Artikel 5.39 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het waarborgen van een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat; b. het stimuleren van een duurzame economische ontwikkeling; c. het beperken van hinder; en d. het voorkomen van hinder en gevaar voor het wegverkeer.

Artikel 5.40 Algemene regels

1.

Detailhandelsactiviteiten in voedings- en genotsmiddelen worden niet verricht.

2.

Het laden en lossen dat wordt verricht in het kader van de detailhandelsactiviteit vindt alleen plaats op eigen terrein.

Artikel 5.41 Meldingsplicht

1.

Het is verboden een detailhandelsactiviteit te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Een melding bevat: a. een beschrijving van de voorgenomen activiteit; b. de omvang van de voorgenomen activiteit; en c. een onderbouwing dat kan worden voldaan aan de regels in artikel 5.40.

Afdeling 5.6 Dienstverleningsactiviteiten

Afdeling 5.7 Horeca-activiteiten

Afdeling 5.8 Infrastructuuractiviteiten

Afdeling 5.9 Kantooractiviteiten

Paragraaf 5.9.1 Kantooractiviteit verrichten - bedrijventerrein

Artikel 5.42 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over het verrichten van een kantooractiviteit.

Artikel 5.43 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het waarborgen van een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat; b. het stimuleren van een duurzame economische ontwikkeling; en c. het beperken van hinder.

Artikel 5.44 Algemene regels

1.

Kantooractiviteiten worden verricht op ten hoogste 7 in de locatie 'bedrijfskavels' opgenomen vlakken.

2.

Bij overschrijding van het aantal, bedoeld in het eerste lid, is degene die als laatste de melding, bedoeld in artikel 5.45, heeft gedaan, verantwoordelijk voor de naleving van het aantal.

3.

Dit artikel is niet van toepassing op kantooractiviteiten die: a. functioneel ondersteunend zijn aan een bedrijfsactiviteit die ter plaatse wordt verricht; en b. een brutovloeroppervlakte hebben van niet meer dan 20% van de brutovloeroppervlakte van het bedrijf.

Artikel 5.45 Meldingsplicht

1.

Het is verboden een kantooractiviteit als bedoeld in artikel 5.44 te starten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Een melding bevat: a. een beschrijving van de voorgenomen activiteit; en b. een onderbouwing dat wordt voldaan aan artikel 5.44.

Afdeling 5.10 Maatschappelijke activiteiten

Afdeling 5.11 Recreatie-activiteiten

Afdeling 5.12 Sportactiviteiten

Paragraaf 5.12.1 Sportactiviteit verrichten - bedrijventerrein

Artikel 5.46 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het verrichten van sportactiviteiten.

Artikel 5.47 Locaties voor sportscholen

󰆉

Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties worden sportactiviteiten uitsluitend verricht voor zover het gaat om het exploiteren van een sportschool en ter plaatse van de locatie 'sportschool'.

Afdeling 5.13 Woonactiviteiten

Paragraaf 5.13.1 Wonen - bedrijventerrein

Artikel 5.48 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over het wonen.

Artikel 5.49 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het waarborgen van een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat; b. het stimuleren van een duurzame economische ontwikkeling; c. het beperken van hinder; d. het beschermen van de gezondheid; e. het bevorderen van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat; en f. het bevorderen van de bereikbaarheid van het gebied.

Artikel 5.50 Algemene regels

1.

Er wordt alleen gewoond: a. in een bedrijfswoning; en

b. binnen de locatie 'bedrijfswoning', waarbij per in de locatie 'bedrijfskavels' opgenomen vlak ten hoogste één bedrijfswoning aanwezig is.

2.

In afwijking van het eerste lid kan ter plaatse van de locatie 'woning regulier' worden gewoond.

Paragraaf 5.13.2 Beroep of bedrijf aan huis uitoefenen - bedrijventerrein

Artikel 5.51 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over het uitoefenen van een beroep of bedrijf aan huis.

Artikel 5.52 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het waarborgen van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat; b. het beschermen van de gezondheid; c. het beperken van hinder; en d. het bieden van ruimte aan economische activiteiten.

Artikel 5.53 Specifieke zorgplicht De specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 4.3, houdt voor het uitoefenen van beroep of bedrijf aan huis in ieder geval in dat: a. onevenredige toename van de verkeersbelasting in de omgeving wordt voorkomen; b. geluidhinder wordt voorkomen of beperkt; c. de activiteit geen afbreuk doet aan het woonkarakter van de omgeving; d. er geen onevenredige verstoring plaatsvindt in de voorzieningenstructuur van de wijk of de kern; en e. voldoende parkeergelegenheid wordt gerealiseerd op eigen terrein.

Artikel 5.54 Algemene regels beroep of bedrijf aan huis

1.

De bruto oppervlakte waarop het beroep of bedrijf aan huis wordt uitgeoefend is ten hoogste

󰆉

40% van de vloeroppervlakte van de woning en de bijbehorende bouwwerken bij die woning, tot een maximum van 50 m². 2.

Er is geen vitrine, etalage of lichtreclame ten behoeve van het beroep of bedrijf aan huis.

3.

Er zijn niet meer dan twee medewerkers aanwezig ten behoeve van het uitvoeren van het beroep of bedrijf aan huis.

4.

Er wordt geen bedrijfsmateriaal buiten opgeslagen.

5.

Een beroep of bedrijf aan huis in de vorm van een seks-, porno- of prostitutiebedrijf is niet toegestaan.

Artikel 5.55 Algemene regels verkoop van producten

1.

Bij het beroep aan huis worden alleen producten aan huis verkocht die ter plaatse zijn vervaardigd, verwerkt of bewerkt in verband met de aan huis gebonden beroeps- of bedrijfsmatige activiteit.

2.

Er is geen winkel- of uitstallingsruimte van producten ten behoeve van de activiteit.

Hoofdstuk 6 Bouw-, aanleg- en sloopactiviteiten

Hoofdstuk 7 Milieubelastende activiteiten

Hoofdstuk 8 Overige activiteiten

Hoofdstuk 9 Beheer en onderhoud

Hoofdstuk 10 Financiële bepalingen

Hoofdstuk 11 Procedureregels

Hoofdstuk 12 Handhaving

Hoofdstuk 13 Monitoring en informatie

Hoofdstuk 14 Overgangsrecht

Afdeling 14.1 Overgangsrecht algemeen

Paragraaf 14.1.1 Lopende procedures, besluiten op aanvraag of ambtshalve

Artikel 14.1 Lopende procedures, besluiten op aanvraag of ambtshalve

1.

Als een wijziging van dit omgevingsplan op een activiteit van toepassing is en voor dat moment een aanvraag om een besluit voor die activiteit is ingediend, blijft het oude recht van toepassing: a. als tegen het besluit beroep openstaat: tot het besluit onherroepelijk wordt; of b. als tegen het besluit geen beroep openstaat: tot het besluit van kracht wordt.

2.

Als een wijziging van dit omgevingsplan op een activiteit van toepassing is en voor dat moment een ontwerp van een ambtshalve te nemen besluit voor die activiteit ter inzage is gelegd op de voorbereiding waarvan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is, blijft het oude recht van toepassing: a. als tegen het besluit beroep openstaat: tot het besluit onherroepelijk wordt; of b. als tegen het besluit geen beroep openstaat: tot het besluit van kracht wordt.

3.

Als een wijziging van dit omgevingsplan op een activiteit van toepassing is en voor dat moment voor een ambtshalve te nemen besluit voor die activiteit toepassing is gegeven aan artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht of het besluit is bekendgemaakt, blijft het oude recht van toepassing: a. als tegen het besluit beroep openstaat: tot het besluit onherroepelijk wordt; of b. als tegen het besluit geen beroep openstaat: tot het besluit van kracht wordt.

Artikel 14.2 Overgangsrecht vergunningplichte activiteiten

1.

Als een wijziging van dit omgevingsplan op een activiteit van toepassing is, geldt een omgevingsvergunning voor die activiteit op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening, zoals die luidde direct voor dat moment, en die onherroepelijk is, als een omgevingsvergunning op grond van dit omgevingsplan, voor zover voor die activiteit een omgevingsvergunning is vereist.

2.

Als een wijziging van dit omgevingsplan op een activiteit van toepassing is, gelden de voorschriften uit een onherroepelijke omgevingsvergunning voor die activiteit op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening, zoals die luidde direct voor dat moment, als een maatwerkvoorschrift op grond van dit omgevingsplan, voor zover voor die activiteit geen omgevingsvergunning is vereist. Dit geldt alleen voor zover de gemeente over die activiteit maatwerkvoorschriften kan stellen op grond van dit omgevingsplan.

Artikel 14.3 Overgangsrecht meldingen, kennisgevingen en maatwerkvoorschriften

1.

Als een wijziging van dit omgevingsplan op een activiteit van toepassing is, geldt een melding of kennisgeving van die activiteit op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan of een

gemeentelijke verordening, zoals die luidde direct voor dat moment, als een melding op grond van dit omgevingsplan, voor zover voor die activiteit een melding is vereist. 2.

Als een wijziging van dit omgevingsplan op een activiteit van toepassing is, geldt een melding of kennisgeving van een activiteit op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening, zoals die luidde direct voor dat moment, als het verstrekken van informatie op grond van dit omgevingsplan, voor zover voor die activiteit een verplichting geldt om informatie te verstrekken.

3.

Als een wijziging van dit omgevingsplan op een activiteit van toepassing is, geldt een aanvraag om een ontheffing of vergunning voor een activiteit op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening, zoals die luidde direct voor dat moment, als een melding op grond van dit omgevingsplan, voor zover een melding is vereist.

4.

Als een wijziging van dit omgevingsplan op een activiteit van toepassing is, geldt een onherroepelijk maatwerkvoorschrift voor een activiteit op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening, zoals die luidde direct voor dat moment, als een maatwerkvoorschrift op grond van dit omgevingsplan. Dit geldt alleen voor zover de gemeente over die activiteit maatwerkvoorschriften kan stellen op grond van dit omgevingsplan.

Artikel 14.4 Overgangsrecht handhavingsbesluiten Als een wijziging van dit omgevingsplan op een activiteit van toepassing is en voor dat moment een overtreding heeft plaatsgevonden, een overtreding is aangevangen of het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigde, en een bestuurlijke sanctie is opgelegd voor die overtreding of dreigende overtreding, blijft het oude recht op die bestuurlijke sanctie van toepassing tot het tijdstip waarop: a. de beschikking onherroepelijk is geworden en volledig is uitgevoerd of ten uitvoer is gelegd; b. de beschikking is ingetrokken of is komen te vervallen; of c. als de beschikking gaat om de oplegging van een last onder dwangsom: 1. de last volledig is uitgevoerd; 2. de dwangsom volledig is verbeurd en betaald; of 3. de last is opgeheven.

Paragraaf 14.1.2 Eerbiedigende werking

Artikel 14.5 Eerbiedigende werking bouwwerken [gereserveerd]

Artikel 14.6 Eerbiedigende werking activiteiten met gebruiksruimte

1.

Als een wijziging van dit omgevingsplan van toepassing is op een activiteit met gebruiksruimte als bedoeld in afdeling 4.3 die al wordt verricht en die in strijd is met de op grond van die afdeling voor die activiteit aangewezen regels, mag die activiteit in strijd met die regels worden voortgezet zo lang de activiteit niet wordt gewijzigd.

2.

In afwijking van het eerste lid mag de activiteit worden gewijzigd, als:

󰆉

a. er geen andere activiteit met gebruiksruimte als bedoeld in artikel 4.9 wordt verricht; en b. de afwijking van de regels naar aard en omvang wordt verkleind.

3.

Het eerste en tweede lid gelden niet voor activiteiten die al in strijd zijn met het voorheen

󰆉

geldende omgevingsplan, met inbegrip van de overgangsbepalingen van dat plan. 4.

Het eerste en tweede lid gelden ook niet als dat elders in dit omgevingsplan is bepaald.

5.

Als de activiteit na het tijdstip, waarop de wijziging van het omgevingsplan van kracht is geworden, voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, wordt de activiteit daarna niet hervat.

Afdeling 14.2 Specifiek overgangsrecht

Paragraaf 14.2.1 Overgangsrecht Werklandschap Overasselt

Artikel 14.7 Persoonsgebonden overgangsrecht

󰆉

In afwijking van artikel 14.6 mogen de volgende activiteiten ongewijzigd worden voortgezet: a. het exploiteren van een ontharingssalon aan De Laan 10 in Overasselt, zo lang deze wordt geëxploiteerd door Ontharingssalon Melanie en degene die daarvan op het moment van terinzagelegging van het ontwerp van deze bepaling eigenaar is; b. het exploiteren van een schoonheidssalon aan De Laan 18b in Overasselt, zo lang deze wordt geëxploiteerd door Beauty Boskant en degene die daarvan op het moment van terinzagelegging van het ontwerp van deze bepaling eigenaar is; en c. het opslaan van goederen ten behoeve van een schildersbedrijf aan De Laan 18a in Overasselt, zo lang dit wordt gedaan door RJW onderhoud onroerend goed en degene die daarvan op het moment van terinzagelegging van het ontwerp van deze bepaling eigenaar is.

Afdeling 14.3 Voorrangsbepalingen

Artikel 14.8 Voorrangsbepaling tijdelijk deel omgevingsplan De regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de wet, over het verrichten van bedrijfsactiviteiten, detailhandelsactiviteiten, dienstverleningsactiviteiten, kantooractiviteiten, sportactiviteiten en woonactiviteiten zijn niet van toepassing voor zover daarover bij of krachtens afdeling 4.3 regels zijn gesteld.

Artikel 14.9 Beperking werking bruidsschat De volgende paragrafen zijn niet van toepassing op de locatie 'bedrijventerrein': a. paragraaf 22.3.4 Geluid;

󰆉

b. paragraaf 22.3.5 Trillingen; en c. paragraaf 22.3.6 Geur.

Hoofdstuk 15

Hoofdstuk 16

Hoofdstuk 17

Hoofdstuk 18

Hoofdstuk 19

Hoofdstuk 20

Hoofdstuk 21

Hoofdstuk 22 ACTIVITEITEN

Afdeling 22.1 ALGEMEEN

Artikel 22.1 Voorrangsbepaling

1.

De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet.

2.

De regels in afdeling 22.3 zijn niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover

voorschriften zijn verbonden aan: a. een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet onherroepelijke omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit; b. een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en na de inwerkingtreding van die wet onherroepelijk wordt.

Artikel 22.2

1.

Overgangsrecht: gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten

Voor de toepassing van de artikelen 22.28, eerste en tweede lid, 22.38, 22.286, 22.287, 22.289 tot en met 22.292 en 22.294 wordt onder gemeentelijk monument respectievelijk voorbeschermd gemeentelijk monument ook verstaan een monument of archeologisch monument dat op grond van een gemeentelijke verordening is aangewezen respectievelijk waarop, voordat het is aangewezen, die verordening van overeenkomstige toepassing is.

2.

Het eerste lid is van toepassing: a. als het gaat om een aangewezen monument of archeologisch monument: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven; en b. als het gaat om een monument of archeologisch monument waarop voordat het is aangewezen de verordening van overeenkomstige toepassing is: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven of dit omgevingsplan geen voorbeschermingsregel bevat vanwege het voornemen om die functie-aanduiding te geven.

Artikel 22.3 Overgangsrecht: rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten De artikelen 22.28, derde lid, en 22.38, aanhef en onder b, zijn van overeenkomstige toepassing op een activiteit als bedoeld in die artikelonderdelen die wordt verricht op een locatie waarvoor een op grond van artikel 4.35, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet als instructie geldende aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet van kracht is, zolang in dit omgevingsplan aan die locatie nog niet de functieaanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven.

Afdeling 22.2

ACTIVITEITEN MET BETREKKING TOT BOUWWERKEN, OPEN ERVEN EN TERREINEN

Paragraaf 22.2.1 Algemene bepalingen

Artikel 22.4 Maatwerkvoorschriften

1.

Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over deze afdeling, met uitzondering van bepalingen over meet- en rekenmethoden.

2.

Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen in deze afdeling.

Paragraaf 22.2.2 Verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden

Artikel 22.5 Uitzetten rooilijnen, bebouwingsgrenzen en straatpeil Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een omgevingsplanactiviteit is verleend wordt, onverminderd de aan de vergunning verbonden voorschriften, niet begonnen voordat voor zover nodig: a. de rooilijnen of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn uitgezet; en b. het straatpeil is uitgezet.

Artikel 22.6

Paragraaf 22.2.3 Bouwen en in stand houden van bouwwerken

Artikel 22.7 Repressief welstand

1.

Het uiterlijk van de volgende bouwwerken mag niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet gold: a. een bestaand bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is; en b. een te bouwen bouwwerk waarvoor geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing als het gaat om een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn.

Artikel 22.8 Aansluiting op distributienet voor elektriciteit

1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van elektriciteit in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor elektriciteit als de aansluitafstand niet groter is dan 100 m of groter is dan 100 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 100 m.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.

Artikel 22.9 Aansluiting op distributienet voor gas

1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van gas in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor gas als: a. artikel 10, zesde lid, onder a of b, van de Gaswet op de aansluiting van toepassing is; en b. de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.

Artikel 22.10 Aansluiting op distributienet voor warmte

1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid en de energiezuinigheid en de bescherming van het milieu is een te bouwen bouwwerk met een of meer verblijfsgebieden aangesloten op het in het warmteplan bedoelde distributienet voor warmte als: a. het in het warmteplan geplande aantal aansluitingen op het distributienet op het moment van de indiening van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk nog niet is bereikt; en b. de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.

2.

Een gelijkwaardige maatregel voor een aansluiting op het distributienet voor warmte heeft ten minste dezelfde mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu als wordt bereikt met de in het warmteplan voor die aansluiting opgenomen mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu.

3.

Onverminderd het vierde lid, zijn het eerste en tweede lid niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.

4.

Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van artikel 9.2, tiende lid, van het Bouwbesluit 2012 voor een gebied een aansluitplicht op het distributienet voor warmte geldt, blijft die aansluitplicht voor dat gebied van toepassing.

Artikel 22.11 Aansluiting op distributienet voor drinkwater Met het oog op het beschermen van de gezondheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van drinkwater in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor drinkwater als de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.

Artikel 22.12 Aansluiting van afvoer huishoudelijk afvalwater en hemelwater

1.

Met het oog op het beschermen van de gezondheid ligt een ondergrondse doorvoer van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater door een uitwendige scheidingsconstructie van een bouwwerk zoveel mogelijk haaks op de scheidingsconstructie.

2.

De gebouwaansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater op de op het eigen erf of terrein gelegen riolering of een andere voorziening voor afvoer van afvalwater is zodanig dat bij zetting de dichtheid van de aansluiting en de afvoer gehandhaafd blijft.

3.

Een terreinleiding waardoor huishoudelijk afvalwater wordt geleid: a. heeft geen vernauwing in de stroomrichting; b. heeft een vloeiend beloop; c. is waterdicht; d. heeft een voldoende inwendige middellijn; en e. bevat geen beer- of rottingput.

4.

Bij maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 22.4 kan in ieder geval worden bepaald: a. als voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater een openbaar vuilwaterriool of een ander passend systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet aanwezig is waarop kan worden aangesloten: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater op dat riool of systeem noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; b. als voor de afvoer van hemelwater een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar vuilwaterriool aanwezig is waarop kan worden aangesloten, en hemelwater op dat stelsel of riool mag worden gebracht: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van hemelwater op dat stelsel of riool noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; en c. of, en zo ja welke voorzieningen in de afvoervoorziening of de op het erf of terrein gelegen riolering moeten worden aangebracht om het functioneren van de afvoervoorzieningen, naburige aansluitingen en de openbare voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater te waarborgen.

Artikel 22.13 Bluswatervoorziening

1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid heeft een bouwwerk een toereikende bluswatervoorziening, tenzij de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk dat niet vereist.

2.

De afstand tussen de bluswatervoorziening en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.

3.

De bluswatervoorziening is onbeperkt toegankelijk voor bluswerkzaamheden.

Artikel 22.14 Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten

1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid ligt tussen de openbare weg en ten minste een toegang van een gebouw of ander bouwwerk voor het verblijven van personen een verbindingsweg die geschikt is voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing: a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; b. op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2; c. op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; d. als de toegang van het bouwwerk op ten hoogste 10 m van een openbare weg ligt; of e. als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen verbindingsweg vereist.

3.

Tenzij elders in dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening anders bepaald, heeft een verbindingsweg: a. een breedte van ten minste 4,5 m; b. een verharding over een breedte van ten minste 3,25 m die geschikt is voor motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kilogram; c. een vrijgehouden hoogte boven de kruin van de weg van ten minste 4,2 m; en d. een doeltreffende afwatering.

4.

Een verbindingsweg is over de voorgeschreven hoogte en breedte, bedoeld in het derde lid, vrijgehouden voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.

5.

Hekwerken die een verbindingsweg afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald.

Artikel 22.15 Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen

1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid zijn bij een bouwwerk voor het verblijven van personen zodanige opstelplaatsen voor brandweervoertuigen dat een doeltreffende verbinding tussen die voertuigen en de bluswatervoorziening kan worden gelegd.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing: a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; b. op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2; c. op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; of d. als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen opstelplaatsen vereist.

3.

De afstand tussen een opstelplaats en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.

4.

Een opstelplaats voor brandweervoertuigen is over de hoogte en breedte, bedoeld in artikel 22.14, derde lid, vrijgehouden voor brandweervoertuigen.

5.

Hekwerken die een opstelplaats afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald.

Paragraaf 22.2.4 Gebruik van bouwwerken

Artikel 22.16 Overbewoning woonruimte

1.

Met het oog op het beschermen van de gezondheid van de bewoners: a. wordt een woning niet bewoond door meer dan een persoon per 12 m2 gebruiksoppervlakte; en b. wordt een woonwagen niet bewoond door meer dan een persoon per 6 m2 gebruiksoppervlakte.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op woonruimte waarin door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers opvang aan asielzoekers wordt geboden.

Artikel 22.17 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een bouwwerk niet gebruikt als door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld dat het gebruik in verband met bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk gevaarlijk is.

Artikel 22.18 Specifieke zorgplicht gebruik bouwwerk

1.

Degene die een bouwwerk gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.

2.

Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten in, op of aan een bouwwerk overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door: a. het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal; b. het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en c. het nalaten van het normale onderhoud waardoor het bouwwerk zich niet in een zindelijke staat bevindt.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik van bouwwerken, bedoeld in afdeling 6.2 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.

Paragraaf 22.2.5 In stand houden en gebruiken van open erven en terreinen

Artikel 22.19 Aanwezigheid brandgevaarlijke stoffen nabij bouwwerken

1.

Op een open erf of terrein nabij een bouwwerk is geen brandgevaarlijke stof als bedoeld in tabel 22.2.1 aanwezig.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing als: a. de in tabel 22.2.1 aangegeven toegestane hoeveelheid per stof niet wordt overschreden, waarbij de totale toegestane hoeveelheid stoffen 100 kilogram of liter is; b. de stof deugdelijk is verpakt, waarbij: 1. de verpakking tegen normale behandeling bestand is; 2. de verpakking is voorzien van een adequate gevaarsaanduiding; en 3. geen inhoud onvoorzien uit de verpakking kan ontsnappen; en c. de stof wordt gebruikt met inachtneming van de op de verpakking aangegeven gevaarsaanduidingen.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op: a. brandstof in het reservoir van een verbrandingsmotor; b. brandstof in een verlichtings-, verwarmings- of ander warmteontwikkelend toestel; c. voor consumptie bestemde alcoholhoudende dranken; d. gasflessen tot een totale waterinhoud van 115 liter; e. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen de 61 °C en 100 °C tot een totale hoeveelheid van 1.000 liter; en f. brandgevaarlijke stoffen voor zover de aanwezigheid daarvan op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving of een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit is toegestaan.

4.

Bij het berekenen van de toegestane hoeveelheid, bedoeld in het tweede lid, onder a, wordt een aangebroken verpakking als een volle meegerekend.

5.

In afwijking van het derde lid, aanhef en onder e, is de aanwezigheid van meer dan 1.000 liter van een oliesoort als bedoeld in dat onderdeel toegestaan als die oliesoort op zodanige wijze wordt opgeslagen en gebruikt dat het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie en de ontwikkeling van brand voldoende worden voorkomen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15411568/1