Bijlage 1 Toelichting BP Westerkanaaldijk 9 Malden VA 15mei24
Tekst van het document
Figuur 4.3: geluid wegverkeer [Atlas Leefomgeving RIVM]
Pagina 28 van 49
Ten noorden van het plangebied ligt op een afstand van 350 meter een betoncentrale aan de Westkanaaldijk in Nijmegen. Dit is een geluidgezoneerd industrieterrein. Rond deze inrichting is een 50 db(A) geluidcontour vastgelegd waarbinnen dit bedrijf er is aan gehouden om deze norm niet te overschrijden. Deze contour valt niet over het plangebied.
Figuur 4.4: situering 50 db(A)contour betonfabriek op Heumens grondgebied [BP Buitengebied Heumen]
Conclusie Geconcludeerd kan worden dat er akoestisch geen belemmeringen zijn voor de beoogde planontwikkeling.
4.3
Geur
Bij planologische ontwikkelingen in het buitengebied is er meestal sprake van omliggende veehouderijen waar geuremissie van uit gaat. Regelgeving met betrekking tot geuremissie van veehouderijen is sinds 2007 vastgelegd binnen de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Sinds invoering van de Wgv geldt er voor geurhinder één toetsingskader voor heel Nederland. De Wgv beschermt zogenaamde geurgevoelige objecten door middel van normen tegen overmatige geurhinder van veehouderijen. Geurgevoelige objecten zijn gebouwen die bestemd zijn voor menselijk wonen of menselijk verblijf. Geurgevoelige objecten moeten op basis van de geldende geurnorm buiten de geurcontour van een veehouderij worden gerealiseerd. Tevens moet er sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en verblijfklimaat op de planlocatie zelf. In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet echter worden aangetoond of bestaande rechtsposities van betrokkenen worden gehandhaafd. Bestaande veehouderijen mogen niet gehinderd worden in hun toekomstige ontwikkelingsmogelijkheden. De Wgv bevat (afstands)normen voor geurgevoelige objecten ten opzichte van bestaande veehouderijen uitgedrukt in Europese odour eenheden (units) per m3 lucht (ouE/m3). In onderstaande tabel zijn standaard normen voor geurbelasting opgenomen Normen geurbelasting op buitenzijde van geurgevoelige objecten (artikel 3 lid 1 Wgv). Pagina 29 van 49
Locatie geurgevoelig object
Concentratiegebied, binnen bebouwde kom Concentratiegebied, buiten bebouwde kom Niet-concentratiegebied, binnen bebouwde kom Niet-concentratiegebied, buiten bebouwde kom
Hoogst toegestane geurbelasting 3,0 OU/m3 14,0 OU/m3 2,0 OU/m3 8,0 OU/m3
Voor de verspreidingsberekeningen wordt gebruik gemaakt van het verspreidingsmodel Vstacks vergunning. V-stacks vergunning is een computerprogramma voor het berekenen van geur rond dierenverblijven. Aan de hand van V-stacks vergunning wordt de geurbelasting berekend en getoetst. Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv). Voor dieren zonder geuremissiefactoren gelden minimaal aan te houden afstanden. De vaste afstanden zijn vastgesteld op: • 100 m binnen de bebouwde kom • 50 m buiten de bebouwde kom Bij besluitvorming over (wijziging van) een bestemmingsplan moet worden vastgesteld of er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. De gemeente Heumen beschikt niet over een eigen geurverordening. Dit betekent dat de wettelijke geurnormen van toepassing zijn. Een omwisseling van bedrijfswoning behorende bij een veehouderij naar burgerwoning alsmede het toevoegen van een viertal woningen levert op grond van de omgekeerde werking van de Wet geurhinder en veehouderij (artikel 14 Wgv) geen belemmeringen op voor de in de omgeving gelegen bedrijven, wanneer deze op tenminste 50 meter afstand zijn gelegen. Dat is hier het geval. Buiten een kleinschalige veehouderij aan de Westerkanaaldijk 3 (> 500 meter afstand), bevinden zich in de directe omgeving van de planlocatie geen veehouderijen.
Daarmee is ter plaatse van de nieuwe woningen sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering.
4.4
Luchtkwaliteit
Wet luchtkwaliteit De ‘Wet luchtkwaliteit’ voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Een project draagt ‘niet in betekende mate’ bij aan de luchtverontreiniging als de 3% grens niet wordt overschreden. De grens is Pagina 30 van 49
gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 µg/m3 voor zowel PM10 als NO2. Toetsing Voor het vaststellen of de grenzen voor het ‘niet in betekenende mate’ worden overschreden, is gebruikgemaakt van de NIBM-tool (bron: voormalig Ministerie VROM en InfoMil). De tool is geactualiseerd op basis van de NIBM-grens van 3%. In de navolgende tabel is de uitkomst van deze berekening opgenomen. Daarbij is uitgegaan van een worst case scenario van 50 extra voertuigbewegingen. Hieruit blijkt dat het plan niet in betekenende mate bijdraag aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. De uitvoering van een onderzoek naar de luchtkwaliteit is daarom niet noodzakelijk.
Uit de Atlas voor de leefomgeving van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) blijkt dat in 2020 in de omgeving de concentratie fijnstof (PM10) tussen 15 en 16 µg/m³ bedraagt, en de concentratie stikstofdioxide (NO2) tussen 14 en 16 µg/m³. In de Wet milieubeheer is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM10 en NO2 40 µg/m³. De waarden ter plaatse liggen ver onder de grenswaarde van 40 µg/m3 . De functieverandering van agrarisch naar wonen is daarmee in het kader van de Wet luchtkwaliteit geen probleem. Met de beoogde omschakeling neemt de fijnstofemissie vanuit beide locaties aanzienlijk af. Het initiatief draagt niet in betekende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.
Pagina 31 van 49
Figuur 4.5: Grootschalige Concentratiekaart fijn stof 2020 (Atlas leefomgeving)
Figuur 4.6: Grootschalige Concentratiekaart NO2 2020 (Atlas leefomgeving)
Conclusie Op basis van het voorgaande kan geconcludeerd worden dat zowel vanuit de Wet milieubeheer als vanuit een goede ruimtelijke ordening de luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor het onderhavige initiatief.
4.5
Externe veiligheid
Algemeen In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient zorg voor gedragen te worden dat er een scheiding in acht genomen wordt tussen gevoelige objecten (zoals woningen) en risico veroorzakende bedrijven en/of transportassen. Externe veiligheid gaat om het beperken van de kans op en het effect van een ernstig ongeval voor de omgeving door: Pagina 32 van 49
• het gebruik, de opslag en productie van gevaarlijke stoffen (inrichtingen); • het transport van gevaarlijke stoffen (buisleidingen, waterwegen en spoorwegen); • het gebruik van luchthavens. Het externe veiligheidsbeleid richt zich op het beperken van de risico’s voor de burger door dergelijke activiteiten. Hiertoe zijn risico’s gekwantificeerd, namelijk door middel van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Toetsing De dichtst bij gelegen risicovolle inrichting ligt op ongeveer 350 meter aan de overzijde van het kanaal. De vereiste afstand van deze inrichting tot kwetsbare object bedraagt 0 meter. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de planlocatie niet binnen de plaatsgebonden risicocontour en/of het invloedsgebied van het groepsrisico van een risicovolle activiteit is gelegen. Een verdere uitwerking van de veiligheidsparagraaf is dan ook niet noodzakelijk.
Figuur 4.5: Uitsnede Risicokaart [risicokaart.nl]
4.6
Bodem
Algemeen Bij functiewijzigingen is in de planologische procedure van belang dat de beoogde functiewijziging plaats kan vinden op een locatie waar de milieuhygiënische bodemgesteldheid dit toelaat. De Wet bodembescherming en de Bouwverordening staan niet toe dat er gebouwd wordt op verontreinigde grond. Toetsing Pagina 33 van 49
In de omgeving van het plangebied zijn geen bodem- of grondwaterbeschermingsgebieden aanwezig. Er hebben zich geen calamiteiten of activiteiten voorgedaan waardoor de bodem mogelijk verontreinigd is. De locatie kan derhalve als onverdacht aangemerkt worden. Er worden geen belemmeringen verwacht ten aanzien van het milieuhygiënische bodemgebruik en het beoogde gebruik ter plaatse. Na sloop van de bedrijfsgebouwen kan het bodemonderzoek uitgevoerd worden. Conclusie Op basis van het voorgaande kan geconcludeerd worden dat het aspect bodem geen belemmering vormt voor het onderhavige initiatief.
4.7
Bedrijven en milieuzonering
Algemeen In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het wenselijk dat er tussen verschillende functies en bestemmingen voldoende afstand wordt gerealiseerd. Dit om te waarborgen dat er tussen bedrijven en woningen geen onnodige hinder wordt veroorzaakt. In de ruimtelijke ordening wordt de VNG brochure Bedrijven en milieuzonering, gehanteerd als referentie voor de afstand die tussen de verschillende functies en activiteiten in acht dient te worden genomen. In de VNG brochure worden hiervoor indicatieve richtafstanden gegeven. Toetsing Het plangebied is gelegen in het omgevingstype rustig landelijk gebied. In de nabijheid van de planlocatie bevinden zich de volgende bedrijven: - betonfabriek aan de Westkanaaldijk in Nijmegen (milieucategorie 4.1, geluidgezoneerd) op een afstand van 350 meter. Voor dit bedrijf geldt een richtafstand van 300 meter voor het hinderaspect geluid. Het betreft tevens een geluidgezoneerd bedrijf met een 50 dB(A) contour (zie paragraaf 4.2). Voor de hinderaspecten stof en gevaar geldt een richtafstand van 200 meter, voor geur een richtafstand van 30 meter. De planlocatie ligt buiten de invloedsfeer van dit bedrijf. - Recreatiebedrijf Westerkanaaldijk 11. Voor dit bedrijf is geen specifieke milieucategorie.
Gezien de activiteit (maïsdoolhof) is dit een extensieve vorm van dagrecreatie, en kan deze als milieucategorie 2 aangemerkt worden met een maximale richtafstand van 30 meter. De planlocatie ligt op een afstand van meer dan 60 meter. Voor de functieverandering van agrarisch bedrijf naar wonen kan beoordeeld worden dat dit inpasbaar is binnen de milieuzonering van de omgeving, en dat er sprake is van een aanvaardbaar woonklimaat voor de nieuwe woningen. Door het beëindigen van het gemengde agrarische bedrijf verdwijnt de daarbij behorende plaatselijke overlast. Het woon en leefklimaat voor de bestaande woningen in de omgeving zal hierdoor verbeteren. Conclusie Milieuzonering vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Pagina 34 van 49
4.8
Waterhuishouding
Inleiding Sinds 1 november 2003 is de zogenaamde Watertoets verplicht. Dat wil zeggen dat in elk ruimtelijk plan gemotiveerd moet worden aangegeven hoe met het water in het gebied wordt omgegaan en wat de ruimtelijke veranderingen voor het water betekenen. Het waterkwaliteitsbeheer en het waterkwantiteitsbeheer in Heumen is in handen van het Waterschap Rivierenland. Tevens dienen voor alle waterhuishoudkundige werken waarvoor op grond van de Keur ontheffing noodzakelijk is, dit aangevraagd te worden bij het Waterschap. De uitvoering van het plan dient te gebeuren binnen de kaders van het duurzaam omgaan met water en de beleidsuitgangspunten van het waterschap. Beleid waterschap Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 ‘Versterken, Verbinden, Vergroenen’ beschrijft wat Waterschap Rivierenland in de planperiode 2022-2027 wil bereiken, met wie, hoe men dat wil gaan doen en waarom. In het waterbeheerprogramma zijn voor het waterbeheer de kaders gegeven en de opgaven gedefinieerd. De visie van Waterschap Rivierenland is vertaald in 8 hoofdthema’s: beschermen tegen overstromingen; water eerlijk verdelen; voorbereiden op extreem weer; streven naar schoon water van een goede biologische kwaliteit; bijdragen aan een fijne leefomgeving voor mens en natuur; kwaliteitsverbetering zwemwater; toewerken naar klimaat- en energieneutraliteit; toewerken naar circulariteit.
Daarnaast beschikt het Waterschap Rivierenland over een verordening: de Keur voor waterkeringen en wateren. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels. Gemeentelijk waterbeleid De gemeente Heumen heeft in samenwerking met het Waterschap Rivierenland het Waterplan Heumen opgesteld. Het doel van dit plan is het creëren van een duurzaam, veilig en robuust watersysteem. Een van de hoofddoelstellingen van het waterplan is: “Water tot een van de mede ordenende principes maken in de ruimtelijke ordening.” De gemeente Heumen en het Waterschap Rivierenland hebben als beleid dat de hemelwaterafvoer van nieuwbouw niet op het riool wordt geloosd. Gemeenten zijn op waterhuishoudkundig gebied onder andere verantwoordelijk voor de zorg voor het inzamelen en transporteren van afvalwater naar het overnamepunt van de Rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI), (gedeeltelijk) onderhoud van wateren en ontwatering (grondwater). Daarnaast is de gemeente verantwoordelijk voor de verlening en handhaving van vergunningen in het kader van de Wet milieubeheer (Wm).
Op grond van de Waterwet (artikel 3.5 en 3.6) heeft de gemeente een zorgplicht bij inzameling en verwerking van overtollig hemel- en grondwater, voor zover dit niet ter plaatse te verwerken is. Perceeleigenaren dienen hemelwater op eigen perceel te verwerken. Indien dit redelijkerwijs niet kan worden gevergd, treedt de gemeentelijke zorgplicht in werking. Daarnaast heeft de Pagina 35 van 49
gemeente een zorgplicht bij het treffen van maatregelen in openbaar gebied om structureel de gevolgen van niet passende grondwaterstanden voor de aan de grond gegeven bestemming te voorkomen c.q. beperken. Tevens dienen voor alle waterhuishoudkundige werken waarvoor op grond van de Keur ontheffing noodzakelijk is, dit aangevraagd te worden bij het waterschap. Waterhuishoudkundige situatie Het plangebied ligt binnen het stroomgebied van de Maas. In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich geen waterwingebieden of grondwaterbeschermingsgebieden (Omgevingsverordening Gelderland). Het plangebied is gesitueerd in het landelijk gebied. Het maaiveld ligt op ca. 9,35 m boven NAP. De bodem bestaat hoofdzakelijk uit oude rivierkleigronden met lichte zavel (Poldervaaggronden KRn1). Het plangebied ligt in grondwatertrap VII. De gemiddelde hoogste grondwaterstand ligt op 0,9 m beneden maaiveld en de gemiddeld laagste grondwaterstand ligt op circa 1,35 m beneden maaiveld. Ten oosten van het plangebied ligt het Maas-Waalkanaal. Ten zuidwesten ligt een A-watergang (Tochtsloot) die zorgt voor de afwatering van het gebied richting Maas. De omgeving van de planlocatie watert via een aantal B-watergangen af richting deze A-watergang. In de huidige situatie watert het schone hemelwater indirect af via oppervlakkige afvloeiing naar de eigen aangrenzende onbebouwde agrarische gronden.
Figuur 4.6: Uitsnede Legger [Waterschap Rivierenland]
Beoogde ruimtelijke ontwikkeling Het voorliggende plan ziet op de sanering van een gemengd agrarisch bedrijf. Hierbij wordt ruim 3.500 m2 verharding verwijderd (gebouwen, erf). In de nieuwe situatie worden 4 woningen Pagina 36 van 49
met bijbehorende opritten en parkeervoorziening gerealiseerd, tezamen met een oppervlakte van circa 2.500 m2. Met het plan zal het verharde oppervlak aanzienlijk verminderen.
Figuur 4.6: te slopen bebouwing (gebouwen, erfverharding), circa 3.500 m2
Uitwerking uitgangspunten watertoets Scheiding van vuil water en schoon hemelwater De planlocatie is aangesloten op het drukriool aan de Westerkanaaldijk, waarop het huishoudelijke afvalwater geloosd wordt. Op dit moment zijn reeds meerdere woningen op dit stelsel aangesloten. Indien na toevoeging van nog 4 woningen de bestaande unit te klein blijkt te zijn, zal de capaciteit uitgebreid moeten worden. Dit is een uitvoeringsaspect waarbij de aanleg en installatie conform specifieke voorwaarden van de gemeente, uitgevoerd dient te worden. De kosten voor de aanpassing zijn voor rekening van initiatiefnemer. In de anterieure overeenkomst tussen gemeente en initiatiefnemer worden hiertoe aanvullende afspraken vastgelegd over de aanleg en de kosten van deze voorziening. Het schone hemelwater wordt niet geloosd worden op het rioleringsstelsel. Daarmee wordt het vuile water en het schone hemelwater gescheiden. Afweging hergebruik-infiltratie-berging-afvoer Het schone hemelwater wordt afgekoppeld en opgevangen in een droge sloot binnen het plangebied. Het hemelwater wordt op die manier opgevangen, geïnfiltreerd en niet rechtstreeks geloosd op het watersysteem. Hiermee wordt bijgedragen aan het duurzaam omgaan met water, passend binnen de beleidsuitgangspunten van het Waterschap.
Hydrologisch neutraal ontwikkelen De gemeente Heumen en het waterschap Rivierenland hebben als beleid dat de hemelwaterafvoer van nieuwbouw niet op het riool wordt geloosd. Bij onderhavig project zal Pagina 37 van 49
het schone hemelwater dus naar een retentievoorziening worden afgevoerd. Dit gebeurt door het hemelwater af te voeren naar voorziening die een 50 cm boven de GHG moet komen te liggen. Hierin wordt voorzien door de aanleg van een droogvallende waterberging op de westelijke perceelsgrens, waar het schone hemelwater naar toe geleid wordt en ter plaatse geborgen kan worden. Deze sloot mag niet rechtstreeks afwateren op de naastgelegen Bwatergang. Het waterhuishoudkundig plan zal aan de T=100+10% worden getoetst (66,4 mm/m2 verhard oppervlak). Dit betekent dat voorzien moet worden in een bergingscapaciteit van 2500 x 66,4 = 166 m3. De sloot wordt gedimensioneerd met een lengte van circa 70 meter en een diepte van 40 cm. Dit betekent een wateroppervlak van circa 420 m2. De aansluiting op de Bwatergang wordt voorzien van een afvoerbeperkende voorziening met een capaciteit van 1,5 l/s/ha. Met deze capaciteit wordt voldaan aan de eis van hydrologisch neutraal bouwen van het waterschap. In het inrichtingsplan is de situering van deze waterberging opgenomen alsmede de dimensionering ervan. Bij de aanleg van de landschappelijke inpassing dient er rekening mee te worden gehouden dat de B-watergang en bijbehorende onderhoudsstrook van 1 meter obstakelvrij dienen te blijven. Bomen zijn hierin dus niet toegestaan. Water als kans/meervoudig ruimtegebruik Niet aan de orde.
Voorkomen van vervuiling Van belang is dat zo min mogelijk vervuilende stoffen worden toegevoegd aan het grond- en oppervlaktewatersysteem. Alleen schoon hemelwater wordt direct afgevoerd naar de bodem of het oppervlaktewater. Binnen het plangebied dient daartoe geen gebruik gemaakt te worden van uitlogende materialen. De Wet milieubeheer en Wet bodembescherming zijn hierin leidend. Wateroverlastvrij bestemmen Gezien de situering van het perceel en de grondwaterstanden valt het plangebied niet in een mogelijk overstromingsgebied. Wateroverlast is dan ook niet aannemelijk. Overleg Waterschap De waterparagraaf wordt in het kader van het vooroverleg voor advies en ter beoordeling voorgelegd aan het Waterschap Rivierenland. Het plan is ingevoerd in de digitale watertoets. Uit deze toets volgt dat voor dit plan de normale procedure gevolgd moet worden. Conclusie: Het plan voldoet daarmee aan het gestelde in het Waterplan Heumen. Het aspect water vormt geen belemmering voor de onderhavige ontwikkeling.
4.9
Cultuurhistorie en archeologie
Uit de Cultuurhistorische Waardenkaart van gemeente Heumen blijkt dat de locatie en directe omgeving geen bijzondere cultuurhistorische waarde heeft. Het plangebied maakt deel uit Pagina 38 van 49
van het cultuurlandschap ‘regelmatig ingedeeld broek met grasland in het rivierterrassengebied (tb1a). Dit gebied, ten noorden van de kern Malden, wordt cultuurlandschappelijk gekenmerkt als een broekgebied. Dit broekgebied bestond uit stroken grasland die vanuit de boerderijen langs de historische bewoningsas van Malden, de Hatertseweg, waren ontgonnen. Bijzonder aan dit broekgebied met zijn smalle percelen was de aanwezigheid van paden die vanuit de boerderijen langs de kavelgrenzen naar de achterzijde langs de wetering liepen. Langs deze paden stonden soms bomen die van natte condities hielden, zoals elzen of wilgen. Hiervan zijn nog enkele exemplaren bewaard gebleven. Binnen de verschillende stroken kwam ook opgaand bos voor. Door de wijze waarop die bosstructuur zich conformeerde aan de kavelgrenzen bleef het patroon herkenbaar. Het gebied is in de eerste plaats sterk van karakter veranderd door de aanleg van het Maas-Waalkanaal, dat het gebied doorsnijdt. Beplanting langs dat kanaal haalt het zicht vanuit de boerderijen langs de Hatertseweg naar de achterste helft van de oorspronkelijke percelen weg. Daarnaast is door schaalvergroting en de bouw van boerderijen langs de Westerkanaaldijk de oorspronkelijke structuur aangetast. Toch is in het terrein de lengterichting van de percelen nog te beleven, onder meer vanaf de Burchtselaan.
Figuur 4.7: Cultuurhistorische waardenkaart [gemeente Heumen]
Voor wat betreft de archeologische verwachtingskaart ligt de planlocatie op in een gebied met een middelmatige verwachting. Deze verwachtingswaarde is opgenomen in het huidige bestemmingsplan ‘Buitengebied Heumen 2009’ als dubbelbestemming ‘Waarde Archeologische verwachting 2’. De voor 'Waarde - Archeologische verwachting 2' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor doeleinden ter bescherming en veiligstelling van de archeologische waarden. Hierbij geldt dat bij een aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk groter dan 2.500 Pagina 39 van 49
m2 de aanvrager een rapport dient te overleggen, waarin de archeologische waarden van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft, in voldoende mate is vastgesteld. De nieuw te bouwen woningen zijn kleiner dan 2.500 m2. Er hoeft geen archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden.
Figuur 4.8: Archeologische waarden-en verwachtingskaart [gemeente Heumen]
Conclusie Voor het gehele gebied geldt de wettelijke zorgplicht en blijf de beschermende regeling uit het bestemmingsplan Buitengebied van kracht. Daarmee worden de archeologische belangen afdoende beschermd. Een archeologisch onderzoek is niet noodzakelijk.
4.10 Verkeer en parkeren Het bestaande verkeersbeeld zal als gevolg van het plan niet wezenlijk veranderen. Een en ander is inpasbaar in de omgeving, waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande ontsluitingsroutes. Omdat de locatie niet direct aansluit op de openbare weg, wordt een nieuwe toegangsweg gerealiseerd aan de noordoost zijde van de locatie. Deze sluit aan op de bestaande inrit bij de Westerkanaaldijk. Door de functieverandering zal er geen wezenlijke verandering optreden in het aantal verkeersbewegingen. Door het beëindigen van het agrarische bedrijf zullen er minder zware transportbewegingen nodig zijn. Ook het aantal bezoekers (personenauto’s met paardentrailers) van met name de huidige paardenhouderij / manege zal afnemen. Door het realiseren van 4 woningen ontstaat er weer extra verkeer. Per saldo zal de verkeersintensiteit afnemen.
Pagina 40 van 49
Parkeren gebeurt op eigen terrein. Per woning zal voldaan worden aan de geldende parkeernorm (CROW) voor vrijstaande woningen in het buitengebied van 2,8 parkeerplaats per woning. Het plan ziet inclusief het omzetten van de bedrijfswoning, op de realisering van 5 woningen. Daarvan worden er 2 parkeerplaatsen bij de woningen voorzien. Voor de resterende 4 parkeerplaatsen (5 x 0,8 pp) komt een gemeenschappelijke parkeervoorziening bij de entree van het hofje. Bij deze gemeenschappelijke ruimte wordt ook voorzien in een voor de vuilophaaldienst bereikbare opstelplaats van afvalcontainers.
Figuur 4.9: Ontsluiting en parkeren [Croonen Architecten]
Pagina 41 van 49
4.11 Kabels en leidingen De omgeving is aangesloten op gangbare technische infrastructuur zoals nutsvoorzieningen (riolering, water, gas en elektra). De uitbreiding van het plangebied wordt aangesloten op de bestaande infrastructuur. Hiervoor hoeven geen structurele aanpassingen plaats te vinden. In de omgeving van het plangebied zijn geen zakelijke rechtstroken in verband met de aanwezigheid van ondergrondse leidingen die planologische bescherming behoeven.
Pagina 42 van 49
5. Uitvoerbaarheid 5.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Bij de voorbereiding van de bestemmingsplanprocedure zal een participatietraject doorlopen worden om de omwonenden in de ontwikkeling mee te nemen. Middels een omgevingsdialoog zijn de omwonenden geïnformeerd, zodat zij in een vroeg stadium hun wensen kenbaar kunnen maken. Naar aanleiding van dit overleg is het plan op onderdelen aangepast, zoals de ontsluiting van de locatie. Het verslag van de omgevingsdialoog is als bijlage bijgevoegd. In het kader van de openbare voorbereidingsprocedure wordt het plan in procedure gebracht en is er voor eenieder de gelegenheid om kennis te nemen van het plan. In het kader van deze procedure bestaat er de mogelijkheid om op de plannen te reageren via de gangbare bezwaaren beroepsprocedures. Het college is bij de voorbereiding van dit plan niets gebleken van planologische of maatschappelijke belemmeringen.
5.2
Economische uitvoerbaarheid
Het plan zal geheel in particuliere handen uitgevoerd worden. Voor de gemeente zijn er geen financiële consequenties aan verbonden.
5.3
Grondexploitatie
Op grond van artikel 6.12 Wro is de gemeente verplicht een exploitatieplan vast te stellen bij bouwplannen, zoals vastgelegd in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Op grond van artikel 6.12, lid 2 Wro kan de gemeente besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden anderszins verzekerd is. Tussen gemeente en de initiatiefnemer wordt daartoe een zogenaamde anterieure overeenkomst inzake de grondexploitatie gesloten. In deze overeenkomst zijn bepalingen over onder meer de plankosten, grondexploitatie, landschappelijke inpassing, civieltechnische kosten en planschade tussen gemeente en initiatiefnemer opgenomen. Met deze overeenkomst is het verhaal van de kosten van grondexploitatie voldoende verzekerd en hoeft er geen exploitatieplan vastgesteld te worden.
5.4
Conclusie
Er is sprake van een uitvoerbaar plan omwille van de volgende redenen: • tussen gemeente en initiatiefnemer is een planschade overeenkomst afgesloten, waarin door initiatiefnemer eventuele planschade voor zijn rekening zal worden genomen; Pagina 43 van 49
• • •
de kosten voor uitvoering van het plan komen voor rekening van de initiatiefnemer; de gronden waarop de bestemmingswijziging ziet zijn in eigendom van initiatiefnemer; er is niets gebleken van reële financiële, planologische of maatschappelijke belemmeringen.
Pagina 44 van 49
6. Juridische toelichting 6.1
Aanleiding
Dit plan betreft een partiële herziening van het bestemmingsplan “Buitengebied Heumen 2009” (en de daarna volgende herzieningen) van de gemeente Heumen voor de locatie Westerkanaaldijk 9 te Malden. Aanleiding is de noodzaak om de herbestemming van deze locaties planologisch correct te regelen, vanwege het staken van een gemengd agrarisch bedrijf. Dit houdt in dat met de beëindiging van het agrarische bedrijf de agrarische bestemming komt te vervallen, en omgezet wordt in de bestemming ‘Wonen’ ten behoeve van de bouw van vier nieuwe woningen en het omzetten van de bedrijfswoning naar burgerwoning.
6.2
Regels
De herbestemming voor de locaties voorziet in een bestemmingsregeling voor een woonbestemming. De planregels bevatten regels met betrekking tot het bouwen en gebruiken van grond en gebouwen. Met de planregels wordt aangesloten op de regels van het vigerende bestemmingsplan Buitengebied Heumen 2009.
6.3
Verbeelding
Op de verbeelding wordt de locatie Westerkanaaldijk 9 voorzien van een woonbestemming voor 4 (half)vrijstaande woningen en één vrijstaande woning (de voormalige bedrijfswoning). Het agrarische bouwvlak van deze locatie komt daarmee te vervallen. Het oorspronkelijke bouwvlak wordt in omvang verkleind tot een bij de woonbestemming passende omvang. Het resterende deel van het oorspronkelijk agrarisch bouwvlak dat niet wordt omgezet naar de woonbestemming, komt binnen de begrenzing van het nieuwe bestemmingsplan voor het zonnepark te vallen. De agrarische bouwmogelijkheden op dit deel van het perceel komen daarmee te vervallen. Alle dubbelbestemmingen en aanduidingen uit het vigerende bestemmingsplan worden overgenomen en blijven van kracht.
Pagina 45 van 49
7. De procedure 7.1
Vooroverleg
In het kader van het wettelijk vooroverleg is het plan aangeboden aan provincie en waterschap. In kader van het vooroverleg is van het Waterschap een reactie ontvangen. Daarbij is aangegeven dat de uitwerking van de waterparagraaf akkoord is. Wel zijn een drietal opmerkingen geplaatst met het verzoek om bij de verdere procedure van het bestemmingsplan daarmee rekening te houden: - binnen de bestemming Wonen, expliciet ook de functie water te benoemen. Deze opmerking is in de regels overgenomen. - Bij het voorontwerp zitten verschillende versies van het inrichtingsplan met daarop een verschillende uitwerking van de waterberging. Dit is aangepast. - Uit het inrichtingsplan blijkt dat een boom beoogd is langs de oostelijk gelegen Bwatergang. Houd er hierbij rekening mee dat de B-watergang en bijbehorende onderhoudsstrook van 1 meter obstakelvrij dienen te blijven. Bomen zijn hierin dus niet toegestaan. Dit is als clausule in de toelichting overgenomen.
7.2
Te volgen procedure
Het ontwerp bestemmingsplan is gedurende 6 weken ter inzage gelegd met bijbehorende stukken. Gedurende de termijn van de ter inzage legging wordt eenieder de gelegenheid geboden een zienswijze in te dienen. De eventuele zienswijzen worden beoordeeld en aanvullend bij dit plan opgenomen in een Nota van zienswijzen.
Pagina 46 van 49
Pagina 47 van 49