Bijlage 1 onderbouwing wijzigingen ODRN definitief
Tekst van het document
Onderbouwing wijzigingen ODRN a.g.v. de gewijzigde Wet gemeenschappelijke regelingen
Actieve informatieplicht
zienswijz en
Oud artikel
Nieuw artikel
Onderbouwing
-
Artikel 22 Openbaar lichaam ten opzichte van deelnemers 1. Het openbaar lichaam zorgt ervoor dat de deelnemers steeds kunnen beschikken over informatie met betrekking tot de in hoofdstuk twee van deze regeling genoemde taken waarvoor zij het bevoegde bestuursorgaan zijn. 2. Het algemeen bestuur stelt hiertoe een informatieprotocol op waarin opgenomen wordt op welke wijze en hoe frequent bepaalde informatie ter beschikking wordt gesteld.
Inbreng d.d. 27 maart 2023 overgenomen.
Artikel 24A Uitbrengen van zienswijzen 1. Voorafgaand aan het nemen van de in het derde lid van dit artikel genoemde besluiten door het bestuur worden de raden en Staten van de deelnemers gedurende 8 weken in de gelegenheid gesteld om schriftelijk een zienswijze naar voren brengen. 2. Als op grond van het eerste lid zienswijzen naar voren zijn gebracht, dan stelt het dagelijks bestuur voorafgaand aan het nemen van een besluit, de raden en Staten en, indien het een besluit van het algemeen bestuur betreft, het algemeen bestuur van het openbaar lichaam schriftelijk en gemotiveerd in kennis van het oordeel over de zienswijze, alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt. 3. De raden en Staten worden in de gelegenheid gesteld om
Inbreng d.d. 27 maart 2023 overgenomen.
-
NB. het huidige artikel 22 wordt artikel 22A.
zienswijzen in te dienen over besluiten – naast de wettelijke verplichte - van groot financieel en politiek belang waaronder in ieder geval begrepen de kadernota, het concept-jaarverslag (waaronder de jaarrekening), het informatieprotocol, de periodieke evaluatie en een van de regeling afwijkende uittredingsregeling. Artikel 24B Participatie ingezetenen en belanghebbenden 1. Ingezetenen van de deelnemers en belanghebbenden worden bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid betrokken op een bij de deelnemers gebruikelijke wijze. 2. Het algemeen bestuur kan besluiten hiervan af te wijken.
Participa tie
-
Inbreng d.d. 27 maart 2023 overgenomen.
adviesco mmissie
-
Artikel 24C Gemeenschappelijke adviescommissie 1. Er is een gemeenschappelijke adviescommissie overeenkomstig artikel 24a van de wet. In deze commissie hebben zitting de door de raden en Staten aangewezen vertegenwoordigers. 2. Het algemeen bestuur regelt in ieder geval de bevoegdheden, de thema’s, taken en werkwijze van de in dit artikel genoemde commissie.
Inbreng d.d. 27 maart 2023 overgenomen.
Evaluatie
-
Artikel 24D Evaluatie 1. Het algemeen bestuur draagt zorg voor de evaluatie van in ieder geval het algemeen functioneren en de werkwijze van het openbaar lichaam. 2. De evaluatie vindt eenmaal in de vier jaar plaats en is afgerond twaalf maanden voorafgaand aan de reguliere gemeenteraadsverkiezingen.
Inbreng d.d. 27 maart 2023 overgenomen.
3.
Financiële procedure
Artikel 27. Begrotingsprocedure 1. De vaststelling van de begroting door het algemeen bestuur, zoals bedoeld in artikel 58, eerste lid, van de Wet geschiedt niet eerder dan 8 weken nadat deze aan de raden en staten van de deelnemers is verzonden in het jaar voorafgaande aan dat waarvoor zij dient. 2. Het besluit tot vaststelling van de begroting behoeft tweederde meerderheid van de uitgebrachte stemmen. 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 59, eerste lid, van de Wet zorgt het dagelijks bestuur vóór 15 april van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor zij dient voor de in dat lid bedoelde toezending van de ontwerpbegroting vergezeld van een behoorlijke toelichting. 4. In de begroting wordt het door elk van de deelnemers over het desbetreffende jaar verschuldigde bedrag opgenomen. 5. Het dagelijks bestuur houdt bij het opstellen van de ontwerpbegroting rekening met de door de deelnemers opgestelde begrotingsrichtlijnen.
Het algemeen bestuur bepaalt de wijze waarop de evaluatie plaatsvindt. 4. Het algemeen bestuur kan bepalen dat een aanvullende (tussentijdse) evaluatie plaatsvindt die afwijkt van de in het tweede lid genoemde termijnen. Artikel 27 Inhoud Begroting 1. De begroting heeft betrekking op een boekjaar dat gelijk is aan een kalenderjaar. 2. Het dagelijks bestuur houdt bij het opstellen van de ontwerpbegroting rekening met de door de deelnemers opgestelde begrotingsrichtlijnen. 3. De ontwerpbegroting wordt opgesteld volgens de daarvoor geldende wet- en regelgeving en geeft tenminste inzicht in: a. de programma’s; b. de formatie, die nodig is om deze programma’s uit te voeren; c. de kosten van de uitvoering van deze programma’s; d. de financiële bijdragen van de deelnemers aan het openbaar lichaam over het begrotingsjaar; e. het overzicht van algemene dekkingsmiddelen en het overzicht van de overhead. Artikel 27A Procedure Begroting 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 59, eerste lid, van de Wet zorgt het dagelijks bestuur vóór 15 april van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor zij dient de in dat lid bedoelde toezending van de ontwerpbegroting vergezeld van een behoorlijke toelichting. 2. De deelnemers kunnen bij het dagelijks bestuur hun zienswijze over de ontwerpbegroting naar voren brengen. Het dagelijks bestuur voegt deze zienswijzen, voorzien van
Wijziging op verzoek van de ODRN. Het huidige artikel 27 is ter verduidelijking gesplitst in een artikel 27 dat ingaat op de inhoud van de begroting en een artikel 27A dat ingaat op de procedure tot vaststelling van de begroting. De begroting is gebaseerd op de wettelijke regels. In lid 2 wordt nadrukkelijk verwezen naar de Begrotingsrichtlijnen Regio Nijmegen (BRN-richtlijnen) die gelden voor het opstellen van de begroting zoals die bestaan in de regio Nijmegen. Tevens geeft lid 3 kort aan wat minimaal in de Begroting dient te zijn opgenomen.
De procedure afspraken zijn vanwege de wijziging van de Wgr uit 2022 enigszins aangepast met name op het onderdeel van het inbrengen van zienswijzen en de termijn waarop de begroting mag worden vastgesteld (12 weken
6. De ontwerpbegroting wordt door de deelnemers voor eenieder ter inzage gelegd en algemeen verkrijgbaar gesteld. Van de terinzagelegging en de verkrijgbaarstelling wordt openbaar kennis gegeven. 7. Provinciale Staten en de gemeenteraden vergaderen niet eerder dan twee weken na de openbare kennisgeving over de ontwerpbegroting. Zij kunnen bij het dagelijks bestuur hun zienswijze over de ontwerpbegroting naar voren brengen. Het dagelijks bestuur voegt deze zienswijzen, voorzien van zijn reactie, toe aan de ontwerpbegroting zoals deze aan het algemeen bestuur wordt aangeboden. 8. Terstond na de vaststelling van de begroting zendt het algemeen bestuur de begroting aan Provinciale Staten en de gemeenteraden, die ter zake bij de minister hun zienswijze naar voren kunnen brengen. 9. Het dagelijks bestuur zendt de begroting binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval vóór 1 augustus aan de minister. 10. Een actualisatie van de begroting wordt door het algemeen bestuur vastgesteld zonder de toepassing van de procedure zoals omschreven in artikel 27
3.
4.
5. 6.
7.
8.
9.
zijn reactie, toe aan de ontwerpbegroting zoals deze aan het algemeen bestuur wordt aangeboden onder gelijktijdige verzending van de reactie op de zienswijzen aan de deelnemers. De vaststelling van de begroting door het algemeen bestuur, zoals bedoeld in artikel 58, eerste lid, van de Wet geschiedt niet eerder dan 12 weken nadat deze aan de raden en Staten van de deelnemers is verzonden in het jaar voorafgaande aan dat waarvoor zij dient. Uiterlijk 10 september van elk jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting geldt stelt het algemeen bestuur de begroting met inachtneming van de uitgebrachte zienswijzen vast. Het besluit tot vaststelling van de begroting behoeft tweederde meerderheid van de uitgebrachte stemmen. Terstond na de vaststelling van de begroting zendt het algemeen bestuur de begroting aan de raden en staten van de deelnemers, die terzake bij de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties hun zienswijze naar voren kunnen brengen. Het dagelijks bestuur zendt de begroting binnen twee weken na de vaststelling, doch uiterlijk 15 september voorafgaande aan het jaar waar de begroting voor dient aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 27 de leden 1 tot en met 9 zijn overeenkomstige toepassing op besluiten tot wijziging van de begroting met uitzondering van de in de leden vermelde data.
Een actualisatie van de begroting wordt door het algemeen bestuur vastgesteld zonder de toepassing van de procedure, genoemd in het eerste tot en met zevende lid.
nadat deze aan de raden en Staten van de deelnemers is opgestuurd voor zienswijzen). Nadrukkelijk is tevens bepaald dat voordat een besluit wordt genomen een reactie op de ingebrachte zienswijzen moet zijn verzonden aan de deelnemers. Tevens is de datum voor het inzenden aan het ministerie BZK aangepast aan de nieuwe datum uit de Wgr. Tenslotte is de volgorde van de leden wat aangepast zodat deze beter aansluiten bij het feitelijk verloop van de procedure.
uittreding
de leden 1 tot en met 9. 11. Artikel 27 de leden 1 tot en met 9 zijn overeenkomstige toepassing op besluiten tot wijziging van de begroting met uitzondering van de in de leden vermelde data Artikel 33. Uittreding 1. Een deelnemer kan uittreden uit de regeling na een daartoe strekkend besluit van de deelnemer, doch niet eerder dan na vijf jaar na de eerste inwerkingtreding van de regeling. 2. Het besluit tot uittreding wordt niet later genomen dan een jaar voorafgaand aan de datum waarop de uittreding plaatsvindt. Uittreding is slechts mogelijk met ingang van 1 januari. 3. Uittreding is slechts mogelijk onder de voorwaarde dat tussen het openbaar lichaam en de uittredende deelnemer voor de resterende financiële verplichtingen van de uittredende deelnemer een vaststellingsovereenkomst wordt gesloten. 4. Over de vaststellingsovereenkomst als bedoeld in het derde lid wordt besloten door het algemeen bestuur. Het besluit inzake de vaststellingsovereenkomst behoeft een
Artikel 33 Uittreding 1. Een deelnemer kan uittreden uit de regeling na een daartoe strekkend besluit van de deelnemer. 2. Voor uittreding geldt een opzeggingstermijn van anderhalf jaar voorafgaand aan de datum waarop de uittreding plaatsvindt. Uittreding is slechts mogelijk met ingang van 1 januari. 3. Het algemeen bestuur inventariseert binnen zes maanden na de opzegging de gevolgen van uittreding na overleg met de deelnemers in een uittredingsplan waartoe in ieder geval behoren: a. de gevolgen voor het personeel zoals de toewijzing, terugname of overname van medewerkers; b. juridische en organisatorische consequenties; c. de financiële gevolgen van de uittreding. 4. Bij de bepaling van uittreedsom worden zowel variabele, vaste kosten alsmede het aan de uittredende deelnemer toe te rekenen aandeel in reserves en voorzieningen in aanmerking genomen. Bij de bepaling van de vergoeding voor vaste kosten wordt een termijn van vijf jaar vanaf datum uittreding in acht genomen. 5. De raming en berekening van de financiële gevolgen worden gebaseerd op de feiten en omstandigheden die bekend waren op het moment van de daadwerkelijke uittreding. Beleidswijzigingen, wijziging van economische
Inbreng d.d. 27 maart 2023 deels overgenomen. De procedure en de wijze van het bepalen van de uittreedsom zijn opgenomen. In tegenstelling tot de inbreng is geen mogelijkheid voor het AB opgenomen om bij unanimiteit van de afspraken in de artikel 33 van de regeling, af te wijken. Wettelijk is bepaald dat uittreden in principe niet kan vanwege de verplichte deelname voor de basistaken (18.21 OW). Daarom is de uittreding kort gehouden met alleen het hoognodige erin. Essentie is in de wetswijziging dat in de GR het door de deelnemers geregeld moet worden. Daarom gekozen voor 'inventarisatie' door het algemeen bestuur. Afspraken over de uittreding worden uiteindelijk vastgelegd in een
tweederde meerderheid van de uitgebrachte stemmen. 5. Het dagelijks bestuur ziet toe op de uittreding en de vereffening van de financiële verplichtingen.
6.
7.
8.
9.
10.
11.
omstandigheden en wijziging van inzichten die zich voordoen of opkomen na het moment van de daadwerkelijke uittreding kunnen niet worden betrokken bij de bepaling van de hoogte van de uittreedsom. Het openbaar lichaam is gehouden redelijkerwijs al het mogelijke te doen om (direct nadat de opzegbrief is ontvangen) de uittredingskosten zo laag mogelijk te houden. Het voorgaande behoeft niet te leiden tot wijziging van overeenkomsten met en verplichtingen jegens derden die zijn aangegaan respectievelijk bepaald voorafgaand aan het tijdstip van ontvangst door het algemeen bestuur van het besluit tot uittreding van de deelnemer. Het algemeen bestuur wijst een onafhankelijke externe deskundige aan op basis van een gezamenlijke voordracht van de uittredende deelnemer en het dagelijks bestuur. De kosten voor het inschakelen van een onafhankelijke externe deskundige komen voor rekening van de uittredende deelnemer. De onafhankelijke externe deskundige stelt de uittreedsom vast. Het algemeen bestuur en de uittredende deelnemer komen tot een akkoord op basis van dit vastgestelde bedrag. Indien het algemeen bestuur en de uittredende deelnemer niet tot een akkoord kunnen komen op basis van het in lid 8 vastgestelde bedrag, dan zal een andere onafhankelijke externe deskundige (aangewezen op de in lid 7 van dit artikel bedoelde wijze) een voor betrokkenen bindend besluit nemen.
De financiële gevolgen die het gevolg zijn van de uittreding, de uittreedsom, worden door de uittredende deelnemer gedragen. De uittredende deelnemer is verplicht tot betaling van de
vaststellingsovereenkomst. Bij uittreden gaat het om terugnemen van de basistaken. Omdat de deelnemers wettelijk verplicht zijn die taken over te dragen aan een omgevingsdienst, zal dat niet snel voorkomen. Wel kan het bijvoorbeeld bij een herindeling aan de orde zijn als een deelnemer hierdoor bij een andere omgevingsdienst ondergebracht wordt. De financiële gevolgen voor een omgevingsdienst kunnen ook groot zijn als een deelnemer taken (niet zijnde basistaken) terugneemt. Die zijn opgenomen in de overeenkomst tussen de deelnemer en de omgevingsdienst en niet in de GR tekst.
12. 13.
definitieve uittreedsom binnen een jaar nadat de definitieve uittreedsom is vastgesteld. Het Dagelijks Bestuur ziet toe op de uittreding en de vereffening van de financiële verplichtingen. Het algemeen bestuur kan besluiten tot een afwijkende uittredingsregeling. Artikel 24A is van toepassing op een dergelijk besluit.
Onderbouwing wijzigingen ODRN a.g.v. inwerkingtreding Omgevingswet, overige wetgeving afspraken inzake Gelders Stelsel. Oud artikel Overwogen hebbende dat - De deelnemers bevoegdheden uit oefenen op grond van onder andere de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), waaronder bevoegdheden tot het beslissen op aanvragen om omgevingsvergunningen, het houden van toezicht en het beslissen over bestuursrechtelijke handhaving van wettelijke voorschriften.
Nieuw artikel Overwegingen De deelnemers bevoegdheden uitoefenen op grond van onder andere de Omgevingswet, waaronder bevoegdheden tot het beslissen op aanvragen om omgevingsvergunningen, het houden van toezicht en het beslissen over bestuursrechtelijke handhaving van wettelijke voorschriften.
onderbouwing Als gevolg van de inwerkingtreding van de Omgevingswet worden de termen gerelateerd aan de Wabo vervangen door de nieuwe termen gerelateerd aan de Omgevingswet.
Artikel 1, eerste lid, onder a: basistaken: taken bedoeld in artikel 7.1 van het Besluit omgevingsrecht;
Artikel 1, eerste lid, onder a: basistaken: taken als bedoeld in artikel 13.12 van het Omgevingsbesluit;
Als gevolg van de inwerkingtreding van de Omgevingswet worden de termen gerelateerd aan de Wabo vervangen door de nieuwe termen gerelateerd aan de Omgevingswet.
Artikel 1, eerste lid, onder b: bovenregionale taken: taken die ten behoeve van de deelnemers en van deelnemers aan andere regionale uitvoeringsdiensten in Gelderland worden verricht, niet zijnde complexe taken;
Artikel 1, eerste lid, onder b: bovenregionale taken: taken die ten behoeve van de deelnemers en van deelnemers aan andere omgevingsdiensten in Gelderland worden verricht, niet zijnde complexe taken;
Regionale uitvoeringsdiensten wordt vervangen door omgevingsdiensten.
Artikel 1, eerste lid, onder d: complexe taken: basistaken ten aanzien van complexe bedrijven zijnde: vergunningplichtige inrichtingen als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer die worden ingedeeld in milieucategorie 4.2 en hoger als bedoeld in de VNG-uitgave Bedrijven en
Artikel 1, eerste lid, onder d: Complexe taken: basistaken ten aanzien van complexe activiteiten zijnde: vergunningplichtige milieubelastende activiteiten die worden ingedeeld in milieucategorie 4.2 en hoger als bedoeld in de VNG-uitgave Bedrijven en milieuzonering, editie
Als gevolg van de inwerkingtreding van de Omgevingswet worden de termen gerelateerd aan de Wabo vervangen door de nieuwe termen gerelateerd aan de Omgevingswet.
milieuzonering, editie 2009 of inrichtingen waarop de Richtlijn industriële emissies van toepassing is als bedoeld in artikel 1.1, derde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of overige inrichtingen onder provinciaal bevoegd gezag;
2009; of milieubelastende activiteiten waarop de Richtlijn industriële emissies van toepassing is; overige milieubelastende activiteiten die vallen onder provinciaal bevoegd gezag;
Artikel 1 lid 1 sub n BRIKS-taken: de taken op het terrein van Bouwen, Ruimtelijke ordening, Inritvergunningen, Kappen en Slopen;
Vervalt -
Onder de Omgevingswet bestaat dit begrip niet meer.
-
Artikel 1, lid 1 sub p: Gelders stelsel: samenwerking van alle Gelderse omgevingsdiensten in de provincie Gelderland waarbij onderlinge afspraken worden gemaakt over het beleggen van taken.
Voor de definitie is aangesloten bij de reeds bestaande tekst in de overweging over het stelsel. Het begrip Gelders Stelsel komt een paar keer voor in de regeling en ter verduidelijking is dit begrip toegevoegd aan de definities.
Artikel 1, vierde lid: Uitgezonderd van de complexe taken zijn de volgende vergunningplichtige inrichtingen die worden ingedeeld in milieucategorie 4.2 en hoger als bedoeld in de VNGuitgave Bedrijven en milieuzonering, editie 2009: inrichtingen, die uitsluitend onder de Richtlijn industriële emissies categorie 6.6 vallen; inrichtingen bestemd voor cultuur, sport en recreatie (SBI 9321, 931. 1t/m 931.10, 931.B t/m
Art. 1, vierde lid: Uitgezonderd van de complexe taken zijn de volgende vergunningplichtige milieubelastende activiteiten die worden ingedeeld in milieucategorie 4.2 en hoger als bedoeld in de VNG-uitgave Bedrijven en milieuzonering, editie 2009: het exploiteren van een ippc-installatie voor het houden van pluimvee of varkens als bedoeld in de Richtlijn industriële emissies categorie 6.6; activiteiten ten behoeve van cultuur, sport en
Als gevolg van de inwerkingtreding van de Omgevingswet worden de termen gerelateerd aan de Wabo vervangen door de nieuwe termen gerelateerd aan de Omgevingswet. In plaats van inrichtingen worden nu de activiteiten vermeld.
931.D en 93299); rangeerterreinen (SBI 491,492.2); trafostations (SBI 35.C4 en 35.C5) en de schakelstations van het 380 kV hoogspanningsnet; agrarische inrichtingen die mest verwerken als nevenactiviteit, waarbij de mest uitsluitend afkomstig van de eigen inrichting; inrichtingen met een helikopterlandplaats als nevenactiviteit (SBI 5223.B); betonmortel en –waren (SBI 23611, 2363, 2364, 2365, en 2369) de vergunningplichtige niet IPPC‐ inrichtingen; rioolwaterzuiveringen (SBI 3700): de vergunningplichtige niet IPPC‐inrichtingen.
Artikel 4, eerste lid: 1. Ter behartiging van het belang genoemd in artikel 2 brengen de deelnemers de uitvoering van de basistaken onder bij het openbaar lichaam, met dien verstande dat provincie Gelderland de uitvoering van de taken bedoeld in artikel 7.1, eerste lid, onder a en b van het Besluit omgevingsrecht onderbrengt bij de Omgevingsdienst Regio Nijmegen.
recreatie (SBI 9321, 931.1 t/m 931.10, 931.B t/m 931.D en 93299); het exploiteren van een rangeerterrein (SBI 491, 492.2); activiteiten ten behoeve van trafostations (SBI 35.C4 en 35.C5) en de schakelstations van het 380 KV hoogspanningsnet; agrarische activiteiten waarbij mest wordt verwerkt als nevenactiviteit, waarbij die mest uitsluitend afkomstig is uit de eigen activiteiten; activiteiten met een helikopterstandplaats als nevenactiviteit (SBI 5223.B); activiteiten met betrekking tot betonmortel en waren (SBI 23611, 2363, 2364, 2365 en 2369), voor zover er geen sprake is van een ippcinstallatie; activiteiten met betrekking tot rioolwaterzuiveringen (SBI 3700), voor zover er geen sprake is van een ippc-installatie.
Artikel 4, eerste lid: 1. Ter behartiging van het belang genoemd in artikel 2 brengen de deelnemers de uitvoering van de basistaken onder bij het openbaar lichaam, met dien verstande dat provincie Gelderland de uitvoering van de taken bedoeld in artikel 13.12, eerste lid, onder a, b en c van het Omgevingsbesluit onderbrengt bij de Omgevingsdienst Regio Nijmegen.
Als gevolg van de inwerkingtreding van de Omgevingswet worden de termen gerelateerd aan de Wabo vervangen door de nieuwe termen gerelateerd aan de Omgevingswet. De vermelding van het onderbrengen van een bepaalde taak bij ODRN door de provincie Gelderland betreft die van de Brzoinrichtingen (Onder de Omgevingswet Seveso te noemen).
ODRN is door de Rijksoverheid aangewezen als 1 van de 6 Brzodiensten in Nederland. Artikel 5, eerste lid Ter behartiging van het belang genoemd in artikel 2 kunnen de deelnemers de uitvoering onderbrengen bij het openbaar lichaam van overige taken in het omgevingsrecht, waaronder in ieder geval begrepen de overige milieu taken niet vallend onder het basistakenpakket, BRIKS-taken, taken betreffende de Huisvestingswet, Leegstandswet, Monumentenwet en Algemene plaatselijke verordening met betrekking tot de leefomgeving dan wel de daarvoor in de plaats getreden wet- en regelgeving . Artikel 16, vierde lid: Van de bevoegdheid als bedoeld in artikel 14, tweede lid, van de wet om leden van het dagelijks bestuur aan te wijzen van buiten de kring van het algemeen bestuur wordt niet eerder gebruik gemaakt dan na twee jaren na inwerkingtreding van de regeling.
Artikel 5, eerste lid: Ter behartiging van het belang genoemd in artikel 2 kunnen de deelnemers de uitvoering van overige taken in het omgevingsrecht onderbrengen bij het openbaar lichaam. Overige taken zijn in ieder geval de Omgevingswettaken voor zover niet behorend tot de in artikel 4 genoemde basistaken, taken betreffende de Huisvestingswet, de Leegstandswet, de Algemene Plaatselijke Verordening dan wel de daarvoor in de plaats getreden regelgeving.
Als gevolg van de inwerkingtreding van de Omgevingswet worden de termen gerelateerd aan de Wabo vervangen door de nieuwe termen gerelateerd aan de Omgevingswet. Een aantal overige wetten blijft vooralsnog bestaan en daarom zijn deze ook blijven staan naast de Omgevingswet.
vervalt
Er zijn al meer dan twee jaren verstreken na inwerkingtreding regeling en daarmee is het artikel vervallen.
Artikel 16, achtste lid: Het algemeen bestuur kan een lid van het dagelijks bestuur ontslag verlenen of schorsen als dat lid het vertrouwen van het algemeen bestuur niet meer bezit. Het ontslag gaat onmiddellijk in.
Artikel 16, achtste lid: Het algemeen bestuur kan een lid van het dagelijks bestuur, niet zijnde de voorzitter, ontslag verlenen of schorsen als dat lid het vertrouwen van het algemeen bestuur niet meer bezit. Het ontslag gaat onmiddellijk in.
Over het voorzitterschap zijn separate bepalingen opgenomen en daarom nadrukkelijk aangegeven dat de voorzitter hier niet onder begrepen is.
Artikel 18, tweede lid: Het dagelijks bestuur benoemt, schorst en ontslaat het
Artikel 18, tweede lid: Het dagelijks bestuur is belast met het aangaan van
Aanpassing als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet
personeel, waaronder begrepen de directeur. Onder benoeming van personeel wordt tevens verstaan de tewerkstelling op grond van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht.
arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht, het ontslaan en schorsen van het personeel, waaronder begrepen de directeur.
normalisering rechtspositie ambtenaren (Wnra).
Artikel 18, derde lid: Het dagelijks bestuur is bevoegd tot het vaststellen van een regeling omtrent de ambtelijke organisatie van het openbaar lichaam, alsmede de rechtspositieregelingen voor de directeur en het overige personeel.
Artikel 18, derde lid: Het dagelijks bestuur stelt de arbeidsvoorwaardenregelingen voor de directeur alsmede het overige personeel van het openbaar lichaam vast.
Aanpassing als gevolg van de inwerkingtreding van de Wnra.
Artikel 21: 1. De voorzitter voert geregeld overleg met de voorzitters van de dagelijkse besturen van de andere regionale uitvoeringsdiensten in Gelderland. Het overleg heeft als doel het bevorderen van een goede samenwerking tussen de uitvoeringsdiensten. 2. De voorzitter van de regionale uitvoeringsdienst De Vallei zit dit overleg voor. 3. Het overleg doet zo nodig voorstellen aan de deelnemers voor de programmering van bovenregionale taken.
vervalt
Zie toelichting art. 26 (nieuw)
-
Hoofdstuk invoegen boven artikel 26: Hoofdstuk 7A Samenwerking Gelders stelsel
Artikel 26 Samenwerking tussen uitvoeringsdiensten 1. De directeur voert geregeld overleg met de directeuren van de andere regionale uitvoeringsdiensten in Gelderland. Het overleg heeft als doel het bevorderen van een goede samenwerking tussen de diensten.
Artikel 26. Samenwerking tussen omgevingsdiensten 1. De voorzitter heeft regelmatig overleg met de voorzitters van de besturen van de andere omgevingsdiensten in Gelderland. 2. De directeur heeft regelmatig overleg met de
De oude artikelen 21 en 26 zijn opgenomen met hetzelfde doel om de samenwerking tussen de omgevingsdiensten te bevorderen. Vanwege de samenloop is dit artikel
2. De directeur van de regionale uitvoeringsdienst De Vallei zit dit overleg voor.
directeuren van de andere omgevingsdiensten in Gelderland. 3. De overleggen hebben als doel het bevorderen van een goede samenwerking tussen de omgevingsdiensten.
samengevoegd in een artikel in een eigen hoofdstuk, te weten: Samenwerking Gelders Stelsel (art. 26). Ook inhoudelijk zijn een aantal wijzigingen doorgevoerd in het artikel. In de oorspronkelijke tekst werd bepaald hoe het voorzittersoverleg en het directeurenoverleg vorm moest worden gegeven (de voorzitters/directeuren wijzen uit hun midden een voorzitter aan). Dit is echter juridisch gezien niet mogelijk, aangezien deze overleggen niet onder het openbaar lichaam vallen. Het is dan ook niet mogelijk om te bepalen hoe dit overleg dient te worden georganiseerd. In de vernieuwde tekst is deze bepaling dan ook niet meer opgenomen in de regeling. Het bovenstaande betekent niet dat deze wijze waarop het voorzittersoverleg wordt georganiseerd niet is geformaliseerd. In 2016 is het functioneren van het Gelders Stelsel geëvalueerd. Eén van de aanbevelingen uit deze evaluatie was het formaliseren van het Voorzittersoverleg van de Gelderse
Omgevingsdiensten. Dit heeft ertoe geleid dat in 2017 door de algemeen besturen van de Gelderse Omgevingsdiensten het Statuut Voorzittersoverleg Gelderse Omgevingsdiensten is vastgesteld. In dit statuut zijn de wijze van werken in het stelsel met daarbij procedureafspraken vastgelegd. Artikel 28. Jaarrekening 1. De vaststelling van de jaarrekening als bedoeld in artikel 58, derde lid, van de Wet geschiedt vóór 1 juli volgend op het jaar waarop deze betrekking heeft. 2. Artikel 27 leden 2, 3, en 8 van de regeling zijn van overeenkomstige toepassing. 3. Het dagelijks bestuur zendt de vastgestelde jaarrekening binnen twee weken na de vaststelling doch in ieder geval vóór 15 juli aan de minister. 4. Vaststelling van de rekening strekt het dagelijks bestuur tot decharge, behoudens later in rechte gebleken valsheid in geschrifte of andere onregelmatigheden. 5. In de rekening wordt het door elk van de deelnemers over het desbetreffende jaar werkelijk verschuldigde bedrag opgenomen. 6. Verrekening van het verschil tussen hetgeen op grond van artikel 10 van deze regeling is bepaald enerzijds en hetgeen op basis van de rekening is verschuldigd anderzijds vindt plaats zo spoedig mogelijk na de vaststelling van de rekening met inachtneming van artikel 29.
Artikel 28 Jaarverslag (incl Jaarrekening) 1. De vaststelling van de jaarrekening als bedoeld in artikel 58, derde lid, van de Wet geschiedt vóór 15 juli volgend op het jaar waarop deze betrekking heeft. 2. Artikel 27A leden 1, 2, 5 en 6 van de regeling zijn van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat er geen zienswijzen over de Jaarrekening kunnen worden ingediend bij de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. 3. Het dagelijks bestuur zendt de vastgestelde jaarrekening binnen twee weken na de vaststelling doch in ieder geval vóór 15 juli aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. 4. Vaststelling van de rekening strekt het dagelijks bestuur tot decharge, behoudens later in rechte gebleken valsheid in geschrifte of andere onregelmatigheden. 5. In de rekening wordt het door elk van de deelnemers over het desbetreffende jaar werkelijk verschuldigde bedrag opgenomen. 6. Verrekening van het verschil tussen hetgeen op grond van artikel 10 van deze regeling is bepaald enerzijds en
Deze bepaling gaat over het Jaarverslag inclusief de Jaarrekening en volgt de regels van de Wet gemeenschappelijke regelingen. De procedure sluit aan bij die van de begroting zij het met andere data. Tevens zijn een aantal verwijzingen naar leden uit het artikel van de Begroting aangepast.
hetgeen op basis van de rekening is verschuldigd anderzijds vindt plaats zo spoedig mogelijk na de vaststelling van de rekening met inachtneming van artikel 29. Artikel 38. Inwerkingtreding 1. De regeling of een wijziging daarvan treedt in werking een dag nadat deze op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt. 2. Gedeputeerde staten dragen zorg voor de in artikel 26 van de Wet bedoelde toezending en publicatie.
Artikel 38. Inwerkingtreding 1. De regeling treedt in werking een dag nadat deze op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt. 2. Gedeputeerde staten dragen zorg voor bekendmaking van de geconsolideerde tekst in het Provinciaal blad van Gelderland.
Aanpassing als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet elektronische publicaties.