22 07 040326
Tekst van het document
AZC Winsum Rapportage verkennend bodemonderzoek voormalig sportveld Schouwerzijlsterweg te Winsum
Centraal Orgaan opvang Asielzoekers 19 juli 2022
Project Opdrachtgever
Document
Status Datum Referentie
Projectcode Projectleider Projectdirecteur
Auteur(s) Gecontroleerd door Goedgekeurd door
AZC Winsum Centraal Orgaan opvang Asielzoekers
Rapportage verkennend bodemonderzoek voormalig sportveld Schouwerzijlsterweg te Winsum Definitief 19 juli 2022 132059/22-010.801
132059 Drs. T. Klumper Drs. M.J. Schilt
A.G.C. Goselink W.J. van den Berg Drs. T. Klumper
Paraaf
Adres
Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V. | Deventer Hoogoorddreef 15 Postbus 12205 1100 AE Amsterdam +31 (0)20 312 55 55 www.witteveenbos.com KvK 38020751
Het kwaliteitsmanagementsysteem van Witteveen+Bos is gecertificeerd op basis van ISO 9001. © Witteveen+Bos Foto cover ® Google Earth Pro Niets uit dit document mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt in enige vorm zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Witteveen+Bos noch mag het zonder dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd, behoudens schriftelijk anders overeengekomen. Witteveen+Bos aanvaardt geen aansprakelijkheid voor enigerlei schade die voortvloeit uit of verband houdt met het wijzigen van de inhoud van het door Witteveen+Bos geleverde document.
INHOUDSOPGAVE
1
INLEIDING
5
1.1
Algemeen
5
1.2
Aanleiding en doel
5
1.3
Kwaliteitsborging
5
1.4
Leeswijzer
5
2
BESCHIKBARE (BODEM)INFORMATIE
7
2.1
Algemeen
7
2.2
Beschrijving onderzoeksgebied
8
2.3
Geplande grondroerende werkzaamheden
9
2.4
Bodemopbouw en geohydrologie
9
2.4.1 2.4.2
Bodemopbouw Antropogene lagen in de bodem
9 11
Verwachting ten aanzien van de bodemkwaliteit
11
2.5.1 2.5.2 2.5.3 2.5.4
12 14 16 16
2.5
2.6
Bodemloket Op basis van uitgevoerde bodemonderzoeken en overige bodeminformatie Geval van ernstige verontreiniging? Kwaliteit op basis van de bodemkwaliteitskaart
Gebruik en beïnvloeding van de locatie
16
2.6.1 2.6.2 2.6.3
Voormalig Huidig Asbestverdacht?
16 18 19
2.7
Beantwoording onderzoeksvragen
19
2.8
Onderzoekshypothese en strategie
20
3
VELDONDERZOEK
22
3.1
Algemeen
22
3.2
Uitgevoerde werkzaamheden
22
3.3
Resultaten veldonderzoek
23
3.3.1 3.3.2 3.3.3
23 23 24
4
Terreinverkenning Waarnemingen grond Waarnemingen grondwater
CHEMISCH ONDERZOEK
26
5
BESPREKING RESULTATEN
30
5.1
Grond
30
5.2
Grondwater
32
5.3
Toetsing onderzoekshypothese(s) en -strategie(ën)
33
5.4
Veiligheidsklasse (ontwerpfase)
34
6
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN
36
6.1
Algemeen
36
6.2
Aanleiding en doel
36
6.3
Conclusies
36
6.3.1 6.3.2 6.3.3 6.3.4
36 37 37 37
6.4
7
Grond Grondwater Veiligheidsklasse Gestelde doelen onderzoek
Aanbevelingen
38
6.4.1
Grond
38
REFERENTIES
39
Laatste pagina
39
Bijlage(n)
Aantal pagina's
I
Kwaliteitsborging
2
II
Regionale situatie
1
III
Fotoreportage onderzoekslocatie
3
IV
Lokale situatie met monsterpunten
1
V
Boorprofielen
11
VI
Analysecertificaten
25
VII
Toetsingstabellen
24
VIII
Toetsingskader
4
IX
Onderzoeksaspecten vooronderzoek
1
X
Bodemloketrapportages
18
XI
Ontvangen bodeminformatie
209
1 INLEIDING 1.1
Algemeen
In opdracht van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (hierna: COA) is door Witteveen+Bos een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van een voormalig sportveld nabij de Schouwerzijlsterweg op bedrijventerrein Het Aanleg te Winsum (gemeente Het Hogeland).
1.2
Aanleiding en doel
De aanleiding tot het uitvoeren van het onderzoek is het voornemen van het COA om (tijdelijke) huisvesting in een asielzoekerscentrum (hierna: AZC) nabij de Schouwerzijlsterweg over te gaan. Doel van het onderzoek is meerledig, te weten: - het vaststellen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem (grond en grondwater); - bepalen of de actuele milieuhygiënische kwaliteit voldoet aan het huidige en toekomstige gebruik van de locatie; - bepalen of het aannemelijk kan worden geacht of er risico’s voor de volksgezondheid en/of milieu aanwezig zijn; - bepalen of de milieuhygiënische kwaliteit een belemmering zou kunnen vormen voor de voorgenomen werkzaamheden; - bepalen van de veiligheidsklasse (ontwerpfase) waarin de werkzaamheden uitgevoerd moeten worden. Met de onderzoeksresultaten kan beoordeeld worden of er een wettelijke grondslag bestaat tot het uitvoeren van een nader onderzoek. Het bodemonderzoek is uitgevoerd conform de NEN 5740 [ref. 1]. De interpretatie van de onderzoeksresultaten heeft plaatsgevonden aan de hand van de ‘Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013’ [ref. 2] en het Besluit bodemkwaliteit en de bijbehorende Regeling [ref. 3 en 4].
1.3
Kwaliteitsborging
Het project is uitgevoerd volgens het kwaliteitssysteem van Witteveen+Bos, dat gecertificeerd is conform ISO 9001. Witteveen+Bos voldoet aan de veiligheidsmanagementnorm VCA**. Het veldwerk is uitgevoerd onder het BRL SIKB 2000 procescertificaat van Poelsema Veldwerk (zie bijlage I).
1.4
Leeswijzer
Dit rapport is als volgt opgebouwd: - beschikbare (bodem)informatie (hoofdstuk 2); - veldonderzoek (hoofdstuk 3); - chemisch onderzoek (hoofdstuk 4);
5 | 39
Witteveen+Bos | 132059/22-010.801 | Definitief
-
bespreking resultaten (hoofdstuk 5); conclusies en aanbevelingen (hoofdstuk 6); referenties (hoofdstuk 7).
6 | 39
Witteveen+Bos | 132059/22-010.801 | Definitief
2 BESCHIKBARE (BODEM)INFORMATIE 2.1
Algemeen
Voorafgaand aan het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 [ref. 1] dient een vooronderzoek conform de NEN 5725 [ref. 5] uitgevoerd te worden. Met een vooronderzoek wordt door archief- en dossieronderzoek informatie verzameld over het voormalig, huidig en toekomstig bodemgebruik, de bodemopbouw en geohydrologie en de financieel-juridische situatie. Het vooronderzoek is met name gericht op het achterhalen van (voormalige) bodembedreigende activiteiten en eventuele aanwezige bodemverontreiniging ter plaatse of in de nabijheid van het project en heeft zich gericht op het onderzoeksgebied en een contour van 25 meter rondom de locatie. De norm voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek (NEN 5725) onderscheidt zeven verschillende aanleidingen (A tot en met G). De specifieke aanleidingen voor dit onderzoek betreffen: - A: opstellen hypothese over de bodemkwaliteit ten behoeve van uit te voeren bodemonderzoek; - G: opstellen hypothese over de bodemkwaliteit bij tijdelijke uitplaatsing en bij overig projectmatig grondverzet ten behoeve van het inschatten van arbeidshygiënische risico’s. In dit hoofdstuk zijn de aanleidingen uit de NEN 5725 uitgewerkt. Een overzicht van de verplicht te raadplegen bronnen voor deze aanleidingen (A en G) is opgenomen in bijlage IX.
De gemotiveerd te beantwoorden onderzoeksvragen voor de aanleiding(en) van het vooronderzoek betreffen (aanleiding A en G): - wat is de afbakening van de onderzoekslocatie en is deze voldoende? - is er sprake van potentiële bronnen van bodemverontreiniging, zowel vanuit het verleden als het heden? Zo ja, wat zijn de potentiële bronnen van bodemverontreiniging, waar liggen ze en wat zijn verdachte parameters? - is de bodem asbestverdacht? - welke bodemkwaliteitsklasse is toegekend aan de bodem in de bodemkwaliteitskaart en welke lagen zijn daarbij te onderscheiden? - wat is de bodemopbouw en geohydrologie en is er binnen het onderzoeksgebied sprake van verschillende fysische kwaliteiten en/of bodemvreemde lagen? Zo ja, welke fysische kwaliteiten en/of bodemvreemde lagen zijn er en waar bevinden deze zich? - is er sprake van beïnvloeding vanuit de omgeving van de bodemkwaliteit of de kwaliteit van het grondwater? Zo ja, welke beïnvloeding en waar? - wordt op de locatie of een deel daarvan (een geval van ernstige) bodemverontreiniging vermoed? Zo ja, waar bevindt deze zich? - is de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem afdoende bekend of is bodemonderzoek noodzakelijk? Motiveer het antwoord; - is er een vermoeden dat op basis van beschikbare voorinformatie werkzaamheden plaatsvinden binnen een geval van ernstige bodemverontreiniging? - welke hypothese en strategie zijn van
toepassing bij de uitvoering van bodemonderzoek de indeling van de onderzoekslocatie in deellocaties met verschillende hypotheses over de aard en verdeling van de verontreinigende stoffen)?
7 | 39
Witteveen+Bos | 132059/22-010.801 | Definitief
De vragen voor de betreffende aanleidingen worden in de navolgende (sub)paragrafen beantwoord: - beschrijving onderzoeksgebied (paragraaf 2.2); - geplande grondroerende werkzaamheden (paragraaf 2.3); - bodemopbouw en geohydrologie (paragraaf 2.4); - verwachting ten aanzien van de bodemkwaliteit (paragraaf 2.5); - gebruik en beïnvloeding van de locatie (paragraaf 2.6); - beantwoording onderzoeksvragen (paragraaf 2.7). Op basis van de resultaten van het vooronderzoek zijn in paragraaf 2.8 de onderzoekshypotheses en -strategieën opgesteld voor het uitvoeren van het verkennend bodemonderzoek.
2.2
Beschrijving onderzoeksgebied
In tabel 2.1 is een beschrijving en zijn de gegevens van het onderzoeksgebied weergegeven, inclusief informatie over het voormalig, huidig en toekomstig gebruik van de locatie. In afbeelding 2.1 is globaal het onderzoeksgebied en de directe omgeving weergegeven. In bijlage II is het regionale overzicht opgenomen.
Tabel 2.1 Beschrijving en gegevens onderzoeksgebied opdrachtgever
Centraal Orgaan opvang Asielzoekers
-
adres
postbus 30202, 2500 GE ‘s-GRAVENHAGE
-
contactpersoon
de heer A. Verbeek
onderzoeksgebied: -
adres/ligging onderzoeksgebied
ten noordwesten van het centrum van Winsum nabij de
-
gemeente
Het Hogeland
-
kadastrale situatie
gemeente Winsum, sectie H, nummer 386 (ged.)
-
kadastrale oppervlakte
25.434 m2 (gehele kad. perceel)
-
topografische aanduiding (coördinaten RD)
kaartblad 07-West, x = 229.599, y = 594.790
-
waterschap
Noorderzijlvest
-
waterwingebied
nee
-
grondwaterbeschermingsgebied
nee
-
boringsvrije zone
nee
Schouwerzijlsterweg op bedrijventerrein Het Aanleg te Winsum
-
gebruik onderzoeksgebied -
voormalig
agrarisch, stort (ged.), sportveld/recreatie
-
huidig
sportveld/recreatie
-
toekomstig
wonen (tijdelijk)
8 | 39
Witteveen+Bos | 132059/22-010.801 | Definitief
Afbeelding 2.1 Globale weergave onderzoekslocatie (rode contour) en omgeving
Bron: Google Earth Pro.
Het onderzoeksgebied (rode contour in afbeelding 2.1) is in dit rapport gedefinieerd op basis van het inrichtingsplan. Het onderzoeksgebied is gelegen op het bedrijventerrein Het Aanleg ten noordwesten van het centrum van Winsum.
2.3
Geplande grondroerende werkzaamheden
Ten behoeve van de (tijdelijke) huisvestiging van asielzoekers zijn relatief oppervlakkige bodemingrepen voorzien voor het realiseren van (ondergrondse) infrastructuur (w.o. toegangsweg, kabels, leidingen en riolering). Grootschalige grondroerende werkzaamheden of grondverzet is niet voorzien.
2.4
Bodemopbouw en geohydrologie
2.4.1
Bodemopbouw
De hoogteligging van de onderzoekslocatie (rood gemarkeerd) en de directe omgeving is in afbeelding 2.2 weergegeven.
9 | 39
Witteveen+Bos | 132059/22-010.801 | Definitief
Afbeelding 2.2 Hoogteligging (t.o.v. NAP) onderzoekslocatie en directe omgeving (afbeelding noord gericht)
Bron: Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN).
Het maaiveld ter plaatse van de onderzoekslocatie bevindt zich op circa NAP + 0,9 m. In afbeelding 2.3 is de bodemopbouw tot 20 m-mv, op basis van een geologisch booronderzoek in de onmiddellijke nabijheid van de onderzoekslocatie, schematisch weergegeven. In afbeelding 2.4 is een schematische dwarsdoorsnede (noordwest-west - zuidoost-oost) ter plaatse van de onderzoekslocatie weergegeven.
Afbeelding 2.3 Lokale weergave lithologie
Bron: Dinoloket.
10 | 39
Witteveen+Bos | 132059/22-010.801 | Definitief
Afbeelding 2.4 Doorsnede lengtegraad (noordwest-west - zuidoost-oost)
Bron: Dinoloket.
Vanaf maaiveld tot circa NAP - 9,5 m bestaat de bodem uit Holocene afzettingen (complexe eenheid), bestaande uit een afwisseling van zandige klei, midden en fijn zand, klei en veen en een weinig grof zand. Hieronder is tot circa NAP - 14,0 m de Formatie van Boxtel (2de zandige eenheid) aanwezig, hoofdzakelijk bestaande uit midden en fijn zand, met weinig zandige klei en grof zand en een spoor klein, veen en grind. Onder de Formatie van Boxtel bevindt zich tot circa NAP - 17,5 m de Formatie van Peelo (1ste zandige eenheid), bestaande uit midden en grof zand, met weinig fijn zand en grond en een spoor klei, zandige klei en veen. Hieronder bevindt zich tot minimaal NAP - 20 m de Formatie van Peelo (1ste kleiige eenheid), hoofdzakelijk bestaande uit zandige klei, klei en fijn zand en met weinig midden en grof zand.
2.4.2
Antropogene lagen in de bodem
De onderzoekslocatie kende een agrarische bestemming en gebruik en is in gebruik geweest als sportveld (voetbal). Het wordt dan ook aannemelijk geacht dat de bodem tot maximaal 0,5 à 0,7 als gevolg van diep ploegen en/of drainage geroerd is. Het wordt niet waarschijnlijk geacht dat sprake is van antropogene (ophoog)lagen. In afwijking van het bovenstaande blijkt dat de westzijde van de locatie onderdeel uitmaakte van een voormalig stort. Aan de westelijke grens van de onderzoekslocatie zal dan ook sprake kunnen zijn van antropogene (stort)lagen.
2.4.3
Geohydrologie
De stroming van het freatische grondwater is regionaal noordelijk gericht. Het onderzoeksgebied is niet gelegen in een boringsvrije zone, grondwaterbeschermings- of drinkwaterwinningsgebied. Het onderzoeksgebied is gelegen in het beheersgebied van waterschap Noorderzijlvest.
2.5
Verwachting ten aanzien van de bodemkwaliteit
In deze paragraaf wordt ingegaan op de verwachtingen ten aanzien van de bodemkwaliteit op basis van beschikbare informatie. Achtereenvolgens worden in de onderstaande sub-paragrafen behandeld: Bodemloket; de uitgevoerde bodemonderzoeken en overige bodeminformatie; de geval(len) van ernstige verontreiniging; de bodemkwaliteit op basis van de bodemkwaliteitskaart.
11 | 39
Witteveen+Bos | 132059/22-010.801 | Definitief
2.5.1
Bodemloket
Het Bodemloket (www.bodemloket.nl) is een initiatief van de gezamenlijke bevoegde overheden in het kader van de Wet bodembescherming (Wbb). Deze provincies en gemeenten verzamelen gegevens over bodemonderzoeken en bodemsaneringen die (in het kader van de Wbb) worden uitgevoerd. Bodemloket geeft inzicht in het historisch gebruik van de locatie wanneer dit in milieuhygiënisch opzicht van belang is, of op een locatie onderzoek heeft plaatsgevonden, of dit onderzoek aanleiding geeft tot vervolgstappen (nader onderzoek of bodemsanering) of dat een locatie wellicht al gesaneerd is. Op 8 juni 2022 is Bodemloket geraadpleegd. Uit de informatie blijkt dat diverse onderzoeken zijn uitgevoerd. In tabel 2.2 zijn de gegevens en is de (status)informatie weergegeven.
12 | 39
Witteveen+Bos | 132059/22-010.801 | Definitief
Tabel 2.2 Overzicht informatie Bodemloket Locatie/titel
ID BG/locatiecode gemeentelijk BIS
Verontreinigende activiteiten (UBIcode)
Start
Eind
Onderzoeksrapporten
Statusinformatie
WI Schouwerzijlsterweg 9
GR005300014/AA005300145
stortplaats op land (900030)
onbekend
onbekend
nader onderzoek, Arcadis, nummer 11202.00218, 30 juni 2000
voldoende onderzocht
stortplaats huishoudelijk afval op land (900222)
onbekend
onbekend
aanvullend rapport, Hunneman, nummer 2003.079, 1 januari 2004 nader onderzoek, Witteveen+Bos, nummer GN12635/posm/005
WM Schouwerzijlsterweg 7A (gymzaal)
GR005300680/AA005300595
hbo-tank (ondergronds) (631242)
onbekend
1994
partijkeuring grond, n.n., nummer 3-049-41-17, 25 november 2008
voldoende onderzocht
WM, WI Het Aanleg (Hekma)
GR005300193/AA005300060
-
-
-
verkennend onderzoek NVN 5740, n.n., nummer M06532.02.001, 8 oktober 1997
-
WM, WI Het Aanleg
GR005300259/AA005300150
-
-
-
verkennend onderzoek NVN 5740, Grontmij Milieu, nummer PN 02/6833.2, 23 juli 1998
-
HD, WM plangebied Het Aanleg
GR196600330/NZ196600208
-
-
-
verkennend onderzoek NEN 5740,n.n., nummer 21300673, 23 juli 2021
voldoende onderzocht
13 | 39
Witteveen+Bos | 132059/22-010.801 | Definitief
Uit de statusinformatie blijkt dat de (voormalige) activiteiten en/of de onderzoekslocatie voldoende zijn onderzocht in het kader van de Wet bodembescherming. De bodemloketrapporten zijn in bijlage X opgenomen.
2.5.2
Op basis van uitgevoerde bodemonderzoeken en overige bodeminformatie
In deze sub-paragraaf is een samenvatting weergegeven van de bodemonderzoeken en bodeminformatie, zoals deze via de opdrachtgever door de gemeente Het Hogeland, de provincie Groningen en/of de omgevingsdienst beschikbaar zijn gesteld. Monitoring grondwater (2003) In opdracht van de provincie Groningen is in januari 2004 verslag gedaan van het ‘plaatsen monitoringsystemen en bemonstering peilfilters in de provincie Groningen’ [ref. 6], zoals in oktober 2003 is uitgevoerd. Eén van de locaties die daarvan deel uitmaakte was de voormalige stort waar een zeer beperkt deel van de onderhavige onderzoekslocatie deel van uit maakte en aan de westelijke zijde aan grenst. Van de zeven op/nabij de stort aanwezige peilbuizen zijn er na terreinverkenning ‘slechts’ twee peilbuizen terug gevonden (PB01a en PB05a). In afbeelding 2.5 is een overzicht van de monitoringpeilbuizen weergegeven.
Afbeelding 2.5 Overzicht monitoringpeilbuizen
Bron: monitoring grondwater 2003/2004 [ref. 6].
De verstrekte informatie van de monitoring is opgenomen in bijlage XI. Nader onderzoek stortplaats (2010) In het kader van het NAVOS-programma is in opdracht van de provincie Groningen door Witteveen+Bos in 2010 nader onderzoek ter plaatse van voormalige stortlocaties uitgevoerd [ref. 7]. Zo is ook in cluster 8 van
14 | 39
Witteveen+Bos | 132059/22-010.801 | Definitief
de nadere onderzoeken de locatie van de voormalige stortlocatie aan de Schouwenzijlsterweg onderzocht. Doel van het nader onderzoek was het vaststellen van de aard, omvang, ernst en spoedeisendheid van de aanwezige bodemverontreiniging(en). De conclusies en aanbevelingen van het onderzoek kunnen als volgt beknopt worden weergegeven: conclusies: · op basis van de resultaten is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging in de zin van de Wet bodembescherming; · het geval van ernstige bodemverontreiniging betreft het gehele stortlichaam (afval en grond) en heeft een volume van circa 12.500 m3; · voor het geval is een risicobeoordeling uitgevoerd. Er is geen sprake van onaanvaardbare risico’s. Sanering is daarmee niet spoedeisend; aanbevelingen: · gezien de ernst en omvang van de verontreinigingen is nazorg, beheer en monitoring van deze locatie noodzakelijk. Om contactrisico’s met de verontreiniging (en het stortmateriaal) te beperken wordt aanbevolen om gebruiksbeperkingen op te leggen en verspreiding van verontreiniging te monitoren; · voornoemde dient te worden vastgelegd in een beheerplan, welke de formele status heeft van een nazorgplan in de zin van artikel 39 lid d van de Wet bodembescherming. Voor de specifieke, puntsgewijze aanbevelingen wordt verwezen naar bijlage XI waar de gehele rapportage van het nader onderzoek is opgenomen.
Of de (specifieke, puntsgewijze) aanbevelingen zijn opgevolgd is ten tijde van het opstellen van de onderhavige rapportage niet bekend. Voormalig stort Zoals uit vorenstaande informatie al is aangegeven bevindt de westelijke zijde van de onderzoekslocatie zich binnen de contour van een voormalig stort. Uit de informatie uit Bodemloket blijkt dat het een niet gedefinieerd dan wel stort van huishoudelijk afval te betreft. In afbeelding 2.6 is de globale contour van het voormalig stort weergegeven (geel vlak).
Afbeelding 2.6 Contour voormalig stort (geel vlak). Afbeelding noord gericht
Bron: gemeente Het Hogeland.
Binnen de groene lijn (zie bovenstaande afbeelding) is het gebied ernstig verontreinigd (grond boven de interventiewaarde). Wat de milieuhygiënische kwaliteit van het geel gemarkeerde gebied is, is (nog) niet
15 | 39
Witteveen+Bos | 132059/22-010.801 | Definitief
bekend. Hiervoor is aanvullend het bodemonderzoek uit 2010 opgevraagd uit het archief. Het gele deel maakt deel uit van de onderzoeken van de voormalige stortplaats. Ten aanzien van het bovenstaande is door een beleidsadviseur van de gemeente Het Hogeland het volgende geadviseerd. Een deel (westelijke rand) van het terrein ligt binnen de verontreinigingscontour van een voormalige stortplaats (tot contour tot circa 15 meter ten oosten van de bosrand). Onderzocht (rapportageonderzoek) dient te worden wat de huidige verontreinigingscontour is van grond en grondwater en wat de invloed daarvan kan zijn op de voorgenomen locatie. De provincie is eigenaar van deze gegevens. Van het overige deel van het terrein is geen bodemonderzoek bekend. Voordat er woningen worden geplaatst dient er een NEN 5740 bodemonderzoek uitgevoerd te worden op grond van het Bouwbesluit.
2.5.3
Geval van ernstige verontreiniging?
Binnen de onderzoekslocatie is op basis van de beschikbare bodeminformatie sprake van een ernstig geval van bodemverontreiniging in de zin van de Wet bodembescherming (Wbb).
2.5.4
Kwaliteit op basis van de bodemkwaliteitskaart
Voor de provincie Groningen, de deelnemende gemeenten in de provincie en de waterschappen Noorderzijlvest en Hunze en Aa’s is een Nota bodembeheer [ref. 8] en een geactualiseerde bijbehorende Bodemkwaliteitskaart (Bkk; ref. 9) opgesteld. Voor de locatie is het volgende van toepassing: Bovengrond in zone-indeling : zone 1; Ondergrond in zone-indeling : zone 5; Ontgravingskaart bovengrond (0,0-,5 m-mv) : landbouw/natuur; Ontgravingskaart ondergrond (> 0,5 m-mv) : landbouw/natuur; Toepassingskaart bovengrond : industrie; Toepassingskaart ondergrond : industrie. PFAS De omgevingsdienst Groningen (ODG) heeft achtergrondwaarden vastgesteld en volgt de lijn dat de landelijke achtergrondwaarde (AW) uit het Handelingskader (HK) leidend zijn (bron: expertisecentrum PFAS). De vastgestelde achtergrondwaarden voor grond en bagger betreffen PFOS 0,18 µg/kg d.s., PFOA 0,29 µg/kg d.s. en GenX 0,07 µg/kg d.s. Voor PFAS is inmiddels een aanvullende bodemkwaliteitskaart opgesteld (Rapport Bodemkwaliteitskaart PFAS buitengebied provincie Groningen, projectnummer 0457029.100, Antea Group, 3 december 2019).
2.6
Gebruik en beïnvloeding van de locatie
2.6.1
Voormalig
Om inzicht te krijgen in de ontwikkeling en het gebruik van de onderzoekslocatie door de jaren heen zijn diverse historische topografische (militaire) kaarten geraadpleegd. In afbeelding 2.7 is een uitsnede van de historische kaarten weergegeven met daarop de onderzoekslocatie in blauw omkaderd.
16 | 39
Witteveen+Bos | 132059/22-010.801 | Definitief
Afbeelding 2.7 Topografische kaarten uit 1850 tot en met 2019 met daarop de ligging van de onderzoekslocatie weergegeven (blauw omcirkeld). Afbeeldingen noord gericht
2000
2019
Bron: topotijdrijs.nl.
Uit de topografische kaarten, maar mede door het raadplegen van de openbare bronnen (bron: Het Aanleg Ontwikkelingsvisie, HKB - collectief voor stedenbouw en landschapontwerp, 11 juni 2020), is onderstaand de beschrijving van de historie van de onderzoekslocatie en de directe omgeving weergegeven. De dorpen Winsum en Obergum maken deel uit van een terpen- of wierdenreeks die zich uitstrekt van Adorp bij Groningen tot Ranum circa 15 kilometer noordelijker. Ontstaan in de Romeinse tijd op de oostelijke oeverwal van de Hunze heeft Winsum/Obergum zich in de middeleeuwen ontwikkeld tot een handelscentrum en hoofdplaats van de Groninger Ommelanden. Kenmerkend voor de nederzetting is de aanwezigheid van een tweetal hoge wierden, van elkaar gescheiden door het Winsumerdiep. Dit karakteristieke gegeven, alsmede de goeddeels bewaard gebleven ruimtelijke structuur van de beide wierden vormen het motief voor een aanwijzing van Winsum/Obergum als beschermd dorpsgezicht. (bron: Dorpsgezicht Winsum. Toelichting op de aanwijzing van Winsum/Obergum tot beschermd dorpsgezicht, 1982).
17 | 39
Witteveen+Bos | 132059/22-010.801 | Definitief
Het Omsnijdingskanaal (of hulpkanaal) dat dwars door het plangebied loopt, werd in 1856 aangelegd, ten tijde van de verbreding van het Winsumerdiep. Dit omdat er ter plaatse te weinig ruimte was voor die verbreding, de aanwezige bebouwing stond er te dicht op het water. Tot 1877 had Winsum, via het Winsumerdiep en het Reitdiep, overigens nog een open verbinding met de zee. Tot het einde van de 20ste eeuw functioneerde het plangebied voornamelijk als landbouwgrond en tot op de dag van vandaag wordt het aan drie kanten door landbouwgrond omringd. Een deel van het plangebied werd, in de loop van 20ste eeuw, ingericht met sportvelden. De gemeentewerf dateert van halverwege de vorige eeuw. De rioolwaterzuiveringsinstallatie (rwzi) is in 1975 aangelegd. De invulling met bedrijventerrein is het meest recent, deze is in de afgelopen twee decennia tot stand gekomen. Binnen en direct buiten het plangebied staan een aantal markante gebouwen, waarvan een deel ook historische waarde heeft. Ze zijn in positieve zin beeldbepalend voor het plangebied en zijn directe omgeving. De route via de Schouwerzijlsterweg biedt er, deels over het water van het Winsumerdiep, een aantrekkelijke blik op.
2.6.2
Huidig
Na het verplaatsen van de sportvelden van de Schouwerzijlsterweg naar sportpark Winsum-West is de onderzoekslocatie (sport-/voetbalveld) niet meer als zodanig in gebruik. De onderzoekslocatie is louter recreatief in gebruik. Financieel-juridische situatie In afbeelding 2.8 is de kadastrale situatie van de onderzoekslocatie en de directe omgeving weergegeven.
Afbeelding 2.8 Kadastrale situatie en onderzoekslocatie (blauw gemarkeerd). Afbeelding noord gericht
Bron: Esri Nederland.
De locatie is kadastraal bekend als gemeente Winsum, sectie H: nummer 184 (ged.), oppervlakte 25.434 m2 (ged.); nummer 28, oppervlakte 323 m2; nummer 293, oppervlakte 16.398 m2 (ged.). De rechtspersoon en eigenaar van de kadastrale percelen en de onderzoekslocatie (blauw gemarkeerd in afbeelding 2.6) is de gemeente Het Hogeland.
18 | 39
Witteveen+Bos | 132059/22-010.801 | Definitief
2.6.3
Asbestverdacht?
Op basis van de resultaten van het onderhavige vooronderzoek wordt de locatie als niet verdacht ten aanzien van asbest aangemerkt. In algemene zin wordt opgemerkt dat het bij de uitvoering van grondroerende werkzaamheden (waaronder bodemonderzoek) wordt aanbevolen alert te zijn op zintuiglijke afwijkingen en indicatoren die op de aanwezigheid van asbest kunnen duiden.
2.7
Beantwoording onderzoeksvragen
Op basis van de resultaten van het vooronderzoek zijn de onderzoeksvragen conform de NEN 5725 beantwoord voor aanleiding A en G. Een overzicht van de onderzoeksvragen, inclusief verwijzing, is opgenomen in tabel 2.3.
Tabel 2.3 Onderzoeksvragen en beantwoording aanleiding A en G (NEN 5725) Onderzoeksvragen
Antwoord
wat is de afbakening van de onderzoekslocatie en is deze voldoende?
de afbakening van de onderzoekslocatie is nader uitgewerkt in paragraaf 2.2. De afbakening is voldoende
wat is de bodemopbouw en geohydrologie en is er binnen het onderzoeksgebied sprake van verschillende fysische kwaliteiten en/of bodemvreemde lagen? Zo ja, welke fysische kwaliteiten en/of bodemvreemde lagen zijn er en waar bevinden deze zich?
zie paragraaf 2.4. Mogelijk dat de westzijde van de onderzoekslocatie, gelegen of grenzend aan de voormalig stort, verschillende fysische kwaliteiten en/of bodemvreemde lagen betreft/bevat
is er sprake van beïnvloeding vanuit de omgeving van de bodemkwaliteit of de kwaliteit van het grondwater? Zo ja, welke beïnvloeding en waar?
mogelijk is sprake van beïnvloeding als gevolg van de voormalig stort. Zie paragraaf 2.4
welke bodemkwaliteitsklasse is toegekend aan de bodem in de bodemkwaliteitskaart en welke lagen zijn daarbij onderscheiden?
aangezien (de westzijde van) de onderzoekslocatie binnen (de invloedsfeer van) een geval van ernstige bodemverontreiniging in de zin van de Wbb bevindt is de Bkk (gedeeltelijk) niet van toepassing. Zie paragraaf 2.5.3
is er sprake van potentiële bronnen van bodemverontreiniging? Zo ja, wat zijn de potentiële bronnen van bodemverontreiniging, waar liggen ze en wat zijn de kritische parameters?
zie bovenstaand. Potentiële bron en maakt daar (gedeeltelijk) onderdeel van uit is de voormalige stort. Kritische parameters zware metalen (m.n. zink) in grond en/of grondwater (zie paragraaf 2.4.2)
is de bodem asbestverdacht?
nee, zie paragraaf 2.6.3
is er een vermoeden dat op basis van beschikbare voorinformatie werkzaamheden plaatsvinden binnen een geval van ernstige bodemverontreiniging? Zo ja, waar bevindt deze zich?
ja. Westgrens/westzijde onderzoekslocatie. Plaatselijk sterk verontreinigd, maar of dit ter plaatse van de westzijde van de onderzoekslocatie het geval is moet uit het onderhavige onderzoek blijken
is de bodem sterk verontreinigd (boven interventiewaarde)? is de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem afdoende bekend of is bodemonderzoek noodzakelijk? Motiveer het antwoord.
de beschikbare informatie inzake de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem vertegenwoordigt geen actuele waarde (meer). De locatie maakt onderdeel uit van of grenst aan een geval van ernstige bodemverontreiniging in de zin van de Wbb. Daarnaast zal bij het toekomstig gebruik de functie wijzigen naar een kritischer gebruik en is vanuit de Omgevingsvergunning bodemonderzoek vereist. Om deze redenen wordt een milieukundig bodemonderzoek aanbevolen
welke hypothese en strategie zijn van toepassing bij de uitvoering van bodemonderzoek de indeling van de onderzoekslocatie in deellocaties met verschillende hypotheses over de aard en verdeling van de verontreinigende stoffen)?
zie paragraaf 2.8
19 | 39
Witteveen+Bos | 132059/22-010.801 | Definitief
2.8
Onderzoekshypotheses en -strategieën
Op basis van de resultaten van het vooronderzoek en de voorgenomen werkzaamheden wordt voor het verkennend onderzoek de in tabel 2.4 omschreven onderzoekslocatie en de bijbehorende onderzoeksstrategie onderscheiden.
Tabel 2.4 Deellocaties, onderzoekshypotheses en -strategieën Deellocatie/omschrijving (opp.; m2 ca.)
Matrix
Norm, richtlijn, publicatie
Onderzoekshypotheses en -strategieën
I - vml. stort (2.045)
grond en grondwater
NEN 5740
NEN 5740 (VEP i.c.m. VED-HENL)
II - bufferzone (1.440)
grond en grondwater
NEN 5740 (VED-HE-NL)
III - sportveld (9.060)
grond en grondwater
NEN 5740 (ONV-NL)
Toelichting: VEP
verdachte locatie, plaatselijke bodembelasting met een duidelijke verontreinigingskern;
VED-HE-NL
verdachte locatie, heterogeen verdeelde verontreiniging op schaal van monsterneming;
ONV-NL
onverdachte niet-lijnvormige locatie.
De onderzoekshypotheses worden als meest doelmatig beoordeeld om de actuele milieuhygiënische kwaliteit van de bodem vast te stellen. Ten aanzien van de gedefinieerde bufferzone wordt het volgende opgemerkt. Aangezien het uiterst westelijke deel van de onderzoekslocatie deel uitmaakt van een voormalig stort is een mogelijke beïnvloedingszone, als zijnde een bufferzone, gedefinieerd. Het betreft een gedefinieerde zone met een breedte van circa 15 meter die voor de milieuhygiënische kwaliteit redelijkerwijs geacht kan worden onder (negatieve) invloed te (hebben) (ge)staan van de stort. In tabel 2.5 zijn de onderzoeksinspanningen van het veld- en chemisch analytisch onderzoek weergegeven.
Tabel 2.5 Onderzoeksinspanningen veld- en chemisch analytisch onderzoek Locatie/omschrijving (oppervlakte; m2 (circa))
Veldonderzoek
Chemisch analytisch onderzoek Grond
Grondwater
I - vml. stort (2.045)
binnen contour interventiewaarde (groen gemarkeerd op boorplan): 1 x boring tot onderzijde stort 1 x peilbuis (freatische filterstelling) tussen I-contour en contour stort: 6 x 1,0 m-mv 5 x tot 0,5 m onder verontreinigingskern 1 x peilbuis (freatische filterstelling)
3 x STAP, PFAS (28)
1 x STAP
II - bufferzone (1.440)
7 x 1,0 m-mv 2 x 2,0 m-mv
3 x STAP, PFAS (28)
-
III -sportveld (9.060)
14 x 0,5 m-mv 4 x 2,0 m-mv 2 x peilbuis (freatische filterstelling)
3 x bg STAP, PFAS (28) 2 x og STAP
2 x STAP
Toelichting: Bg
bovengrond;
Og
ondergrond;
20 | 39
Witteveen+Bos | 132059/22-010.801 | Definitief
STAP grond
zie voor de inhoud van het analysepakket paragraaf 4.1;
STAP grondwater
zie voor de inhoud van het analysepakket paragraaf 4.1;
PFAS (28)
28 stoffen(groepen) uit het Handelingskader PFAS.
21 | 39
Witteveen+Bos | 132059/22-010.801 | Definitief
3 VELDONDERZOEK 3.1
Algemeen
De werkzaamheden van het veldonderzoek is volgens de in bijlage I vermelde protocollen en erkenningen uitgevoerd door Poelsema Veldwerk.
3.2
Uitgevoerde werkzaamheden
Voorafgaand aan de uitvoering van het veldonderzoek is bij het Kadaster een graafmelding verzorgd om de ligging van (publieke) kabels en leidingen te inventariseren. In tabel 3.1 is een overzicht van de uitgevoerde boringen en peilbuizen weergegeven.
Tabel 3.1 Inspanningen veldonderzoek Deellocatie/ omschrijving
Onderzoeksoppervlakte (m2; circa)
Veldonderzoek Boringen
Peilbuizen
I - vml. stort
2.045
in contour interventiewaarde 1 x boring tot onderzijde stort (01) 1 x peilbuis (freatische filterstelling) (02) tussen I-contour en contour stort 6 x 1,0 m-mv (03, 04, 05, 06, 07, 08) 5 x tot 0,5 m onder verontreinigingskern (09, 10, 11, 12, 13)
in contour interventiewaarde stort: 1 x (02) tussen I-contour en contour stort 1 x (14)
II - bufferzone
1.440
7 x 1,0 m-mv (15, 16, 17, 18, 19, 20, 21) 2 x 2,0 m-mv (22, 23)
-
III - sportveld
9.060
14 x 0,5 m-mv (24, 25, 26, 27, 28, 29, 30, 31, 32, 33, 34, 35, 36, 37) 4 x 2,0 m-mv (38, 39, 40, 41)
2 x (42, 43)
Toelichting: (n)
nummer boring of peilbuis.
Naast de in tabel 3.1 vermelde werkzaamheden zijn nog de volgende werkzaamheden uitgevoerd: terreinverkenning en (visuele) inspectie van het maaiveld/oppervlak; monsterneming grond; in principe is per halve meter een geroerd monster genomen. Afwijkende bodemlagen zijn apart bemonsterd; gebruik olie detectiepan, zintuiglijk onderzoek en karakterisering van de grond en het grondwater; in situ meting van de zuurgraad (pH), het elektrisch geleidingsvermogen (EC/EGV) en de troebelheid (NTU); afpompen, spoelen en monsterneming van het grondwater na plaatsen van de peilbuizen; beschrijving van de boorprofielen conform NEN 5104; inmeten van de boorpunten met 06-GPS.
22 | 39
Witteveen+Bos | 132059/22-010.801 | Definitief
Een impressie van de onderzoekslocatie ten tijde van de uitvoering van het veldonderzoek is opgenomen als fotoreportage in bijlage III. De lokale situatie met de positie van de boringen en de peilbuizen is weergegeven in bijlage IV. In bijlage V zijn de boorprofielen opgenomen. Ten opzichte van de in paragraaf 2.8 genoemde onderzoeksinspanningen hebben wijzigingen plaatsgevonden en zijn onderstaande onderbouwd weergegeven. Gelet op de opgave waarvoor de opdrachtgever zich geplaatst ziet en de daarmee samenhangende urgentie en spoedeisendheid van de (tijdelijke) huisvesting is, in afwijking van de norm (NEN 5744, par 5.2), geen wachttijd voor de monsterneming van het grondwater van minimaal één week na het plaatsen van de peilbuizen in acht genomen. Mogelijke consequentie van deze afwijking van de norm is dat er, met name ten aanzien van zware metalen, gehalten worden gemeten die verhoogd zijn. Dit als gevolg van het zogenaamde plaatsingseffect, waarbij gronddeeltjes in suspensie komen. Bij de conclusies van de onderzoeksresultaten dient het bovenstaande te worden geverifieerd en geïnterpreteerd (zie hoofdstuk 5). Met de geleverde inspanningen van het veldonderzoek is, behoudens de bovenvermelde afwijkingen, voldaan aan de gehanteerde onderzoekshypotheses en -strategieën van de betreffende norm (NEN 5740; zie tabel 2.1).
3.3
Resultaten veldonderzoek
In de onderstaande sub-paragrafen zijn de resultaten van het uitgevoerde veldonderzoek weergegeven.
3.3.1
Terreinverkenning
Voorafgaand aan de uitvoering van het veldonderzoek is op 16 juni 2022 een terreinverkenning uitgevoerd. Hierbij zijn ter plaatse van de onderzoekslocatie en de directe omgeving, behoudens de aan de westzijde van de onderzoekslocatie grenzend voormalige stort, dat duidelijk zichtbaar verhoogd ten opzichte van de omgeving aanwezig is, geen waarnemingen gedaan die wijzen op een (bodem)verontreiniging of wijziging van de onderzoekshypotheses en -strategieën (zie paragraaf 2.8) tot gevolg hebben gehad. Er zijn geen peilbuizen uit voorgaande bodemonderzoeken en/of monitoringprogramma’s terug gevonden. Ten behoeve van het bouwrijp maken was de graszode van het sportveld (deellocatie III) al door gefreesd. Hierdoor is de bovenste 0,2 à 0,3 m-mv geroerd.
3.3.2
Waarnemingen grond
I - voormalig stort In de uitgevoerde boring (nummer 01) ter verificatie van de dikte van de leeflaag en inzage te krijgen in de dikte en samenstelling van het stortpakket is vanaf de bovenzijde stort tot 0,5 m-mv sterk siltig, matig humeuze klei aangetroffen. Vanaf 0,5 m-mv tot 2,8 m-mv is sterk siltige klei aangetroffen. Onder het kleipakket bevindt zich ter plaatse tot 4,8 m-mv het stortlichaam. Het stortmateriaal bestaat voornamelijk uit plastic en textiel. Onder de stort is tot de maximale boordiepte van 6,0 m-mv sterk siltige klei aangetroffen. De boring, geplaatst aan de noordzijde op de stort, is afgewerkt als peilbuis met een freatische filterstelling. Ter plaatse is vanaf maaiveld tot 0,5 m-mv sterk siltig, matig humeuze klei aangetroffen. Hieronder is tot 1,2 m-mv sterk siltig, zwak humeuze klei aangetroffen. Hieronder is tot 1,7 m-mv matig siltige klei aangetroffen. Van 1,7 m-mv tot de maximale boordiepte van 3,0 m-mv is sterk zandige klei aangetroffen.
23 | 39
Witteveen+Bos | 132059/22-010.801 | Definitief
Uit de op de stort uitgevoerde boringen blijkt dat de dek-/leeflaag meer dan 0,5 m dik is en daarmee (ruimschoots) voldoet. II - bufferzone In de bufferzone is vanaf maaiveld tot circa 0,5 m-mv sterk siltig, zwak tot matig humeuze klei aangetroffen. Vanaf circa 0,5 m-mv tot circa 1,0 à 1,3 m-mv matig tot sterk siltige klei aangetroffen. Hieronder is tot de maximale boordiepte van 3,0 m-mv zwak zandige klei aangetroffen. III - sportveld Vanaf maaiveld tot 0,2 m-mv is de zeer fijn tot matig fijn, zwak siltig zand aangetroffen. Van 0,2 tot 0,5 m-mv is matig fijn, zwak siltig zand aangetroffen. Van 0,5 m-mv tot de maximale boordiepte van 3,2 m-mv matig tot sterk siltige, plaatselijk zwak zandige, klei aangetroffen. Voor een gedetailleerde beschrijving wordt verwezen naar de boorprofielen die in bijlage V zijn opgenomen. Zintuiglijk waargenomen afwijkingen Bij de uitvoering van de boringen zijn zintuiglijk afwijkingen waargenomen. In tabel 3.2 zijn de zintuiglijk waargenomen afwijkingen weergegeven.
Tabel 3.2 Zintuiglijk waargenomen afwijkingen Boringnummer
Boordiepte
Traject waarneming (m-mv)
Zintuiglijke afwijking Huisvuil
Baksteen
I - voormalig stort 01
6,0
2,8-4,8
hb
-
3,0
0,0-1,2
-
+/-
03
1,0
0,0-0,3
-
+/-
05
1,1
0,4-0,6
-
+/-
07
1,0
0,0-0,5
-
+/-
12
1,5
0,0-0,5
-
+/-
1,0
0,0-0,5
-
+/-
02
#
II - bufferzone 15 Toelichting: +/-
sporen/resten/brokken baksteen (>2 <5 % v.v.);
hb
hoofdbestanddeel;
#
afgewerkt tot peilbuis (freatische filterstelling).
Bij het gebruik van de olie detectiepan methode zijn geen olie-/waterreacties waargenomen. In het opgeboorde bodemmateriaal is visueel geen asbestverdacht (plaat)materiaal aangetroffen (>20 mm).
3.3.3
Waarnemingen grondwater
Tijdens de boorwerkzaamheden is de grondwaterspiegel aangetroffen variërend tussen circa 0,9 en 1,7 m-mv. Het verschil in de grondwaterstanden is gelegen in het feit dat de bovenzijde van de voormalige stort circa 1,5 meter hoger ligt dan de omgeving en/of hangt samen met drainage (sportveld). Tabel 3.3 vat de resultaten van de in situ metingen tijdens de grondwaterbemonstering (16 juni 2022) samen.
24 | 39
Witteveen+Bos | 132059/22-010.801 | Definitief
Tabel 3.3 Resultaten grondwaterbemonstering Peilbuisnummer
Filterstelling (m-mv)
Grondwaterstand (m-mv)
Zuurgraad (pH)
Elektrisch geleidingsverm ogen (EC/EGV; µS/cm)
Troebelheid (NTU)
02
2,8-3,8
1,40
6,91
1.210
14,2
14
2,8-3,8
1,40
6,8
960
17,6
42
3,0-4,0
1,70
6,92
990
18,9
43
3,0-4,0
1,70
7,1
510
16,2
I - vml. stort
III - sportveld
In/aan het grondwater zijn zintuiglijk geen afwijkingen waargenomen. De in situ gemeten zuurgraad (pH) van het grondwater wijkt niet af van wat op basis van grondsoort en ligging van de locatie verwacht mag worden. Het elektrisch geleidingsvermogen (EC) van het grondwater in de peilbuis binnen de contour van de stort laat het hoogste waarde zien (1.210 µS/cm) en wijkt daarmee af ten opzichte van de overig gemeten waarden. De gemeten troebelheid van het grondwater uit alle peilbuizen wijkt af ten opzichte van wat de norm (10 NTU) voorschrijft. Het betreft een afwijking ten opzichte van de norm, die - voor als eerst - geen consequenties heeft voor de verwachte uitkomsten van het onderzoek.
25 | 39
Witteveen+Bos | 132059/22-010.801 | Definitief
4 CHEMISCH ONDERZOEK 4.1
Algemeen
De chemische analyses zijn uitgevoerd door Eurofins Analytico B.V. te Barneveld. De werkzaamheden zijn uitgevoerd volgens de in bijlage I genoemde kwaliteitsprotocollen.
4.2
Uitgevoerd chemisch onderzoek
Voor het bepalen van de bodemkwaliteit is onder andere gebruik gemaakt van de in tabel 4.1 vermelde standaard analysepakketten.
Tabel 4.1 Analysepakketten chemisch onderzoek Stofnaam/parameter
Analysepakket NEN 5740 Grond
Grondwater
droge stof
+
-
organisch stofgehalte/lutum (<2 µm)
+
-
metalen (Ba, Cd, Co, Cu, Hg, Pb, Mo, Ni, Zn)
+
+
polychloorbifynilen (PCB)1
+
-
polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK)2
+
-
vluchtige aromatische koolwaterstoffen3
-
+
vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen4
-
+
minerale olie (GC; C10-C40)
+
+
Toelichting:
1
PCB 28, 52, 101, 118, 138, 153 en 180;
2
antraceen, benzo(a)antraceen, benzo(k)fluoranteen, benzo(a)pyreen, chryseen, fenantreen, indeno(1,2,3-cd)pyreen, naftaleen en benzo(ghi)peryleen;
3
benzeen, tolueen, ethylbenzeen, som-xylenen (som o, m, p), styreen en naftaleen;
4
vinylchloride, 1,1-dichloortheen, dichloormethaan, trans-1,2-dichlooretheen, cis-1,2-dichloortheen, som 1,2-dichlooretheen, 1,1dichloorethaan, chloroform, 1,1,1-trichloorethaan, tetrachloormethaan, 1,2-dichloorethaan, trichlooretheen, 1,2-dichloorpropaan, 1,1dichloorpropaan, 1,3-dichloorpropaan, som dichloorpropanen, 1,1,2-trichloorethaan, tetrachlooretheen en bromoform;
26 | 39
Witteveen+Bos | 132059/22-010.801 | Definitief
+ behoort tot analysepakket; -
behoort niet tot analysepakket.
4.2.1
Grond
In tabel 4.2 zijn de uitgevoerde chemische analyses, inclusief een beknopte motivatie/toelichting, gegeven. De (meng)monsters zijn geselecteerd op basis van de verdeling over de locatie, de diepte, de grondsoort, de antropogene en/of zintuiglijk waargenomen bijmengingen en de beoogde representativiteit.
Tabel 4.2 Analyseprogramma Monstercode
Boringnummer(s)
Traject monsterneming (m-mv)
Analyse
Motivatie/toelichting
05, 07, 12
0,0 à 0,4-0,5 à 0,6
standaardpakket NEN 5740
bepaling milieuhygiënische kwaliteit bovengrond; klei; resten baksteen
m2
02
0,0-1,2
bepaling milieuhygiënische kwaliteit bovengrond; klei; resten/sporen baksteen
m3
03
0,0-0,3
bepaling milieuhygiënische kwaliteit bovengrond; zand; resten baksteen
mm5
04, 09, 10, 11
0,0 à 0-,2-0,4 à 0,6
mm6
06, 08, 13, 14
0,0-0,35 à 0,5
mm7
03, 05, 07, 09, 11, 14
0,3 à 0,6-0,65 à 1,1
standaardpakket NEN 5740
bepaling milieuhygiënische kwaliteit tussenlaag/ondergrond; klei; zintuiglijk ;schoon’
15
0,0-0,5
standaardpakket NEN 5740
bepaling milieuhygiënische kwaliteit bovengrond; klei; brokken baksteen
mm8A
17, 19, 20, 22
0,0-0,15 à 0,5
standaardpakket NEN 5740, PFAS (28)
bepaling milieuhygiënische kwaliteit bovengrond; klei; zintuiglijk ‘schoon’
mm8B
18, 22, 23
0,0 à 0,15-0,2 à 0,4
mm9
18, 21, 22, 23
0,45 à 0,7-0,8 à 1,0
standaardpakket NEN 5740
bepaling milieuhygiënische kwaliteit tussenlaag/ondergrond; klei; zintuiglijk ‘schoon’
mm10
24, 28, 32, 35, 38, 42
0,0-0,2 à 0,3
standaardpakket NEN 5740, PFAS (28)
bepaling milieuhygiënische kwaliteit toplaag westelijk deel sportveld; zand; zintuiglijk ‘schoon’
27 | 39
Witteveen+Bos | 132059/22-010.801 | Definitief
I - vml. stort mm1
standaardpakket NEN 5740, PFAS (28)
bepaling milieuhygiënische kwaliteit bovengrond; klei; zintuiglijk ‘schoon’ bepaling milieuhygiënische kwaliteit bovengrond; klei; zintuiglijk ‘schoon’
II - bufferzone m4
bepaling milieuhygiënische kwaliteit bovengrond; zand; zintuiglijk ‘schoon’
III - sportveld
Monstercode
Boringnummer(s)
Traject monsterneming (m-mv)
Analyse
mm11
25, 26, 29, 36, 40, 43
0,0-0,15 à 0,3
bepaling milieuhygiënische kwaliteit toplaag centraal deel sportveld; zand; zintuiglijk ‘schoon’
mm12
31, 33, 34, 37, 39, 41
0,0-0,2 à 0,25
bepaling milieuhygiënische kwaliteit toplaag oostelijk deel sportveld; zand; zintuiglijk ‘schoon’
mm13
38, 40, 42
0,5-1,3 à 1,5
mm14
39, 41, 43
0,5 à 0,7-1,5 à 1,7
standaardpakket NEN 5740
Motivatie/toelichting
bepaling milieuhygiënische kwaliteit ondergrond westelijke helft sportveld; klei; zintuiglijk ‘schoon’ bepaling milieuhygiënische kwaliteit ondergrond oostelijke helft sportveld; klei; zintuiglijk ’schoon’
De analysecertificaten zijn opgenomen in bijlage VI.
4.2.2
Grondwater
In tabel 4.3 zijn de uitgevoerde chemische analyses, inclusief een beknopte motivatie/toelichting, gegeven.
Tabel 4.3 Analyseprogramma
Monstercode
Peilbuisnummer
Filterstelling (m-mv)
02-1-1
02
2,8-3,8
14-1-1
14
2,8-3,8
42-1-1
42
3,0-4,0
43-1-1
43
3,0-4,0
Analyse
Motivatie/toelichting
standaardpakket NEN 5740
bepaling milieuhygiënische kwaliteit grondwater noordzijde vml. stort binnen Icontour
I - vml. stort
bepaling milieuhygiënische kwaliteit grondwater oostzijde vml. stort tussen Icontour en verontreinigingscontour
III - sportveld
De analysecertificaten zijn opgenomen in bijlage VI.
28 | 39
Witteveen+Bos | 132059/22-010.801 | Definitief
standaardpakket NEN 5740
bepaling milieuhygiënische kwaliteit grondwater westelijke helft sportveld bepaling milieuhygiënische kwaliteit grondwater oostzijde helft sportveld
4.3
Onderzoeksinspanningen
Ten opzichte van de in paragraaf 2.8 genoemde onderzoeksinspanningen hebben wijzigingen plaatsgevonden, te weten: I - voormalig stort : drie extra (meng)monsters voor analyse op het standaardpakket NEN 5740; II - bufferzone : één extra (meng)monster voor analyse op het standaardpakket NEN 5740. Het betreft een aanvulling/wijziging op de onderzoeksinspanningen, zoals opgenomen in tabel 2.4 (zie paragraaf 2.8), maar wordt niet geacht van invloed te zijn op de verwachte uitkomsten van het onderzoek. Op een aantal analysecertificaten zijn aantekeningen geplaatst, waarna kortheidshalve wordt verwezen. Deze aantekeningen worden echter niet van dien aard geacht dat deze leiden tot significante afwijkingen van de resultaten.
4.4
Toetsingskader
De resultaten van het bodemonderzoek conform de NEN 5740 worden getoetst aan de ‘Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013’ [ref. 2] en de Regeling, behorende bij het Besluit bodemkwaliteit [ref. 4 respectievelijk 3] (generiek beleid). Ter indicatieve bepaling worden de resultaten van de grond tevens getoetst aan het Besluit bodemkwaliteit en de bijbehorende Regeling [ref. 3 en 4] (generiek beleid). Het onderzoek geeft een beeld van de bodemkwaliteit op de locatie dat voldoende is voor het toepassen van vrijkomende grond op of nabij dezelfde locatie (tijdelijk uitnemen). Het onderzoek voor wat betreft de milieuhygiënische kwaliteit van de grond is een milieuhygiënische verklaring, maar geen geldig bewijsmiddel onder het Besluit bodemkwaliteit voor hergebruik elders (en kan alleen indicatief bepaald worden). PFAS De Omgevingsdienst Groningen hanteert voor toepassing van grond en baggerspecie de toepassingswaarden zoals in het Handelingskader PFAS (december 2021) zijn aangegeven. De toepassingswaarden voor gebiedsspecifieke zones en de zone ‘Wonen bovengrond’ (7,0 µg/kg d.s. voor PFOA en 3,0 µg/kg d.s. voor de overige PFAS-verbindingen) zijn niet gewijzigd. Toetsing van de resultaten PFAS heeft dan ook plaatsgevonden aan het Handelingskader PFAS-houdende grond en baggerspecie [ref. 10]. Voor een toelichting op de gehanteerde toetsingskaders wordt verwezen naar bijlage VIII.
4.5
Toetsingsresultaten
De toetsing heeft plaatsgevonden met BoToVa gevalideerde software. Dit is hét uniforme digitale toetsingsprogramma voor de vertaling van de meest actuele toetsregels en normen uit de Wet bodembescherming, het Besluit bodemkwaliteit en de Circulaire Bodemsanering. PFAS De BoToVa gevalideerde software voorziet niet in een toetsingsmodule voor PFAS. Toetsing van de resultaten PFAS heeft handmatig plaatsgevonden aan het Handelingskader PFAS-houdende grond en baggerspecie [ref. 10] en de ‘Aanpassingen beleid PFAS’ [ref. 11]. Toetsingstabellen De toetsingstabellen van de toetsing aan de achtergrond-, streef- en interventiewaarden zijn opgenomen in bijlage VII. In deze tabellen zijn de analyseresultaten, het geanalyseerde en gestandaardiseerde gehalte c.q. gehanteerde lutum- en humusgehalte en de overschrijdingen ten opzichte van het toetsingskader opgenomen.
29 | 39
Witteveen+Bos | 132059/22-010.801 | Definitief
5 BESPREKING RESULTATEN 5.1
Grond
In tabel 5.1 zijn de (toetsings)resultaten weergegeven. In bijlage VI zijn de analysecertificaten weergegeven en in bijlage VII zijn de toetsingstabellen opgenomen.
Tabel 5.1 Toetsingsresultaten Monstercode
Boringnummer (s)
Traject monsterneming (m-mv)
Zintuiglijke waarneming
> AW ≤ I
>I
Indicatieve toetsing Bbk#
05, 07, 12
0,0 à 0,4-0,5 à 0,6
+/- (baksteen)
lood (58), zink (110), ∑ PAK (17,46),
-
klasse Industrie
m2
02
0,0-1,2
+/- (baksteen)
min. olie (370)
-
niet toepasbaar > Interventiewaarde
m3
03
0,0-0,3
+/- (baksteen)
lood (110), ∑ PAK (3,60), ∑ PCB (0,048, min. olie (160)
-
niet toepasbaar > Interventiewaarde
mm5
04, 09, 10, 11
0,0 à 0-,2-0,4 à 0,6
-
-
-
altijd toepasbaar
mm6
06, 08, 13, 14
0,0-0,35 à 0,5
-
-
-
altijd toepasbaar
mm7
03, 05, 07, 09, 11, 14
0,3 à 0,6-0,65 à 1,1
-
-
-
altijd toepasbaar
15
0,0-0,5
+/- (baksteen)
lood (110), min. olie (360)
-
niet toepasbaar > Interventiewaarde
mm8A
17, 19, 20, 22
0,0-0,15 à 0,5
-
lood (100), kwik (0,28), zink (190), koper (42) cadmium (0,59)
-
klasse Industrie
mm8B
18, 22, 23
0,0 à 0,15-0,2 à 0,4
-
-
-
altijd toepasbaar
mm9
18, 21, 22, 23
0,45 à 0,7-0,8 à 1,0
-
-
-
altijd toepasbaar
mm10
24, 28, 32, 35, 38, 42
0,0-0,2 à 0,3
-
-
-
altijd toepasbaar
mm11
25, 26, 29, 36, 40, 43
0,0-0,15 à 0,3
-
-
-
altijd toepasbaar
I - vml. stort mm1
II- bufferzone m4
III - sportveld
30 | 39
Witteveen+Bos | 132059/22-010.801 | Definitief
Monstercode
Boringnummer (s)
Traject monsterneming (m-mv)
Zintuiglijke waarneming
> AW ≤ I
>I
Indicatieve toetsing Bbk#
mm12
31, 33, 34, 37, 39, 41
0,0-0,2 à 0,25
-
-
-
altijd toepasbaar
mm13
38, 40, 42
0,5-1,3 à 1,5
-
-
-
altijd toepasbaar
mm14
39, 41, 43
0,5 à 0,7-1,5 à 1,7
-
-
-
altijd toepasbaar
Toelichting: +/-
sporen/resten baksteen (>2 <5 % v.v.);
-
geen zintuiglijke afwijking/geen verhoogd gehalte/niet van toepassing;
(n)
gemeten gehalte;
#
om een uitspraak te doen over mogelijk hergebruik op de locatie of elders, wordt het volledige standaardpakket NEN 5740 beoordeeld.
I - vml. stort Aan de uiterste noordzijde binnen de interventiewaarde-contour (m2; 0,0-1,2 m-mv) is in de bijmengingen baksteen houdende bovengrond/tussenlaag een licht verhoogd gehalte minerale olie gemeten. Even ten westen van boring 02, net buiten de interventiewaarde-contour maar binnen de contour van de stort, zijn in de eveneens bijmengingen baksteen bevattende toplaag (m3) licht verhoogde gehalten lood, PAK, PCB en minerale olie gemeten. Binnen de contour van de voormalig stort zijn in de bijmengingen baksteen bevattende bovengrond (mm1) licht verhoogde gehalten lood, zink en PAK gemeten. In de geen bijmengingen bevattende mengmonsters binnen de contour van de voormalig stort zijn geen verhoogde gehalten met betrekking tot de geanalyseerde stoffen gemeten. II - bufferzone In het uiterst noordelijk deel van de bufferzone zijn in de bijmengingen baksteen bevattende bovengrond licht verhoogde gehalten lood en minerale gemeten. In de bovengrond van het gedeelte van de bufferzone die direct grenst aan de contour van de stort (mm8A) zijn licht verhoogde gehalten aan enkele zware metalen gemeten. In de bovengrond van het overig deel (mm8B) zijn geen verhoogde gehalten met betrekking tot de geanalyseerde stoffen gemeten. Ook in de tussenlaag van deze deellocatie (mm9) zijn geen verhoogde gehalten gemeten.
III - sportveld In de bovengrond, de tussenlaag als ook in de ondergrond zijn geen verhoogde gehalten met betrekking tot de geanalyseerde stoffen gemeten. PFAS In tabel 5.2 zijn de (toetsings)resultaten PFAS aan het generiek beleid van het Handelingskader (HK; ref. 10) weergegeven. In bijlage VI zijn de analysecertificaten weergegeven.
31 | 39
Witteveen+Bos | 132059/22-010.801 | Definitief
Tabel 5.2 Resultaten PFAS Monstercode
Boringnummer(s) (traject monsterneming; m-mv)
∑ PFOS
∑ PFOA
Overige PFAS
Functieklasse* in de zin van het Bbk
mm5
04, 09, 10, 11 (0,0 à 0,20,4 à 0,6)
0,6
0,2
-
voldoet aan ‘landbouw/natuur’ generiek beleid en altijd toepasbaar op landbodem
mm6
06, 08, 13, 14 (0,0-0,35 à 0,5
0,8
0,4
PFBA: 0,1
voldoet aan ‘landbouw/natuur’ generiek beleid en altijd toepasbaar op landbodem
mm8A
17, 19, 20, 22 (0,0-0,15 à 0,5)
0,4
0,2
-
voldoet aan ‘landbouw/natuur’ generiek beleid en altijd toepasbaar op landbodem
mm8B
18, 22, 23 (0,15-0,2 à 0,4)
0,9
0,3
-
voldoet aan ‘landbouw/natuur’ generiek beleid en altijd toepasbaar op landbodem
mm10
24, 28, 32, 35, 38, 42 (0,0-0,2 à 0,3)
2,0
0,4
-
voldoet aan ‘wonen’ of ‘industrie’ generiek beleid
mm11
25, 26, 29, 36, 40, 43 (0,0-0,15 à 0,3)
1,6
0,4
-
voldoet aan ‘wonen’ of ‘industrie’ generiek beleid
mm12
31, 33, 34, 37, 39, 41 (0,0-0,2 à 0,25)
2,7
0,5
-
voldoet aan ‘wonen’ of ‘industrie’ generiek beleid
I - vml. stort
II - bufferzone
III - sportveld
Toelichting: voldoet aan ‘landbouw/natuur’ (generiek beleid); n
gemeten gehalte in µg/kg d.s.;
*
indicatieve toetsing.
Uit de analyseresultaten PFAS blijkt dat de gemeten gehalten van de toplaag/bovengrond ter plaatse van de voormalig stort (deellocatie I) en de bufferzone (deellocatie II), getoetst aan het generiek beleid, voldoet aan bodemkwaliteitsklasse ‘landbouw/altijd toepasbaar’. De toplaag/bovengrond ter plaatse het sportveld (deellocatie III) voldoet, getoetst aan het generiek beleid, aan ‘Wonen’ of ‘Industrie’ en voldoet daarmee niet aan de bodemkwaliteitsklasse ‘landbouw/altijd toepasbaar’. De overige analyseresultaten PFAS, getoetst aan het generiek beleid, voldoen aan de geldende, betreffende bodemkwaliteitsklasse ‘landbouw/altijd toepasbaar’.
5.2
Grondwater
De analyseresultaten zijn getoetst aan de ‘Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013’. In tabel 5.3 zijn de toetsingsresultaten van het grondwater weergegeven. In bijlage VI zijn de analysecertificaten weergegeven. In bijlage VII zijn de toetsingstabellen weergegeven.
32 | 39
Witteveen+Bos | 132059/22-010.801 | Definitief
Tabel 5.3 Toetsingsresultaten Monsternummer
Peilbuisnummer
Filterstelling (m-mv)
>S ≤ I
>I
02-1-1
02
2,8-3,8
barium (180)
-
14-1-1
14
2,8-3,8
-
-
42-1-1
42
3,0-4,0
kobalt (21)
-
43-1-1
43
3,0-4,0
-
-
I - vml. stort
III - sportveld
Toelichting: (n)
gemeten gehalte (µg/l);
-
geen verhoogd gehalte.
Aan de noordelijke rand van de stort is een licht verhoogd gehalte (overschrijding streefwaarde) aan barium gemeten. Op de westelijke helft van het sportveld is een licht verhoogd gehalte aan kobalt gemeten. Ter plaatse van de bufferzone en aan de oostzijde binnen de verontreinigingscontour van de stort zijn geen verhoogde gehalten met betrekking tot de geanalyseerde stoffen gemeten. Barium komt van nature (regionaal) in verhoogde gehalten voor. Daarvan lijkt hier geen sprake te zijn, aangezien een verhoogd gehalte in het grondwater in slechts één van de vier peilbuizen is gemeten. De gemeten licht verhoogde gehalten zijn dan ook niet eenduidig te verklaren, maar een samenhang met de stort kan op voorhand niet worden uitgesloten. Gelet op de opgave waarvoor de opdrachtgever zich geplaatst ziet en de daarmee samenhangende urgentie en spoedeisendheid van de (tijdelijke) huisvesting is, in afwijking van de norm (NEN 5744, par 5.2), geen wachttijd voor de monsterneming van het grondwater van minimaal één week na het plaatsen van de peilbuizen in acht genomen. Mogelijke consequentie van deze afwijking van de norm is dat er, met name ten aanzien van zware metalen, gehalten worden gemeten die verhoogd zijn. Op basis van de resultaten (b)lijkt hiervan geen sprake te zijn.
5.3
Toetsing onderzoekshypothese(s) en -strategie(ën)
Op basis van de resultaten van het vooronderzoek zijn de onderzoekshypotheses en -strategieën bepaald die als meest doelmatig zijn beoordeeld om de actuele milieuhygiënische kwaliteit van de bodem vast te stellen en zijn dienovereenkomstig onderzocht. In tabel 5.4 is aangegeven of, op basis van de resultaten van het onderhavige onderzoek, de gehanteerde hypotheses en -strategieën juist en doelmatig zijn gebleken.
Tabel 5.4 Toetsing onderzoekshypotheses en -strategieën Deellocatie/omschrijving
Matrix
Norm
Onderzoekshypothese en -strategie
(On)juist
Doelmatig (ja/nee)
I - vml. stort
grond en grondwater
NEN 5740
NEN 5740 (VEP i.c.m. VEDHE-NL)
juist
ja
II - bufferzone
NEN 5740 (VED-HE-NL)
juist
ja
III - sportveld
NEN 5740 (ONV-NL)
onjuist
ja
Toelichting: VEP
verdachte locatie, plaatselijke bodembelasting met een duidelijke verontreinigingskern;
VED-HE-NL
verdachte locatie, heterogeen verdeelde verontreiniging op schaal van monsterneming;
33 | 39
Witteveen+Bos | 132059/22-010.801 | Definitief
ONV-NL
5.4
onverdachte niet-lijnvormige locatie.
Veiligheidsklasse (ontwerpfase)
Voor het vaststellen van de risico’s en de maatregelen bij blootstelling aan de verontreinigende stoffen vanuit de bodem wordt aangesloten bij de CROW-publicatie 400 ‘Richtlijn voor veilig, zorgvuldig en risico gestuurd werken’ [ref. 12]. Voor de klasse-indeling wordt bij de CROW-publicatie 400 onderscheid gemaakt in vluchtige en niet vluchtige stoffen. Vluchtige stoffen worden getoetst aan de Interventiewaarde met als drempelwaarde de tussenwaarde. Niet vluchtige stoffen worden getoetst aan de humane ernstige risicowaarde (SRC arbo) met als drempelwaarde 75 % van de SRCarbo. Opgemerkt wordt dat voor de toetsing aan het normenkader gerekend wordt met de naar standaard bodem omgerekende gehalten, met uitzondering van PFAS. Basishygiëne Voor alle werkzaamheden waarbij men in contact kan komen met verontreinigde bodem en/of waterbodem behoort men een minimaal niveau van risicobeheersing toe te passen. Dit niveau staat bekend als de basishygiëne. Als het werk in een veiligheidsklasse wordt ingedeeld, dan worden aanvullende, expliciete eisen gesteld en maatregelen getroffen om de veiligheid en gezondheid van de werknemers te waarborgen. Veiligheidsklasse Voor zowel vluchtige als niet vluchtige stoffen zijn een drietal veiligheidsklassen (oranje, rood en zwart) opgesteld. In afbeelding 5.1 is deze verkort weergegeven.
Indien geen sprake is van een veiligheidsklasse geldt de basishygiëne. Maatregelen voor het werken in en met verontreinigde bodem of baggerspecie worden genomen op basis van de risico’s die voortvloeien uit de te verrichten werkzaamheden. Welke maatregelen nodig zijn voor het werken in en met verontreinigde bodem of baggerspecie wordt mede bepaald op basis van de vastgestelde veiligheidsklasse, de locatie, de blootstellingsduur en blootstellingsroute en de geïdentificeerde risico’s. De te nemen maatregelen vanuit de veiligheidsklasse zijn aanvullend op de standaardmaatregelen vanuit de basishygiëne.
Afbeelding 5.1 Risicoklassen (bron: CROW-publicatie 400)
34 | 39
Niet vluchtig
Vluchtig
oranje niet vluchtig 75 % ≤ SRCarbo≤ 100 % SRCarbo
oranje vluchtig > Tussenwaarde ≤ Interventiewaarde (Tussenwaarde = Achtergrondwaarde of Streefwaarde + Interventiewaarde / 2)
rood niet vluchtig SRC > 100 % + CM ≤ 1.000 mg/kg of CM ≤ 1.000 µg/l
rood vluchtig > Interventiewaarde + voldoende ventilatie in de werksituatie (op basis van formule van Ingen)
zwart niet vluchtig SRC > 100 % + CM > 1.000 mg/kg of CM > 1.000 µg/l of asbest > 100 mg/kg d.s gewogen gemiddelde of
zwart vluchtig > Interventiewaarde + mogelijk onvoldoende ventilatie in de werksituatie (op basis van formule van Ingen) of CM-stoffen
Witteveen+Bos | 132059/22-010.801 | Definitief
Niet vluchtig
Vluchtig
respirabele asbestvezels > 10 mg/kg d.s.g.g.
De bepaling van de veiligheidsklasse CROW 400 is uitgebreid voor PFAS. In afbeelding 5.2 is deze weergegeven.
Afbeelding 5.2 Veiligheidsklasse voor PFAS (CROW-publicatie 400)
Bepaling veiligheidsklasse Voor de bepaling van de veiligheidsklasse is gebruik gemaakt van de webapplicatie ‘Bepaling veiligheidsklasse’, die gebaseerd is op de CROW-publicatie 400 en heeft tot doel om op basis van de informatie over verontreinigingen en omstandigheden de juiste veiligheidsklasse te bepalen. Uit de toetsing van de gemeten gehalten blijkt geen veiligheidsklasse van toepassing. De voorgenomen werkzaamheden kunnen met inachtneming van de basishygiëne uitgevoerd worden. Opgemerkt wordt dat de resultaten gevalideerd dienen te worden door een Middelbaar- of Hogere Veiligheidskundige. Tijdens de uitvoering van werken moet men bedacht zijn op afwijkingen. Zo nodig moet de veiligheidsklasse tijdens het werk worden bijgesteld.