15 05 100925 1 b 2
Tekst van het document
Haven- en industriegebied Eemshaven Aanvulling op het MER
Gemeente Het Hogeland 16 maart 2022
Project Opdrachtgever
Document Status Datum Referentie
Projectcode Projectleider Projectdirecteur
Auteur(s) Gecontroleerd door Goedgekeurd door
Haven- en industriegebied Eemshaven Gemeente Het Hogeland
Aanvulling op het MER Definitief 16 maart 2022 117388/22-003.952
117388 P.A. Feij MSc ing. A.J.P. Helder
P.A. Feij MSc, dr. A.M. Conijn ir. J.K. Muntinga P.A. Feij MSc
Paraaf
Adres
Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V. | Deventer Daalsesingel 51c Postbus 24087 3502 MB Utrecht +31 (0)30 765 19 00 www.witteveenbos.com KvK 38020751
Het kwaliteitsmanagementsysteem van Witteveen+Bos is gecertificeerd op basis van ISO 9001. © Witteveen+Bos Niets uit dit document mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt in enige vorm zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Witteveen+Bos noch mag het zonder dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd, behoudens schriftelijk anders overeengekomen. Witteveen+Bos aanvaardt geen aansprakelijkheid voor enigerlei schade die voortvloeit uit of verband houdt met het wijzigen van de inhoud van het door Witteveen+Bos geleverde document.
INHOUDSOPGAVE
1
DOEL VAN DEZE AANVULLING
5
2
UITWERKING VAN EEN REALISTISCH ALTERNATIEF
6
2.1
Waarom werkt het MER geen alternatieven uit voor de ambities?
7
2.2
Wat is in de SED onderzocht, afgewogen en vastgelegd?
9
2.3
Realistische vraag naar ruimte
12
2.3.1 2.3.2
13 13
Waaruit blijkt de vraag naar bedrijventerreinen? Waarom zijn bedrijven tot en met milieucategorie 5.3 onderzocht in het MER?
3
AANVULLING EFFECTSTUDIES EN UITWERKING MAATREGELEN
15
3.1
Algemene toelichting
15
3.2
Geluid
17
3.3
Luchtkwaliteit
19
3.4
Bodem
19
3.5
Water
20
3.6
Geur
24
3.7
Landschap
25
3.7.1 3.7.2 3.7.3 3.7.4 3.7.5
Inleiding Beoordelingskader Uitgangspunten en beschrijving huidige situatie Effecten Samengevat
25 25 26 30 31
4
AANTASTING WADDENZEE (NATURA 2000-GEBIED)
33
4.1
Thermische en chemische emissies via het water en lucht
33
4.2
Beschermde soorten (sterns)
34
4.3
Stikstofdepositie
35
5
INZICHT IN DE FEITELIJKE HUIDIGE SITUATIE
36
6
MONITORING
37
6.1
De Staat van Groningen
37
6.2
Milieumonitor Eemsdeltagebied
38
6.3
Samenvattend
41
7
RE-POWERING WINDPARK EEMSHAVEN
42
8
WATERTOETSPROCEDURE
43
Laatste pagina
43
Bijlage(n)
Aantal pagina's
I
Toetsingsadvies d.d. 25 juli 2019
15
II
Advies Omgevingsdienst Groningen (Z2020-00005089)
2
1 DOEL VAN DEZE AANVULLING Op 25 juli 2019 heeft de Commissie voor de milieueffectrapportage (hierna: de Commissie) een toetsingsadvies uitgebracht op het milieueffectrapport voor het bestemmingsplan haven- en industrieterrein Eemshaven (zie bijlage I). In dit advies signaleert de Commissie enkele tekortkomingen op het milieueffectrapport (MER). De Commissie adviseert deze informatie in een aanvulling op het MER op te nemen, en dan pas een besluit te nemen over het bestemmingsplan. Gemeente Het Hogeland neemt dit advies over en heeft deze aanvulling opgesteld om de geconstateerde tekortkomingen te herstellen. Wat zegt de Commissie1 ‘De Commissie deelt de conclusie niet dat het voornemen uitvoerbaar is binnen wet- en regelgeving. Ze signaleert bij de toetsing van het MER een aantal tekortkomingen. Het gaat om informatie die essentieel is voor het volwaardig meewegen van de gevolgen voor leefomgeving en natuur bij de besluitvorming over het bestemmingsplan. Daarbij gaat het om: - uitwerking van een realistisch alternatief. Het uitwerken van een of meerdere realistische alternatieven waarbij invulling wordt gegeven aan de ambities en randvoorwaarden vanuit de Omgevingsvisie Groningen en de Structuurvisie Eemsmond-Delfzijl (SED). In de SED zijn ambities geformuleerd op het gebied van duurzaamheid, natuur en leefomgeving.
De in het MER beschreven invulling van de Eemshaven, waarbij het plangebied maximaal wordt ingevuld, met bijbehorende negatieve effecten op natuur en leefomgeving sluit daar volgens de Commissie niet bij aan; - de effectonderzoeken en uitwerking van de mogelijke maatregelen zijn onvoldoende. De onderzoeken naar de milieueffecten zijn onderling niet vergelijkbaar. Hierdoor zijn de effecten op de leefomgeving, natuur en milieu niet of onvoldoende inzichtelijk. Door deze aanpak is ook onvoldoende duidelijk welke maatregelen nodig zijn om negatieve effecten te voorkomen of te beperken; - aantasting Waddenzee. Op basis van de informatie uit het natuuronderzoek concludeert de Commissie dat het plan mogelijk leidt tot onaanvaardbare aantasting van natuurwaarden van het Waddengebied. Voorafgaand aan het besluit moet echter de zekerheid bestaan dat aantasting van deze waarden is uitgesloten, anders kan het bestemmingsplan niet worden vastgesteld. Het plan is dan namelijk niet vergunbaar binnen de kaders van de Wet natuurbescherming.’ De in het advies van de Commissie genoemde tekortkomingen worden behandeld in de volgende hoofstukken: - uitwerking van een realistisch alternatief (hoofdstuk 2); - aanvulling van effectstudies en uitwerking van maatregelen (hoofdstuk 3); - aantasting van de Waddenzee (hoofdstuk 4); - inzicht in de feitelijke huidige situatie (hoofdstuk 5).
Naast het signaleren van tekortkomingen doet de Commissie ook enkele aanbevelingen. Deze worden behandeld in de volgende hoofdstukken: - monitoring (hoofdstuk 6); - re-powering windpark Eemshaven (hoofdstuk 7); - watertoetsprocedure (hoofdstuk 8).
1
Zie kader op pagina 1 van het toetsingsadvies in bijlage I. Dit toetsingsadvies is ook te raadplegen via: https://www.commissiemer.nl/docs/mer/p27/p2781/a2781ts.pdf.
5 | 43
Witteveen+Bos | 117388/22-003.952 | Definitief
2 UITWERKING VAN EEN REALISTISCH ALTERNATIEF Wat zegt de Commissie?1 De Commissie adviseert in een aanvulling op het MER een of meerdere alternatieven uit te werken die zijn gebaseerd op een realistische vraag naar ruimte en die invulling geven aan de ambities uit de Omgevingsvisie Groningen en de Structuurvisie Eemsmond-Delfzijl. Dit alternatief moet passen binnen de afwegingen en daarmee samenhangende besluiten die in het kader van de SED reeds hebben plaatsgevonden. Zij adviseert bij deze uitwerking gebruik te maken van de informatie uit de bijlagenrapporten van het MER en de uitgevoerde verkenningen naar maatregelen (onder andere zonering) die in het kader van het MER zijn uitgevoerd. De Commissie adviseert voorts te onderbouwen hoe de alternatieven (inclusief het voorkeursalternatief uit het MER) aansluiten bij de randvoorwaarden die vanuit de SED zijn meegegeven. Volgens de Commissie gaat het MER onvoldoende in op de ambities uit de Structuurvisie Eemsmond-Delfzijl (hierna: SED). De Commissie adviseert daarom realistische alternatieven te ontwikkelen die invulling geven aan deze ambities op het gebied van onder meer duurzaamheid, energietransitie, leefomgeving, biodiversiteit en landschap, zonder daarbij buiten de afwegingen en kaders uit de SED te treden.
Ook stelt de Commissie vraagtekens bij het realiteitsgehalte van de in het MER gehanteerde invulling van de Eemshaven. Dit hoofdstuk licht toe waarom in het MER bewust een maximale invulling met zware industrie is onderzocht en geen alternatieven zijn uitgewerkt zoals de Commissie adviseert. Tabel 2.1 geeft een samenvatting van de vragen en antwoorden die in hoofdstuk 2 zijn opgenomen. In de paragrafen is een nadere toelichting op elk van de vragen en antwoorden opgenomen.
Tabel 2.1 Samenvatting en leeswijzer voor hoofdstuk 2 Hoofdstuk
Vraag
Antwoord
2.1
Waarom werkt het MER geen
Omdat de reële alternatieven en varianten al in het planMER bij de SED
alternatieven uit voor de ambities
zijn onderzocht in samenhang met andere plannen en projecten in de
op het gebied van duurzaamheid,
regio, waardoor het onnodig en politiek-bestuurlijk onrealistisch is dit
energietransitie, leefomgeving,
onderzoek te herhalen of de gemaakte belangenafweging te
biodiversiteit en landschap?
heroverwegen.
Wat is in de SED onderzocht,
In een planMER bij de SED is door een iteratief proces met alternatieven
afgewogen en vastgelegd?
en varianten en met behulp van een afwegingsmodel gezocht naar een
2.2
goede balans tussen verschillende belangen, waaronder het milieubelang. Dit heeft geleid tot een voorkeursalternatief (VKA) waarin door een aantal scherpe keuzes een balans gevonden is tussen ruimte voor (duurzame) energie en economie enerzijds en bescherming van de leefomgeving, natuur en landschap anderzijds. Met name voor geluid en geur zijn normen aangescherpt om milieueffecten tot een aanvaardbaar
1
Zie kader op pagina 5 van het toetsingsadvies in bijlage I.
6 | 43
Witteveen+Bos | 117388/22-003.952 | Definitief
Hoofdstuk
Vraag
Antwoord niveau te beperken. Conclusie is dat er geen reële plusvarianten op het gebied van duurzaamheid en leefomgevingskwaliteit denkbaar zijn zonder één van de belangen voor de SED onevenredig te beïnvloeden.
2.3
Waarom is het nodig een
De gehanteerde onderzoeksaanpak met een ‘maximale invulling met
onwaarschijnlijke invulling met
maatgevende representatieve bedrijven’ per milieuthema is noodzakelijk
zware bedrijvigheid tot en met
voor een juridisch robuuste onderbouwing van het bestemmingsplan.
milieucategorie 5.3 te
Op basis van de SED zijn bedrijven tot en met milieucategorie 5.3
onderzoeken in het MER?
namelijk in beginsel toegestaan, mits ze voldoen aan de kaders en randvoorwaarden uit de SED.
2.3.1
Waaruit blijkt dat de vraag naar
Uit behoefteramingen blijkt dat een volledige invulling van de
bedrijventerreinen realistisch is?
Eemshaven realistisch is en bovendien gewenst is op basis van het geldende beleid in de regio.
2.3.2
Waarom zijn bedrijven tot en met
Vanwege de juridische noodzaak om in het MER onderzoek te doen naar
milieucategorie 5.3 onderzocht in
een representatieve invulling van de maximale planologische
het MER?
mogelijkheden van het bestemmingsplan, waardoor ook een in de praktijk minder waarschijnlijke invulling met zware bedrijvigheid tot en met milieucategorie 5.3 onderzocht moet worden.
2.1
Waarom werkt het MER geen alternatieven uit voor de ambities?
Reële alternatieven zijn reeds uitgewerkt en onderzocht via het MER de SED In het MER zijn bewust geen alternatieven uitgewerkt met hogere ambities op het gebied van duurzaamheid, energietransitie en leefomgeving. Het MER voor het bestemmingsplan Eemshaven moet namelijk voortbouwen op de in de SED gemaakte integrale belangenafweging en de daaruit voortvloeiende kaders, afspraken, maatregelen en ambities. De SED inclusief het bijbehorende planMER is op advies van de Commissie opgesteld, juist om in samenhang met 14 andere plannen en projecten in de Eemsdelta te beoordelen of er andere, reële alternatieven zijn. In de SED is gebleken dat het niet mogelijk is om een ambitieuzer, duurzamer of milieuvriendelijker alternatief te ontwikkelen, zonder daarbij andere belangen op het gebied van onder meer werkgelegenheid en vestigingsklimaat voor bedrijven onevenredig te schaden (zie hoofdstuk 2.2 voor een nadere toelichting). Onderzoek naar effecten binnen de kaders van de SED Het bestemmingsplan heeft als doel een actueel planologisch kader te bieden voor het haven- en industriegebied Eemshaven dat invulling geeft aan de in de SED vastgelegde doelen, ambities en randvoorwaarden.
Dit vertrekpunt houdt in dat het bestemmingsplan zich richt op het bieden van maximale ruimte en flexibiliteit aan zware bedrijvigheid tot en met milieucategorie 5.3, binnen de randvoorwaarden en ambities in de SED, die kaderstellend is voor het bestemmingsplan. Het MER ondersteunt de besluitvorming in het bestemmingsplan door aan de hand van een maximale invulling1 van de Eemshaven te onderzoeken wanneer de in de SED begrensde leefomgevingskwaliteit overschreden dreigt te worden. Daarmee geeft het MER inzicht in de vestigingsmogelijkheden voor de beoogde bedrijvigheid en signaleert het waar aanvullende maatregelen nodig zijn om de beoogde leefomgevingskwaliteit te borgen. Deze aanvullende maatregelen zijn in het MER onderzocht, afgewogen en waar nodig vastgelegd in het bestemmingsplan.
1
Dit is een representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden van het bestemmingsplan, zie hoofdstuk 2.3.2.
7 | 43
Witteveen+Bos | 117388/22-003.952 | Definitief
Verdergaande ambities zijn te bereiken met meer instrumenten dan alleen het bestemmingsplan Op basis van de ervaringen met het bestemmingsplan Oosterhorn1 en het daarvoor door de Commissie uitgebracht advies is voor de Eemshaven op voorhand verkend welk instrumentarium beschikbaar is om te sturen op het bereiken van de hoge ambities op het gebied van duurzaamheid, energietransitie en leefomgeving. Uit deze analyse blijkt dat het bestemmingsplan (waarvoor dit MER is opgesteld) niet altijd het meest geschikte instrument is voor het borgen van deze ambities. Gemeente het Hogeland biedt met het bestemmingsplan (fysieke) ruimte aan ambities op gebied van duurzaamheid en energie. Denk daarbij aan ruimte voor energie- en recyclingbedrijven of het plaatsen van zonnecollectoren. Het bestemmingsplan legt ook de strikte (bovenwettelijke) normen vast in de regels zodat de ambities op gebied van de leefomgeving geborgd zijn. Denk daarbij aan het gebiedsspecifieke milieubeleid dat striktere grenzen stelt aan onder meer geluid van windturbines, cumulatie van geluid, geurhinder en externe veiligheidsrisico’s. Andere instrumenten zijn echter vaak geschikter en flexibeler (adaptiever) om gericht te sturen op doorwerking van de verdergaande ambities in concrete projecten en initiatieven. Denk daarbij aan wet- en regelgeving, vestigingsbeleid, innovatieprogramma’s en stimuleringsmaatregelen.
Deze instrumenten zijn in veel gevallen (deels) in handen van andere partijen zoals het Rijk, de provincie en Groningen Seaports. Als medeaandeelhouder in Groningen Seaports heeft gemeente het Hogeland ook enige invloed op het vestigingsbeleid van het havenbedrijf. Het vestigingsbeleid van Groningen Seaports voorziet in stapsgewijze vergroening van het industrieterrein. Voorbeelden hiervan zijn de aanleg van walstroom, het adviseren van bedrijven over actieve energiebesparing en onderzoek naar de haalbaarheid van warmtenetten. Het afdwingen van ambities door het stellen van regels in het bestemmingsplan is juridisch niet altijd mogelijk en kan onbedoeld de in de SED beoogde ruimte en flexibiliteit voor vestiging van bedrijven op de Eemshaven ondermijnen. De ‘verdergaande ambities’ zijn om die reden ook niet uitgewerkt tot alternatieven in het MER. Een uitgebreide toelichting op deze analyse van het instrumentarium is opgenomen in bijlage II van het MER Eemshaven. Samenvattend: het is niet nodig om opnieuw alternatieven te onderzoeken De SED is een kaderstellend plan voor het bestemmingsplan Eemshaven. Nu in het planMER bij de SED alle redelijkerwijs in beschouwing te nemen alternatieven zijn onderzocht en afgewogen, is het onnodig om dit in het MER voor het bestemmingsplan opnieuw te doen.
De effecten van verschillende alternatieven hebben namelijk al onderdeel uitgemaakt van de belangenafweging in het kader van de SED. Daarnaast is het politiek-bestuurlijk niet realistisch om het zorgvuldige besluitvormingsproces en de brede maatschappelijke consultatie die daarbij hoort opnieuw te doorlopen of de kaders van de plannen en projecten in de Eemsdelta te heroverwegen. In hoofdstuk 2.2 wordt nader ingegaan op de wijze waarop alternatieven zijn ontwikkeld en hoe het milieubelang nadrukkelijk is betrokken bij de afwegingen in de SED.
1
Oosterhorn is een ander groot haven- en industrieterrein in de Eemsdelta dat ook onderdeel uitmaakt van de SED en een vergelijkbaar proces als dat van het MER Eemshaven doorloopt. Zie afbeelding 2.1 voor de locatie.
8 | 43
Witteveen+Bos | 117388/22-003.952 | Definitief
Afbeelding 2.1 Plannen en projecten in de Eemsdelta die onderdeel zijn van de SED
2.2
Wat is in de SED onderzocht, afgewogen en vastgelegd?
Op advies van de Commissie is de Eemshaven in samenhang met 14 andere grote ruimtelijke plannen en projecten in de Eemsdelta (zie afbeelding 2.2) afgelopen jaren onderzocht in een MER en Passende Beoordeling (PB) bij de SED1. Hieruit bleek dat de plannen en projecten in de regio Eemsdelta op basis van wetgeving en beleid naast elkaar mogelijk zijn, maar niet zomaar en zonder meer. In de SED is daarom in een iteratief proces met alternatieven en varianten met behulp van een afwegingsmodel in het MER gezocht naar een goede balans tussen verschillende belangen, waaronder het milieubelang (zie afbeelding 2.3). Dit heeft geleid tot een voorkeursalternatief (VKA) waarin door een aantal scherpe keuzes balans gevonden is tussen ruimte voor (duurzame) energie en economie enerzijds en bescherming van de leefomgeving, natuur en landschap anderzijds. Met name voor geluid en geur zijn normen aangescherpt om milieueffecten tot een aanvaardbaar niveau te beperken. In volgorde van belangrijkheid zijn de volgende belangen betrokken in deze afweging: 1 ruimte voor duurzame energie; 2 aantrekkelijk vestigingsklimaat (bedrijven); 3 tegen gaan van milieuhinder; 4 waterveiligheid; 5 het vergroten van de biodiversiteit; 6 het beschermen van het landschap en cultureel erfgoed; 7 aantrekkelijk vestigingsklimaat (recreatie en toerisme).
De SED is vastgesteld door provincie Groningen, maar ook in een bestuursakkoord onderschreven door gemeente Het Hogeland (voorheen Eemsmond), gemeente Eemsdelta (voorheen Delfzijl) en GSP. De kaders 1
De SED is te raadplegen via: https://www.provinciegroningen.nl/fileadmin/user_upload/Documenten/Beleid_en_documenten/Documentenzoeker/Wonen_e n_welzijn/Structuurvisie-Eemsmond-Delfzijl.pdf.
9 | 43
Witteveen+Bos | 117388/22-003.952 | Definitief
en randvoorwaarden zijn bovendien overgenomen als concrete (milieu)regels in het bestemmingsplan en in het gemeentelijk Vergunningen-, Toezicht- en Handhavingskader. De SED vormt hiermee een basis en kader voor het bestemmingsplan Eemshaven en andere plannen en projecten in de regio. Dat betekent dat de ontwikkelingen in de Eemshaven zich moeten houden aan de kaders en randvoorwaarden uit de SED. In dat verband is het relevant om vast te stellen dat in het MER voor de SED ook de mogelijkheid van plusvarianten op het gebied van leefomgevingskwaliteit, ecologie en energie is onderzocht1. Plusvarianten zijn varianten die aan het voorkeursalternatief (VKA) kunnen worden toegevoegd en waarmee de beschikbare milieugebruiksruimte anders wordt ingedeeld, beperkt of uitgebreid. Het VKA blijkt volgens deze verkenning een uitgebalanceerde variant die tegemoet komt aan de belangen van duurzame energie, vestigingsklimaat en leefomgevingskwaliteit. De conclusie van deze exercitie is dat er binnen de scope van de Structuurvisie (nog los van maatschappelijk en politiek draagvlak) geen reële plusvarianten denkbaar zijn, zonder een van de belangen onevenredig te beïnvloeden2.
Afbeelding 2.2 Afwegingsmodel om te komen tot een VKA voor het planMER SED
1
Zie pagina 75-77 in MER SED. Te raadplegen via: https://www.commissiemer.nl/projectdocumenten/00000076.pdf.
2
Zie pagina 39 van het MER SED.
10 | 43
Witteveen+Bos | 117388/22-003.952 | Definitief
Afbeelding 2.3 Proces van scenario en variantenonderzoek voor het MER SED1
Voorbeeld geluidzone: scenario- en variantenstudie voor industrielawaai Bovenstaand onderzoeks- en afwegingsproces is goed te illustreren aan de hand van het thema industrielawaai. Zowel Eemshaven als Oosterhorn zijn terreinen waar geluid afkomstig van bedrijven een grote rol speelt, nu en in de toekomst. Aan de hand van de toekomstscenario’s uit de Havenvisie is onderzocht wat de geluidseffecten kunnen zijn bij grijze groei (doorontwikkeling traditionele bedrijvigheid) en groene groei (doorontwikkeling met duurzame en circulaire bedrijvigheid) 2. Hieruit blijkt dat het scenario groene groei tot minder industrielawaai leidt dan het scenario grijze groei. Op basis van een afweging van de hierboven genoemde belangen komt de provincie in de SED tot de keuze om ruimte te bieden aan een mix van groene en grijze bedrijvigheid door de al geldende geluidszone te handhaven. Het is onnodig en onwenselijk deze afweging opnieuw te maken in het MER Eemshaven. In het MER Eemshaven is aan de hand van enkele varianten (mogelijke maatregelen) onderzocht hoe deze randvoorwaarde optimaal geborgd kan worden (zie hoofdstuk 3.1). Afweging bij de SED3 ´Op basis van de beschikbare milieuruimte ligt het op het eerste gezicht voor de hand in het VKA uit te gaan van het scenario groene groei. De 50 dB(A)-geluidscontour van dit scenario ligt immers binnen de geldende geluidszones.
Bovendien past het profiel van bedrijven in het scenario groene groei bij de ambitie van provincie, gemeenten en GSP ten aanzien van ‘vergroening’ van de economie. De veronderstelling dat beide industrieterreinen volledig groen worden ingevuld is echter niet reëel. Dit onder andere vanwege de aanwezigheid van reeds bestaande (grijze) bedrijven. Daarnaast is vergroening van de economie voor een belangrijk deel afhankelijk van marktontwikkelingen. Het tempo en de mate waarin vergroening plaatsvindt is vooraf dan ook lastig te voorspellen. Om die reden is het beleidsmatig verstandig rekening te blijven houden met het kunnen faciliteren van groene én grijze bedrijvigheid. De huidige geluidszones liggen tussen de 50 dB(A)-contouren van het groene en grijze scenario. Door in het VKA uit te gaan van de geldende geluidszones en vastgestelde hogere waarden wordt ruimte geboden aan een mix van groene en grijze bedrijvigheid.
1
Zie pagina 41 van het MER SED.
2
Zie pagina 35-37 van het MER SED voor een toelichting op de ontwikkeling en het gebruik van deze scenario’s.
3
Zie pagina 56 van het MER SED.
11 | 43
Witteveen+Bos | 117388/22-003.952 | Definitief
Vanuit economische motieven en belangen wordt ingezet op de verdere ontwikkeling van Eemshaven en Oosterhorn. Door uitbreiding van bedrijvigheid stijgt de geluidsproductie komend vanaf beide industrieterreinen en daarmee het aantal woningen met een geluidsbelasting hoger dan 50 dB(A) ten opzichte van de huidige situatie. Dit geldt zowel voor het groene als grijze scenario. Stijging van het aantal woningen met een geluidsbelasting hoger dan 50 dB(A) is niet te voorkomen, tenzij de economische beleidsvoornemens drastisch omlaag worden bijgesteld. Dit wordt economisch en maatschappelijk (werkgelegenheid) als niet wenselijk gezien. Door de geldende geluidzone als maximaal toelaatbare geluidbelasting te hanteren wordt de geluidsbelasting niet hoger dan nu maximaal is toegestaan. Hiermee samenhangend zal ook het aantal woningen met een geluidsbelasting hoger dan 50 dB(A) niet verder toenemen dan nu op basis van de geldende geluidszones en grenswaarden voor woningen in de zones al mogelijk is.
Afbeelding 2.4 Ligging geldende geluidszones en 50 dB(A)-contouren in de scenario's groene en grijze groei1 Eemshaven (links en Oosterhorn (rechts)
2.3
Realistische vraag naar ruimte
De Commissie concludeert dat het voornemen zoals uitgewerkt in het MER ‘niet realistisch is, omdat geen inzicht wordt gegeven in de vraag naar bedrijventerreinen (670 hectare) met een milieucategorie 5.3. Een volledige vulling van het terrein met dergelijke bedrijven is volgens de Commissie zeer onwaarschijnlijk. De transformatie van de bestaande bedrijven naar bedrijven met een milieucategorie 5.3 is volgens de Commissie ook niet te verwachten’. Deze paragraaf beschrijft waarom het nodig is om in het MER onderzoek te doen naar een dergelijke invulling. Hoofdstuk 2.3.1 toont aan dat een volledige invulling van de Eemshaven aantoonbaar realistisch is op grond van eerder uitgevoerd behoefteonderzoek en bovendien gewenst is op basis van het geldende beleid in de regio. Hoofdstuk 2.3.2 gaat vervolgens in op de juridische noodzaak om in het MER onderzoek te doen naar de maximale planologische mogelijkheden van het bestemmingsplan, waardoor ook een onwaarschijnlijke invulling met zware bedrijvigheid tot en met milieucategorie 5.3 bekeken moet worden.
1
Zie figuur 6-1 uit het MER SED.
12 | 43
Witteveen+Bos | 117388/22-003.952 | Definitief
2.3.1
Waaruit blijkt de vraag naar bedrijventerreinen?
De vraag naar bedrijventerreinen is onderzocht in het kader van de Bedrijventerreinvisie Eemsdelta 201520351. Uit de analyses van vraag en aanbod van bedrijventerreinen in de regio Eemsdelta blijkt dat de kavels in de zeehavens Oosterhorn en Eemshaven binnen 20 jaar benodigd zijn 2. Het beleid van de gemeente Het Hogeland, gemeente Eemsdelta, provincie Groningen en havenbeheerder Groningen Seaports (GSP) is bovendien gericht op volledige invulling van beide haventerreinen3. Ook de aard van de bedrijvigheid is onderdeel van de onderzoeken. Hieruit blijkt een behoefte naar vestigingsruimte voor veelal zware bedrijvigheid in de logistiek, chemie, metaal, energie, datacentra en overige sectoren als recycling in de regio Eemsdelta4. Het beleid van gemeenten, provincie en GSP is gericht op verantwoorde en duurzame ontwikkeling van de Eemshaven. Voor de Eemshaven zijn energie en recycling de beoogde sectoren. Maar ook aan meer traditionele logistieke of industriële activiteiten wordt op de Eemshaven ruimte geboden5. De daadwerkelijke vestiging van bedrijven en de ontwikkeling van bepaalde clusters is uiteraard omgeven met onzekerheid. Wereldwijde trends en ontwikkelingen leiden tot een grote mate van onvoorspelbaarheid. Dit is in het verleden gebleken met de komst van de data-opslagsector die volgde in het kielzog van energiebedrijven.
2.3.2
Waarom zijn bedrijven tot en met milieucategorie 5.3 onderzocht in het MER?
Maximale planologische mogelijkheden… Een invulling met relatief zware typen bedrijven tot en met milieucategorie 5.3 is bewust in het MER onderzocht om het bestemmingsplan juridisch zorgvuldig te onderbouwen. Op grond van jurisprudentie dient het MER namelijk in principe uit te gaan van de ‘maximale planologische mogelijkheden’ van het bestemmingsplan. Zou daar niet van worden uitgegaan, dan kunnen de milieueffecten van het bestemmingsplan worden onderschat en kan het naar het oordeel van de Raad van State ontbreken aan zorgvuldige besluitvorming. Een voorbeeld in de Eemshaven is dat op de kavel van een huidig categorie 3.2 bedrijf op grond van het bestemmingsplan in principe een bedrijf in een hogere milieucategorie mogelijk is met alle bijbehorende extra milieueffecten van dien. Om dit te voorkomen dient het MER uit te gaan van een worstcase invulling van het bestemmingsplan. … maar wel representatief Tegelijkertijd hoeft het MER niet uit te gaan van de in theorie meest vergaande invulling. Een ‘representatieve invulling’ van de maximale planologische mogelijkheden volstaat 6. Een vastomlijnde definitie van ‘representatief’ bestaat niet. Wel duidelijk is dat de theoretisch maximale bouw- of gebruiksmogelijkheden tot op zekere hoogte beperkt kunnen worden tot dat wat in de praktijk mogelijk is.
Zo biedt het bestemmingsplan binnen bouw- en bestemmingsplanvlakken ruimte voor bedrijfsactiviteiten, maar zal een deel van deze oppervlakte gebruikt moeten worden voor toegangswegen, parkeerplaatsen of watergangen. Zonder dergelijke functies is het namelijk niet mogelijk om de kavels te bereiken en te gebruiken.
1
Zie pagina 6 van het toetsingsadvies in bijlage I. De bedrijventerreinvisie en onderliggende onderzoeken zijn te raadplegen via: http://www.eemsdelta.nl/eemsdelta/infrastructuur_42139/item/bedrijventerreinenvisie-eemsdelta-20152035_47666.html
2
Vraagraming zeehaventerreinen Eemsdelta (Bureau Buiten, 2015) te raadplegen via: http://www.eemsdelta.nl/document.php?m=15&fileid=49007&f=ccefea360c28caf0f5b6c6392de3ba43&attachment=1&c=4766 6.
3
Zie hoofdstuk 2 van het MER Eemshaven. Te raadplegen via: https://www.ruimtelijkeplannen.nl/documents/NL.IMRO.1966.Eemshaven-VO01/b_NL.IMRO.1966.Eemshaven-VO01_tb1.pdf.
4
Zie tabel 3.4 van de vraagraming zeehaventerreinen Eemsdelta.
5
Eén en ander staat uitvoerig omschreven in hoofdstuk 4.4. van het MER Eemshaven.
6
Zie deze beschouwing van M.A.A. Soppe en J. Gundelach, te raadplegen via: https://www.soppegundelach.nl/publicaties/overige-publicaties/het-bestemmingsplan-gemaximali/
13 | 43
Witteveen+Bos | 117388/22-003.952 | Definitief
Toepassing op de Eemshaven: representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden In het MER Eemshaven zijn bovenstaande principes gebruikt om te komen tot een ‘maximale invulling met maatgevende representatieve bedrijven’ per milieuthema1. Zo is de Eemshaven voor het thema geluid ingevuld met bedrijven die veel lawaai maken en voor externe veiligheid juist met bedrijven die veel veiligheidsrisico’s met zich meebrengen. Per milieuthema ontstaat op deze manier een eigen maximale invulling op basis waarvan effecten in beeld zijn gebracht en ook duidelijk wordt waar mitigerende maatregelen getroffen moeten worden om aan de randvoorwaarden uit de SED te voldoen. Denk daarbij aan het geluidverdeelplan voor een thema als geluid (zie ook hoofdstuk 3.2 voor een toelichting). Uitgangspunt voor de maximale invulling is dat zowel bestaande benutte als lege gebieden ingevuld worden met zware bedrijvigheid tot en met milieucategorie 5.3, ook als er op dit moment een bedrijf gevestigd is in een lagere milieucategorie. Daarbij zijn representatieve bedrijven gehanteerd in de sectoren energie, logistiek en recycling variërend van milieucategorie 4.2 tot en met 5.3, afhankelijk van het betreffende milieuthema2.
Ook de invulling van het terrein is representatief door aan te nemen dat het terrein zich niet volledig vult met milieubelastende installaties, maar ook ruimte biedt aan bijvoorbeeld toegangswegen en parkeerplaatsen. Tenslotte zijn ook effecten zo representatief mogelijk gemaakt voor de Eemshaven door naast landelijke kentallen ook gebruik te maken van regionale ervaringscijfers. Bij de berekeningen voor industrielawaai3 en hoeveelheid wegverkeer4 is gebruik gemaakt van waarden die representatief zijn voor de Eemshaven. Samenvattend De uitwerking van het voornemen in het MER Eemshaven is gebaseerd op een realistische vraag naar ruimte voor (havengebonden) industrieterrein. De gehanteerde onderzoeksaanpak met een ‘maximale invulling met maatgevende representatieve bedrijven’ per milieuthema is noodzakelijk voor een juridisch robuuste onderbouwing van het bestemmingsplan.
1
Zie hoofdstuk 4.4 van het MER Eemshaven voor een toelichting.
2
Zie pagina 48-49 van het MER Eemshaven.
3
Zie pagina 82 van het MER Eemshaven.
4
Zie pagina 54-55 van het MER Eemshaven.
14 | 43
Witteveen+Bos | 117388/22-003.952 | Definitief
3 AANVULLING EFFECTSTUDIES EN UITWERKING MAATREGELEN De Commissie is van mening dat diverse effectstudies niet systematisch zijn uitgevoerd. De effecten zijn daarom niet goed in beeld gebracht, ze zijn onderling niet goed te vergelijken en het is niet duidelijk of er nu effectieve en voldoende maatregelen zijn onderzocht. Dit hoofdstuk richt zich op het helder beschrijven van de gevolgde aanpak en het waar nodig aanvullen van de effectstudies en het uitwerken van maatregelen.
Wat zegt de Commissie?1 De Commissie vindt het van belang dat de effectbeoordeling, correct en consistent wordt uitgewerkt en dat deze inzicht geeft in de effecten van het voornemen, alternatieven en maatregelen. De Commissie adviseert op basis van de aangepaste effectbeoordeling aan te geven hoe de scores voor geluid, externe veiligheid, luchtkwaliteit, gezondheid (inclusief cumulatieve effecten), verkeer et cetera zich verhouden tot de randvoorwaarden/toetsingskaders uit de SED. De effectbeoordeling kan dan ook goed en volledig worden gebruikt bij het onderzoeken en uitwerken van realistische alternatieven en/of maatregelen waarmee de negatieve effecten van het plan kunnen worden voorkomen. Dit advies sluit aan bij het eerder gegeven advies in paragraaf 2.1 waarin wordt gevraagd een realistisch alternatief uit te werken. Dit alternatief en de bijbehorende maatregelen moeten ook worden getoetst op basis van deze gewijzigde effectbeoordeling. In dit hoofdstuk wordt eerst de onderzoeksaanpak voor het MER Eemshaven in het algemeen toegelicht. Vervolgens wordt ingegaan op enkele effectstudies waar de Commissie specifieke opmerkingen over maakt.
3.1
Algemene toelichting
Afbeelding 3.1 geeft schematisch de onderzoeksaanpak voor het MER Eemshaven weer. Zoals toegelicht in hoofdstuk 2 is de SED en het daaraan ten grondslag liggende planMER het vertrekpunt voor het MER Eemshaven. Vanwege deze uitgangssituatie is het door de Commissie voorgestelde onderzoek naar meer duurzame, leefbare of natuurvriendelijke alternatieven niet mogelijk en onnodig. Wel heeft het MER een belangrijke functie om de gestelde doelen en kaders uit de SED uit te werken en te borgen tot concrete regels in het bestemmingsplan Eemshaven. Een goed voorbeeld hiervan is het thema geluid, waarvoor een geluidverdeelplan is opgesteld dat een optimum tussen ontwikkelruimte en bescherming tegen milieueffecten vastlegt (zie hoofdstuk 3.2). De onderzoeksaanpak voor het MER Eemshaven bestaat uit het systematisch ontwikkelen van een ‘maximale invulling van maatgevende representatieve bedrijven’ zoals vanwege de juridische eisen nodig is (zie hoofdstuk 2.3.2). De effecten van het ‘maximaal scenario’ worden vervolgens getoetst aan wettelijke en gebiedsspecifieke normen en waar nodig bijgesteld. Ook wordt gekeken of er aanvullende mitigerende maatregelen mogelijk zijn waarmee effecten beperkt kunnen worden, zonder dat dit ten koste gaat van het vestigingsklimaat voor de Eemshaven. Deze maatregelen worden waar nodig en mogelijk toegepast.
Vervolgens worden de gemitigeerde effecten opnieuw beoordeeld in het MER en worden de maatregelen vastgelegd in het bestemmingsplan. 1
Zie pagina 8 van het toetsingsadvies in bijlage I.
15 | 43
Witteveen+Bos | 117388/22-003.952 | Definitief
Afbeelding 3.1 Schematische weergave van de onderzoeksaanpak voor het MER Eemshaven
16 | 43
Witteveen+Bos | 117388/22-003.952 | Definitief
Vermeende inconsistenties tussen thema’s Uit de onderzoeksaanpak blijkt dat in het MER binnen de kaders van de SED gezocht is naar optimalisatie van milieueffecten en het treffen van (aanvullende) mitigerende maatregelen. De vermeende inconsistenties tussen bijvoorbeeld geluid en luchtkwaliteit zijn aan de hand van de onderzoeksaanpak te verklaren. Voor het thema geluid was mitigatie van effecten nodig om te voldoen aan het gebiedspecifieke milieubeleid uit de SED. Voor het industrieterrein Eemshaven is relevant dat de geluidbudgetten voor de kavels aan de zuidkant van het terrein zijn verlaagd (zie afbeelding 3.2) en dat voor alle aanwezige windturbines is bepaald dat deze onafhankelijk van het aantal exploitanten gezamenlijk moeten voldoen aan de geluidnormen ter plaatse van woningen. Daar bovenop mag de geluidbelasting op die woningen door de gecumuleerde geluidbelasting van industrie, windturbines, weg en spoorverkeer en scheepvaart niet meer mag bedragen dan 65 dB Lcum. Het geluidverdeelplan borgt niet alleen dat aan deze normen wordt voldaan, maar zorgt door de configuratie ook dat geoptimaliseerd wordt voor leefbaarheidseffecten zonder dat dit ten koste gaat van vestigingsmogelijkheden (zie hoofdstuk 3.2). Voor luchtkwaliteit zijn geen aanvullende maatregelen getroffen, omdat er geen noodzaak was vanuit wettelijke of gebiedsspecifieke normen.
Aanvullende mitigatie van emissies zou wel ten koste kunnen gaan van het vestigingsklimaat en is daarom niet toegepast. Voor de thema’s water en bodem is de effectbeoordeling aangepast om duidelijk weer te geven wat de situatie voor en na mitigatie is en welke rol maatregelen hebben in het verkleinen of compenseren van effecten. Daarmee biedt deze aanvulling het inzicht in effecten voor mitigatie (effectvoorspelling) dat de Commissie aangaf te missen in het MER. Voor het thema geur is toegelicht waarom in het MER gekozen is voor een aanpak waarbij de regionale normstelling als uitgangspunt dient voor de effectbeschrijving en -beoordeling.
3.2
Geluid
De Commissie noemt1 de geluidzone als voorbeeld van het niet uitwerken van een realistisch alternatief dat invulling geeft aan de ambities op energietransitie, duurzaamheid en natuur uit de SED. De Commissie is van mening dat ‘met deze aanpak (van een maximale invulling van de geluidszone) geen realistisch beeld voor de geluidseffecten is uitgewerkt. Een aanpak gebaseerd op de potentiële vraag naar kavels, rekening houdend met type bedrijvigheid (milieucategorie) en noodzakelijk oppervlakte geeft een realistischer beeld van de omvang van de geluidzone en de (on)mogelijkheden deze te verkleinen’. Gevolgde aanpak is noodzakelijk In hoofdstuk 2.3.2 is uitgelegd waarom de gehanteerde onderzoeksaanpak met een ‘maximale invulling met maatgevende representatieve bedrijven’ per milieuthema noodzakelijk is voor een juridisch robuuste onderbouwing van het bestemmingsplan. Zelfs als dat leidt tot een in de praktijk minder waarschijnlijke invulling met in het geval van het thema geluid overwegend bedrijven met hoge geluidproductie. De onderzoeksaanpak is niet alleen juridisch noodzakelijk, maar past ook goed bij de functie van het MER Eemshaven: het uitgangspunt vanuit de SED (behoud van de huidige zonegrens voor industrielawaai) uitwerken en borgen in concrete regels en maatregelen in het bestemmingsplan.
Daarbij wordt gestuurd op de effecten (begrenzing door wettelijke en aanvullende gebiedsspecifieke normen zoals de 65 dB voor cumulatie van geluid) en niet op de ontwikkelingen (toestaan van bepaalde categorieën bedrijven op bepaalde locaties volgens VNG milieuzonering). Dat laatste zou namelijk ten koste gaan van de flexibiliteit van het bestemmingsplan en daarmee vestigingsmogelijkheden onnodig beperken, want ingaat tegen de doelen van de SED. De alternatieve aanpak die de Commissie voorstelt is niet mogelijk en niet zinvol omdat verkleinen van de geluidzone zou ingaan tegen de kaders uit de SED en daarmee geen optie is. Dit is al uitvoerig toegelicht in hoofdstuk 2.2.
1
Zie paragraaf 2.1. pagina 4 van het toetsingsadvies in bijlage I.
17 | 43
Witteveen+Bos | 117388/22-003.952 | Definitief
Afbeelding 3.2 Principes voor geluidverdeelplan Eemshaven: getoonde waarden zijn dB (A) per m2 etmaalwaarde1
Meerwaarde MER Eemshaven voor geluid Het onderzoeksproces in het MER Eemshaven heeft geleid tot het inzicht dat een geluidverdeelplan noodzakelijk is om te voldoen aan de doelen en randvoorwaarden uit de SED2. Enerzijds om de normoverschrijdingen door industrielawaai (landelijke norm) of cumulatie van geluid (striktere gebiedsspecifieke norm) te voorkomen. Anderzijds om de schaarse geluidruimte effectief te verdelen over de bedrijvigheid en daarmee vestigingsmogelijkheden te maximaliseren. Bij het vormgeven van het geluidverdeelplan is rekening gehouden met de effecten op de leefomgeving. Zo zijn in deelgebieden aan de zuidzijde van het terrein striktere geluideisen (zogeheten ‘kavelbudgetten’) opgenomen om de geluidhinder op de woningen ten zuiden van de Eemshaven te beperken: 72-75 in plaats van 76-77 dB (A) per m2 etmaalwaarde. Bovendien is aanvullend een akoestische reservering van 3 dB (A) opgenomen in het geluidverdeelplan, zodat de geluidruimte die per kavel of deelgebied beschikbaar is niet volledig wordt weggegeven. Het gevolg is dat zelfs in het (onwaarschijnlijke) scenario dat vooral lawaaimakers zich vestigen op de Eemshaven de effecten ruimschoots passen binnen de wettelijke geluidzone voor industrielawaai 3. In de praktijk zal de hinder waarschijnlijk beperkter zijn.
Conclusie Voor het thema geluid is toegelicht dat de in het MER gevolgde aanpak correct en juridisch noodzakelijk is. De aanpak heeft ook meerwaarde gehad omdat er met de spelregels van het geluidverdeelplan binnen de kaders van de SED gezocht is naar een optimale balans tussen beperken van leefomgevingseffecten en borgen van een goed vestigingsklimaat.
1
Zie afbeelding 6.1.3 van het MER Eemshaven.
2
Dit proces staat omschreven in hoofdstuk 6.8 van het MER Eemshaven.
3
Zie afbeelding 6.1.4 van het MER Eemshaven.
18 | 43
Witteveen+Bos | 117388/22-003.952 | Definitief
3.3
Luchtkwaliteit
Voor luchtkwaliteit zijn inderdaad geen aanvullende maatregelen getroffen omdat er geen noodzaak was vanuit wettelijke of gebiedsspecifieke normen. De concentraties van stikstofdioxide (NO 2) en fijnstof (PM10 en PM2.5) voldoen ruimschoots aan de wettelijke grenswaarden en benaderen de veel striktere (nieuwe) streefwaarden van de Wereldgezondheidsorganisatie. Er zijn weinig gebieden in Nederland waarin de luchtkwaliteit zo goed is als in de Eemshaven, ook bij volledige benutting van de planologische mogelijkheden. Aanvullende mitigatie van emissies zou daarentegen wel ten koste kunnen gaan van het vestigingsklimaat. Er is daarom voor gekozen om geen aanvullende maatregelen te treffen op gebied van luchtkwaliteit.
3.4
Bodem
De Commissie geeft aan dat de maatregel tot bodemsanering onterecht al is opgenomen in de effectbeoordeling in het MER1: In het MER zijn bij het thema bodem de maatregelen van bodemsanering al in de effectbeoordeling van het criterium bodemverontreiniging meegenomen. In het MER staat dat de effectscore van het voornemen ‘zonder maatregelen’ positief (+) is. Echter uit de beschrijving in het MER blijkt dat dit positieve effect optreedt na sanering van de verontreinigde locatie. Deze sanering moet echter worden gezien als maatregel. In het MER is gekozen om sanering direct mee te nemen als maatregel in de effectbeoordeling omdat deze maatregel niet via het bestemmingsplan afgedwongen hoeft te worden. De wettelijke plicht tot sanering is reeds geborgd in de Wet bodembescherming, zoals ook in het MER staat beschreven. Zowel de gemeente, als bevoegd gezag voor het bestemmingsplan, als de bedrijven die zich te zijner tijd vestigen in de Eemshaven, zullen aan deze wettelijke eisen moeten voldoen en hebben hierin geen keuzevrijheid. Uit de effectstudie blijkt bovendien dat er geen grootschalige en/of complexe verontreinigingen zijn. Het is daarom niet nodig om met het instrument bestemmingsplan (waarvoor het MER is opgesteld) aanvullende of extra maatregelen op gebiedsniveau te treffen met het oog op bijvoorbeeld het voorkomen of beperken van cumulatieve effecten.
Voor de goede orde wordt hieronder de aangepaste beoordelingstabel voor het thema bodem weergegeven. Daarin worden de effecten van de volledige doorontwikkeling van de Eemshaven in eerste instantie negatief beoordeeld (-) vanwege de diverse bodemverontreinigingen die mogelijk geraakt worden. Als vervolgens de wettelijke verplichte maatregelen tot sanering (of passend beheer) worden getroffen, wijzigt deze beoordeling naar positief (+).
Tabel 3.1 Beoordeling van de effecten op het thema bodem (aangepast met mitigatie achteraf) Aspect
Criterium
Zonder maatregelen
Met maatregelen
Bodem
Bodemverontreiniging
-
+
Diffuse bodemkwaliteit
0
n.v.t.
1
Zie p. 9 van het toetsingsadvies in bijlage I.
19 | 43
Witteveen+Bos | 117388/22-003.952 | Definitief
3.5
Water
Wat zegt de Commissie?1 De effecten van het voornemen op het thema water worden in het MER getoetst aan het wettelijk kader*. Op basis daarvan is de conclusie dat negatieve effecten niet kunnen optreden, omdat initiatieven anders niet vergunbaar zijn. De Commissie is van mening dat het in het MER moet gaan om een effectvoorspelling. Op basis van deze voorspelling kunnen conclusies getrokken worden (zoals acceptabel of maatregelen mogelijk/nodig, enzovoorts). Pas daarna kan worden aangeven hoe de situatie wordt geborgd (in bestemmingsplan of bij de vergunningverlening). In het MER wordt dit echter andersom ingevuld. Hierbij wordt eerst naar de vergunbaarheid gekeken, waardoor onderzoek naar effecten ontbreekt. * Citaat pagina 14 van het MER: ‘Er zijn diverse maatregelen nodig om te voorkomen dat negatieve effecten optreden. Die maatregelen worden afgedwongen via vigerende wet- en regelgeving. Hierdoor zijn er vanuit het MER geen aanvullende maatregelen nodig om effecten in te perken’. Deze paragraaf geeft inzicht in de effecten die kunnen optreden voor de diverse aspecten binnen het thema water, zoals gehanteerd in het MER. Daarbij geldt dat aanbevelingen uit het MER voor enkele aspecten inmiddels geconcretiseerd zijn in het waterhuishoudingsplan2 dat bij het bestemmingsplan voor de Eemshaven is opgenomen.
Naast inzicht in de effecten en maatregelen, geeft onderstaande paragraaf ook een inschatting van de ontwikkelruimte die per aspect beschikbaar is voor bedrijven. In het MER is voor elk van de aspecten al een toelichting opgenomen over de wet- en regelgeving die waarborgt dat negatieve effecten niet kunnen ontstaan. Die informatie wordt niet opnieuw herhaald. Effecten en maatregelen Oppervlaktewaterkwantiteit Bij vestiging van bedrijven in de Eemshaven neemt verharding toe. Hierdoor kan hemelwater niet infiltreren in de grond en wordt het versneld afgevoerd naar omliggende gebieden waardoor het watersysteem overbelast kan raken. Om de risico’s op wateroverlast te voorkomen is in de keur van waterschap Noorderzijlvest vastgelegd dat een toename van het verhard oppervlak gecompenseerd moet worden met extra waterberging. Een deel van het plangebied valt buitendijks onder het beheer van Rijkswaterstaat. In dit gebied is het toegestaan om hemelwater direct op het open water te lozen mits de kwaliteit van het water voldoet. Vanwege deze situatie stelde het MER (p. 175): ‘Voldoende berging en het functioneren van het watersysteem zijn geborgd in wet- en regelgeving. Daarmee kan er geen situatie worden gerealiseerd welke een negatief effect heeft op de omgeving.
Er zullen in de toekomst maatregelen genomen moeten worden voor dit aspect, welke nog niet zijn geborgd in het bestemmingsplan. Er wordt niet verwacht dat het bestemmingsplan hiermee niet uitvoerbaar is. Wel wordt aanbevolen te starten met de watertoetsprocedure om deze maatregelen vorm te geven’. Inmiddels is een waterhuishoudingsplan opgesteld voor de Eemhaven. Dit plan geeft een strategie voor een toekomstbestendig, klimaatadaptief en ruimte-efficiënt watersysteem in de Eemshaven. Met het plan hebben Waterschap Noorderzijlvest en Groningen Seaports afspraken gemaakt en inrichtingsprincipes afgesproken. Het plan beschrijft de kansen, knelpunten en aandachtspunten en bevat handvatten voor uitwerking van watersystemen en watercompensatie per deelgebied, zowel binnen- als buitendijks. Het waterhuishoudingsplan voorkomt negatieve effecten voor de oppervlaktewaterkwantiteit. Verder toont het plan aan dat er binnen de Eemshaven voldoende mogelijkheden zijn om het watersysteem verder te ontwikkelen, infiltratiezones en waterberging te creëren en daarmee compensatie te bieden voor de toenemende verharding op het terrein. Waterkwantiteit vormt daarmee naar verwachting geen beperking voor de ontwikkelruimte voor bedrijven.
1
Zie pagina 7 van het toetsingsadvies in bijlage I.
2
Waterhuishoudingsplan Eemshaven - actualisatie 2018 (Antea group, 2018).
20 | 43
Witteveen+Bos | 117388/22-003.952 | Definitief
Oppervlaktewaterkwaliteit De Eemshaven is aangewezen als een zeehaven- en industriegebied voor zware bedrijvigheid. Bij deze bedrijfsprocessen horen onder andere lozingen van koel- proces- of afvalwater, zwevende stoffen die in het water belanden en lozingen bij calamiteiten zoals bluswater. De stoffen in het water kunnen de kwaliteit van het oppervlaktewater aantasten. Vanwege de ligging van de Eemshaven aan de voor natuur waardevolle Waddenzee vormen deze lozingen een risico voor de chemische en biologische waterkwaliteit. De regimes van de Kaderrichtlijn Water (KRW), de Vogel- en Habitatrichtlijn vastgelegd in beheerplan voor Natura 2000 en de milieukwaliteitseisen uit de Waterwet en het Besluit kwaliteitseisen en monitoring water borgen dat geen negatieve effecten ontstaan door deze lozingen. Hemelwater Het MER geeft aan dat aanvullende maatregelen nodig zijn om de kwaliteit van het afstromend hemelwater te verbeteren voordat het afgevoerd of geïnfiltreerd kan worden. Inmiddels zijn in het waterhuishoudingsplan afspraken, inrichtingsprincipes en maatregelen opgenomen waarmee de eerste stroom hemelwater gescheiden wordt afgevoerd waar nodig. Bij het afgeven van een watervergunning toetst het waterschap aan het waterhuishoudingsplan. Koelwater Het MER geeft een inschatting van de effecten van lozingen van koelwater.
De verwachting is dat de koelbehoefte van nieuwe bedrijvigheid past binnen de in het verleden al onderzochte lozingen en de momenteel gerealiseerde lozingen en dat daarmee koelwater geen ontoelaatbare effecten zal hebben op het Eems-estuarium1. Lozing van koelwater vormt daarmee naar verwachting geen beperking voor de ontwikkelruimte voor bedrijven. Daarnaast moet voor iedere individuele lozing een vergunning worden aangevraagd op basis van de Waterwet of het activiteitenbesluit. Bij deze aanvraag wordt getoetst op de effecten op de oppervlaktewaterkwaliteit (conform de Commissie Integraal Waterbeheer (CIW) Beoordelingssystematiek Warmtelozingen, de Algemene Beoordelingsmethodiek (ABM) en de immissietoets) en het toepassen van Beste Beschikbare Technieken (BBT). Dit kan tot bedrijfsspecifieke voorwaarden leiden. Hiermee wordt gewaarborgd dat er geen ontoelaatbare effecten ontstaan. Het bevoegd gezag moet daarnaast, binnen de ruimte die de wetgeving daarvoor biedt, rekening houden met de gecumuleerde effecten van de individuele lozingen in de Eemshaven en de bedrijfsterreinen in de omgeving. Afvalwater Op dit moment is het riool niet aangesloten op een waterzuivering en wordt het afvalwater deels per vrachtwagen afgevoerd.
Op dit moment wordt er geen afvalwater uit het riool geloosd, maar bij uitbereiding van het systeem moet wel naar andere oplossingen gezocht worden om de situatie te verbeteren. Hiervoor zijn mogelijkheden beschreven in het waterhuishoudingsplan. Een oplossing heeft niet zozeer effect op de waterkwaliteit, maar voorziet in een meer duurzame afwikkeling van afvalwater waarmee milieueffecten zoals geluid, luchtvervuiling en CO2-uitstoot door het vrachtverkeer wordt voorkomen. Proceswater De effecten van c.q. de mogelijkheden voor lozingen zijn moeilijk te duiden. Ze zijn sterk afhankelijk van de betreffende bedrijfsprocessen en daarbij behorende chemische samenstelling. In het kader van de SED is verkend wat de effecten van de emissies van zware metalen en dioxines door de industrie binnen het plangebied van de SED is2. Daaruit blijkt dat emissies via lucht (depositie) en water (lozingen) vanuit lokale bronnen zoals de Eemshaven en Oosterhorn maar in zeer beperkte mate bijdragen aan de concentraties in het estuarium (ordegrootte 0,1-0.2%). Mede op basis daarvan is geconcludeerd dat de emissies in de Eemsdelta de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden niet aantasten.
1
Zie pagina 168 van het MER Eemshaven.
2
Zie Gebiedsgericht milieubeleid: Studie zware metalen in Eems-Dollard-Estuarium (2018). Te raadplegen via: https://www.provinciegroningen.nl/fileadmin/user_upload/Documenten/Beleid_en_documenten/Documentenzoeker/Water__mi lieu_en_veiligheid/Milieu/Gebiedsgericht_milieubeleid_-_-studie_zware_metalen_in_Eems-Dollard_-Estuarium.pdf.
21 | 43
Witteveen+Bos | 117388/22-003.952 | Definitief
Aanvullend op dit onderzoek in het kader van de SED, is in het MER Eemshaven met een immissietoets in beeld gebracht welke toename van emissies te verwachten is voor de Eemshaven1. Conclusie is dat van zware metalen alleen de emissie van kwik naar verwachting kritisch wordt. Dit geldt ook voor overige stoffen als PAK’s en benzeen. Door het hanteren van conservatieve aannames en de inmiddels geldende minimalisatieplicht van het ZZS-beleid wordt verwacht dat deze stoffen geen directe belemmering vormen voor ontwikkeling van bedrijven. Dat neemt niet weg dat de ruimte voor lozingen in de Eemshaven door de hoge achtergrondconcentraties in de Eems-Dollard beperkt is. Mogelijk dat bedrijven vergaande maatregelen moeten treffen om binnen de vergunbare ruimte te komen. Overigens worden de totaalbelasting en de bijdrage van lokale bedrijven op onder meer de Eemshaven al gemonitord via de Staat van Groningen2. Grondwaterkwantiteit De effecten op grondwaterkwaliteit zijn neutraal beoordeeld in het MER omdat de kans op grote onttrekkingen gering is. Het is niet aantrekkelijk voor bedrijven aangezien er voldoende oppervlaktewater beschikbaar is (goedkoper) en het grondwater brak is (beperkingen voor gebruik).
Belangrijker echter is dat het inzetten van grondwater voor koeling in principe niet wordt toegestaan door het bevoegd gezag omdat koeltorens of doorstroomkoeling gelden als meer geschiktere alternatieven (BBT). Grondwaterkwaliteit Het grondwater in de omgeving is brak, wat een negatief effect kan hebben op de landbouw ten zuiden van de Eemshaven. Bij grootschalige verharding van het terrein is er een risico dat de zoet water aanvulling afneemt. Dit kan relatief eenvoudig opgelost worden door in de verplicht aan te leggen waterberging gebruik te maken van infiltratievoorzieningen. Hierbij blijft de aanvulling van zoet regenwater in de bodem gelijk. Dit staat niet expliciet in het waterhuishoudingsplan, maar bij de inrichting van waterberging is dit de optie die als eerste beschouwd wordt. De verwachting is daarom niet dat de grondwaterkwaliteit verandert door ontwikkelingen in het gebied. Waterveiligheid Het plan heeft geen effect op waterveiligheidsaspecten. In het bestemmingsplan zijn in overleg met Waterschap Noorderzijlvest de van toepassing zijnde (dubbel)bestemmingen en functieaanduidingen opgenomen rondom waterkeringen. Samenvattend Bovenstaande overzicht beschrijft de effecten op het thema water voor zover deze ingeschat kunnen worden gegeven de onzekerheid over de daadwerkelijke ontwikkeling van het terrein.
Tabel 3.2 Overzicht van effecten en maatregelen voor het aspect water Aspect
Effecten
Maatregelen
oppervlaktewaterkwantiteit
vestiging bedrijven kan leiden tot toename verhard oppervlakte, afname infiltratie en versnellen waterafvoer. Dit kan het watersysteem overbelasten en wateroverlast veroorzaken
negatieve effecten worden beperkt of voorkomen via de maatregelen en inrichtingsprincipes die inmiddels zijn vastgelegd in het waterhuishoudingsplan
oppervlaktewaterkwaliteit
bedrijfsprocessen kunnen leiden tot lozingen en calamiteiten tot vrijkomen bluswater. Dit kan de chemische en biologische kwaliteit van het oppervlaktewater negatief beïnvloeden
hemelwater: eerste stroom regenwater wordt gescheiden via maatregelen en principes uit het Waterhuishoudingsplan.
1
Zie p. 169-171 van het MER Eemshaven.
2
Zie: https://destaatvangroningen.nl/mme-lucht-uitstootbedrijven.html.
22 | 43
Witteveen+Bos | 117388/22-003.952 | Definitief
Voor de overige lozingen wordt gekozen om geen maatregelen op te nemen in het bestemmingsplan, omdat deze onnodig beperkend kunnen werken voor de flexibele vestiging van bedrijven en in de praktijk geen
Aspect
Effecten
Maatregelen extra beperking van milieueffecten teweegbrengt. Er is bovendien geen noodzaak voor het opnemen van regels in het plan omdat op vergunningniveau geborgd is dat ontoelaatbare effecten niet kunnen ontstaan. Aanvullend vindt monitoring plaats van de daadwerkelijke effecten van lozingen in de Eems-Dollard
grondwaterkwantiteit
toename brak grondwater in omgeving Eemshaven (m.n. landbouw)
grondwaterkwaliteit
waterveiligheid
negatief effect zal in praktijk niet optreden en is daarnaast uitgesloten op niveau vergunningen. Aanvullende maatregelen in bestemmingsplan zijn daarmee overbodig negatieve effecten wordt beperkt door de inrichtingsprincipes uit het waterhuishoudingsplan die infiltratie stimuleren
aantasting waterkeringen door ingrepen op het terrein
waterkeringen worden beschermd door in het bestemmingsplan beschermingszone met bijbehorende regels voor waterkeringen op te nemen
Weergave in beoordelingstabel De beschreven effecten worden in onderstaande beoordelingstabel weergeven zonder en met mitigerende maatregelen. Daaruit blijkt dat de volledige doorontwikkeling van de Eemshaven in eerste instantie zeer negatieve effecten (--) kan hebben op de kwaliteit en kwantiteit van het oppervlaktewater. Door toepassing van de principes uit het waterhuishoudingsplan worden deze effecten gemitigeerd en gecompenseerd voor het criterium oppervlaktewaterkwantiteit. Voor oppervlaktewaterkwaliteit vindt de noodzakelijke mitigatie hoofdzakelijk plaats bij vergunningverlening voor lozingen. Door deze maatregelen te treffen wijzigt de beoordeling van de effecten op kwantiteit en kwaliteit van het oppervlaktewater naar neutraal (0). Voor oppervlaktewaterkwaliteit vindt aanvullend monitoring plaats om tijdig inzicht te hebben in de eventueel negatieve trends en ontwikkelingen op het niveau van het Eems-Dollard estuarium (zie hoofdstuk 6).
Tabel 3.3 Beoordeling van de effecten op het thema water (aangepast met mitigatie achteraf) Aspect
Criterium
Zonder maatregelen
Met maatregelen
Water
Oppervlaktewaterkwantiteit
--
0
Oppervlaktewaterkwaliteit
--
0
Grondwaterkwantiteit
0
0
Grondwaterkwaliteit
0
0
Waterveiligheid
0
0
Conclusie In deze paragraaf is inzicht gegeven in de mogelijke effecten van de ontwikkeling van de Eemshaven op de diverse aspecten van het thema water. Daarmee is invulling gegeven aan de effectvoorspelling die de Commissie m.e.r. aangaf te missen. Per aspect is aangegeven welke effecten mogelijk kunnen optreden en hoe deze waar nodig beperkt worden met maatregelen. In sommige gevallen zijn via het waterhuishoudingsplan maatregelen getroffen om effecten te beperkten of voorkomen. In andere gevallen is na een belangenafweging gekozen voor het niet opnemen van aanvullende maatregelen in het bestemmingsplan. De reden hiervoor is dat er reeds voldoende waarborgen in bestaande vergunningstelsels
23 | 43
Witteveen+Bos | 117388/22-003.952 | Definitief
en wet- en regelgeving zijn opgenomen en dat het opnemen van maatregelen in het BP leidt tot onnodige inperking van de beoogde flexibiliteit voor vestiging van bedrijven in de Eemshaven.
3.6
Geur
Geur is één van de thema’s waarop de Commissie aangeeft dat inzicht in effecten ontbreekt. Wat zegt de Commissie?1 De Commissie is van mening dat het in het MER moet gaan om een effectvoorspelling. Op basis van deze voorspelling kunnen conclusies getrokken worden (zoals acceptabel of maatregelen mogelijk/nodig, enzovoorts). Pas daarna kan worden aangeven hoe de situatie wordt geborgd (in bestemmingsplan of bij de vergunningverlening). In het MER wordt dit echter andersom ingevuld. Hierbij wordt eerst naar de vergunbaarheid gekeken, waardoor onderzoek naar effecten ontbreekt. In hoofdstuk 8.4 van het MER wordt inzicht gegeven in de individuele en cumulatieve effecten die op grond van het gebiedsspecifieke milieubeleid (Geurhinderbeleid industriële geurbronnen)2 kunnen ontstaan in de Eemshaven. Dit geurhinderbeleid is onderdeel van het gebiedsspecifieke milieubeleid dat kaderstellend is voor de Eemshaven en tot stand is gekomen op grond van het planMER bij de SED (zie hoofdstuk 2). Voor het thema geur is gekozen om in het MER direct vanuit dit kader effecten inzichtelijk te maken3. Dit is een afwijking van de onderzoeksaanpak die in het MER voor andere thema’s gevolgd is (zie hoofdstuk 3.1). De reden hiervoor is dat het niet zinvol is om een situatie inzichtelijk te maken die op grond van dit al geldende geurbeleid nooit kan ontstaan.
Het zou namelijk leiden tot zeer grote geurcontouren met belasting op veel geurgevoelige objecten. Anders dan bijvoorbeeld bij een thema als geluid heeft een dergelijk 'maximaal scenario’ voor het thema geur geen meerwaarde in het onderzoeksproces. Op voorhand was duidelijk dat er geen aanvullende maatregelen zoals interne zonering getroffen zouden worden op grond van een invulling van een ‘maximaal scenario’. Zoals ook staat toegelicht in hoofdstuk 8.4 van het MER is in de normstelling namelijk ook al rekening gehouden met cumulatie van geurhinder, zodat cumulatieve effecten op geurgevoelige objecten ook uitgesloten kunnen worden. Verdere aanscherping (of versoepeling) van de geurnorm is bovendien ook niet reëel op grond van de al gemaakte belangenafweging in het kader van de SED (zie hoofdstuk 2). De normstelling voor geur wordt net als voor de andere aspecten uit het gebiedsspecifieke milieubeleid opgenomen als regel in het bestemmingsplan Eemshaven. Met deze maatregel is toename van geurhinder op woningen in de omgeving van de Eemshaven uitgesloten. Dit leidt tot een neutrale beoordeling van het criterium geurhinder bij geurgevoelige objecten (0).