CConstaterende datHetHogeland
Koppel je AI →
Document · PDF

08 14 231024 12

Raadsvergadering 23 oktober 2024, gemeente HetHogelandBij agendapunt: Bestemmingsplan “Kardinge Groeit”9.369 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Natuurbegraven en natuurbeheer op Natuurbegraafplaats Kardinge, gemeente Het Hogeland Werkprotocol beheer en gebruik conform de Wet natuurbescherming

G.J. Berg

Natuurbegraven en natuurbeheer op Natuurbegraafplaats Kardinge, gemeente Het Hogeland Werkprotocol beheer en gebruik conform de Wet natuurbescherming G.J. Berg

Natuurbegraven en natuurbeheer op Natuurbegraafplaats Kardinge, gemeente Het Hogeland Werkprotocol beheer en gebruik conform de Wet natuurbescherming G.J. Berg Status uitgave: definitief – update juni 2024 Rapportnummer:

23-189

Projectnummer:

23-0258

Datum uitgave:

26 juni 2023 (update juni 2024)

Projectleider:

drs. G.J. Berg

Tweede lezer:

J.H. van der Heide MSc

Foto omslag:

K.L. Schepp / Waardenburg Ecology

Opdrachtgever:

Natuurbegraven Nederland Y. Aerts Postbus 797 5201 AT Den Bosch

Referentie opdrachtgever:

mail d.d. 31 maart 2023

Akkoord voor uitgave:

ir. G.H. Bonhof

Datum akkoord:

18 juni 2024

Graag citeren als: Berg, G.J. 2024. Natuurbegraven en natuurbeheer op Natuurbegraafplaats Kardinge, gemeente Het Hogeland, Werkprotocol beheer en gebruik conform de Wet natuurbescherming. Rapportnr. 23189. Waardenburg Ecology, Haren. Trefwoorden: natuurbegraven, Kardinge, werkprotocol, ecologie Waardenburg Ecology is niet aansprakelijk voor gevolgschade, alsmede voor schade welke voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van werkzaamheden of andere gegevens verkregen van Waardenburg Ecology. Opdrachtgever hierboven aangegeven vrijwaart Waardenburg Ecology voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing. © Waardenburg Ecology / Natuurbegraven Nederland Dit rapport is vervaardigd op verzoek van opdrachtgever en is zijn eigendom. Niets uit dit rapport mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden d.m.v. druk, fotokopie, digitale kopie of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever hierboven aangegeven en Waardenburg Ecology, noch mag het zonder een dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd. Waardenburg Ecology is een handelsnaam van Waardenburg Ecology BV. Lid van de branchevereniging Netwerk Groene Bureaus. Het kwaliteitsmanagementsysteem is gecertificeerd door EIK Certificering overeenkomstig ISO 9001:2015.

Waardenburg Ecology hanteert als algemene voorwaarden de DNR 2011, tenzij schriftelijk anders wordt overeengekomen.

Waardenburg Ecology Varkensmarkt 9, 4101 CK Culemborg, 0345 512710 info@waardenburg.eco, www.waardenburg.eco

Voorwoord Voor het natuurbegraven op en het beheren van natuurbegraafplaats Kardinge, gemeente Het Hogeland wordt waar mogelijk gewerkt aan de hand van bestaande gedragscodes voor natuurbeheer en moet rekening worden gehouden met de vereisten van de Wet natuurbescherming. Aanvullend daarop is ook een werkprotocol aan de orde. Onderhavig rapport voorziet hierin en beschrijft hoe rekening gehouden wordt met (mogelijk) aanwezige beschermde en bijzondere natuurwaarden. Aan de totstandkoming van dit rapport werkten mee: Gertrud Berg Jan Erik van der Heide Kris Schepp

projectleiding, rapportage kwaliteitszorg foto’s

Genoemde personen zijn door opleiding, werkervaring en zelfstudie gekwalificeerd voor de door hen uitgevoerde werkzaamheden. Het project is uitgevoerd volgens het kwaliteitshandboek van Waardenburg Ecology. Het kwaliteitsmanagementsysteem van Waardenburg Ecology is ISO gecertificeerd. Vanuit Natuurbegraven Nederland werd de opdracht begeleid door de mevrouw Yoni Aerts. Wij danken haar voor de prettige samenwerking. .

4

NATUURBEGRAVEN EN NATUUBEHEER OP NATUURBEGRAAFPLAATS KARDINGE WERKPROTOCOL BEHEER EN GEBRUIK CONFORM DE WET NATUURBESCHERMING

Inhoud 1

2

3

4

Voorwoord

4

Reikwijdte

6

1.1

Kader en doel

6

1.2

Wettelijk kader begraven

8

1.3

Uitgangspunten terreingebruik, beheer en natuurbegraven

9

1.4

Voorwaarden (toolbox)

12

Gebruik: natuurbegraven

14

2.1

Procedure natuurbegraven

14

2.1.1

Ruimtelijke aspecten natuurbegraven

14

2.1.2

Beschermingszones natuurwaarden

15

2.2

Teraardebestelling

17

2.3

Monitoring aanwezige flora en fauna

17

Natuurbeheer

18

3.1

Algemeen

18

3.2

Beheer van houtige gewassen

20

3.3

Beheer van Kruidenrijk en Faunarijk grasland (N12.02)

21

3.4

Beheer van Dynamisch Moeras (N05.04) / Veenmoeras (N05.03)

22

3.5

Beheer gebouw(en)

23

3.6

Wegen en paden

24

3.7

Calamiteiten, overig

25

Literatuur

26

Bijlage I

Toetsingskader Wet natuurbescherming

27

Bijlage II

Waarnemingenformulier Natuurbegraafplaats Kardinge

34

Bijlage III

Calamiteitenformulier

35

5

NATUURBEGRAVEN EN NATUUBEHEER OP NATUURBEGRAAFPLAATS KARDINGE WERKPROTOCOL BEHEER EN GEBRUIK CONFORM DE WET NATUURBESCHERMING

1 Reikwijdte 1.1

Kader en doel Voor het gebruik en beheer van de natuurbegraafplaats Kardinge is na ingebruikname een werkprotocol aan de orde. Toepassing van het voorliggende werkprotocol waarborgt naast toepassing van bestaande gedragscodes voor natuurbeheer dat het reguliere beheer en het gebruik van de natuurbegraafplaats plaatsvindt conform de vereisten uit de Wet natuurbescherming (kortweg Wnb). Voor het terrein is inrichting voorzien zoals beschreven in het Inrichtings- en Beheerplan (Tonckens, 2024). Ontwikkeling van natuurwaarden is een belangrijk aspect voor de natuurbegraafplaats. Het beheer en het gebruik is afgestemd op het realiseren van de potenties van het gebied. Indien in de toekomst beschermde planten- en/of beschermde diersoorten worden aangetroffen in het plangebied, worden omgangsregels zoals beschreven in onderhavige rapportage uitgevoerd. In 2023 heeft onderzoek plaatsgevonden naar de huidige natuurwaarden binnen het plangebied (Schepp & Doef, 2024). Samengevat zijn de volgende beschermde natuurwaarden aanwezig op het terrein: Vogels: • Algemene broedvogels • De boerderij is potentieel geschikt voor huismus, waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn. Vleermuizen • Er zijn rond de boerderij bomen met potentiële verblijfplaatsen aanwezig. Ook in de boerderij zelf kunnen mogelijk verblijfplaatsen aanwezig zijn.

• Delen van het plangebied worden naar verwachting gebruikt als foerageergebied. De brede watergangen rondom het gebied hebben mogelijk een functie als vliegroute (en foerageergebied) voor bijvoorbeeld de watervleermuis. Grondgebonden zoogdieren • Er zijn in of rond de boerderij potentiële verblijfplaatsen van steenmarter aanwezig. • In het plangebied komt haas voor. Na herinrichting kan het plangebied nog steeds goed dienen als leefgebied en verblijfplaats voor hazen.

6

NATUURBEGRAVEN EN NATUUBEHEER OP NATUURBEGRAAFPLAATS KARDINGE WERKPROTOCOL BEHEER EN GEBRUIK CONFORM DE WET NATUURBESCHERMING

• Niet uitgesloten kan worden dat in de huidige watergangen waterspitsmuis aanwezig is. Na herinrichting kan de waterspitsmuis gebruik maken van de nieuwe watergangen in het gebied. • Daarnaast komen verschillende algemene vrijgestelde grondgebonden zoogdier soorten voor in het gebied als ree en muizensoorten. Amfibieën • In het gebied komt de poelkikker voor. Na herinrichting kan het plangebied ook goed dienen als voortplantingshabitat (water) en landhabitat voor deze soort. Ook algemeen voorkomende amfibieën als bruine kikker en gewone pad zullen het plangebied gebruiken als voortplantings- en landhabitat. Ontwikkeling van natuurwaarden is een belangrijk aspect voor de natuurbegraafplaats. Het beheer en het gebruik is hierop afgestemd (dynamische benadering). Indien in de toekomst andere beschermde planten- en/of diersoorten worden aangetroffen in het plangebied, kan het werkprotocol indien nodig hierop worden aangevuld. Doel Het doel van voorliggend werkprotocol is om te voorkomen dat beheer en gebruik van de natuurbegraafplaats direct of indirect leidt tot overtredingen van verbodsbepalingen uit de Wet Natuurbescherming. Voor het beheer en gebruik is dan geen ontheffing van de Wet Natuurbescherming nodig. Daarnaast draagt het werkprotocol bij aan een zorgvuldige omgang met de voorkomende flora en fauna binnen het terrein.

Onderhavig rapport is geen beheerplan voor natuurbeheer, maar een handleiding hoe beheer kan worden uitgevoerd zonder overtreding van verbodsbepalingen. Hetzelfde geldt voor het verzorgen van natuurbegrafenissen (natuurbegraven) op het terrein. Wet Natuurbescherming De volgende beschermingsregimes zijn van toepassing: Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn (Wnb § 3.1) Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn (Wnb § 3.2) Beschermingsregime andere soorten (Wnb § 3.3). Voor een aantal soorten vallend onder ‘Beschermingsregime andere soorten’ verleent de provincie Groningen vrijstelling voor handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden (Art 3.10 lid 2a). In Bijlage I is een korte uitleg opgenomen van de Wet Natuurbescherming.

7

NATUURBEGRAVEN EN NATUUBEHEER OP NATUURBEGRAAFPLAATS KARDINGE WERKPROTOCOL BEHEER EN GEBRUIK CONFORM DE WET NATUURBESCHERMING

1.2

Wettelijk kader begraven Wet op de Lijkbezorging In gevolge van artikel 41 van de Wet op de Lijkbezorging is voor het in gebruik nemen van een bijzondere begraafplaats of van een deel daarvan de toestemming van burgemeester en wethouders nodig. Deze toestemming wordt slechts geweigerd, indien niet aan de wettelijke voorschriften is voldaan (Wettenbank Overheid 2023a(i)). Deze wettelijke voorschriften volgen uit de het Besluit op de Lijkbezorging (Wettenbank Overheid 2023b(i)) en dan meer in het bijzonder op basis van paragraaf 4 artikel 5 en 6 van voornoemd besluit:

Paragraaf 4. De inrichting van een graf en de afstand tussen de graven onderling Artikel 5 1. De afstand tussen de graven onderling bedraagt ten minste dertig centimeter. 2. Boven de kist of het omhulsel bevindt zich een laag grond van ten minste vijfenzestig centimeter. 3. Ten hoogste drie lijken mogen boven elkaar worden begraven, mits boven elke kist of ander omhulsel een laag grond van ten minste dertig centimeter dikte wordt aangebracht, die bij een volgende begraving niet mag worden geroerd. Ten aanzien van de bovenste kist of het bovenste omhulsel is het tweede lid van toepassing. 4. De graven bevinden zich ten minste dertig centimeter boven het niveau van de gemiddeld hoogste grondwaterstand. 5. Het derde en vierde lid zijn niet van toepassing op bestaande graven. Artikel 6 De afstand van een graf tot de erfscheiding van de begraafplaats bedraagt ten minste één meter.

Vertaling van de Wet op de Lijkbezorging naar werkwijze Natuurbegraven Op een Natuurbegraafplaats van Natuurbegraven Nederland (NBN) zal te allen tijde de van toepassing zijnde wettelijke voorschriften nageleefd worden, zo wordt bij de realisatie rekening gehouden met een minimale piëteitszone van de erfscheiding. De natuurgraven worden op minimaal 30 centimeter afstand van elkaar gesitueerd. Natuurgraven worden exact ingemeten en vastgelegd met GPS. In § 1.3 wordt hier verder op ingegaan. Voorts is in onderstaande tekening schetsmatig de benodigde ontwateringsdiepte voor natuurbegraven weergegeven waaraan het natuurgraf dient te voldoen.

8

NATUURBEGRAVEN EN NATUUBEHEER OP NATUURBEGRAAFPLAATS KARDINGE WERKPROTOCOL BEHEER EN GEBRUIK CONFORM DE WET NATUURBESCHERMING

Figuur 1.1 Schematische weergave van de ontwateringsdiepte voor natuurbegraven. Bron: Natuurbegraven Nederland.

1.3

Uitgangspunten terreingebruik, beheer en natuurbegraven Terreingebruik Voor NBN prevaleert natuur te allen tijde. Dat houdt bijvoorbeeld in dat als een vogel broedt in de nabijheid van het natuurgraf, dat daar nadrukkelijk rekening mee wordt gehouden door het kwetsbare gedeelte af te zetten. Het ecologisch werkprotocol bepaalt hoe hiermee wordt omgegaan, zodat er geen verstoring en / of schade kan ontstaan aan kwetsbare flora en fauna. De beheerder kan een maximum stellen aan het aantal personen dat wordt toegelaten bij de teraardebestelling ter bescherming van aanwezige kwetsbare flora en fauna. Overige nabestaanden / aanwezigen wordt verzocht om op de paden te blijven. NBN heeft als uitgangspunt de eeuwigdurende grafrust in een natuurgebied. Natuurgraven zullen nooit worden geruimd, ook niet nadat alle natuurgraven vergeven zijn. Natuurbegraafplaats Kardinge is op de eerste plaats een natuurgebied. Het beheer en het gebruik zullen dus gericht zijn op het behoud van de bestaande (beschermde) natuurwaarden, toename van biodiversiteit en het ontwikkelen van nieuwe natuur. De natuurwaarden worden gemonitord middels periodiek inventarisatieonderzoek. In Hoofdstuk 2 zijn de uitgangspunten en beperkingen uitgewerkt.

9

NATUURBEGRAVEN EN NATUUBEHEER OP NATUURBEGRAAFPLAATS KARDINGE WERKPROTOCOL BEHEER EN GEBRUIK CONFORM DE WET NATUURBESCHERMING

Beheer Figuur 2.1 geeft een impressie van de toekomstige natuurbegraafplaats. Voor het beheer geeft het inrichtings- en beheerplan het volgende aan (Tonckens, 2024): Algemeen Het natuurbeheer is er zowel tijdens de gebruiksfase van het gebied als daarna op gericht de ecologische waarden van het gebied te verhogen en deze waarden beleefbaar te maken. Er wordt bij het uitvoeren van het natuurbeheer gewerkt aan de hand van een ecologisch werkprotocol, om negatieve effecten op de vegetatie zoveel mogelijk te voorkomen. Naast het natuurbeheer in het gebied wordt de toegankelijkheid van het gebied gewaarborgd door onderhoud van de aanwezige padenstructuur. Dynamische Moeras (N05.04) / Veenmoeras (N05.03) Door het gefaseerd maaien in nazomer van het droge oeverprofiel wordt verruiging en of verbossing voorkomen. Daarmee blijft overjarig riet staan, dit is goed voor vogels en insecten. Om zicht op open water te behouden, zal wanneer nodig pleksgewijs riet worden gemaaid. Om dominantie van woekerende en storende soorten te voorkomen (waaronder riet en lisdodde) wordt hier passend maaibeheer op toegepast. Voor de natuurwatergangen is de aandachtsoort rietorchis en krabbenscheer. Het streefdoel is een variatie aan vegetatie en structuur, om een goed leefgebied te creëren voor zowel libellen, vlinders als amfibieën. Struweel en bomen laten groeien en niet snoeien.

Kruidenrijk en Faunarijk grasland (N12.02) Het beheer van de kruiden en faunarijke graslanden is gericht op de ontwikkeling van een botanisch waardevolle vegetatie met variatie in flora en structuur. De bestaande en nog te ontwikkelen graslanden worden ingezaaid met een kruidenrijk grasmengsel en worden beheerd door middel van een extensief maaibeheer. Door de voormalige functie van de percelen als akkers zal zich hier een tamelijk voedselrijk kruiden-en faunarijk grasland ontwikkelen. Door middel van extensief maaibeheer , waarbij het maaisel wordt afgevoerd, vindt een verdere bodemverschraling plaats. Het beheer is gericht op de bevordering van de aandachtsoorten ratelaar, paarse morgenster, gele morgenster, pastinaak, knoopkruid, echte koekoeksbloem en wilde peen. Bij het extensief maaibeheer wordt erop gelet dat de groeiplekken van deze soorten worden ontzien waardoor deze hun zaden laten rijpen dat de verdere verspreiding stimuleert. Om de structuurvariatie te bevoordelen blijft er in september/oktober, ca 10-15 % vegetatie overstaan. Hierin kunnen poppen van insecten overwinteren en kunnen andere doelsoorten ook in de winter nog schuilgelegenheid vinden.

10

NATUURBEGRAVEN EN NATUUBEHEER OP NATUURBEGRAAFPLAATS KARDINGE WERKPROTOCOL BEHEER EN GEBRUIK CONFORM DE WET NATUURBESCHERMING

Figuur 1.2

Impressie van de toekomstige natuurbegraafplaats. Bron: Natuurbegraven Nederland.

11

NATUURBEGRAVEN EN NATUUBEHEER OP NATUURBEGRAAFPLAATS KARDINGE WERKPROTOCOL BEHEER EN GEBRUIK CONFORM DE WET NATUURBESCHERMING

Natuurbegraven Ten aanzien van het natuurbegraven gelden de volgende uitgangspunten. • Een te begraven kist moet uit onbehandeld en volledig te vergaan natuurlijk materiaal bestaan. Dit geldt ook wanneer een lichaam in bijvoorbeeld een lijkwade wordt begraven of als er een urn wordt begraven. • Het meebegraven van persoonlijke materialen die niet vergaan is niet toegestaan. • Er worden geen grafstenen of andere permanente gedenktekens geplaatst. Het plaatsen van onvergankelijke geschenken door bezoekers op de natuurgraven is in het kader van het natuurlijke karakter van de natuurbegraafplaats niet toegestaan. • Het leggen van kransen van snijbloemen door bezoekers na de teraardebestelling, is toegestaan. Binnen twee weken worden deze door de beheerder van het natuurgraf verwijderd en in bewaring gesteld. • Vergankelijke en dus tijdelijke grafmarkeringen zijn in de vorm van een houten schijf toegestaan. Deze schijf wordt door NBN gefaciliteerd. Zie Huisregels Natuurbegraafplaats Kardinge voor nadere details.

1.4

Voorwaarden (toolbox) • Een exemplaar van het voorliggend werkprotocol is (tenminste) digitaal beschikbaar op de locatie waar de administratie van Natuurbegraafplaats Kardinge zich bevindt. • Het werkprotocol, of het onderdeel dat nodig is voor het betreffende werk, wordt ter beschikking gesteld aan in te schakelen derden die belast zijn met het beheer van het terrein. • Uitvoerenden dienen kennis te hebben van onderhavig werkprotocol en waar deze te vinden is. • Bij afwijking van dit werkprotocol bestaat de kans op het overtreden van de Wet natuurbescherming. Bij afwijking dient altijd te worden overlegd met een (externe) ter zake kundige (beheerder of ecoloog). • Controles op de natuurbegraafplaats in het kader van natuurbegraven en beheer worden uitgevoerd door een ter zake kundige (beheerder of ecoloog) of door iemand die vooraf is geïnstrueerd door een ter zake kundige om de bepaalde natuurwaarden te herkennen. • In sommige situaties kan een externe ter zake kundige 1 worden geraadpleegd. Een ecologisch dossier wordt bijgehouden in de administratie van Natuurbegraafplaats Kardinge. • Waarnemingenformulieren worden ingevuld indien buiten monitoringsonderzoeken waarnemingen van beschermde of bedreigde soorten worden gedaan (zie Bijlage II). Deze worden aan het ecologisch dossier toegevoegd.

1

Onder een ter zake kundige wordt door bevoegd gezag verstaan: een persoon die voor de situatie en soorten ten aanzien waarvan hij of zij gevraagd is te adviseren en/of te begeleiden, aantoonbare ervaring en kennis heeft op het gebied van soortspecifieke ec ologie. Zie voor nadere voorwaarden de website van bevoegd gezag Omgevingswet.

12

NATUURBEGRAVEN EN NATUUBEHEER OP NATUURBEGRAAFPLAATS KARDINGE WERKPROTOCOL BEHEER EN GEBRUIK CONFORM DE WET NATUURBESCHERMING

• De wijze van afhandeling en evaluatie van eventuele calamiteiten (zie paragraaf 3.7) worden geregistreerd in het ecologisch dossier. • Het voorliggende werkprotocol zal periodiek op volledigheid en actualiteit moeten worden gescreend. Indien nodig wordt het werkprotocol geactualiseerd. Vooralsnog is elke twee jaar een evaluatiemoment voorzien, tenzij aanleiding bestaat dit vaker uit te voeren. • De natuurbegraafplaats wordt periodiek gemonitord op aanwezige natuurwaarden.

Ter zake kundige externe ecoloog Indien afstemming met een ter zake kundig ecoloog nodig is kan contact worden opgenomen met: Waardenburg Ecology Gertrud Berg Postbus 111 9750 AC Haren Tel. 0345-512710

13

NATUURBEGRAVEN EN NATUUBEHEER OP NATUURBEGRAAFPLAATS KARDINGE WERKPROTOCOL BEHEER EN GEBRUIK CONFORM DE WET NATUURBESCHERMING

2 Gebruik: natuurbegraven 2.1

Procedure natuurbegraven Natuurbegraven Nederland stelt een aantal voorwaarden en beperkingen aan een natuurbegrafenis, onder andere gebaseerd op de Wet op de Lijkbezorging (zie § 1.2), vanuit de verplichtingen die voortvloeien uit de Wet natuurbescherming en het te voeren natuurbeheer ten gunste van de instandhouding en vergroten van de (algemene) natuurwaarden. Bij natuurbegraven zijn drie aspecten belangrijk bij de fysieke aanleg van een natuurgraf: 1. het ruimtelijke aspect; 2. het natuurbegraven zelf; 3. omgang met beschermde of bedreigde natuurwaarden. In de onderstaande paragraaf wordt hier stapsgewijs toegelicht welke voorwaarden per onderdeel aan de orde zijn.

2.1.1

Ruimtelijke aspecten natuurbegraven Locatie natuurgraf Bij de selectie van een locatie zijn de volgende uitgangspunten aan de orde: • Er kan in de nabijheid van bomen worden begraven, mits dit buiten de kwetsbare wortelzone is. Er worden geen bomen gekapt om een toekomstig natuurgraf te realiseren. • Struiken en struweel worden ontzien. Dit betekent dat een locatie altijd vooraf volgens vastgestelde richtlijnen wordt gecontroleerd en beoordeeld op het kunnen gebruiken. Zie hiervoor de hiernavolgende paragrafen. Natuurbegraven Bij het delven en dichten van een natuurgraf zijn de volgende uitgangspunten aan de orde: 1. Voorafgaand aan het delven van een natuurgraf vindt een controle plaats op aanwezige (verblijfplaatsen van) beschermde soorten ter plaatse met een zone van 20 meter er omheen: • Bij het aantreffen van nieuwe (verblijfplaatsen van) beschermde soorten wordt de locatie (bij voorkeur digitaal) vastgelegd in het ecologisch dossier. Hiertoe kan het formulier in Bijlage II (als hulpmiddel) worden ingevuld.

14

NATUURBEGRAVEN EN NATUUBEHEER OP NATUURBEGRAAFPLAATS KARDINGE WERKPROTOCOL BEHEER EN GEBRUIK CONFORM DE WET NATUURBESCHERMING

• Bij het aantreffen van (verblijfplaatsen van) beschermde soorten wordt bepaald door de terreinbeheerder: - of het voorziene natuurgraf kan worden aangelegd zonder maatregelen; - of het voorziene natuurgraf kan worden aangelegd met maatregelen; - of dat moet worden uitgeweken vanwege aanwezige te beschermen natuurwaarden; - indien nodig wordt afgestemd met een ter zake kundige ecoloog. • Regels omgang met amfibieën: - Indien bij het afscheppen van de toplaag van de bodem een overwinterend amfibie wordt aangetroffen, dan wordt deze direct verplaatst naar een vergelijkbare locatie inde nabije omgeving (op minimaal 25 meter afstand) van het te graven natuurgraf - Indien bij het afscheppen van de toplaag van de bodem een amfibie wordt aangetroffen buiten de overwinteringsperiode, dan zal dit dier zelf een veilig heenkomen zoeken. Indien nodig wordt het dier gevangen en direct verplaatst naar een vergelijkbaar biotoop op minimaal 25 meter afstand 2. Bij het delven van het natuurgraf wordt de onderstaande werkvolgorde aangehouden: • de bestaande paden worden zoveel mogelijk gebruikt voor transport van materieel en materiaal; • de toplaag van de bodem wordt tijdelijk verplaatst: deze laag heeft een dikte van circa 5 tot 15 cm; • de toplaag van de bodem wordt op platen gelegd of elders bewaard. De toplaag blijft maximaal 2 dagen in depot.

• de bij delving vrijgekomen grond wordt tijdelijk op platen bewaard; • het natuurgraf wordt afgedekt met beplating (zodat dieren niet per ongeluk in het natuurgraf kunnen vallen); • nadat het lichaam is geplaatst, wordt de tijdelijk opzij gelegde vrijgekomen grond weer in het natuurgraf gebracht; • de toplaag wordt weer voorzichtig teruggelegd. 3. Laagtes die kunnen ontstaan na het vergaan van een kist kunnen als dat wenselijk is, worden opgevuld volgens de werkwijze van het dichten van een natuurgraf, dus enkel met gebiedseigen materiaal en het terugzetten van de toplaag van de bodem.

2.1.2

Beschermingszones natuurwaarden Algemeen Om onbedoelde schade en verstoring van groei- of verblijfplaatsen van beschermde of bedreigde soorten te voorkomen, gelden beschermingszones rond aanwezige natuurwaarden. Binnen dergelijke beschermingszones worden geen natuurgraven gedolven.

15

NATUURBEGRAVEN EN NATUUBEHEER OP NATUURBEGRAAFPLAATS KARDINGE WERKPROTOCOL BEHEER EN GEBRUIK CONFORM DE WET NATUURBESCHERMING

• Er gelden beperkingen voor natuurbegraven in de directe nabijheid van (verblijfplaatsen) van beschermde of ernstig bedreigde soorten. In voorkomende gevallen moet uitgeweken worden naar een andere plek. Dit betekent dat een locatie altijd vooraf volgens vastgestelde richtlijnen wordt gecontroleerd en beoordeeld op het kunnen gebruiken. Omdat natuur dynamisch is, kunnen deze groei- en verblijfplaatsen op lange termijn, jaarlijks of zelfs per seizoen wisselen. Periodiek vindt daarom monitoring plaats van aanwezige natuurwaarden. Kwetsbare situaties (groeiplaatsen en nestplaatsen) worden ten tijde van de teraardebestelling gemarkeerd om betreding of verstoring te voorkomen. Specificaties beschermingszones Wettelijk beschermde soorten • Er geldt een beschermingszone van vijf meter bij plantensoorten die beschermd zijn conform § 3.2 Wet natuurbescherming. Dergelijke soorten komen momenteel niet voor binnen het plangebied. • Er geldt een beschermingszone van 20 meter voor vogelnesten op de bodem, gedurende de periode dat dit nest in gebruik is. In de praktijk valt het broedseizoen globaal tussen maart en augustus. • Er geldt een beschermingszone van 10 meter voor vogelnesten in struweel, gedurende de periode dat dit nest in gebruik is. In de praktijk valt het broedseizoen globaal tussen maart en augustus.

• Er geldt een beschermingszone van 50 meter bij bomen met roofvogelhorsten, gedurende de periode dat het nest in gebruik is. In de praktijk valt het broedseizoen globaal tussen maart en augustus. Hierbij wordt aangesloten op de omgang met nesten zoals beschreven voor de buizerd in Kennisdocument Buizerd (Bij12, 2017). Momenteel komen geen bomen met jaarrond beschermde nesten voor in het gebied. • Verlichting kan verstorende effecten hebben op bijvoorbeeld vleermuizen en andere zoogdieren. Indien op het terrein aanvullend op de huidige situatie verlichting noodzakelijk is wordt met een ter zake kundige ecoloog afgestemd op welke wijze dit kan plaatsvinden. Bedreigde soorten, zonder wettelijk beschermde status • Er geldt een beschermingszone van twee meter bij eventueel aanwezige plantensoorten die een Rode lijst status ‘gevoelig’ of ‘kwetsbaar’ hebben. • Er geldt een beschermingszone van tien meter bij eventueel aanwezige plantensoorten die een Rode lijst status ‘bedreigd’ of ‘ernstig bedreigd’ hebben. Zorgplicht De zorgplicht houdt in dat initiatiefnemer in alle redelijkheid maatregelen treft welke voorkomen dat flora en fauna onnodig nadelig effect (vernieling, verstoring, doden) ondervinden. Maatregelen in dit kader zijn:

16

NATUURBEGRAVEN EN NATUUBEHEER OP NATUURBEGRAAFPLAATS KARDINGE WERKPROTOCOL BEHEER EN GEBRUIK CONFORM DE WET NATUURBESCHERMING

• Aanwezige planten worden voorafgaand aan het delven van een natuurgraf opzij gezet, en eventueel na dichten van het natuurgraf weer teruggeplaatst. • Plekken waarvan het wenselijk / noodzakelijk is dat deze niet worden betreden bij natuurbegrafenis, worden indien nodig aangeduid / uitgerasterd.

2.2

Teraardebestelling Een ceremonie in de zin van een afscheidsdienst is niet mogelijk op de natuurbegraafplaats. Voor de teraardebestelling gelden de volgende uitgangspunten: • de teraardebestelling heeft een ingetogen karakter met respect voor de natuurlijke omgeving; • er vinden geen teraardebestellingen plaats tussen zonsondergang en zonsopgang; • bezoekers lopen zoveel mogelijk over de bestaande paden; • bezoekers blijven buiten de vooraf met lint afgezette zones om schade of verstoring aan kwetsbare (beschermde of bedreigde) natuurwaarden te voorkomen; • er worden geen auto’s van bezoekers op het terrein toegestaan anders dan op de parkeerplaats en de toerit daarvan; • het geluidsniveau zal ingetogen zijn. Hiervoor is vooraf afstemming met de organisatie van de natuurbegrafenis; • teraardebestellingen kunnen jaarrond plaatsvinden.

2.3

Monitoring aanwezige flora en fauna • Periodiek (1x per 6 jaar) worden relevante natuurwaarden terreinbreed gemonitord. Gegevens worden vastgelegd en gebruikt bij plaatsbepaling natuurgraven en het nemen van voorzorgsmaatregelen bij het natuurbegraven. • Voorafgaand aan het delven van een natuurgraf vindt een controle plaats op aanwezige (verblijfplaatsen van) beschermde soorten: - ter plaatse met een zone van 20 meter er omheen, - in het ecologisch dossier (natuurwaardenonderzoek en latere monitoringsverslaglegging van periodieke inventarisatieonderzoek) • Bij het aantreffen van nieuwe (verblijfplaatsen van) beschermde soorten wordt de locatie (bij voorkeur digitaal) vastgelegd in het ecologisch dossier. Hiertoe kan het formulier in Bijlage II (als hulpmiddel) worden ingevuld.

17

NATUURBEGRAVEN EN NATUUBEHEER OP NATUURBEGRAAFPLAATS KARDINGE WERKPROTOCOL BEHEER EN GEBRUIK CONFORM DE WET NATUURBESCHERMING

3 Natuurbeheer 3.1

Algemeen Op de Natuurbegraafplaats Kardinge zijn de onderstaande typen beheer (en onderhoud) aan de orde: • beheer houtige gewassen; • beheer van Kruidenrijk en Faunarijk grasland (N12.02); • beheer van Dynamisch Moeras (N05.04) / Veenmoeras (N05.03); • beheer van gebouwen en de parkeervoorzieningen;. • beheer van wegen en paden Het beheerplan is leidend voor waar welk natuurtype wordt ontwikkeld. Het natuurbeheer wordt minimaal voor 100 jaar gegarandeerd. Het te voeren beheer is gericht op de instandhouding en vergroting van de natuurwaarden. Het beheer houdt rekening met aanwezigheid van beschermde soorten en is (deels) gebaseerd op de gedragscode natuurbeheer 2016-2021 (VBNE 2023 (i)). De gedragscode natuurbeheer 2016-2021 is niet meer geldig. Het verzoek de gedragscode natuurbeheer 2016-2021 te verlengen, om de periode zonder gedragscode te overbruggen is afgewezen. De opvolger van deze gedragscode doorloopt momenteel een beoordelingsprocedure, maar is nog niet goedgekeurd. Daarmee is er nu een periode waarin terreineigenaren geen gebruik kunnen maken van een gedragscode bij uitvoering van natuurbeheer. Voor werkzaamheden die leiden tot een schadelijke handeling moet een vergunning Omgevingswet worden aangevraagd bij de provincie (VBNE 2024 (i)).

Het is niet te verwachten dat de nieuwe gedragscode in betekenisvolle mate zal afwijken van de richtlijnen die in de oude gedragscode zijn opgenomen. Zodra de nieuwe Gedragscode Natuurbeheer beschikbaar komt, zal een controle op inhoudelijke veranderingen moeten plaatsvinden. Wanneer deze wijzigingen voor het Kardinge relevant zijn, moeten ze in het voorliggende werkprotocol worden verwerkt. Op 6 mei 2024 is het goedkeuringsbesluit voor het eerste deel van de gedragscode gepubliceerd. Deze is slechts geldig tot 1 januari 2025 en omvat alleen de beheersmaatregelen: • Begrazen van natuurterreinen; • Beheren van akkers; • Schonen en baggeren van waterlopen en • Schonen en baggeren van kleine wateren. Wanneer er een nieuwe gedragscode is voor alle beheermaatregelen is nog onbekend.

18

NATUURBEGRAVEN EN NATUUBEHEER OP NATUURBEGRAAFPLAATS KARDINGE WERKPROTOCOL BEHEER EN GEBRUIK CONFORM DE WET NATUURBESCHERMING

Toolbox meeting Periodiek wordt een toolboxmeeting gehouden met de uitvoerenden. Een dergelijke toolboxmeeting wordt gehouden: • minimaal twee keer per jaar en gaat over onderwerpen die actueel zijn met betrekking tot natuurbeheer; • wanneer het voorliggende werkprotocol een wezenlijke wijziging heeft ondergaan; • wanneer sprake is van een nieuwe beheerder op het terrein; • wanneer een calamiteit is opgetreden waarop acute beheersmaatregelen noodzakelijk zijn. Voorzorgsmaatregelen • Periodiek vindt monitoring plaats om locaties van (onder andere) roofvogelhorsten in kaart te brengen. • Er wordt gewerkt buiten het broedseizoen en buiten de kwetsbare perioden van beschermde soorten, tenzij: - middels controle of inventarisatie is gebleken dat op de locatie of in de boom waar beheer wordt uitgevoerd geen in gebruik zijnde nesten of andere voortplantingslocaties of overwinterende dieren aanwezig zijn. - een ontheffing Wnb verkregen is. • Bij werkzaamheden in de winterperiode wordt gecontroleerd op eventuele overwinterende dieren (egels, amfibieën) onder opgehoopt blad (en takkenhopen) op de werklocatie. Wanneer de reikwijdte van de voorziene werkzaamheden niet aangepast kan worden en daarmee het welzijn van het dier niet gegarandeerd kan worden, zal het dier worden verplaatst naar een gelijkwaardige overwinteringsplaats op de natuurbegraafplaats.

• Bij werkzaamheden wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van bestaande paden. • Bij groeiplaatsen, vaste nestplaatsen1 of andere vaste verblijfplaatsen van beschermde soorten in de nabijheid van de werkzaamheden, wordt een beschermingszone in acht genomen, zoals beschreven in paragraaf 2.1.2, tenzij de uit te voeren werkzaamheden bedoeld zijn voor het duurzaam kunnen voortbestaan van de betreffende groeiplaats of soort op de natuurbegraafplaats. • Werkzaamheden worden zoveel mogelijk in een aaneengesloten periode uitgevoerd, zodat de doorlooptijd zo kort mogelijk is. Het uitslepen (indien noodzakelijk) van gevelde (delen van) bomen vindt aansluitend plaats op de velling. • Werkzaamheden worden gefaseerd uitgevoerd wanneer dit vanwege het voortbestaan of minimaliseren van (indirecte) negatieve effecten op een beschermde of bedreigde soort nodig is.

1

De provincie Groningen hanteert het beleid dat essentiële nesten functioneel niet weggenomen mogen worden. Als een vogel jaarlijks terugkeert naar hetzelfde nest, moet deze in staat blijven om zijn eerder verlaten nest weer te kunnen betrekken. Indien ecologisch wordt gemotiveerd dat een vogel in de directe omgeving geen andere nestgelegenheden heeft, wordt het nest beschouwd als essentieel en daarmee jaarrond beschermd. De provincie Groningen hanteert geen lijst van vogels met een jaarrond beschermd nest, maar erkent de lijsten van andere bevoegde gezagen als hulpmiddel om de essentie van een nest aan te kunnen tonen.

19

NATUURBEGRAVEN EN NATUUBEHEER OP NATUURBEGRAAFPLAATS KARDINGE WERKPROTOCOL BEHEER EN GEBRUIK CONFORM DE WET NATUURBESCHERMING

3.2

Beheer van houtige gewassen Het uitvoeren van beheer betreft het verwijderen van bomen en struiken en het (periodiek) afzetten van houtige beplantingen. Binnen het gebied is niet sprake van een bosgebied, wel zijn bomen en struiken aanwezig. Naarmate de bomen in het gebied ouder worden zullen ze steeds meer een rol/functie vervullen voor vogels en mogelijk vleermuizen. Uitgangspunten en beperkingen - Elke dag wordt voorafgaand aan werkzaamheden waarbij gemotoriseerd materiaal wordt ingezet, door de beheerder of hoofduitvoerder afgestemd of een teraardebestelling is voorzien op de natuurbegraafplaats. Gedurende de teraardebestelling wordt bij beheermaatregelen geen luidruchtig materieel gebruikt. - (Dode) bomen met holten, spleten en loshangende bast worden ontzien van kap, vanwege de (potentiële) functie voor broedvogels en vleermuizen. Ook bomen met (potentiële) nesten van vogels met een jaarrond beschermd nest worden ontzien. - Dergelijke bomen worden alleen gekapt indien dit voor de veiligheid van de bezoekers van de natuurbegraafplaats nodig is. - Indien bomen met holten, spleten en loshangende bast of met (potentiële) nesten van vogels met jaarrond beschermde nesten worden gekapt, wordt voorafgaand gecontroleerd door een ter zake kundig persoon of er beschermde soorten gebruik maken van de betreffende boom of bomen. Zo ja, dan wordt kap tijdelijk uitgesteld.

Een ter zake kundig ecoloog zal bepalen wanneer kap wel doorgang kan vinden of dat een ontheffing Wnb nodig is. - Indien bomen met holten, spleten en loshangende bast worden gekapt, wordt bepaald of er aanvullend (tijdelijke) kunstmatige vervanging van boomholten voor vleermuizen nodig is. - De valrichting van te kappen bomen is altijd van groei- en (vaste) nest- en rustplaatsen afgekeerd. - Te kappen bomen blijven (zo veel mogelijk) liggen ter bevordering van de biodiversiteit. Dood hout is voor veel planten en dieren aantrekkelijk. Kalender Voor de bovenstaande werkzaamheden in het kader van het kleinschalig beheer van houtige gewassen geldt de onderstaande indicatieve perioden waarbinnen het werk kan worden uitgevoerd. Weersomstandigheden kunnen variëren en daarmee de actieve of inactieve perioden van beschermde soorten beïnvloeden. Bij twijfel wordt een ter zake kundig ecoloog ingeschakeld.

20

NATUURBEGRAVEN EN NATUUBEHEER OP NATUURBEGRAAFPLAATS KARDINGE WERKPROTOCOL BEHEER EN GEBRUIK CONFORM DE WET NATUURBESCHERMING

dec

nov

okt

sept

aug

juli

juni

mei

apr

mrt

feb

jan

Kap van bomen, afzetten en verwijderen houtige beplantingen

planten vleermuizen bomen met eekhoornnesten overige soorten zoogdieren amfibieën (bij verstoren grond) broedvogels, geen jaarrond beschermde nesten broedvogels, jaarrond beschermde nesten

werkzaamheden toegestaan, algemene voorzorgsmaatregelen in acht nemen werkzaamheden toegestaan onder voorwaarden werkzaamheden niet toegestaan of alleen onder strenge voorwaarden met ontheffing Wnb of bij calamiteit

3.3

Beheer van Kruidenrijk en Faunarijk grasland (N12.02) Het uitvoeren van het beheer van gras- en kruidvegetaties op de natuurbegraafplaats betreft het periodiek maaien en afvoeren van het maaisel. Uitgangspunten en beperkingen - Elke dag wordt voorafgaand aan werkzaamheden waarbij gemotoriseerd materiaal wordt ingezet, door de beheerder of hoofduitvoerder afgestemd of een teraardebestelling is voorzien op de natuurbegraafplaats. Gedurende de teraardebestelling wordt bij beheermaatregelen geen luidruchtig materieel gebruikt. - Het maaibeheer zal gefaseerd worden uitgevoerd. Uitgangspunt is de methode ‘ontwikkeling botanisch waardevolle graslanden’ (Schippers et al. 2012, Arcadis 2022). Deze methode geeft goed aan, afhankelijk van bodem, productie en fase waarin het grasland zich bevindt hoe vaak en wanneer gemaaid moet worden. Doel is dat voor kleine zoogdieren en amfibieën altijd voldoende dekking aanwezig is, voor insecten altijd bloeiende planten beschikbaar zijn en plantensoorten zoveel mogelijk tot zaadzetting kunnen komen. - Voorafgaand aan een maaiactiviteit, binnen het broedseizoen, wordt gecontroleerd op aanwezige nesten (bodembroeders). Ook wordt gecontroleerd op aanwezigheid van beschermde plantensoorten. Randen langs struwelen worden gecontroleerd op aanwezige (zonnende) amfibieën.

Bij aantreffen van beschermde diersoorten of broedende vogels in de te maaien vegetatie wordt bepaald of er gemaaid wordt, waar gemaaid wordt (beschermingszones nodig) of dat het werk tijdelijk wordt uitgesteld. Bij twijfel wordt een ter zake kundig ecoloog geraadpleegd. - Het maaien van vegetaties met beschermde of bedreigde plantensoorten vindt plaats na de zaadzetting en rijping van de zaden. Het moment dat gemaaid kan worden is afhankelijk van de betreffende plantensoort.

21

NATUURBEGRAVEN EN NATUUBEHEER OP NATUURBEGRAAFPLAATS KARDINGE WERKPROTOCOL BEHEER EN GEBRUIK CONFORM DE WET NATUURBESCHERMING

Kalender Voor de bovenstaande werkzaamheden in het kader van maaiwerkzaamheden geldt de onderstaande indicatieve perioden waarbinnen het werk kan worden uitgevoerd. Weersomstandigheden kunnen variëren en daarmee de activiteit van beschermde diersoorten en het groeiseizoen van planten beïnvloeden. Bij twijfel wordt een ter zake kundig ecoloog ingeschakeld.

dec

nov

okt

sep t

aug

juli

juni

mei

apr

mrt

feb

jan

Maaien van gras- en kruidvegetaties

planten overige soorten zoogdieren amfibieën insecten broedvogels

werkzaamheden toegestaan, algemene voorzorgsmaatregelen in acht nemen werkzaamheden toegestaan onder voorwaarden werkzaamheden niet toegestaan of alleen onder strenge voorwaarden met ontheffing Wnb of bij calamiteit

3.4

Beheer van Dynamisch Moeras (N05.04) / Veenmoeras (N05.03) Het uitvoeren van het beheer van de watergangen betreft het periodiek schonen van het water, het maaien de oevers en het afzetten van houtige opslag. Uitgangspunten en beperkingen - Het streefdoel is een variatie aan vegetatie en structuur; open water, begroeiingen van riet, lisdodde en biezen in water; rietlanden en rietruigten. Hierin weerspiegelt zich de overgang van water naar land. Het rietland kan vrij open zijn met poeltjes waarin waterplanten groeien of al ouder met hoog opgaand riet die geleidelijk overgaan in ruigten met moerasspirea of poelruit. Een deel van de rietlanden wordt gemaaid, maar niet jaarlijks (overjarig riet) om een goed leefgebied te creëren voor vogels en enkele zoogdieren, met daarnaast ook open plekken voor libellen, vlinders en amfibieën. - De watergangen worden periodiek geschoond door jaarlijks een deel van de watervegetatie te verwijderen, de oevervegetatie te maaien en houtige beplanting te verwijderen. Bij voorkeur 25 tot 50% laten overstaan. - Opslag op de oever verwijderen wanneer er een te grote schaduwwerking op het water ontstaat, of er veel bladinval is. - Opslag verwijderen in het winterhalfjaar, voor het broedseizoen. Nooit al het struweel verwijderen.

De aanwezigheid van enkele struiken is gunstig, omdat zij rust- en uitkijkplaatsen voor vogels en insecten bieden en schuilplaatsen voor tal van dieren. - De periode van schonen ligt bij voorkeur tussen begin september en half oktober (na de voortplantingsperiode en voor de winterrust van amfibieën).

22

NATUURBEGRAVEN EN NATUUBEHEER OP NATUURBEGRAAFPLAATS KARDINGE WERKPROTOCOL BEHEER EN GEBRUIK CONFORM DE WET NATUURBESCHERMING

Kalender Voor de bovenstaande werkzaamheden in het kader van onderhoud aan watergangen en natte laagtes gelden de onderstaande indicatieve perioden waarbinnen het werk kan worden uitgevoerd. Weersomstandigheden kunnen variëren en daarmee de activiteit van beschermde diersoorten en het groeiseizoen van planten beïnvloeden. Bij twijfel wordt een ter zake kundig ecoloog ingeschakeld.

dec

nov

okt

sept

aug

juli

juni

mei

apr

mrt

feb

jan

Beheer van poelen / vennen

planten amfibieën (en insecten/libellenlarven) broedvogels

werkzaamheden toegestaan, algemene voorzorgsmaatregelen in acht nemen werkzaamheden toegestaan onder voorwaarden werkzaamheden niet toegestaan of alleen onder strenge voorwaarden met ontheffing Wnb of bij calamiteit

3.5

Beheer gebouw(en) Het uitvoeren van het beheer van gebouwen op de natuurbegraafplaats betreft het regulier onderhoud van het ontvangst- en beheergebouw en de werkruimten, zoals schilderwerk, dakgoten reinigen en schoonmaken. Uitgangspunten en beperkingen - Voorafgaand aan regulier onderhoud wordt gecontroleerd op aanwezigheid van broedvogels. Indien in gebruik zijnde nesten aanwezig zijn, worden verstorende werkzaamheden uitgesteld. Kalender Voor de bovenstaande werkzaamheden in het kader van onderhoud van gebouwen gelden de onderstaande indicatieve perioden waarbinnen het werk kan worden uitgevoerd. Uitgangspunten hierbij is controle op aanwezigheid van beschermde soorten en uitvoering van verstorende werkzaamheden bij afwezigheid van beschermde soorten. Weersomstandigheden kunnen variëren en daarmee de activiteit van beschermde diersoorten beïnvloeden. Bij twijfel wordt een ter zake kundig ecoloog ingeschakeld.

dec

nov

okt

sep t

aug

juli

juni

mei

apr

mrt

feb

jan

Beheer van gebouwen

Broedvogels, geen jaarrond beschermde nesten vleermuizen

werkzaamheden toegestaan, algemene voorzorgsmaatregelen in acht nemen werkzaamheden toegestaan onder voorwaarden werkzaamheden niet toegestaan of alleen onder strenge voorwaarden met ontheffing Wnb of bij calamiteit

23

NATUURBEGRAVEN EN NATUUBEHEER OP NATUURBEGRAAFPLAATS KARDINGE WERKPROTOCOL BEHEER EN GEBRUIK CONFORM DE WET NATUURBESCHERMING

3.6

Wegen en paden Onder het beheer van wegen en paden valt ook het beheer van de aanliggende bermstrook. Verhardingen en halfverhardingen zijn normaal gesproken geen leefgebied van soorten en geen standplaats voor planten. Op weinig betrede onverharde paden kunnen wel soorten voorkomen. Voor de halfverharding zal ‘padvast’ worden gebruikt. De richtlijnen hebben daarom betrekking op bermen en onverharde en halfverharde paden. Het beheer van wegen en paden is er op gericht deze in goede staat te houden; het gaat daarbij met name om herstel van dwarsonvlakheid (bijvoorbeeld spoorvorming), voorkomen van het overgroeien van paden en het opruimen van zwerfafval. Ook draagt het beheer bij aan het voorkomen van oplopen van letsel indien gebruik gemaakt wordt van de wegen en paden. - Voor beheer boomopstanden langs wegen en paden zie regels genoemd in § 3.2. - Voorafgaand aan uitvoering van beheermaatregelen in bermen en op onverharde paden wordt door de beheerder eerst gecontroleerd op het voorkomen flora en fauna. - Aanwezige amfibieën worden daarbij verplaatst naar een plek buiten de invloed van de beheermaatregel. - Verblijfplaatsen van zoogdieren en nesten van vogels worden gemarkeerd en bij uitvoering van beheermaatregel ontzien. - Bijzondere flora die niet aangepast is aan de uit te voeren beheermaatregel wordt verplaatst naar een andere geschikte groeiplaats binnen het terrein.

- Bij sneeuwval worden wegen en paden waar mogelijk begaanbaar gehouden, zonder gebruik van strooizout. Kalender Voor de bovenstaande werkzaamheden in het kader van onderhoud van wegen en paden gelden de onderstaande indicatieve perioden waarbinnen het werk kan worden uitgevoerd. Uitgangspunten hierbij is controle op aanwezigheid van beschermde soorten en uitvoering van verstorende werkzaamheden bij afwezigheid van beschermde soorten.

dec

nov

okt

sept

aug

juli

juni

mei

apr

mrt

feb

jan

Beheer wegen en paden incl. bermen

planten zoogdieren amfibieën broedvogels, geen jaarrond beschermde nesten

werkzaamheden toegestaan, algemene voorzorgsmaatregelen in acht nemen werkzaamheden toegestaan onder voorwaarden werkzaamheden niet toegestaan of alleen onder strenge voorwaarden met ontheffing Wnb of bij calamiteit

24

NATUURBEGRAVEN EN NATUUBEHEER OP NATUURBEGRAAFPLAATS KARDINGE WERKPROTOCOL BEHEER EN GEBRUIK CONFORM DE WET NATUURBESCHERMING

3.7

Calamiteiten, overig Calamiteiten Ondanks toepassing van het werkprotocol op Natuurbegraafplaats Kardinge is het mogelijk dat een verbodsbepaling wordt overtreden / de zorgplicht niet wordt nagekomen. Ook is het mogelijk dat stormschade plaatsvindt, waardoor bomen of zware takken de veiligheid van personen op de natuurbegraafplaats in het geding dreigen te brengen. Een calamiteit in het kader van het overtreden van de zorgplicht en/of overtreden van verbodsbepalingen van de Wnb en het in gevaar brengen van de leefomgeving van soorten die beschermd zijn conform de paragrafen 3.1, 3.2 en 3.3 Wnb is een ongewenste gebeurtenis die leidt of had kunnen leiden tot ongewenste schade aan beschermde planten en dieren. Dit kan ook gelden voor bedreigde plantensoorten die een Rode lijststatus ‘bedreigd’ of ‘ernstig bedreigd’ hebben. Ondanks voorzorgsmaatregelen is het optreden van calamiteiten niet geheel uit te sluiten. Als gevolg van bijvoorbeeld stormschade kunnen bomen dusdanig scheef komen te staan dat daadwerkelijk omvallen slechts een kwestie van tijd is. Ook kunnen grote zware takken (half) zijn afgebroken of los in de boomkroon hangen. Bij dergelijk dreigend gevaar voor de bezoekers van de natuurbegraafplaats worden de bomen of takken verwijderd die het directe gevaar opleveren.

Voorafgaand aan het verwijderen wordt de boom in kwestie zo goed als mogelijk geïnspecteerd op eventueel aanwezige beschermde diersoorten, zoals vleermuizen. Het is verplicht calamiteiten te melden bij de beheerder zodat ze geanalyseerd en geëvalueerd kunnen worden. Dit om de juiste maatregelen te nemen om soortgelijke gebeurtenissen in de toekomst te voorkomen. Het formulier opgenomen in Bijlage III wordt ingevuld als onderdeel van de procedure. Overige zaken Indien een exemplaar van groot wild (zoals ree) dood wordt aangetroffen op de natuurbegraafplaats, wordt een geschikte plek aangewezen waar het dier naar verplaatst wordt. Dit zal buiten de begrenzing van de natuurbegraafplaats zijn.

25

NATUURBEGRAVEN EN NATUUBEHEER OP NATUURBEGRAAFPLAATS KARDINGE WERKPROTOCOL BEHEER EN GEBRUIK CONFORM DE WET NATUURBESCHERMING

4 Literatuur Arcadis 2022. Ecologisch werkprotocol Groningen en Noord-Drenthe, Randvoorwaarden en eisen posten inschrijfstaat Natuurmonumenten. Arcadis Nederland B.V., Assen. Bruin, J. de. 2021. Kardinge Geeft! Gebiedsvisie Kardinge 2020-2038. Rapport Natuurmonumenten, Paterswolde. Schepp, K.L. & J.P. Doef 2024. Natuurtoets Kardinge Groeit, gemeente het Hogeland. Toetsing in het kader van de Omgevingswet. Schippers, W., I. Bax & M. Gardenier, 2012. Ontwikkelen van kruidenrijk grasland; veldgids, Aardewerk advies & Bureau Groenschrift. Tonckens, H. 2024. Natuurbegraafplaats Kardinge. Inrichtings- en beheerplan. Heilien Tonckens Groenadvies, Appelscha. VBNE 2024 (i). Gedragscode soortenbescherming natuurbeheer. https://www.vbne.nl/productdetails/gedragscode-natuurbeheer Wettenbank Overheid. 20223(i). Wet op de lijkbezorging https://wetten.overheid.nl/BWBR0005009/2022-01-01#HoofdstukII_Paragraaf1_Artikel6 Wettenbank Overheid. 2023b(i). Besluit op de lijkbezorging https://wetten.overheid.nl/BWBR0009080/2020-01-01

26

NATUURBEGRAVEN EN NATUUBEHEER OP NATUURBEGRAAFPLAATS KARDINGE WERKPROTOCOL BEHEER EN GEBRUIK CONFORM DE WET NATUURBESCHERMING

Bijlage I

Toetsingskader Wet natuurbescherming

Inleiding Vanaf 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (kortweg: Wnb) in werking. Deze wet vervangt de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet. Met de inwerkingtreding van de Wnb zijn de provincies het bevoegde gezag voor de ontheffingen vergunningverlening voor plannen en projecten en voor het vaststellen van vrijstellingsregelingen. Bij provincie overschrijdende projecten is dit de minister van EZ. Deze bijlage vat het wettelijk kader samen voor toetsing van ruimtelijke ingrepen en andere handelingen. In paragraaf 1.2 komen algemene bepalingen van de wet aan de orde. Gebiedsbescherming is in de wet beschreven in ‘Hoofdstuk 2 Natura 2000-gebieden’ en is hier samengevat in paragraaf 1.3. De bescherming van soorten is in de wet beschreven in ‘Hoofdstuk 3 Soorten’ en in deze bijlage samengevat in paragraaf 1.4. De bescherming van bomen en bos is in de wet beschreven in ‘Hoofdstuk 4 Houtopstanden, hout en houtproducten’ en is hier samengevat in paragraaf 1.5. Andere onderdelen van de Wnb zoals jacht, schadebestrijding, overlastbestrijding, faunabeheer en omgang met exoten maken geen deel uit van deze bijlage.

Algemene bepalingen Art 1.10 De Wet natuurbescherming is gericht op:

• • •

het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde, en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit; het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur ter vervulling van maatschappelijke functies, en het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen, vanwege hun bijdrage aan de biologische diversiteit en hun cultuurhistorische betekenis, mede ter vervulling van maatschappelijke functies.

Art 1.11 Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere

nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Deze zorgplicht houdt in elk geval in dat handelingen waarvan redelijkerwijs verwacht mag worden dat ze nadelige gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten achterwege blijven, dan wel dat noodzakelijke maatregelen worden getroffen om negatieve gevolgen te voorkomen, of voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen ze beperkt of ongedaan worden gemaakt. Art 1.12 Gedeputeerde staten van de provincies dragen zorg voor:

27

NATUURBEGRAVEN EN NATUUBEHEER OP NATUURBEGRAAFPLAATS KARDINGE WERKPROTOCOL BEHEER EN GEBRUIK CONFORM DE WET NATUURBESCHERMING

•

•

•

het nemen van de nodige maatregelen voor de bescherming, de instandhouding of het herstel van biotopen en leefgebieden in voldoende gevarieerdheid voor alle van nature in het wild levende vogelsoorten en planten en dieren en hun habitats van bijlagen II, IV en V bij de Habitatrichtlijn en habitattypen van bijlage I van de Habitatrichtlijn; het behoud of het herstel van een gunstige staat van instandhouding van de met uitroeiing bedreigde of speciaal gevaar lopende van nature in het wild voorkomende dier- en plantensoorten; de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd Natuurnetwerk Nederland.

Gedeputeerde staten kunnen gebieden buiten het Natuurnetwerk Nederland aanwijzen die van provinciaal belang zijn vanwege hun natuurwaarden of landschappelijke waarden, met inachtneming van hun cultuurhistorische kenmerken. Deze gebieden worden aangeduid als ‘bijzondere provinciale natuurgebieden’ en ‘bijzondere provinciale landschappen’.

Natura 2000-gebieden De Wnb heeft tot doel het beschermen en in stand houden van Natura 2000-gebieden. Relevante wettelijke bepalingen De beoordeling van projecten en andere handelingen wordt geregeld in artikel 2.7 tot en met artikel 2.9. Aanwijzingsbesluiten geven de instandhoudingsdoelstellingen ten aanzien van de leefgebieden voor vogels van de Vogelrichtlijn, de natuurlijke habitats en de habitats van soorten van de Habitatrichtlijn. De instandhoudingsmaatregelen zijn voor elk gebied beschreven in het beheerplan. Tevens beschrijft het beheerplan welke handelingen en ontwikkelingen in het gebied en daarbuiten het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen niet in gevaar brengen. Voor het uitvoeren van plannen of projecten kan GS de verplichting opleggen tot preventieve of herstelmaatregelen. Dit is niet van toepassing indien voor het plan of project een (omgevings)vergunning is verleend. Beoordeling van plannen en projecten Art. 2.7 Voor een plan dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, en dat afzonderlijk of in combinatie (in cumulatie) met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, is een passende beoordeling noodzakelijk.

Er is een vergunning nodig van GS voor projecten of andere handelingen die de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen. De bevoegdheid ten aanzien van de vergunningverlening ligt bij GS van de provincie waarin het project wordt uitgevoerd. Er geldt een uitzondering op de vergunningprocedure op grond van de Wet natuurbescherming: als via een andere wettelijke bepaling een passende beoordeling verplicht is (bijvoorbeeld op grond van de Tracéwet of de Spoedwet wegverbreding) voor de besluitvorming.

28

NATUURBEGRAVEN EN NATUUBEHEER OP NATUURBEGRAAFPLAATS KARDINGE WERKPROTOCOL BEHEER EN GEBRUIK CONFORM DE WET NATUURBESCHERMING

Art. 2.9 Géén vergunning is nodig:

•

•

•

Als het project of de handeling is opgenomen in een Natura 2000-beheerplan of in een vastgesteld programma voor Natura 2000-gebieden. Voorwaarde is dat 1) ten aanzien van het plan of het programma een passende beoordeling van projecten is uitgevoerd waaruit de zekerheid is verkregen dat het project de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zal aantasten, en 2) dat het bestuursorgaan dat het plan of programma heeft vastgesteld, tevens bevoegd gezag is voor vergunning¬verlening of dat dit bestuursorgaan heeft ingestemd heeft met het plan of programma. Als het project of de handeling al bestond of bekend was op de referentiedatum 31 maart 2010 of later als het gebied later is aangewezen (ook wel bekend als bestaand gebruik). Als het project of de handeling behoort tot door PS bij verordening aangewezen categorieën van gevallen.

Toelichting op begrippen Habitattoets De habitattoets is de verzamelnaam van toetsingen van effecten van plannen en projecten op de realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied. In beginsel worden de effecten van plannen en projecten op Natura 2000-gebieden ‘passend beoordeeld’. Als er kans is op significant negatieve effecten en mitigerende maatregelen bij de beoordeling zijn betrokken wordt gesproken over een ‘passende beoordeling’. Om procedurele redenen kan er voor worden gekozen om een oriëntatiefase –ook wel ‘voortoets’ genoemd – te doorlopen. De inhoudelijke studie is in de oriëntatiefase in grote lijnen identiek aan een passende beoordeling, echter mitigerende maatregelen zijn bij de oriëntatiefase niet bij de beoordeling betrokken. Als de conclusie is dat significante negatieve effecten niet op voorhand kunnen worden uitgesloten en maatregelen nodig zijn om significant negatieve effecten met zekerheid te voorkomen, zal alsnog een passende beoordeling nodig zijn.

Mitigerende maatregelen Mitigerende maatregelen zijn maatregelen ter voorkoming of beperking van het (mogelijke) effect van het project of andere handeling en deze maatregelen zijn onlosmakelijk verbonden zijn met een project / andere handelingen Cumulatieve effecten Voor de habitattoets geldt uitdrukkelijk dat voor elke activiteit onderzocht moet worden of er mogelijke significante effecten zijn als gevolg van de activiteit afzonderlijk en in combinatie met andere plannen en projecten. In het laatste geval moeten de gezamenlijke ofwel cumulatieve effecten beoordeeld worden in het licht van de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied. Het gaat daarbij om alle plannen en projecten die op bestuurlijk niveau zijn goedgekeurd en die nog niet (volledig) zijn gerealiseerd.

29

NATUURBEGRAVEN EN NATUUBEHEER OP NATUURBEGRAAFPLAATS KARDINGE WERKPROTOCOL BEHEER EN GEBRUIK CONFORM DE WET NATUURBESCHERMING

Significantie Van significante effecten kan sprake zijn als ten gevolge van het plan of project realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen wordt bemoeilijkt of onmogelijk wordt gemaakt. In de Leidraad bepaling Significantie is het begrip ‘significante gevolgen’ toegelicht.1 Externe werking Ook activiteiten buiten het Natura 2000-gebied kunnen vergunningplichtig zijn als die activiteiten negatieve effecten op het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen voor het gebied (kunnen) veroorzaken. Dit wordt de ‘externe werking’ van de bescherming genoemd. Voormalig Programma Aanpak Stikstof Op 1 juli 2015 is de Programma Aanpak Stikstof (PAS) in werking getreden. Het PAS is opgenomen in de Wet natuurbescherming. Op 29 mei 2019 heeft de Raad van State geoordeeld dat het PAS niet voldoet aan de Habitatrichtlijn. Dit betekent o.a. dat de in de PAS gehanteerde grenswaarden vervallen en voor elke bijdrage aan de depositie ‘hoe klein ook’ ecologische gronden moet worden onderbouwd wat de effecten zijn of dat deze verwaarloosbaar zijn of kunnen worden uitgesloten Het voormalige PAS programma beoogde met een gericht pakket van herstelmaatregelen enerzijds waarborgen te geven voor behoud en herstel van stikstofgevoelige habitats en leefgebieden van soorten en anderzijds ruimte te bieden voor nieuwe economische activiteiten.

Voor projecten die vermeld zijn op een lijst met prioritaire projecten was op voorhand ruimte gereserveerd. Voor nieuwe projecten (niet-prioritair) gold bij een toename van stikstofdepositie op een stikstof gevoelig habitat met thans al een overschrijding het volgende: • Activiteiten met een stikstofdepositie vanaf 1 mol/ha/jaar zijn vergunningplichtig. • Activiteiten met een stikstofdepositie onder 0,05 mol/ha/jaar zijn niet vergunningplichtig. • Voor activiteiten met een stikstofdepositie tussen 0,05 mol/ha/jaar – 1 mol/ha/jaar moet voor het Natura 2000-gebied worden nagegaan wat de actuele geldende grenswaarde is. Bij 95% uitgegeven depositieruimte wordt de grenswaarde verlaagd naar 0,05 mol/ha/jaar; dan is dus een vergunning nodig bij een stikstofdepositie hoger dan 0,05 mol/ha/jaar (anders bij 1 mol/ha/jaar) De omvang van de stikstofdepositie als gevolg van een project moet worden vastgesteld aan de hand van het rekenmodel AERIUS Calculator.

1

Leidraad bepaling significantie. Nadere uitleg van het begrip ‘significante Natuurbeschermingswet. Publicatie Steunpunt Natura 2000, versie 27 mei 2010.

gevolgen’

uit

de

30

NATUURBEGRAVEN EN NATUUBEHEER OP NATUURBEGRAAFPLAATS KARDINGE WERKPROTOCOL BEHEER EN GEBRUIK CONFORM DE WET NATUURBESCHERMING

Soorten Verbodsbepalingen De Wnb onderscheid bij de bescherming van soorten drie beschermingsregimes: Art. 3.1 Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn 1

Het is verboden opzettelijk in het wild levende vogels (VR artikel 1) te doden of te vangen.

2

Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld onder 1 te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen.

3

Het is verboden eieren van vogels als bedoeld onder 1 te rapen en deze onder zich te hebben.

4

Het is verboden vogels als bedoeld onder 1 opzettelijk te storen.

5

Het verbod, opzettelijk storen, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.

Het ministerie heeft een lijst gemaakt van soorten vogels die hun nest doorgaans het hele jaar door of telkens opnieuw gebruiken. Deze nesten zijn jaarrond beschermd 1 . Voor andere soorten geldt dat de nesten alleen beschermd zijn wanneer zij (in het broedseizoen) in gebruik zijn. Art. 3.5 Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn 1

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14680472/1