08 13 231024 11
Tekst van het document
Impressie van Kardinge Groeit (vanaf het Spakenpad), Ulco Glimmerveen, 2023
Inrichtings- en beheerplan
Kardinge Groeit
Definitief Mei 2024
1
Inrichtings- en beheerplan Mei 2024 Project Status Onderwerp Opdrachtgevers
Datum Samengesteld door Contactgegevens
Kardinge Groeit Definitief Inrichtings- en beheerplan Natuurbegraven Nederland Pettelaarpark 106 5216 PR ’s Hertogenbosch Postbus 797 5201 AT ’s Hertogenbosch Natuurmonumenten Stationsplein 1 3828 LE Amersfoort 31 mei 2024 Heilien Tonckens Groenadvies Oude Willem 2, 8426 SM Appelscha mail@heilien.nl
2
Inhoud 1.
Inleiding .................................................................................................................. 4
2.
Bestaande situatie ................................................................................................. 6 2.1.
Landschapsecologische systeemanalyse................................................................ 6
2.1.1. Geologie en bodem ................................................................................................... 6 2.1.2. Hydrologie.................................................................................................................. 7 2.1.3. Gebruik van de grond ............................................................................................... 9 2.1.4. Ecologie .................................................................................................................... 11 2.1.5. Kwaliteiten, kansen en aandachtspunten ............................................................. 12 2.2.
Relevante overheidskaders .................................................................................... 15
2.2.1. Natuurnetwerk Nederland en provinciale Natuurbeheerplannen .................... 15 2.2.2. Omgevingsvisie gemeente het Hogeland ............................................................ 16 2.2.3. Groenplan Vitamine G gemeente Groningen ...................................................... 16 3.
Ambities en doelstellingen ................................................................................. 17 3.1.
Natuurmonumenten ............................................................................................... 17
3.1.1. Visie op beheer plangebied ................................................................................... 18 3.1.2. Ambities voor het nieuwe gebied Kardinge Groeit............................................. 18 3.2.
Samenwerking Natuurmonumenten en Natuurbegraven Nederland ............. 19
3.3.
Natuurbegraven Nederland ................................................................................... 20
3.3.1. Verbetering natuurkwaliteit .................................................................................... 20 3.3.2. Tijdelijke functie, eeuwige rust ............................................................................... 21 3.3.3. Aanpak locatieontwikkeling ................................................................................... 21 4.
Inrichting .............................................................................................................. 22 4.1.
Het toekomstbeeld ................................................................................................. 22
4.2.
Inrichtingsmaatregelen ........................................................................................... 24
4.2.1. Natuurontwikkelingsmaatregelen ......................................................................... 24 4.2.2. Inrichtingsmaatregelen ten behoeve van de natuurbegraafplaats ................... 31 5.
6.
Beheer ................................................................................................................... 37 5.1.
Natuurbeheer ........................................................................................................... 37
5.2.
Natuurbegraven ....................................................................................................... 38
5.3.
Overig beheer .......................................................................................................... 39
Samenvatting ....................................................................................................... 40
Bijlagen .......................................................................................................................... 43 3
1. Inleiding Natuurmonumenten en Natuurbegraven Nederland hebben het plan om een recent aangekocht gebied van circa 38 hectare groot, ten noorden van de stad Groningen, in te richten als nieuwe natuur, met een tijdelijke functie voor natuurbegraven. Het terrein ligt in het open agrarische landschap en grenst in het noordwesten aan het dorp Zuidwolde en in het zuiden aan de stad Groningen, de wijk Beijum. Aan de westkant loopt de Beijumerweg, aan de oostkant de Oosterseweg en aan de noordkant de Windsloot. Het terrein is nu nog in gebruik als weiland. De weilanden liggen in een open en weids agrarisch landschap dat hoort bij de gemeente Het Hogeland (zie figuur 1). Aan de noordoostkant van de stad ligt het gebied Kardinge, hier beheert Natuurmonumenten (NM) voor de gemeente Groningen een gebied van circa 300 hectare groot. Met de ontwikkeling van Kardinge Groeit komt hier nog 38 hectare bij. De gebieden die binnen Kardinge in beheer zijn van Natuurmonumenten, hebben een open karakter; natte rietlanden met daartussen drogere terreinen met op bepaalde stukken extensieve begrazing met koeien. Het relatief jonge, nog geen 30 jaar oude Beijumerbos is een loofbos op klei, dat nu al een grote variatie aan soorten herbergt, waarbij een grote soortenrijkdom aan paddenstoelen in het oog springt.
Het is de wens van Natuurmonumenten om een verbinding tot stand te brengen vanuit het Zuidlaardermeer en de Hondsrug, stroomdal Hunze, via de natuurgebieden van Kardinge richting de Koningslaagte en het Reitdiepdal, richting het Lauwersmeergebied en de Waddenzee. De uitbreiding met de genoemde 38 hectare zorgt hierbij voor een volgende schakel richting de Koningslaagte en het Reitdiepdal. Hierbij is er speciale aandacht voor een natte verbinding voor onder andere de waterspitsmuis en de otter. Het voorliggende inrichtings- en beheerplan beschrijft de huidige situatie, de toekomstige inrichting en beheer van het gebied. Ook worden de relevante kaders voor de inrichting, het gebruik en beheer van het gebied vanuit de overheid en Natuurmonumenten beschreven. Het inrichtings- en beheerplan maakt deel uit van het bestemmingsplan ‘Kardinge Groeit’.
4
Figuur 1. Het plangebied voor Kardinge Groeit (Noordpeil, 2023)
5
2. Bestaande situatie 2.1.
Landschapsecologische systeemanalyse
De Landschapsecologische systeemanalyse (LESA) geeft aan welke landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische kwaliteiten dit gebied heeft en wat de kansen en aanknopingspunten zijn voor het gebied, welke als uitgangspunt en inspiratie dienen voor de toekomstige inrichting en het beheer van het natuurgebied. Zie voor een uitgebreide landschapsecologische systeemanalyse van het gebied de LESA (Bureau Waardenburg, 2024), welke is bijgevoegd als bijlage 3. 2.1.1. Geologie en bodem Miljoenen jaren geleden lag Kardinge op de zeebodem. Er zijn op 170 meter diepte afzettingen gevonden die verwijzen naar die periode. Zo’n 2,5 miljoen jaar geleden, in het Pleistoceen, kwam Kardinge boven de zeespiegel te liggen. Er heerste een klimaat met warme periodes, afgewisseld door koude periodes met ijstijden. Dit zorgde voor een afzetting van zand, grind en klei. De ondergrond vertelt het verhaal van het ontstaan, de ‘Formatie van Peeloo’, een afzetting uit het Elsterien 350.000 tot 300.000 jaar geleden met heel fijn zand. Deze is terug te vinden op 55 meter diepte in de ondergrond. Er zijn zandlagen terug te vinden en lagen die meer kleiig zijn. De kleisoort is hier potklei. Deze Eem Formatie, met een afzetting van zand en klei, ligt 15-30 meter onder het maaiveld.
Na de laatste ijstijd, het Weichselien, zo’n 115.000 tot 11.000 jaar geleden, zijn de dalen gevuld met stuivend zand, de zogenoemde dekzanden. Deze zijn terug te vinden op 5-15 meter onder het maaiveld. Na deze periode brak het Holoceen aan, en lag dit gebied aan de rand van een getijdengebied met stroomruggen en stroomgeulen. In het plangebied zijn de contouren van een geul, ofwel slenk, nog zichtbaar (zie de hoogtekaart in figuur 3). De oplopende temperatuur zorgde ervoor dat plantengroei mogelijk was en er ontstond hier en daar veenvorming op de ondoorlatende ondergrond. Ook werd hier en daar weer klei afgezet door de zee. Dit grillige patroon is terug te vinden in de bovenste 5 meter. Rond het jaar 1000 na Christus is men rond de stad Groningen begonnen met het ontginnen van de veengronden. Er werd gewoond op de hogere droge plekken, de oeverwallen, nu terug te vinden als oude stroomruggen. Het dorp Noorddijk aan de oostkant is gebouwd op een oude oeverwal. Later ging men wonen op de kunstmatig, opgehoogde wierden. Hier kon men zich bij hoogwater terugtrekken, en huis, vee en kerk stonden hoog en droog. Het gebied werd met talrijke sloten ontwaterd en verder geschikt gemaakt en ingericht voor de landbouw.
6
Bodemtype Op de bodemkaart (figuur 2) wordt de bodem in het plangebied aangeduid met kalkarme leek-/woudeerdgrond klei. Een eerdgrond met een donkere bovenlaag, die erop wijst dat in de bovenlaag veel organisch materiaal zit. De donkere bovenlaag kan ontstaan zijn door vertering van een veenlaag of door gebruik als landbouwgrond. Leek of woud zegt iets over de aanwezigheid van organisch materiaal in de bovenlaag. De ondergrond bestaat uit klei. In de grijze ondergrond kunnen nog roestvlekken voorkomen die erop wijzen dat er wisselingen zijn geweest in de grondwaterstand. Uit boringen die in het verleden zijn gedaan, blijkt dat er in de ondergrond op wisselende diepte zandlagen liggen.
Figuur 2. Bodemkaart plangebied uit het LESA-rapport (Bureau Waardenburg, 2024) 2.1.2. Hydrologie Het maaiveld in het plangebied ligt ongeveer tussen -0,5m NAP en -1,1m NAP. Ten noorden van het plangebied staat een peilbuis die een hoogste grondwaterstand aangeeft van -65 centimeter onder het maaiveld. Het gebied grenst aan 3 verschillende peilgebieden van het waterschap Noorderzijlvest. Het gebied valt onder peilgebied Waterhuizen, welke een zomerpeil heeft van -1.75 en een winterpeil van 1.95 NAP.
7
Het peilgebied in de Windsloot achter de boerderij aan de noordwestkant is -2.20 NAP. Het peil van de Ringsloot Beijum ligt op -2.00 NAP. De woonwijk heeft een peil van -1.80 NAP. Dit peil is in de zomer- en winterperioden gelijk. Op de hoogtekaart in figuur 3 is een slingerend oud slenkpatroon, ontstaan in de tijd dat het gebied onderdeel was van het getijdengebied, zichtbaar als laagte. Deze slenk speelt in de huidige waterhuishouding geen rol. Kenmerkend aan de ontstaansgeschiedenis van dit landschap als een aangroeiend landschap aan de rand van het land dat regelmatig onder water stond, zijn onder andere de wierden en de stroomruggen. Hier kon men hoog en droog wonen en het vee in veiligheid brengen voor het oprukkende water. Oorspronkelijk is het landschap gevormd door het kronkelende water van het Reitdiepdal dat zijn weg zocht richting zee. Onder invloed van de mens is er hard gewerkt aan waterbeheersing. Alle structuren zijn recht getrokken, ontwaterd en verdedigd tegen wateroverlast. Voor de ontwatering ten behoeve van de landbouw zijn in het verleden tal van rechte sloten gegraven, die kenmerkend zijn voor het langdurige landbouwgebruik in het gebied. De verkavelingsstructuur in het weidse landschap vormen het historisch gegroeide cultuurlandschap dat vertelt over de ontginningsgeschiedenis van het gebied.
Het water moest voor de landbouw vlot en efficiënt afgevoerd worden. Door de tijd heen zijn sloten dichtgegooid en zijn percelen bewust vergroot, doordat drainage een rol ging spelen. Het functionele landschap is een samenspel van grondgebruik door de landbouw, grondsoort, waterhuishouding en waterbeheersing. De grotere afwateringssloten rondom het plangebied, de huidige waterschapsloten, zijn ongewijzigd gebleven: de Gaaikessloot in het zuiden, de Beijumer Maar in het westen, in het noorden de Molensloot, nu de Windsloot, en langs de Oosterseweg de bestaande sloot. Het Boterdiep aan de westkant is een hoofdwatergang.
8
Figuur 3. Hoogtekaart, waarop de oude slenk als laagte zichtbaar is (Noordpeil) 2.1.3. Gebruik van de grond De gronden binnen het plangebied zijn al honderden jaren lang in gebruik als landbouwgrond. Op drie van de vier hoeken van het gebied, staan boerderijen die rondom het perceel een sloot hebben lopen. De vierde hoek, zuidwest, ligt vlakbij het voormalige borgterrein van Sickinghe. Op de kaart uit 1880 (figuur 4), is al een functiegebruik als weiland te zien. De meeste gronden in de omgeving werden destijds gebruikt als weiland en een klein percentage voor de akkerbouw. De omgeving van het plangebied is daarentegen wel sterk veranderd. De kaarten in figuren 4, 5 en 6 laten de oprukkende stad Groningen zien. Onderstaande figuren laten het landgebruik van het gebied zien vanaf 1880 tot nu. Momenteel heeft het land uitsluitend een landbouwfunctie en er lopen geen paden door het gebied. De percelen worden door Natuurmonumenten binnen het plangebied momenteel als weiland verpacht aan boeren.
9
Kaart uit 1880
Figuur 4. De kaart uit 1880 laat in rood het gebied Kardinge Groeit zien onder Zuidwolde. De lichte percelen zijn de gronden die voor de akkerbouw werden gebruikt, de groene percelen zijn de weilanden (HISGIS)
Kaart uit 1977
Figuur 5. Kaart uit 1977 laat in het rood omlijnde plangebied de verdeling zien tussen akkerbouw en veeteelt (HISGIS)
10
Kaart uit 2021
Figuur 6. De kaart uit 2021 geeft bijna alleen maar akkerbouwgronden in het gebied aan. Percelen worden steeds groter; sloten verdwijnen (HISGIS) 2.1.4. Ecologie Landschappelijke samenhang Het plangebied is gelegen in een landschap met van oudsher kleine woonkernen op een wierde, of een wegdorp aan de bovenkant van de stad en aan de oostkant van het Boterdiep. Het is van oudsher een landschap dat voor 100% functioneel is ingericht voor de landbouw. Water speelde een belangrijke rol, het ontwateren gebeurde ten behoeve van de landbouw en de waterwegen zoals Boterdiep, Reitdiep, Damsterdiep werden gebruikt voor de aan- en afvoer van goederen. Er zijn geen houtsingels, bossen en bosjes, en geen woeste gronden aanwezig. De openheid van het landschap is een belangrijk kenmerk van grote delen van de provincie Groningen. De Hunze liep vroeger om de stad heen, nu door de stad. Het is een open en weids landschap, waarin het groen zich beperkt tot de woonplekken van de bewoners. De stad Groningen is sinds de Tweede Wereldoorlog in een hoog tempo naar alle kanten uitgebreid, maar zeker naar het noorden toe (zie figuren 5 en 6). Landschapstypering plangebied Het plangebied ligt in het wegdorpenlandschap op kleibodem. Het gebied is hoofdzakelijk in gebruik als weiland, soms afgewisseld met akkerbouw. Op oude kaarten is de verkaveling met sloten al goed te zien.
De perceelindeling wordt bepaald door de sloten in een verder boom- en struikloos landschap. In de tweede helft van de vorige eeuw is er een aantal sloten gedempt en een aantal percelen 11
vergroot (zie figuren 5 en 6). De boomloze monocultuur van veelal eiwitrijk gras heeft momenteel weinig aan bijzondere soorten te bieden. Binnen het gebied is al eeuwen geen sprake meer van natuurlijke landschapsvormende processen. Door het steeds intensiever worden van de landbouw is voor natuurlijke flora en fauna niet tot nauwelijks ruimte in het gebied. De bloeiende planten, interessant voor insecten en vogels, moeten het hebben van slootkanten en wegbermen. 2.1.5. Kwaliteiten, kansen en aandachtspunten Het is onmogelijk om het historische landschap volledig te herstellen. Doordat het gebied al eeuwen in agrarisch gebruik is, is de huidige natuurlijkheid van het gebied zeer beperkt. Wel kan het gebied door de juiste inrichting en beheer weer aantrekkelijk worden voor veel planten en dieren, zoals ook blijkt uit de soortenrijkdom van het Beijumerbos. Doordat het gebied onderdeel gaat uitmaken van een veel groter geheel, heeft het de potentie dat fauna zich vanuit de huidige natuurgebieden ook richting het nieuwe natuurgebied zal verplaatsen. Ook kan het gebied bijdragen aan de verbinding van Kardinge met het Reitdiepdal. De verbinding met het Reitdiepdal is wenselijk omdat dit een water- en oeververbinding vormt naar het Lauwersmeergebied.
De kwaliteiten liggen dan ook niet direct in het plangebied zelf, maar met name in de ligging tegen de natuurgebieden van Kardinge aan, beheerd door Natuurmonumenten, grenzend aan de gemeentelijke ecologische structuur van de stad Groningen (zie figuur 7). De kansen en aandachtspunten die uit de landschap ecologische systeemanalyse (LESA) naar voren komen, vormen belangrijke uitgangspunten voor de toekomstige inrichting en het gebruik van het gebied.
12
Figuur 7. Ligging van het plangebied ten opzichte van de gemeentelijke ecologische structuur van Groningen en NNN-gebieden in Drenthe en Groningen (Bureau Waardenburg, 2024) Kansen De kwaliteit van het plangebied zit in de gewaardeerde openheid, weidsheid en vergezichten van en in het landschap, dat hier voor de bewoners van Beijum aan de stadsrand begint. Er ligt nu een harde grens tussen de stad met haar gemeentelijke ecologische structuur en het pure, open landbouwgebied. De kwaliteit van het gebied zit in de mogelijkheid om een belangrijke verbindende rol te spelen en natuurgebieden rond de stad met elkaar te verbinden, om zo voor een uitwisseling tussen flora en fauna te kunnen zorgen. Het betekent samen optrekken met provincie, gemeente en waterschap, om barrières te slechten. Met de ontwikkeling van Kardinge Groeit wordt een belangrijke stap gezet in de realisatie van de verbinding, waardoor in de natuurgebieden een uitwisseling kan ontstaan tussen verschillende populaties planten en dieren. Het gaat om een schakel in de verbindingen die tot stand worden gebracht tussen het Zuidlaardermeer, het Hondsruggebied, ’t Roegwold en het Reitdiepgebied. De woonwijk Beijum, waar de gemeente actief is met het versterken van de gemeentelijke ecologische structuur, grenst aan de zuidzijde van het terrein en aan de oostkant ligt het Beijumerbos.
Door goede voorwaarden te scheppen, kan het
13
terrein een goede uitbreiding zijn voor alles wat daar leeft, rondvliegt, groeit en bloeit. Het is een kans om in een gebied waar de openheid en vergezichten worden gewaardeerd als belangrijke waarde van het landschap, natuurontwikkeling op gang te brengen, met open water, riet, moeraszones en droge, kruidenrijke begroeiing en wat struweel, met hier en daar een boom. Door de beplanting in het gebied te verspreiden, blijven de openheid en weidsheid van het landschap en de open zichtlijnen vanaf de woonkernen behouden. Daarmee wordt het accent gelegd op het behoud en versterking van de beleefbaarheid van het landschap. Binnen de 38 hectare wordt uitbreiding van de natuur mogelijk gemaakt en ontstaat ruimte voor recreëren in de natuur aan de stadsrand. Door het gebied open te stellen en toegankelijk te maken voor bezoekers en recreanten, wordt de beleefbaarheid van de natuurlijke- en landschappelijke waarde van het gebied vergroot. Het biedt de mogelijkheid een stukje van het landschap hier inzichtelijk te maken, mede door het oude slenkpatroon weer zichtbaar te maken en een rol te laten spelen in de natte verbindingszone. Met het herstel van de oude slenk is de keuze gemaakt het landschap terug te brengen naar de tijd voordat de mens het gebied naar zijn hand zette. Het oude verkavelingspatroon, terug te zien in de huidige sloten, zal hiermee verdwijnen.
Met de nieuwe inrichting van het gebied krijgt het huidige verkavelingspatroon met sloten een plek in het landschap doordat deze waar mogelijk als een rafelig patroon in het landschap wordt weergegeven. Daarmee is het uitgangspunt het verkavelingspatroon ook in het nieuwe landschap zichtbaar en beleefbaar te maken. Dit door middel van bijvoorbeeld een kleine verlaging in het maaiveld of door te spelen met verschillende grondsoorten in de toplaag. Het gebied biedt mogelijkheden om water een meer prominente en verbindende rol te geven. De mogelijkheid om met het water een verbinding te maken met andere natuurgebieden en de aanleg van natuurvriendelijke oevers, zorgen ervoor dat dieren als de otter en de waterspitsmuis hun leefgebied kunnen vergroten. Ook het areaal aan natuurvriendelijke oevers, riet, moeraslanden en het kruidenrijke faunarijk grasland met een struweelbegroeiing, worden vergroot met de inrichting van dit gebied. Dit heeft een positief effect op zowel de samenhang als de kwaliteit van de natuurlijke- en landschappelijke waarden in het gebied. Aandachtspunten Een belangrijk aandachtspunt bij de ontwikkeling van de nieuwe natuur met natte verbindingen, is de aanvoer van een goede kwaliteit water, liefst vanuit de natuurgebieden binnen Kardinge. Het meeste water rondom is voedselrijk water, dat afkomstig is uit de landbouwgebieden.
Voedselrijk water is bij hoge temperatuur gevoelig voor een rijke algengroei. Deze algengroei zorgt voor een verstoring en
14
voor het afsterven van het planten- en dierenleven in het water. Voor de functie natuurbegraven dient de grond op delen te worden opgehoogd. Daarbij is het streven voor de ophoging zo veel mogelijk grond uit het gebied te halen die vrijkomt met bijvoorbeeld de aanleg van de natte laagten. Voor de grond die wordt toegepast met name voor de toplaag, is het belangrijk dat deze in samenstelling en kwaliteit bijdraagt aan de ontwikkeling van kruiden- en faunarijk grasland. Voor zover grond dient te worden aangevoerd van buiten het plangebied, is het belangrijk dat deze grond van een goede kwaliteit is en dat het schone grond is, met gebiedseigen kenmerken, afkomstig uit de regio, en met goede waterdoorlatende eigenschappen. Lichte zavelgrond heeft de voorkeur. De ophoging mag niet over de hoofdwaterleiding lopen die aan de oostkant het terrein van boven naar onderen doorsnijdt. Hier wordt bij de ophoging rekening mee gehouden (zie ophoogkaart in Hoofdstuk 4, figuur 20). 2.2.
Relevante overheidskaders
Bij de inrichting van het gebied als natuurgebied met een mogelijkheid tot natuurbegraven, speelt de Wet op de lijkbezorging een belangrijke rol. Er mag begraven worden als er tussen de hoogste grondwaterstand en het maaiveld minimaal 1,45 meter zit. Dit is bepalend voor de terreininrichting. Het Natuurbeheerplan van de provincie Groningen, vastgesteld in 2023, is een beleidskader om het Europese, Rijks- en Provinciale natuur-en landschapsbeleid te realiseren. 2.2.1. Natuurnetwerk Nederland en provinciale Natuurbeheerplannen Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en provinciaal Natuurbeheerplan 2023 (www.Bij12.nl, voorheen ecologische hoofdstructuur) vormen gezamenlijk het netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Het plangebied is op de natuurambitiekaart/beheertypekaart van de provincie niet aangewezen met een natuurbeheertype. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het NNN of van ‘bos- en natuurgebied buiten het NNN’. Het Beijumerbos, dat aan de zuidoostzijde grenst van het gebied is aangewezen als ‘bos- en natuurgebied buiten het NNN’ (zie figuur 8). De provincie noemt in het uitvoeringsprogramma Bos en Hout 2021-2030 de ambitie om Kardinge via Meerstad te verbinden met ‘t Roegwold. De Wet natuurbescherming verplicht de provincie Groningen zorg te dragen voor alle wilde planten en dieren in de provincie.
Er is een soortenlijst opgesteld met extra aandacht voor het biotoop van dagvlinders, inheemse planten, vissen, vleermuizen, vogels en zoogdieren. Met de inrichting van dit terrein komt er meer ruimte vrij voor deze soorten. Het verspreidingsgebied wordt hiermee groter en ook de mogelijkheid verbinding te zoeken met aangrenzende gebieden. 15
Figuur 8. Natuurambitiekaart en beheertypekaart uit het Natuurbeheerplan 2023 van de provincie Groningen 2.2.2. Omgevingsvisie gemeente het Hogeland De gemeente het Hogeland noemt het gebied waarin het plangebied ligt, het Groene Hart bij de stad, een multifunctioneel landelijk gebied. Waarbij het de wens is, het groene karakter van het gebied te behouden. Er is ruimte voor groen ondernemen in combinatie met natuurontwikkeling en het versterken en verbinden van de groenstructuren en het recreatieve netwerk. Het verbinden en versterken en een uitbreiding van de netwerken draagt – naast de meerwaarde voor natuur en recreatie – bij aan een betere instandhouding. 2.2.3. Groenplan Vitamine G gemeente Groningen Het hele gebied dat tot Kardinge wordt gerekend, is onderdeel van de Gemeentelijke Ecologische Structuur (GES). De gemeente Groningen vindt het belangrijk om de groengebieden in de stad met elkaar te verbinden, maar ook met de gebieden buiten de stad. De gemeente Groningen heeft in haar Groenplan Vitamine G aangegeven het gebied Kardinge te willen verbinden met het Reitdiepdal. De donkergroene pijlen in figuur 9 geven de wens aan voor een robuuste verbinding tussen lokale en bovenregionale natuur.
Met de inrichting van Kardinge Groeit krijgt de donkergroene lijn D die het gebied Kardinge naar het westen toe richting Koningslaagte en het Reitdiepdal moet verbinden, een eerste vorm.
16
Figuur 9. Kansenkaart groene verbindingen (gemeente Groningen Groenplan vitamine G, 2020) 3. Ambities en doelstellingen 3.1.
Natuurmonumenten
Het gebied Kardinge ligt tegen de stad Groningen aan en is het uitloopgebied voor de stadjers. Samen met de gemeente Groningen heeft Natuurmonumenten een gebiedsvisie ‘Kardinge geeft! 2020-2038’ gemaakt. Hierin komen acht actiepunten naar voren: 1. Het gebied is van ons allemaal, natuur in de directe omgeving is belangrijk om in te kunnen recreëren, te ontstressen, te bewegen en te genieten van de omgeving. 2. Uitbreiding Beijumerbos, een bos op klei is bijzonder voor plant en dier. Een groter bos maakt minder kwetsbaar. 3. Een groter moerasgebied, het huidige moerasgebied bij de Noordermolen is van een hoge kwaliteit, met broedende roerdompen, blauwborst en baardmannetje, reden tot uitbreiden. Een groter gebied als klimaatbuffer laten fungeren in zowel hele natte als hele droge periodes. 4. Een kwaliteitsimpuls van de natuur, kansen pakken waar de biodiversiteit verhoogd kan worden, om zo meer kwaliteit binnen de terreinen te krijgen. 5. Natuurinclusieve landbouw stimuleren op eigen grond met omwonende boeren en de producten afzetten in de directe omgeving. 6. Kardinge verbinden met het Zuidlaardermeer, de Hondsrug, ’t Roegwold en het Reitdiep. Barrières oplossen bij wegen en kanalen voor de das, otter, vlinders ringslangen enzovoort. 17
7. Meer groen in de stad, samen met de bewoners zorgen voor een gezonde woon-, leef- en werkomgeving. 8. Samenwerken met gemeenten, grondeigenaren en bewoners, om met elkaar de biodiversiteit en het stads- en leefklimaat te verbeteren. Met het project Kardinge Groeit, een inrichting gericht op natuurontwikkeling, komt een groot aantal van bovengenoemde actiepunten tot hun recht. 3.1.1. Visie op beheer plangebied De huidige beheerde gebieden van Natuurmonumenten in Kardinge worden voor een deel door middel van begrazing door koeien beheerd. Voor het beheer wordt in dit gebied samengewerkt met een aantal boeren. Door samen te werken met Natuurbegraven Nederland, is er qua maaien en afvoeren een kleinschaliger en gedetailleerder beheer mogelijk. Het beheer van de kruidachtige vegetatie is erop gericht om zo veel mogelijk verschillende soorten planten en dieren de kans te geven zich hier op een natuurlijke wijze te ontwikkelen. Het water-, oever- en moerasbeheer is erop gericht om zo veel mogelijk variatie aan te brengen in begroeiing en leefmilieu voor allerlei vogels, landen waterdieren. Een deel zal dan ook bestaan uit overjarig riet. Niet alles zal altijd tegelijkertijd worden aangepakt. Het is niet de bedoeling dat delen open water in de loop der tijd helemaal gaan verlanden.
Aangeplante bosjes van inheemse autochtone struiken moeten zich vrij en natuurlijk kunnen ontwikkelen. 3.1.2. Ambities voor het nieuwe gebied Kardinge Groeit Ambities voor het nieuwe gebied Kardinge Groeit, zijn: • Aanhaken bij Kardings Ontzet. • Samen met gemeente, waterschap, provincie en particulieren de weg vrijmaken voor een verbinding tussen Meerstad en Kardinge voor otter, das, heikikker, waterspitsmuis, groene glazenmaker en anderen. • Het NNN ten zuiden van de stad met het natuurnetwerk van de stad verbinden. Via het nieuwe gebied kan een verbinding worden gemaakt richting Koningslaagte en Reitdiepdal. De gemeente Groningen wil meer natuur ontwikkelen in de landbouwgebieden rondom de stad, met natuurinclusieve landbouw. Ondanks dat het plangebied niet onder de gemeente Groningen valt, wordt met de ontwikkeling van Kardinge Groeit wel tegemoet gekomen aan de wens om rond de stad meer natuur te creëren. Bloemrijkere bermen en weilanden worden door de inwoners van zowel gemeente Groningen als gemeente Het Hogeland erg gewaardeerd.
18
Er is een natuurtekort in de stad, door de druk van de klimaatverandering, met alles wat daarbij hoort, zoals opwarming van de stenige stad, hittestress, soms te weinig water en soms te veel. Er moet een balans worden gevonden tussen de natuur en de recreërende mens, de rustzoeker, de sportieve mens en de wandelaar met de hond. Met de realisatie van het nieuwe plan ligt de mogelijkheid er om een groot aantal van de bovengenoemde ambities te realiseren. De in dit plan voorgestelde ontwikkeling van nieuwe natuur, met daarbinnen de mogelijkheid voor natuurbegraven, levert een bijdrage aan de versterking van het gebied Kardinge. Daarbij wordt de openheid en het weidse karakter van het gebied gerespecteerd. Door de inrichting van het gebied als natuurbegraafplaats, wordt in ecologisch opzicht winst behaald. Door eenmalige inrichtingsmaatregelen worden waardevolle natuurtypen gerealiseerd: kruiden- en faunarijk grasland, moeras en waterpartijen met natuurvriendelijke oevers. Met een diversiteit aan verschillende natuurtypen is veel natuurwinst te behalen. Het plaatselijk ophogen van het terrein zorgt voor een begroeiing van een droge kruidachtige vegetatie met veel gradiënten naar lagere, natte en vochtige delen van het terrein. Er is extra aandacht voor het verschralen van de bovenste grondlaag om zo een zo rijk en gevarieerd mogelijke bloemrijke begroeiing te krijgen.
De wens van de omwonenden om langs de woonwijk Beijum een bufferstrook te hebben waar niet begraven wordt, krijgt vorm in circa 7 hectare groot water moeras gebied waar ook de wandelaar buiten wordt gehouden. De kleine struweelbosjes met hier en daar grote bomen breken het open weidse landschap en zorgen voor nog meer afwisseling in begroeiing en hier en daar schaduw en luwte. Dit vergroot het leefgebied voor plant en dier. Het overgangsgebied tussen Beijum en de natuurbegraafplaats bestaande uit de natte zone, is een ideaal gebied voor otter, waterspitsmuis, libellensoorten zoals de groene glazenmaker, vogels broedend in het riet, de rietzangers, blauwborst, kleine karakiet, ijsvogel enzovoort. Met de uitbreiding van dit gevarieerde gebied in begroeiing ontstaat voor de wandelaars en rustzoekers de mogelijkheid tot meer afwisseling in gebieden waar het mogelijk is een ommetje te maken. Het gebied is zowel als natuurbegraafplaats als recreatiegebied jaarrond toegankelijk voor nabestaanden en andere bezoekers. 3.2. Samenwerking Natuurmonumenten en Natuurbegraven Nederland Steeds meer mensen willen zich verbinden aan de natuur en voelen de wens om hun laatste rustplaats te vinden in de natuur.
Natuurbegraven Nederland wil voor deze groep mensen begraven in de natuur bereikbaar maken, richt hiertoe terreinen in, en versterkt hiervoor de natuurwaardegebieden van Natuurmonumenten waarbinnen natuurbegraven mogelijk is. Dit zijn natuurgebieden waar mensen een laatste rustplaats kunnen vinden. Het zijn plaatsen waar eeuwigdurende rust is gegarandeerd 19
en waar duurzame aandacht is voor natuurontwikkeling en natuurbehoud. Ook Natuurmonumenten ziet de groeiende behoefte van mensen om zich bij de keuze voor hun laatste rustplaats te verbinden aan de natuur. Natuurmonumenten en Natuurbegraven Nederland vinden elkaar in een gezamenlijk hoofddoel: het beschermen, behouden, versterken en beleefbaar maken van de natuur. Natuurmonumenten en Natuurbegraven Nederland hebben daarom in 2014 een overeenkomst gesloten waarmee de ontwikkeling van natuurbegraafplaatsen in de natuurgebieden van Natuurmonumenten door heel Nederland, waar dat mogelijk en goed inpasbaar is, wordt beoogd. De Natuurambities van Natuurmonumenten zijn leidend bij de inrichting van en het beheer op de natuurbegraafplaatsen. Natuurbegraven Nederland maakt binnen deze kaders natuurbegraven mogelijk. Natuurmonumenten en Natuurbegraven Nederland voeren natuurbeheersmaatregelen op de natuurbegraafplaats in nauwe afstemming met elkaar planmatig uit. Natuurmonumenten blijft daarbij eigenaar van de grond en eindverantwoordelijk voor de natuurkwaliteit. 3.3. Natuurbegraven Nederland 3.3.1. Verbetering natuurkwaliteit Natuurbegraven Nederland streeft naar verbetering van de natuurkwaliteit en een duurzame instandhouding van natuurgebieden waar natuurbegraven wordt ontwikkeld.
Sterker nog, de bestaande natuurambities voor het plangebied zijn leidend bij de ontwikkeling van en het beheer op een natuurbegraafplaats. Natuurbegraven Nederland investeert in het uitvoeren van extra natuurherstelmaatregelen voor een versnelde natuurontwikkeling in de inrichtingsen gebruiksfase, bijvoorbeeld door de aanplant van inheemse bomen en struiken, met een gunstige uitwerking op de biodiversiteit. Natuurontwikkeling en natuurbegraven zijn daarmee componenten die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. In lijn met de doelstelling om bestaande natuur te versterken, wordt zeer zorgvuldig begraven en worden er uitsluitend gebiedseigen en afbreekbare materialen gebruikt zoals een lijkwade van katoen of een kist van onbehandeld hout. Grafmonumenten, zoals grafzerken of grafbeplanting zijn niet toegestaan. Als grafmarkering is alleen een liggende houten gedenkschijf toegestaan die in de loop der tijd vergaat. Waar een natuurgraf mogelijk is, wordt bepaald door de natuur. Zo wordt bijvoorbeeld alleen begraven buiten de kwetsbare wortelzone van bomen en struiken. Deze en andere voorwaarden voor natuurbegraven worden in de huisregels van de natuurbegraafplaats en in het ecologisch werkprotocol (bijlage 2 bij de regels van het bestemmingsplan) vastgelegd.
20
Bij elk natuurgraf dat wordt aangekocht, wordt door Natuurbegraven Nederland een bedrag gestort in het fonds ‘Stichting Nieuwe Natuur’. Met geld uit dit fonds wordt nieuwe natuur gerealiseerd in de omgeving van de natuurbegraafplaats. Deze nieuwe natuur is openbaar toegankelijk en heeft geen functie als natuurbegraafplaats. Daarnaast wordt er een fonds opgericht waarmee de kosten voor het natuurbeheer op de natuurbegraafplaats voor minimaal 100 jaar worden geborgd. 3.3.2. Tijdelijke functie, eeuwige rust Het grafrecht van elk natuurgraf wordt notarieel vastgelegd en ingeschreven bij het Kadaster. Een bij Natuurbegraven Nederland aangeschaft natuurgraf zal nooit worden geruimd, er heerst eeuwige grafrust. Natuurbegraven zelf is echter een tijdelijke functie: nadat de laatste natuurbegrafenis heeft plaatsgevonden, ongeveer na 30-40 jaar, verdwijnt de functie natuurbegraven en blijft het gebied behouden als opengesteld natuurgebied. Hierdoor is het gebied zowel tijdens de gebruiksfase als daarna bereikbaar voor nabestaanden en andere bezoekers in het gebied. Als borging dat Natuurbegraven een tijdelijke functie heeft, en daarmee eindig is als actieve natuurbegraafplaats, hebben Natuurmonumenten en Natuurbegraven Nederland als uitgangspunt dat maximaal 10% van de natuurbegraafplaats gebruikt wordt voor de natuurgraven. Op 90% van de natuurbegraafplaats wordt dus niet begraven.
3.3.3. Aanpak locatieontwikkeling Zorgvuldige planvorming De locatieontwikkeling ten aanzien van een nieuw te creëren natuurbegraafplaats, is een gezamenlijk proces van Natuurmonumenten en Natuurbegraven Nederland. Bij de ontwikkeling van een nieuwe natuurbegraafplaats worden belanghebbenden vroegtijdig betrokken, door informatieavonden, excursies en meedenksessies te verzorgen en afstemming te zoeken met lokale natuurpartijen. Onafhankelijke onderzoeksbureaus doen onderzoek naar de ecologische, landschappelijke, archeologische en maatschappelijke waarden, de waterhuishouding en de verkeerssituatie op de locatie. De uitkomsten van de onderzoeken vormen het kader voor een waardevolle inrichting van de natuurbegraafplaats. Minimale ingrepen bij de inrichting Bestaande landschappelijke en cultuurhistorische waarden zijn belangrijke uitgangspunten voor de inrichting van de natuurbegraafplaats. Als er bijzondere natuur- en landschappelijke waarden aanwezig zijn in een gebied, dan zijn deze bij de ingebruikname van de natuurbegraafplaats leidend. Niet-natuurlijke ingrepen beperken zich tot de aanleg van een begaanbare halfverharde padenstructuur, halfverharde parkeerplaatsen en een ontvangst- en informatieruimte en ruimte voor
21
opslag en beheer. Er worden alleen inheemse planten, bomen en struiken gezaaid en geplant. Juridische borging natuurwaarden Het sturen op natuurdoelen en -kwaliteiten bij het beheer van de natuurbegraafplaats gebeurt op basis van het inrichtings- en beheerplan, dat gebaseerd is op de natuurambities voor het gebied en op het ecologische werkprotocol. Om de bescherming van de natuur en kwetsbare flora en fauna juridisch te borgen, koppelen Natuurmonumenten en Natuurbegraven Nederland het inrichtings- en beheerplan en het ecologisch werkprotocol aan de planregels (bijlagen 1 en 2 bij de regels van het bestemmingsplan). Bij het bepalen van de locatie van natuurgraven wordt rekening gehouden met de gemiddelde hoogste grondwaterstand zoals is bepaald in de Wet op de lijkbezorging. 4. Inrichting 4.1.
Het toekomstbeeld
Tussen de stadsrand en de dorpsrand op het Groninger platteland ligt een licht glooiend terrein, een slingerende watergang loopt er doorheen, het hele gebied is omsloten door water met natuurlijke oeverbegroeiing. Tussen zonsopgang en zonsondergang is het gebied vrij toegankelijk over goed begaanbare paden. De ruimte, het weidse landschap is er te beleven, spaarzaam staan er wat bomen en groeien er kleine bosjes. De stadsrand heeft er een ‘transparante afsluiting’ gekregen. De natuur thuishorende bij de klei gronden ten noorden van de stad laat hier zien wat er kan groeien en bloeien. Wat er kan vliegen, broeden, zwemmen en leven. Met een extensief beheer groeit riet zowel op het droge als het profiel van de oever. Deze brede oeverzone wordt gebruikt als nestgelegenheid voor onder andere rietzangers, blauwborst, kleine karekiet, rietgors, sprinkhaanzanger, bruine kiekendief, baardmannetjes en de waterral. Het gehoemp van de roerdomp hoort bij de beleving van het gebied. Hier ontwikkelt een dynamisch moeras van 10 hectare met kenmerkende soorten als krabbenscheer, torkruid, blaasjeskruid, dotterbloem, diverse orchideeën, glassnijder, vroege glazenmaker en de sierlijke witsnuitlibel. Ook het geluid van de vogels die gebruik maken van de kruidige begroeiing en die broeden in de kleine bosjes is te horen.
Voorbeelden zijn de braamsluiper, de grasmus, gekraagde roodstaart, heggenmus, de gele- en witte kwikstaart, de putter en de kneu.
22
De licht golvende bloeiende kruidenrijke grasvegetatie, met soorten als wilde peen, knoopkruid, grote ratelaar, kamgras, gewone brunel, echte koekoeksbloem, laat zien dat met het beheer van maaien en afvoeren hier een prachtige vegetatie ontwikkelt met groot dikkopje, kleine vuurvlinder, bruin zandoogje, groot dikkopje, oranjetipje, zwartsprietdikkopje en het hooibeestje. Steeds meer mensen weten het gebied te waarderen en lopen er te genieten en kijken naar planten, luisteren naar de vogels of zie je zoeken naar de insecten die er te zien zijn. De gespotte otter gaat als een lopend vuurtje rond.
Figuur 10. Inrichtingsplan voor Kardinge Groeit (Heilien Tonckens en Noordpeil, 2024) (vergrote versie te vinden in bijlage 1)
23
4.2. Inrichtingsmaatregelen
Figuur 11. Maatregelenkaart Kardinge Groeit. Hierop zijn alle natuurontwikkelings- en inrichtingsmaatregelen terug te vinden die in het kader van de natuurontwikkeling en de realisatie van de natuurbegraafplaats uitgevoerd gaan worden (Heilien Tonckens en Noordpeil, 2024) (vergrote versie te vinden in bijlage 2) 4.2.1. Natuurontwikkelingsmaatregelen De volgende natuurontwikkelingsmaatregelen worden uitgevoerd, voor het bereiken van de gestelde natuurambities: • Omzetten van 38 hectare agrarische grond naar natuur; • Er wordt een grote natte natuurbuffer gemaakt van circa 7 hectare groot, aan de zuidzijde van het gebied tegen de wijk Beijum aan, natuurtype N05.04 Dynamisch moeras/N05.03 Veenmoeras; • De historische slenk in het terrein wordt weer zichtbaar gemaakt (met een oppervlakte van circa 2,5 ha) en krijgt een rol in de gewenste waterverbinding, gevoed met het water vanuit de terreinen van Natuurmonumenten in Kardinge: open water met natuurvriendelijke oevers begroeid met riet en waterplanten en een moerasstrook, natuurtype N05.04 Dynamisch moeras/N05.03 Veenmoeras; • Er wordt een Wadi aangelegd in het naar het noorden afbuigende deel van de slenk, over een lengte van 140 meter en een breedte van 25 meter, waar in
24
•
• •
het midden over 15 meter breed een maximale diepte van 50 centimeter wordt bereikt; Bestaande rechte sloten worden gedempt, over een lengte van circa 3.000 strekkende meter, en 1,5 meter breed. Bestaande sloten aan de randen van het gebied worden voorzien van natuurvriendelijke oevers met een lengte van in totaal circa 4.000 meter; Landbouwgrond wordt omgevormd naar natuur (circa 24,3 hectare inclusief talud), natuurtype N12.03 Kruiden- en faunarijk grasland; Inheemse autochtone bomen en struweelbosjes worden aangeplant, passend bij de aanwezige natuurbeheertypen (circa 2.500 m2).
Grote waterbuffer aan de zuidzijde In samenspraak met de bewoners is ervoor gekozen aan de zuidzijde van het gebied, evenwijdig aan het dijkje een circa 7 hectare grote natuurbuffer te realiseren, zodat daarmee de gewenste afstand ontstaat tussen de wijk Beijum en het natuurbegraven. De strook speelt een belangrijke rol in de natte verbindingszone, is optimaal voor de natuur en niet toegankelijk voor de wandelaar. Een strook met open water, van circa 1,5 meter diep, ongeveer 21.650 m2 groot, een groot plasdrasgebied en een heel flauw talud van plaatselijk 1:8, moeten het interessant maken voor zo veel mogelijk planten en daarmee ook als biotoop dienen voor zo veel mogelijk verschillende insecten, amfibieën, kleine zoogdieren en in het riet broedende vogels. Voor de ontwikkeling moet grond worden vergraven, waarvoor wordt gekeken of deze grond zo veel mogelijk hergebruikt kan worden binnen het terrein. De waterbuffer wordt gevoed met hetzelfde water als de slenk, vanuit Kardinge, en staat in verbinding met de sloot langs de Oosterseweg.
Figuur 12. Dwarsdoorsnede waterbuffer (Witteveen en Bos, 2023)
25
Figuur 13. Historisch dijkje, met de Gaaikessloot aan de zuidzijde, tegen de Groningse wijk Beijum aan Historische slenk terugbrengen Bij de nieuwe inrichting ten behoeve van de natuurontwikkeling wordt het oude slenkpatroon weer zichtbaar gemaakt en krijgt het een functie in de waterafvoer in het totale watersysteem met natuurvriendelijke oevers en open water. De slenkinsteek zal circa 25 meter breed worden. Door het terugbrengen van het oude slenkpatroon centraal door het gebied, wordt een stuk ontstaansgeschiedenis van het gebied weer zichtbaar gemaakt. De slenk gaat weer water voeren, aangevoerd vanuit de beheerde terreinen van Natuurmonumenten in Kardinge. Hiermee krijgt het een functie in de natte verbinding van de natuurgebieden ten noordoosten van de stad, richting het Lauwersmeergebied. Het water dat door de slenk loopt, wordt afgevoerd richting Beijumermaar. Naast blijvende ruimte voor open water, wordt ook plek gecreëerd voor oeverbegroeiing, met een talud dat op bepaalde plaatsen steil kan zijn voor de oeverzwaluw, of op een andere plek flauw oploopt en snel opwarmt in het voorjaar, voor de amfibieën. Een talud dat kan wisselen van 1:4 tot 1:8 tot 1:12. Bij het gedeelte open water is de slenk 2 meter breed en zeker 1,20 meter diep. Het natte deel van de 26
slenk bij een breedte van 15 meter aan water, van diep tot zeer ondiep, beslaat 15.210 m2. De lengte van de slenk is 1.014 meter. Aan de randen heeft deze een diepte tussen de 60 en 80 centimeter vanaf waar het talud omhoog gaat lopen. Een talud tussen de 1:4 tot 1:8, en soms nog iets flauwer of steiler. De oeverbeplanting bestaat niet alleen uit riet en overjarig riet. Er is ruimte voor meer afwisseling in het aanbod aan moeras- en oeverplanten.
Figuur 14. Dwarsdoorsnede slenk (Witteveen en Bos, 2023) Aanleg Wadi Het naar het noorden afbuigende deel van de historische slenk wordt ingericht als een Wadi. Hier wordt over een lengte van 140 meter tussen het pad aan de noordkant en de brug aan de zuidkant over een breedte van 15 meter de grond afgegraven tot maximaal 50 centimeter diepte. Het talud aan weerszijden loopt over 5 meter flauw omhoog, tot maaiveldhoogte. Deze Wadi staat in verbinding met de slenk en heeft geen verbinding met de Windsloot, de sloot ten noorden aangrenzend aan het plangebied. Het schouwpad en wandelpad sluiten de Wadi aan de noordkant af van de Windsloot.
Figuur 15. Dwarsdoorsnede wadi (Witteveen en Bos, 2023) Dempen bestaande sloten Bestaande rechte sloten, ooit gegraven ten behoeve van het landbouwkundig gebruik, verliezen als gevolg van de nieuwe inrichting van het gebied als natuurgebied hun functie. Het gaat om circa 3.000 meter lengte rechte sloten die wordt gedempt. Met de nieuwe functie van het gebied wordt er met andere ogen gekeken naar de waterhuishouding. Het water in het gebied krijgt een nieuwe functie 27
als een natte verbindingszone boven de stad langs, met als rol het vergroten van natuurwaarden en de uitwisseling tussen de verschillende gebieden van plant en dier. Waar mogelijk worden de bestaande rechte sloten als een rafelig patroon in het nieuwe landschap teruggebracht (zie de kaart in figuur 11 en bijlage 2). Daarmee wordt het verkavelingspatroon ook in het nieuwe landschap zichtbaar en beleefbaar gemaakt. Dit door middel van bijvoorbeeld een kleine verlaging in het maaiveld of door te spelen met verschillende grondsoorten in de toplaag. Natuurvriendelijke oevers langs bestaande sloten Op het terrein wordt langs de Beijumermaar een natuurvriendelijke oever aangelegd en beheerd. Het waterschap kan vanaf de weg beheer uitvoeren in de watergang. Deze natuurvriendelijke oeverstrook loopt door rondom de boerderij in de noordwesthoek, tot aan de Windsloot. In de zuidoosthoek wordt ook rondom de boerderij de watergang voorzien van een natuurvriendelijke oever, die loopt dan door in de oever van de slenk. In totaal wordt circa 4.000 meter lengte aan natuurvriendelijke oever ingericht langs bestaande sloten. Een grotere variatie aan plantengroei in combinatie met andere vormen van beheer, kan ook hier de biodiversiteit vergroten. Er wordt open water gecreëerd, met oevers begroeid met riet, rietgras, zeggen en biezen.
Het begeleidende riet langs en in deze sloten zorgen voor een extra accent in de beleving van het landschap. De begroeiing en het aangepaste beheer zorgen bovendien voor meer biodiversiteit in het gebied. Zo worden de sloten belangrijk leefgebied voor vogels ,vissen, amfibieën, en zoogdieren als bever, otter, waterspitsmuis, noordse woelmuis, poelkikker. Met in het water riet, lisdodde, biezen en drijvende waterplanten.
28
Figuur 16. Referentiebeelden: natuurvriendelijke oevers op door Natuurmonumenten beheerd terrein in Kardinge (Hartog, R.) Omvorming van landbouwgrond tot kruiden- en faunarijk grasland Na ophoging van delen van het gebied (hierover meer in paragraaf 4.2.2), worden deze delen omgevormd tot kruiden- en faunarijk grasland. Daarvoor worden de opgehoogde delen afgedekt met voedselarme grond en ingezaaid met een streekeigen inheems bloemrijk mengsel. In combinatie met extensief aangepast beheer, door middel van maaien en waar mogelijk begrazen, biedt dit veel mogelijkheden voor vlinders en andere insecten, vogels en kleine zoogdieren. Zij profiteren van een variatie in nectar, stuifmeel, zaden, nestgelegenheid en dergelijke. Het streven is zaden te oogsten van eigen terreinen. Het gaat om een gebied van 24,3 hectare groot.
29
Figuur 17. Referentiebeeld: kruiden- en faunarijk grasland op opgehoogde gronden in door Natuurmonumenten beheerd terrein in Kardinge (Hartog, R.) Aanplant inheemse autochtone bomen en struiken In het nu complete boomloze, struikloze gebied, worden kleine struweelbosjes en een aantal bomen aangeplant. In totaal gaat het om circa 2.500 m2 nieuwe aanplant, passend bij de aanwezige natuurbeheertypen. Dit zorgt voor het vergroten van de biodiversiteit, voedsel- en nestgelegenheid en beschutting voor de aanwezige reeën. Er komt zoomvegetatie langs deze bosjes, met hier en daar weer luwe warme plekken voor vlinders, bijen en insecten. De struweelbosjes worden verspreid over het gebied aangeplant, zodat het karakter van een weids en open landschap behouden blijft. De struweelbosjes bestaan alleen uit struikvormers en worden aangeplant in groepjes van 3-5-7-9 stuks. De onderlinge plantafstand binnen de groep bedraagt 1,5-2 meter. Op een paar plekken vormen deze groepjes weer een lossere grotere groep. Bomen worden los van de bosjes aangeplant. De struiken en bomen die worden aangeplant, zijn van autochtone herkomst, zoals wilde rozen, de een- en tweestijlige meidoorn, sleedoorn, gelderse roos, vlier, grauwe wilg, wilde appel, zwarte els, schietwilg, eik, zoete kers en winterlinde.
30
Figuur 18. Referentiebeelden: begroeiing van meidoorn en sleedoorn bossages op (opgehoogde) gronden in door Natuurmonumenten beheerd terrein in Kardinge (Hartog, R.) 4.2.2. Inrichtingsmaatregelen ten behoeve van de natuurbegraafplaats De volgende inrichtingsmaatregelen worden uitgevoerd om de natuurbegraafplaats te realiseren:
31
•
•
• • •
Delen van het gebied worden opgehoogd. Daarvoor wordt eerst een diepte van 0,5 m afgegraven. Dit wordt opgevuld en vervolgens opgehoogd tot circa 1 m ten opzichte van het maaiveld; Boerderij ’t Ploatske krijgt een herbestemming als ontvangst- en beheergebouw, met ruimte voor informatiegesprekken, voor ontvangst en voor opslag en beheer; Er wordt een nieuwe uitrit en een nieuwe parkeerplaats met halfverharding aangelegd, met plaats voor 15 auto’s (2.500m2); Er worden nieuwe, halfverharde wandelpaden aangelegd van 2,5 (1.200 m) en 2 meter breed (2.950 m); Er worden op 3 plaatsen oversteken over de slenk gemaakt.
Afgraven en ophogen Om te voldoen aan de vereiste grondwaterstand voor begraven, wordt de bovenste 0,5 meter grond verwijderd (zie figuur 19). Vervolgens wordt goed doorlaadbare grond opgebracht, waar indien mogelijk de afgegraven grond deels overheen wordt getrokken. Daarbij is het van groot belang dat de voedselrijke bouwvoor onderop wordt gelegd en de relatief voedselarmere grond uit de ondergrond bovenop komt te liggen. Het is de voedselrijkdom van deze bovenste laag die gaat bepalen hoe bloemrijk de vegetatie wordt. Een grote bloemenrijkdom geeft een grotere biodiversiteit. Blijkt de afgegraven grond die vrijkomt uit het plangebied te voedselrijk te zijn, dan wordt passende grond gezocht voor een zo optimaal mogelijke uitgangssituatie voor het maken van kruidenrijke begroeiing. Bij de ophoging wordt een natuurlijke uitgangssituatie nagebootst met een glooiend reliëf, waarop zich vervolgens een kruiden- en faunarijk grasland kan ontwikkelen met een zo groot mogelijke bloemenrijkdom. In het glooiend reliëf zal ook het oude verkavelingspatroon zoveel mogelijk worden teruggebracht, door deze als een rafelig patroon in het landschap weer te geven (zie de kaart in figuur 11 en bijlage 2). Daarmee wordt het verkavelingspatroon ook in het nieuwe landschap zichtbaar en beleefbaar gemaakt.
Dit door middel van bijvoorbeeld met een kleine verlaging in het maaiveld of door te spelen met verschillende grondsoorten in de toplaag. Het ophogen gebeurt zo veel mogelijk met gebiedseigen materiaal. Op bijgevoegde ophoogkaart (figuur 22) is te zien welke delen van het plangebied opgehoogd worden. Het maaiveld zal met 1,0 meter worden verhoogd. Het gaat om in totaal circa 18,5 hectare oppervlakte, waarvan het maaiveld de hoogte bereikt waarmee kan worden voldaan aan de vereiste ontwateringsdiepte (1,45 meter ten opzichte van de gemiddeld hoogste grondwaterstand). Met de oppervlakteberekeningen in figuren 20 en 21 en de ‘ophoogkaart’ in figuur 22 is inzichtelijk gemaakt hoeveel grond er wordt opgebracht.
32
Figuur 19. De gekleurde gebieden worden door afgraven geschikt gemaakt voor ophoging. Afgraving Gemiddelde Gemiddelde in cm oppervlakte hoeveelheid t.o.v. het in m2 zand in m3 huidige maaiveld 50 228.500 114.250 Figuur 20. Oppervlakteberekening afgraving Ophoging Gemiddelde Gemiddelde Gemiddelde in cm ophoging oppervlakte hoeveelheid t.o.v. het in cm in m2 zand in m3 huidige maaiveld 0 - 25 12,5 14.000 1.750 25 - 50 37,5 16.000 6.000 50 - 75 62,5 13.500 8.450 75 - 100 87,5 185.000 161.900 Totaal Figuur 21. Oppervlakteberekening ophoging
178.100
33
Figuur 22. Ophoogkaart. De gekleurde gebieden worden door ophoging geschikt gemaakt voor natuurbegraven De watertransportleiding aan de oostzijde van noord naar zuid door het gebied zal aan beide kanten met een strook van minimaal 4 meter vrij zijn van ophoging en vergraving. Struiken zullen geplant worden op minimaal 2 meter afstand van het hart van de leiding. Voor het ophogen van het terrein wordt met de grootst mogelijke zorgvuldigheid gekeken welke vrijkomende gronden tijdens het afgraven kunnen worden hergebruikt. De waterdoorlatendheid van de grond op het deel waar begraven gaat worden, is belangrijk. Bij aanvoer van grond van elders wordt gekeken naar een grondsoort die hier past en aansluit bij de ontwikkeling van kruiden- en faunarijk grasland. Een lichte zavelgrond heeft de voorkeur, om zo het streekeigen karakter van de begroeiing te waarborgen. Boerderij ’t Ploatske als ontvangst- en beheergebouw Om te kunnen functioneren als natuurbegraafplaats, is op het terrein een voorziening nodig voor beheer en opslag van het natuurgebied, voor ontvangst en waar informatie te krijgen is over het natuurbegraven. Hiervoor wordt de bestaande boerderij ’t Ploatske gebruikt. Deze krijgt daarmee een nieuwe functie. Het gebouw zal worden gebruikt voor ontvangst- en informatievoorziening, en opslag en beheer.
34
Vanuit de boerderij zullen twee paden worden aangelegd naar het gebied. Het erf zal in stand blijven als erf met nieuwe functies. De karakteristieke uitstraling van de boerderij blijft behouden.
Figuur 23. Boerderij ’t Ploatske Parkeerplaats Ten behoeve van het natuurbegraven wordt voorzien in een parkeerplaats binnen het plangebied. Op de parkeerplaats kunnen geïnteresseerden of nabestaanden in een gepaste omgeving worden ontvangen, op korte afstand van de natuurbegraafplaats. De parkeerplaats wordt aangelegd aan de ingang van het gebied grenzend aan de openbare weg en tegen het perceel van ’t Ploatske aan. Dit perceel is vanaf de parkeerplaats toegankelijk via twee oversteken. Voor de natuurbegraafplaats is een parkeerplaats ontworpen met daarop ruimte voor 15 auto’s. De parkeerplaats is bestemd voor bezoekers van het gebied, een teraardebestelling (nabestaanden) en informatiegesprekken, en voor medewerkers. De parkeerplaats is toegankelijk via een nieuw aan te leggen toegangsweg over de sloot. De parkeerplaats met een afmeting van 2.500m2 komt naast het erf te liggen. De parkeerplaats heeft een natuurlijk karakter. Op de parkeerplaats wordt tussen struiken en eventueel bomen geparkeerd. Omdat de natuur de overhand heeft, is de parkeerplaats ruim opgezet. Dit biedt ruimte om de parkeerplekken op de parkeerplaats aan te leggen daar waar de natuur dit toelaat. De parkeerplaats wordt uitgevoerd in een duurzaam halfverhardingsmateriaal.
35
Een landschappelijke inpassing wordt gemaakt door langs de randen van de parkeerplaats een informele begroeiing van inheemse bomen en struiken aan te planten. Op 2 plekken wordt een oversteek over de sloot rondom ’t Ploatske mogelijk gemaakt om van de parkeerplaats op het erf van ’t Ploatske te komen. Aan de zuidwestkant, bij de ingang van het terrein, wordt ook een plek gerealiseerd om fietsen te parkeren. Op de parkeerplaats zullen oplaadplekken aanwezig zijn voor elektrische fietsen en auto’s. Toegang parkeerplaats De boerderij ligt in de bocht van de verharde Oosterseweg. Deze zal de ontsluitingsweg van het gebied worden. Via de Oosterseweg wordt een afzonderlijke in- en uitrit aangelegd naar de parkeerplaats. Dit betekent dat er een extra uitrit wordt aangelegd vanaf de parkeerplaats naar de Oosterseweg. Het water zal via een duiker of dam onder deze uitrit kunnen doorlopen. Het bestaande halfverharde, doodlopende pad (onderdeel van de Oosterseweg) naar de woonboerderij in de Zuidoosthoek, zal tot de nieuw aan te leggen uitrit worden verhard (maximaal 50 meter). Aanleg halfverharde wandelpaden In de huidige situatie is er geen padenstructuur aanwezig in het plangebied. Om het plangebied bereikbaar te maken voor voetgangers, worden er slingerende wandelpaden aangelegd in halfverharding.
Het hoofdpad is 2,5 meter breed en de overige halfverharde wandelpaden zijn allemaal 2 meter breed. De lengte van het hoofdpad is 1.200 meter en die van de overige halfverharde paden bedraagt 2.850 meter. Door de padenstructuur zijn alle delen van het plangebied goed bereikbaar. Door de slingerende paden beleven bezoekers meer rust en ruimte in het gebied.
Figuur 24. Referentiebeelden: halfverharde wandelpaden op natuurbegraafplaats Maashorst
36
Oversteek watergangen Op 3 plekken wordt een oversteek (duiker of brug) over de slenk gerealiseerd. Daarnaast komt er een oversteek over de sloot bij de slenk als toegang voor de wandelaars vanaf de Oosterseweg. Een vijfde oversteek wordt gemaakt bij de ingang van het parkeerterrein vanaf de Oosterseweg.
5. Beheer Het beheer van het natuurgebied valt uiteen in natuurbeheer ten behoeve van de natuurontwikkeling en het functioneren van de natuurbegraafplaats. De natuurambities van Natuurmonumenten zijn leidend bij het beheer van de natuurbegraafplaats. Natuurmonumenten en Natuurbegraven Nederland voeren in nauwe afstemming met elkaar natuurbeheermaatregelen op de natuurbegraafplaats uit, passend binnen de ambities van Natuurmonumenten. Natuurbegraven Nederland maakt binnen deze kaders natuurbegraven mogelijk. 5.1.
Natuurbeheer
De bestaande ambities en doelstellingen van Natuurmonumenten zijn de uitgangspunten voor het te voeren beheer op de natuurbegraafplaats. Dynamisch Moeras N05.04 /Veenmoeras N05.03 Door het oeverprofiel in de nazomer gefaseerd te maaien, wordt verruiging en of verbossing voorkomen. Daarmee blijft overjarig riet staan, dit is goed voor vogels en insecten. Om zicht op open water te behouden, zal wanneer nodig pleksgewijs riet worden gemaaid. Om dominantie van woekerende en storende soorten (waaronder riet en lisdodde) te voorkomen, wordt hier passend maaibeheer op toegepast. Voor de natuurwatergangen is de aandachtsoort rietorchis en krabbenscheer. Het streefdoel is een variatie aan vegetatie en structuur, om een goed leefgebied te creëren voor zowel libellen, vlinders als amfibieën. Kruidenrijk en faunarijk grasland N12.02 Het beheer van de kruiden- en faunarijke graslanden is gericht op de ontwikkeling van een botanisch waardevolle vegetatie, met een variatie in flora en structuur. De bestaande en nog te ontwikkelen graslanden worden ingezaaid met een kruidenrijk grasmengsel en worden beheerd door middel van een extensief maaibeheer. De voedselarmere ondergrond uit de af te graven delen wordt indien mogelijk als afdekgrond op de opgehoogde stukken opgebracht om hiermee een zo’n gunstig mogelijke uitgangssituatie te krijgen voor een kruidenrijke vegetatie.