CConstaterende datHendrik-Ido-Ambacht
Koppel je AI →
Document · PDF

Voorstel 7.5 Bijlage 2 Toelichting Algemene Plaatselijke Verordening

raadsvergadering openbaar 6 juli 2026, gemeente Hendrik-Ido-AmbachtBij agendapunt: Algemene Plaatselijke Verordening14.435 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Toelichting Algemene Plaatselijke Verordening 2026 Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1:1 Definities In dit artikel worden begrippen uitgelegd die op verschillende plekken in de APV terugkomen. In veel gevallen sluit de APV aan bij landelijke wetgeving, zodat de uitleg van de begrippen eenduidig en actueel blijven. Over enkele definities is het volgende te zeggen. Bevoegd gezag Hier wordt aangesloten bij de Omgevingswet. Het bevoegd gezag is het bestuursorgaan dat aanvragen behandelt en toezicht houdt. Wanneer wordt gesproken van een bevoegd bestuursorgaan, wordt specifiek het college of de burgemeester bedoeld. Bouwwerk / gebouw De APV volgt de definities uit de Omgevingswet. Zo hoeft niet steeds te worden vastgesteld wat een bouwwerk of gebouw is. Handelsreclame Hiermee wordt specifiek commerciële reclame bedoeld. Met reclame wordt bedoeld ‘iedere vorm van openbare aanprijzing van goederen en diensten’. Handelsreclame valt niet onder vrijheid van meningsuiting zoals bedoeld in artikel 7 van de Grondwet, en dus kan hiervoor een vergunningsplicht gelden. Openbaar water Hiermee wordt bedoeld water dat feitelijk voor iedereen toegankelijk is. Openbare plaats Hierbij wordt aangesloten bij de Wet openbare manifestaties (hierna: Wom). Het moet gaan om een plaats die krachtens bestemming of gebruik openstaat voor publiek.

Voorbeelden zijn openbare wegen, plantsoenen, parken, en vrij toegankelijke gedeelten van overdekte passages. Er dient in ieder geval geen sprake te zijn van een ‘beperking’ om een plaats te betreden, zoals het moeten betalen voor toegang. Ook moet de plaats niet gebonden zijn aan een bepaald doel. Om deze reden zijn bijvoorbeeld het openbare zwembad, kerken, restaurants en de hal van het gemeentehuis geen openbare plaats. Parkeren Hier wordt de definitie gevolgd uit het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (hierna: RVV 1990). Parkeren is het laten stilstaan van een voertuig voor langere tijd dan wat nodig is voor het onmiddellijk in- of uitstappen of laden en lossen. Voertuig Hier wordt aangesloten bij het RVV 1990. Voertuigen zijn fietsen, bromfietsen, gehandicaptenvoertuigen, motorvoertuigen, trams en wagens. Kleine wagens als kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen vallen niet onder deze definitie, omdat anders sommige bepalingen een te ruime strekking zouden krijgen.

Weg Hierbij wordt de definitie uit de Wegenverkeerswet1994 gevolgd. Het gaat om alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten. Hiertoe behoren ook trottoirs, voetpaden, voetgangersgebieden, rijwielpaden en parkeerplaatsen of -terreinen. Artikel 1:2 Beslistermijn De APV hanteert een beslistermijn van acht weken, wat aansluit bij de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Dit is voor de meeste aanvragen voldoende. Complexere aanvragen, waarbij meerdere adviezen moeten worden ingenomen, kunnen éénmaal met acht weken worden verlengd. Voor omgevingsvergunningen gelden de termijnen uit de Omgevingswet zelf. Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden, voor zover deze nodig zijn voor het belang waarvoor de vergunning is ingesteld. Niet-naleving van voorschriften kan leiden tot wijziging of intrekking van de vergunning (zie artikel 1:6). Omdat niet-naleving als verplichting is geformuleerd, kan zowel bestuursdwang als straf (artikel 6:1) worden toegepast.

Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing Een vergunning wordt persoonlijk genoemd, als deze alleen of vooral is verleend vanwege de kwalificaties of eigenschappen van de aanvrager, zoals het bezit van een diploma of een bewijs van onbesproken levensgedrag. De persoonlijke vergunning is in beginsel niet overdraagbaar, tenzij de regeling dat uitdrukkelijk bepaalt. Een voorbeeld van een persoonsgebonden vergunning is de Alcoholwetvergunning. In de Alcoholwet staat dat iemand voor het krijgen van een vergunning bepaalde diploma’s moet hebben gehaald. Ook de standplaatsvergunning is persoonsgebonden, omdat ambulante handel een persoonlijk karakter heeft en de standplaatsvergunning schaars is. Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing In dit artikel staat de bevoegdheid om in bepaalde gevallen een vergunning te wijzigen of in te trekken. Het is een “kan”-bepaling, wat betekent dat altijd een belangenafweging moet worden gemaakt. Als een bestuursorgaan een vergunning of ontheffing wil intrekken of wijzigen, moet de belanghebbende altijd de gelegenheid krijgen een zienswijze te geven (artikel 4:9 Awb).

Artikel 1:7 Termijnen Een vergunning of ontheffing geldt in beginsel voor onbepaalde tijd, tenzij: - sprake van een schaarse vergunning: hierbij moet regelmatig een open en eerlijke herverdeling plaatsvinden, zodat nieuwe aanbieders gelijke kansen hebben; - de tijdsbeperking noodzakelijk is om dwingende redenen van algemeen belang: dit zijn onder andere de openbare veiligheid en het milieu, maar sommige vergunningen lenen zich naar hun aard ook alleen voor verlening voor bepaalde tijd (bijvoorbeeld een evenementenvergunning of een standplaatsvergunning voor een oliebollenkraam rond de jaarwisseling, Artikel 1:8 Weigeringsgronden Dit artikel bevat de algemene gronden om een vergunning te weigeren, zoals bescherming van openbare orde, veiligheid, gezondheid, leefomgeving en milieu.

Tweede lid Als een aanvraag zó laat wordt ingediend dat een zorgvuldige beoordeling niet meer mogelijk is vóór de aangevraagde datum, kan deze worden geweigerd. Dit voorkomt onuitvoerbare beoordelingen en geeft duidelijkheid aan de aanvrager.

Hoofdstuk 2: Openbare orde, veiligheid, volksgezondheid en milieu Afdeling 1. Voorkomen of bestrijden van ongeregeldheden Algemeen Deze afdeling bevat bepalingen die noodzakelijk zijn om de openbare orde op openbare plaatsen te waarborgen en om het gebruik van de openbare ruimte te reguleren. De gemeente moet kunnen optreden wanneer gedragingen leiden tot verstoring van de openbare orde of onveilige situaties. Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden Eerste lid Het verbod op samenscholing is gebaseerd op artikel 186 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: WvSr). Binnen het bestuursrecht heeft de burgemeester vanuit artikel 172 Gemeentewet de bevoegdheid gekregen een samenscholingsverbod in te stellen en hierop te handhaven. Samenscholing houdt in dat een groep personen bij elkaar komen en de openbare orde verstoren of dreigen te verstoren. Onder dit gedrag valt ook geluidsoverlast, intimidatie, vervuiling en vernieling. Het verbod ziet dus echt op overlastsituaties of dreiging daarvan, en niet op het slechts bij elkaar staan van een groep mensen. Het is een zwaar middel om als burgemeester in te zetten, waarvoor afstemming nodig is met het Openbaar Ministerie en de politie. Een goede dossiervorming is daarom belangrijk. Dit kan bestaan uit bijvoorbeeld meldingen vanuit de omgeving en bestuurlijke rapportages vanuit de politie.

Het inzetten van een samenscholingsverbod moet proportioneel en subsidiair zijn. Het verbod moet dus evenredig zijn tot het doel (het terugdringen en voorkomen van overlast), en voor het inzetten van het samenscholingsverbod moeten andere, lichtere maatregelen zijn getroffen die niet het gewenste effect hebben gehad. Bovendien mag de maatregel niet langer duren dan nodig wordt geacht. Gezien het zware karakter van de maatregel is het belangrijk dat kaders worden gevormd om zowel aan de gemeenteraad als inwoners duidelijk te maken in welke situaties het samenscholingsverbod kan worden ingezet, wat het verbod inhoudt, hoe lang het duurt, en wanneer de duur van het verbod mag worden verlengd. Na vaststelling van deze APV zal daarom gewerkt worden aan het vaststellen van beleidsregels. Tweede lid Een bevel van een politieambtenaar om zich te verwijderen moet worden opgevolgd. Dit is noodzakelijk om in te kunnen grijpen bij (dreigende) ongeregeldheden of het belemmeren van hulpdiensten. Niet-naleving is strafbaar via artikel 6:1 van deze APV. Vijfde lid Samenscholingen die zijn aan te merken als betoging of religieuze of levensbeschouwelijke samenkomst vallen onder de Wom en zijn daarom uitgezonderd van dit artikel.

Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen Algemeen Dit artikel sluit aan bij de Wom, welke een landelijk uniform kader biedt voor betogingen, vergaderingen en religieuze samenkomsten op openbare plaatsen. Het doel is niet om deze grondrechten te beperken, maar om de betogingen in goede banen te leiden.

Eerste lid Er is sprake van een betoging als er een aantal personen openlijk en in groepsverband optreedt, al dan niet in beweging, en erop uit is een mening uit te dragen. In de Wom wordt de gemeenteraad vrijgelaten in het stellen van regels over het tijdstip van de kennisgeving voor een betoging of manifestatie. Wel gaat de wetgever uit van een zo kort mogelijke termijn, zoals 24 of 48 uur. Veel van de Nederlandse gemeenten heeft een kennisgevingstermijn van 48 uur. Ook internationaalrechtelijke organisaties bevelen aan een niet te lange kennisgevingstermijn te hanteren. Een termijn van 48 uren wordt genoemd als een redelijke termijn. Om deze reden is in Hendrik-Ido-Ambacht ook gekozen voor een kennisgevingstermijn van 48 uur, zodat vanuit de gemeentelijke organisatie voldoende tijd overblijft om eventuele voorbereidingen te treffen. Vierde lid De Algemene termijnenwet is buiten toepassing verklaard om te voorkomen dat kennisgevingen die in het weekend of na 12.00 uur worden gedaan tot administratieve knelpunten leiden. Vijfde lid Te strikt vasthouden aan de kennisgevingstermijn verhoudt zich slecht tot de grondwettelijk en verdragsrechtelijk beschermde betogingsvrijheid. De burgemeester kan daarom in bijzondere omstandigheden – bijvoorbeeld bij spontane manifestaties – afwijken van de kennisgevingstermijn.

Artikel 2:6 Verspreiden geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen Folderen en flyeren in het openbaar is toegestaan, tenzij het college bepaalde locaties, of specifieke dagen en tijden, heeft aangewezen waar dit verboden is, bijvoorbeeld omdat dit overlastgevend zal zijn. Deze bevoegdheid is gebaseerd op artikel 160, eerste lid, onder a, van de Gemeentewet. Het verbod mag echter niet zo ver gaan dat de vrijheid van meningsuiting wordt beperkt. Artikel 2:9 Vertoningen op openbare plaatsen De activiteiten die in dit artikel genoemd worden, worden in artikel 2:24, eerste lid, onder f uitgezonderd van de definitie van evenementen. Afdeling 2. Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen Artikel 2:10 Voorwerpen op of aan de weg of een openbare plaats Dit artikel geeft de gemeente de mogelijkheid op te treden tegen voorwerpen op de weg die hinder of gevaar kunnen opleveren of ontsierend kunnen zijn. Hierbij kan worden gedacht aan het plaatsen van reclameborden, containers of fietsparkeervoorzieningen. Artikel 2:11 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg Eerste lid Dit artikel voorkomt dat wegen in de gemeente beschadigd raken en zo minder bruikbaar of veilig zijn. Ook ziet het op het beschermen van objecten die onder de weg liggen, zoals leidingen en kabels.

In het tweede lid wordt een uitzondering gemaakt voor overheden die in de uitvoering van hun publiekrechtelijke taak wegen aanleggen of veranderen. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat zij hun werkzaamheden afstemmen op de bruikbaarheid van de weg. Artikel 2:12 Maken of veranderen van een uitweg

Algemeen Het aanleggen of wijzigen van een uitweg is vergunningplichtig via de Omgevingswet. Deze bepaling blijft in de APV staan totdat deze is overgebracht naar het omgevingsplan. Artikel 2:14 Winkelwagentjes Dit artikel bestrijdt het ‘zwerfkarrenprobleem’ door winkeleigenaren te verplichten achtergelaten winkelwagentjes te verwijderen en van een herkenningsteken te voorzien. Sinds niet elke winkel meer gebruik maakt van het systeem dat een kar alleen gebruikt kan worden met een muntje, komen er weer veel meldingen binnen van achtergelaten winkelwagentjes op de parkeerplaats. Om de verantwoordelijkheid niet alleen bij de winkeleigenaren te leggen, wordt ook een verbodsartikel toegevoegd voor de consument die zijn winkelwagentje achterlaat. Belangrijk om hierbij op te merken is dat dit artikel een ‘instrument’ is tegen overlast en dus alleen wordt gebruikt als handhaving nodig is. Handhavers kunnen met Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp Dit artikel is in een eerdere APV-wijziging geschrapt en is in de herziening in 2026 teruggebracht. Dit naar aanleiding van een toename van meldingen over bomen en beplanting die het uitzicht belemmeren en zo gevaarlijke situaties creëren in het verkeer.

Binnen het verkeer moet niet alleen worden gedacht aan fietsers of bestuurders van motorvoertuigen, maar ook een verminderd uitzicht voor bijvoorbeeld overstekende voetgangers. Op grond van dit artikel kan het college een last onder bestuursdwang gebruiken om de bomen of beplanting te laten verwijderen of te snoeien. Afdeling 3. Evenementen Artikel 2:24 Definities Eerste lid In dit artikel is er voor gekozen ieder voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak als evenement te beschouwen, op enkele uitzonderingen na die in het eerste lid worden opgesomd. In veel gevallen gaat het om activiteiten die op andere plekken in de APV een eigen bepaling hebben of in landelijke wetgeving uitgewerkt zijn. Tweede lid Dit lid noemt activiteiten die wél worden beschouwd als evenementen. Herdenkingsplechtigheid Omdat een herdenkingsplechtigheid doorgaans wel voor publiek toegankelijk is, maar uiteraard niet als een verrichting van vermaak kan worden aangemerkt, wordt dit als evenement genoemd. Braderie Een braderie is van korte duur en komt met bepaalde regelmaat terug. Om die reden kan de activiteit niet als jaarmarkt of gewone markt worden beschouwd. Omdat een braderie een voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak is, is het een evenement.

Optochten Het houden van optochten, zoals Sinterklaasoptochten, die niet bedoeld zijn voor het uiten van een mening of gedachten of gevoelens, vallen niet onder de bescherming van de vrijheid van meningsuiting.

Feest, muziek Wanneer een feest voor publiek toegankelijk is, is er sprake van een evenement. Besloten feesten vakken niet onder de reikwijdte van het artikel. Belangrijk is om vast te stellen wanneer sprake is van een “besloten feest”. Dit kan enigszins afhankelijk zijn van de omstandigheden van het geval, maar vooral dient te worden gekeken of van tevoren al vaststaat wie op het feest aanwezig zullen zijn. In geval van een bedrijfsfeest waar wordt gewerkt met een lijst van uitgenodigde gasten, is er sprake van een besloten feest. Een feest met een besloten karakter – dus geen vrije toegang – maar waarvoor wordt geadverteerd en toegang mogelijk is door de aankoop van een toegangskaart, is geen besloten feest, Wedstrijd op of aan de weg Voor wedstrijden op of aan de weg is een vergunning van de burgemeester vereist. Wedstrijden met voertuigen op wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de WVW 1994 zijn op grond van artikel 10, eerste lid, van de WVW 1994 verboden. Het eerste lid van artikel 148 van de WVW 1994 bepaalt echter dat van dat verbod ontheffing kan worden verleend. Op grond van artikel 2:25 geldt voor andere wedstrijden op of aan de weg eveneens een vergunningplicht. Dit zijn bijvoorbeeld ‘vossenjachten’, droppings en dergelijke. Straatfeest of buurtbarbecue Een straatfeest en een buurtbarbecue vallen ook onder het begrip evenement.

Wanneer aan de voorwaarden van het derde lid wordt voldaan, kan gesproken worden van een klein evenement en is geen vergunning vereist. Hiervoor geldt wel een meldingsplicht (zie artikel 2:25). Derde lid Voor het organiseren van kleine eendaagse evenementen zoals het straatfeest of de buurtbarbecue is om administratieve lasten te verminderen gekozen voor een meldingsplicht. In het derde lid is een klein evenement daarom gedefinieerd. Er moet aan alle voorwaarden worden voldaan. Artikel 2:25 Evenementenvergunning Algemeen Voor middelgrote en grote evenementen is een vergunning noodzakelijk vanwege risico’s voor openbare orde, veiligheid, gezondheid, verkeersdoorstroming en milieu. Een melding volstaat bij kleine, vooraf afgebakende activiteiten. Derde lid Voor kleine evenementen volstaat een meldingsplicht. Het blijft verboden om zonder melding zo’n evenement zoals het straatfeest of de buurtbarbecue te houden, zodat de gemeente kan optreden als zonder deze melding een klein evenement wordt georganiseerd. Vierde lid Er kan aanleiding zijn om het organiseren van een klein evenement te verbieden. Dit is alleen mogelijk, als de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. Vijfde lid

Voor wedstrijden met voertuigen op of aan de weg is in de WVW 1994 een regeling getroffen. Daarom zijn deze in dit lid uitgezonderd. Op grond van artikel 10 van de WVW 1994 is een wedstrijd met voertuigen verboden, tenzij daarvoor ontheffing is verleend op grond van artikel 148 van de WVW 1994. Als de wegen waarvoor ontheffing wordt gevraagd alle in één gemeente liggen, is het college bevoegd om de ontheffing te verlenen. Zesde lid Door de meldingsplicht voor kleine evenementen niet van toepassing te verklaren op daartoe aangewezen categorieën full-contact vechtsportwedstrijden of -gala’s, geldt voor deze evenementen altijd een vergunningplicht op grond van het eerste lid. Aanvragers moeten aan verschillende voorwaarden voldoen, zoals voor VIP-tafels, alcoholschenking, leeftijdsgrenzen en toezicht van een erkende bond (zijnde de FOG, sectie Ringcontactsporten). Ook is het mogelijk om vergunningaanvragen te onderwerpen aan een Bibob-toets, waarbij screening plaatsvindt van de organisatie, financiering en zakenrelaties. Zevende lid De organisator van of aanvrager van een vergunning voor een full-contact vechtsportevenement is verantwoordelijk voor een goede gang van zaken tijdens het evenement en voor een ordelijk verloop ervan, zowel in het gebouw als in de directe omgeving daarvan.

De voorwaarde over het levensgedrag wordt gesteld om te kunnen toetsen of de organisator of de aanvrager van de vergunning op grond van zijn levensgedrag kan worden geacht aan deze verantwoordelijkheid te voldoen. De voorwaarde ziet alleen op de organisator(en) of de aanvrager van de vergunning, dat wil zeggen degene voor wiens rekening en risico het evenement wordt georganiseerd. Informatiebron voor de burgemeester kunnen politie- of strafvorderlijke gegevens zijn. Op grond van artikel 16, eerste lid, onder c, van de Wet politiegegevens kan de politie aan de burgemeester politiegegevens verstrekken voor zover hij deze behoeft in het kader van de handhaving van de openbare orde. En op grond van artikel 39f, eerste lid, onder b en d, en tweede lid, onder a, van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens kan het college van procureur-generaals aan de burgemeester strafvorderlijke gegevens verstrekken voor zover dit noodzakelijk is met het oog op een zwaarwegend algemeen belang in het kader van het handhaven van de orde en veiligheid en het nemen van een bestuursrechtelijke beslissing. De burgemeester weigert de vergunning als de levensgedragtoets negatief uitvalt. Achtste lid Kleinere evenementen zijn al vergunningsvrij. Deze vergunning ziet op grotere evenementen en fullcontact vechtsportevenementen.

Daarbij is een lex silencio positivo niet wenselijk, gezien de impact die een groot evenement kan hebben, met name op de openbare orde. Ook vragen vele aspecten van een groot evenement, zoals brandveiligheid, geluid, aanvoer, afvoer en parkeren van bezoekers, om maatwerk dat alleen een inhoudelijke vergunningsbeschikking kan bieden. Er zijn derhalve verschillende dwingende redenen van algemeen belang, met name de openbare orde, openbare veiligheid en milieu om van een lex silencio positivo af te zien. Paragraaf 4.1.3.3. van de Awb wordt derhalve van toepassing uitgezonderd. Artikel 2:25a Voetbalwedstrijden 3e divisie en hoger Dit artikel is een aanvulling op artikel 2:25 en geldt voor alle voetbalclubs binnen Hendrik-IdoAmbacht. Voetbalwedstrijden in deze competitie kunnen een risico vormen voor verstoring van de openbare orde en veiligheid. Wanneer de vergunning wordt verleend, is dit een doorlopende vergunning. Soms worden buiten de competitiewedstrijden georganiseerd tegen betaald voetbalclubs

als voorbereiding op de competitie, voor benefietredenen of jubilea. In deze gevallen geldt een meldingsplicht. Artikel 2:26 Ordeverstoring Dit artikel richt zich op bezoekers van evenementen en verbiedt gedragingen die de orde verstoren. De bepaling biedt een aanvullende grondslag naast strafrechtelijke bepalingen. Afdeling 4. Toezicht op openbare inrichtingen Artikel 2:27 Definities Dit artikel bevat definities die specifiek zijn voor deze afdeling. Het doel is de reikwijdte van de bepalingen duidelijk af te bakenen en interpretatieverschillen te voorkomen. Wat betreft de definitie van een inrichting kan nog worden opgemerkt dat een afhaalzaak hier niet onder valt. Er worden hier etenswaren verkocht die direct voor consumptie geschikt zijn, maar deze kunnen niet ter plekke worden geconsumeerd. Het gaat hier om onder meer pizzabakkers, sushi- of shoarmazaken die alleen maaltijden op bestelling thuis afleveren of waar de maaltijden kunnen worden afgehaald. Dit type bedrijven vallen onder de Winkeltijdenwet en de lokale Winkeltijdenverordening. Voor deze zaken is dus geen horeca-exploitatievergunning nodig. Wel is het afhankelijk van de lokale Winkeltijdenverordening of ze op zon- en feestdagen open kunnen zijn en of ze op doordeweekse dagen om 22.00 uur moeten sluiten.

Artikel 2:28 Exploitatie openbare inrichtingen Eerste lid De exploitatievergunning wordt verleend door de burgemeester. Dat volgt uit artikel 174 Gemeentewet: de burgemeester is belast met de uitvoering van verordeningen voor zover die zien op toezicht op voor het publiek openstaande gebouwen. Tweede lid Voor een aantal kleinschalige openbare inrichtingen waar geen alcohol wordt geschonken en waar de openbare orde evident niet in het geding is, is geen vergunning vereist (bijv. tearooms, ontbijthoekjes, ijssalons, bedrijfskantines/-restaurants). Dit voorkomt onnodige regeldruk bij lichte horecavormen. Derde lid De lex silencio positivo is uitgesloten wegens dwingende redenen van algemeen belang. Het is onwenselijk dat (met name) horeca-inrichtingen of vrijstellingen zonder inhoudelijke toets “van rechtswege” kunnen ontstaan, gezien belangen als openbare orde en milieu. Artikel 2:28b Inhoud exploitatievergunning en aanhangsel vergunning Dit artikel regelt dat de vergunning en het aanhangsel afzonderlijk worden afgegeven. Hierdoor kan bij wijziging van een leidinggevende alleen het aanhangsel worden aangepast, zonder de hele vergunning opnieuw te moeten vervangen. Artikel 2:28d Wijziging aanhangsel exploitatievergunning Dit artikel maakt het mogelijk dat bij een wijziging van een leidinggevende slechts een aanvraag wordt gedaan voor wijziging van het aanhangsel.

Daarmee wordt voorkomen dat de volledige

vergunning opnieuw moet worden verleend, met bijbehorende bezwaar- en beroepsmogelijkheden over de hele vergunning. Artikel 2:28e Weigeringsgronden Eerste lid Als het omgevingsplan vestiging van een horecabedrijf ter plaatse niet toelaat, ligt het niet voor de hand om wel een exploitatievergunning te verlenen. Er kan immers toch geen gebruik van worden gemaakt wegens strijd met het omgevingsplan. Strijd met het omgevingsplan is daarom als imperatieve weigeringsgrond opgenomen. Dit betekent dat de burgemeester hier niet van kan afwijken. Hij heeft wel beoordelingsruimte in het toetsen aan het omgevingsplan. Tweede lid Omdat de weigeringsgronden zoals genoemd in artikel 1:8 voor de horeca ruim zijn geformuleerd, is onder a bepaald dat het om de openbare orde gaat en om het woon- en leefklimaat. Ook is slecht levensgedrag van de exploitant of leidinggevende een weigeringsgrond. Artikel 2:29 Sluitingstijd Eerste lid Dit artikel bevat de sluitingsregeling, met onderscheid tussen werkdagen en weekeinde. Grondslag is artikel 149 Gemeentewet. De sluitingsregeling ziet op de gedeelten waar de horecawerkzaamheden plaatsvinden; een terras op trottoir hoort bij de inrichting, een bovenwoning van de exploitant niet. Ook sportkantines, sociëteiten en verenigingsgebouwen kunnen als inrichting gelden.

Vijfde lid Bij winkels met een horecagedeelte geldt voor de horeca dezelfde sluitingstijd als voor de winkel, om te voorkomen dat horeca-activiteiten na winkelsluiting worden voortgezet. Anders zou er geen sprake meer zijn van horeca die ondergeschikt is aan de overige bedrijfsvoering. Zesde lid Een inrichting kan daarnaast vergunningplichtig zijn op grond van milieuregelgeving (zoals Wet milieubeheer/Activiteitenbesluit). Via die kaders kunnen ook voorschriften worden gesteld ter voorkoming van indirecte gevolgen van de inrichting. Zevende lid Hoewel het vaak om een overzichtelijk besluit gaat, is een stilzwijgende ontheffing onwenselijk voor omwonenden en andere ondernemers. Daarom is de lex silencio positivo uitgesloten. Artikel 2:30 Afwijking sluitingstijden; tijdelijke sluiting Eerste lid Op grond van artikel 174 Gemeentewet kan de burgemeester tijdelijk afwijkende sluitingsuren opleggen of tijdelijk sluiten, in het belang van openbare orde, veiligheid of gezondheid, of wegens bijzondere omstandigheden (zoals feestdagen). De bevoegdheid kan gelden voor één inrichting, meerdere of zelfs alle horecabedrijven, maar is steeds tijdelijk van aard. Tweede lid Om strijd met de Opiumwet te voorkomen, is het tweede lid toegevoegd. Artikel 2:31 Verboden gedragingen

Onder a Deze bepaling geeft een verbod om de orde in horecabedrijven te verstoren. Het verbod richt zich primair op de bezoekers van het horecabedrijf. Onder b Ook dit verbod richt zich tot (potentiële) bezoekers. Wie met toestemming van de exploitant binnen is terwijl de inrichting gesloten moet zijn, overtreedt dit artikel. Zonder toestemming kan ook sprake zijn van lokaalvredebreuk (art. 138 WvSr). In de exploitatievergunning wordt overigens ook als voorschrift opgenomen dat de exploitant na sluitingstijd geen bezoekers meer in de inrichting aanwezig mag hebben. Onder c Het gestelde onder c richt zich tot de exploitant. Artikel 2:32 Handel binnen openbare inrichtingen Dit artikel ziet op het tegengaan van (met name) heling in horeca. In sommige cafés wordt gestolen goed verhandeld. Het artikel sluit aan bij het verbod op kleinhandel in art. 14 Alcoholwet (dat vooral verkoophandelingen betreft), maar is breder opgezet voor de exploitant. Omdat het verbod zich richt op de exploitant (en niet op de handelaar), is het gebaseerd op artikel 149 Gemeentewet; de strafsanctie volgt uit artikel 154 Gemeentewet Artikel 2:33 Het college als bevoegd bestuursorgaan Het begrip ‘openbare inrichting’ (art. 2:27) kan ook zien op inrichtingen die niet voor het publiek toegankelijk zijn (bijv. besloten sociëteiten/verenigingen).

In die gevallen is gelet op artikel 174 Gemeentewet niet de burgemeester maar het college bevoegd. De tekst is daarop in overeenstemming gebracht. Afdeling 5. Regulering paracommerciële rechtspersonen en overige aangelegenheden uit de Alcoholwet Deze afdeling is niet opgenomen in de APV, omdat de raad hiervoor een aparte verordening heeft vastgesteld. Afdeling 6. Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf Artikel 2:35 Definitie Inrichting Het begrip inrichting sluit aan bij artikel 438 Wetboek van Strafrecht. Het gaat om het als beroep verschaffen van nachtverblijf aan personen en om het als beroep of gewoonte beschikbaar stellen van een terrein voor nachtverblijf of het plaatsen van kampeermiddelen en dergelijke. Artikel 2:36 Kennisgeving exploitatie Dit artikel beoogt dat de burgemeester een zo volledig mogelijk overzicht heeft van de in de gemeente aanwezige nachtverblijf- en kampeerinrichtingen. De kennisgeving ondersteunt toezicht en maakt het mogelijk sneller te handelen bij signalen of incidenten. Artikel 2:38 Verschaffing gegevens nachtregister Op grond van artikel 438 Wetboek van Strafrecht is een ondernemer die een hotel of pension drijft verplicht een nachtregister bij te houden. Dit APV-artikel sluit daarop aan door de gast te verplichten

mee te werken en de benodigde gegevens te verstrekken. Bij het opvragen van gegevens wordt aangesloten bij het uitgangspunt van de AVG: er worden alleen gegevens gevraagd die artikel 438 WvSr noemt (niet méér dan noodzakelijk). Afdeling 7. Toezicht op speelgelegenheden Artikel 2:38a Definities Eerste lid In de Wet op de Kansspelen (hierna: Wok) is een uitputtende regeling neergelegd voor de kansspelen bedoeld in artikel 1 van die wet, zoals speelcasino’s en speelautomaten. De wet is niet van toepassing op spelen, met uitzondering van behendigheidsautomaten, waarbij de spelers door hun behendigheid de kans om te winnen kunnen vergroten. Deze restcategorie van speelgelegenheden voor behendigheidsspelen wordt hier bedoeld. Het gaat dus om speelgelegenheden, waarop de Wok geen betrekking heeft. Tweede lid In deze afdeling voorkomende begrippen die in de Wok zijn omschreven, hebben dezelfde betekenis als in die wet. Artikel 2:39 Speelgelegenheden Eerste, tweede en derde lid Voor het exploiteren van een speelgelegenheid waarop de Wok niet van toepassing is, geldt een vergunningplicht. Deze vergunningplicht heeft als doel het beschermen van de openbare orde en het woon- en leefklimaat. De reikwijdte is daarmee bewust beperkt tot de categorie speelgelegenheden die niet al door de Wok wordt geregeld. Vierde lid Een vergunning van rechtswege is hier onwenselijk.

De vergunning beoogt bescherming van met name de openbare orde, en daarnaast speelt het tegengaan van gokverslaving een rol. Daarom is paragraaf 4.1.3.3 Awb (lex silencio positivo) uitgezonderd wegens dwingende redenen van algemeen belang, zoals openbare orde en volksgezondheid. Artikel 2:40 Kansspelautomaten Dit artikel werkt artikel 30c, tweede lid, Wok uit. De gemeenteraad stelt bij verordening vast voor hoeveel kansspelautomaten per hoog- en laagdrempelige inrichting een aanwezigheidsvergunning kan worden verleend. Voor hoogdrempelige inrichtingen geldt een maximum van twee kansspelautomaten. In laagdrempelige inrichtingen zijn ze helemaal niet toegestaan. Kansspelautomaten zijn speelautomaten die geen behendigheidsautomaat zijn (zoals een flipperkast), maar gokkasten waarbij geld kan worden gewonnen en behendigheid doorgaans geen rol speelt. Afdeling 8. Maatregelen ter voorkoming van overlast, gevaar of schade Artikel 2:41 Betreden gesloten woning of lokaal Eerste lid De burgemeester kan op grond van artikel 174a Gemeentewet woningen, niet‑publiek toegankelijke lokalen of bijbehorende erven sluiten bij (drugs)overlast. Omdat de Gemeentewet de rechtsgevolgen

van de sluiting niet uitwerkt, regelt de APV het verbod om een gesloten pand te betreden (met sanctiemogelijkheid bij overtreding). Tweede lid Dit lid sluit aan bij artikel 13b Opiumwet (bestuursdwang bij drugsverkoop/-aanwezigheid). Ook hier geldt dat de APV het betredingsverbod regelt om overtreding te kunnen sanctioneren. Derde lid Het derde lid voorkomt dat het verbod te absoluut is: betreden kan noodzakelijk zijn wegens dringende redenen. Artikel 2:42 Plakken en kladden Eerste lid Dit lid bevat een absoluut verbod op bekladden en bekrassen. Het gaat niet om meningsuitingen, maar om vandalisme. Tweede lid Aanplakbiljetten kunnen een middel van meningsuiting zijn. Daarom verbiedt dit artikel niet “meningsuiting als zodanig”, maar beperkt het waar en hoe mag worden geplakt. Zo wordt geen ongeoorloofde inbreuk gemaakt op artikel 7 Grondwet. Vijfde en zevende lid Voor een beperking op plakken geldt als voorwaarde dat de gemeente voldoende plakplaatsen beschikbaar stelt. Het college kan aanplakborden aanwijzen en nadere regels stellen. Bij onvoldoende plakplaatsen kan strijd ontstaan met grondrechten (de richtlijn is 1 plakbord/-zuil per 10.000 inwoners). Artikel 2:43 Vervoer plakgereedschap en dergelijke Dit artikel versterkt artikel 2:42 door ook het bij zich hebben van plak- en kladmaterialen onder omstandigheden aan te pakken.

Het tweede lid biedt een rechtvaardigingsgrond als aannemelijk is dat de spullen niet bedoeld waren voor verboden plakken/kladden. Artikel 2:44 Vervoer inbrekerswerktuigen Deze verbodsbepaling beoogt het plegen van misdrijven zoals diefstal met braak te bemoeilijken. Artikel 2:44a Vervoer geprepareerde voorwerpen Dit artikel verbiedt het vervoeren van voor (winkel)diefstal geprepareerde tassen of voorwerpen op of nabij winkelgebieden. Lid 2 bevat een afbakening: het verbod geldt niet als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat geen intentie bestaat om winkeldiefstal te plegen. Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen Met dit artikel kan worden opgetreden tegen onnodige hinder of overlast op openbare plaatsen. Het is een praktische aanvulling op strafrechtelijke bepalingen over baldadigheid, omdat die vaak strakker zijn geformuleerd dan wat in het dagelijks gebruik als overlast wordt ervaren. Specifiek is een verbod opgenomen voor het klimmen op bruggen en andere kunstwerken of het hiervan afspringen in het water. In de zomer wordt vaak overlast gemeld van jongeren die vanaf bruggen het water inspringen als vorm van recreatie. Dit levert niet alleen geluidsoverlast en afval op,

maar er wordt ook melding gemaakt dat de jongeren voorbijgangers lastigvallen en op steigers en tuinen van langs het water liggende woningen klimmen. Handhaving hierop is zonder artikel in de APV lastig. De politie kijkt namelijk vooral naar gevaarzetting en het waterschap kampt met capaciteitsproblemen in de handhaving. Artikelen in de APV over hinderlijke ophouden in openbaar water vallen niet binnen het domein van gemeentelijke boa’s, waardoor zij hier ook niet op kunnen handhaven. De toevoeging van dit onderdeel aan het artikel maakt dat de boa’s wel een handhavingsgrondslag hebben om overlast in deze vorm aan te pakken. Artikel 2:48 Verboden drankgebruik Het college kan een gebied aanwijzen waar het verboden is alcohol te nuttigen of aangebroken alcoholhoudende verpakkingen bij zich te hebben. Het verbod geldt niet voor horecaterrassen of evenementen waar op grond van artikel 35 Alcoholwet toestemming is verleend om alcohol te verstrekken. Sinds de Alcoholwet is alcoholgebruik voor jongeren onder de 18 al landelijk verboden; daarom richt dit verbod zich op personen van 18 jaar en ouder. Bij dit artikel moet worden opgemerkt dat er sprake moet zijn van een duidelijk omschreven aangewezen gebied, zoals bijvoorbeeld een uitgaansgebied of een park waar regelmatig overlast wordt veroorzaakt. Het is niet mogelijk het gehele grondgebied van de gemeente aan te wijzen.

Er moet een concrete aanleiding zijn waarom een bepaald gebied aangewezen wordt. Een gebied kan worden aangewezen als gerechtvaardigde vrees bestaat voor aantasting van de openbare orde, of de openbare orde is al aangetast. Artikel 2:49 Verboden gedrag bij of in gebouwen Op basis van artikel 2:49 kan tegen vormen van onnodige hinder of overlast bij of in gebouwen worden opgetreden. Voor de verdere toelichting wordt aangesloten bij de uitleg van artikel 2:47. Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten Dit artikel dient het misbruik van bepaalde, voor het publiek toegankelijke ruimten zoals parkeergarages, telefooncellen en wachtlokalen voor een openbaar vervoermiddel tegen te gaan. In dit artikel wordt het woord ‘ruimte’ gebruikt ter onderscheiding van het in de APV voorkomende begrip ‘weg’. Artikel 2:50a Messen en andere voorwerpen als steekwapen Algemeen Het wapenbezit in het algemeen en gebruik van steekwapens in het bijzonder is fors toegenomen. Het doel van het artikel is bescherming te bieden tegen mogelijke aantasting van de openbare orde en veiligheid door het bij zich hebben (dragen) van messen en andere voorwerpen die als steekwapen kunnen worden gebruikt te verbieden.

Het artikel is een aanvulling op de Wet wapens en munitie (hierna: Wwm) en verbiedt het bij zich hebben van andere dan in de Wwm aangeduide messen of van voorwerpen die als steekwapen kunnen worden gebruikt, maar waarbij nog geen sprake is van een situatie waarin, gelet op hun aard of de omstandigheden waaronder deze voorwerpen worden aangetroffen, redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zij zijn bestemd om letsel aan personen toe te brengen of te dreigen. Hierdoor kan aantasting van de openbare orde preventief worden voorkomen en wordt de veiligheid bevorderd. Tweede lid Dit lid waarborgt dat messen en voorwerpen die zijn ingepakt, bijvoorbeeld omdat deze in een winkel zijn aangeschaft en nog in de verpakking zitten, niet onder het verbod vallen. Het doel van het artikel

is bescherming te bieden tegen mogelijke aantasting van de openbare orde en veiligheid, maar aanschaf van bijvoorbeeld een keukenmes moet mogelijk blijven. Het moet dan wel zodanig zijn verpakt dat het niet onmiddellijk kan worden aangewend. Derde lid De Wwm gaat voor: als sprake is van een situatie die onder artikel 2 Wwm valt, dan regelt de Wwm. Artikel 2:50b Verbod speelgoed- en nepwapen Dit artikel heeft dezelfde strekking als artikel 2:50a, maar dan in de situaties dat het gaat om een speelgoed- of nepwapen., omdat dit eveneens gevoelens van onveiligheid en risico op ordeverstoring kan veroorzaken.

Artikel 2:51 Neerzetten van voertuigen Het artikel ziet op overlast door het neerzetten van voertuigen (breed opgevat, zodat ook bijvoorbeeld (elektrische) steps eronder vallen). Denk aan voertuigen tegen gevels of op plekken waar de eigenaar dit niet wil of waar de toegang tot een gebouw wordt gehinderd. Artikel 2:52 Overlast van voertuigen op markt en kermisterrein en dergelijke Op basis van verkeersregels (RVV) kunnen weggebruikers om verkeersredenen worden geweerd, maar dit artikel ziet op een ander motief: voorkomen van hinder in mensenmenigten. Het college kan terreinen aanwijzen die tijdens markt/kermis als “voor voertuigen verboden” gelden, mits dit voor bezoekers kenbaar is. Het tweede lid bevat uitzonderingen, bijvoorbeeld voor voertuigen die noodzakelijk zijn voor werkzaamheden of dringende redenen (zoals markt-/kermiswagens en hulpdiensten). Artikel 2:54 Verbod gebruik openbare plaats als slaapplaats Regelmatig ontvangt de gemeente meldingen van o.a. campers, caravans en busjes in de openbare ruimte waar personen in overnachten. Dit verloedert niet alleen de gemeente, maar kan ook hinder, overlast, brandgevaar, verontreiniging van de openbare ruimte en risico’s voor de volksgezondheid met zich meebrengen. Er wordt daarom in de APV een verbod opgenomen om tussen zonsondergang en zonsopgang op een openbare plaats te overnachten.

Ook geldt het verbod wanneer het gebruik als slaapplaats leidt tot overlast/hinder, gevaar of aantasting van het woon- en leefklimaat. Bij toezicht en handhaving is proportionaliteit belangrijk. Vaak kan worden volstaan met een waarschuwing; beboeten van dakloze personen is niet altijd zinvol. Het artikel kan in de praktijk ook dienen als “stok achter de deur” voor toeleiding naar ondersteuning of opvang. Het college kan ontheffing verlenen in bijzondere gevallen (bijv. overnachten in voertuig door aanbieders van een evenement). Lid 3 bevat afbakening: voor ligplaatsen met vaartuigen/woonboten, woonwagens met woonbestemming en nachtverblijf op kampeerterreinen of aangewezen kampeerplaatsen gelden aparte regels. Artikel 2:57 Loslopende honden Dit artikel beperkt het loslopen van honden in aangewezen gebieden en verplicht identificatie (halsband of ander middel) zodat de eigenaar/houder kan worden vastgesteld. Het doel is voorkoming van overlast, met nadruk op verkeersveiligheid, hinder, schade, verontreiniging en dierenwelzijn. Er zijn situaties waarin een strikt aanlijngebod niet passend is, zoals bij blindengeleidehonden en andere sociale hulphonden; daarvoor is een voorziening opgenomen.

Verder maakt lid 1, onder c, het mogelijk ook buiten de bebouwde kom plaatsen aan te wijzen waar aanlijnen verplicht is. Artikel 2:58 Verontreiniging door honden Hondenuitwerpselen leveren gezondheidsrisico’s en ergernis op. In de praktijk is handhaving lastig, omdat op heterdaad moet worden gezien dat uitwerpselen niet worden opgeruimd. De aanpak is daarom deels preventief. Een verplichting om opruimmiddelen bij zich te hebben is beter controleerbaar. Lid 2 bevat een uitzondering voor geleidehonden en sociale hulphonden. Artikel 2:59 Gevaarlijke honden Dit artikel geeft de burgemeester de mogelijkheid om na een (bijt)incident – wanneer strafrechtelijk optreden niet passend wordt geacht – een gebod op te leggen zoals muilkorven of kort aanlijnen. Omdat landelijk geen definitie van muilkorf meer is opgenomen, bevat dit artikel een definitie. Overtreding is strafbaar via artikel 6:1. Artikel 2:60 Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren Door de zinsnede “buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer” wordt de afbakening met milieuregelgeving vastgelegd. Het college kan plaatsen aanwijzen waar het houden van bepaalde dieren overlast of volksgezondheidsrisico’s veroorzaakt en kan daarbij nadere regels stellen. Dat laatste is delegatie van verordenende bevoegdheid (art. 156 Gemeentewet).

Artikel 2:60a Verbod op voeren van dieren op openbare plaats of openbaar water Eerste lid Dit artikel verbiedt het voeren van dieren (zoals eenden, ganzen en duiven) op openbare plaatsen of openbaar water. Voedselresten trekken ratten en andere plaagdieren aan en kunnen leiden tot gezondheidsproblemen en schade aan eigendommen en infrastructuur. Daarnaast kan mensenvoedsel schadelijk zijn voor dieren en zorgen resten voor vervuiling van water. Tweede lid In het tweede lid worden enkele uitzonderingen opgenomen, waaronder voor personen die dieren voeren in opdracht van de beheerder van de openbare plaats of openbaar water. Ook is het voor bijvoorbeeld hondeneigenaren niet verboden om de hond te voeren met een brokje. Daarnaast kan het college categorieën aanwijzen waar het verbod niet geldt. Artikel 2:65 Bedelarij Bedelarij kan de openbare orde raken als het agressief of hinderlijk gebeurt (aanraken, intimideren, versperren, volgen). Sinds de strafbaarstelling uit het WvSr is verdwenen, is optreden lastiger; de wetgever heeft wel ruimte gelaten voor gemeentelijke regulering bij ordeverstoring. Op grond van dit artikel kan het college gebieden aanwijzen waar een bedelverbod geldt als daar een overlastsituatie ontstaat. Straatmuziek met een verzoek om bijdrage valt niet onder dit artikel maar onder artikel 2:9.

Verkoop van daklozenkranten valt er evenmin onder, omdat dit niet aan een vergunning kan worden verbonden vanwege de vrijheid van meningsuiting. Een volledig verbod op bedelarij is niet mogelijk sinds een uitspraak van het Europese Hof voor de rechten van de mens, waarin werd geoordeeld dat de menselijke waardigheid wordt aangetast als iemand niet beschikt over voldoende bestaansmiddelen. Bedelarij valt volgens het hof onder het recht op eerbiediging van het privéleven.

Afdeling 9. Bestrijding van heling van goederen Artikel 2:67 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister Hier is een algemene verplichting opgenomen om een verkoopregister bij te houden (‘alle’ goederen). Momenteel wordt in de Tweede Kamer een wetsvoorstel behandeld waarmee het DOR verplicht wordt gesteld als register (zie Kamerstukken II 2021/22, 36036, nr. 2 (voorstel van wet) en Kamerstukken II 2021/22, 36036, nr. 3 (memorie van toelichting). In de praktijk werken al 180 gemeenten met het DOR, waaronder Hendrik-Ido-Ambacht. In het artikel wordt alvast voorgesorteerd op toekomstige wetgeving. Aangezien het meestal zal gaan om bepaalde goederen als fietsen, auto’s of antiek, is in het tweede lid een vrijstellingsbepaling toegevoegd. Derde lid Hier wordt de lex silencio positivo van toepassing verklaard op de ontheffing van het tweede lid. De burgemeester kan vrijstelling verlenen van één tot alle verplichtingen in dit artikel. Doorgaans zal daarvoor een praktische reden zijn. Bovendien lijdt de ondernemer doorgaans geen grote schade wanneer er per abuis een vrijstelling van rechtswege ontstaat en die wordt teruggedraaid. Artikel 2:68 Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht Deze bepaling is gebaseerd op artikel 437ter, eerste lid, WvSr en bevat voorschriften die het gevaar voor heling moeten voorkomen. Afdeling 10.

Consumentenvuurwerk In de Wet veilige jaarwisseling is een landelijk verbod op het bezit en afsteken van consumentenvuurwerk opgenomen. De wet is nog niet in werking getreden, waardoor nog weinig duidelijk is over hoe deze wet invloed heeft op de bepalingen in de APV. Zolang de VNG hier nog geen uitspraken over heeft gedaan, blijven de artikelen in hun huidige vorm bestaan.

Afdeling 11. Drugsoverlast Artikel 2:74 Drugshandel op straat De Opiumwet is landelijke wetgeving en regels al de strafbaarheid en bestuurlijke bevoegdheden rondom drugs. Er wordt echter geen aandacht besteed aan overlast die het gevolg is van drugshandel op straat. Dit artikel biedt daarom een gemeentelijke grondslag om hiertegen op te treden. Artikel 2:74a Openlijk drugsgebruik Openlijk drugsgebruik kan op bepaalde plekken leiden tot hinder, overlast en gevoelens van onveiligheid. Dit artikel biedt een grondslag om daartegen op te treden in de publieke ruimte. Afdeling 12. Bijzondere bevoegdheden van de burgemeester Artikel 2:75 Bestuurlijke ophouding Dit artikel is gebaseerd op artikel 154a Gemeentewet. Het geeft de burgemeester de bevoegdheid om bij grootschalige ordeverstoringen groepen ordeverstoorders maximaal 12 uur op te houden op een aangewezen plaats. Vervoer naar de plaats van ophouding valt daar ook onder. Voorbeelden van grootschalige ordeverstoringen zijn risicowedstrijden in het betaald voetbal, uit de hand lopende

demonstraties en krakersrellen. Voor toepassing is een verordeningsgrondslag vereist waarin de raad de burgemeester deze bevoegdheid geeft voor groepsgewijze niet-naleving van concrete voorschriften. Artikel 2:75 voorziet hierin. Artikel 2:76 Veiligheidsrisicogebieden Op grond van artikel 151b Gemeentewet kan de raad de burgemeester de bevoegdheid geven gebieden aan te wijzen waar de officier van justitie de controlebevoegdheden uit de Wet wapens en munitie kan laten uitoefenen (onderzoek vervoermiddelen, onderzoek kleding en openen van verpakkingen). De burgemeester kan een gebied aanwijzen als uit feiten of omstandigheden blijkt dat sprake is van verstoring van de openbare orde door wapens, of ernstige vrees daarvoor. De aanwijzing moet niet langer duren en niet groter zijn dan strikt noodzakelijk. Voordat de burgemeester een gebied aanwijst, overlegt hij hierover in de lokale driehoek met de officier van justitie en de korpschef.

Daarbij komen de volgende onderwerpen aan de orde: - feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat er sprake is van verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens of ernstige vrees voor het ontstaan daarvan; - zorgvuldige afweging van het objectieve en subjectieve veiligheidsbelang en het individuele belang van de burgers (privacy); - subsidiariteit en proportionaliteit; - breder handhavingsbeleid in het beoogd gebied ter vergroting van leefbaarheid en veiligheid. Artikel 2:77 Cameratoezicht op openbare plaatsen Op grond van artikel 151c Gemeentewet kan de raad de burgemeester bevoegd maken cameratoezicht toe te passen op openbare plaatsen in het belang van de handhaving van de openbare orde. De raad kan bepalen op welke plaatsen dit kan en wat de maximale duur is. Het plaatsen van camera’s is een zware maatregel. Het Openbaar Ministerie wenst daarom dat aan de inzet van cameratoezicht een deugdelijke motivering ten grondslag ligt, waarbij de principes van subsidiariteit en proportionaliteit zijn gewaarborgd. Er dient vooral aangetoond te worden welke overlast wordt ervaren en dat dit in zodanige mate ernstig is dat er cameratoezicht wordt gewenst.

Om aan de motiveringseis van het OM te voldoen, worden na vaststelling van deze APV beleidsregels opgesteld waarin wordt vastgelegd onder welke specifieke omstandigheden cameratoezicht wordt ingezet, hoe de belangenafweging tussen veiligheid en privacy plaatsvindt en hoe de evaluatie van de camera-inzet wordt vormgegeven. Artikel 2:78 Gebiedsontzegging Dit artikel geeft de burgemeester de bevoegdheid een gebiedsontzegging op te leggen bij (ernstige vrees voor) openbare-ordeverstoring of overlastgevend gedrag. Het gaat vaak om personen die strafbare feiten of ordeverstorende handelingen verrichten en doorgaans al eerder bestuurlijk zijn gewaarschuwd. Als zowel de APV als artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet (lichte bevelsbevoegdheid) toegepast kan worden, gaat dit APV‑artikel voor. Een gebiedsontzegging lijkt in zekere zin op een samenscholingsverbod. Het verschil ziet er vooral op dat een gebiedsontzegging wordt opgelegd aan een specifieke persoon of groep personen, terwijl een samenscholingsverbod meer algemene strekking heeft.

Voorwaarden Voor het toepassen van een openbare ordemaatregel, zoals een gebiedsontzegging, moet aan de volgende voorwaarden zijn voldaan. - Het situatievereiste: er moet sprake zijn van omstandigheden die tot ingrijpen ter handhaving van de openbare orde kunnen noodzaken. - Het doelcriterium: de maatregel moet zijn gericht op het beëindigen of voorkomen van (verdere) ordeverstoringen of overlast of het beperken van de gevolgen daarvan. - Het toepassen van de bevoegdheid kan alleen ten tijde van een (dreigende) ordeverstoring. - De duur van deze concrete maatregel moet direct gekoppeld zijn aan de situatie dat er gevaar dreigt voor de openbare orde. Hierdoor kan de duur van de maatregel niet onevenredig lang zijn. - Bij de toepassing van de maatregel mag niet worden afgeweken van wettelijke voorschriften. - Subsidiariteit en proportionaliteit: er is geen minder zwaar middel voorhanden en het opleggen van een tijdelijk verbod moet in verhouding staan tot de te bestrijden problematiek of het te bereiken doel. Artikel 2:79 Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet Eerste lid Dit lid bevat een zorgplicht: een bewoner moet zich zo gedragen dat omwonenden geen ernstige hinder ondervinden. Bij ernstige en herhaaldelijke hinder kan niet alleen niet alleen de huurder, maar ook de verhuurder worden aangesproken.

Dit voorkomt dat bijvoorbeeld woningcorporaties geen verantwoordelijkheid nemen voor hun huurders en hun gedrag. Tweede lid Dit lid regelt in welke gevallen de burgemeester in ieder geval een last onder bestuursdwang of last onder dwangsom kan opleggen. Het artikel noemt de dwangsom niet apart omdat die bevoegdheid al volgt uit de Awb in samenhang met artikel 125 Gemeentewet. Welke herstelsanctie passend is, wordt per situatie afgewogen. Dit wordt verder uitgewerkt in beleidsregels. De last kan bestaan uit concrete gedragsaanwijzingen. Artikel 2:80 Sluiting overlastgevende voor het publiek openstaande gebouwen Eerste lid De burgemeester kan een voor het publiek openstaand gebouw of het daarbij behorende erf sluiten als overlast, verstoring van de openbare orde of aantasting van het woon- en leefklimaat dreigt. Artikel 2:81 bevat daarnaast een aanvullende sluitingsbevoegdheid voor situaties waarin een vergunningplicht geldt. Dit artikel kan onder meer worden gebruikt als: • in of vanuit een publiek toegankelijk pand strafbare feiten plaatsvinden die de openbare orde of het woon- en leefklimaat nadelig beïnvloeden; • ondernemers van (dienstverlenende) bedrijven zoals garages, autoverhuurders, uitzendbureaus of winkels overlast (blijven) veroorzaken, strafbare feiten plegen of deze faciliteren/gedogen/toestaan.

Daarnaast kan de burgemeester hiermee optreden tegen een illegaal gokpand (zonder toestemming op grond van de Wok). Bij een dergelijk pand is sprake van aantasting van de openbare orde in ruime zin. Als het pand echter (mede) als woning wordt gebruikt, kan sluiting niet op grond van dit artikel, maar via artikel 174a Gemeentewet.

Tweede lid Het artikel is een aanvulling op de bevoegdheden van de burgemeester om op grond van de APV (artikel 2:30) of artikel 13b van de Opiumwet overlastgevende inrichtingen, zoals horecabedrijven en seksinrichtingen, of woningen op grond van artikel 174a Gemeentewet te sluiten. Artikel 2:81 Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat Algemeen Dit artikel geeft de burgemeester de bevoegdheid om bedrijfsmatige activiteiten aan te wijzen waarvoor een verbod geldt om deze zonder vergunning uit te oefenen. Hij kan deze bevoegdheid inzetten als dat nodig is om verstoring van de openbare orde of nadelige beïnvloeding van de leefbaarheid tegen te gaan, als die wordt veroorzaakt door een onveilig en malafide ondernemersklimaat vanuit een gebouw, een branche of in een gebied. Daarom wordt het ook wel de ‘ondermijningsvergunning’ genoemd. Op het moment van vaststellen van deze APV zijn er nog geen categorieën aangewezen waarop een dergelijke vergunningsplicht geldt. Als dit op een later moment wel wordt gedaan, moet hierop beleid worden opgesteld. Er dient goed te worden gemotiveerd waarom een vergunningplicht in de aan te wijzen gevallen nodig wordt geacht in de aanpak van ondermijning. Tweede lid De burgemeester kan met het aanwijzingsbesluit in dit lid nieuwe en reeds gevestigde ondernemers onderwerpen aan een systeem van verplichte vergunningen.

De burgemeester wijst een bedrijfsmatige activiteit en gebouw of gebied uitsluitend aan als naar zijn oordeel de leefbaarheid of openbare orde en veiligheid onder druk staat dan wel nadelig kan worden beïnvloed. Belangrijk is dat concrete incidenten niet altijd nodig zijn: een aanwijzing kan ook preventief worden gegeven als een branche, gebouw of gebied extra aandacht vraagt om de situatie te verbeteren. Derde lid In het derde lid is het verbod opgenomen om in een aangewezen gebouw of gebied zonder vergunning van de burgemeester bedrijfsmatige activiteiten te verrichten. In het aanwijzingsbesluit worden de bedrijfsmatige activiteiten genoemd waar de aanwijzing betrekking op heeft. Dat kunnen ook alle bedrijfsmatige activiteiten zijn, zoals detailhandel. De burgemeester kan ook gemeentebreed een branche aanwijzen. Dan geldt een vergunningplicht voor die activiteiten die behoren tot de branche. Dit maakt het ook mogelijk om deze vergunningplichtige branches te screenen door middel van een Bibob-toets. Zesde lid De algemene intrekkings- of wijzigingsgronden staan vermeld in artikel 1:6. In het zesde lid staan de specifieke intrekkings- en wijzigingsgronden vermeld. Toezicht op en handhaving van de vergunningplicht is mogelijk door intrekking van een reeds verstrekte vergunning of door sluiting van het bedrijf.

Voor de reikwijdte van het begrip ‘niet in enig opzicht van slecht levensgedrag’ wordt aangesloten bij de terminologie van de Alcoholwet. Als de exploitant zijn verplichtingen uit het artikel of de vergunningvoorschriften niet nakomt, kan er reden zijn de vergunning in te trekken. Zevende lid Artikel 2:80 biedt de mogelijkheid overlastgevende voor het publiek openstaande gebouwen te sluiten. Artikel 2:81 bevat een aanvullende sluitingsbevoegdheid wanneer sprake is van een vergunningplicht. Het toetsingskader voor sluiting is anders dan voor een vergunning. Als een sluiting

op grond van artikel 2:80 in dezelfde situatie leidt tot het aanwijzen als vergunningplichtig, gevolgd door een weigering van de vergunning, dient de burgemeester ervoor te waken dat het oordeel over de vergunning niet vermengd raakt met het oordeel over de sluiting. Twaalfde lid De vergunninghouder moet relevante wijzigingen melden. Dit is nodig om zicht te houden op veranderingen die van invloed kunnen zijn op de vergunning. Als er geen belemmeringen zijn, kan een gewijzigde vergunning worden verleend. Vijftiende lid Voor nieuwe exploitanten geldt de vergunningplicht onmiddellijk na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit. Onder nieuwe exploitanten worden ook verstaan exploitanten die een andere bedrijfsmatige activiteit dan voorheen willen uitoefenen en/of op een andere locatie dan voorheen. Exploitanten kunnen dus niet de inwerkingtreding van het verbod rekken door op een locatie waar zij al actief zijn over te stappen op een andere bedrijfsmatige activiteit die ook onder de aanwijzing valt. Zij kunnen de inwerkingtreding van het verbod ook niet rekken door naar een locatie verderop in de aangewezen straat uit te wijken. Zij worden dan aangemerkt als nieuwe exploitanten en dienen over een vergunning te beschikken. Voor zittende exploitanten geldt een termijn van drie maanden om een vergunning aan te vragen en te verkrijgen.

Lukt dat niet, dan handelen zij in strijd met het verbod. Als een aanvraag binnen die periode wordt geweigerd of een vergunning wordt ingetrokken, is vanaf dat moment sprake van overtreding en kan de burgemeester direct handhaven. Zestiende lid De openbare orde en veiligheid vormen de reden om van een lex silencio positivo af te zien.

Hoofdstuk 3. Regulering prostitutie, seksbranche en aanverwante onderwerpen In Hendrik-Ido-Ambacht wordt prostitutie op dit moment niet toegestaan in het omgevingsplan. De regels blijven desondanks in de APV opgenomen, zodat de gemeente beschikt over een actueel juridisch kader voor het geval het omgevingsplan of beleid wijzigt en/of handhavend optreden nodig is bij ongewenste activiteiten. Als dat beleid wijzigt, zal ook deze toelichting worden aangevuld met de artikelen die om nadere toelichting vragen.

Hoofdstuk 4. Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente Afdeling 1. Voorkomen of beperken geluidhinder en hinder door verlichting Artikel 4:1 Definities Algemeen Deze afdeling sluit aan bij milieuregelgeving voor situaties waarin (voorheen) via het Activiteitenbesluit en de Wet milieubeheer ruimte bestond om gemeentelijk te sturen op festiviteiten (geluid) en sportverlichting. Begrippen die aan die regelgeving zijn ontleend, worden gebruikt in dezelfde betekenis als vlak vóór inwerkingtreding van de Omgevingswet Artikel 4:2 Aanwijzing collectieve festiviteiten Eerste lid

Het college kan dagen aanwijzen als collectieve festiviteit (bijv. kermis/carnaval), waardoor bepaalde geluidsnormen voor inrichtingen op die dagen niet (volledig) gelden. Uitgangspunt blijft: hinder zoveel mogelijk beperken; de vrijstelling geldt alleen voor zover naleving redelijkerwijs niet kan worden gevergd. Tweede lid Volgens artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer moet de verlichting bij sportbeoefening in de buitenlucht tussen 23.00 uur en 07.00 uur zijn uitgeschakeld en indien er geen sport wordt beoefend of onderhoud wordt uitgevoerd. Het college kan collectieve festiviteiten aanwijzen waarbij deze beperkingen niet gelden. Dit is vooral relevant voor sportverenigingen bij bijzondere activiteiten, dus wanneer de verenigingen buiten de reguliere en recreatieve wedstrijden en trainingen gebruik willen maken van hun lichtinstallatie. Derde lid De gemeente kan rekening houden met de aard van het gebied door in de verordening gebiedsdifferentiatie toe te passen. De vaststelling van deze gebieden dient plaats te vinden in een apart besluit waarop bezwaar en beroep volgens de Awb mogelijk is. Van deze mogelijkheid kan bijvoorbeeld gebruik worden gemaakt tijdens carnaval, kermissen of culturele, sport- en recreatieve manifestaties.

Artikel 4:3 Melding incidentele festiviteiten Eerste lid Voor incidentele festiviteiten regelt de APV hoeveel dagen/dagdelen per jaar een inrichting gebruik kan maken van vrijstelling van geluidsnormen na melding. Een incidentele festiviteit is een festiviteit die aan één of een klein aantal inrichtingen gebonden is. Tweede lid Ook voor incidenteel gebruik van sportverlichting kan worden afgeweken binnen het wettelijk maximum (12 dagen/dagdelen). Daarbij blijft de algemene zorgplicht gelden; enige hinder kan aanvaardbaar zijn, maar niet onbeperkt. Zesde tot en met het tiende lid Het college kan aan incidentele festiviteiten voorwaarden verbinden om geluidhinder te beperken; de systematiek sluit aan bij die van collectieve festiviteiten. Artikel 4:5 Onversterkte muziek Dit artikel biedt ruimte voor hobbymatig oefenen van onversterkte muziek (bijv. amateurgezelschappen) door een beperkte uitzondering op geluidsniveaus toe te staan. Het gaat nadrukkelijk om oefenen zonder publiek; optredens en festiviteiten vallen hier niet onder. Daarnaast zijn enkele categorieën geluid uitgezonderd (o.a. oproep tot godsdienst/levensovertuiging en bepaalde militaire tradities). Artikel 4:5c Geluidhinder door dieren In dit artikel is in het eerste lid de zinsbede ‘buiten een inrichting’ opgenomen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/17034458/1