Voorstel 7.5 Bijlage 2 Toelichting Algemene Plaatselijke Verordening
Tekst van het document
Er geldt een uitzondering voor de gevallen waarin de bepaling een regeling geeft voor activiteiten waarop ook de Wet milieubeheer ziet. Gebeurt dit niet, dan loopt de bepaling het risico onverbindend verklaard te worden.
Artikel 4:6 Overige geluidhinder In de praktijk zullen vooral de Zondagswet, Wet Geluidhinder, Wom, het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit een afbakeningsdiscussie opleveren. Daarom is gekozen om deze wetten afzonderlijk te benoemen in het derde lid. Artikel 4:6 heeft betrekking op de vormen van geluidhinder waarin de andere regelingen niet voorzien. Het kan gaan om uiteenlopende bronnen, zoals tijdelijke evenementen in de buitenlucht, reclamespeakers, achtergrondmuziek in winkelstraten, recreatietoestellen, bouwmachines, knalapparatuur tegen vogels en “lawaaiige hobby’s”. Beoordeling is altijd casuïstisch: een zekere mate van hinder hoort bij het maatschappelijk leven, maar excessen kunnen worden aangepakt; ontheffing is mogelijk met voorschriften. Artikel 4:6a Mosquito Een mosquito veroorzaakt een hoge pieptoon die vooral door jongeren hoorbaar is en kan worden ingezet tegen overlast door hangjongeren. Het middel is effectief maar ingrijpend; daarom is een apart artikel opgenomen in plaats van een “ontheffingconstructie” onder 4:6. Tweede lid De burgemeester kan besluiten een Mosquito op te hangen op openbare plaatsen als dit noodzakelijk is voor de handhaving van de openbare orde.
De mosquito is een ingrijpend middel, er moet daarom een evenwichtige verhouding bestaan tussen het doel en het middel (proportionaliteit) en het doel, de handhaving van de openbare orde, kon niet op een minder ingrijpende wijze worden bereikt (subsidiariteit). Mede vanwege de omstreden status van de mosquito verdient het de voorkeur om een apart artikel in de APV op te nemen, en dat niet, zoals ook wel gebeurt, de gemeente zichzelf een ontheffing verleent van het artikel 4:6. Derde lid In het kader van het eerbiedingen van de persoonlijke levenssfeer (artikel 8 EVRM) dient de aanwezigheid van de mosquito bekend en zichtbaar te worden gemaakt. Vierde lid Vanwege het ingrijpende karakter van de mosquito is terughoudendheid geboden bij het gebruik daarvan. De mosquito dient alleen te worden gebruikt op tijdstippen waarop de overlast daadwerkelijk optreedt. De moderne mosquito's kunnen handmatig worden ingeschakeld wanneer iemand overlast ervaart, en schakelen na 15 minuten weer uit. Zesde lid Terughoudendheid van het gebruik van de mosquito kan worden bereikt door een beperkte periode vast te stellen dat deze wordt ingezet. Na de plaatsing kan worden geëvalueerd of de mosquito het gewenste effect heeft bereikt en kan worden besloten de duur te verlangen. Afdeling 2.
Bodem-, weg- en milieuverontreiniging Artikel 4:7 Straatvegen Dit is een verkeersbeperkende bepaling met een ander motief dan verkeersveiligheid (o.a. reiniging/uiterlijk aanzien). De raad kan dergelijke regels stellen zolang het verkeersstelsel niet wordt doorkruist.
Artikel 4:8 Natuurlijke behoefte doen Dit artikel (wildplassen) spreekt voor zich: het voorkomt vervuiling en overlast. Artikel 4:9 Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen Deze bepaling is overgenomen uit vervallen onderdelen van de bouwverordening en ziet vooral op de omgeving (niet het bouwwerk zelf). Daarom is gekozen voor opname in de APV. Artikel 4:9a Verbod oplaten ballonnen Dit artikel is opgenomen naar aanleiding van het Actieplan Duurzaamheid 2019-2022, waarin de actie werd gesteld dat er een verbod zou komen voor het oplaten van ballonnen. Afdeling 3. Het bewaren van houtopstanden Artikel 4:10a Groene kaart De gemeente Hendrik-Ido-Ambacht heeft op de zogenoemde Groene Kaart bomen vastgesteld die beschermwaardig zijn. Deze bomen worden beschermd door de APV. Artikel 4:10b Kapverbod De gemeente Hendrik-Ido-Ambacht wil het huidige bomenbestand behouden. Dat betekent dat er het liefst niet gekapt wordt. Het eerste lid van dit artikel legt daarom een kapverbod op. In HendrikIdo-Ambacht is gekozen voor een verbod op het vellen van de houtopstanden die op de Groene kaart staan. Het vellen van de houtopstand is alleen met een omgevingsvergunning mogelijk.
In het tweede lid worden enkele uitzonderingen genoemd Met de tweede wijziging van het omgevingsplan zal het kapverbod uit de APV vervallen en gaat het samen met de Groene Kaart over naar het omgevingsplan. Artikel 4:11 Criteria In dit artikel worden criteria genoemd waaraan voldaan moet worden voor een omgevingsvergunning op het kapverbod wordt gegeven. Het zijn los van elkaar staande criteria, dus als aan één wordt voldaan kan de vergunning worden verleend. Artikel 4:11b Bijzondere voorschriften Dit artikel geeft het college de mogelijkheid bij het verlenen van een omgevingsvergunning de voorwaarde te stellen dat binnen een bepaalde termijn moet worden herplant. Daarnaast kan het verplicht stellen van een Bomen Effect Analyse deel uitmaken van de ontheffing. Een BEA is een analyse die de effecten van bouw- of aanlegwerkzaamheden op de omgeving, en met name op aanwezige bomen, in kaart brengt. Dit is belangrijk om de impact van de werkzaamheden op de bomen te minimaliseren en om te zorgen voor een verantwoorde omgang met de bestaande bomen. Artikel 4:12 Herplant-/instandhoudingsplicht Spreekt voor zich: borgt dat bij velling of schade herplant/instanthouding kan worden afgedwongen. Artikel 4:12a Bestrijding van boomziekten Biedt mogelijkheden om verspreiding van boomziekten te voorkomen en zo het bomenbestand te beschermen.
Afdeling 4. Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast Artikel 4:13 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen en dergelijke Dit artikel biedt een basis om ontoelaatbare opslag (vanuit oogpunt van welstand en bescherming van de openbare gezondheid) tegen te gaan. Hierbij kan worden gedacht aan opslag van bromfietsen en caravans en dergelijke, en landbouwproducten. Het college kan plaatsen aanwijzen waar opslag verboden is of aan regels is gebonden. Het artikel geldt niet voor opslag binnen een inrichting; milieuwetgeving gaan dan voor. Deze bepaling ziet ook niet op handelingen die plaatsvinden op de ‘weg’ in de zin van de wegenverkeerswetgeving. Hiervoor bestaan andere bepalingen binnen de APV. De Artikel 4:15 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame Dit artikel verbiedt reclame die het verkeer in gevaar brengt of omwonenden hindert of overlast bezorgt. Voor een reclame van enige omvang of betekenis is doorgaans een bouwvergunning nodig, waardoor al aan de welstand kan worden getoetst. Een algemene vergunningplicht voor alle reclame is daarom niet nodig. Dit artikel is bedoeld voor de relatief beperkte categorie “hinderlijk/gevaarlijk” die anders tussen wal en schip kan vallen Afdeling 5. Kamperen buiten kampeerterreinen Artikel 4:17 Definitie In de definitie gaat het in het algemeen over een tent, tentwagen, kampeerwagen en caravan.
Artikel 4:18 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen Spreekt voor zich: regelt het verbod/voorwaarden voor recreatief overnachten buiten aangewezen kampeerterreinen om overlast en ongewenste situaties te voorkomen.
Hoofdstuk 5. Andere onderwerpen betreffende de huishouding van de gemeente Afdeling 1. Parkeerexcessen en stopverbod Algemeen De bepalingen in deze afdeling zijn bedoeld om excessieve vormen van parkeren aan te pakken. Het gaat niet om “normaal parkeren”, maar om parkeren dat buitensporig is (bijv. door aard van het voertuig, het doel of het aantal voertuigen) of dat om andere redenen onaanvaardbaar is, zoals aantasting van openbare orde/veiligheid, uiterlijk aanzien, uitzichtbelemmering of stankoverlast. Bij diverse verboden is een ontheffing mogelijk wanneer parkeren anders redelijkerwijs niet uitvoerbaar is. Artikel 5:2 Voertuigen van autobedrijf en dergelijke Eerste lid Dit lid is breder gemaakt zodat ook rijschoolhouders en taxiondernemers onder “verhuren” vallen, omdat ook hun voertuigpark tot excessief gebruik van de weg kan leiden. Daarmee kan worden opgetreden als de weg feitelijk als bedrijfsstalling wordt gebruikt. Tweede lid De term “vergen” (in plaats van “duren”) is gekozen om bewijsproblemen te beperken: “vergen” biedt een objectievere maatstaf bij de vraag of werkzaamheden meer dan een uur in beslag nemen. Derde lid, onder a Doel is optreden tegen autohandelaren/garages/verhuurders die de weg structureel gebruiken als stallingsruimte voor bedrijfsvoertuigen (of voertuigen die hun zijn toevertrouwd).
Er is geprobeerd de bepaling zo te formuleren dat bewijs zo goed mogelijk leverbaar blijft. De grens “drie of meer voertuigen” helpt daarbij. Tegelijk blijft het parkeren van privévoertuigen van exploitant/gezinsleden mogelijk. Derde lid, onder b Dit ziet specifiek op reparatie- en sloopwerkzaamheden aan voertuigen op de weg in het kader van bedrijfsmatig handelen, omdat dit vaak leidt tot klachten over geluid en verontreiniging (en in mindere mate over parkeerruimte). Vierde lid Ontheffing is bedoeld voor uitzonderingsgevallen waarin de exploitant feitelijk geen alternatief heeft (bijv. een bestaand bedrijf zonder reële mogelijkheid om stallingsruimte op eigen terrein of nabij te realiseren). Aan ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden (plaats, tijd, maximum aantal voertuigen). Artikel 5:3 Te koop aanbieden van voertuigen Eén voertuig “te koop” op de openbare weg levert meestal geen probleem op. Het wordt pas een exces als voertuigen in grotere aantallen worden uitgestald: dat tast het uiterlijk aanzien aan, trekt kooplustigen aan (overlast) en legt beslag op schaarse parkeerruimte. Derde lid Omdat geïmproviseerde “automarkten” veel overlast kunnen veroorzaken, is de lex silencio positivo uitgesloten: een stilzwijgende toestemming is hier onwenselijk.
Artikel 5:4 Defecte voertuigen Het komt wel eens voor dat niet-rijklare voertuigen op de weg worden geplaatst. De eigenaar of houder van dit soort voertuigen heeft deze meestal gekocht om na weken of zelfs maanden van nijvere zelfwerkzaamheid weer een volwaardig voertuig te creëren. Als hij hier niet in slaagt, wordt het voertuig op de weg achtergelaten, waar het na verloop van tijd degenereert tot autowrak. Deze bepaling richt zich in het bijzonder tegen dit soort parkeergedragingen. Het excessieve is in het bijzonder gelegen in het in relatie tot het tekort aan parkeerruimte niet gerechtvaardigde doel waartoe men het voertuig op de weg zet. Daarnaast kan het hier bedoelde parkeren een ontsiering van het uiterlijk aanzien van de gemeente meebrengen en om die reden excessief zijn. Artikel 5:5 Voertuigwrakken Anders dan de niet-rijklare voertuigen die bij het gedurende een lange tijd parkeren een parkeerexces kunnen opleveren door het in relatie tot het tekort aan parkeerruimte niet gerechtvaardigde doel waartoe men een voertuig op de weg zet, geeft een achtergelaten voertuigwrak, inclusief een fiets of bromfiets, in de eerste plaats aanstoot, doordat het een ontsierend element in het straatbeeld vormt. Ook houdt een wrak een gevaar in voor spelende kinderen en voor de weggebruikers. Het verbod in dit artikel richt zich op degene die het voertuigwrak op de weg plaatst of heeft.
Het richt zich dus niet specifiek op de eigenaar of bestuurder van het voertuig, maar ook op eventuele andere belanghebbenden. Wrakken worden verwijderd aan de hand van de Procedure wrakken en onbeheerde objecten van de gemeente Hendrik-Ido-Ambacht. Artikel 5:6 Kampeermiddelen en andere voertuigen Eerste lid, aanhef Door “of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt” valt een brede categorie voertuigen/aanhangwagens onder dit artikel: het gaat om objecten die niet “dagelijks” als vervoermiddel worden gebruikt. Eerste lid, onder a Gericht tegen het langer dan nodig plaatsen of hebben van o.a. caravans, campers, aanhangwagens, keetwagens e.d. Er staat bewust “plaatsen of hebben” in plaats van “parkeren”, zodat ontwijking door telkens enkele centimeters verplaatsen niet werkt. Het verbod geldt binnen de hele bebouwde kom; verplaatsen naar een andere straat doorbreekt de termijn niet. Eerste lid, onder b Deze bepaling richt zich ook tegen het ontsieren van het uiterlijk aanzien van de gemeente door het laten staan van caravans en dergelijke elders dan op de weg in de zin van de WVW 1994. In zoverre betreft deze bepaling derhalve niet een ‘eigenlijk’ parkeerexces, dat immers veronderstelt dat de gedraging plaatsvindt op een weg in de zin van de WVW 1994.
Vierde lid Een ontheffing wordt alleen verleend als een in beginsel ongewenste handeling bij hoge uitzondering toch moet worden toegestaan. Doorgaans is daarvoor dan een noodzaak of een zeer dwingende reden. Het college heeft hier dus een vrij overzichtelijke afweging te maken, en er is geen reden waarom dit besluit niet tijdig kan worden genomen. Om die reden is er in de APV voor gekozen om de lex silencio positivo van toepassing te verklaren.
Artikel 5:7 Reclamevoertuigen Eerste lid Deze bepaling richt zich tegen degenen die voor een beroep of bedrijf reclame maken door een of meer voertuigen, voorzien van reclameopschriften, op de weg te parkeren. Hierbij staat het maken van reclame voorop. Onder handelsreclame in de zin van dit artikel valt niet de vermelding op een voertuig van de naam van het bedrijf waarbij het voertuig in gebruik is en een (korte) aanduiding van de goederen of diensten die dat bedrijf pleegt aan te bieden. Deze voertuigen worden namelijk niet primair gebruikt “met het kennelijke doel om daarmee handelsreclame te maken”, maar vooral als vervoersmiddel. Het excessieve is vooral gelegen in het in relatie tussen het tekort aan parkeerruimte en het niet gerechtvaardigde doel waartoe men het voertuig op de weg zet. Dit doel kan reeds met één voertuig worden bereikt. In de tweede plaats kan het excessieve gelegen zijn in het motief van het tegengaan van ontsiering van het uiterlijk aanzien van de gemeente. Derde lid In dit geval is ervoor gekozen de lex silencio positivo van toepassing te verklaren. Het gaat hier om een ontheffing, niet om een reguliere vergunning. Een ontheffing wordt alleen verleend als een in beginsel ongewenste handeling bij hoge uitzondering toch moet worden toegestaan. Doorgaans is daarvoor dan een noodzaak of een zeer dwingende reden.
Dit zal met een reclamevoertuig niet snel aan de orde zijn. Het toekennen of afwijzen van een aanvraag om deze ontheffing zal geen complexe afweging vergen. Artikel 5:8 Parkeren van grote voertuigen Eerste lid Deze bepaling beoogt mogelijkheden te geven om aantasting van het uiterlijk aanzien van de gemeente of buitensporig gebruik van de weg door het doen of laten staan van bepaalde voertuigen tegen te gaan. Het doen of laten staan van grote voertuigen kan immers een ernstige aantasting van het dorps- of landschapsschoon betekenen. Bijvoorbeeld vrachtauto’s, aanhangwagens, kermiswagens en reclameauto’s kunnen op dergelijke plaatsen een zeer storend element vormen. Het zijn deze situaties waarop deze bepaling het oog heeft. Vierde lid De werking van het verbod is beperkt tot avond/nacht, weekenden en feestdagen: een verbod tijdens werkdagen overdag zou handel en industrie te zwaar kunnen raken. Wel kan overdag een probleem ontstaan als grote voertuigen de weg versperren (bijv. voor hulpdiensten); daarvoor is ontheffing in specifieke gevallen relevant. Vijfde lid Dit artikellid maakt het mogelijk dat ook campers, caravans en kampeerwagens die door hun afmetingen onder het verbod van het eerste lid of het tweede lid zouden vallen, toch voor maximaal drie dagen op de weg geparkeerd mogen blijven staan. Zij vallen nog steeds onder artikel 5:6.
Zesde lid Dit lid kent aan het college de bevoegdheid toe ter zake van de in het eerste lid omschreven verbod een ontheffing te verlenen. Hiermee kan worden voorkomen dat de werking van deze verboden zou leiden tot een onevenredige aantasting van bedrijfsbelangen.
Verzoeken om ontheffing zullen van geval tot geval moeten worden bekeken. Omstandigheden welke in beginsel door alle bedrijven – ongeacht de aard – kunnen worden aangevoerd, rechtvaardigen op zich nog geen ontheffing. Aan een ontheffing kunnen uiteraard voorschriften worden verbonden betreffende de tijd en de plaats waarop deze zal gelden. Artikel 5:11 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen Eerste lid Het is helaas een veelvuldig voorkomend verschijnsel dat groenstroken, openbare beplantingen, plantsoenen en grasperken worden benut voor het parkeren van voertuigen. Met de onderhavige bepaling wordt beoogd beschadiging van groenstroken en dergelijke, die het uiterlijk aanzien van de gemeente beogen te verfraaien, te voorkomen. Er is bewust gekozen voor de bestanddelen “te doen of te laten staan” in plaats van “te parkeren”, omdat ook het tot stilstand brengen van een auto in een plantsoen beschadiging van het groen en vermindering van de aantrekkelijkheid veroorzaakt. Tweede lid Bij de onder b bedoelde voertuigen kan worden gedacht aan voertuigen in gebruik bij de politie, de brandweer of de gemeentelijke plantsoenendienst. Campings vallen onder terreinen als bedoeld onder c.
Artikel 5:12 Overlast van fietsen of bromfietsen Eerste lid In de praktijk wordt regelmatig overlast ervaren van fietsen en bromfietsen die her en der buiten de daartoe bestemde fietsenstallingen worden geplaatst. Het gaat hierbij doorgaans om plaatsen, waar zich grote concentraties van gestalde (brom)fietsen voordoen, zoals bijvoorbeeld bij winkelcentra. Vooropstaat dat dan wel voldoende stallingsmogelijkheden ter plekke aanwezig zijn. Ter regulering van overlast van foutief geplaatste (brom)fietsen is in het eerste lid van dit artikel aan het college de bevoegdheid gegeven om plaatsen aan te wijzen waar het verboden is (brom)fietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan. Na aanwijzing van een plaats waar het verbod zal gelden, kan tegen een foutief geplaatste (brom)fiets worden opgetreden. Door middel van borden moet worden aangegeven dat foutief geplaatste (brom)fietsen zullen worden verwijderd. Het feitelijk verwijderen dient dan beschouwd te worden als toepassing van bestuursdwang. Tweede lid In het tweede lid wordt de periode dat fietsen en bromfietsen op een aangewezen plaats mogen staan beperkt. Hiermee wordt beoogd weesfietsen aan te pakken; fietsen die in de openbare ruimte worden geparkeerd zonder de intentie deze nog verder te gebruiken.
De termijn is gesteld op zeven achtereenvolgende dagen, om zo de hinder en overlast voor buurtbewoners zo beperkt mogelijk te houden, maar de eigenaar van de fiets nog wel de kans te geven zijn fiets weer in gebruik te nemen. Afdeling 2. Collecteren Artikel 5:13 Inzameling van geld of goederen of leden- of donateurwerving Eerste lid Voor het houden van een openbare inzameling of werving is een vergunning van het college nodig. Het artikel ziet op de welbekende inzamelingen van geld middels collectebussen, maar ook op inzamelingen met gebruik van intekenlijsten (te onderscheiden van de machtigingsformulieren en
inschrijvingen via een tablet die bij wervingsactiviteiten worden gebruikt) of de inzameling van goederen. Bij inzameling van goederen kan worden gedacht aan het leveren van een bijdrage aan een voedselpakket. De bijdrage kan bestaan uit een gift in geld, maar ook uit het doneren van (vooraf bepaalde) gekochte producten. Ook wervingsactiviteiten (‘direct dialogue’) vallen onder de verbodsbepaling. De instellingen die leden of donateurs werven, moeten uiteraard aan dezelfde voorwaarden voldoen als de opdrachtgevende organisaties zelf. Tweede lid In het tweede lid is aangegeven dat ook een vergunning is vereist, indien bij een inzameling geschreven of gedrukte stukken worden aangeboden. Deze wijze van collecteren valt niet onder de bescherming van artikel 7, eerste lid, van de Grondwet (vrijheid van meningsuiting). Derde lid, onder a Allereerst is voor een inzameling die in besloten kring wordt gehouden geen vergunning nodig. De uitdrukking ‘in besloten kring’ veronderstelt een zekere bekendheid tussen de inzamelende instelling en de persoon tot wie zij zich richt. Er moet wel sprake zijn van een nauwere band dan alleen het gemeenschappelijke lidmaatschap. Men zal moeten aangeven dat er ook een zekere gemeenschappelijke bekendheid is. Derde lid, onder b De gemeente kan ervoor kiezen instellingen aan te wijzen waarvoor de verbodsbepaling niet geldt.
Het college stelt daartoe een collecte- en wervingsrooster vast dat is ontleend aan het door het CBF gepubliceerde collecterooster en wervingsrooster. Omdat aan het CBF geen wetgevende bevoegdheid toekomt, moet het college het collecte- en wervingsrooster vaststellen. Het college kan aan de vrijstelling van de vergunningplicht voorwaarden verbinden. Daarbij kan men denken aan verplichte legitimatie voor de geldinzamelaars, het verplicht melden van de opbrengst bij de gemeente en het niet toestaan van collecteren op de zondag. Als het college geen collecte- en wervingsrooster vaststelt, geldt de vrijstelling van de vergunningplicht niet. Derde lid, onder c Wanneer het college geen collecte- en wervingsrooster heeft vastgesteld, geldt alsnog een vrijstelling voor instellingen met een CBF-keurmerk. Voor hen geldt wel een meldingsplicht als zij gebruik willen maken van een vrije periode op het CBF-collecterooster. Afdeling 3. Venten Artikel 5:14 Definitie Venten (= ambulante handel) onderscheidt zich van collecteren en standplaatsen. Kern: de venter is in beweging en biedt vanaf wisselende plaatsen aan.
Het onderscheid met collecteren zit in de reële contraprestatie: bij venten wordt een vast bedrag gevraagd voor goederen/diensten; bij collecteren gaat het om een (donatie‑achtige) bijdrage voor een liefdadig/ideëel doel Artikel 5:15 Ventverbod Het aanwijzen van gebieden en tijden schept helderheid: op die plaatsen en momenten mag niet worden gevent. Daarbuiten wel. Het college heeft verschillende gronden voor zijn gebiedsaanwijzingen, zoals overlast (waarschijnlijk verreweg de meest voorkomende grond), of verkeersveiligheid. Door in lid 1 “in het belang van de openbare orde” toe te voegen is de grondslag voor het aanwijzen van gebieden, of dagen en uren beperkt tot de openbare orde.
Mocht de openbare orde daadwerkelijk worden verstoord, dan kan de burgemeester ingrijpen op basis van diens openbare orde bevoegdheden uit de Gemeentewet. Vijfde lid Er is voor gekozen de lex silencio positivo, die ingevolge artikel 28, eerste lid, van de Dienstenwet geldt, van toepassing uit te zonderen. De vrijheid van meningsuiting is een zaak van belang, en het zou niet wenselijk zijn als de overheid hierdoor niet te beslissen de zaak in het onzekere zou laten. Afdeling 4. Standplaatsen Artikel 5:17 Definitie Artikel 5:17 bevat een definitie en voorziet ook in uitzonderingen. Het gaat bij een standplaats om het te koop aanbieden van goederen of diensten vanaf een vaste plaats. Dit is dan ook het onderscheidend criterium ten opzichte van het venten met goederen of diensten. Bij het venten met goederen of diensten wordt er immers vanuit gegaan dat de venter voortdurend zijn goederen of diensten vanaf een andere plaats in de openbare ruimte aanbiedt. Met andere woorden: de venter is ambulant, de standplaatshouder niet. Vijfde lid Het innemen van een standplaats op een markt, ingesteld op basis van artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet, valt niet onder het begrip standplaats. Degene die op een dergelijke markt een standplaats wil innemen, zal zich moeten houden aan de regels die voor de markt gelden.
Deze zijn in veel gemeenten in een marktverordening neergelegd. Een afbakening met de snuffelmarkt is niet nodig, omdat snuffelmarkten in gebouwen plaats vinden en standplaatsen worden ingenomen in de open lucht. Voor het innemen van een standplaats op een bepaald evenement is geen vergunning krachtens afdeling 5.4 nodig. Op het evenement zijn de artikelen 2:24 en 2:25 van toepassing, waarbij de bepalingen met betrekking tot het innemen van een standplaats niet van toepassing zijn. Artikel 5:18 Standplaatsvergunning Vergunningplicht spreekt voor zich: hiermee kan de gemeente sturen op orde, veiligheid en het straatbeeld. Artikel 5:18a Nadere regels standplaatsvergunning Aan de hand van de motieven, genoemd in artikel 1:8, kan het college beleidsregels vaststellen, waarin wordt aangegeven wanneer wel of niet tot het afgeven van een standplaatsvergunning wordt overgegaan. Artikel 5:18b Weigeringsgronden Onder a De weigeringsgrond met betrekking tot redelijke eisen van welstand kan gehanteerd worden indien een of meer standplaatsen worden ingenomen op een zodanige plaats dat het straatbeeld ernstig verstoord wordt. Met deze weigeringsgrond kan niet alleen verkapte marktvorming worden tegengegaan, ook wordt daarmee het aanzien van monumentale gebouwen of stedenbouwkundige ensembles gewaarborgd. Het college bepaalt zelfstandig de inhoud van deze weigeringsgrond.
Het is niet noodzakelijk, maar wel verstandig om bij voorbeeld de welstandscommissie om advies te vragen. Onder c
Naast de APV‑motieven geldt het omgevingsplan als zelfstandige toets: bij elke aanvraag moet worden bekeken of de standplaats past binnen de planregels. Artikel 5:18c Overgangsrecht Dit artikel voorkomt dat houders van een standplaatsvergunning door inwerkingtreding van de nieuwe APV hun vergunning kwijtraken, totdat het college besluit deze te wijzigen of in te trekken. Artikel 5:19 Toestemming rechthebbende Dit artikel verbiedt de rechthebbende op een terrein toe te laten dat een standplaats wordt ingenomen, zonder dat hiervoor een vergunning is verstrekt. Met dit verbod is het mogelijk niet alleen maatregelen te nemen tegen degene die zonder vergunning een standplaats inneemt, maar ook tegen de eigenaar van de grond die het innemen van een standplaats zonder vergunning toestaat. Artikel 5:22 Definitie De laatste tijd komt het in steeds meer plaatsen voor dat particulieren markten organiseren in grote (doorgaans leegstaande) gebouwen. Hoofdzakelijk worden daar ‘ongeregelde’ zaken verkocht. Bij ‘ongeregelde’ zaken kan met name worden gedacht aan incourante goederen, dat wil zeggen goederen, die in de regel niet meer langs normale handelskanalen het publiek bereiken, zoals bij voorbeeld beschadigde artikelen, artikelen die uit de mode zijn, restanten en zaken van een te liquideren onderneming.
Artikel 5:23 Organiseren van een snuffelmarkt De aard van de goederen en de omstandigheden rondom een snuffelmarkt kunnen een uitstralende werking hebben buiten het gebouw. Het houden van een snuffelmarkt is dan ook verboden als de openbare orde dreigt te worden aangetast en overlast (milieu in de zin van de Dienstenrichtlijn) te verwachten is. In het belang van deze motieven kan een vergunningplicht worden gehanteerd. Gaat het om grote snuffelmarkten die regelmatig gehouden worden met gevaar voor aantasting van de openbare orde en overlast, dan doet de gemeente er verstandig aan om een vergunningstelsel te hebben. Er is dan voldaan aan het noodzaak- en proportionaliteitsvereiste. Op grond van dezelfde motieven kan het aantal snuffelmarkten worden beperkt. Afdeling 6. Openbaar water en waterstaatswerken Artikel 5:24 Voorwerpen op, in of boven openbaar water Dit artikel heeft een aanvullend karakter naast andere wetgeving; voor waterveiligheid bestaan ook strafrechtelijke bepalingen, maar de APV kan aanvullende regels stellen voor hinderlijke/gevaarlijke voorwerpen.
Artikel 5:25 Ligplaats vaartuigen Eerste en tweede lid Uitgangspunt van de APV-bepalingen over ligplaatsen is dat het in beginsel is toegestaan met een vaartuig een ligplaats in te nemen, te hebben of beschikbaar te stellen binnen de gemeente, tenzij de plaats deel uitmaakt van door het college aangewezen openbaar water (eerste lid). Er geldt slechts een verbod om een ligplaats in te nemen in strijd met de nadere regels van het college op grond van het tweede lid, onder a (delegatie van regelgeving door de raad op grond van artikel 156 van de Gemeentewet). Krachtens het tweede lid, onder b, van artikel 5:25 heeft het college ook de mogelijkheid om een differentiatie naar soort en aantal vaartuigen aan te brengen. Zo kunnen aparte
ligplaatsen voor woonschepen en ligplaatsen voor uitsluitend pleziervaartuigen aangewezen worden. Bovendien kan het aantal gelimiteerd worden. Via deze algemeen werkende voorschriften is het mogelijk om bijvoorbeeld aan vaartuigen die gedurende langere tijd een ligplaats willen innemen of hebben, eisen te stellen met betrekking tot de afvoer van het afvalwater, de drinkwatervoorziening etc. Zelfs zou aansluiting op de riolering, het drinkwater- en elektriciteitsnet voorgeschreven kunnen worden, indien de mogelijkheden daartoe redelijkerwijs aanwezig zijn. Vierde lid Naast de algemene regels die krachtens het tweede lid kunnen worden uitgevaardigd, kan het wenselijk zijn, gelet op de omstandigheden, om aan een individuele eigenaar van een vaartuig nog nadere aanwijzingen te geven. Het vierde lid biedt daarvoor de grondslag. Artikel 5:28 Beschadigen van waterstaatswerken De APV-bepaling heeft alleen betrekking op waterstaatswerken die in beheer zijn bij de gemeenten. Artikel 5:29 Reddingsmiddelen Verbiedt misbruik/onklaar maken van reddingsmiddelen, zodat ze beschikbaar blijven voor noodsituaties. Artikel 5:30 Veiligheid op het water Aanvulling op het BPR: dat richt zich op schippers, terwijl dit artikel breder ziet op veiligheidssituaties op/aan openbaar water Afdeling 7.
Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebieden Artikel 5:32 Crossterreinen Het college kan regels stellen voor crossterreinen, zoals dagen/uren, leden, veiligheidsnormen, verzekering, minimumleeftijd en toezicht. De toelichting noemt ook aansluiting bij aanwijzingen van KNAC/KNMV/MON. Artikel 5:33 Beperking verkeer in natuurgebieden Richt zich op klachten over motorcrossen (geluid, schade flora/fauna, verstoring wild) en ook op ruiters en (mountain)bikers die paden verlaten. Hoofdregel is een algeheel verbod voor motorvoertuigen, (e-)(brom)fietsen, (e-)steps en paarden in natuurgebieden; het college kan uitzonderingsgebieden aanwijzen en gebruiksregels stellen. Afdeling 8. Vuurverbod Artikel 5:34 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken Artikel 5:34, tweede lid, biedt de mogelijkheid om – naast de ontheffing op grond van de Wm – een ontheffing te verlenen, waarin de aspecten van openbare orde en veiligheid worden geregeld. Er ligt dus een ander motief ten grondslag aan de APV dan aan de Wm. Tevens wordt het college de mogelijkheid geboden om aan deze ontheffing voorschriften te verbinden die het belang van de openbare orde en veiligheid beogen te beschermen. De weigeringsgronden worden genoemd in het vierde lid.
In het tweede lid is een aantal uitzonderingen opgenomen op het verbod in het eerste lid. Hierbij zijn de volgende punten van belang. In de eerste plaats valt verlichting door middel van kaarsen, fakkels, sfeervuren – waarbij geen afvalstoffen worden verbrand -, zoals terrashaarden en vuurkorven of vuur voor koken, bakken en braden, niet onder het nieuwe regime van de Wm. Er is immers geen sprake van het verbranden van afvalstoffen buiten inrichtingen. Vervolgens mag er geen sprake zijn van gevaar, overlast of hinder voor de omgeving. Vooral binnen de bebouwde kom kunnen klachten ontstaan over overlast of hinder door met name terrashaarden en vuurkorven. De aanhef van het tweede lid biedt dus een handvat om handhavend op te treden. De uitzonderingen betreffen een aanvulling op hogere regelgeving. Het eerste lid regelt namelijk het aanleggen, stoken of het hebben van vuur, maar in de genoemde uitzonderingsgevallen is er geen sprake van het verbranden van afvalstoffen. De gemeentelijke wetgever regelt dus een bepaalde materie (verbranden) vanuit eenzelfde motief (namelijk een milieumotief: het voorkomen van overlast of hinder) als de hogere regelgever, maar beperkt zich daarbij tot gedragingen die niet of nog niet worden bestreken door de hogere regelgeving (namelijk het verbranden van niet-afvalstoffen buiten inrichtingen). Afdeling 9.
Asverstrooiing Artikel 5:35 Definitie Sluit aan bij de Wet op de lijkbezorging: verstrooiing kan op een permanent bestemd terrein (crematorium/plaats van bijzetting) of op open zee. Artikel 5:36 Verboden plaatsen Variant 1 Asverstrooiing is met name ongewenst op verharde delen (stoep/straat/plein) waar as niet in de bodem kan worden opgenomen en kan verwaaien. De begraafplaats wordt expliciet genoemd als locatie waar incidentele verstrooiing beheerproblemen kan geven. Vierde lid Omdat dit soort ontheffingen zeldzaam zijn en vaak emotioneel beladen, is snelle besluitvorming wenselijk; daarom is de lex silencio positivo van toepassing. Artikel 5:37 Hinder of overlast Het verstrooien van as is een emotionele gebeurtenis. Zowel voor nabestaanden als voor omstanders die ermee worden geconfronteerd. Het is daarom van belang dat omstanders geen hinder ondervinden van de activiteit op zich en van de as die na de activiteit wordt achtergelaten. Voorbeelden zijn verstrooiing bij wind richting publiek, of verstrooiing vanaf een gebouw/balkon. Overigens is uit de toelichting bij de wijziging van de Wet op de lijkbezorging af te leiden dat het waarnemen door omstanders van de handeling op zich geen hinder oplevert. Door de wet op het punt van asverstrooiing te verruimen heeft de wetgever bewust aanvaard dat het publiek geconfronteerd kan worden met incidentele verstrooiing.
Hoofdstuk 6. Sanctie-, overgangs- en slotbepalingen Artikel 6:1 Sanctiebepaling Op grond van artikel 154 van de Gemeentewet kan de raad op overtreding van zijn verordeningen straf stellen. Artikel 6:1, eerste en tweede lid, regelt dat het niet-naleven van de in de APV genoemde voorschriften of beperkingen die aan een vergunning of een ontheffing zijn verbonden een strafbaar feit oplevert. Artikel 6:2 Toezichthouders Dit artikel wijst toezichthouders aan. Toezicht is geregeld in hoofdstuk 5 Awb; toezichthouders zijn personen die bij of krachtens wettelijk voorschrift belast zijn met toezicht (art. 5:11 Awb). Door aanwijzing in de APV kunnen zij de bestuursrechtelijke toezichtbevoegdheden uit de Awb inzetten. Politieambtenaren zijn niet “automatisch” toezichthouder op grond van de Politiewet 2012. Zij zijn alleen toezichthouder als zij bij of krachtens een bijzondere wet als zodanig zijn aangewezen. De algemene taakomschrijving van de politie is daarvoor onvoldoende. Artikel 6:3 Binnentreden woningen Algemeen Toezichthouders mogen op grond van art. 5:15 Awb plaatsen betreden, maar woningen genieten extra bescherming: zonder toestemming van de bewoner is binnentreden niet toegestaan, vanwege het huisrecht (art. 12 Grondwet).
Wettelijke grondslag bevoegdheid Het toekennen van de bevoegdheid om zonder toestemming een woning binnen te treden én het aanwijzen van personen die dit mogen, moet bij of krachtens de wet gebeuren. Artikel 149a Gemeentewet biedt de raad de mogelijkheid om bij verordening personen aan te wijzen die woningen mogen binnentreden zonder toestemming, voor zover dat nodig is voor handhaving van openbare orde/veiligheid of bescherming van leven/gezondheid. Dit artikel maakt van die bevoegdheid gebruik. Voor sommige APV‑situaties kan de binnentredingsbevoegdheid ook rechtstreeks uit een bijzondere wet volgen; dit artikel is dan aanvullend waar die bijzondere wet niet voorziet. Artikel 6:5 Overgangsbepaling De overgangsbepaling regelt of bestaande vergunningen, ontheffingen e.d. hun rechtskracht behouden na inwerkingtreding van de nieuwe APV. Dit voorkomt dat bestaande rechtsposities “wegvallen” door een nieuwe verordening. Aanvragen die nog lopen en zijn ingediend onder de oude APV, worden beoordeeld volgens de nieuwe APV (toetsing ex nunc), conform de Awb‑systematiek. Op bezwaren tegen besluiten die onder het oude recht zijn genomen, wordt beslist onder de nieuwe APV, met één belangrijke waarborg: de bezwaarde mag door bezwaar niet in een slechtere positie komen dan onder het oude recht (verbod van reformatio in peius).