Nr. 51 Beantwoording artikel 48 vragen SGP-CU anti-Israël stickers
Tekst van het document
Een ondernemer (DMS Keukens) heeft ervoor gekozen om teksten op zijn winkelruit te plakken die een duidelijke positie innemen in het confict IsraëlHamas. Daarop staat onder andere te lezen: ‘Stop met het bewapenen van kindermoordenaars’, ‘Aanval op Iran is schending nummer zoveel’ en ‘Israël kiest kinderen als doelwit’. Deze artikel 48-vragen hebben betrekking op deze uitingen, die zichtbaar zijn op een A-locatie in de publieke ruimte van onze gemeente. 1. Is het college bekend met het feit dat een ondernemer in onze gemeente stickers met opvattingen over het confict Israël-Hamas op de winkelruit heeft aangebracht? Ja. 2. Kan het college aangeven hoeveel meldingen of klachten naar aanleiding van deze uitingen bij de gemeente zijn binnengekomen, bijvoorbeeld via de politie, handhaving en op andere wijzen? Bij de gemeente zijn 3 Fixi-meldingen hierover binnengekomen en één telefonische melding. Bij de politie waren tot en met vrijdag 29 augustus geen meldingen binnengekomen. 3. Heeft er vanuit de gemeente contact plaatsgevonden met de betrefende ondernemer over deze uitingen, en zo ja, kan het college toelichten wat de aard van dit contact is geweest? Ja. N.a.v. de meldingen die binnen zijn gekomen, heeft er een gesprek met de ondernemer plaats gevonden. 4.
Hoe beoordeelt het college deze uitingen in het licht van de wettelijke kaders rondom de vrijheid van meningsuiting? Vrijheid van meningsuiting is in Nederland een grondrecht, vastgelegd in de Grondwet en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Dit recht beschermt ook uitingen die als scherp, eenzijdig of kwetsend kunnen worden ervaren. De overheid mag de inhoud van een mening niet beoordelen of beperken, tenzij er sprake is van strafbare uitingen (zoals discriminatie, haat zaaien of opruiing). In dit geval is daarvan geen sprake. Voor het college geldt dat zolang de openbare orde en veiligheid niet in het geding zijn, er geen aanleiding is om in te grijpen. Wel volgen wij signalen uit de samenleving en houden wij oog voor eventuele efecten op het gevoel van veiligheid en de sociale cohesie in onze gemeente. 5. Op welke wijze weegt het college de vrijheid van meningsuiting af tegen de gemeentelijke verantwoordelijkheid voor het waarborgen van een veilige, neutrale, toegankelijke en inclusieve openbare ruimte? De uitingen worden gedaan op privaat terrein, maar zijn zichtbaar vanuit de openbare ruimte. De vrijheid van meningsuiting staat hierbij voorop. De verantwoordelijkheid van het college ligt in het kader van deze afweging vooral bij het waarborgen van openbare orde en veiligheid. Zolang deze niet in het geding zijn, is er geen aanleiding tot ingrijpen.
6. Hoe duidt het college deze situatie voor onze gemeente in de bredere context van het maatschappelijk debat over de situatie in Israël en Gaza en de daarmee samenhangende spanningen in de Nederlandse en Ambachtse samenleving? De situatie in Israël en Gaza raakt ook in Nederland en in onze gemeente emoties en overtuigingen. Dat kan leiden tot spanning en verdeeldheid in de samenleving. Het college onderkent dat en hecht eraan dat het maatschappelijk debat op een respectvolle manier wordt gevoerd. Tegelijkertijd geldt dat Hendrik-Ido-Ambacht als gemeente geen rol heeft in internationale geopolitieke vraagstukken. Onze verantwoordelijkheid ligt bij het bewaken van de lokale veiligheid, de sociale cohesie en het bieden van ruimte aan verschillende meningen, zolang die binnen de grenzen van de wet blijven. 7. Ziet het college een rol voor zichzelf weggelegd in het bevorderen van verbinding en het faciliteren van dialoog, wanneer internationale conficten lokaal tot verdeeldheid of spanningen leiden? Het college acht het belangrijk dat inwoners in onze gemeente in vrijheid hun mening kunnen uiten, ook over internationale kwesties die lokaal emoties oproepen. Tegelijkertijd zien wij dat de verhoudingen in dit specifeke debat zeer gespannen kunnen zijn. Pogingen tot dialoog werken eerder escalerend dan dat ze partijen nader tot elkaar brengen.
Dit kan nadelige gevolgen voor de openbare orde met zich meebrengen. En juist dit willen we vanuit onze rol proberen te voorkomen. Het college staat in principe open om, waar dat zinvol en constructief is, bij te dragen aan verbinding en het faciliteren van ontmoeting. In de huidige situatie kiest het college echter voor terughoudendheid. Daarbij is het van belang te benadrukken dat de kern van dit debat en de onderliggende spanningen liggen in internationale geopolitieke ontwikkelingen, waarop een gemeente geen invloed kan uitoefenen. De regie op deze maatschappelijke discussie ligt bij rijksoverheid en maatschappelijke organisaties van nationale omvang. De rol van de gemeente beperkt zich tot het bewaken van lokale veiligheid en samenleven. 8. Kan het college uiteenzetten welke juridische en bestuursrechtelijke mogelijkheden er voor gemeenten bestaan om op te treden indien uitingen op particuliere panden leiden tot maatschappelijke onrust Uitingen die plaatsvinden op particuliere panden vallen in beginsel onder de vrijheid van meningsuiting (artikel 7 Grondwet en artikel 10 EVRM). Dit betekent dat de gemeente niet kan ingrijpen op de inhoud van de uitingen, ook niet wanneer deze door inwoners als confronterend of kwetsend worden ervaren.
Alleen wanneer sprake is van strafbare uitingen, zoals haat zaaien, discriminatie, opruiing, bedreiging of belediging, kan worden opgetreden. De handhaving hiervan ligt primair bij het Openbaar Ministerie en de politie. Bestuursrechtelijk bestaan er slechts beperkte mogelijkheden. Via de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) kan in uitzonderlijke gevallen worden opgetreden als er sprake is van strijd met regels over bijvoorbeeld reclame-uitingen of het
uiterlijk aanzien van bouwwerken. Daarnaast kan de burgemeester op grond van de Gemeentewet maatregelen trefen indien de openbare orde of veiligheid daadwerkelijk wordt bedreigd. Dit kan door middel van een noodbevel (art. 175 Gemeentewet) of een noodverordening (art. 176 Gemeentewet). Deze bevoegdheden worden echter uitsluitend ingezet wanneer sprake is van ernstige maatschappelijke onrust of concrete verstoring van de openbare orde. Zolang er geen sprake is van strafbare uitingen of daadwerkelijke bedreiging van de openbare orde, bestaat er voor de gemeente geen juridische grondslag om handhavend op te treden.