Bijlage bij raadsvoorstel 9.4 2017 01 03 beschikking ernst en spoed Veersedijk 301
Tekst van het document
Zaaknummer
Z-16-295062
Ons kenmerk
D-16-1640103 / CHK
Behandeld door
mevrouw C.M. Bok-Kamermans
BESCHIKKING De Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid heeft namens Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland op 4 april 2016 een melding ontvangen van AnteaGroup B.V. te Rotterdam. De melding betreft een verzoek tot het bepalen van de ernst en spoedeisendheid volgens de artikelen 29 en 37 van de Wet bodembescherming (Wbb) voor de locatie Veersedijk 301 te Hendrik-Ido-Ambacht. AnteaGroup B.V. heeft de melding ingediend als gemachtigde van de gemeente Hendrik-Ido-Ambacht. De locatie is geregistreerd onder Wbb-code ZH053100012. Als onderdeel van deze melding zijn ter beoordeling ingediend: Onderzoekstype
Onderzoeksbureau
Referentienummer
Datum
Archief OZHZ
Samenvattende
Antea Group
408237
29 maart 2016
D-16-1541531
Antea Group
404182
Januari 2016
D-16-1541531
Verificatie onderzoek
Antea Group
401366
5 januari 2016
D-16-1541531
milieutechnisch onderzoek
Tritium Advies B.V.
1410/038/CJ-01
18 november 2014
D-16-1541531
nader
Witteveen en Bos
HI65-1/14-014.582
23 juli 2014
D-16-1541531
Grontmij
304794
15 mei 2012
D-16-1541531
W08.055.E1
27 januari 2009
D-16-1541531
rapportage technisch en constructief onderzoek
bodemonderzoek Verificatierapport
Nederland BV Tussentijdse
MH poly consultants
evaluatie Besluit De hierboven genoemde bodemonderzoeken hebben wij op volledigheid en op inhoud beoordeeld. Aan de hand van deze gegevens besluiten wij het volgende:
Op eerder genoemde locatie is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging als bedoeld in artikel 29 Wbb. Met toepassing van artikel 37 lid 5 Wbb hebben wij in deze beschikking voorschriften aan onze instemming verbonden.
Er is noodzaak tot het uitvoeren van een spoedige sanering als bedoeld in artikel 37 Wbb.
De sanering dient binnen vier jaar na het nemen van deze beschikking te zijn aangevangen.
Z-16-295062
Procedure Gelet op de belangen van derden is bij de voorbereiding van de beschikking op grond van artikel 3:10 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb gevolgd. Inspraak Ingevolge artikel 6:4 lid 3 juncto 6:7 juncto 6:8 lid 4 van de Algemene wet bestuursrecht juncto hoofdstuk 20 Wet milieubeheer juncto artikel 2 van bijlage 2: bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak kan door belanghebbende(n) gedurende een periode van zes weken een gemotiveerd beroepsschrift worden ingediend tegen deze beschikking. De termijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit ter inzage is gelegd. Het beroepschrift dient te worden gericht aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 AE Den Haag. Tevens kan er bij de Voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een voorlopige voorziening ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht juncto hoofdstuk 20 Wet milieubeheer juncto artikel 2 van bijlage 2: bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak van de Algemene wet bestuursrecht worden gevraagd.
De stukken die betrekking hebben op de beschikking liggen gedurende deze termijn ter inzage in het gebouw van de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid, Johan de Wittstraat 140 te Dordrecht, openingstijden van 9.00 tot 16.00 uur (werkdagen), telefonisch bereikbaar [078] 770 85 85. U kunt de stukken ook opvragen door een e-mail te sturen aan: bodemsanering@ozhz.nl onder vermelding van het op de voorpagina vermelde zaaknummer. Zienswijzen Gedurende de termijn dat de ontwerpbeschikking ter inzage heeft gelegen zijn er twee zienswijzen ingediend. Het betreft een zienswijze van de gemeente Hendrik-Ido-Ambacht en een zienswijze van Rijkswaterstaat. De zienswijzen behelzen het volgende: Zienswijze gemeente Hendrik-Ido-Ambacht In de voorschriften in de ontwerpbeschikking staat "Voor het opstellen en indienen van een saneringsplan dient de aard en omvang van de verontreiniging met minerale olie nader te worden onderzocht." Onder het kopje "Risicobeoordeling, spoed en saneringstijdstip" in de ontwerpbeschikking staat opgenomen dat de resultaten van het nader bodemonderzoek opnieuw beoordeeld zullen worden ten aanzien van de spoedeisendheid. Het uitvoeren van het nader bodemonderzoek als verplichting voorafgaande aan het indienen van een saneringsplan wordt ter discussie gesteld.
Zeker in relatie tot het opnieuw bepalen van de spoedeisendheid aangezien de locatie reeds op basis van verspreidingsrisico's met spoed gesaneerd dient te worden. Ten aanzien van de ingediende zienswijze stellen wij het volgende: Het doel van het nader onderzoek is echter niet om met deze resultaten opnieuw de spoedeisendheid te kunnen bepalen, maar om het risico van verdere verspreiding na genomen saneringsmaatregelen vast te kunnen stellen. Momenteel is sprake van een lekstroom naar de naastgelegen rivier. Wanneer hier maatregelen tegen genomen worden is het mogelijk dat de sterke verontreiniging met minerale olie zich een andere weg zoekt. Met behulp van onderzoek dient aangetoond te worden of deze mogelijke verspreiding aan de orde is. Een gedegen beeld van de uitgangssituatie is hierbij noodzakelijk. Echter aangezien de saneringsaanpak in deze fase niet bekend is en de saneringsaanpak bepalend is voor de noodzaak van het al dan niet uitvoeren van aanvullend bodemonderzoek naar minerale olie, is in overleg met de indiener van de zienswijze besloten het voorschrift uit de beschikking te verwijderen.
2
Z-16-295062
Naar aanleiding van de zienswijze is verder gebleken dat een aantal zinsneden in de beschikking aangepast en/of verduidelijkt moeten worden. Het betreft de volgende punten: Onder het kopje 'geval 2: verontreinigingen minerale olie; grondwater' is per abuis een foutief volume van de grondwaterverontreiniging met minerale olie opgenomen. In plaats van 19.300 m3 moet dit zijn dit 4.400 m3. Onder het kopje 'oppervlaktewater' dient de laatste zin uit de tweede alinea te worden aangevuld met de tekst 'en in samenspraak met Rijkswaterstaat als verantwoordelijk beheerder voor het oppervlaktewater.' In de alinea boven het kopje 'voorschriften' is de zin verwijderd waarin vermeld staat dat de resultaten van een nader bodemonderzoek dienen voor het uitvoeren van een nieuwe bepaling van de spoedeisendheid. Onder het kopje 'voorschrift met betrekking tot nader bodemonderzoek' is de het voorschrift met betrekking tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek verwijderd. Zienswijze Rijkswaterstaat Rijkswaterstaat heeft ingestemd met een tijdelijke beheersmaatregel van de uitstroom van olie richting het oppervlaktewater (bestaande uit oliebooms), op grond van informatie dat de sanering in 2016, uiterlijk 2017 aan zou vangen. In het besluit is echter opgenomen dat de sanering binnen vier jaar na het nemen van deze beschikking moet zijn aangevangen.
Dit zou kunnen betekenen dat de sanering dus pas eind 2020 aanvangt. Rijkswaterstaat geeft aan dat dit niet wenselijk is en vragen daarom de termijn waarbinnen de sanering aangevangen moet zijn, te verminderen van 4 jaar naar 1 jaar. Het alternatief is het nemen van aanvullende beheersmaatregelen die borgen dat er geen uitstroming van verontreiniging naar het oppervlaktewater plaats kan vinden. In dat geval dan kan Rijkswaterstaat zich vinden in de termijn van 4 jaar die gesteld wordt voor het aanvangen van de bodemsanering. Ten aanzien van de ingediende zienswijze stellen wij het volgende: De tijdelijke beheersmaatregel bestaat momenteel uit oliebooms ter voorkoming van verspreiding van de verontreiniging met minerale olie naar het oppervlaktewater. Maandelijks wordt een visuele inspectie uitgevoerd door de terreinbeheerder van de gemeente Hendrik-Ido-Ambacht. Periodiek worden de oliebooms ververst door AnteaGroup B.V. Wanneer blijkt dat de oliebooms, zoals nu aangebracht, niet effectief genoeg zijn, worden reeds aanvullende maatregelen genomen. Dit blijkt uit de maandelijks controlerapportages.
In overleg met de indiener van de zienswijze is besloten het voorschrift uit de beschikking aan te passen met de toevoeging dat wanneer blijkt dat de oliebooms niet afdoende zijn om verspreiding naar de rivier te voorkomen, er in overleg met Rijkswaterstaat andere (aanvullende) tijdelijke beheersmaatregelen genomen dienen te worden. De termijn waarbinnen de sanering aangevangen dient te zijn blijft dan ook staan op 4 jaar. Overwegingen Toetsingskader geval van ernstige bodemverontreiniging Van een geval van bodemverontreiniging is sprake indien de verontreiniging van de bodem betrekking heeft op grondgebieden die vanwege die verontreiniging, de oorzaak of de gevolgen daarvan in technische, organisatorische en ruimtelijke zin met elkaar samenhangen (artikel 1 van de Wbb). Van een geval van ernstige bodemverontreiniging is sprake indien in minimaal 25 m3 bodemvolume in het geval van grondverontreiniging of in 100 m3 bodemvolume in het geval van grondwaterverontreiniging voor tenminste één stof de gemiddelde gemeten concentratie hoger is dan de interventiewaarde zoals genoemd in de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013. Er is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging met asbest indien de interventiewaarde wordt overschreden, onafhankelijk van het volume.
Geval 1: Verontreinigingen grond ophooglaag Uit de hierboven genoemde onderzoeksrapporten blijkt dat in de grond van Veersedijk 301 te Hendrik-Ido-Ambacht de stoffen zware metalen, polycylische aromatische koolwaterstoffen (PAK), minerale olie en plaatselijk polychloorbifenylen (PCB's) en benzeen zijn aangetoond in concentraties die de interventiewaarden overschrijden. De verontreinigingen zijn over het gehele oppervlak van de locatie, te weten 21.600 m2, aangetroffen tot een diepte van 3 meter minus het maaiveld (m-mv).
3
Z-16-295062
De verontreinigingen hangen samen met voormalige bedrijfsactiviteiten zoals een hydraulische pers- en knipschaar, schrootopslag en de ondergrondse opslag van olie. De omvang van de verontreiniging in de grond wordt geschat op circa 64.800 m3 (oppervlakte perceel 21.600 m² x gemiddelde dikte van de ophooglaag 3 meter). Geval 2: verontreinigingen minerale olie Grond Binnen de ophooglaag is sprake van een omvangrijke olieverontreiniging (met name hydraulische olie) in zowel de grond als in het grondwater. De verontreiniging met minerale olie in de grond wordt in de samenvattende rapportage geschat op circa 19.300 m3 (6.435 m² x 3 meter). De verontreiniging bestaat uit een drietal vlekken verspreid over de locatie. Aangezien de verontreiniging in het horizontale vlak niet volledig in beeld is, kan het zijn, dat de vlekken met elkaar in verbinding staan. De verwachting is dat de totale omvang van het geval met minerale olie groter is dan is geschat in de samenvattende rapportage. Het criterium van een sterk verontreinigd bodemvolume van meer dan 25 m3 wordt op basis van de huidig beschikbare gegevens overschreden. De verontreinigingen overschrijden, op basis van historische gegevens en de onderzoeksgegevens, de perceelgrens niet. Aan de westzijde en oostzijde van de locatie is op de buurpercelen ook sprake van een sterke verontreiniging met minerale olie.
Op basis van het type olie en de extreem hoge concentraties op de buurpercelen blijkt dat sprake is van verschillende bronnen van verontreiniging, waarbij ook sprake is van bronnen op de buurpercelen. Het is aannemelijk dat de verontreinigingen in elkaar overlopen aangezien de verontreinigingen wel tot aan de perceelsgrens aanwezig zijn. Grondwater In het grondwater is minerale olie aangetoond in concentraties die de interventiewaarden overschrijden. De verontreiniging bestaat uit een drietal vlekken verspreid over de locatie binnen contouren van de sterke verontreinigingen met minerale olie in de grond. De verontreinigingen met minerale olie in het grondwater bevinden zich tot een diepte van maximaal 3,0 m–mv. De omvang wordt ingeschat op circa 4.400 m3 (2.200 m² x 2 meter). Aangezien de verontreiniging in het horizontale vlak niet volledig in beeld is, kan het zo zijn dat de vlekken met elkaar in verbinding staan en is de verwachting dat de totale omvang van het geval met minerale olie groter is dan 4.400 m3. Op het noordelijke terreingedeelte is plaatselijk een drijflaag aanwezig (circa 0,3 meter). De omvang van de drijflaag is niet bekend. Oppervlaktewater Op het oppervlaktewater wordt sinds eind 2014 een oliefilm waargenomen.
Uit onderzoek blijkt dat dit dezelfde oliesoort betreft als de minerale olie die aanwezig is op de locatie Veersedijk 301 en als drijflaag aanwezig is op het grondwater. Tevens wijst technisch en constructief onderzoek uit dat de aanwezige damwand, zowel onder als boven de waterlijn, gaten en scheuren vertoont. De verontreiniging met minerale olie verspreidt zich via de gaten en scheuren naar het oppervlaktewater. Om de verspreiding van de oliefilm op het oppervlaktewater zo veel mogelijk te beperken, wordt een tijdelijke beheersmaatregel toegepast. De tijdelijke beheersmaatregel wordt uitgevoerd door Antea Group B.V. in opdracht van de gemeente Hendrik-Ido-Ambacht en in samenspraak met Rijkswaterstaat als verantwoordelijk beheerder voor het oppervlaktewater. De maatregel bestaat uit oliebooms, bevestigd aan de damwand, die de vlek met minerale olie op het oppervlakte water omsluiten, om daarmee verdere verspreiding naar het oppervlaktewater te voorkomen. Deze oliebooms absorberen de uit het grondwater vrijkomende minerale olie. Maandelijks wordt een visuele inspectie uitgevoerd door de terreinbeheerder van de gemeente Hendrik-Ido-Ambacht. Periodiek worden de oliebooms ververst door AnteaGroup B.V.
4
Z-16-295062
Verontreinigingen grond asbest Vanwege de historie van het terrein is het mogelijk dat er een geval van ernstige bodemverontreiniging met asbest aanwezig is. Een deel (circa 14%) van de locatie is analytisch onderzocht op de aanwezigheid van asbest in de bodem. Het betreft hier een deel van de locaties daar waar mogelijk in de toekomst gegraven gaat worden voor de verwijdering van de mobiele verontreiniging (minerale olie). Dit zijn locaties die op basis van de voormalige bedrijfsactiviteiten verdacht zijn op het voorkomen van asbest (schrootpers, schrootschaar en schrootopslag). Ook is de grond ter plaatse verdacht op het voorkomen van asbest als gevolg van bijmenging met puinhoudend materiaal in de ophooglaag. Uit het onderzoek (Witteveen + Bos, kenmerk HI65-1/14-014.582, van 23 juli 2014) blijkt dat de onderzochte delen asbest bevatten in gehalten onder de interventiewaarde (100 mg/kg d.s.) en dat dit heterogeen is verspreid. Ten behoeve van voorliggende beschikking wordt uitgegaan dat de gehele locatie verdacht is op het voorkomen van asbest. In het meest negatieve geval zal de omvang van de asbestverontreiniging hierdoor samenvallen met de bekende verontreiniging van de grond met zware metalen (geval 1). Het mogelijk voorkomen van asbest in de grond heeft daardoor geen invloed op het besluit over de ernst van de verontreiniging.
Vanwege de aangetoonde gehalten (<100 mg/kg d.s.) op een deel van de locatie, achten wij de kans zeer klein dat er sprake is van humane risico's als gevolg van de verontreiniging met asbest. Het mogelijk voorkomen van asbest in de grond heeft daardoor ook geen invloed op het besluit over de spoedeisendheid van de verontreiniging. Verontreinigingen algemeen De aangetoonde verontreinigingen in zowel de grond als in het grondwater hangen in technische, organisatorische en ruimtelijke zin met elkaar samen omdat deze allen zijn ontstaan vanuit de voormalige bedrijfsactiviteiten op de locatie en de aanwezige ophooglaag. De verontreinigingen in de grond en het grondwater zijn per geval op basis van de voorlopig ingeschatte interventiewaarde contour vanuit de huidig beschikbare onderzoeksgegevens aangegeven op de kadastrale kaart die als bijlagen bij deze beschikking is gevoegd. De verrichte bodemonderzoeken voldoen naar het oordeel van de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid aan de daartoe bij of krachtens de Wbb gestelde eisen. Omdat de gemiddelde concentratie gemeten in grond van zware metalen, PAK, minerale olie en plaatselijk aan PCB en benzeen in minimaal 25 m3 (en/of gemeten in grondwater in minimaal 100 m3) hoger is dan de interventiewaarde voor deze stof(fen), is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging conform de Wet bodembescherming (Wbb).
Risicobeoordeling, spoed en saneringstijdstip Het toetsingskader voor de beoordeling is vastgelegd in de circulaire bodemsanering per 1 juli 2013. De standaard- en de locatiespecifieke risicobeoordeling betreffen de vraag of de aangetroffen ernstige verontreiniging al dan niet onacceptabele risico’s oplevert voor de mens, het ecosysteem of van verspreiding, gelet op de huidige gebruiksfunctie van het perceel. Uit de uitgevoerde standaard en locatiespecifieke risicobeoordelingen blijkt dat bij huidig gebruik (ander groen, bebouwing, infrastructuur en industrie) de aangetoonde verontreinigingen onacceptabele risico’s oplevert voor het ecosysteem en verspreiding:
Er is ten aanzien van geval 1 sprake van ecologische risico's doordat bij een ecologisch toetsniveau "relatief ongevoelig" de acute toxische druk meer dan 65% bedraagt voor een bodemoppervlak van meer dan 5.000 m2.
Er is ten aanzien van geval 2 sprake van verspreidingsrisico's aangezien op het noordelijk deel van de locatie sprake is van een drijflaag, welke zich via de gaten en scheuren in de damwand verspreidt naar het naastgelegen oppervlaktewater.
5
Z-16-295062
Bij wijziging van de bestemming dienen de risico's opnieuw bepaald te worden zodat vastgesteld kan worden of dan mogelijk tevens sprake is van een humaan risico. Gezien de geconstateerde onacceptabele risico’s dient uiterlijk vier jaar na de inwerkingtreding van deze beschikking de sanering te zijn aangevangen. Wij merken op dat de risicobeoordeling is uitgevoerd op basis van de gegevens zoals deze bij de aanvraag van de beschikking zijn ingediend. Voorschriften Op grond van artikel 39, lid 2 van de Wet bodembescherming hebben wij de volgende voorschriften aan onze instemming verbonden: Voorschrift met betrekking tot tijdelijke beheersmaatregel
Tot het moment van saneren waarbij de onaanvaardbare risico's definitief worden weggenomen, dienen de tijdelijke beheersmaatregelen, momenteel bestaande uit oliebooms ter voorkoming van verspreiding van de verontreiniging met minerale olie naar het oppervlaktewater, in stand te worden gehouden. Wanneer blijkt dat de oliebooms niet afdoende zijn om verspreiding naar de rivier te voorkomen, dienen er in overleg met Rijkswaterstaat andere (aanvullende) tijdelijke beheersmaatregelen genomen te worden.
Gebruiksbeperkingen Voor de locatie gelden de volgende gebruiksbeperkingen:
Er mogen géén werkzaamheden worden uitgevoerd die (mogelijk) van invloed zijn op de gevallen van bodemverontreiniging en/of de tijdelijke beheersmaatregel met betrekking tot de verspreiding van de verontreiniging met minerale olie naar het oppervlaktewater aan de noordzijde van de locatie.
Indien deze werkzaamheden onvermijdelijk zijn, mogen de betreffende werkzaamheden pas worden uitgevoerd na schriftelijke instemming van de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid.
Wijzigingen in het gebruik van de bodem of de omstandigheden op de locatie die van invloed zijn op de gevallen van ernstige bodemverontreiniging dienen onverwijld schriftelijk gemeld te worden bij de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid.
Kadastrale registratie en publicatie Uit deze beschikking vloeien publiekrechtelijke beperkingen zoals bedoeld in de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken (Wkpb), het Aanwijzingsbesluit Wkpb en artikel 3, eerste lid van de Ministeriële regeling Wkpb op grond van artikel 55 Wbb voort. Het betreft de volgende kadastrale percelen, zoals weergegeven op bijgaande kadastrale kaart. Kadastrale gemeente
Sectie
Nummer
Hendrik-Ido-Ambacht
E
9653 (geheel)
Aansprakelijkheid Wij nemen het besluit op grond van door de indiener aangeboden gegevens. Indien blijkt dat deze gegevens onjuist en/of onvolledig zijn, is de provincie Zuid-Holland niet aansprakelijk voor de schade die als gevolg daarvan ontstaat, noch voor de kosten van een eventueel uit te voeren sanering. De provincie Zuid-Holland is eveneens niet aansprakelijk voor schade ontstaan aan onroerende zaken als gevolg van de saneringsmaatregelen.
6
Z-16-295062
Besloten te Dordrecht op 3 januari 2017
Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland, namens dezen, Hoofd afdeling Expertise en Advies van de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid
ing. M.R. Rietberg Deze brief is digitaal vastgesteld en is daarom niet ondertekend.
De beschikking wordt verzonden aan: AnteaGroup B.V., de heer K. Joosten, Postbus 8590, 3009 AN Rotterdam Een afschrift van de beschikking wordt verzonden aan: Rijkswaterstaat West-Nederland Zuid, de heer J. van Tuijl, Postbus 556, 3000 AN Rotterdam Burgemeester en wethouders van de gemeente Hendrik-Ido-Ambacht, mevrouw J. Petter en de heer N.A.M.R. Termote, postbus 34, 3340 AA Hendrik-Ido-Ambacht Regionale Ontwikkelingsmaatschappij Drechtsteden Beheer N.V., Noordendijk 250, 3311 RR Dordrecht Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid, de heer F.J. van der Ham, postbus 550, 3300 AN Dordrecht Kadaster (digitaal)
Bijlage: situatietekeningen met ligging geval van bodemverontreiniging grond en grondwater (3 stuks)
7