CConstaterende datHendrik-Ido-Ambacht
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage bij raadsvoorstel 9.2 TVW 2021 Drechtsteden - Hoofdtekst

raadsvergadering openbaar 5 juli 2021, gemeente Hendrik-Ido-AmbachtBij agendapunt: Transitie Warmte 202113.116 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Transitievisie Warmte 2021 Hendrik-Ido-Ambacht [Onderwerp]

Inhoudsopgave Voorwoord

3

Samenvatting

4

1

Inleiding

7

2

Uitgangspunten

11

3

Duurzame warmteopties

13

4

Transitiepaden en fasering

18

5

Uitvoeringsstrategie

26

2

Voorwoord Als wethouder spreek ik regelmatig bewoners die bezig zijn met de energietransitie. Bewoners die zich al enthousiast inzetten om hun woning te verduurzamen, en mensen die zich afvragen hoe ze dit kunnen gaan doen. Vanuit het Klimaatakkoord spelen gemeenten een belangrijke rol bij het uitvoeren van de klimaatafspraken. Het aardgasvrij maken van onze woningen en onze wijken is er daar één van. Dit kunnen we niet alleen. We hebben iedereen in de gemeente nodig, bewoners, instellingen, bedrijven; we vinden het belangrijk om het samen te doen, op een tempo dat voor iedereen behapbaar is, en met de horizon op 2050. Natuurlijk willen Ambachters weten wat deze overstap voor hen betekent. Welke alternatieven voor aardgas zijn er dan en waar starten we mee? Om hen alvast wat meer houvast te geven hebben we deze Transitievisie Warmte geschreven. Iedereen krijgt immers met de overstap naar aardgasvrij te maken en deze visie geeft handvatten voor toekomstbestendige acties voor bewoners om aan de slag te gaan. We kunnen niet in één keer de hele gemeente aardgasvrij maken. Dat hoeft ook niet, er is nog tijd. De overgang naar aardgasvrij doen we stap voor stap, waarbij we goed nadenken over elke stap. Het belangrijkste uitgangspunt voor de hele warmtetransitie is dat het haalbaar en betaalbaar is, en dat iedereen mee kan doen.

Voor de meeste buurten zal het nog even duren voordat er volledig duurzaam wordt gewoond. Hierin geven we een tijdpad weer, en per buurt en per alternatief een 'transitiepad' met daarin handvatten voor bewoners en gebouweigenaren die nu al aan de slag willen. Dat doen we steeds op basis van het meest duurzame alternatief en op basis van zo laag mogelijke kosten voor de gemeente. We herijken dit plan in ieder geval elke vijf jaar, en het allerbelangrijkste: het definitieve plan voor elke buurt maken we samen met de buurtbewoners, samen met u! Ralph Lafleur Wethouder Duurzaamheid

3

Samenvatting Transitievisie Warmte voor gemeente Hendrik-Ido-Ambacht In 2050 worden gebouwen in Nederland niet meer met aardgas verwarmd. Dat is nodig om onze CO2 terug te dringen en klimaatverandering tegen te gaan. Ook willen we de afhankelijkheid van aardgas verminderen, zowel uit binnenland als buitenland. Ook in Hendrik-Ido-Ambacht gaan we onze gebouwen en huizen op een andere manier verwarmen. Deze overstap naar duurzame en aardgasvrije verwarming noemen we de warmtetransitie. Volgens het Nederlands Klimaatakkoord moeten alle gemeenten uiterlijk in 2021 hun Transitievisie Warmte vaststellen, waarin de alternatieven voor aardgas en het tijdpad per buurt is uitgewerkt. De Transitievisie Warmte moet bovendien iedere vijf jaar worden herijkt om de nieuwste inzichten op het gebied van innovatie en wet- en regelgeving mee te nemen.

Uitgangspunten voor de warmtetransitie We hebben samen met de andere Drechtsteden uitgangspunten opgesteld. Deze uitgangspunten zijn opgesteld met inbreng van bewoners, raadsleden en betrokken partnerorganisaties. De warmtetransitie slaagt alleen als het voor iedereen haalbaar en betaalbaar is en als iedereen mee kan doen. Op dit moment is dat nog niet overal het geval. We pakken het dus stap voor stap aan en durven te starten waar het wél kan. Daar waar de overstap naar aardgasvrij nog niet haalbaar en betaalbaar is, gaan we op zoek naar tussenstappen. Een belangrijke eerste stap is het toepassen van isolatie en andere vormen van energiebesparing. Uiteindelijk heeft elke gebouweigenaar een keuze in de aardgasvrije warmteoptie, maar aardgas is op termijn geen optie meer.

Transitiepaden en het onderzoeksbeeld Voor iedere buurt hebben we een transitiepad uitgestippeld waarin de warmteoptie, een fasering op hoofdlijnen en een handelingsperspectief voor alle partijen staan. Deze transitiepaden hebben we weergegeven in een kaart, de perspectiefkaart. In alle transitiepaden worden handvaten geboden zodat gebouweigenaren nu al aan de slag kunnen met zogenoemde ‘’no-regretmaatregelen’’ om hun gebouw geschikt te maken voor aardgasvrije verwarming. Denk hierbij aan bijvoorbeeld isoleren of elektrisch koken. Daarnaast beschrijft het transitiepad de stappen om te komen tot een warmteoptie, waarvan het warmtenet en all-electric de belangrijkste zijn. We hebben zorgvuldig onderzocht welk transitiepad in welke buurt de beste keuze is met de kennis van nu. We hebben gekeken welke warmteoptie in iedere buurt de laagste maatschappelijke kosten heeft door drie rekenmodellen met elkaar te vergelijken. Ook hebben we samen met de werkgroep van betrokken partnerorganisaties gekeken naar het perspectief op duurzame warmtebronnen, de impact op de openbare ruimte, koppelkansen en de duurzaamheid van de warmteopties.

Perspectiefkaart Figuur 1 toont de kaart die dat oplevert; de ‘perspectiefkaart’. De legenda laat zien welk transitiepad we in welke buurt willen gaan doorlopen. De kansrijke warmteoplossingen en bijbehorende transitiepaden lichten we na de kaart toe.

4

Figuur 1: Perspectiefkaart bij de Transitievisie Warmte

Warmtenetbuurten Voor een deel van Hendrik-Ido-Ambacht is een warmtenet de oplossing met de laagste maatschappelijke kosten. In warmtenetbuurten gaan we met een wijk- of doelgroepgerichte aanpak aan de slag om de gebouwde omgeving aan te sluiten op een warmtenet, of zijn we daarmee al gestart. Dit gaat voor de korte termijn om de buurt Kruiswiel waar Rhiant en Woonkracht10 een SAH-subsidie (Subsidieregeling Aardgasvrije Huurwoningen) hebben gekregen om vijf complexen op het warmtenet aan te sluiten, en een deel van De Volgerlanden-Oost waar nieuwbouw op het warmtenet is gerealiseerd. De komende jaren kunnen ook andere doelgroepen in Kruiswiel worden aangesloten, zoals resterend corporatiebezit, utiliteitsbouw en particuliere woningen. Dit is echter sterk afhankelijk van enkele randvoorwaarden, zoals de voortzetting van bestaande subsidies, nieuwe subsidies en acquisitietrajecten van HVC. Zoals voor alle buurten geldt, moeten gebouwen eerst geschikt gemaakt worden voor aardgasvrije verwarming, onder andere door te isoleren. Na Kruiswiel is Oostendam een logische volgende buurt, waar ook kansrijke doelgroepen zoals het corporatiebezit eerst kunnen worden aangesloten, gevolgd door andere doelgroepen. Gebouweigenaren kunnen we niet verplichten om aan te sluiten op het warmtenet. Er is keuzevrijheid, en die blijft er naar verwachting ook.

Bovendien heeft de gemeente momenteel niet de bevoegdheid om het bestaande aardgasnet te laten verwijderen. Wel wordt de ‘Wet Collectieve Warmtevoorziening (WCW)’ in de nieuwe kabinetsperiode verwacht. Met deze wet kan de gemeente zogenaamde ‘warmtekavels’ aanwijzen waar binnen woningeigenaren moeten aansluiten op het warmtenet, tenzij zij kiezen voor een ander duurzaam en gasvrij alternatief, zoals een allelectric oplossing.

All-electric buurten In een all-electricbuurt ligt voor energie in de toekomst in principe alleen een elektriciteitsnet onder de grond. Deze gebouwen maken gebruik van een warmtepomp voor verwarming. Ook in deze gebouwen moet doorgaans eerst geïsoleerd worden om woningen geschikt te maken en moeten er andere gebouwmaatregelen genomen worden voordat deze gebouwen klaar zijn voor all-electric.

5

All-electric is een individuele warmteoptie, wat betekent dat iedere gebouweigenaar zelf kiest wanneer de overstap gemaakt wordt. De buurten waarin all-electric de meest voor de hand liggende oplossing is, zijn vaak vrij nieuw en stoten relatief weinig CO2 uit. Daarnaast zijn er nog veel innovaties te verwachten in all-electric oplossingen. Daarom is het niet nodig dat deze buurten een te hoog tempo doorlopen. Dat zou tot onnodige desinvesteringen kunnen leiden. Deze buurten maken gestaag tussen nu en 2050 de overstap, op natuurlijke momenten. Natuurlijke momenten kunnen zijn een verhuizing, een verbouwing of de vervanging van apparaten. In all-electric buurten kan de overstap naar aardgasvrij zich op die manier organisch ontwikkelen, waardoor er tevens voldoende tijd ontstaat voor de netbeheerder om het huidige elektriciteitsnet waar nodig te verzwaren. De gemeente kiest samen met netbeheerder Stedin een natuurlijk moment om het elektriciteitsnet te verzwaren. Ook wordt er een natuurlijk moment gekozen om het gasnet ofwel te vervangen om mogelijk te kunnen gebruiken voor waterstof/duurzaam gas ofwel om het gasnet te verwijderen. Hendrik-Ido-Ambacht heeft relatief veel jonge wijken met veel nieuwbouw, wat all-electric voor meerdere buurten een kansrijk alternatief voor aardgas maakt.

Besparingsbuurten: besparen en herijken In een aantal buurten kunnen we, met de kennis van nu, nog niet duidelijk maken wat de optimale warmteoptie is. Bijvoorbeeld omdat de kosten tussen warmtenetten en all-electric heel dicht bij elkaar liggen, of omdat de rekenmodellen verschillende uitkomsten geven. Deze buurten geven we bij de vijfjaarlijkse herijking extra aandacht om te kijken of we, op basis van de nieuwste inzichten en ontwikkelingen, nieuwe conclusies kunnen trekken. Tot die tijd zitten we ook in deze buurten niet stil: we gaan volop aan de slag met het ‘’transitiegereed’’ maken van alle gebouwen door isolatie, elektrisch koken en andere maatregelen. In Ambacht zien we dit transitiepad terug in onder andere de wijk Dorp.

Nieuwbouw: altijd aardgasvrij en volgt de fasering van de gebiedsontwikkeling Alle nieuwbouw in Hendrik-Ido-Ambacht wordt aardgasvrij gerealiseerd, dat is sinds 2018 landelijke wetgeving. Ook voor nieuwbouw gelden de criteria, zoals beschreven in deze Transitievisie Warmte. Dat betekent dat de inzet van lokale, direct bruikbare warmte voorkeur heeft bij het bepalen van het energiesysteem. De nieuwbouw kent een ander transitiepad dan bestaande wijken, omdat nieuwbouw de planning volgt van de gebiedsontwikkeling. Met name bij kleine transformatie- of nieuwbouwontwikkelingen binnen buurten met bestaande bouw kan het perspectief voor de bestaande bouw mede bepalend zijn voor het gekozen energiesysteem.

Bedrijventerreinen Bedrijventerreinen volgen een eigen transitiepad met veel aandacht voor maatwerk. Dat komt omdat de warmtevraag van bedrijven sterk verschilt, al naar gelang de functie van het bedrijf. Sommige bedrijven hebben helemaal geen warmtevraag, zoals opslagloodsen, anderen hebben een grote koudevraag, zoals kantoren. Weer anderen hebben hoge temperatuur nodig voor bedrijfsprocessen. We voorzien daarom meerdere oplossingen op een bedrijventerrein, zowel individueel als kleinschalig collectief. Veel bedrijven maken momenteel al werk van de transitie omdat er voor bedrijven al veel strenge energieregels zijn.

Aan de slag met een uitvoeringsstrategie Als vervolg op deze Transitievisie Warmte werken we verder aan zowel collectieve aanpakken voor het realiseren van aansluitingen op het warmtenet, als aan individuele maatregelen. Voor individuele maatregelen als isolatie, hybride warmtepompen of de overstap naar all-electric werken we per doelgroep een aanpak uit om gebouweigenaren te ondersteunen. Voor collectieve maatregelen geldt deze Transitievisie Warmte als kader voor het gesprek met initiatieven van gebouweigenaren en marktpartijen. We noemen dit een uitnodigingskader, waarmee we houvast bieden in de ‘tussenfase’ waarin randvoorwaarden als de Wet Collectieve Warmtevoorziening nog niet beschikbaar zijn. Om van transitievisie naar uitvoering te komen, is extra capaciteit nodig. In Hendrik-IdoAmbacht verwachten we vanaf 2022 twee tot drie fte nodig te hebben om gemeentelijke taken op het gebied van warmtetransitie en energiebesparing te kunnen uitvoeren, nog los van het opstellen en uitvoeren van wijkuitvoeringsplannen.

6

1 Inleiding In het Klimaatakkoord is afgesproken dat alle Nederlandse gebouwen in 2050 verduurzaamd zijn. We gebruiken dan geen aardgas meer om onze woningen en bedrijven te verwarmen en om te koken. We gaan op zoek naar andere oplossingen. Misschien klinkt 2050 nog ver weg, maar de overstap naar een aardgasvrije gemeente is een enorme klus, die we zorgvuldig en stap voor stap realiseren. Die stappen brengen we in deze Transitievisie Warmte in beeld.

1.1 Landelijke context Net als alle andere landen moet Nederland een flinke inspanning leveren om de opwarming van de aarde te beperken tot maximaal 2, en liefst niet meer dan 1,5 graden Celsius. Daarover heeft de Rijksoverheid afspraken gemaakt in het Klimaatakkoord van Parijs. In 2019 ondertekenden overheden, organisaties en bedrijven in Nederland het Nationale Klimaatakkoord. Hierin staan concrete afspraken om de uitstoot van broeikasgassen in 2030 met 49 procent te verminderen ten opzichte van 1990. Nederland wil, als andere landen meedoen, de Europese doelstelling verhogen naar 55 procent minder uitstoot van broeikasgassen in 2030. Het Nederlandse doel is om in 2050 een volledig aardgasvrije samenleving te hebben. Voor de gebouwde omgeving zijn dit bijna acht miljoen woningen en één miljoen utiliteitsgebouwen. Om dit einddoel te kunnen behalen is de tussendoelstelling dat twintig procent van het totaal aantal woningen in 2030 al aardgasvrij is. Dat zou betekenen dat van de 127.000 woningen in de Drechtsteden, er ongeveer 25.000 in 2030 aardgasvrij zijn. Gemeenten hebben een regierol in deze transitie naar een aardgasvrije gebouwde omgeving. Het Klimaatakkoord vraagt gemeenten om te werken aan plannen op drie niveaus, waartussen afstemming plaatsvindt (figuur 2):

Figuur 2: Planvorming op drie niveaus in de warmtetransitie

1. Op Regionaal niveau doen we dat in de vorm van de Regionale Energie Strategie (RES), waarin we duurzame energiebronnen in de regio in kaart brengen. Onderdeel van de RES is de Regionale Structuur Warmte (RSW), waarmee we de regionale beschikbare warmtebronnen, het verdeelvraagstuk van warmte binnen de regio, de benodigde infrastructuur en de ruimtelijke impact en kosten in beeld brengen.

7

2. Op gemeentelijk niveau doen we dat in de vorm van de Transitievisies Warmte (TVW), die elke gemeente uiterlijk 2021 vaststelt. De TVW beschrijft hoe de gemeente samen met stakeholders de warmtevraag in de gebouwde omgeving op een aardgasvrije en duurzame manier kan invullen en in welk tempo dat zal verlopen. 3. Op plekken waar we starten met een traject richting aardgasvrij stellen we een wijkuitvoeringsplan op. Omdat het aardgasvrij maken van wijken middels een wijkaanpak nog niet op grote schaal haalbaar en betaalbaar is, op gesubsidieerde pilots na, zal dit voor de meeste wijken de komende jaren nog niet aan de orde zijn. In het uitvoeringsplan maakt de gemeenteraad de definitieve keuzes over hoe en wanneer de wijk aardgasvrij wordt. Daarbij worden de bewoners, overige gebouweigenaren en andere belanghebbenden nauw betrokken

Wat verstaan we onder wijken? De Transitievisie Warmte gaat over de gebouwde omgeving en de warmte die daar nodig is voor ruimte- en tapwaterverwarming. Bedrijventerreinen en de ruimte- en tapwaterverwarming die daar plaatsvindt valt ook onder de Transitievisie Warmte, maar (industriële) bedrijfsprocessen nadrukkelijk niet. Als definitie van wijk hanteren we in deze Transitievisie Warmte de zogenaamde CBS-buurtgrenzen.

1.2 De warmtetransitie in de Drechtsteden De Transitievisie Warmte 1.0 Dit is niet de eerste Transitievisie Warmte van Hendrik-Ido-Ambacht. In 2019 is in alle zeven Drechtsteden de Transitievisie Warmte 1.0 vastgesteld. Daarin is een eerste onderzoeksbeeld gemaakt van de meest kansrijke warmteopties in buurten. In deze versie hebben we het onderzoeksbeeld herijkt en bovendien transitiepaden bepaald. Daarbij gaan we niet alleen in op het einddoel aardgasvrij, maar ook de weg ernaartoe, de fasering, het handelingsperspectief, met logische tussenstappen per type wijk. Zes van de zeven Drechtsteden, te weten Alblasserdam, Dordrecht, Hendrik-Ido-Ambacht, Papendrecht, Sliedrecht en Zwijndrecht, hebben in een gezamenlijk traject gewerkt aan de Transitievisies Warmte 2021. Dit traject is gelijktijdig doorlopen met het opstellen van de RES 1.0 en de daaronder vallende Regionale Structuur Warmte, om optimale afstemming tussen de beleidsdocumenten te verzekeren. 1

RES Samen met de andere Drechtsteden werken we aan het doel om voor 2050 energieneutraal te zijn. Alle energie die na besparing nog wordt gebruikt komt dan uit duurzame bronnen binnen en buiten de regio. In de Regionale Energiestrategie (RES) is een inventarisatie gemaakt van de bronnen die in de regio beschikbaar zijn. De Drechtsteden zijn een warmte-regio bij uitstek: er is een mix aan warmtebronnen beschikbaar en er loopt al een veelheid aan initiatieven op het gebied van warmtenetten. In de concept-RES is een doelstelling van 12.000 extra woningequivalenten (WEQ) aardgasvrij in 2030 opgenomen, met een ambitie van 25.000 WEQ wanneer extra randvoorwaarden (denk aan betaalbaarheid, wetgeving) worden ingevuld.

Groei van warmtenetten in de Drechtsteden In de Drechtsteden zijn al flink wat gebouwen aangesloten op het warmtenet. In delen van Dordrecht, Sliedrecht en Hendrik-Ido-Ambacht liggen warmtenetten van HVC, in Papendrecht is een warmtenet aanwezig met Eneco als warmteleverancier. De komende jaren wordt er op verschillende plekken in de regio gewerkt aan de uitbreiding van bestaande of de realisatie van nieuwe warmtenetten. De woningcorporaties, in samenspraak met HVC, hebben in 2020 voor ongeveer 6.000 woningen verspreid over de Drechtsteden een SAH aanvraag toegekend gekregen. Deze

1 De TVW en RSW vullen elkaar aan. De TVW brengt per gemeente de warmtevraag van gebouwen en de verwachte aardgasvrije infrastructuur per buurt

in beeld. De RSW maakt regionaal de toekomstige beschikbaarheid van duurzame warmtebronnen, elektriciteit en gas (aanbod) inzichtelijk. Door deze trajecten gelijktijdig te doorlopen hebben we de keuzes in deze TVW kunnen afstemmen op de uitkomsten van de RES, zodat vraag, aanbod en infrastructuur met elkaar in lijn zijn.

8

woningen moeten volgens de regeling medio 2025 op een warmtenet worden aangesloten. Dit brengt de eerste contouren van een tijdspad in beeld.

1.3 De warmtetransitie in Hendrik-Ido-Ambacht In Hendrik-Ido-Ambacht speelt daarnaast de lokale context mee: 

Er wordt gewerkt aan de gemeentelijke omgevingsvisie: een visie voor de lange termijn voor de fysieke leefomgeving in Hendrik-Ido-Ambacht. In december 2020 is een Nota van Uitgangspunten vastgesteld door de raad, waarin belangrijke ontwikkelingen en opgaven beschreven staan voor de komende 30 jaar. Klimaatverandering en energietransitie zijn daarin nadrukkelijk benoemd als grote gemeentelijke opgaven. De Omgevingsvisie, het beleidsdocument waar deze uitgangspunten in zullen landen, biedt een paraplu voor de Transitievisie Warmte en de RES, waarin we richting geven aan de invulling van ons doel om in 2050 een energieneutrale samenleving te zijn.

Er wordt via de lokale werkgroep Aardgasvrij door de gemeente met HVC, corporaties, provincie en Stedin al intensief samengewerkt op het gebied van de warmtetransitie.

In de afgelopen twee jaar heeft Ambacht niet stilgezeten als het gaat om de ontwikkeling van een warmtenet. In 2019 zetten de gemeente, projectontwikkelaars en HVC na uitvoerig onderzoek de eerste stappen om in De Volgerlanden-Oost te komen tot een warmtenet voor de gemeente en gingen partijen voortvarend aan de slag. Nog geen jaar later zijn de eerste woningen al opgeleverd en aangesloten op het warmtenet Hendrik-Ido-Ambacht. De warmte wordt op termijn verkregen door de energie uit het water ten oosten van De Volgerlanden (Rietbaan/Strooppot) te halen. Totdat deze duurzame bron gereed is, wordt een tijdelijke warmtecentrale gebruikt voor het verwarmen van de woningen.

Er is een SAH subsidie toegekend aan woningcorporaties Rhiant en Woonkracht10 voor het aansluiten van in totaal zo’n 340 woningen op het warmtenet, voor 2025.

1.4 Wie zijn betrokken geweest? Om deze TVW tot stand te brengen, hebben we bewoners, bedrijven en andere stakeholders op verschillende manieren en momenten in het proces van de TVW betrokken. 4500 bewoners en bedrijven in de Drechtsteden hebben in het najaar van 2020 via een enquête laten weten wat ze belangrijk vinden in de overstap naar aardgasvrij. Daarnaast hebben we gedurende het hele traject gebruikgemaakt van het participatieplatform denkmee.drechtstedenenergie.nl, dat ingezet is voor participatie van zowel de Transitievisies Warmte als de RES. Via dit platform konden bewoners en bedrijven per fase hun gedachten en ideeën inbrengen. Deze inbreng is verwerkt in deze notitie. In bijlage 1 staan de resultaten van de enquête en enkele voorbeelden van interacties die op het platform hebben plaatsgevonden. Via de enquête hebben bewoners die betrokken willen blijven bij de transitie naar aardgasvrij, zich opgegeven. Een selectie van deze groep is op 8 december 2020 samengekomen in een regionale meedenkgroepbijeenkomst, om nader in te gaan op de uitkomsten van de participatieactiviteiten en deze notitie van uitgangspunten. Daarnaast heeft in maart 2021 de tweede uitgebreide participatieronde plaatsgevonden, onder andere met een bewonersavond voor bewoners van onze gemeente op 10 maart.

Bewoners zijn toen geïnformeerd over aardgasvrij wonen, er is toelichting gegeven op wat de Transitievisie Warmte is en er is een concept van de perspectiefkaart gedeeld en reacties daarop zijn verzameld. Tot slot is via het participatieplatform met een enquête en een openbare discussie opgehaald wat mensen nodig hebben om aan de slag te gaan met isoleren als eerste stap in de warmtetransitie. In bijlage 1 zijn deze resultaten te vinden.

1.5 Regionale en lokale stakeholders Op verschillende niveaus hebben betrokken partijen meegewerkt aan de Transitievisie Warmte. Regionaal hebben alle gemeenten en vertegenwoordigers van betrokken partijen (woningcorporaties, netbeheerder Stedin, Omgevingsdienst OZHZ, afvalenergiebedrijf HVC, waterschappen, Provincie Zuid-Holland, burgerinitiatief

9

Drechtse Stromen) deelgenomen aan gezamenlijke werksessies, waar onder andere de gezamenlijke uitgangspunten zijn opgesteld. Een lokale werkgroep van betrokken partijen heeft gewerkt aan de onderdelen van deze Transitievisie Warmte die specifiek zijn voor Hendrik-Ido-Ambacht. De betrokken partijen in Hendrik-Ido-Ambacht zijn: gemeente Hendrik-IdoAmbacht, woningcorporaties Trivire, Woonkracht10 en Rhiant, afvalenergiebedrijf HVC en netbeheerder Stedin. De gemeenteraad is tijdens het opstellen van deze Transitievisie Warmte meerdere keren bijgepraat en heeft inbreng kunnen leveren. Op 20 en 25 januari 2021 hebben gezamenlijke raadsbijeenkomsten voor de zes gemeenten plaatsgevonden, waarin de gezamenlijke uitgangspunten zijn besproken. Op 9 maart zijn in een lokale raadsbijeenkomst de tussentijdse resultaten besproken met de gemeenteraad van Hendrik-Ido-Ambacht.

1.6 De Transitievisie Warmte als uitnodigingskader Deze Transitievisie Warmte is opgesteld in een tijd dat de overstap naar aardgasvrij nog lang niet overal mogelijk is. Er moeten landelijk nog financiële voorwaarden ingevuld worden om de overstap betaalbaar te maken. Als gemeente wachten we bovendien nog op wetgeving (een belangrijke is de Wet Collectieve Warmtevoorziening die wordt vormgegeven) die het voor ons mogelijk maakt om meer sturing te geven aan de warmtetransitie in onze wijken. We zitten dus in een ‘tussenfase’ waarin we wel voortgang willen boeken, maar ook moeten accepteren dat wij als gemeente niet de snelheid kunnen en willen bepalen. Deze Transitievisie Warmte biedt daarom een ’uitnodigingskader’. De uitgangspunten, criteria en perspectiefkaart in deze Transitievisie Warmte bieden richting om met initiatieven uit de samenleving het gesprek aan te gaan. Op die manier creëren we houvast in deze tussenfase en bieden we partijen de kans om ook nu al tempo te maken waar mogelijk.

1.7 Leeswijzer Deze inleiding vormt hoofdstuk 1. In hoofdstuk 2 gaan we in op de uitgangspunten. In hoofdstuk 3 gaan we in op de techniek en hoe we gekomen zijn tot een voorkeur voor een warmteoptie per buurt. In hoofdstuk 4 leggen we uit hoe we zijn gekomen tot de perspectiefkaart, waarin de transitiepaden per buurt staan toegelicht. In hoofdstuk 5 gaan we ten slotte in op de uitvoeringsstrategie, waarin zaken zoals het uitnodigingskader, instrumentarium en concrete vervolgstappen aan bod komen. Als achtergrond bij dit document zijn alle bijlagen gebundeld in één document. Op verschillende plekken in dit document verwijzen we naar deze bijlagen..

10

2 Uitgangspunten In dit hoofdstuk gaan we in op de uitgangspunten die aan deze Transitievisie Warmte ten grondslag liggen. Deze vormen de basis voor de warmtetransitie van de zes genoemde gemeenten in de Drechtsteden. Samen met stakeholders en met de input uit de eerste participatieronde zijn de uitgangspunten opgesteld. 1. Voortvarend aan de slag met isolatie en andere vormen van energiebesparing Goede isolatie, ventilatie en de overstap naar elektrisch koken zijn essentieel om onze gebouwde omgeving op een aardgasvrije en duurzame manier te verwarmen. Het aardgasvrij maken van de gebouwde omgeving is een stapsgewijs proces. Ook in buurten waar nu nog geen betaalbare of passende oplossing is om van het aardgas af te gaan, kunnen woningen en gebouwen zich al voorbereiden op de transitie. In die buurten is het van belang gebouweigenaren te stimuleren en te ondersteunen om gebouwen ‘transitiegereed’ te maken door aan de slag te gaan met tussenstappen zoals isoleren en hybride oplossingen. Zowel uit de enquête als de reacties op het participatieplatform blijkt dat veel bewoners zien dat er op het gebied van isolatie nog veel winst te behalen valt. 2. Iedereen moet mee kunnen doen Betaalbaarheid is voor inwoners van de Drechtsteden een belangrijk vraagstuk en komt in de participatie met stip naar voren als het belangrijkste thema.

Er is nog veel onzekerheid over de kosten van de warmtetransitie en de verdeling van de kosten en er ligt een taak bij de Rijksoverheid om dit op te lossen. Wat we wel weten is dat de warmtetransitie alleen kan slagen als iedereen mee kan doen, ook mensen met lagere inkomens, en dat daar oplossingen voor moeten komen. Daarom pakken we de transitie gefaseerd aan en gaan we pas van het aardgas af als het alternatief voor aardgas maatschappelijk aanvaardbaar en voor iedereen toegankelijk is. We erkennen dat deze transitie veel meer is dan een technische operatie. Oog voor de sociaal-maatschappelijke kant van de transitie is dan ook essentieel. Voldoende beschikbaarheid van goede begeleiding en ondersteuning voor gebouweigenaren is daarbij een randvoorwaarde. 3. Keuzevrijheid in alternatieven, maar aardgas is op termijn geen keuze meer Gebouweigenaren en/of bewoners worden altijd betrokken bij de keuze voor de warmtevoorziening in hun wijk. De gebouweigenaar maakt zelf de keuze over het alternatief voor zijn of haar woning of gebouw. De praktijk zal echter ook uitwijzen dat er niet altijd sprake is van een vrije keuze uit alle oplossingen, vanwege technische of financiële beperkingen. Niet overal zijn bijvoorbeeld warmtenetten mogelijk.

Ook is het niet realistisch om te verwachten dat overal duurzaam gas beschikbaar zal komen, gezien de beperkte verwachte beschikbaarheid daarvan voor de gebouwde omgeving. Het is belangrijk om een balans te vinden tussen keuzevrijheid en betaalbaarheid, want meer van het één betekent soms minder van het ander. Dit speelt bijvoorbeeld wanneer in een wijk meerdere eigenaren kiezen voor een individuele oplossing in een gebied waar een collectieve oplossing de meest betaalbare optie is. Die keuze maakt de collectieve oplossing minder betaalbaar. In wijken waar een collectieve warmteoplossing voor de hand ligt, is het daarom niet vanzelfsprekend om particulieren aan te moedigen te kiezen voor een individuele warmtepomp. Desalniettemin heeft een gebouweigenaar altijd een optie om niet mee te doen met het voorkeursalternatief voor de wijk en zelf een duurzaam alternatief te kiezen. Maar aardgas is op termijn geen optie meer. 4. Durven stappen te zetten naar een duurzame gebouwde omgeving Uit de participatie blijkt dat veel mensen de overstap naar aardgasvrij op dit moment (nog) niet willen maken. Dat is begrijpelijk, aangezien belangrijke randvoorwaarden zoals de betaalbaarheid nog niet op orde zijn. Tegelijkertijd willen we onze verantwoordelijkheid nemen voor het klimaat, en onderschrijven we het uitgangspunt van het Klimaatakkoord van een CO2 neutrale gebouwde omgeving in 2050.

De transitie naar aardgasvrije gebouwen is een essentieel onderdeel van die opgave. We kunnen en willen dus niet wachten, en we durven stappen te zetten. Wel doen we dat pragmatisch: we starten alleen daar waar de overstap haalbaar en betaalbaar is, we leren van initiatieven binnen en buiten de Drechtsteden, we houden rekening met natuurlijke momenten en hebben altijd oog voor de duurzaamheid van keuzes die we maken, met als einddoel een volledig CO2-neutrale gebouwde omgeving in de Drechtsteden. Daarnaast dringen we er als

11

regio bij de Rijksoverheid op aan om invulling te geven aan de randvoorwaarden in het kader van het klimaatakkoord.

12

3 Duurzame warmteopties In dit hoofdstuk gaan we in op de warmteopties: welke aardgasvrije en duurzame warmteoptie is in welk type buurt het meest logisch, met de kennis van nu? We beschrijven de overstap naar duurzame warmteopties, maar beginnen met een toelichting op isoleren. In alle gevallen is het namelijk belangrijk om de warmtevraag terug te dringen. Vervolgens zijn er verschillende warmteopties, oftewel alternatieven voor verwarmen met aardgas. In het laatste deel van dit hoofdstuk behandelen we de afwegingscriteria die we hebben gebruikt om tot een warmteoptie per buurt te komen.

3.1 In alle gevallen: warmtevraag beperken door isoleren Ongeacht de duurzame warmteoptie, is het van belang dat we de warmtevraag terugdringen en andere noodzakelijke gebouwaanpassingen doen. Dit zijn ‘schilmaatregelen’, zoals isolatie van gevel, dak en vloer en vervanging van het glas, en aanpassingen in de binneninstallatie, zoals radiatoren, ventilatie, het dichten van kieren en elektrisch koken. Bij gebouwgebonden maatregelen is het de vraag hoe ver we moeten gaan om gebouwen transitiegereed te krijgen. We nemen in de Transitievisie Warmte als uitgangspunt dat in 2050 zoveel mogelijk gebouwen een basisniveau moeten hebben bereikt. Op dit moment verwarmen we onze woning met 60-90°C, terwijl we niet warmer douchen dan zo’n 40°C en niet warmer verwarmen dan zo’n 23°C. Met het basisniveau van isolatie kan een woning in ieder geval met 70°C verwarmd worden en ook met 40°C als de binneninstallatie daarvoor geschikt wordt gemaakt. Dit zijn maatregelen waar je geen spijt van krijgt (‘no-regret’): wat het alternatief voor aardgas ook wordt voor je woning of gebouw, het isolatieniveau is er voor geschikt. In 2021 zijn op nationaal niveau een isolatiestandaard en isolatiestreefwaarden2 ingevoerd, die per woningtype inzicht geven in de manier waarop het no-regretniveau kan worden behaald.

Het basisniveau voor de isolatie van onze woningen bereiken we als we tussen nu en 2050 bij ieder natuurlijk moment maximaal inzetten op verduurzaming. Nieuwere woningen zitten doorgaans al op het basisniveau. Bij oudere woningen moet er juist meer gebeuren. Die woningen zullen meer tijd nodig hebben om het basisniveau te bereiken. Sommige gebouwen, veelal van voor 1920 en vaak ook monumentaal, zijn zo oud dat zij het basisniveau misschien nooit helemaal kunnen bereiken. Daar passen we dan de warmte-optie op aan.

3.2 De overstap naar duurzame warmteopties Deze paragraaf beschrijft in vogelvlucht de verschillende beschikbare warmteopties. Een gedetailleerde, technische beschouwing is opgenomen in bijlage C. Met een warmteoptie wordt bedoeld het meest logische alternatief voor aardgas in een wijk in 2050. Dit zegt nog niets over de fasering of planning per wijk, dit wordt nader toegelicht in hoofdstuk 4.

3.2.1

Warmtenet

Een warmtenet is een infrastructuur van ondergrondse, geïsoleerde leidingen die warm water vervoert naar meerdere gebouwen. Er is dan dus sprake van een collectieve warmtevoorziening. De woning heeft in vergelijking met all-electric minder ingrepen aan de schil en de binneninstallatie nodig en in de woning is qua techniek alleen een 'afleverset' aanwezig. De temperatuur van het aangeleverde warme water moet voldoende zijn om de woningen te kunnen verwarmen en in samenhang zijn met de temperatuur van de warmtebron. Voor veel woningen zal een middentemperatuurwarmtenet dat 70°C levert op de koudste dagen van het jaar de laagste maatschappelijke kosten hebben. Bij dit temperatuurniveau is er een technisch en economisch optimum met de warmtevraagbeperking die hoort bij het basisniveau van isolatie en een eventuele aanpassing van de binneninstallatie.

2 https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2021/03/18/kamerbrief-standaard-voor-woningisolatie

13

Warmtenetten hebben als belangrijk kenmerk dat er grote investeringen in de infrastructuur nodig zijn. Hierdoor zijn warmtenetten alleen haalbaar in gebieden met een hoge bebouwingsdichtheid. Door het stedelijke karakter van de Drechtsteden is een groot deel van de bestaande bouw geschikt voor warmtenetten. Een ander belangrijk kenmerk van warmtenetten is dat een warmtenet in een relatief kort tijdsbestek moet worden ontwikkeld, om zodoende snel voldoende aansluitingen te krijgen waarmee je voorinvesteringen voorkomt en zo snel mogelijk de bron kunt verduurzamen. Een variant op het warmtenet op 70°C aanvoer en 40°C retourtemperatuur is een 'laagtemperatuurwarmtenet' met een maximale aanvoertemperatuur van circa 40°C. Deze variant is voor de bestaande bouw minder logisch vanwege de hogere gebouwgebonden investeringen. Voor grootschalige nieuwbouwontwikkelingen is deze warmteoptie echter wel interessant, zoals in De Volgerlanden-Oost. Door in nieuwbouw- en transformatiegebieden te kiezen voor een laagtemperatuurwarmtenet kunnen (lokale) warmtebronnen efficiënter worden benut, blijft de impact op het elektriciteitsnet beperkt en wordt de betaalbaarheid positief beïnvloed doordat bij voldoende schaalgrootte een warmtenet goedkoper kan worden ontwikkeld dan all-electric. 3.2.1.1 Lokaal bronnet Een variant van all-electric is het lokale bronnet.

Een bronnet is een lokale, kleinschalige warmtevoorziening in de vorm van een zeer lage temperatuur warmtenet waar één of enkele gebouwen op zijn aangesloten. Net zoals bij allelectric staat in het gebouw of de woning een warmtepomp. In plaats van de bodem of buitenlucht gebruikt deze warmtepomp het aangevoerde water van het bronnet. Het aangevoerde water kan ook gebruikt worden voor koeling. We zien deze vorm van all-electric dan ook vaak terug op bedrijventerreinen en kantoorparken, waar lokale bronnetten logisch zijn vanwege de koudevraag. Een bronnet maakt vaak gebruik van warmte-koude opslag (WKO) en/of oppervlaktewater (aquathermie). Ook bij deze variant moet de capaciteit van het elektriciteitsnet in de buurt vaak worden verhoogd. Bronnetten worden veel toegepast bij utiliteitsgebouwen, omdat deze gebouwen naast een vraag naar warmte vaak ook een koudevraag hebben. Door de omvang van het gebouw is het elektriciteitsgebruik vaak hoog. Vanwege de lage energiebelasting op elektriciteit zijn de kosten voor het aardgasvrij maken met warmtepompen daarom relatief laag. Een bronnet heeft in vergelijking met een warmtenet een kleine ondergrondse impact. In principe is een warmtenet geen koudenet waar je gebouwen ook mee kunt koelen, zoals bijvoorbeeld bij een bronnet met WKO wel het geval is.

Voor grote complexen wordt het warmtenet soms gecombineerd met een koel-en ventilatiesysteem. Voor grondgebonden woningen met basisisolatie of minder, zijn andere maatregelen zoals zonwering vaak vele malen (kosten)effectiever.

3.2.2

All-electric

‘All-electric’ betekent dat er in principe alleen nog een elektriciteitsnet in de buurt aanwezig is. Er is dan een warmteopwekinstallatie in de woning of het gebouw nodig die alleen elektriciteit gebruikt. Bijvoorbeeld een warmtepomp die warmte haalt uit de buitenlucht of de bodem. Iedere individuele vastgoedeigenaar kan op ieder moment de keuze maken om zijn huis niet alleen te isoleren, maar ook de CV-ketel te vervangen door bijvoorbeeld een warmtepomp. De individuele vastgoedeigenaar is dus veel minder afhankelijk van keuzes en beperkingen van andere vastgoedeigenaren in de straat, of in de buurt. De capaciteit in het bestaande elektriciteitsnet is echter beperkt en die capaciteit is bovendien nodig voor de realisatie van laadpalen voor elektrische mobiliteit. Het elektriciteitsnet zal dus verzwaard moeten worden, niet alleen op buurtniveau, maar ook op gemeentelijk, regionaal, nationaal en internationaal niveau. Buurten waar all-electric oplossingen de laagste maatschappelijke kosten hebben zijn meestal buurten met veel eengezinswoningen, gebouwd na 1990. In deze buurten hoeven vaak nog beperkte gebouwgebonden maatregelen te worden genomen om de overstap naar all-electric te kunnen maken. Vervanging van radiatoren is dan nodig om de binneninstallatie geschikt te maken voor laag temperatuurafgifte. In deze buurten is het gasnet doorgaans nog nieuw, evenals de gasketels.

Tegelijkertijd zijn deze buurten al goed geïsoleerd, waardoor er relatief weinig klimaatwinst valt te behalen. Dit pleit ervoor om in deze buurten in een niet al te hoog tempo de transitie te doorlopen.

14

3.2.2.1 Innovaties Binnen all-electric zijn de komende jaren nog innovaties te verwachten. De belangrijkste innovaties zijn warmtepompen die ook efficiënt hoge temperaturen kunnen maken en innovaties op het gebied van energieopslag in de woning. Deze innovaties kunnen op termijn leiden tot een besparing van maatschappelijke kosten, bijvoorbeeld doordat het elektriciteitsnet minder hoeft te worden verzwaard of omdat ook oude, complexere buurten gasvrij kunnen worden. Ook vanwege deze innovaties is het niet wenselijk om een all-electricbuurt in hoog tempo gasvrij te maken.

3.2.3

Duurzaam gas

In oude binnensteden en oude (dijk)linten is zowel een warmtenet als all-electric met de huidige stand van de techniek vaak kostbaar of niet inpasbaar. Dat komt onder andere door drukte in de ondergrond en de oude, soms monumentale staat van de bebouwing die werkzaamheden kostbaar en technisch ingewikkeld maken. Met de kennis van nu is het daarom logisch om het bestaande gasnet hier te handhaven en op termijn te gebruiken voor duurzaam gas. Randvoorwaarde is dan wel dat er op termijn voldoende duurzaam gas is, zoals groengas of waterstofgas. Daarbij moet er rekening mee gehouden worden dat duurzaam gas ook voor andere doeleinden nodig is, zoals in de industrie, zwaar transport en voor de piekvoorziening van warmtenetten. Aangezien duurzaam gas zeer schaars is en voorlopig ook zal blijven, is in deze buurten waar het gasnet wordt gehandhaafd wel gasbesparing nodig. Door middel van isolatie, hybride warmtepompen en door naoorlogse gebouwen wel zoveel mogelijk gasvrij te maken met bijvoorbeeld all-electric kan een gasbesparing van 60% tot 70% worden gerealiseerd in deze buurten.

3.2.4

Variatie binnen buurten: opt-out

Een belangrijke nuance bij de verschillende warmteopties is dat de inkleuring van een buurt zelden betekent dat de hele buurt volledig op één warmteoptie over gaat. Dit noemen we de opt-out. Om uiteenlopende financiële, technische of andere, lokale redenen kunnen gebouweigenaren kiezen voor andere warmteopties dan de optimale warmteoptie in een buurt. Eigenaren hebben en behouden keuzevrijheid om te kiezen voor een warmteoptie van hun eigen voorkeur. Dit betekent bijvoorbeeld dat vastgoedeigenaren altijd kunnen kiezen voor all-electric, ook al komt er in de buurt een warmtenet. Bovendien heeft de gemeente momenteel niet de bevoegdheid om het gasnet te laten verwijderen. Wel wordt de Wet Collectieve Warmtevoorziening (WCW) in de nieuwe kabinetsperiode verwacht. Met deze wet kan de gemeente warmtekavels aanwijzen waarmee woningeigenaren moeten aansluiten op het warmtenet, tenzij zij kiezen voor een ander duurzaam en gasvrij alternatief, zoals all-electric. Opt-out gaat in principe altijd om gasvrije, individuele of kleinschalig collectieve warmteopties. In de praktijk gaat het dus om all-electric of lokale bronnetten met bijvoorbeeld WKO, maar in sommige gevallen kan het ook zo zijn dat een complex wordt aangesloten op een warmtenet, terwijl voor de wijk als geheel een warmtenet niet als meest logische oplossing wordt gezien.

We maken per warmteoptie een inschatting van het percentage opt-out. In buurten waar het gasnet blijft liggen is het wenselijk dat juist zoveel mogelijk gebouweigenaren kiezen voor gasvrije warmteopties om zoveel mogelijk gas te besparen en toekomstig duurzaam gas zo efficiënt mogelijk in te zetten. In warmtenetbuurten is het goed als opt-out zo klein mogelijk is, in verband met de betaalbaarheid van het warmtenet. Onderstaande tabel geeft een samenvatting van de verschillende warmteopties. Tabel 1: Samenvatting van verschillende warmteopties

Isolatie

15

Warmtenet

All-electric

Duurzaam gas

Zoveel mogelijk op natuurlijke momenten het maximale doen binnen de bestaande schil (basisniveau) vóór komst van de duurzame bron

Zoveel mogelijk op natuurlijke momenten het maximale doen binnen de bestaande schil (basisniveau).

Zoveel mogelijk op natuurlijke momenten het maximale doen binnen de bestaande schil (basisniveau).

Techniek in de woning

Midden-temperatuur afgiftesysteem en een afleverset. Relatief weinig impact in de woning.

Laag-temperatuur afgiftesysteem en een warmtepomp. Relatief veel impact in de woning

Midden-temperatuur afgiftesysteem en een hybride warmtepomp. Relatief veel impact in de woning

Infrastructuur

Warmtenet. Relatief veel impact in de ondergrond.

Extra verzwaard elektriciteitsnet. Relatief weinig impact in de ondergrond.

(Bestaande) gasnet. Relatief weinig impact in de ondergrond.

Bronnen

Mix van duurzame, lokale bronnen. Bij lage temperatuur bronnen hoort nog een collectieve warmtepomp.

Landelijke, op termijn duurzame elektriciteitsmix

Op termijn duurzaam gas

Opt-out

All-electric en lokale bronnetten. Opt-out is onwenselijk.

Lokale bronnetten

All-electric en lokale bronnetten. Opt-out is wenselijk.

3.3 Criteria voor warmteoptie per buurt Om te bepalen welke toekomstige warmteoptie per buurt de voorkeur heeft, zijn met inbreng van bewoners, de gemeenteraad en de werkgroep de volgende afwegingscriteria opgesteld.

3.3.1

Laagste maatschappelijke kosten

We streven naar warmteopties met de meest gunstige verhouding van kosten en baten. Onder maatschappelijke kosten worden alle kosten en baten verstaan die we als samenleving maken voor een bepaalde warmteoptie, ongeacht wie wat betaalt. Daarnaast hebben we rekening gehouden met de kosten voor het totale systeem, dus niet alleen naar de kosten die specifiek gelden voor een betreffend gebied of buurt, om versnippering van infrastructuren te voorkomen. Uit zowel de enquête als discussies op het participatieplatform blijkt dat er onder bewoners zorgen bestaan over de kosten van de overstap naar aardgasvrij. De Transitievisie Warmte lost niet alle vragen rond de betaalbaarheid van de transitie op, maar sorteert wel voor op de meest betaalbare transitie door per buurt de warmteoptie met de laagste maatschappelijke kosten te kiezen. De Transitievisie Warmte geeft geen antwoord op de vraag hoe de kosten vervolgens eerlijk verdeeld worden, en gaat niet over de diverse instrumenten die kunnen zorgen voor een eerlijke verdeling van de kosten. Dat zijn vraagstukken waar de Rijksoverheid zich over buigt en waar in de eerste wijkuitvoeringsplannen op verschillende plekken in het land ervaring mee wordt opgedaan. De laagste maatschappelijke kosten per warmteoptie zijn in eerste instantie bepaald op basis van een onderzoeksbeeld. Het onderzoeksbeeld is een vergelijking van drie modelstudies: 

Het Warmtetransitiemodel van Over Morgen dat gebruikt is voor de Drechtsteden

De landelijke Startanalyse 2020 van Planbureau voor de Leefomgeving (PBL)

Het Openingsbod 1.0 van Stedin

De modelstudies hebben gemeen dat zij voor Hendrik-Ido-Ambacht de aardgasvrije warmteopties laten zien met de laagste maatschappelijke kosten per buurt. Die kosten omvatten de gehele keten, dus zowel kosten voor aanpassingen aan gebouwen (zoals isolatie, een warmtepomp of een inductiekookplaat), kosten voor de infrastructuur en kosten voor de bron en levering van energie. Daarbij worden niet alleen de investeringen, maar ook onderhoud en operationele kosten meegenomen, dus inclusief de energierekening van de eindgebruiker, gedurende

16

een bepaalde terugverdientijd. Het onderzoeksbeeld is nader toegelicht in bijlage B.

3.3.2

Duurzaamheid: CO2-reductie en inpassing van lokale energiebronnen

Bij de keuze van warmteopties krijgt de infrastructuur die de meeste CO2-reductie levert en waarbij lokale energiebronnen kunnen worden ingezet de voorkeur. Het gaat hierbij niet alleen om verduurzaming op korte termijn, maar ook om het kiezen voor de infrastructuur die toekomstige duurzame bronnen (warmte, elektriciteit en in de toekomst mogelijk ook duurzaam gas) het beste kan ontsluiten. Vanuit de RES is bekend dat er in de regio een grote aanwezigheid van warmtebronnen is, voor Ambacht is die aanwezigheid echter wat onzekerder dan voor veel andere gemeenten in de Drechtsteden. Dit wordt later toegelicht. Daarnaast is de ruimte voor het opwekken van duurzame elektriciteit schaars en hebben bewoners tijdens de participatie op het platform aangegeven zich zorgen te maken over de verzwaring van het elektriciteitsnet. Men is benieuwd of waterstof in de toekomst een rol kan spelen in de warmtevoorziening. De voorkeursvolgorde van bronnen voor nieuwe manieren van verwarming zoals vastgesteld in de concept-RES3 houdt rekening met deze aspecten, en is leidend voor de Transitievisies Warmte: 

Direct bruikbare warmte

Op te waarderen warmte

Te maken warmte

In de Transitievisie Warmte houden we ook rekening met de samenhang in brontemperaturen , temperaturen waarmee gebouwen verwarmd worden en infrastructuren. Het behoud van lucht- bodem- en waterkwaliteit is een randvoorwaarde voor een duurzame transitie. De milieueffecten van verschillende bronnen zijn in de RES verder geïnventariseerd.

3.3.3

Inpasbaarheid in de ondergrond en de openbare ruimte

Een alternatief voor aardgas moet inpasbaar zijn in de ondergrond en de openbare ruimte. Zo is het aanleggen van een warmtenet niet altijd mogelijk door de complexe ondergrond die bijvoorbeeld voorkomt in een historisch dijklint of binnenstad. All-electric vraagt vaak om extra verzwaring van het elektriciteitsnet, wat impact kan hebben op de openbare ruimte in de vorm van extra transformatorhuisjes in de wijk. De inpasbaarheid van warmteopties is meegenomen in de afweging. Hitte, warmteoverlast en koudevraag Is de koudevraag een criterium geweest voor het bepalen van de warmteoptie per buurt? Het korte antwoord is nee. De keuze voor een warmte-infrastructuur (gasnet, warmtenet, all-electric) voor de bestaande bouw op wijkniveau wordt niet bepaald aan de hand van de koudevraag. Waarom niet? Waar de warmtevraag in een bepaalde wijk, met een bepaald type gebouw, vrij homogeen is, is de koudevraag dat niet. Of er actief gekoeld moet worden in een gebouw of woning is gerelateerd aan de locatie, functie en doelgroep en is sterk afhankelijk van de oriëntatie van de ruimte, het gebruik ervan en de mate van isolatie van het gebouw. De warmte-infrastructuur (mede) bepalen op basis van deze zeer wisselende koudevraag zal er vaak voor zorgen dat er voor veel woningen geen optimale oplossing is, maar wel hogere kosten.

Collectieve oplossingen in de actieve koeling liggen daarom niet voor de hand en koelen blijft een individuele keuze. Wijkgerichte klimaatadaptieve maatregelen kunnen wél op wijkniveau worden georganiseerd.

3 Deze voorkeursvolgorde voor nieuwe manieren van verwarmen is opgesteld door de Provincie Zuid-Holland en overgenomen in de Concept-RES

17

4 Transitiepaden en fasering In het vorige hoofdstuk is de basis gelegd voor de keuze van de warmteoptie per buurt. In dit hoofdstuk verrijken we die basis, zodat we per buurt meer perspectief creëren. We kijken per buurt naar de warmteoptie, de fasering, het handelingsperspectief (welke stappen kan een gebouweigenaar wanneer nemen), lokale kansen en ontwikkelingen en naar onzekerheden waar we mee om moeten gaan. Samen vormen die onderdelen het transitiepad van een buurt. We eindigen dit hoofdstuk met een kaart, die per buurt het transitiepad en het perspectief richting duurzame warmteopties weergeeft: de perspectiefkaart. In een transitiepad schetsen we per buurt de route om tot een warmteoptie te komen. In het transitiepad schetsen we zowel een fasering als tussenstappen, hoe we omgaan met op-out en wat voor aanpak erbij hoort, zoals een wijkgerichte aanpak of een doelgroepgerichte aanpak. In deze paragraaf lichten we toe hoe we tot de perspectiefkaart zijn gekomen, waarin de transitiepaden per buurt staan. Met de werkgroep hebben wij de volgende stappen doorlopen om te komen tot de perspectiefkaart: 1. Lokale validatie van het regionale onderzoeksbeeld in de lokale werkgroep. 2. Toetsing van het onderzoeksbeeld aan warmtenetscenario’s van HVC. 3. Het kiezen van een transitiepad per buurt.

4.1 Lokale validatie van het onderzoeksbeeld We zijn gestart met het onderzoeksbeeld dat volgt uit een vergelijking van drie rekenmodelstudies (Over Morgen, PBL, Stedin, zie paragraaf 3.3.1). Het onderzoeksbeeld laat zien in welke buurten er een robuuste uitkomst is van meerdere modellen en waar er geen of minder consensus is tussen de modellen. Het onderzoeksbeeld is de basis voor de keuze van een warmteoptie en transitiepad per buurt. Rekenmodellen werken echter op basis van inputdata en aannames en bevatten diverse onzekerheden. Daarom zijn de uitkomsten gevalideerd met de lokale werkgroep van betrokken partijen en zo nodig gecorrigeerd op basis van lokale afwegingen en informatie. Bij validatie van het onderzoeksbeeld voor Hendrik-Ido-Ambacht bleek bijvoorbeeld dat de nieuwbouwontwikkelingen in de Noordoevers niet was meegenomen in de analyses. Hetzelfde gold voor de ontwikkeling van het bedrijventerrein Ambachtsezoom. Daarnaast is in overleg met de werkgroep de buurt Sandelingen opgesplitst in het deel bedrijventerrein en het deel wonen.

Belangrijkste conclusies lokale validatie De werkgroep van Hendrik-Ido-Ambacht is in gezamenlijkheid tot een aantal inhoudelijke conclusies gekomen bij validering van de kaart. Een uitgebreidere toelichting op het perspectief op warmtenetten en warmtebronnen volgt in de paragrafen hierna. Allereerst is geconcludeerd dat het warmtenet momenteel de meest kansrijke oplossing is in het oosten van de gemeente (Kruiswiel, Oostendam en een deel van De Volgerlanden). In een deel van De Volgerlanden is reeds een warmtenet aanwezig en zijn er enkele kansrijke clusters van corporatiebezit en utiliteitsbouw om dit uit te breiden. Hier zien we het meest gunstige bronperspectief op de korte termijn, namelijk aquathermie. In andere buurten waar warmtenetten vanuit de modellen als voorkeursoplossing naar voren komen, constateerde de werkgroep dat de haalbaarheid hiervan onzeker is vanwege het gebrek aan perspectief op duurzame bronnen in die buurten en de relatief beperkte schaal en dichtheid van de woningen in Hendrik-Ido-Ambacht. Ook het relatief beperkte en verspreide corporatiebezit is hierbij een uitdaging. Dit leidt er toe dat specifiek de buurten Dorp, Krommeweg-Noord en Krommeweg-Zuid voorlopig geen perspectief hebben op een warmtenet, ondanks dat het warmtenet volgens de modellen in deze buurten de laagste maatschappelijke kosten heeft.

Toch kan ook voor deze buurten in de langere termijn weer perspectief komen op warmtenetten, wanneer de randvoorwaarden zoals bronperspectief en subsidiemogelijkheden veranderen.

18

4.2 Toetsing van het onderzoeksbeeld aan de warmtenetscenario’s en warmtebronperspectief van HVC Het onderzoeksbeeld, bestaande uit de vergelijking van verschillende rekenmodellen, hebben we aangevuld met inzichten van HVC over de kansen voor het verder ontwikkelen van een warmtenet in Hendrik-Ido-Ambacht: de zogeheten warmtescenario’s. De achterliggende kennis waarmee HVC naar de gebouwde omgeving kijkt, biedt nieuwe inzichten bovenop het onderzoeksbeeld en is daarom van meerwaarde. Deze scenario’s zijn besproken en gevalideerd met de lokale werkgroep. De scenario’s zijn als volgt gedefinieerd: 

Basisscenario: We gaan door met de uitvoering van bestaande contracten volgens planning en zetten de bestaande subsidieregelingen voort. Het SAH cluster Kruiswiel is aangesloten en ook de nieuwbouw in De Volgerlanden is aangesloten

Minimaal scenario: Er komen geen nieuwe proeftuinwijken en geen uitbreiding van bestaande subsidieregelingen. Het SAH cluster Kruiswiel is aangesloten. Er vindt geen aansluiting van particulier bezit plaats.

Versnellingsscenario: Bestaande contracten worden volgens planning uitgevoerd, bestaande subsidieregelingen worden voortgezet. Er komt een aanvullende subsidieregeling voor utiliteitsbouw en VvE’s. Een proeftuin wordt toegekend, er komt een aantrekkelijke SAK regeling (Stimulering aardgasvrije koopwoningen) en na 2025/2030 is er een subsidieregeling midden-diepe geothermie

De scenario’s zijn voor een groot deel afhankelijk van externe factoren, waar de samenwerkende partijen in HendrikIdo-Ambacht weinig tot geen invloed op hebben. Het gaat dan bijvoorbeeld over structurele subsidies voor aansluitingen en warmteproductie. Ook gaat het om financieringsregelingen, zoals de komst van een Warmtefonds. Tot slot gaat het over economische en politieke ontwikkelingen, zoals de prijsontwikkeling, belasting en wetgeving, waaronder de Wet Collectieve Warmtevoorziening en de Omgevingswet.. Interne factoren spelen ook mee. Het gaat dan om het draagvlak voor het warmtenet op de middellange termijn, een gedragen fasering voor de ontwikkeling van het warmtenet en een structurele samenwerking in de uitvoering. De scenario’s leiden niet tot grote verschillen als het gaat om welke buurten een warmtenet krijgen. Dat komt omdat het meest kansrijke vastgoed altijd in dezelfde buurten zit en de lopende SAH-subsidie leidend is in alle drie scenario’s. De verschillen zitten met name in de mate waarin, en het tempo waarin, andere doelgroepen dan corporatiebezit zullen aansluiten op het warmtenet. Bij het vertraagde scenario zien we dat overige doelgroepen in mindere mate en minder snel aansluiten, en in het versnelde scenario zien we het tegenovergestelde.

Als we de scenario’s kwantificeren naar aantallen woningen op een warmtenet in de gemeente en voor de regio als geheel, komen we op het volgende overzicht. Scenario

Woningequivalenten op een warmtenet in Hendrik-Ido-Ambacht in 2030

Woningequivalenten op een warmtenet in heel Drechtsteden in 2030

Basisscenario

1.500

26.000

Vertragen

1.000

13.500

Versnellen

2.500

33.000

4.2.1

Warmtebronperspectief voor Hendrik-Ido-Ambacht

De aanwezigheid van een geschikte warmtebron is bepalend voor de mogelijkheden voor het ontwikkelen van een warmtenet. Dit heeft ook een relatie tot het mogelijke afzetgebied c.q. de warmtevraag: warmtebronnen zoals aquathermie kunnen al toegepast worden bij enkele honderden woningen, terwijl bijvoorbeeld geothermie vaak duizenden aansluitingen nodig heeft. Er is daarom voor Hendrik-Ido-Ambacht een verdere verdieping gemaakt van het onderzoeksbeeld, door mee te nemen wat de aanwezige warmtebronnen zijn, wat de karakteristieken van deze warmtebronnen zijn en in welke mogelijke gebieden een warmtenet verder uitgerold kan worden. Bijlage 3.3.6 gaat

19

hier uitgebreid op in en geeft meer duiding. Onderstaande tabel laat het bronperspectief voor Hendrik-Ido-Ambacht zien. Technisch potentieel* (TJ)

Restwarmte (MT/HT)

Hendrik-IdoAmbacht

Diepe geothermie

-

Middeldiepe geothermie -

400

Restwarmte (LT)

Ondiepe geothermie

Aquathermie**

10

250

+

* Potentieel is inclusief huidige warmtebronnen voor warmtenetten ** Aquathermie vraagt veel elektriciteit voor het opwaarderen van warmte (in mindere mate geldt dit ook voor LT restwarmte en ondiepe geothermie).

Per gemeente heeft HVC het perspectief op verschillende warmtebronnen onderzocht. Voor 2030 is er perspectief op drie duurzame warmtebronnen ten behoeve van warmtelevering in Hendrik-Ido-Ambacht:  Aquathermie. Een tot twee locaties (De Volgerlanden-Oost, Noordoevers) die maximaal 4 duizend woningequivalenten van warmte kunnen voorzien. Aquathermie is de voorkeursvariant.  Ondiepe aardwarmte. Het gaat dan om een mogelijke bron die maximaal 5 duizend woningequivalenten kan bedienen als de warmtenetten van Zwijndrecht en Hendrik-Ido-Ambacht met elkaar zijn verbonden. Onderzoek naar de haalbaarheid van ondiepe aardwarmte in Kort Ambacht loopt nog.  Restwarmte. Uitkoppeling van de restwarmte uit het industriegebied in Zwijndrecht dat via een warmtetransportleiding naar Hendrik-Ido-Ambacht loopt. Ondiepe aardwarmte c.q. restwarmte zullen als bronnen aanvullend zijn op de aquathermiebron(nen), en alleen indien er sprake is van het versnellingsscenario.

4.2.2

Het kiezen van een transitiepad per buurt

Vervolgens zijn de transitiepaden gekoppeld aan buurten; één transitiepad richting 2050 voor elke buurt. We onderscheiden de volgende transitiepaden:     

Warmtenetbuurten All-electricbuurten Besparingsbuurten en periodiek herijken Bedrijventerreinen Nieuwbouw- en transformatiegebied

4.2.2.1 Warmtenetbuurten Transitiepad Warmtenetbuurten Gebouwen

Alle gebouwen gaan zoveel mogelijk op natuurlijke momenten naar het basisniveau van isolatie, installatie en elektrisch koken, maar vóór de komst van het duurzame warmtenet

Warmteoptie

Een 70°C-warmtenet in de wijk met een afleverset in de woning.

Perspectief op duurzame bronnen

Er is in deze buurt een duurzaam bronperspectief zoals geothermie of aquathermie. In de opstartfase van een nieuw warmtenet zijn vaak nog tijdelijke transitiebronnen nodig, zoals aardgas.

Tempo

Deze buurten volgen een wijk- of doelgroepgerichte aanpak waarbij de buurt, of een cluster gebouwen binnen een buurt, in een bepaald tempo aansluit op het warmtenet. De snelheid waarin verschillende doelgroepen in een buurt wel of niet aansluiten is vooral afhankelijk van landelijke subsidies, financiering en regelgeving.

Opt-out

Eigenaren hebben een keuze om niet mee te doen met het warmtenet, en zelf voor een ander duurzaam alternatief voor aardgas te zorgen. Binnen deze buurten zullen all-electric

20

en lokale bronnetten als opt-out voorkomen. Om de maatschappelijke kosten zo laag mogelijk te houden is opt-out in deze buurten niet wenselijk. Varianten

We onderscheiden twee varianten in dit transitiepad: 

Starten vanaf 2021 of reeds gestart/reeds op een warmtenet. Dit zijn de meest kansrijke buurten om te starten met een warmtenet, en worden met name bepaald door de aanwezigheid van corporatiebezit waar SAH-subsidie voor verkregen is. Let op: starten in 2021 betekent dus niet dat in de hele buurt tegelijk in 2021 gestart wordt. Er wordt gestart met clusters van corporatiewoningen, utiliteit en VVE’s, de meest kansrijke doelgroepen op dit moment. Particuliere woningen zullen in de meeste gevallen pas op een later moment de kans krijgen om aan te sluiten, wanneer dat haalbaar en betaalbaar is.

Starten vanaf 2031. Deze wijken zijn niet kansrijk om nu mee te starten, maar komen wel in beeld vanaf 2031.

4.2.2.2 All-electricbuurten Transitiepad All-electricbuurten Gebouwen

Alle gebouwen gaan zoveel mogelijk op natuurlijke momenten naar het basisniveau van isolatie, installatie en elektrisch koken. Daarnaast zetten deze gebouwen een extra stap om de binneninstallatie (bijvoorbeeld radiatoren) geschikt te maken voor all-electric.

Warmteoptie

Individueel all-electric door middel van een warmtepomp in de woning en een extra verzwaard elektriciteitsnet in de wijk.

Tempo

Deze buurten stappen gestaag over op all-electric, in het tempo van gebouweigenaren. Een te hoog tempo is in deze buurten onwenselijk en onnodig door: 

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10261033/1