Bijlage bij raadsvoorstel 8.2 WasWordtTabel Verordening Werk en Inkomen Hendrik-Ido-Ambacht 2025
Tekst van het document
Was-wordt tabel Verordening werk & inkomen Hendrik-Ido-Ambacht 2025
Was:
Wordt:
Artikel 1.1 Begrippen In deze verordening wordt verstaan onder:
Artikel 1.1 Begrippen In deze verordening wordt verstaan onder:
a. Afstemming: verlaging van de bijstandsnorm of bijzondere bijstand (waaronder de individuele inkomenstoeslag) op grond van artikel 18, tweede lid, van de wet, dan wel de verlaging of (gedeeltelijke) weigering van de uitkering op grond van artikel 20 IOAW en artikel 20 IOAZ; b. Algemeen Bestuur: het Algemeen Bestuur van het Openbaar Lichaam Sociaal c. Bijstand: het recht op de bijstandsnorm; d. Bijstandsnorm: de op grond van paragraaf 3.2 van de wet op de belanghebbende van toepassing zijnde norm, vermeerderd of verminderd met de op grond van paragraaf 3.3 van de wet door het college vastgestelde verhoging of verlaging of de toegekende bijstand op grond van artikel 16 van de wet of de toegekende bijzondere bijstand; e. cliëntenraad: stichting Cliëntenraad Regio Drechtsteden; f. College: het college van burgemeester en wethouders; g. Dagelijks Bestuur: het dagelijks bestuur van het Openbaar Lichaam Sociaal; h. Grondslag: de bruto grondslag ingevolge de IOAW of IOAZ; i. IOAW: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers; j. IOAZ: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; k. Nettominimumloon: basisnorm voor gehuwden als bedoeld in artikel 21, onder b, van de wet; l.
Mantelzorg: langdurige zorg die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende door personen uit diens directe omgeving, waarbij zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie en de gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt;
a. Afstemming: verlaging van de bijstandsnorm of bijzondere bijstand (waaronder de individuele inkomenstoeslag) op grond van artikel 18, tweede lid, van de wet, dan wel de verlaging of (gedeeltelijke) weigering van de uitkering op grond van artikel 20 IOAW en artikel 20 IOAZ; b. Algemeen Bestuur: het Algemeen Bestuur van het Openbaar Lichaam Sociaal c. Bijstand: het recht op de bijstandsnorm; d. Bijstandsnorm: de op grond van paragraaf 3.2 van de wet op de belanghebbende van toepassing zijnde norm, vermeerderd of verminderd met de op grond van paragraaf 3.3 van de wet door het college vastgestelde verhoging of verlaging of de toegekende bijstand op grond van artikel 16 van de wet of de toegekende bijzondere bijstand; e. College: het college van burgemeester en wethouders; f. Dagelijks Bestuur: het dagelijks bestuur van het Openbaar Lichaam Sociaal; g. Grondslag: de bruto grondslag ingevolge de IOAW of IOAZ; h. IOAW: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers; i. IOAZ: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; j. Nettominimumloon: basisnorm voor gehuwden als bedoeld in artikel 21, onder b, van de wet; k.
Mantelzorg: langdurige zorg die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende door personen uit diens directe omgeving, waarbij zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie en de gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt;
1
m. Uitkering: algemene bijstand op grond van de Participatiewet of de netto uitkering op grond van de IOAW of IOAZ. n. De wet; de Participatiewet;
l.
Uitkering: algemene bijstand op grond van de Participatiewet of de netto uitkering op grond van de IOAW of IOAZ. m. De wet; de Participatiewet;
2
Was: Artikel 2.6 Loonkostensubsidie en Loonwaardebepaling
Wordt: Artikel 2.6 Loonkostensubsidie en Loonwaardebepaling
1. Het college stelt vast of een persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie. 2. Hierbij neemt het college de volgende criteria in acht: a. een persoon moet behoren tot de doelgroep zoals omschreven in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de wet, niet in staat zijn met voltijdse arbeid het wettelijk minimumloon te verdienen dan wel daaraan gerelateerd met deeltijdarbeid het minimum uurloon te verdienen en mogelijkheden hebben tot arbeidsparticipatie, of
Toevoeging: 5. Uiterlijk twaalf maanden na afloop van een kalenderjaar waarin een recht op loonkostensubsidie zou bestaan, vraagt de werkgever loonkostensubsidie aan. 6. Wanneer er sprake is van een aanvraag op declaratiebasis, dan dient de werkgever per maand een volledig ingevuld declaratieformulier in, vergezeld door een afschrift van de loonstrook van de desbetreffende maand. Onder bijzondere omstandigheden kan Dagelijks Bestuur ontheffing verlenen van deze indieningstermijn.
b. een persoon moet behoren tot de doelgroep zoals omschreven in artikel 10d, tweede lid van de wet. 3. Voor personen die behoren tot de doelgroep loonkostensubsidie en waarbij sprake is van een arbeidsovereenkomst of een voornemen tot een arbeidsovereenkomst met een werkgever, stelt het college de loonwaarde vast met gebruikmaking van een methodiek voor loonwaardebepaling. 4. Deze methodiek voldoet in ieder geval aan de volgende eisen: a. het meet de arbeidsprestatie van de werknemer; b. de loonwaarde hangt niet af van degene die de methode hanteert; c. het is transparant voor iedere betrokkene hoe tot de loonwaarde is gekomen.
3
Was: Artikel 2.7 Aanvraagproces Loonkostensubsidie
Wordt: Artikel 2.7 Aanvraagproces Loonkostensubsidie
1. Het college verstrekt overeenkomstig artikel 10d, van de wet, ambtshalve of op aanvraag, loonkostensubsidie aan de werkgever die voornemens is een dienstbetrekking aan te gaan met een persoon die behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie. In geval van een aanvraag zijn het tweede tot en met het vijfde lid van dit artikel van toepassing.
Toevoeging:
2. Het college bevestigt de ontvangst van de aanvraag schriftelijk aan de werkgever, of als de aanvraag wordt gedaan door de persoon die behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie, aan de werkgever en die persoon.
6. Het college onderzoekt, voor zover nodig en gelet op de omstandigheden van de persoon, in daartoe voorkomende gevallen de mogelijkheden om door samenwerking met andere partijen, onder meer op het gebied van (publieke) gezondheid, jeugdhulp, maatschappelijke ondersteuning, onderwijs, schuldhulpverlening, welzijn en wonen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde integrale dienstverlening met het oog op de arbeidsinschakeling, bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onder g, onderdeel 1, of de wijze van voortgezette persoonlijke ondersteuning, bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onder g, onderdeel 2, van de wet.
3. Een aanvraag voor loonkostensubsidie wordt, als het een persoon betreft die nog niet behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie, ook beschouwd als een aanvraag om vast te stellen of de persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie, als bedoeld in artikel 10c, eerste lid, onder a, van de wet. 4. Het college stelt binnen 8 weken na ontvangst van de aanvraag de loonwaarde vast, tenzij in overleg met de werkgever toepassing wordt gegeven aan artikel 10d, vijfde lid, van de wet. 5. Het college neemt bij het verstrekken van de loonkostensubsidie het preferente proces loonkostensubsidie in acht.
4
Was: Artikel 2.9 Participatievoorziening beschut werk
Wordt: Artikel 2.9 Participatievoorziening beschut werk
1. Het college biedt ambtshalve of op verzoek de participatievoorziening beschut werk aan, aan een persoon van wie is vastgesteld dat deze door een lichamelijke, verstandelijke of psychische beperking een zodanige mate van begeleiding op en aanpassingen van de werkplek nodig heeft dat hij/zij alleen in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft, en deze persoon: a. behoort tot de doelgroep zoals omschreven in art. 7 lid 1 sub a van de wet; of b. een uitkering ontvangt van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV). 2. Het college draagt zorg voor het beheer van de wachtlijst van de door het UWV geïndiceerd personen die geen beschutte dienstbetrekking hebben en beschikbaar zijn om een dergelijke dienstbetrekking te aanvaarden en stelt hiervoor beleidsregels vast. 3. Het college kan uit de personen uit de doelgroep een voorselectie maken en wint bij het UWV advies in voor de beoordeling of zij uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. Het college selecteert voor deze beoordeling uitsluitend personen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt; 4. Om de in artikel 10b, eerste lid, van de wet, bedoelde werkzaamheden mogelijk te maken zet het college de volgende ondersteunende voorzieningen in: a.
fysieke aanpassingen van de werkplek of de werkomgeving, b. uitsplitsing van taken of aanpassingen in de wijze van werkbegeleiding, werktempo of arbeidsduur. 5. Het college biedt de volgende voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling aan tot het moment dat de dienstbetrekking beschut werk aanvangt: a. deelname aan een participatieplaats, b. indien van toepassing (arbeidsmatige) dagbesteding of andere voorzieningen.
Toevoeging: 6. Het college vergoedt de kosten voor werkbegeleiding aan werkgevers ten behoeve van een persoon met een beschut werk indicatie. Dit bedrag wordt vergoed tot een hoogte van €700 per maand voor een werknemer met een fulltime dienstverband (1FTE). De vergoeding wordt naar rato berekend. Het college kan dit bedrag jaarlijks indexeren. 7. Bij ziekte vindt een verrekening van de vergoeding pas plaats indien de ziekte langer dan 30 dagen aanhoudt. Bij aanvang zwangerschapsverlof zal de vergoeding voor werkbegeleiding worden beëindigd. Wanneer een werknemer na een periode van arbeidsongeschiktheid weer gedeeltelijk start met de eigen werkzaamheden, kan in overleg tussen werkgever en het college, de begeleiding en daarmee ook de vergoeding weer worden opgestart. Voor werkzaamheden op arbeidstherapeutische basis geldt geen begeleidingsvergoeding, tenzij dit voorafgaand schriftelijk tussen werkgever en het college is overeengekomen.
5
Was: Artikel 2.27 Werkbegeleiding
Wordt: Artikel 2.27 Werkbegeleiding
1. Het college kan een vergoeding voor werkbegeleiding toekennen ten behoeve van een persoon die door zijn of haar arbeidsbeperking extra begeleiding nodig heeft op de werkvloer.
Aanpassing:
[…]
8. Het college vergoedt de maandelijkse kosten voor werkbegeleiding aan werkgevers. De hoogte hiervan is € 295 per maand per werknemer bij een fulltime dienstverband (1 FTE). Het bedrag wordt naar rato van de FTE berekend en vergoed.
1. Het college vergoedt de kosten voor werkbegeleiding aan werkgevers ten behoeve van een persoon die door zijn of haar arbeidsbeperking extra begeleiding nodig heeft op de werkvloer. Deze kosten worden vergoed tot een hoogte van €295 per maand voor een werknemer met een fulltime dienstverband (1 FTE). De vergoeding wordt naar rato berekend. Het college kan dit bedrag jaarlijks indexeren. Verwijderd en hernummerd: […]
9. lndien een werkgever meer kandidaten met werkbegeleiding heeft kan het college besluiten om de vergoeding lager vast te stellen in verband met schaalvoordelen door groepsinstructie.
8. lndien een werkgever meer kandidaten met werkbegeleiding heeft kan het college besluiten om de vergoeding lager vast te stellen in verband met schaalvoordelen door groepsinstructie.
10. De werkgever rapporteert jaarlijks over de voortgang van de trajecten via formats die door het college beschikbaar worden gesteld. Bij het niet tijdig inleveren van een rapportage kan de begeleidingsvergoeding worden stopgezet.
9. De werkgever rapporteert jaarlijks over de voortgang van de trajecten via formats die door het college beschikbaar worden gesteld. Bij het niet tijdig inleveren van een rapportage kan de begeleidingsvergoeding worden stopgezet.
10. Bij ziekte vindt een verrekening van de 11. Bij ziekte vindt een verrekening van de vergoeding pas plaats indien de ziekte vergoeding pas plaats indien de ziekte langer dan 30 dagen aanhoudt. Bij aanvang langer dan 30 dagen aanhoudt. Bij aanvang zwangerschapsverlof zal de vergoeding voor zwangerschapsverlof zal de vergoeding voor werkbegeleiding worden beëindigd. werkbegeleiding worden beëindigd. Wanneer een werknemer na een periode Wanneer een werknemer na een periode van arbeidsongeschiktheid weer gedeelvan arbeidsongeschiktheid weer gedeeltelijk start met de eigen werkzaamheden, telijk start met de eigen werkzaamheden, kan in overleg tussen werkgever en het kan in overleg tussen werkgever en het college, de begeleiding en daarmee ook de college, de begeleiding en daarmee ook de vergoeding weer worden opgestart. Voor vergoeding weer worden opgestart. Voor werkzaamheden op arbeidstherapeutische werkzaamheden op arbeidstherapeutische basis geldt geen begeleidingsvergoeding, basis geldt geen begeleidingsvergoeding, tenzij dit voorafgaand schriftelijk tussen tenzij dit voorafgaand schriftelijk tussen werkgever en het college is overeengekowerkgever en het college is overeenmen. gekomen.
6
12. Het college kan op individuele grondslag afwijken van bovenstaande regels in dit artikel indien de toepassing daarvan voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de betreffende regels te dienen doelen.
11. Het college kan op individuele grondslag afwijken van bovenstaande regels in dit artikel indien de toepassing daarvan voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de betreffende regels te dienen doelen.
Was:
Wordt:
Artikel 4.1 Fraudepreventie
Artikel 4.1 Preventie van oneigenlijk gebruik
Het college voert een actief fraudebeleid. Onderdeel daarvan is de wijze waarop het college belanghebbenden informeert over de rechten en plichten die aan het ontvangen van bijstand, uitkering of een reintegratievoorziening zijn verbonden en over de consequenties van misbruik en oneigenlijk gebruik. Ter controle van het beroep op bijstand of uitkering wordt onder meer gebruik gemaakt van bestandsvergelijking met actuele gegevens en van de samenloopsignalen die daaruit voortkomen.
Het college voert een actief preventiebeleid ten aanzien van oneigenlijk gebruik. Onderdeel daarvan is de wijze waarop het college belanghebbenden informeert over de rechten en plichten die aan het ontvangen van bijstand, uitkering of een re-integratievoorziening zijn verbonden en over de consequenties van misbruik en oneigenlijk gebruik. Ter controle van het beroep op bijstand of uitkering wordt onder meer gebruik gemaakt van bestandsvergelijking met actuele gegevens en van de samenloopsignalen die daaruit voortkomen.
Was:
Wordt:
Artikel 4.2 Controle
Artikel 4.2 Controle
1. Het college doet stelselmatig onderzoek naar de rechtmatigheid van de bijstand of uitkering en kan daarbij onder meer gebruikmaken van huisbezoeken, risicoprofielen, bestandsvergelijkingen en de samenloopsignalen die daaruit voortkomen. Het college onderzoekt daarnaast overige signalen en tips die relevant zijn voor het recht op bijstand, inkomensvoorziening of uitkering. Was: Artikel 4.3 Afhandeling geconstateerde fraude
1. Het college doet stelselmatig onderzoek naar de rechtmatigheid van de bijstand of uitkering en kan daarbij onder meer gebruikmaken van huisbezoeken, bestandsvergelijkingen en de samenloopsignalen die daaruit voortkomen. Het college onderzoekt daarnaast overige signalen en tips die relevant zijn voor het recht op bijstand, inkomensvoorziening of uitkering. Wordt: Artikel 4.3 Afhandeling geconstateerd oneigenlijk gebruik Titelwijziging.
7
Was:
Wordt:
Hoofdstuk 5 Cliëntenparticipatie
Hoofdstuk 5 Cliëntenparticipatie
Artikel 5.1 Adviesraad
Artikel 5.1 Regionale Adviesraad Sociaal Drechtsteden
1. Er is een adviesraad die adviseert aan het college en de gemeenteraad over het beleid betreffende de Participatiewet, algemene voorzieningen en maatwerkvoorzieningen. 2. De adviesraad is vertegenwoordigd in de Regionale Adviesraad Sociaal.
1. Er is een adviesraad die adviseert aan het college en de gemeenteraad over het beleid betreffende de Participatiewet, algemene voorzieningen en maatwerkvoorzieningen. 2. De adviesraad is vertegenwoordigd in de Regionale Adviesraad Sociaal Drechtsteden.
Artikel 5.2 Taken Regionale cliëntenraad
4 maart 2024
1. De Regionale cliëntenraad adviseert het Dagelijks Bestuur en het Algemeen Bestuur gevraagd en ongevraagd: a. over alle onderwerpen die het beleid, de uitvoering, de controle, de evaluatie, de dienstverlening en kwaliteit betreffen met betrekking tot het sociaal domein op het gebied van werk en inkomen; onder beleid wordt in dit verband verstaan: verordeningen en beleidsplannen, nadere regels en beleidsregels die regionaal door de GRS worden uitgevoerd. b. bij het ontwikkelen en aanpassen van de informatievoorziening aan de cliënt, zoals voorlichtingsmateriaal. 2. De cliëntenraad krijgt tijdig en op verzoek alle informatie die het voor de uitoefening van haar taken nodig heeft. 3. Een advies van de cliëntenraad wordt via de directie voor de eerstvolgende, uiterlijk de daaropvolgende vergadering van het Dagelijks Bestuur of Algemeen Bestuur uitgebracht. 4. Wanneer de directie, het Dagelijks Bestuur of het Algemeen Bestuur afwijkt van het advies van de cliëntenraad, wordt dit bij het definitieve voorstel vermeld. 5. De cliëntenraad ontvangt op ieder advies een schriftelijke en gemotiveerde reactie van het Dagelijks Bestuur of Algemeen Bestuur. 6. De cliëntenraad kan ter uitvoering van haar taken een beroep doen op de deskundigheid bij de Sociale Dienst
1. De Regionale Adviesraad Sociaal Drechtsteden, zoals ingesteld bij besluit van 14 september 2023, adviseert het Dagelijks Bestuur en het Algemeen Bestuur gevraagd en ongevraagd: c. over alle onderwerpen die het beleid, de uitvoering, de controle, de evaluatie, de dienstverlening en kwaliteit betreffen met betrekking tot het sociaal domein op het gebied van werk en inkomen; onder beleid wordt in dit verband verstaan: verordeningen en beleidsplannen, nadere regels en beleidsregels die regionaal door de GRS worden uitgevoerd. d. bij het ontwikkelen en aanpassen van de informatievoorziening aan de cliënt, zoals voorlichtingsmateriaal. 2. De Regionale Adviesraad Sociaal Drechtsteden krijgt tijdig en op verzoek alle informatie die het voor de uitoefening van haar taken nodig heeft. 3. Een advies van de Regionale Adviesraad Sociaal Drechtsteden wordt via de directie voor de eerstvolgende, uiterlijk de daaropvolgende vergadering van het Dagelijks Bestuur of Algemeen Bestuur uitgebracht. 4. Wanneer de directie, het Dagelijks Bestuur of het Algemeen Bestuur afwijkt van het advies van de Regionale Adviesraad Sociaal Drechtsteden, wordt dit bij het definitieve voorstel vermeld. 5. De Regionale Adviesraad Sociaal Drechtsteden ontvangt op ieder advies een 8
Drechtsteden, zelfstandig onderzoeken doen of laten doen, interne en externe deskundigen raadplegen, werkgroepen instellen waarin ook niet-leden kunnen deelnemen en activiteiten ontplooien om de betrokkenheid van cliënten te bevorderen. 7. Tot in het eerste lid genoemde onderwerpen horen niet klachten, bezwaarschriften en andere zaken die op individuele cliënten betrekking hebben. 8. De cliëntenraad adviseert evenmin over de uitvoering van wettelijke voorschriften voor zover bij de uitvoering geen ruimte is gelaten voor gemeentelijk beleid.
Artikel 5.3 Samenstelling 1. De Regionale cliëntenraad bestaat uit de onafhankelijke voorzitter en minimaal 6 leden en maximaal 12 leden, met ten minste leden uit de lokale cliëntenraden, waarbij iedere lokale cliëntenraad van de Drechtstedengemeenten één lid afvaardigt. Die leden kunnen worden aangevuld met ervaringsdeskundigen. 2. Van het lidmaatschap en voorzitterschap van de Regionale cliëntenraad zijn uitgesloten raadsleden van de Drechtstedengemeenten, medewerkers van het Openbaar Lichaam Sociaal, medewerkers van de daarbij aangesloten gemeenten, leden van het Dagelijks Bestuur, leden van het Algemeen Bestuur en personen die op andere wijze bij het bestuur van het Openbaar Lichaam Sociaal of de Drechtstedengemeenten zijn betrokken. 3. Leden van de Regionale cliëntenraad die in een traject in het kader van arbeidsinschakeling ingevolge de wet, de Wsw, de lOAZ, of de IOAW zitten, of daar in geplaatst worden tijdens hun lidmaatschap, krijgen de gelegenheid dit traject te combineren met een volwaardig lidmaatschap van de cliëntenraad. Bij de inrichting van het traject wordt daarmee rekening gehouden. 4. Voor de leden kunnen plaatsvervangers worden aangewezen.
schriftelijke en gemotiveerde reactie van het Dagelijks Bestuur of Algemeen Bestuur. 6. De Regionale Adviesraad Sociaal Drechtsteden kan ter uitvoering van haar taken een beroep doen op de deskundigheid bij de Sociale Dienst Drechtsteden, zelfstandig onderzoeken doen of laten doen, interne en externe deskundigen raadplegen, werkgroepen instellen waarin ook niet-leden kunnen deelnemen en activiteiten ontplooien om de betrokkenheid van cliënten te bevorderen. 7. Tot in het eerste lid genoemde onderwerpen horen niet klachten, bezwaarschriften en andere zaken die op individuele cliënten betrekking hebben. 8. De Regionale Adviesraad Sociaal Drechtsteden adviseert evenmin over de uitvoering van wettelijke voorschriften voor zover bij de uitvoering geen ruimte is gelaten voor gemeentelijk beleid. Artikel 5.3 Samenstelling 1. De Regionale Adviesraad Sociaal Drechtsteden, zoals ingesteld bij besluit van 14 september 2023, bestaat uit de onafhankelijke voorzitter en minimaal 6 leden en maximaal 12 leden, met ten minste leden uit de lokale cliëntenraden, waarbij iedere lokale cliëntenraad van de Drechtstedengemeenten één lid afvaardigt. Die leden kunnen worden aangevuld met ervaringsdeskundigen. 2.
Van het lidmaatschap en voorzitterschap van de Regionale Adviesraad Sociaal Drechtsteden zijn uitgesloten raadsleden van de Drechtstedengemeenten, medewerkers van het Openbaar Lichaam Sociaal, medewerkers van de daarbij aangesloten gemeenten, leden van het Dagelijks Bestuur, leden van het Algemeen Bestuur en personen die op andere wijze bij het bestuur van het Openbaar Lichaam Sociaal of de Drechtstedengemeenten zijn betrokken. 3. Leden van de Regionale Adviesraad Sociaal Drechtsteden die in een traject in het kader van arbeidsinschakeling ingevolge de wet, de Wsw, de lOAZ, of de IOAW zitten, of daar in geplaatst worden tijdens hun 9
5. Het Algemeen Bestuur benoemt op basis van een zwaarwegende voordracht van de Regionale cliëntenraad de leden van de Regionale cliëntenraad.
Artikel 5.4 Reglement Het Algemeen Bestuur stelt, onverminderd de artikelen 5.3 en 5.4 een nader reglement voor de Regionale cliëntenraad vast.
lidmaatschap, krijgen de gelegenheid dit traject te combineren met een volwaardig lidmaatschap van de Regionale Adviesraad Sociaal Drechtsteden. Bij de inrichting van het traject wordt daarmee rekening gehouden. 4. Voor de leden kunnen plaatsvervangers worden aangewezen. 5. Het Algemeen Bestuur benoemt op basis van een zwaarwegende voordracht van de Regionale Adviesraad Sociaal Drechtsteden de leden van de Regionale Adviesraad Sociaal Drechtsteden.
Artikel 5.4 Reglement Het Algemeen Bestuur stelt, onverminderd de artikelen 5.3 en 5.4 een nader reglement voor de Regionale Adviesraad Sociaal Drechtsteden vast.
10
Was:
Wordt:
Artikel 6: Overgangsrecht
Artikel 6: Overgangsrecht
1. De Verordening Werk en Inkomen Hendrik-Ido-Ambacht, vastgesteld op 20 juni 2023 wordt ingetrokken met ingang van de inwerkingtreding van deze verordening per 01- 01- 2022, met uitzondering van de artikelen 2.7, 2.8, en 2.20 t/m 2.31 die in werking zijn getreden per 01-07-2023, met dien verstande dat zij van toepassing blijft ten aanzien van een op grond daarvan genomen besluit totdat het college, onder intrekking van dit besluit, een nieuw besluit op grond van deze verordening heeft genomen. 2. De artikelen 5.2, 5.3 en 5.4 worden ingetrokken per 01-01-2024. 3. Aanvragen die zijn ingediend vóór inwerkingtreding van deze verordening en waarop nog geen besluit is genomen ten tijde van de inwerkingtreding van deze verordening, worden afgehandeld op grond van deze verordening. 4. Bezwaarschriften die zijn ingediend tegen besluiten genomen op grond van de voorgaande versie van deze Verordening, worden afgehandeld op grond van die eerdere versie van de Verordening. 5. De verordening Cliëntenparticipatie Werk en Inkomen Drechtsteden vastgesteld d.d. 12 december 2017 wordt ingetrokken met ingang van de inwerkingtreding van deze verordening.
1. De Verordening Werk en Inkomen HendrikIdo-Ambacht, vastgesteld op 4 maart 2024 wordt ingetrokken met ingang van de inwerkingtreding van deze verordening per 1 januari 2025. 2. Aanvragen die zijn ingediend vóór inwerkingtreding van deze verordening en waarop nog geen besluit is genomen ten tijde van de inwerkingtreding van deze verordening, worden afgehandeld op grond van deze verordening. 3. Bezwaarschriften die zijn ingediend tegen besluiten genomen op grond van de voorgaande versie van deze Verordening, worden afgehandeld op grond van die eerdere versie van de Verordening.
Was: Artikel 7 Inwerkingtreding
Wordt: Artikel 7 Inwerkingtreding
Deze verordening treedt met terugwerkende kracht in werking per 1 januari 2022, met uitzondering van de artikelen 2.7, 2.8 en 2.20 t/m 2.31 die in werking zijn getreden per 01-072023, onder intrekking van de voorgaande versie van de Verordening Werk en Inkomen Hendrik-Ido-Ambacht, vastgesteld op 20 juni 2023. De artikelen 5.2, 5.3 en 5.4 worden ingetrokken per 01-01-2024.
Deze verordening treedt in werking per 1 januari 2025, met uitzondering van artikel 2.9 lid 6 en artikel 2.27 lid 1. Deze treden vanaf 1 juli 2024 in werking.
11
Was:
Wordt:
Artikel 8 Citeertitel
Artikel 8 Citeertitel
Deze verordening wordt aangehaald als Verordening werk en inkomen Hendrik-IdoAmbacht 2024.
Deze verordening wordt aangehaald als Verordening werk en inkomen Hendrik-IdoAmbacht 2025.
Toelichting: Was: Als gevolg van het 'Breed Offensief' is de gemeenteraad verplicht om regels op te nemen in deze verordening: •
•
•
•
• •
•
persoonlijke ondersteuning bij het verrichten van opgedragen taken (artikelen 8a, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, onderdeel a en e, en 10, eerste lid, van de wet); scholing of opleiding, als bedoeld in artikel 10a, vijfde lid, van de wet (artikel 8a, eerste lid, onderdeel c, en tweede lid, onderdeel b, van de wet); - de premie, als bedoeld in artikel 10a, zesde lid, van de wet (artikel 8a, eerste lid, onderdeel d, en tweede lid, onderdeel b, van de wet); participatievoorziening beschut werk, als bedoeld in artikel 10b van de wet (artikelen 8a, eerste lid, onderdeel e, en 10b, zevende lid, van de wet); loonkostensubsidie, als bedoeld in artikel 10d, van de wet, voor zover het gaat om de vormgeving van het administratieve proces tot verstrekking hiervan (artikel 8a, tweede lid, onderdeel c, van de wet); proefplaats (artikel 8a, tweede lid, onderdeel d, van de wet); vervoersvoorziening, als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de wet, die ertoe strekt dat de persoon zijn werkplek, proefplaats of opleidingslocatie kan bereiken (artikel 8a, tweede lid, onderdeel f, van de wet); intermediaire activiteit, als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de wet, die noodzakelijk is in verband met een
Wordt: Als gevolg van het 'Breed Offensief' is de gemeenteraad verplicht om regels op te nemen in deze verordening: •
•
•
•
• •
•
persoonlijke ondersteuning bij het verrichten van opgedragen taken (artikelen 8a, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, onderdeel a en e, en 10, eerste lid, van de wet); scholing of opleiding, als bedoeld in artikel 10a, vijfde lid, van de wet (artikel 8a, eerste lid, onderdeel c, en tweede lid, onderdeel b, van de wet); - de premie, als bedoeld in artikel 10a, zesde lid, van de wet (artikel 8a, eerste lid, onderdeel d, en tweede lid, onderdeel b, van de wet); participatievoorziening beschut werk, als bedoeld in artikel 10b van de wet (artikelen 8a, eerste lid, onderdeel e, en 10b, zevende lid, van de wet); loonkostensubsidie, als bedoeld in artikel 10d, van de wet, voor zover het gaat om de vormgeving van het administratieve proces tot verstrekking hiervan (artikel 8a, tweede lid, onderdeel c, van de wet); proefplaats (artikel 8a, tweede lid, onderdeel d, van de wet); vervoersvoorziening, als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de wet, die ertoe strekt dat de persoon zijn werkplek, proefplaats of opleidingslocatie kan bereiken (artikel 8a, tweede lid, onderdeel f, van de wet); intermediaire activiteit, als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de wet, die noodzakelijk is in verband met een 12
•
visuele of motorische handicap (artikel 8a, tweede lid, onderdeel f, van de wet); meeneembare voorziening, als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de wet, voor de inrichting van de werkplek, de productie- en werkmethoden, de inrichting van de opleidingslocatie of de proefplaats en de bij het werk of opleiding te gebruiken hulpmiddelen (artikel 8a, tweede lid, onderdeel f, van de wet);
•
visuele of motorische handicap (artikel 8a, tweede lid, onderdeel f, van de wet); meeneembare voorziening, als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de wet, voor de inrichting van de werkplek, de productie- en werkmethoden, de inrichting van de opleidingslocatie of de proefplaats en de bij het werk of opleiding te gebruiken hulpmiddelen (artikel 8a, tweede lid, onderdeel f, van de wet); regels rondom de arbeidsinschakeling, (artikel 8a, tweede lid, onder g, onderdeel 1, en de wijze van voortgezette persoonlijke ondersteuning, bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onder g, onderdeel 2, van de wet).
Was: Hoofdstuk 4 Handhaving
Wordt: Hoofdstuk 4 Handhaving
Artikel 4.1. Fraudepreventie
Artikel 4.1. Preventie van oneigenlijk gebruik
In essentie komt deze verordening wat betreft handhaving erop neer dat het college actief fraude oneigenlijk gebruik opspoort en voorkomt en dat bij geconstateerde fraude het college overgaat tot afstemming, terug- en invordering en indien mogelijk, aangifte bij het Openbaar Ministerie. Het college krijgt de bevoegdheid een en ander in beleidsregels nader uit te werken.
In essentie komt deze verordening wat betreft handhaving erop neer dat het college actief fraude oneigenlijk gebruik opspoort en voorkomt en dat bij de constatering dat er oneigenlijk gebruik wordt gemaakt van de bijstandsuitkering het college overgaat tot afstemming, terug- en invordering en indien mogelijk, aangifte bij het Openbaar Ministerie. Het college krijgt de bevoegdheid een en ander in beleidsregels nader uit te werken. […]
[…] Artikel 4.3 Afhandeling geconstateerde fraude Dit artikel bepaalt dat, indien de afstemming niet kan plaatsvinden omdat de betrokkene geen uitkering ontvangt, het college kan overgaan tot terugvordering van het bedrag dat door het niet effectueren van de afstemming ten onrechte is uitgekeerd. Dit zal vanzelfsprekend niet mogelijk zijn als bijvoorbeeld de verzwegen inkomsten meer hebben bedragen dan de uitkeringsnorm.
Artikel 4.3 Afhandeling geconstateerd oneigenlijk gebruik Dit artikel bepaalt dat, indien de afstemming niet kan plaatsvinden omdat de betrokkene geen uitkering ontvangt, het college kan overgaan tot terugvordering van het bedrag dat door het niet effectueren van de afstemming ten onrechte is uitgekeerd. Dit zal vanzelfsprekend niet mogelijk zijn als bijvoorbeeld de verzwegen inkomsten meer hebben bedragen dan de uitkeringsnorm.
13